Boeren en burgers moeten samen werken aan gezonde leefomgeving

Mathieu Wagemans is Raadslid voor Ronduit Open in Leudal (L)

Opiniebijdrage Dagblad Trouw van 9 november 2017

Een van de meest actuele en ernstige problemen op het platteland vormt de spanning tussen intensieve veehouderij en de omgeving. Daar zijn diverse oorzaken voor aan te wijzen. Het aantal bedrijven is weliswaar fors afgenomen maar de overblijvende bedrijven zijn enorm in omvang gegroeid. Natuurlijk kan ook meespelen dat we minder dan vroeger bereid zijn overlast te aanvaarden. Op de derde plaats is de functie van het buitengebied veranderd. Landbouw is niet meer de enige functie maar toerisme, recreatie en zorg zijn belangrijke bronnen van inkomsten geworden in het buitengebied.  

Veel is al geprobeerd om de spanning tussen de intensieve veehouderij en de omgeving op te lossen of in ieder geval te verminderen maar de spanning neemt eerder toe dan af.  Ook de politiek is hevig verdeeld. Verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en de economische belangen van bedrijven lijken niet verenigbaar. 

Bij dergelijke schijnbaar onoplosbare vraagstukken kan het lonen afstand te nemen en zich te verdiepen in de aard van het probleem. De huidige veehouderij is een sector die groot kon worden door toepassing van nieuwe technologie. De huidige bedrijven zijn niet meer vergelijkbaar met de situatie zo’n 40 jaar geleden. De stijging van de productiviteit was ongekend. Wanneer die modernisering tot problemen leidt, bijvoorbeeld door uitstoot van ammoniak en fijnstof, is er een groot vertrouwen dat nieuwe technologie die wel zal oplossen. Als we veel te veel mest produceren, dan zal nieuwe technologie ons in staat stellen die milieuvriendelijk te verwerken.

Het is een vreemde tegenstelling. De huidige problemen zijn veroorzaakt doordat nieuwe technologie schaalvergroting noodzakelijk maakte en tegelijkertijd kunnen die problemen slechts worden opgelost door nog meer schaalvergroting. Immers, enkel door schaalvergroting kunnen de kosten van nieuwe technologie zoals luchtwassers worden verdeeld over meer dieren om zo de kostprijs in de hand te houden.

We moeten groeien om te kunnen overleven. De oplossing is met zichzelf op de loop gegaan.

Dat proces waarbij schaalvergroting zowel het probleem als de oplossing vormt is wel eens vergeleken met een tredmolen. Je moet blijven rennen om de beweging in stand te houden. Stilstand is achteruitgang. De intensieve veehouderij is een typisch voorbeeld van een sector waarin nieuwe technologie geen hulpmiddel meer is maar waarin we zelf de gevangene van de vooruitgang zijn geworden. We moeten groeien om te kunnen overleven. De oplossing is met zichzelf op de loop gegaan. We willen graag anders maar we kunnen niet meer.  

Om dat proces te doorbreken is een ander perspectief nodig. Uitgangspunt daarbij moet zijn dat boeren en burgers een gezamenlijk belang hebben bij een gezonde leefomgeving. Een benadering is om uit de tegenstelling te treden en de mogelijkheden van een omgevingcoöperatie of buurtschap te verkennen. Een dergelijke organisatie neemt verantwoordelijkheid voor het beheer en heeft als doel om gezamenlijk op basis van onderling gemaakte afspraken gedurende een overgangsperiode naar een voor alle betrokkenen aanvaardbare eindsituatie toe te werken. Zowel boeren als burgers zijn er lid van. Die gemaakte afspraken kunnen vervolgens door de gemeente in een Bestemmingsplan worden vastgelegd zodat er niet langer sprake is van vrijblijvende intenties. Boeren en burgers worden veroordeeld tot elkaar. De nieuwe Omgevingswet biedt ruimte voor dergelijke vernieuwing. Dat vraagt van allen de bereidheid die nieuwe weg op te gaan. De landbouw profileert zichzelf graag als een sector die buitengewoon modern is. Wat toepassing van nieuwe technologie betreft is dat inderdaad het geval Maar nu wordt gevraagd ook modern te gaan denken op een ander terrein. Dat biedt meer perspectief dan telkens weer de randen van de wet op te zoeken en met buren slechts te communiceren in de achterzaaltjes van de Raad van State.

                                       

*************************


Tot in detail uitgewerkte regels verlammen politiek en bestuurders

OPINIE Dagblad Trouw augustus 2017

Volgens Mathieu Wagemans, raadslid in Leudal, hebben bestuurders nauwelijks nog ruimte om besluiten te nemen.

Rechtswetenschapper Jan Brouwer neemt afstand van het gedrag van burgemeesters die zich niet aan de regels houden zoals die in onze rechtsstaat gelden (Trouw, 2 augustus).

Hij voelt vermoedelijk meer voor de Amersfoortse burgemeester Lucas Bolsius, die zich - zoals het een burgervader formeel betaamt - meteen bij de harde gevolgen van het Nederlandse uitzettingsbeleid neerlegde en niet meeliep in de 'Hartentocht' voor de ondergedoken kinderen van de uitgezette Armeense moeder.

Strikt juridisch gezien is Brouwers betoog heel logisch, maar hij gaat voorbij aan een dieper gelegen probleem waarmee onze rechtsstaat kampt. Dat heeft niet te maken met de beginselen van onze rechtsstaat, maar met de wijze waarop we die hebben uitgewerkt.

Geen willekeur

Basis voor onze rechtsstaat is de scheiding van wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht. Die strikte scheiding was bedoeld om willekeur uit te bannen en het overheidssysteem zelfcorrigerend te maken. Maar wat is daarvan terechtgekomen?

Gaandeweg hebben de beginselen van behoorlijk bestuur een uitwerking gekregen die letterlijk te mooi is om waar te zijn. Met veel gevoel voor detail worden regels opgesteld, die vervolgens via jurisprudentie nog verder worden genuanceerd.

Gevolg daarvan is dat de lat voor politici en bestuurders in de praktijk zo hoog gelegd is dat men er nauwelijks meer overheen kan. Nieuwe regels moeten voldoen aan zoveel eisen dat dit aanzienlijke afbreuk doet aan de effectiviteit ervan. Rechters hebben enorme ruimte bij de beoordeling van de vraag of een overheidsbesluit voldoet aan het motiveringsbeginsel. Heel gemakkelijk kan worden geoordeeld dat een besluit is gebaseerd op onvoldoende onderzoek.

Het gelijkheidsbeginsel werkt zo uit dat er altijd wel weer een uitspraak te vinden is waarop een burger zich in een juridische procedure met succes kan beroepen. Planologisch beleid is verstrikt geraakt in juridische discussies. De gemeenteraad heeft formeel de bevoegdheid om bestemmingsplannen vast te stellen, maar ieder voorstel voor verandering loopt de grote kans op juridische bezwaren te stuiten. Beleidsmatige argumenten worden opzij geschoven en overbelast door juridische afwegingen.

Rechtvaardigheid is verworden tot vaardigheid in het recht

We hebben een stelsel opgebouwd dat niet alleen de ruimte voor politieke besluitvorming beperkt, maar ook de handelingsruimte voor bestuurders. Dat is één kant van het verhaal. De andere kant is dat de verfijnde en uiterst gedetailleerde uitwerking van regels burgers aanzienlijke ruimte geeft om op te komen tegen hun onwelgevallige besluiten. Juridische spitsvondigheid loont. Het beginsel van rechtvaardigheid is verworden tot vaardigheid in het recht.

Het door Brouwer afgekeurde optreden van enkele 'sheriffburgemeesters' roept de vraag op of we in ons rechtsstelsel niet te zeer zijn doorgeschoten. Hebben we misschien een juridische schijnwereld geconstrueerd die niet alleen niet voldoet aan het maatschappelijk rechtsgevoel, maar die in zijn tegendeel gaat verkeren? Hoe rechtvaardig is het dat een misdrijf onbestraft blijft, omdat het OM een onbeduidende vormfout heeft gemaakt?

De rechterlijke macht is niet meer corrigerend maar heeft gaandeweg de wetgevende en uitvoerende macht ingeperkt. Het evenwicht binnen de trias politica raakt verstoord. De eerste stap om dit vraagstuk aan te pakken is de erkenning daarvan. Maar er rust een groot taboe op. Kritiek op de uitwerking die we aan de rechtsstaat hebben gegeven wordt telkens weer op één lijn gesteld met kritiek op de beginselen die aan de rechtsstaat ten grondslag liggen.

***********************************

Voorwoord Herman Wijffels in "Een oceaan van betekenisloosheid"

Voorwoord

Onze moderne maatschappij is niet meer te vergelijken met die van 50 of 100 jaar geleden. Op vrijwel ieder terrein is grote vooruitgang geboekt. Onze welvaart is toegenomen, we maken gebruik van nieuwe technologie, we kunnen ook veel sneller over veel meer informatie beschikken, we zijn mondiger geworden. Maar de modernisering heeft ons ook voor nieuwe problemen gesteld. Denk aan milieuvraagstukken, aan het veranderend klimaat, aan stromen vluchtelingen, aan veiligheid. We leven in een globaliserende wereld en kunnen er onze ogen niet voor sluiten. Globalisering heeft ook nieuwe afhankelijkheden met zich meegebracht. Denk aan de effecten van de financiële crisis. Bovendien, dichter bij huis, verandert de rol en positie van de burger. We worden opgeroepen tot verantwoordelijkheid in de overgang naar een participatiemaatschappij. Dat is nog niet zo eenvoudig . Het vraagt nieuwe vaardigheden en vooral de bereidheid daartoe. Gezamenlijkheid na een lange periode van individualisering.

Mathieu Wagemans heeft vele tientallen jaren deze en soortgelijke problemen ervaren, zowel beleidsmatig binnen de rijksoverheid, als op gemeentelijk niveau in de politiek als raadslid en wethouder. Al die tijd heeft hij een bijzondere belangstelling gehad voor de vraag waarom onze rationele beleids- en planningsmodellen vaak niet goed werken. Een continu proces van reflectie op zijn ervaringen heeft geleid tot dit boek. Het bevat een analyse die een stuk dieper gaat dan wat aan de oppervlakte zichtbaar is. Verdiepend ook door ruim gebruik te maken van filosofische inzichten en die te koppelen aan de praktijk.

Op grond van die analyse worden voorstellen gedaan voor verandering, zowel met betrekking tot de politiek, het overheidsbeleid als de wetenschap. Maar daarmee wordt niet volstaan. Het boek bevat ook een uitgebreid hoofdstuk over hoe die ingrijpende veranderingen zouden kunnen worden gerealiseerd.

Het resultaat van deze reflectie op vele jaren ervaring in beleid en politiek, is een publicatie die op onderdelen als confronterend kan worden ervaren maar tegelijkertijd als uitdagend en inspirerend. Veel aandacht wordt besteed aan de filosofie van de Franse filosoof Michel Serres. Die staat bekend als een buitengewoon onorthodox denker die tal van vanzelfsprekendheden onderuit haalt. Volgens hem kunnen we niet langer vertrouwen op bestaande structuren. Ik ben dat met hem eens. De structuren van de industriële maatschappij hebben ons gebracht tot waar we nu zijn, maar zijn sociaal-organisatorisch en ecologisch versleten, niet goed genoeg voor de 21e eeuw. We staan aan het begin van een nieuwe fase in  de ontwikkeling van de samenleving. We moeten op ontdekkingstocht, nieuwe vormen vinden voor de manier waarop we leven, werken en ons organiseren. Dat vraagt vooral de moed op weg te gaan. En ook het besef dat krampachtig vasthouden aan oude zekerheden de zekerste manier is om ze kwijt te raken. Zoals stevig knijpen in een handvol zand je met lege hand achterlaat. Serres gebruikt daarvoor het beeld dat we onze eilanden moeten verlaten en de oceaan opgaan, want daar ligt de ruimte, nieuwe mogelijkheden. Steeds meer mensen en bedrijven beginnen dat ook te doen. Het echte leven in onze maatschappij speelt zich steeds meer af buiten onze formele systemen of, in de terminologie van Serres, buiten onze eilanden. Deze tijd vraagt er om niet langer een verdedigende houding aan te nemen en weg te kruipen achter de dijken, maar de toekomst open tegemoet te treden. Door dat laatste te doen en met nieuwe inzichten kennis en technologie vorm te geven aan de volgende ronde in de maatschappelijke ontwikkeling, ontstaat weer perspectief waarin mensen betekenis kunnen geven aan hun leven en daarvoor zelf verantwoordelijkheid nemen.

Dit boek zal aanzetten tot denken en naar ik hoop ook inspireren om de daad daaraan toe te voegen.   


Herman Wijffels


*********************************

Van confrontatie via een dialoog naar constructie


De tijd dat de overheid besluiten nam en vervolgens die naar burgers communiceerde ligt al lang achter ons. We vinden dat beleid tot stand moet komen in samenspraak met burgers. Het is belangrijk dat burgers gelegenheid hebben om in te spreken zodat met hun wensen en opvattingen rekening kan worden gehouden. Is het beleid eenmaal vastgesteld, dan vinden we evaluatie van het beleid belangrijk. Welke ervaringen hebben burgers met het nieuwe beleid? Voldoet het aan de verwachtingen? Hoe beoordelen burgers het beleid? Op basis van welke aannames, uitgangspunten, associaties, ervaringen? Kortom, communicatie rond beleidsvorming is een aparte wetenschap geworden.


De ervaring leert echter ook dat communicatie in beleidsprocessen ondanks alle goede bedoelingen in de praktijk nog niet zo eenvoudig is. Burgers kunnen tegengestelde belangen hebben. Dan bestaat het risico dat communicatie touwtrekkerij wordt tussen conflicterende belangen. Op zijn best mondt dat uit in een broos compromis maar dat werkt meestal niet, hooguit tijdelijk. Men heeft stellingen betrokken en niet zelden is sprake van vijandbeelden van elkaar.


Maar ook voor de overheid is communicatie vaak lastig. Overheidsbeleid is vastgelegd in tal van wetten en verordeningen. daarin is doorgaans heel gedetailleerd vastgelegd wat "in de zin van deze regeling moet worden verstaan onder ...." waarna een lange lijst van definities volgt. Die kunnen niet zomaar opzij worden geschoven. Dat kan ook riskant zijn omdat een enkele opmerking of suggestie van een beleidsmedewerker later uit zijn verband kan worden getrokken. Partijen kunnen er juridisch verwachtingen aan koppelen. Of, nog sterker, het bieden van een opening kan grond vormen voor planschadeclaims.


Een voorbeeld van een beleidsterrein waarbinnen sprake is van een dicht gedefinieerd systeem vormt de ruimtelijke ordening. Heel nauwkeurig is bepaald wat een bouwwerk is, een erfafscheiding, wanneer sprake is van een industriële activiteit of van aanwezige natuurwaarden. Om tot een creatieve en betekenisvolle dialoog te komen kunnen al die definities een belangrijke sta-in-de-weg vormen. Ze beperken de ontwerp- en communicatieruimte voor beleidsambtenaren. Dan is het lastig betekenis te geven aan wat burgers betekenisvol vinden maar wat buiten de definities valt zoals die vastliggen in wetten en regelingen. Toch is dat nodig wanneer we vernieuwing willen. Bestaande definities helpen dan niet maar nodigen juist uit tot een herhaling van zetten.


De Franse filosoof Michel Serres (in Nederland vrij onbekend maar in Frankrijk gezaghebbend) benadrukt in zijn boeken dat de betekenis van een definitie niet is wat die definitie omvat maar juist wat wordt buitengesloten. Serres vraagt aandacht voor wat buiten de definities van het beleid valt maar wat niettemin voor burgers betekenisvol kan zijn. Hij roept het beeld op van eilanden waarop overheden en wetenschappers geweldig druk zijn met zichzelf terwijl het werkelijke leven zich afspeelt  in de oceaan tussen de eilanden. Hij pleit ervoor expedities te ondernemen om de werkelijkheid te leren kennen zoals burgers die beleven. Dat betekent bijvoorbeeld aandacht voor gevoelens die we in ons beleid vaak weg definiëren. Oog krijgen voor wat buiten beeld blijft. Definities bieden de overheid zekerheid maar voor burgers kunnen ze een bron zijn van onzekerheid. Hoe worden nieuwe regels geïnterpreteerd? Kan ik mijn activiteiten wel voortzetten als het nieuwe bestemmingsplan van kracht wordt?


Een goede dialoog geeft juist aandacht aan wat buiten beeld blijft. Wat is de wereld achter de belangen zoals die worden gearticuleerd? Wat is betekenisvol voor burgers en hoe kan daarmee rekening worden gehouden binnen nieuw beleid? En hoe kunnen we voorkomen dat bestaande beleidsregels de zoekruimte voor nieuw beleid zodanig inperken en dat nieuw beleid niet een reproductie van bestaand beleid vormt? Hoe kunnen we gevoelens van rechtvaardigheid, gelijkheid en zekerheid aan bod laten komen zodat er een dialoog kan ontstaan die verder gaat dan een botsing van belangen en daarop gebaseerde standpunten?


Samengevat: een betekenisvolle dialoog is nog niet zo eenvoudig maar tegelijkertijd harder nodig dan ooit in een situatie waarin we in menig opzicht zijn vastgelopen in complexe regelgeving die vernieuwing vaker belemmert in plaats van faciliteert. Dat vraagt om een nieuwe communicatiecontext, om ruimte die in staat stelt tot betekenisvolle communicatie, om een basis van vertrouwen in plaats van bevoegdheden. Het vraagt bovenal om procesvernieuwing en training in vaardigheden om dergelijke processen te ontwerpen en te begeleiden. Voor de overheid vraagt het vooral het loslaten van bestaande beleidskaders en het inzicht dat die beleidskaders vaak slechts schijnzekerheid bieden. Vooral vraagt het lef om ongebaande paden te verkennen. De invoering van de nieuwe Omgevingswet die het bestaande systeem van bestemmingsplannen moet gaan vervangen en juist ruimte wil geven aan wat burgers betekenisvol vinden is een uitgelezen kans tot een waarachtige dialoog te komen en de vernieuwing te realiseren die met de nieuwe wet wordt beoogd. We volgen de processen op de voet!


Mathieu Wagemans werkte veertig jaar als beleidsambtenaar bij de rijksoverheid en is ruim dertig jaar actief in de gemeentepolitiek (raadslid, wethouder, locoburgemeester). Hij schreef een proefschrift over ambtelijke oppositie binnen een Ministerie. Recent verscheen zijn boek “Een oceaan van betekenisloosheid, Een kritische analyse van beleid, politiek en wetenschap met een verwijzing naar de filosofie van Michel Serres”. Hij beheert de site www.ontganiseren.nl


****************************

Bureaucratie doodt inspiratie

We moeten de overstap maken van de systeemwereld naar de leefwereld

(geschreven op verzoek van Verkenners Limburg)


Wereldwijd staat Nederland bekend als een land waar we de zaken keurig op orde hebben. Dat geldt niet alleen voor de aangeharkte tuintjes maar vooral ook voor de wijze waarop we alles hebben georganiseerd en geordend. Regels geven aan hoe we ons hebben te gedragen. We hebben heel precies bevoegdheden verdeeld. Overheidsbesluiten komen niet via willekeur tot stand maar via zorgvuldig georganiseerde processen.  

                          

Maar in tijden van ingrijpende veranderingen kunnen al die regels ook een hinderpaal vormen voor verandering. De omslag naar een participatiesamenleving is daar een treffend voorbeeld van. We willen de rol van de overheid terugdringen en bevorderen dat burgers zelf initiatieven nemen en zich gaan gedragen als verantwoordelijke burgers. Vaak echter blijken regels dan een lastige sta-in-de-weg.


De Franse filosoof Michel Serres staat nogal kritisch tegenover de overdreven drang naar ordening. Ieder ordening werkt uitsluitend. Wat niet binnen onze ordeningen valt raakt buiten beeld. Of anders gezegd, de waarde van een definitie is niet wat binnen de definitie valt maar juist wat wordt buitengesloten. Serres vraagt juist aandacht voor die “buitenwereld”. Hij roept het beeld op van eilanden waar overheid en wetenschappers vreselijk druk zijn met zichzelf maar het echte maatschappelijke leven speelt zich af op de oceaan tussen de eilanden.


Ik moest daaraan denken toen ik begin februari de bijeenkomst van de Verkenners bijwoonde in Heerlen. Mij viel op hoe ambtenaren en medewerkers van zorg- en welzijnsinstellingen enerzijds graag ruimte wilden bieden aan nieuwe initiatieven maar tegelijkertijd zich beperkt voelden door geldende regels en de cultuur binnen hun organisatie. Er zijn sterke krachten die steeds weer dwingen de bekende en platgetreden paden te volgen en die het betreden van ongebaande paden belemmeren. Onze cultuur van regels en protocollen  staat haaks op het lopen van risico’s. We kunnen het onverwachte niet goed aan. In plaats daarvan kiezen we liever voor wat binnen onze ordeningen en regels past. We weten wat  we hebben en gaan onzekerheid liever uit de weg. Maar, zo stelt Serres, de antwoorden op onze vragen moeten we juist buiten onze ordeningen, buiten onze eilanden zoeken. De zekerheid van onze ordeningen is een schijnzekerheid. Regels dwingen om het verleden te herhalen in plaats van de toekomst te ontwerpen. We moeten de systeemwereld verlaten en de leefwereld van burgers leren kennen. Dat vraagt lef maar de beloning is dat we weer de inspiratie vinden die we juist door de overdaad aan regels gaandeweg zijn kwijtgeraakt.              


 

Mathieu Wagemans werkte veertig jaar als beleidsambtenaar bij de rijksoverheid en is ruim dertig jaar actief in de gemeentepolitiek (raadslid, wethouder, locoburgemeester). Hij schreef een proefschrift over ambtelijke oppositie binnen een Ministerie. Recent verscheen zijn boek “Een oceaan van betekenisloosheid, Een kritische analyse van beleid, politiek en wetenschap met een verwijzing naar de filosofie van Michel Serres”. Hij beheert de site www.ontganiseren.nl


Een waardenloze economie

Fractieleider Pechtold van D66 wenst een bonus van 500 euro voor werkenden. Dat klinkt sympathiek en zal mogelijk kiezers trekken. Maar het voorstel is ook tekenend voor hoe de politiek functioneert. Op de eerste plaats is het de zoveelste uiting van hoe partijen proberen met sympathiek ogende voorstellen de gunst van de kiezer te krijgen. In al die pogingen wordt de kiezer niet aangesproken als de centrale actor in onze democratie. Hij wordt niet aangesproken om verantwoorde en mogelijk pijnlijke keuzes te maken maar wordt gezien als klant van de politiek die gunstig moet worden gestemd en die een rijk gevulde ruif wordt voorgehouden. Partijen richten zich op deelbelangen en nodigen burgers uit hun eigen voordeel als maatstaf te nemen. Aan de AOW mag niet worden getornd, de pensioengerechtigde leeftijd moet omlaag, het salaris van onderwijzers moet omhoog. Er zijn kortom weinig partijen die zich aan die tendens onttrekken. Zalvende uitspraken en bevestiging van het eigenbelang bepalen de campagnes. Daarmee wordt de burger niet erkend in zijn centrale en dragende rol van de democratie maar wordt de kiezer naar de mond gepraat en geschreven. Zo wordt de democratie uitgehold. Is het vreemd dat burgers de politiek de rug toekeren omdat die slechts in verkiezingstijd de weg naar de burger weet te vinden om daarna weer op te gaan in een voor burgers ondoorzichtig spel?

De tweede overweging is inhoudelijk van aard. Het voorstel geeft blijk van een eng-economische kijk op de samenleving. Wie werkt moet worden beloond omdat werkenden volgens Pechtold "de kern van de samenleving vormen". Het is een pleidooi tot nog verdere verzakelijking van de samenleving zonder oog te hebben voor maatschappelijke gevolgen. Zie de zorg waar juist het economisch denken ervoor heeft gezorgd dat vrijwilligers en mantelzorgers dergelijke uitwassen van het economisch denken moeten compenseren. Ziekenhuizen en zorginstellingen krijgen de exploitatie nauwelijks rond. Vrijwilligers nemen taken over die voorheen door betaalde krachten werden uitgevoerd. Die nadruk op economie heeft ervoor gezorgd dat er zich vormen van hulpverlening hebben ontwikkeld die vanuit een economische bril geen waarde hebben, enkel en alleen omdat vrijwilligerswerk binnen ons economisch systeem waardeloos is. Het vraagt lef om die situatie nog te verergeren door slechts diegenen die binnen ons economisch systeem actief zijn extra te waarderen en gemakshalve te veronderstellen dat vrijwilligers toch wel hun werk blijven doen. Het werkt verdere ontwrichting in de hand. Nog ernstiger is dat vrijwilligerswerk niet zelden wordt misbruikt doordat men er geld aan verdient. Zie de integratie van vluchtelingen waarbij vrijwilligers een onmisbare rol spelen en formele organisaties via projecten geld binnenhalen voor werk dat geheel of vrijwel geheel door vrijwilligers wordt uitgevoerd. Die laatsten moeten het doen met een aai over de bol of een vrijwilligersspeld terwijl zij met hun inzet niet zelden professionele organisaties in stand houden.

De tweedeling in onze samenleving zal nog scherper worden wanneer we doorgaan ons economisch systeem en vooral de enge waardebasis ervan als gegeven en als onvermijdelijk te accepteren. Dat systeem werkt splitsend en zou door politici moeten worden gerepareerd in plaats van bevestigd. Voor een partij, zoals D66, die vernieuwing predikt is er werk aan de winkel. De krachten die uit zijn op eigenbelang zijn immers al sterk genoeg en hoeven niet te worden versterkt.

Thieu Wagemans is raadslid in Leudal  en publiceerde recent  ”Een Oceaan van Betekenisloosheid, een kritische analyse van politiek, beleid en wetenschap met een verwijzing naar de filosofie van Michel Serres”

Zie: www.ontganiseren.nl 


****************************************


Onderstaande bijdrage verscheen 19 januari 2017 in Dagblad Trouw


We moeten ongemakkelijke waarheden niet uit de weg gaan

Mathieu Wagemans

Het valt met verschillen in onze samenleving wel mee,  stelt onderzoeker Tiemeijer (WRR). Trouw benadrukt in een commentaar hoe belangrijk het is dat we verschillen niet uitvergroten door feiten verkeerd te interpreteren en steekt ook de hand in eigen boezem (Opinie, 14 januari). We moeten vertrouwen kunnen hebben  en houden in de wetenschap en in objectieve journalistiek.

Ik meen dat beide analyses kenmerken hebben van oppervlakkigheid. Ze gaan uit van de veronderstelling dat er sprake is van een eenduidige werkelijkheid. Feiten zijn in die opvatting onomstreden, in tegenstelling tot meningen en standpunten die persoonlijk gekleurd zijn. Filosoof Immanuel Kant stelde al forse vraagtekens bij dat uitgangspunt. Volgens hem kunnen we de werkelijkheid slechts benaderen aan de hand van de categorieën van het verstand. Wij geven betekenis aan de werkelijkheid en vormen ons een beeld. De werkelijkheid krijgt voor ons betekenis door de betekenis die we er zelf aan toekennen. Die betekenissen zijn geen onderdeel van de werkelijkheid maar we zijn er zelf de constructeurs van.

  Er is nauwelijks een domein waarin dat sterker naar voren komt dan in de politiek. Partijen nemen op basis van hun onderliggende waarden en uitgangspunten de werkelijkheid gekleurd waar. Men vindt inkomensverschillen ontoelaatbaar of juist verdedigbaar. Onze samenleving is duurzamer geworden terwijl anderen vinden dat de milieuproblemen juist zijn toegenomen. Statistieken geven aan dat de criminaliteit afneemt  terwijl veel burgers zich onveiliger voelen.

In debatten probeert men het eigen beeld van de werkelijkheid dominant te maken. Discussies krijgen het karakter van manipulatie om zo het eigen beeld van de werkelijkheid door de meerderheid geaccepteerd te krijgen. Dat beeld leggen we vervolgens vast in regelingen. Die beginnen doorgaans met een artikel waarin nauwkeurig wordt omschreven “wat in de zin van deze regeling moet worden verstaan onder …”. Zo reduceren we de maatschappelijke werkelijkheid tot een regelbare en juridisch houdbare werkelijkheid. Wat buiten de definities valt is juridisch niet relevant.

 Wat burgers bezig houdt loopt het risico te worden genegeerd omdat het binnen ons formele domein betekenisloos is. Dat probleem wordt terzijde geschoven door er het etiket “onderbuikgevoelens” op te plakken.

  Je moet er niet aan denken dat Wilders de macht krijgt maar zijn functie om te benoemen wat burgers van betekenis vinden moet niet worden onderschat. Ieder volwassen systeem, zeker een politiek systeem moet ruimte bieden aan ongemakkelijke waarheden die dat systeem met de eigen grenzen confronteert. Gebeurt dat niet dan zijn onze systemen niet meer zelfcorrigerend, omdat ze het zich kunnen permitteren het eigen gemankeerde wereldbeeld op te leggen aan de buitenwereld.

De Franse filosoof Michel Serres vergelijkt onze systemen (wetenschap, politiek, kunst) met eilanden die ieder hun eigen waarheid hebben en nauwelijks in verbinding staan.  Men is vreselijk druk met zichzelf terwijl het echte leven zich op de oceaan afspeelt. We kunnen slechts noodzakelijke veranderingen bereiken door onze eilanden te verlaten en de oceaan op te gaan. Dat vraagt bereidheid onze vanzelfsprekendheden ter discussie te stellen en schijnzekerheden te ontmaskeren. Doen we dat niet, dan blijven we onszelf reproduceren. Pogingen om vervreemding tussen overheid en burgers tegen te gaan hebben dan geen effect. Door te stellen dat het met de verschillen in onze maatschappij wel meevalt, verschaffen we onszelf de legitimatie voor tevredenheid. De wereld staat in brand maar het rampenteam constateert met voldoening dat de ramp zich keurig volgens het draaiboek voltrekt.


Mathieu Wagemans is Raadslid in Leudal 



  • ******************************************
    •  

Calculeren met Integriteit 

De Limburgse kranten publiceerden op 21 september 2016 onderstaande opinie.


Calculeren met Integriteit


De Limburger bericht op 14 september jl. uitvoerig over de opvattingen van gouverneur Bovens naar aanleiding van de affaire Tilman Schreurs. Dat dhr Bovens van zich laat horen is nodig en logisch aangezien ook door hem steeds weer het belang van een integere overheid wordt benadrukt en zijn functie verantwoordelijkheid met zich meebrengt.


Over zijn inbreng valt het nodige te zeggen. Hij pleit voor een soort strafbankje voor bestuurders en politici die hebben gehandeld in strijd met de integriteit. Hij maakt een kritische opmerking over de commissarissen van OML die hebben ingestemd met voortzetting van het dienstverband van Tilan Schreuers en hebben verzuimd welke consequentie dan ook te verbinden aan overtreding van de integriteitscode binnen OML.


Wat Bovens doet is een onderscheid voorstellen. Lichte overtredingen mogen een bestuurder niet al te zwaar worden aangerekend. Hij vermijdt zorgvuldig een uitspraak te doen over de vraag die aan de orde is, namelijk welke gevolgen moeten worden verbonden aan een strafrechtelijke veroordeling wegens ambtelijke corruptie. Zijn idee van een strafbankje suggereert dat hij zich wel kan vinden in het aanblijven van Tilman Schreurs. Los van de inhoud van zijn opvatting stelt het teleur dat iemand die zichzelf zware verantwoordelijkheid toekent op het vlak van integriteit om de hete brei heen danst en geen grenzen wenst te trekken. Dat zie je vaak in het openbaar bestuur. Men stelt dat men niet aan zet is maar dat de besluitvorming bij anderen ligt. Formeel klopt dat maar het zijn formele redeneringen die ertoe strekken de eigen verantwoordelijkheid uit de weg te gaan. Ik acht een dergelijke opstelling niet in overeenstemming met zijn eigen verantwoordelijkheid op het vlak van integriteit die hij wel telkens claimt maar niet wenst in te vullen.


Een tweede opmerking is dat de idee van een strafbank heel goed past in het procedureel oplossen van inhoudelijke vragen. Je mag, zoals in de sport, enkele minuten niet meespelen en daarna is alles weer in orde. Dat kan bij overtredingen in de sport maar is dat ook de oplossing voor vragen op het vlak van integriteit? Het nodig tuit tot calculerend gedrag. Je weet wat de straf is bij overtredingen en als je die straf aanvaardbaar vindt staat de deur open voor losjes omgaan met integriteit. De boete iis ingecalculeerd. Je maakt integriteit een kwestie van afweging. Integriteit leent zich niet voor dergelijke procedurele oplossingen. Handelen in strijd met de integriteit biedt geen basis voor vergoelijking.


Een derde opmerking is dat men zich graag verschuilt achter de rechtspraak. Of men stelt allerlei regels op. Zolang je niet kunt worden betrapt op overtreding ervan ben je integer. De regels bieden zo een dekmantel. Het is tekenend dat bestuurders klagen dat ze niet meer kunnen besturen omdat ze anders het risico lopen niet-integer te hebben gehandeld. Dat zegt iets over de bestaande bestuurspraktijk en bestuurscultuur binnen de overheid en het zegt ook iets over een volstrekt gebrek aan helderheid over wat de handelingsruimte is voor bestuurders en politici. Om die helderheid te krijgen zijn debatten en besluiten nodig in de volle openbaarheid. Integriteit is een van de weinige onderwerpen in het openbaar bestuur waar burgers een mening over hebben, vaak heel uitgesproken. Het is treurig dat dergelijke discussies vaak niet in volle openbaarheid mogen worden gevoerd en dat diegenen die eerst verantwoordelijk zijn voor een goede bestuurscultuur zich bij het scheppen van helderheid en het aangeven van grenzen inhoudelijk op de oppervlakte wensen te houden en zich beperken tot opmerkingen van procedurele aard. Zo zijn ze medeschuldig aan een cultuur waarin integriteit telkens weer gedoe oplevert.


Thieu Wagemans, is raadslid in Leudal   



Niet-integer omgaan met integriteit 

De Limburgse kranten publiceerden op 25 augustus onderstaande opiniebijdrage


Integriteit even niet waardevol


De Limburger van 24 augustus jl. bericht dat de Raad van Commissarissen van OML (Ontwikkelingsmaatschappij Midden Limburg) heeft besloten dat Directeur Tilman Schreurs mag blijven ondanks zijn veroordeling door de rechter vanwege ambtelijke corruptie. De Rechtbank sprak uit dat er sprake was van strafbaar gedrag van de Directeur OML. Het ging dus niet om de vraag of het gedrag niet netjes was en ongewenst was maar er was volgens de Rechtbank sprake van handelen in strijd met de regels. Dat er vanwege de negatieve effecten van de zaak voor dhr Tilman Schreurs, zoals langdurige publiciteit, geen strafoplegging volgde doet aan de vastgestelde overtreding van regels niet af. De Raad van Commissarissen van OML baseerde het besluit om dhr Tilman Schreurs in functie te laten op het argument, zo lezen we, dat hij moeilijk kon worden gemist en goed had gefunctioneerd. Met name dat argument geeft te denken.


De laatste jaren worden raadsleden overstelpt met verhalen van ministers, Commissarissen van de koning en burgemeesters over het belang van integriteit. Er worden cursussen aangeboden. Er wordt heel wat over afgepraat. Dikke rapporten en beleidsnota’s worden geschreven Met veel gevoel voor detail worden criteria geformuleerd waar overheidsdienaren aan moeten voldoen. Uitgangspunt daarbij is wat oud-minister Dales ooit sprak: “Een beetje integer bestaat niet”. Integriteit is uitzonderlijk belangrijk, dat moge duidelijk zijn.


Maar als het erop aankomt is de oude cultuur blijkbaar moeilijk uit te roeien. Wanneer het ons niet goed uitkomt zetten we al die mooie verhalen over integriteit even in de koelkast en regeren de belangen en het geld. Integriteit wordt een kwestie van afweging waarbij integriteit niet meer zelfstandig wordt beoordeeld maar wordt afgewogen tegen andere belangen. En als het ons even niet goed uitkomt, dan moet integriteit even wijken. Het is zo beschouwd een typische demonstratie van de oude Limburgse cultuur dat er altijd redenen zijn te verzinnen om wat van waarde is (integriteit in het openbaar bestuur) even niet waardevol te vinden. Men had met betrekking tot de handelwijze van Tilman Schreurs kunnen stellen dat men het helemaal geen probleem vindt wanneer medewerkers van OML zich laten fêteren door projectontwikkelaars. Men had kunnen redeneren dat dit gebruikelijk is in het bedrijfsleven. Men had kunnen overwegen dat men mogelijk zelf ook niet altijd brandschoon is geweest. Of dat integriteit minder belangrijk is dan men wel eens beweert. Dat had allemaal gemogen en het zou de commissarissen hebben gesierd wanneer ze dat alles ronduit en open hadden verteld. Maar dat was kennelijk teveel gevraagd. De zaak werd op de ouderwetse manier afgedaan. Men zocht een redenering om een inhoudelijk afgewogen besluit op het vlak van integriteit uit de weg te gaan. Daarmee verspelen commissarissen en allen die mede verantwoordelijkheid dragen voor dit besluit ieder recht anderen op het belang van integriteit te wijzen. Wie zelf door zijn handelen integriteit als basiswaarde geen absolute betekenis toekent maar andere belangen zwaarder laat wegen geeft daarmee aan op niet integere wijze om te gaan met integriteit. Het is het oude verhaal. De praktijk is altijd sterker dan de leer.


Thieu Wagemans is raadslid in Leudal




Vriendjespolitiek mag                 


Opiniebijdrage, gepubliceerd in de Limburgse kranten op 2 augustus 2016


Het vonnis in de zaak van Rey heeft veel reacties opgeleverd. Veel reacties wekten de indruk dat men reeds vooraf een uitgesproken mening had over de vraag of de handelwijze van van Rey wel of niet toelaatbaar was. Dat is logisch maar helpt ons niet veel verder bij de vraag wanneer er sprake is van strafbare ambtelijke corruptie. De Rechtbank kreeg waardering voor het “genuanceerde” vonnis maar het is de vraag of dat vonnis de helderheid heeft gebracht waar velen naar uitkeken. Want wat was de redenering van de Rechtbank? De Rechtbank maakte een onderscheid tussen gedrag waarvan moest worden aangenomen dat het vooral door de vriendschappelijke relatie tussen van Rey en van Pol werd bepaald en gedrag waarin de zakelijke relatie tussen wethouder en projectontwikkelaar domineerde. Dat is op het eerste gezicht merkwaardig. Het onderhouden van vriendschappelijke relaties wordt zo grond voor schulduitsluiting. Als je maar vriendschappelijke banden onderhoudt met zakelijke relaties kun je van overtreding van regels worden vrijgepleit. In zijn uiterste vorm wordt dat een premie op vriendjespolitiek. Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn. Bovendien, wanneer domineert de vriendschapsrelatie en wanneer staan zakelijke aspecten voorop? Waarom mag in de villa van van Pol in Zuid Frankrijk over zakelijke onderwerpen worden gesproken omdat de vriendschapsrelatie overheerste en waarom is een uitnodiging voor een interlandwedstrijd vooral zakelijk? Wie het weet mag het zeggen. Een dergelijk vonnis nodig uit tot gekissebis over definities. Mag een wethouder naar een nieuwjaarsreceptie van een bedrijf? Of een bedrijfsjubileum met een aangekleed feestprogramma over de grens? Of enkel wanneer hij zelf de reiskosten betaalt? Nu is ambtelijke corruptie natuurlijk moeilijk aantoonbaar. Het zal zelden voorkomen dat een bestuurder een bedrag krijgt overgemaakt met als vermelding “beloning voor bewezen vriendendienst”.


Er is een andere insteek denkbaar die naar mijn mening een betere opstap vormt voor strafbaarheid van corruptie. Ik herinner aan het oordeel van de Commissie van Drie die in de zeventiger jaren het handelen van Prins Bernhard onderzocht in de Lockheedaffaire. De Commissie oordeelde dat prins Bernhard “zich had begeven in situaties die de indruk konden wekken dat hij gevoelig was voor het aannemen van geschenken”. Vanuit dat perspectief is de aandacht en dus de strafbaarheid niet gebaseerd op het daadwerkelijk aantonen van corruptie maar wordt het verboden zakelijke en niet-zakelijke banden door elkaar te laten lopen. Dat zou betekenen dat iedere minister, wethouder, of politicus situaties dient te vermijden waarin hij de schijn van belangenverstrengeling kan oproepen. Een dergelijke omschrijving van strafbare feiten kan betrokkenen weerhouden van dubieus gedrag. In wezen is dat in het belang van zowel samenleving als betrokkenen. De samenleving is zo verzekerd van een hoge drempel om corruptief gedrag te vermijden maar ook voor bestuurders en raadsleden is dat positief. In situaties waarin zowel sprake is van vriendschaps- als zakelijke banden kan de betrokkene zich niet verweren tegen aantijgingen en kan hij geen verantwoording afleggen voor zijn gedrag. Hij is ervan afhankelijk of zijn verhaal wel of niet wordt geloofd. Dat maakt hem kwetsbaar. Beter is het om situaties te voorkomen waarin men zich niet meer overtuigend kan verdedigen of verantwoorden.


In de zaak van Rey zou deze opvatting tot de dubbele conclusie leiden dat zijn gedrag voor zover corruptie aan de orde was, niet strafbaar was maar dat het in de toekomst door wetsaanpassing wel strafbaar moet worden.    


Thieu Wagemans is raadslid in Leudal



Waardigheid gaat boven waarde | Mathieu Wagemans | Pulse | LinkedIn

Waardigheid boven waarde


(Opiniebijdrage in de Limburger en Limburgs Dagblad, 13 juli 2016)


Het kort geleden gepresenteerde onderzoek van het RIVM heeft overtuigend aangetoond dat de intensieve veehouderij een negatieve invloed heeft op de gezondheid van omwonenden. Die omwonenden wisten dat al lang maar politieke partijen, het CDA voorop, bleven halsstarrig het argument gebruiken dat er geen probleem was zolang het verband niet overtuigend was aangetoond. Tietallen jaren lang vond men de snelle groei van het aantal varkens en kippen belangrijker dan de gezondheid van mensen. Steeds weer werd gewezen op het belang van de veehouderij voor de export. Dat is een eenzijdig verhaal. Op de eerste plaats werd het veevoer voor al die miljoenen dieren voor een belangrijk deel geïmporteerd. Ook accepteerde men lange tijd de negatieve invloed van de veehouderij op de omgeving. Natuurwaarden moesten wijken voor economisch gewin. Er ontstond een enorm mestoverschot met negatieve invloed op bodem , grond- en oppervlaktewater. Vele jaren lang werden overheidsmaatregelen tegengehouden of vertraagd. En vervolgens werden telkens weer uitzonderingen in regels opgenomen om het effect ervan te verminderen. Het resultaat is een uiterst ingewikkeld stelsel van regels dat zowel overheid als ondernemers handenvol geld kost. Wanneer al die externe effecten van de intensieve veehouderij zouden worden meegerekend zou het heel goed kunnen zijn dat de intensieve veehouderij geen groot economisch belang voorstelt maar zelfs verliesgevend is. Dat er winst wordt gemaakt komt voor een belangrijk deel omdat negatieve gevolgen ervan worden afgewenteld. Daar komt bij dat men de gevangene is geworden van een proces van schaalvergroting dat geen einde kent. Al vele jaren lang moeten kleine bedrijven stoppen en blijven een steeds geringer aantal zeer grote bedrijven over die vervolgens genoodzaakt zijn nog verder te groeien. Het is een ratrace.


Ontelbaar zijn de waarschuwingen tegen deze ontwikkeling maar beleidsmakers en politici toonden zich doof en blind. Ruim tweehonderd jaar geleden stelde de filosoof Kant dat we een onderscheid moeten maken tussen goederen die een prijs hebben (en die dus verhandeld kunnen worden) en zaken die waardigheid hebben en die dus van een hogere orde zijn. Natuur, milieu en gezondheid zijn er voorbeelden van. Wat er is gebeurd is dat de waardigheid moest wijken voor economisch gewin. Problemen die door schaalvergroting werden veroorzaakt zouden, zo wilde men ons doen geloven, worden opgelost door nieuwe technologie. Telkens weer leidde dat tot verdere schaalvergroting en nieuwe problemen. Technologie was de oplossing en de problemen die toepassing van nieuwe technologie met zich meebracht zouden door nieuwe technologie worden opgelost. Enz. Men rent in cirkels rond en heeft geen tijd signalen serieus te nemen omdat men te druk is met rennen.


Natuurlijk is de klacht van veehouders terecht dat burgers weliswaar kritiek hebben op de intensieve veehouderij maar dat ze tegelijkertijd als consumenten goedkoop vlees kopen en zo mede het probleem in stand houden. Burgers dwingen zo tot verdere kostenverlaging en dus tot grootschalige productie. Dat proces moet worden doorbroken. Nodig is dat we het houden van dieren en de productie van voedsel niet langer als een economische activiteit zien maar dat we kleinschalige verdienmodellen ontwikkelen waarin boeren en burgers met elkaar zaken doen. Een pleidooi dus voor verdienmodellen waarin burgers en boeren elkaar kennen en waarin de anonimiteit wordt doorbroken die nu kenmerkend is. Dan kan het gesleep met dieren ophouden en krijgen we regionale en lokale voedselmodellen. Voedselproductie en daaraan verbonden zorg voor milieu, natuur en landschap leent zich niet voor een strikt economische benadering. Kant wist dat al. Nu de politici nog.


Mathieu Wagemans is Raadslid in Leudal          



Een gemankeerd politiek systeem

     

Het recente referendum heeft de tongen losgemaakt over de vraag hoe we ons politiek systeem kunnen verbeteren. Er worden tal van voorstellen gedaan over het minimum aantal vereiste stemmen, over welke vragen aan burgers worden voorgelegd enz. Maar naar mijn overtuiging zijn de problemen dieper en omvangrijker dan verondersteld. Een eerste probleem is dat we een beleidssysteem hebben opgetuigd waarin we de wereld hebben gereduceerd tot een beïnvloedbare wereld. Ongeacht welke problemen zich voordoen, we verwachten van de overheid die die met enkele welgemikte interventies voor oplossingen zorgt. Dat is weliswaar een illusie maar die houden we liever in stand dan onvermogen onder ogen te zien. Een tweede vraagstuk is dat we beleid hebben vastgesnoerd in een juridische context die nauwelijks nog dynamiek en vernieuwing toelaat. Innovatieve voorstellen belanden al gauw in de prullenmand omdat de juridisch niet haalbaar zijn. Ons beleidssysteem laat slechts verandering toe wanneer die binnen het beleidssysteem past. In plaats van de toekomst te ontwerpen reproduceren we telkens weer het verleden. De problemen van onze moderne samenleving zijn simpelweg groot en te complex om binnen onze beleidscontext effectief aan te pakken. Globalisering vraagt om een wereldwijde aanpak maar zelfs als er afspraken tot stand komen blijkt de uitvoering gebrekkig. Het internationale karakter van de economie neemt alsmaar toe en daarmee de mogelijkheden tot afwenteling van zowel milieu- als sociale problemen. Door ons consumptiegedrag maken we kinderarbeid elders winstgevend. Dat kan doorgaan omdat een gezaghebbende internationale autoriteit ontbreekt. De Panama papers illustreren dat de praktijk van belastingheffing aanzienlijk afwijkt van wat we op papier zo goed dachten te hebben geregeld.

Het drama van onze  democratie is dat we een systeem hebben opgebouwd waar we zo hoge eisen aan stellen dat het gedoemd is tot teleurstelling te leiden. We zijn niet meer ontvankelijk voor wat burgers bezighoudt, simpelweg omdat we niet in staat zijn om daar serieus op te reageren. Ons regelcomplex en de fijnmazige toedeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden maakt het onmogelijk problemen in te passen.  We definiëren de werkelijkheid zodanig dat die in onze regelingen past. Daardoor blijft er steeds meer werkelijkheid buiten beeld. De politiek is alleen geïnteresseerd in problemen die met beleidsinstrumenten kunnen worden opgelost. Andere problemen bestaan niet, althans niet voor politici en beleidsmakers. Burgers worden echter dagelijks met de praktijk geconfronteerd met als gevolg dat het vertrouwen in de politiek afneemt.  De vraagstukken van een moderne samenleving passen niet meer in onze schema’s en beleidscategorieën.  We hebben de democratische  lat zo hoog leggen dat we niet meer in staat zijn eroverheen te springen.

Wat nodig is dat de uitgangspunten van ons democratisch systeem kritisch tegen het licht worden gehouden en worden getoetst aan de praktijk van een moderne samenleving. Het is mijn overtuiging dat dit leidt tot een systeem waarin we minder hoge eisen stellen gaan stellen aan onze democratie.  Doorslaggevend is de vraag of politieke partijen de moed hebben een dergelijke analyse te maken en burgers duidelijk te maken dat wat ze van de politiek verwachten irrealistisch is. Dat vraagt temeer moed omdat die illusies juist door politici zijn geconstrueerd met als dieptepunt de periode voorafgaand aan verkiezingen. Helaas beschikken politici over aanzienlijke vaardigheden om dergelijke vragen uit de weg te gaan en ze te detecteren. Men denkt een fundamenteel probleem in onze democratie op te lossen door een iets andere procedure of door weer een nieuwe organisatie. Zolang echte moed ontbreekt kunnen nieuwe partijen enorme successen boeken, enkel en alleen omdat ze verwoorden wat in onze beleidssysteem buiten beeld blijft. Daarmee zijn dergelijke partijen zelf de illustratie van een gemankeerd politiek systeem.

Thieu Wagemans is Raadslid in Leudal en werkt aan een publicatie over de gebreken van ons beleids- en politieke systeem

Opiniebijdrage n.a.v. Bonnetjesaffaire op Ministerie van Justitie

Gepubliceerd op 4 februari 2016 in Limburgse kranten

Ambtelijke loyaliteit heeft een keerzijde

Het bericht dat  op het Ministerie van Justitie opdracht is gegeven te verhinderen dat een document op tafel zou komen dat de Minister in de problemen zou kunnen brengen levert een stroom van kritiek op. Dat is begrijpelijk. Maar het lijkt wat gemakkelijk zich te beperken tot voor de hand liggende kritiek dat de openheid geweld is aangedaan. Iedereen die bekend is met de gang van zaken binnen een Ministerie weet dat alles erop is gericht de Minister uit de wind te ouden. Kamervragen worden zodanig beantwoord dat kritische informatie wordt vermeden. Men beschikt over grote vaardigheden om rond de waarheid  heen te draaien zonder deze geweld aan te doen. Dat is vaak ook nodig. De Minister is formeel voor alles verantwoordelijk wat duizenden ambtenaren dag in dag uit regelen en besluiten. Natuurlijk is dat een fictie. Het is een mens nu eenmaal niet gegeven van alles op de hoogte te zijn, laat staan zich met alle beslissingen te moeten bezighouden. Dat is een illusie die echter niet ter discussie mag worden gesteld. Anders stort het kaartenhuis van het openbaar bestuur in elkaar. En dus wordt er alles aan gedaan de Minister niet in problemen te brengen.

Maar ambtelijke loyaliteit heeft ook een keerzijde. Het betekent dat een organisatie niet meer ontvankelijk is voor informatie die het Ministerie slecht uitkomt. Het is een belangrijke kwaliteit van ambtenaren vooraf in te schatten of informatie de Minister in problemen kan brengen. Die eigenschap staat bekend als “beleidsgevoeligheid”. Nog een stap verder is wanneer nieuwe medewerkers worden geselecteerd op het vermogen om problemen buiten de ministeriele tent te houden. Dat leidt tot een cultuur waarin de top van een Ministerie voortdurend wordt bevestigd in de opvatting dat alles naar wens verloopt en dat alle besluiten verstandig zijn. Dan is er voor kritiek geen plaats meer. Dan verliest een overheid de relatie met wat er in de maatschappij speelt. De wereld staat in brand maar binnen de Haagse kaasstolp is alles in orde. Het is de keerzijde van ambtelijke loyaliteit. Resultaat is een organisatie die zich rondwentelt in het eigen gelijk en zich dat ook kan permitteren.

Een dergelijke cultuur is niet typisch voor Ministeries maar zal binnen vrijwel elke willekeurige grote organisatie herkenbaar zijn. Medewerkers worden geselecteerd op zelfbevestiging van de managers. Er ontstaat geestelijke inteelt. In dergelijke situaties is nodig dat er ruimte komt voor afwijkende geluiden, dat mensen worden gestimuleerd voorstellen op tafel te leggen, ook als die niet passen binnen het beleid. Dat geldt zeker wanneer er sprake is van ingrijpende problemen die om een oplossing vragen. Dan kom je er niet met de zoveelste reorganisatie of het zoveelste verhaal over een nieuwe strategie. Dat vraagt om leiders die kritisch vermogen om zich heen verzamelen. Dergelijke leiders zijn helaas nog te zeldzaam. Zie de ervaringen van klokkenluiders die met informatie komen die de top van de organisatie onwelgevallig is. Nog steeds lopen klokkenluiders het risico dat ze door de klepel van het management zodanig hard geraakt worden dat ze aan de zijlijn belanden of, zoals dat heet, naar de uitgang worden begeleid. Er is geen plaats meer voor hen. Het zou heel goed zijn wanneer het incident binnen het Ministerie van Justitie wordt aangegrepen om de bredere vraag te stellen hoe dit soort incidenten kon gebeuren.

Thieu Wagemans is Raadslid in Leudal en schreef een proefschrift over ambtelijke oppositie binnen een Ministerie   

Gelijkheid als illusie

Onderstaande opiniebijdrage verscheen 5 januari in de Limburgse kranten


Wilders vaart er wel bij

Op 21 oktober 2015 verscheen de volgende bijdrage in de Limburgse kranten

Wilders vaart er wel bij


Politiek beseft niet dat ingrijpende vernieuwing nodig is


Het optreden van Wilders heeft zoals gebruikelijk weer veel reacties opgeroepen. Los van het woordgebruik wordt hem ook verweten dat het ongepast en ontoelaatbaar is kritiek te uiten op de organen van onze democratische rechtstaat. Daarbij gaat men voorbij aan het onderscheid tussen de beginselen van onze rechtstaat en hoe we die beginselen in de praktijk hebben uitgewerkt. De kritiek op instituties wordt gelijk gesteld met kritiek op beginselen van rechtsstaat.

Een dergelijke opstelling laat echter geen ruimte voor een kritische blik op hoe de rechtstaat functioneert terwijl daar toch alle aanleiding voor is. Want hoe democratisch is ons politiek systeem? Hoeveel burgers zijn lid van een partij en hoeveel procent van de leden bepaalt het partijprogramma? En hoe groot is de invloed van diverse belangengroepen waar partijen nauwe banden mee wensen te onderhouden om verlies van stemmen te voorkomen?
In plaats van kritiek te uiten op uitspraken van Wilders zou men ook de vraag kunnen stellen hoe het komt dat zijn populariteit de laatste tijd zo sterk is toegenomen. We zijn kennelijk niet goed in staat om te agenderen wat er onder burgers leeft en dat te vertalen in politieke vraagstellingen. En we verbloemen dat onvermogen door er het etiket van “onderbuikgevoelens” op te plakken. Zo verschaffen we onszelf een legitimatie ze niet serieus te hoeven te nemen. Maar zo maak je je er wel erg gemakkelijk van af. Bovendien is dat in strijd met de open samenleving die we zo graag willen. Een tweede punt betreft de tendens  dat burgers in verkiezingstijd steeds meer als klanten worden beschouwd. Burgers worden benaderd als manipuleerbare objecten. Hun sympathie moet worden gewonnen door slim opgezette campagnes. Die zijn steeds minder op de inhoud gericht maar steeds meer bepaald door de profilering ten opzichte van andere partijen. Politiek is partijpolitiek geworden. Men reageert niet op maatschappelijke problemen maar primair op elkaar. Op dat punt wijkt de strategie van Wilders nauwelijks af van wat binnen ons politieke domein gebruikelijk is. Populisme is bepaald niet het exclusieve kenmerk van Wilders. Helaas. En kan de toenemende juridisering van onze samenleving, zich uitend in alsmaar langere procedures en vertraging van projecten, eveneens niet worden opgevat als een symptoom van een gemankeerd politiek systeem? Steeds vaker wordt een beroep gedaan op rechters om uit te spreken of politieke besluiten wel juridisch houdbaar zijn. 

In plaats van de wijze waarop ons democratisch systeem functioneert kritisch tegen het licht te houden is, is de energie vooral gericht op instandhouding ervan en niet op vernieuwing. Voor zover er sprake is van veranderingen dragen die nauwelijks bij aan versteviging van onze democratie. Onderliggende problemen worden niet opgelost door een gekozen burgemeester of een referendum over een associatieverdrag. We veranderen de tafelschikking en denken daarmee de kwaliteit van het eten te verbeteren.     

Zo beschouwd zijn het de politieke partijen zelf die Wilders de kans bieden handig gebruik te maken van de gebreken van ons politieke systeem. Dat zal doorgaan zolang het besef ontbreekt dat ingrijpende vernieuwing nodig is. Dan houden we de problemen in stand, juist omdat we die zo goed hebben georganiseerd. Wanneer er geen ruimte is voor scepsis en vanzelfsprekendheden geen onderwerp van discussie mogen worden, herhalen we het verleden. Dat mag maar dan moeten we geen kritiek hebben op personen die ons telkens weer met ons onvermogen confronteren. Dan past een misplaatste oproep tot fatsoen niet. Dergelijke fatsoensnormen verhinderen juist dat verandering tot stand komt en worden zo een dekmantel voor instandhouding ven problemen.  Wilders vaart er wel bij. 


Thieu Wagemans is raadslid voor Ronduit Open in Leudal en werkt aan een studie over vernieuwing van het politieke systeem

*********************************************************************************************************************


Op 13 oktober 2015 verscheen de volgende opiniebijdrage in de Limburgse kranten.

Debat opvang vluchtelingen doet geen recht aan problematiek

Discussie is polariserend

De vluchtelingenproblematiek staat thans centraal op de politieke en maatschappelijke agenda. En terecht. Een discussie daarover zou in een open en democratische samenleving idealiter moeten resulteren in een beleid dat recht doet aan wat de meerderheid denkt en rekening houdt met opvattingen en zorgen van de minderheid. Daarvan is nauwelijks sprake Integendeel. De discussie is in wezen een confrontatie tussen twee uiterste en onverenigbare posities. Aan de ene kant een moreel gefundeerde opvatting dat we in een samenleving wensen te leven waarin niemand gedwongen wordt de nacht op de straat door te brengen en waarin ieder recht heeft op elementaire zorg zoals onderdak, voeding en medische zorg. Aan de andere kant het standpunt dat veel mensen die zich als vluchteling melden gelukzoekers zijn en dat het zowel onmogelijk als ongewenst is om een onbeperkt aantal asielzoekers op te vangen. Een dergelijke discussie is polariserend, doet geen recht aan de onderliggende problematiek en getuigt van onzindelijke communicatie. In plaats van verschillen te zoeken lijkt het op zijn plaats de punten van overeenstemming te zoeken. Welke zijn dat?

Op de eerste plaats is het volkomen in strijd met een minimumniveau aan beschaving wanneer in ons land bijvoorbeeld gezinnen met kinderen de nacht op straat moeten doorbrengen. Wie daar anders over denkt hoort niet in Nederland thuis. Tegelijkertijd is voor ieder helder dat ons land niet miljoenen mensen van elders kan opvangen, nog los van de redenen waarom men zijn toevlucht zoekt in Nederland. Op de tweede plaats wordt eventuele overlast van grootschalige opvang van asielzoekers zeer ongelijk verdeeld. Dat geldt voor de “grote” overlast wanneer bijvoorbeeld vestiging van een zeer grootschalig AZC aan de orde is. Dat geldt ook in het klein. Mensen die in een straat wonen met veel sociale huurwoningen en die het niet prettig vinden wanneer gaandeweg 40 % van de woningen door mensen uit andere culturen wordt bewoond, krijgen niet de ruimte hun bedenkingen te uiten omdat ze anders wordt verweten inhumaan te zijn. Dat is een gemakkelijk standpunt voor wie in een bungalowwijk woont. Het is ongepast wanneer een open discussie over de opvang van vluchtelingen onmogelijk wordt gemaakt door mensen die zichzelf een hoge morele maatstaf aanmeten en zich dat ook gemakkelijk kunnen permitteren omdat ze geen enkele overlast ondervinden van een ruimhartige opvang van asielzoekers. En waarom mag er geen kritiek zijn wanneer een gemeente, zoals in Leudal, het beleid verandert waardoor het inrichtingskrediet dat nieuwkomers krijgen voortaan niet meer hoeft te worden terugbetaald en dit ten koste gaat van het geld dat beschikbaar is voor armoedebestrijding in de gemeente?

Ik meen dat maatschappelijk draagvlak voor opvang van asielzoekers begint met een houding van openheid waarbij het voor ieder mogelijk is opvattingen te uiten maar waarin amorele uitingen ten strengste worden veroordeeld omdat ze niet passen binnen onze samenleving. Nodig is ook dat mensen die worden geconfronteerd met de gevolgen van een ruimhartig beleid een stem krijgen. Verder is nodig dat mensen die een verblijfstatus krijgen zo snel mogelijk in de gelegenheid worden gesteld om als volwaardige burgers te functioneren en ook daarop worden aangesproken. Dat betekent taalbeheersing. Dat betekent ook dat men niet langer afhankelijk is van sociale voorzieningen maar in de gelegenheid wordt gesteld eigen inkomen te verwerven zoals dat van alle burgers in ons land mag worden verwacht. Daarbij passen geen bureaucratische regels die nieuwkomers belemmeren of onder het mom van integratie hen dwingen kosteloos arbeid te verrichten waar anderen een beloning voor krijgen.


Thieu Wagemans is raadslid voor Ronduit Open in Leudal

*******************************************************************************************************

Op 29 september 2015 verscheen deze opiniebijdrage in de Limburgse kranten

“Politieke partijen moeten zich ontworstelen aan deelbelangen”

Een kapot geregeld land

Thieu Wagemans

Op 26 september jl. plaatste Tof Thissen een column waarin twee constateringen centraal stonden. Op de eerste plaats dat ons parlementair stelsel de afgelopen 100 jaar nauwelijks is veranderd en verder dat ons politieke systeem de band met de burger gaandeweg kwijtraakt. Hij wil daar graag iets aan veranderen. Dat valt te prijzen maar ik meen dat het probleem te ingewikkeld is om te denken dat dit met een paar simpele acties kan worden opgelost.

Wat is er aan de hand? Op technisch en economisch terrein hebben we de afgelopen 200 jaar enorme vooruitgang geboekt. We waren in staat de wereld naar onze hand te zetten dankzij nieuwe technologie. Schaalvergroting stelde in staat volop gebruik te maken van deze technologie. We gingen steeds slimmer organiseren. Gevolg was dat onze samenleving verzakelijkte.  Mensen werden gereduceerd tot regelbare objecten. Onderlinge relaties werden minder door gevoelens bepaald en steeds meer gebaseerd op berekening en bevoegdheden. Anonimiteit ging regeren. Alles werd geregeld door een juridisch systeem dat gaandeweg hopeloos ingewikkeld is geworden. De rechtspraak moet zorgen voor rechtvaardigheid maar de praktijk toont dat het voor vermogende burgers heel wat gemakkelijker is hun gelijk te halen dan voor mensen met een smalle beurs. Rechtvaardigheid is een kwestie geworden van vaardigheid in het recht. We hebben gelijkheid zo ingewikkeld geregeld dat het tot ongelijkheid leidt. We hebben waarden als het ware kapot geregeld. We stellen lange lijsten met regels op voor integer gedrag van politici. Zolang je je aan de regels houdt word je geacht integer te zijn. Regels kunnen zo een dekmantel worden voor onfatsoen. 

De consequentie is dat vragen rond moraliteit gaandeweg op de achtergrond zijn geraakt. Ideologische debatten in de politiek zijn zeldzaam geworden. Sterker nog, partijen laten zich erop voorstaan dat ze niet-ideologisch zijn. Gewiekstheid wint het van morele overwegingen.  En, wat nog erger is, partijen die claimen betekenis te geven aan waarden, handelen in de praktijk voortdurend in strijd met eigen beginselen. Men sluit compromissen. Echter, waarden en gevoelens lenen zich niet voor compromissen of handjeklap. Je kunt een ruzie niet beëindigen met als compromis dat je elkaar voortaan voor 55% vertrouwt.

Natuurlijk wordt het probleem van een grote afstand met burgers ook door de politiek ervaren. Men probeert er ook iets aan te doen. Men verandert procedures, men draagt bevoegdheden over van het rijk naar provincies en gemeenten. Dat alles is zonder twijfel goedbedoeld maar het lost het onderliggende probleem niet op. Sterker nog, het houdt de illusie van een oplossing in stand en neemt de noodzaak weg de echte problemen aan te pakken.

Nodig is dat politieke partijen zich ontworstelen aan deelbelangen. Juist daardoor blijven oplossingen uit en worden problemen in stand gehouden. Men is bang achterban te verliezen wanneer men besluiten neemt die door een deel van de achterban niet op prijs worden gesteld. Door die houding raken politici hun zelfstandigheid kwijt. Met gewiekste oneliners worden mensen naar de mond gepraat. Komen bestuurders in problemen dan kunnen ze op de vanzelfsprekende bescherming rekenen van hun partijgenoten. Nieuwe partijen die verandering willen lopen maar al te vaak vast in dezelfde bureaucratische loopgraven die het politieke bedrijf verzieken. Is het vreemd dat veel burgers niet eens meer de moeite nemen te gaan stemmen, daarmee aangevend dat ze geen enkele relatie met de politiek meer wensen?   

Laten politieke partijen eens beginnen met een analyse van de rol die ze zelf de afgelopen tijd hebben gespeeld, met de erkenning dat we zijn vastgelopen en dat we voor echte vernieuwing niet kunnen volstaan met het verhangen van bordjes of met weer een nieuwe commissie. Wie vragen rond moraliteit heeft weggemoffeld verspeelt ieder recht burgers op moraliteit aan te sopreken.  

Thieu Wagemans is raadslid en werkt aan een studie over transformatie van het politieke systeem

********************************************************************************************************************

In augustus 2015 verscheen onderstaande opiniebijdrage in de Limburgse kranten

De Spagaat van de Landbouw

De Redactie van de Limburger plaatste op 4 augustus jl. een kritisch commentaar over de landbouw.  Hoge prijzen stimuleren ondernemers hun productie uit te breiden met als gevolg overproductie en lagere prijzen.  In plaats van hogere inkomens te bereiken raakt men in de problemen. Volgens het commentaar is dat nu eenmaal het gevolg van de wet van vraag en aanbod. Boeren zijn ondernemers en moeten niet  steeds de hand ophouden bij de overheid als het tegenzit.

Strikt economisch klopt die redenering en dat is nu juist het probleem. Er valt nogal wat af te dingen op het uitgangspunt dat voedselproductie een strikt economische activiteit is. Op de eerste plaats is van een gelijk speelveld geen sprake. Er zijn veel ondernemers en veel consumenten. Maar de werkelijke macht  ligt noch bij de producenten, noch bij de consumenten maar bij een steeds kleiner aantal handelaren  en supermarkten die producenten onder druk kunnen zetten. Van de prijs die de consument betaalt komt een steeds kleiner deel bij de producent terecht. Daar komt bij dat kenmerkend voor landbouwproducten is dat een geringe overproductie reeds tot aanzienlijke prijsdalingen  kan leiden. Een tweede punt betreft het feit dat een boer niet alleen voedsel produceert maar ook het buitengebied onderhoudt. Echter, voor natuur en landschap bestaat er geen markt in traditionele zin. Het buitengebied is te beschouwen als een zogenaamd gemeenschappelijk goed dat je niet in stukjes kunt knippen en op de markt kunt verkopen. Maar het meest wezenlijke bezwaar is dat die beide functies, voedselproductie en beheer van natuur en landschap, onderling vaak op gespannen voet staan.  Grote en rechthoekige percelen zijn nodig om efficiënt gebruik te kunnen maken van moderne machines maar natuur en landschap zijn juist gebaat met kleinschaligheid en afwisseling. Burgers hebben een voorkeur voor koeien in de wei maar bedrijfseconomisch kan het gunstiger zijn koeien het hele jaar in de stal te laten.

Tegen die achtergrond kunnen  dikke vraagtekens worden geplaatst bij het uitgangspunt dat voedselproductie een economische activiteit is en dat boeren ondernemers zijn en als zodanig moeten worden behandeld. Juist de spanning tussen efficiënte voedselproductie  en duurzaam beheer van het platteland leidt ertoe dat de boer steeds weer en steeds meer in een spagaat terechtkomt. Economische redenen dwingen tot rationalisatie en schaalvergroting en tegelijkertijd leiden maatschappelijke overwegingen tot steeds meer regels en beperkingen. Die spanning is niet oplosbaar door iets meer ruimte te geven aan economische belangen of, integendeel, de overheidsregels strakker aan te halen. Toch is dat juist wat er al jarenlang gebeurt. Landbouwbeleid wordt gekenmerkt door compromissen. En door steeds ingewikkelder regels met telkens weer uitzonderingen om aan belangen vanuit de landbouw tegemoet te komen. Landbouwbeleid is voer geworden voor juristen die daar overigens ook een dikke boterham aan verdienen. In plaats van door te gaan op deze heilloze weg dient te verantwoordelijkheid voor goed en voldoende voedsel en tegelijkertijd een goed beheer van het buitengebied veel sterker bij de burger te worden gelegd. Want ook bij veel burger s is sprake van een spagaat. Men dringt aan op duurzaam geproduceerd voedsel maar laat zich in de supermarkt vaak leiden door de laagste prijzen. Zo houden producenten en consumenten een probleem in stand waar slechts de supermarkten van profiteren.  De landbouw heeft dringend behoefte aan een nieuw verdienmodel.  Er zijn reeds tal van initiatieven op dat terrein maar de omslag komt niet tot stand zolang die wordt tegengehouden door partijen die belang hebben bij instandhouding van het probleem.   

Thieu Wagemans is Raadslid voor Ronduit Open in de gemeente Leudal


****************************************************************************************************************

Op 30 juni 2015 werd deze opiniebijdrage over de nieuwe encycliek Laudato si gepubliceerd in de Limburgse kranten.

De Thuiskomst van de Kerk


Hoewel slechts enkele dagen oud heeft de nieuwe pauselijke Encycliek Laudato si al veel losgemaakt. Terecht. Hoewel velen intussen overtuigd zijn van het belang van duurzaamheid en verantwoord omgaan met de aarde blijkt het lastig om ons dagelijks gedrag daaraan ook aan te passen. Ons economisch systeem is daar ook niet op ingericht. Veel van wat van waarde is heeft in economisch opzicht geen of slechts weinig betekenis. Tegelijkertijd ondervinden we niet direct de nadelen wanneer we ons onduurzaam gedragen.

De nieuwe encycliek roept in essentie op om niet langer de aarde uit te buiten maar te beschermen wat kwetsbaar is. Dat is overigens niet nieuw binnen het christelijk geloof. Al zo’n 600 jaar voor Christus verweet de profeet Ezechiël de herders van Israël dat ze de melk van de schapen dronken, de wol gebruikten voor kleding en het vlees opaten maar zich tegelijkertijd niet om de zieke dieren bekommerden. Ze waren herders, zo schreef hij, die vooral zichzelf weidden in plaats van de schapen. De oproep van de paus betekent in wezen dat we weer oog moeten krijgen voor wat binnen ons economisch systeem geen waarde heeft. Wat economisch kwetsbaar is moet bron van inspiratie worden. Dat betekent een totale omwenteling. Het is de omgekeerde wereld.

Maar de betekenis van de encycliek kan veel verder gaan dan enkel een oproep tot duurzaamheid. De katholieke kerk heeft een periode achter de rug waarin regels en gehoorzaamheid belangrijker werden geacht dan de bronnen van het geloof. De kerk als organisatie was niet meer dienend naar gelovigen maar voorschrijvend en heersend. Zoals zo vaak gaat het mis zodra datgene wat mensen inspireert onderwerp wordt van organisatie, van regels, van procedures. Dat geldt voor willekeurig welke organisatie en dus ook voor de kerk. De eigen verantwoordelijkheid waar de paus toe oproept kan een periode inluiden waarin de regels niet langer “zaligmakend” zijn maar waarin de kerk zelf weer waarden belangrijker gaat vinden dan regels. Dat is ook de enige weg waarin de kerk weer betekenisvol kan zijn. Natuurlijk zal moeten blijken welk vervolg door de kerk wordt gegeven aan de encycliek. Uiteindelijk zijn het immers niet meer dan woorden. Maar het is een moedige eerste stap die tot nieuw elan kan leiden. De weg zal niet eenvoudig zijn en kan ook tot interne tegenstellingen leiden. Hard bidden in de kerk en zich buiten de kerk onduurzaam gedragen wordt lastig. Er zullen fouten worden gemaakt zoals altijd bij ingrijpende vernieuwingen. Maar beter fouten gemaakt op het juiste pad dan met volharding de verkeerde richting kiezen. Beter zich herbronnen dan blijven kiezen voor vanzelfsprekendheden en achterhaalde routines waarmee we slechts het verleden herhalen maar niet een nieuwe toekomst scheppen. De encycliek biedt de kerk een kans om weer in woord en daad het kwetsbare centraal te stellen en dus weer “thuis” te komen.

Ook in het politieke domein kan de encycliek betekenisvol zijn. De opgaven op het vlak van duurzaamheid zijn niet oplosbaar door slimme compromissen, door een procentje meer of minder of door ingewikkelde juridische procedures. Daar zijn we weliswaar handig in maar ze brengen ons niet verder. Ze creëren de illusie van oplossingen waarna we telkens weer

tot de conclusie komen dat de echte problemen blijven voortbestaan. Veel maatschappelijke problemen schreeuwen als het ware om een thematisering en analyse op niveau van waarden in plaats van belangen. Waarden inspireren, regels doen dat zelden of nooit. Ook in dat opzicht is de nieuwe visie van de paus patroondoorbrekend. Menige politieke partij kan er een voorbeeld aan nemen. Al te vaak is het enthousiasme van het eerste uur verdrongen door interne partijregels. Politieke debatten zijn nauwelijks meer ideologisch van aard. Politiek is afgegleden tot partijpolitiek. In die zin is de encycliek ook een verrijkend en ver rijkend document voor iedere politicus die zegt zich door christelijke beginselen te laten leiden. Woorden, waar de politiek zo rijk aan is, tellen niet maar het gaat om de consequenties die je eraan verbindt.

Mathieu Wagemans is raadslid in Leudal

**********************************************************************************************


Een pleidooi voor vernieuwing van het psychiatrisch zorgsysteem


Mathieu Wagemans
(Belenbroeklaan 22 6093BT Heythuysen mchwagemans@hotmail.com www.ontganiseren.nl)


· Een situatieschets

Over het functioneren van de psychiatrische zorg bestaan veel klachten. Dat geldt niet enkel voor bijvoorbeeld familieleden van patiënten maar ook intern vallen regelmatig kritische geluiden te horen. Daarbij gaat het niet enkel om operationele vragen maar ook over fundamentele vraagstukken bestaat verschil van opvatting. Voor een belangrijk deel is dat toe te schrijven aan het feit dat onze kennis over het ontstaan van psychiatrische aandoeningen en effectieve behandelingen nog beperkt is. We weten nog betrekkelijk weinig over hoe mentale, fysische en omgevingsfactoren bij een psychiatrische aandoening op elkaar inwerken. Tegelijkertijd wordt ook de psychiatrische zorg geconfronteerd met bezuinigingen. De psychiatrie bevindt zich daarbij in een afhankelijke positie. Zonder de nodige middelen is goede zorg niet mogelijk maar besluitvorming over middelen vindt plaats door overheid en verzekeringsmaatschappijen. Daarnaast oefent de farmaceutische industrie invloed uit waarbij ook andere overwegingen meespelen dan goede psychiatrische zorg. Een derde factor is dat tegelijkertijd het belang van goede psychiatrische zorg steeds belangrijker wordt. Het aantal mensen met een psychiatrische aandoening neemt toe. De combinatie van deze factoren leidt ertoe dat een verwachtingspatroon wordt opgebouwd waar niet aan kan worden voldaan. Dat is een lastige situatie. Men wil verbetering maar wordt beperkt daarin beperkt door gebrek aan kennis, inzicht en middelen. Niettemin wordt binnen de psychiatrische zorg door velen naar verbetering gestreefd. Maar met alle waardering voor dergelijke initiatieven blijft de vraag of daarmee de noodzakelijke veranderingen kunnen worden bereikt. Kunnen we vertrouwen op bestaande processen of is er een noodzaak voor ingrijpender veranderingen? Waar moeten die dan op betrekking hebben? En hoe kunnen die worden gerealiseerd?

· Aanleiding tot verdieping

Iedere organisatie en ieder systeem ontwikkelt routines. Dat geldt ook voor de psychiatrische zorg. Routines ontstaan min of meer automatisch. Binnen een organisatie ontwikkelen zich opvattingen over problemen, over oplossingen en onderlinge omgangsvormen. Dat gebeurt vaak impliciet. Op enig moment worden ze ook niet meer ter discussie gesteld, juist omdat ze vanzelf spreken. Er bestaat de gedeelde overtuiging dat het beste via bepaalde praktijken kan worden gehandeld. Deels liggen die vast in voorschriften en protocollen maar voor een belangrijk bepalen ze onbewust het gedrag en kunnen ze niettemin nog krachtiger werken dan formele regels. Ze zijn doorgaans lastig te veranderen. En uiteraard moet er een stevige noodzaak tot verandering zijn. Waarom zou je ingrijpen in routines die vast verankerd zijn in een organisatie? Om die vraag naar de noodzaak van verandering binnen het psychiatrisch zorgsysteem te beantwoorden lijkt een verdiepende analyse gewenst. Een dergelijke analyse is nodig om de duiden of er sprake is van systeemproblemen. Gaan er zaken “systematisch” mis? Hoe komt het dat verbeteringen niet het gewenste effect hebben? Waarom komen pogingen tot verandering lastig van de grond? We zullen ten behoeve van een dergelijke analyse achtereenvolgens ingaan op de aard van een psychiatrische aandoening en de plaats van betekenisgeving binnen de psychiatrie. Vervolgens komt de relatie met de buitenwereld aan de orde en zullen we conclusies trekken over de noodzaak van systeemveranderingen. We sluiten af met de vraag hoe noodzakelijke veranderingen kunnen worden gerealiseerd en wat daarbij kritische condities zijn.

· Wat is de kern van een psychiatrische aandoening?

Kort gezegd zouden we kunnen stellen dat wetenschap en praktijk van de psychiatrie met betekenisverlening heeft te maken. Een psychiatrisch patiënt geeft op een andere wijze betekenis dan wij “normaal” vinden. Betekenisgeving wordt dan ook wel aangeduid als het centrale vraagstuk van de psychiatrie. Immers, in wezen vormt de wijze waarop wij mensen betekenis geven aan onszelf, aan onze omgeving en aan onszelf in relatie tot die omgeving niet alleen het wezen van de mens maar ook het centrale kenobject van de psychiatrie. Eenzelfde situatie wordt door een depressief persoon heel anders beoordeeld dan door anderen. Een situatie die de een als normaal beschouwt kan een ander als angstaanjagend beleven. De situatie is hetzelfde maar de betekenisgeving kan erg verschillen. Een mens kan waanbeelden als werkelijkheid, als “waar” zien. Iemand kan het zicht verliezen op zichzelf, geen perspectief meer zien of “overmensd” worden door angstbeelden. Nu heeft iedereen wel eens mindere dagen of periodes. Element van een psychiatrische aandoening is echter ook dat men het vermogen mist op eigen kracht een dergelijke periode te boven te komen en het leven weer aan te kunnen.


· Betekenisgeving binnen de psychiatrie

Wat betekent het uitgangspunt dat betekenisverlening centraal staat binnen de psychiatrie voor het functioneren van het psychiatrisch zorgsysteem? We gaan achtereenvolgens in op de diagnostische fase, de behandelfase en op wetenschappelijk onderzoek binnen de psychiatrie.

1. Betekenisgeving en diagnose

Doel van een diagnose is vast te stellen of er sprake is van een psychiatrische aandoening. De psychiater zal daartoe moeten trachten zich te verplaatsen in de persoon van de patiënt om te weten te komen hoe hij in het leven staat, hoe hij functioneert in zijn werkomgeving en zijn thuissituatie, welke sociale relaties hij onderhoudt, wat hij als problematisch of onoplosbaar ervaart en bovenal wat het zelfbeeld is van de patiënt.

Daartoe interpreteert een psychiater gedrag van een patiënt om zo betekenisgeving door een patiënt te leren kennen met een diagnose als uiteindelijke uitkomst. Welke beelden heeft een patiënt en wat valt er te zeggen over processen van betekenisgeving? Dat is niet eenvoudig. Zingeving op zichzelf is niet waarneembaar. Wat we kunnen waarnemen is gedrag van een patiënt, maar dat is een afgeleide indicator. Gedrag vormt een expressie van onderliggende zingeving. Via observatie van gedrag en reacties op vragen proberen we de wereld te leren zien zoals een patiënt die ziet om vervolgens op basis daarvan tot een diagnose te komen.

Uiteindelijk resulteert een goede diagnose in een beeld dat door zowel patiënt als psychiater wordt gedeeld. Een diagnose vormt idealiter een gezamenlijk gedeelde constructie die vervolgens door de psychiater wordt geherformuleerd in professionele termen. Dat is het ideale beeld maar de praktijk kan geheel anders zijn. Allereerst is het buitengewoon lastig om eigen betekenisverlening opzij te zetten. Dat geldt ok voor de psychiater. Waarneming en interpretatie van gedrag brengen onvermijdelijk reductie met zich mee. Persoonlijke overtuigingen, opleiding, ervaringen met andere patiënten, nieuwe inzichten uit de vakliteratuur enz. oefenen invloed uit. Verder zal een psychiater zijn conclusie moeten herformuleren volgens de classificaties van het DSM. Ook dat is een bron van reductie die bovendien vrijwel onvermijdelijk is, alleen al vanwege de stevige relatie tussen de DSM-classificatie en het vergoedingensysteem. Sterker nog, in zijn uiterste consequentie kan een diagnose van meet af aan worden gedomineerd door de DSM-definities van mogelijke psychiatrische aandoeningen. In dat geval wordt de patiënt niet benaderd als betekenisgevend mens maar als te classificeren object van onderzoek. Risico daarvan is dat alles wat voor een patiënt betekenisvol is maar niet kan worden geordend volgens het DSM, als betekenisloos terzijde wordt geschoven. Dat betekent dat bij iedere diagnostisering elementen buiten beeld zullen blijven. Die reductie is, gezien vanuit een constructivistisch perspectief dat aan gedrag betekenisverlening voorafgaat, niet te vermijden. Gevolg is wel dat iedere diagnose een veronderstellend karakter heeft. Het is een beeld van de werkelijke situatie waarin een patiënt verkeert maar het is niet het enige beeld, noch een beeld waarvan de juistheid onomstotelijk kan worden bewezen.

Betekenisgeving en behandeling


Een patiënt die wordt opgenomen in een psychiatrisch afdeling krijgt te maken met tal van intern geldende regels. Die regels zijn deels bedoeld om een omgeving van structuur en rust te scheppen die heilzaam is voor behandeling van patiënten Ook overwegingen op het vlak van persoonlijke veiligheid maken regels noodzakelijk. Op de derde plaats vraagt de organisatie van operationele zaken om enige ordening. Zo ontstaat er een doordacht complex van regels en protocollen die nuttig en nodig worden geacht voor een optimale behandeling en herstel van patiënten. Veel minder aandacht krijgt de vraag hoe die combinatie van regels en protocollen wordt beleefd door de patiënt. Welke betekenis geven patiënten eraan? Hoe wordt een situatie ervaren wanneer voor ogenschijnlijk volstrekt onbeduidende punten toestemming moet worden gevraagd aan de dienstdoende medewerkers? Of wanneer blijkt dat de beslissingsruimte van medewerkers zeer beperkt is en telkens weer moet worden opgezocht of de behandelend psychiater wel of niet ergens toestemming voor heeft verleend? Het kan door een depressieve patiënt worden ervaren als een aanduiding dat men zelf tot niets meer in staat is, als een situatie van volkomen afhankelijkheid en als een bevestiging dat men in een uitzichtloze situatie terecht is gekomen. Daarmee is geenszins gezegd dat dergelijke regels niet noodzakelijk zouden zijn. Het gaat echter om de betekenis die eraan wordt gegeven. Voor iemand die depressief is en een negatief beeld heeft omtrent zichzelf en de omgeving werkt dat niet helend en bouwend aan zelfvertrouwen maar leidt het eerder tot nog meer uitzichtloosheid. Men wordt gedomineerd door een systeem dat bedoeld is te genezen maar dat zo in zijn tegendeel kan verkeren. Wat bedoeld is als zorg kan worden ervaren als bewijs van eigen onvermogen en als uitdrukking van totale afhankelijkheid hetgeen bepaald niet bijdraagt aan het opbouwen van een positief zelfbeeld. Hier is het onderscheid aan de orde tussen de motieven die aan regels ten grondslag liggen en de wijze waarop deze worden ervaren door een patiënt. Het is allerminst vanzelfsprekend dat een patiënt, zeker in de fase van verwardheid na eerste opname, deze regels en de ratio erachter begrijpt. Sterker nog, dat lijkt erg onwaarschijnlijk.

Een stap verder is wanneer patiënten het systeem met al zijn regels doorgronden en hun gedrag aanpassen aan wat voorgeschreven is, niet omdat ze de regels aanvaarden en respecteren maar slechts om door symbolische bevestiging van de regels de ruimte voor zichzelf te scheppen de eigen gang te gaan. Dergelijk gedrag staat bekend als “playing the system”. Men weet hoe men zich moet gedragen om medewerkers op basis van een positieve inschatting ertoe te bewegen ergens toestemming voor te geven. Zo bleken daklozen in Chicago heel nauwkeurig de opnamecriteria te kennen van psychiatrische instellingen en de bijbehorende gedragspatronen zodat men de winter niet op straat hoefde door te brengen.

3. Betekenisgeving en onderzoek


De noodzaak van onderzoek staat binnen de psychiatrie niet ter discussie. Er zijn tal van leemten in onze kennis, ook ten aanzien van zeer centrale vraagstukken. We weten nog weinig van hoe processen van betekenisverlening verlopen en ook niet over de vraag hoe dergelijke processen worden beïnvloed en soms vrij plotseling ingrijpend kunnen veranderen. En als veranderingen optreden missen we onderbouwde kennis over de relatie tussen oorzaak en gevolg. De kennisvragen zijn bovendien buitengewoon complex. Er spelen fysische, mentale en omgevingsfactoren een rol die op een vooralsnog zeer ondoorzichtige wijze onderling verweven zijn. Een disciplinaire benadering kan zicht bieden op kennis binnen een discipline maar veel lastiger is om te komen tot inter- en multidisciplinaire kennis. De methodologie voor dergelijk onderzoek is ook veel minder ontwikkeld dan voor disciplinair onderzoek. Dat maakt het accepteren door het wetenschappelijk forum van kennisclaims een stuk lastiger, vergeleken met onderzoek dat met gebruik van een breed aanvaarde methodologie tot stand is gekomen.


Het vertrekpunt van het constructivisme heeft ook gevolgen voor het psychiatrisch onderzoek. Om aan de eisen van wetenschappelijk verantwoord onderzoek te doen wordt de wereld gereduceerd tot een kenbare en onderzoekbare wereld. Wetenschapsbeoefening veronderstelt precisie en systematiek. Precisie houdt in dat heel nauwkeurig wordt aangegeven welke begrippen worden gehanteerd en hoe die zijn gedefinieerd. Hoe nauwkeuriger de definitie, des te groter de reductie. We kunnen vervolgens met behulp van de waarschijnlijkheidsleer uitspraken doen over de relatie tussen twee of meer parameters. Een eerste gevolg daarvan is dat het toepassingsgebied van verworven kennis kleiner wordt naarmate de condities waarbinnen het onderzoek is uitgevoerd nauwkeuriger zijn geformuleerd. Vertaling naar en toepassing in de praktijk is dan lastiger.


Een tweede punt is dat een statistisch betrouwbare relatie nog niet betekent dat ons inzicht is toegenomen. Een relatie betekent niet noodzakelijkerwijs dat er sprake is van een causaal verband en geeft ook geen inzicht in de vraag op welke wijze beide parameters samenhangen. De hypothese en de onderliggende redenering is strikt genomen slechts een mentale constructie over een mogelijke relatie. Wordt de in de hypothese veronderstelde relatie bevestigd, dan wil dat nog niet zeggen dat ook de daaraan ten grondslag liggende redenering wordt bevestigd. Feitelijke uitkomsten uit onderzoek zijn nog geen garantie dat ons inzicht is toegenomen.


Natuurlijk hoeft dat niet noodzakelijkerwijs een probleem te zijn. Een probleem ontstaat pas wanneer relevante aspecten en verschijnselen buiten beeld blijven en binnen gemaakte afspraken niet kunnen worden gethematiseerd. In het bijzonder binnen de psychiatrie is deze vraag aan de orde. Het gaat er immers om betekenisgeving door een patiënt en de processen van betekenisgeving te leren kennen. Het risico bestaat dat als gevolg van de voorgeschreven onderzoekaanpak de werkelijkheid (in dit geval het beeld dat de patiënt zich daarvan heeft gevormd) slechts voor een deel aandacht krijgt, namelijk voor zover die past binnen het vooraf geconstrueerde onderzoekkader. In wezen is men dan niet geïnteresseerd in het perspectief van de patiënt maar stelt men de eigen onderzoekbenadering voorop. Dat laatste fungeert als toetssteen en aambeeld. De wereld dient samen te vallen met het betekeniskader dat men zelf vooraf heeft samengesteld. Hoenders e.a. (2006) stellen dat onderzoek in de reguliere geneeswijzen grotendeels is gebaseerd op positivisme, reductionisme, objectivisme

en determinisme. Er wordt gestreefd naar standaardisatie en generalisatie. Voor subjectieve beleving is doorgaans weinig ruimte. Een rationeel-analytische benadering kan zo gemakkelijk op gespannen voet staan met onderzoek naar gevoel en beleving. Door aspecten te onderkennen aan boosheid ontneem je het wezen aan boosheid. Argumenten, hoe rationeel ook, hebben geen werking wanneer men depressief is. Door te redeneren over angst doe je geen recht aan het wezen van angst. Anders gezegd, er bestaat spanning tussen een rationeel-klinische benadering en het kenobject van de psychiatrie.


Een andere factor binnen psychiatrisch onderzoek vormt het begrippenapparaat. Binnen iedere wetenschappelijke discipline is er de noodzaak van algemeen aanvaarde, heldere en communiceerbare begrippen en definities. Een gedeeld en aanvaard begrippenapparaat stelt in staat tot betekenisvolle communicatie en voorkomt permanent misverstaan. Met de vaststelling van (opeenvolgende edities van) het DSM is op dat terrein een belangrijke stap gezet. Maar tegelijkertijd is er ook een keerzijde. De definitiefase wordt doorgaans beschouwd als de eerste fase van ontwikkeling van een wetenschappelijke discipline. Het gaat dan om duiding van het aandachtsgebied, de vragen die centraal staan en daaraan gekoppeld de terreinafbakening ten opzichte van andere disciplines. Maar een gedeelde set van definities houdt ook een risico in. Definities zijn bepalend voor de wijze waarop vanuit het wetenschapsterrein naar de werkelijkheid wordt gekeken. Wat binnen de definities past is relevant en verschijnselen die daarin niet passen blijven buiten beeld. De nieuwe discipline is er niet ontvankelijk voor. Dit probleem is extra relevant wanneer een wetenschapsterrein nog volop in ontwikkeling is en er sprake is van een nog onontgonnen onderzoeksveld. Dan bestaat het gevaar dat men probeert inzicht te verwerven met behulp van begrippen die "per definitie" daartoe niet in staat stellen. Voor de psychiatrie is in dit verband van belang dat de begrippen zoals verwoord in het DSM slechts deels zijn gebaseerd op verworven inzicht en voor een groot deel het resultaat vormen van aanvaarde definities op basis van waarneembare kenmerken. Onze kennis van de onderliggende processen van psychiatrische aandoeningen is nog beperkt. Dat houdt het risico in dat bij onderzoek niet het mensbeeld van de patiënt voorop staat maar een extern geconstrueerd betekeniskader met de daarbij behorende schemata. Aanvaarde definities zijn slechts in beperkte mate dragers van kennis en inzicht. Verdere detaillering van definities betekent niet automatisch verdieping van inzicht.

Wat opvalt is verder dat er binnen de psychiatrie veel waarde wordt toegekend aan formeel-wetenschappelijke kennis en veel minder aan ervaringskennis. Mensen in de omgeving van patiënten beschikken over veel kennis maar vervullen binnen het kennissysteem (nog steeds) een zeer ondergeschikte rol. De psychiatrische zorg functioneert als een professioneel systeem dat weinig toegankelijk is voor derden. Ervaringskennis, bijvoorbeeld van familie van een patiënt, heeft een lage status. Het is lastig om van buiten uit door te dringen tot het professionele systeem. De toegankelijkheid is laag. De merkwaardige situatie doet zich voor dat kennis binnen de psychiatrische zorg gebrekkig is terwijl tegelijkertijd slechts matig gebruik wordt gemaakt van beschikbare kennis rond patiënten.

· De relatie met de buitenwereld

Hoe een systeem functioneert is niet enkel afhankelijk van de interne dynamiek maar ook van de relaties met de buitenwereld. Dat geldt ook voor het psychiatrisch zorgsysteem. Om de invloed van externe systemen te kennen en begrijpen moeten we ons verdiepen in de vraag wat er gebeurt op het breukvlak tussen systemen. We gaan achtereenvolgens in op het breukvlak tussen psychiatrisch zorgsysteem en de overheid en het psychiatrisch zorgsysteem en de omgeving van de patiënt.

1. De relatie met de overheid

Er is nauwelijks een betekeniskader zo gedetailleerd uitgewerkt als dat binnen de overheid. Iedere wet of verordening begint doorgaans met een artikel waarin met veel gevoel voor detail begrippen worden omschreven. Wat wordt verstaan onder “verplichte zorg”, een “crisismaatregel”, een “zorgverantwoordelijke” enz. Die definities vormen samen het perspectief, de bril, waarmee de maatschappelijke werkelijkheid voor de overheid betekenis krijgt. Binnen het betekeniskader van de overheid is er geen plaats voor onzekerheid. Situaties waarin sprake is van gebrek aan kennis of onvermogen passen niet goed in dat model. De wereld wordt gereduceerd tot een kenbare en beïnvloedbare wereld. Terwijl voor burgers onvermijdelijk het moment kan komen dat men de werkelijkheid onder ogen moet zien, geldt dat niet voor de overheid. De overheid verkeert in een positie dat de eigen definities dwingend aan de maatschappij kunnen worden opgelegd. De macht van de overheid is in wezen definitiemacht. De maatschappelijke werkelijkheid wordt zodanig gereduceerd dat deze past binnen het overheidsperspectief. Op papier is alles in orde. Situaties, problemen enz. die buiten het overheidsperspectief vallen zijn voor de overheid “per definitie” betekenisloos. Risico daarvan is dat de overheid contact verliest met de buitenwereld en geen oog meer heeft voor wat burgers bezig houdt. Er is teveel werkelijkheid die niet binnen het beleidskader valt. Zo kan de overheid een situatie als verkeersveilig benoemen terwijl er in de beleving van burgers sprake is van een extreem onveilige situatie. Situaties worden gereduceerd en zodanig gedefinieerd dat ze oplosbaar zijn. Problemen worden als het ware “weggedefinieerd”. Problemen die niet oplosbaar zijn vallen buiten het perspectief en bestaan als het ware niet. Voor de overheid is dat een buitengewoon comfortabele positie. De buitenwereld wordt aangepast aan de wereld van de overheid.

Overheid en psychiatrie krijgen steeds meer met elkaar te maken. Er is sprake van onderlinge afhankelijkheden. Hoewel er voorbeelden zijn van het omgekeerde (denk aan psychiatrisch onderzoek van verdachten in strafrechtzaken) kan in het algemeen worden gesteld dat het psychiatrisch systeem zich ten opzichte van de overheid in een afhankelijk positie bevindt. Voor zover belangen gelijk oplopen hoeft afhankelijkheid niet noodzakelijkerwijs problemen op te leveren. Dat ligt anders wanneer belangen verschillen. De afhankelijke partij verkeert dan in een ongunstige positie.

Wat is het gevolg wanneer twee domeinen met onderling afwijkende betekeniskaders met elkaar communiceren en het ene domein systeem het eigen betekeniskader kan opleggen aan het andere domein? Het risico bestaat dat problemen zoals ze binnen een domein worden beleefd niet aan bod komen. Zo kan de problematiek binnen de psychiatrische zorg worden gereduceerd tot een financieel vraagstuk. Dat biedt de mogelijkheid voor het sluiten van compromissen over vraagstukken, bijvoorbeeld maatwerk voor psychiatrische patiënten, die zich niet lenen voor compromissen. Compromissen, bijvoorbeeld over financiële middelen, zijn dan een armoedige oplossing van een in wezen uitdagend en inspirerend probleem.

2. De relatie met de omgeving van de patiënt

Wie met het psychiatrisch zorgsysteem in aanraking komt, bijvoorbeeld omdat een naaste relatie met psychiatrische aandoening te maken krijgt, ervaart doorgaans een gesloten systeem dat weinig informatie prijsgeeft. Men verkeert in een afhankelijke positie. Er is niet zelden sprake van grote terughoudendheid om naasten van patiënten te informeren. Er wordt zeer nadrukkelijk afstand bewaard waarbij het lastig is te constateren of dat uit gebrek aan interesse is of omdat protocollen mogelijk voorschrijven om afstand te houden. Voor zover naasten worden geïnformeerd gebeurt dat vaak in algemene of in lastig te doorgronden termen. Men wordt er niet erg wijzer van wanneer men verneemt dat een naaste kenmerken vertoont van “een depressie met kenmerken van een psychose”. Men wil de beste zorg voor iemand die je dierbaar is maar wordt geconfronteerd met een systeem dat gekenmerkt wordt door onafhankelijkheid en afstandelijkheid.

· De noodzaak van systeemveranderingen

Iedere vorm van organisatie betekent reductie. Iedere organisatorische regel kan worden opgevat als een uiting van zingeving/betekenisverlening. Het is gestolde betekenisgeving, het resultaat van processen van betekenisgeving. De werkelijkheid wordt gereduceerd tot een organiseerbare werkelijkheid. Wat niet organiseerbaar is, wordt als betekenisloos terzijde geschoven, niet met opzet maar als feitelijk effect. Gaandeweg gaan we een set van betekenissen opvatten als de werkelijkheid en gaan we eraan voorbij dat we functioneren binnen een geconstrueerd beeld van de werkelijkheid die we ook op geheel andere wijze betekenis kan worden gegeven. Die reductie kan zo ver gaan dat er veel werkelijkheid, preciezer geformuleerd constructies van de werkelijkheid, buiten beeld blijven. Dat betekent ook dat veel van wat betekenisvol kan zijn voor mensen buiten beeld blijft. Dat geldt zeker wanneer er binnen een systeem sprake is van zeer ver doorgevoerde organisatie. Denk bijvoorbeeld aan gedetailleerde protocollen die niet zozeer zijn verankerd in kennis en inzichten maar voor een belangrijk deel het karakter hebben van afspraken. Gevolg kan zijn dat een systeem een eigen wereld, een eigen werkelijkheid, creëert waarbinnen men zich bezighoudt met vraagstukken die binnen het intern geldend betekeniskader zeer gewichtig worden geacht maar die in de wereld buiten het systeem weinig relevantie hebben. Of omgekeerd: er zijn vraagstukken aan de orde waarvoor een systeem niet ontvankelijk is omdat ze niet betekenisvol kunnen worden gethematiseerd. Ook wanneer mensen binnen een systeem daar oog voor hebben betekent dat allerminst dat hier aandacht voor is. Een betekeniskader, een frame, kan binnen een organisatie zo krachtig zijn dat het “not done” is er buiten te treden. Voor wie kritisch is resteert dan vaak slechts geldende routines te volgen, ook al zijn die voor betrokkenen betekenisloos. Men bevestigt in zijn gedrag symbolisch de voorschriften; activiteiten krijgen een ritueel karakter. Het omgekeerde kan ook, namelijk dat buiten het eigen domein problemen worden ervaren die betekenisloos zijn binnen het systeem.


Zowel voor het psychiatrisch zorgsysteem als voor de overheid geldt dat er in termen van betekenisverlening sprake is van ferme reductie. In beide systemen is sprake van perspectieven die het waarnemingsvermogen beperken. Structuren, routines en vooronderstellingen maken het niet eenvoudig om het dominante perspectief te verbreden. Nemen we de overheid als voorbeeld. In plaats van perspectiefverbreding is het eerder zo dat het overheidsperspectief steeds nauwer wordt. Nieuwe regels moeten worden ingepast binnen bestaand beleid. Maar ook voor verandering van beleid gelden strakke regels. Bovendien moet iedere maatregel voldoen aan beginselen van behoorlijk bestuur. Verder vormt jurisprudentie dagelijks bron voor nieuwe interpretaties van beleidsregels. Ook speelt mee dat het formele zingevingskader sterk geïnstitutionaliseerd is. Kortom, de reductie wordt steeds groter en verandering steeds lastiger. Gaandeweg raakt de overheid verstrikt in het eigen beleid en wordt de overheid de gevangene van zichzelf. Het beleidsnetwerk raakt in zichzelf gekeerd. Het is voorgeprogrammeerd op instandhouding en zelfs vergroting van problemen in plaats van gericht te zijn op het zoeken naar en werken aan oplossingen.


Gevolg van lastig veranderbare perspectieven is dat er weliswaar ruimte is voor veranderingen binnen het systeem maar niet voor veranderingen van het systeem. Dat houdt het risico in dat de werkelijke problemen onzichtbaar blijven en dat slechts de gevolgen ervan als symptomen aan de oppervlakte komen. Zo helpen wijzigingen binnen een gedetailleerd uitgewerkt protocol niet wanneer het protocol is gebaseerd op veronderstellingen en uitgangspunten die een deugdelijke onderbouwing missen. Systeemproblemen worden afgewikkeld dan alsof het om operationele problemen handelt. De echte problemen worden zo “georganiseerd” in stand gehouden. Het gaat “systematisch” fout. Oplossingen hebben geen werking maar creëren slechts de illusie van een oplossing. Dat laatste is een probleem omdat men geen verdere aanleiding ziet de onderliggende systeemvragen onder ogen te zien. Wat plaatsvindt heeft het karakter van wat in het schaakspel bekend staat als een herhaling van zetten: veel beweging op het bord maar geen wezenlijke verandering.


Nu onze kennis omtrent het functioneren van de psyche beperkt is en de aard van de kennisvragen multidisciplinair van karakter is, is er reden om het kennissysteem binnen de psychiatrie fundamenteel tegen het licht te houden. Herwaardering van ervaringskennis lijkt daarbij aan de orde alsmede vernieuwende vormen van discipline-overstijgende onderzoekprogramma’s. dat vereist een open functionerend kennisnetwerk, geen starre kaders en geen claims van professionaliteit die niet deugdelijk zijn of kunnen worden onderbouwd.

Er is een dringende behoefte aan een systeemanalyse waarbij zowel de functies binnen het psychiatrisch zorgsysteem zelf onderwerp van analyse vormt als de wijze waarop het psychiatrisch systeem externe relaties onderhoudt.


· Condities voor systeemverandering


Een dergelijke analyse vereist als eerste stap dat het betekeniskader binnen een domein expliciet wordt benoemd en dat zekerheden en veronderstellingen worden geuit en tot onderwerp van gesprek worden. Wat is de ratio onder ons gedrag? Dat stelt in staat het functioneren van het eigen systeem en het eigen gedrag te begrijpen. In het verlengde daarvan is nodig dat gelijksoortige exercities worden gedaan in relatie met externe partijen.


Er is behoefte aan een gedegen systeemanalyse die kan uitmonden in een conceptueel “systeemakkoord” waarin deelnemende partijen veranderingsopgaven benoemen, een veranderingsstrategie formuleren en de intentie uitspreken daaraan te gaan werken. Een dergelijke systeemanalyse is slechts nuttig wanneer daarbij volop de ruimte bestaat om onderling verschillende en zelfs tegengestelde probleemdefinities op tafel te krijgen. Vanuit een constructivistisch perspectief gaat het immers niet om de problemen zoals ze zijn, maar hoe ze worden beleefd en betekenis krijgen. Voor een dergelijke analyse is nodig dat alle betrokken partijen bereid zijn tot perspectiefwijziging en vanzelfsprekendheden op te geven. Op het vlak van onderlinge communicatie houdt dat in dat men zich in elkaars betekeniskaders verdiept en op basis daarvan tot een constructieve dialoog komt. (Lems e.a.) Met name voor de overheid is dat een lastige opgave omdat definities zoals die in het beleid vastliggen dat verhinderen. Er is als het ware een by-pass-constructie nodig waarbij ruimte wordt gecreëerd om naar oplossingen te zoeken, ook als die haaks staan op geldend beleid. (Wagemans, 2012). In plaats van de werkelijkheid te dwingen in nauwsluitende beleidskaders is een pluriforme benadering nodig waarin tegelijkertijd meerdere “werkelijkheden” naast elkaar kunnen bestaan. Een ingrijpender verandering is nauwelijks denkbaar. Deze benadering staat haaks op de neiging tot standaardisatie en ordening die thans het paradigma vormt voor zowel de psychiatrische zorg als de overheid en die problemen eerder koestert dan oplost. Een systeemanalyse veronderstelt bereidheid en ruimte voor kritische inbreng waarbij kritiek op een bestaand systeem geen doel is maar opstap moet zijn naar nieuwe perspectieven die tot nieuwe probleemopvattingen leiden.


Vanuit de psychiatrie zal de bereidheid tot transparantie nodig zijn en zal een realistisch beeld moeten worden geschapen, ook met betrekking tot eigen onvermogen. Ook zal de houding van professionaliteit ten opzichte van de buitenwereld moeten worden afgelegd omdat deze verhindert dat bestaande overtuigingen, perspectieven, analyses en handelingspatronen onderwerp van kritische reflectie worden. Dat vraagt een verkennende en belangstellende houding binnen de beroepsgroep.

Een open houding zonder vooringenomenheid is, zo leert de ervaring in andere sectoren, enkel mogelijk wanneer die plaatsvindt buiten de belangenstructuur zoals die thans functioneert. Belangen en posities vormen uitdrukking van de bestaande context en belemmeren doorbraken. Ze leiden hooguit tot marginale veranderingen die het werkelijke probleem onaangetast laten. Men reproduceert het verleden in plaats van de toekomst te ontwerpen. Om dat te voorkomen is belangrijk dat bij de aanvang van een veranderingstraject deelnemers met elkaar delen wat hen inspireert tot deelname maar ook hoe groot de ontwerpruimte voor een nieuw psychiatrisch zorgsysteem mag zijn. Wat mag onderwerp van discussie worden en wat niet? Een systeeminnovatief proces wordt voortbewogen door energie en inspiratie van deelnemers en niet door bestaande belangen en bevoegdheden. Dat kan uitmonden in een inspirerend document waarin ambitie en aanpak worden vastgelegd. Een dergelijk startdocument is belangrijk als baken in het verder proces en kan diensten bewijzen wanneer het proces stokt of bijvoorbeeld de inspiratie uit een proces wegvloeit als gevolg van bijvoorbeeld belangentegenstellingen.

Belangrijk is ook dat maximaal de ruimte wordt geboden voor inbreng van alle betrokkenen. Wat zijn de ervaringen die men heeft? Tegen welke problemen loopt men aan? Dat pleit voor een proces met volop actieve deelname van zowel hoogleraar als praktisch hulpverlener, van beleidsambtenaren en financiers, van zowel patiënten als mensen uit hun omgeving. Een proces waarin men tegelijkertijd met de laarzen in de modder staat en met het hoofd in de hemel denkt. Een dergelijk traject zou niet alleen de psychiatrie vooruit kunnen helpen maar ook een buitengewoon spannend experiment zijn voor de overheid met een andere wijze van beleidsvorming. De belangrijkste voorwaarde voor een goede start is of er voldoende inspiratie aanwezig is om ongebaande paden te verkennen.

De ervaring toont dat ook een proces van systeemvernieuwing kan vastlopen in een woud van regels en structuren die weliswaar bedoeld zijn om vernieuwing te faciliteren maar die tegelijkertijd heel gemakkelijk een remmende uitwerking kunnen krijgen. In plaats daarvan is nodig dat er niet alleen ruimte is voor uiteenlopende en zelfs tegengestelde visies maar ook de bereidheid dergelijke visies op hun consequenties en werking te onderzoeken. Dat vraagt een lerende in plaats van een (ver)oordelende houding zodat een traject niet vastloopt in tegenstellend denken dat splitsend werkt in plaats van verbindend.

***********************************************




In de Limburgse kranten verscheen op 15 januari 2014 onderstaande opiniebijdrage over vrijheid van meningsuiting.


Geen vrijbrief om te kwetsen


Wereldwijd is met afschuw en verachting gereageerd op de gebeurtenissen in Parijs. Ook in tal van Limburgse gemeenten is daar uitdrukking aan gegeven. Dat is een goed teken. Het geeft aan dat wij vrijheid van meningsuiting een groot goed vinden. We komen in actie wanneer die vrijheid plotseling niet meer vanzelfsprekend blijkt te zijn. We vinden dat in een open samenleving ieder de ruimte moet hebben opvattingen naar voren te kunnen brengen, ook als die organisaties, bestuurders of andere burgers onwelgevallig zijn. Dat is een grote verworvenheid ten opzichte van vroegere situaties waarin men gevaar liep wanneer men zich bijvoorbeeld kritisch uitte tegenover machthebbers. Helaas is dat nog in veel landen dagelijkse praktijk. Graag profileren we ons naar andere landen met onze verworvenheden.

Wat de afgelopen dagen onderbelicht is gebleven is de vraag of ook de vrijheid van meningsuiting zijn grenzen kent of zou moeten kennen. In het strafrecht zijn er regels omtrent strafbare belediging. We mogen discussiëren op het scherpst van de snede maar er is geen ruimte om anderen te beledigen, bijvoorbeeld door onwaarheden over iemand te vertellen. Ook vinden we dat er ruimte moet zijn voor satire. In onze regio hebben we daar goede ervaringen mee. Zie het Carnaval wat van oudsher een gelegenheid is om bijvoorbeeld uiting te geven aan kritiek op autoriteiten. Overigens is ook daarbij sprake van grenzen. Zo komt het regelmatig voor dat deelnemers worden geweerd uit de optocht omdat men onnodig en overdreven kwetsend is.

Actueel is thans de vraag hoe vrijheid van meningsuiting zich verhoudt tot godsdiensten en de uitoefening ervan. Naast vrijheid van meningsuiting hebben we vrijheid van godsdienst. Dat betekent dat ieder zijn eigen geloof mag aanhangen en uiten. Vrijheid van meningsuiting houdt tegelijkertijd in dat we ook de ruimte hebben onze opvattingen over andermans godsdienst te uiten. We mogen kritiek hebben op de wijze waarop die is georganiseerd en functioneert. Zie het misbruikschandaal in de katholieke kerk in Nederland. Of de kritiek op Islamitische Staat. We staan niet toe dat onder de vlag van een godsdienst misdrijven worden gepleegd. Maar ook hierbij is de vraag aan de orde of die uitingsvrijheid beperkingen kent of zou moeten kennen. Mogen we ook zover gaan dat we instituties, geloofsuitingen en godsbeelden belachelijk maken? Mogen we gelovigen intens kwetsen door de draak te steken met wat betekenisvol is voor hen? En waarom zouden we dat moeten willen? Welk doel is daarmee gediend, anders dan het kwetsen van mensen? Wat heeft kwetsen en beledigen met vrijheid van meningsuiting te maken? Zijn we minder vrij wanneer we anderen niet mogen kwetsen door hun godsdienst te beledigen? Vrijheid van meningsuiting kan geen legitimatie zijn om iedere vorm van respect terzijde te schuiven.

Er bestaat een merkwaardige spanning tussen vrijheid van meningsuiting en verdraagzaamheid. Onvoorwaardelijk kiezen voor vrijheid van meningsuiting betekent dat de verdraagzaamheid tot het uiterste wordt opgerekt. Dan kunnen we ons onbeperkt permitteren anderen te schande te maken omdat zij zich immers verdraagzaam dienen op te stellen. Verdraagzaamheid wordt dan merkwaardig en eenzijdig ingekleurd. Wie gekwetst wordt dient verdraagzaam te zijn. Voor wie anderen kwetst geldt dat dan blijkbaar niet.


Thieu Wagemans is Raadslid in Leudal

*********************************************************************************************************************

Op 26 november 2014 plaatste Dagblad Trouw onderstaande opiniebijdrage over de spanning tussen rechtspraktijk en rechtsgevoel.

Ophef over Taakstraf is Signaal aan de Politiek


De recente veroordeling van een Poolse chauffeur in verband met het aanrijden van drie personen met dodelijke afloop heeft tot veel reacties geleid. Velen vinden dat hun rechtsgevoel is beschaamd. De Rechtbank stelt daarentegen dat niet het wettelijk en overtuigend bewijs is geleverd dat de chauffeur te hard reed. Als gevolg daarvan wordt een taakstraf van 120 uur als een juiste strafmaat gezien.


Los van de feitelijke toedracht geven de reacties ook iets anders aan. Dat heeft te maken met het feit dat ook in deze zaak het feitelijk handelen van rechters niet blijkt aan te sluiten bij wat burgers rechtvaardig vinden. Op zichzelf is het logisch en correct dat rechters zich niet mogen laten leiden door gevoelens van burgers. Rechters dienen immers te toetsen aan de wet en we hebben nu eenmaal geen “Verordening Rechtsgevoel van Burgers” waarmee besluiten van rechters in overeenstemming moeten zijn. Maar er valt meer over te zeggen. In alle objectiviteit kunnen we ook stellen dat ons juridisch systeem is losgezongen van de praktijk zoals die door burgers wordt beleefd. Binnen het rechtssysteem is gaandeweg een eigen wereld ontstaan waarin feiten en situaties geheel anders worden geinterpreteerd dan wat burgers voor “normaal” houden. De juridische werkelijkheid wijkt aanzienlijk af van de alledaagse werkelijkheid waarin burgers leven.


Bovendien is de juridische werkelijkheid buitengewoon ingewikkeld. Zonder juridsiche bijstand krijgt men nauwelijks een voet aan de grond. Wat juridisch van doorslaggevend belang is, kan geheel betekenisloos zijn voor burgers. Men heeft daarom specialisten nodig die de eigen rationaliteit van het juridisch systeem doorgronden en die bijgevolg weten hoe het juridisch spel moet worden gespeeld: welke feiten doen ertoe, welke feiten kunnen beter worden verzwegen en welke beweringen kunnen juridisch gewicht in de schaal leggen? De wijze waarop we binnen ons rechtssysteem het beginsel van gerechtigheid hebben uitgewerkt kan ertoe leiden dat de rechtspraktijk geen recht meer doet aan het rechtsgevoel. Rechtvaardigheid is een kwestie geworden van vaardigheid in het recht. Er wordt op weinig plaatsen zoveel gelogen en gezwegen als in rechtszalen.


Aan rechters is het vervolgens om te oordelen. Daarbij zijn zij gehouden aan nauwe regels die deels voorkomen uit de rechtspraktijk zelf. Het domein van de rechtspraak is een wereld op zichzelf geworden. Basis voor onze rechtspraak is de scheiding der machten. Politici hebben zich niet te bemoeien met hoe rechters oordelen. Binnen de politiek betekent het feit dat “een zaak onder de rechter is” dat men zich van ieder oordeel dient te onthouden. Tegelijkertijd zijn politici diegenen die regels vatstellen. Zij bepalen aan welke regels rechters moeten toetsen. Zij kunnen dus ook regels aanpassen wanneer zij constateren dat de rechtspraktijk te ver is komen af te staan van wat maatschappelijk als rechtvaardig wordt beoordeeld. Dat geldt niet enkel voor het strafrecht. Ook het bestuursrecht geeft tal van voorbeelden waarbij een burger die zich dure juridische bijstand kan permitteren een vergunning krijgt die andere burgers wordt onthouden. Of een overheidsbesluit wordt vernietigd omdat een ogenschijnlijk onbeduidend detail naar het oordeel van een rechter tot verrassing van velen doorslaggevend wordt geacht.


Een situatie waarin rechtspraak niet meer aansluit bij wat in de samenleving als rechtvaardig wordt beoordeeld is bij uitstek een politiek vraagstuk. Scheiding van de rechtsprekende, wetgevende en uitvoerende macht wordt te makkelijk door politici aangegrepen om zich niet met een zaak bezig te houden. Sterker nog, het is hoog tijd voor een maatschapelijk debat over de vraag of ons rechtssysteem nog wel aansluit bij beleving door burgers. Het vraagt lef van politici om zich intensiever met het functioneren van ons rechtssysteem te gaan bemoeien en niet te volstaan met enkel wat gemorrel in de kantlijn door een of andere procedure iets aan te passen. Lef is bij uitstek een kwaliteit die politici dienen te hebben, in tegenstelling tot rechters die zich aan de regels hebben te houden.


Thieu Wagemans is raadslid in Leudal voor de politieke partij Ronduit Open



***********************************************************************************************************

Op 12 november 2014 verscheen de onderstaande opiniebijdrage in de Limburgse kranten over de functie van kleine politieke partijen. Ze houden grote partijen wakker door de gebreken in ons politieke systeem bloot te leggen.


Kleine politieke partijen verwoorden wat onder kiezers leeft

Ze hebben een belangrijke functie als luis in de pels

Vanuit het CDA is het voorstel gedaan kleine partijen voortaan te weren uit de Tweede Kamer. Als argument wordt aangevoerd dat kleine partijen de besluitvorming belemmeren, dat men aan goedkoop populisme doet enz. Zeker zal ook meespelen dat men het lastig vindt wanneer nieuwe partijen met nieuwe gezichtspunten tot het parlement doordringen. Wanneer zij voldoende steun krijgen betekent dit dat een belangrijk aantal kiezers zich niet (goed) meer vertegenwoordigd voelt door bestaande partijen. Maar er valt meer over te zeggen.

We hebben een politiek systeem dat in menig opzicht grote gebreken vertoont. Velen hebben het vertrouwen in de politiek verloren. Burgers worden niet meer gehoord of worden in verkiezingstijd met zalvende oproepen tot stemmen verleid waarna het spel na de verkiezingen weer gewoon doorgaat. Een van de problemen is dat het politieke systeem onvoldoende ontvankelijk is voor wat burgers bezighoudt. Problemen zoals burgers die ervaren krijgen geen echte aandacht. Regelgeving is zo ingewikkeld gemaakt dat verandering nauwelijks mogelijk is. De overheid is de gevangene van zichzelf geworden. Steeds weer worden juridische en andere redenen opgeworpen waarom niet tegemoet kan worden gekomen aan wensen van burgers. Wie bezwaar wil maken moet zich verzekeren van juridische bijstand omdat je anders als burger geen voet aan de grond krijgt of al gauw op het verkeerde been wordt gezet. Je bent niet ontvankelijk of je argumenten zijn ongegrond. Het leidt tot toenemende frustratie bij burgers en velen keren de politiek de rug toe.

Nu het politieke systeem in menig opzicht ziende blind en horende doof is voor wat burgers bezig houdt, zijn kleine en nieuwe partijen belangrijk omdat die verwoorden wat onder burgers leeft maar waarvoor de grote partijen doof zijn. Dat kunnen ook partijen zijn die slechts een enkel aandachtspunt hebben. De Partij voor de Dieren heeft dierenwelzijn onder de aandacht gebracht. De Ouderenpartij doet datzelfde met betrekking tot de problemen van ouderen. Zo zou ook een partij kunnen wordt opgericht die zich sterk maakt voor veiligheid op straat en een stevige aanpak van criminaliteit. Natuurlijk kan een land niet worden bestuurd door partijen die slechts aandacht hebben voor een enkel probleem. Maar de betekenis van kleine partijen is heel anders. Ze zetten problemen op de agenda die door de grote partijen niet serieus worden genomen. Of ze maken duidelijk dat zogenaamde oplossingen geen enkel effect hebben, ook al zijn politici in staat dat met mooie woorden toe te dekken. Een tweede bestaansrecht van kleine partijen is dat ze kunnen dwingen tot verdieping en doorbreking van oppervlakkigheid. Een voorbeeld vormt de overgang naar een zelfverantwoordelijke participatiemaatschappij. De illusie overheerst dat dit mogelijk is door te korten op overheidsbijdragen en veel communicatie. In wezen is aan de orde dat een zelfverantwoordelijke samenleving dwingt tot vormen van verplichtend burgerschap. Dat is een ingrijpende verandering. Immers, vele decennia zij burgers door politieke partijen bevestigd in vrijblijvendheid en calculerend gedrag. Te gemakkelijk en te kritiekloos namen politieke partijen wensen over zonder burgers op eigen verantwoordelijkheid aan te spreken. Dat verander je niet door regels aan te passen maar vraagt een fundamentele heroverweging van burgerschap.

Kleine partijen hebben een functie om duidelijk te maken wat de grote partijen laten liggen, hun onvermogen te illustreren en duidelijk te maken dat bestaande routines noodzakelijke veranderingen in de weg staan. Het kan lastig en vervelend zijn wanneer de werkelijkheid doordringt tot de vergadertafels. Systemen zijn er doorgaans op gericht zichzelf in stand te houden. Het politieke systeem kan zich dat ook heel goed permitteren. Men bepaalt immers zelf of wetten en regels wel of niet worden aangepast. Dat is een luxepositie. Macht is vanzelfsprekend en er is geen reden, laat staan een dwang, om tegengeluiden serieus te nemen.

Het CDA-voorstel illustreert treffend het grote drama van de Nederlandse politiek. In plaats van het probleem serieus te nemen dat men gaandeweg het vertrouwen verliest van burgers, kiest men ervoor het probleem uit de weg te gaan. De houding is dat wat niet op de vergadertafel komt, niet bestaat. Men creëert een eigen wereld en overtuigt elkaar van het eigen gelijk. Het is in wezen een houding van arrogantie. Men kan blijven doorgaan op de oude weg en de oude belangenstructuren in stand houden. In plaats van problemen op te lossen worden de problemen zo georganiseerd in stand gehouden. Velen hebben er belang bij en danken er hun loopbaan aan.

******************************************************************************************************************

Op 24 juni 2014 plaatsten de Limburger en Limburgs Dagblad een opiniebijdrage met als titel: NIEMAN VERANTWOORDELIJK, de samenleving heeft zijn eigen onmacht uitstekend georganiseerd

NIEMAND VERANTWOORDELIJK, de samenleving heeft zijn eigen onmacht uitstekend georganiseerd

Na het uitbreken van de Franse Revolutie moest er een besluit worden genomen over het lot van de afgezette Koning Lodewijk XVI. Een van de jonge leden van de Nationale Conventie, Saint-Juste, oordeelde dat Lodewijk als koning had geregeerd en alleen al daarom schuldig was. Lodewijk eindigde op het schavot. De redenering was dat als je hebt geregeerd je dus ook verantwoordelijk bent. Dat was nogal kort door de bocht.

Hoe anders is dat in de huidige samenleving. Bestuurders van zorgorganisaties, onderwijsinstellingen en woningcorporaties ontvangen enorme salarissen, zelfs wanneer ze de eigen organisatie aan de rand van de afgrond hebben gebracht. Velen zijn van mening dat het moreel volstrekt verwerpelijk is wat er gebeurt. Mensen worden ontslagen om de kosten te drukken en de bestuurders verhogen hun toch al zeer riante salarissen. Hoe is zoiets mogelijk? Er is immers een Raad van Toezicht, er zijn commissarissen, er zijn inspecteurs en procedures. Medewerkers houden vaak hun mond omdat ze, zeker in onzekere tijden, niet het risico willen lopen van represailles. Vaak verdedigen bestuurders zich met het argument dat formeel alles in orde is omdat besluiten langs de aangewezen weg tot stand zijn gekomen. De bankwereld laat eenzelfde beeld zien. Met overheidsgeld moesten banken worden gered nadat te grote risico’s waren genomen. Men sprak er schande van. Nauwelijks enkele jaren later blijkt men niets te hebben geleerd. Het gebruik om zeer aanzienlijke bonussen te verstrekken aan bestuurders boven op de toch al zeer hoge salarissen is weer staande praktijk. Men kan het zich permitteren door te gaan op een weg die alom wordt afgekeurd.

De vraag is hoe deze praktijken kunnen voortduren terwijl ze toch in brede kring worden afgekeurd. Hoe komt het dat velen worden betaald om controle uit te oefenen maar kennelijk niet bereid of in staat zijn om in te grijpen? Het antwoord is dat we onze maatschappij zodanig hebben georganiseerd dat we niet meer in staat zijn tot verandering. Zo verschuilen politici zich vaak achter het argument dat organisaties een eigen verantwoordelijkheid hebben en dat ingrijpen in strijd is met geldende regels. Hard ingrijpen om die regels en verantwoordelijkheden te veranderen gaat men uit de weg. Of men wenst liever niet partijgenoten voor de voeten te lopen die na een politieke loopbaan de overstap hebben gemaakt naar goedbetaalde functies in zorg, onderwijs en woningbouw. Ingrijpende veranderingen lopen vast in partijpolitieke loopgraven. Parlementaire enquêtes geven een schrijnende praktijk aan maar echte verandering blijft uit. Het systeem houdt zichzelf in stand. Steeds weer vullen voormalige politici hun doorgaans toch al aanzienlijke pensioen aan met allerlei opdrachten die ze krijgen van partijgenoten. Er is sprake van een netwerk waarin men elkaar de bal toespeelt in de hoop en verwachting ook zelf eens de geneugten ervan te mogen ervaren. Ook van rechters hoeft men geen verandering te verwachten. Zij mogen immers besluiten slechts toetsen aan geldende regels en zolang die niet worden gewijzigd zal er niets veranderen. Het komt erop neer dat niemand meer aanspreekbaar is op verantwoordelijkheid. Zolang je netjes het spel meespeelt kun je iedere verantwoordelijkheid uit de weg gaan. We hebben de eigen onmacht uitstekend georganiseerd. En wie zich daartegen verzet kan erop rekenen vermanend te worden toegesproken omdat men zich niet aan de afgesproken regels houdt. Men dient zich immers netjes te gedragen. De vlag van fatsoen dekt heel wat onfatsoen toe. Overigens, Saint-Just eindigde eveneens op het schavot. Dat is vaker het lot van veranderaars of klokkenluiders al hebben we tegenwoordig meer verfijnde en “fatsoenlijke” methodes om mensen (mond)dood te maken.

*******************************************************************************************************************************

Op 14 mei 2014 plaatste Dagblad Trouw een reactie op de vraag of we iets hebben geleerd van de recente economische crisis

We hebben niets geleerd van de crisis


Adam Smith stelde dat op de markt de “invisible hand” zijn werk deed. De recente economische crisis heeft aangetoond dat die hand vastzit aan partijen die er belang bij hebben niet naar evenwicht te zoeken maar juist onbalans te veroorzaken. Men zet zijn kaarten op een komende crisis en hoopt er rendement uit te halen. Men investeert als het ware in het ontstaan van problemen in plaats van in de oplossing ervan. We hebben onze problemen uitstekend georganiseerd. Gevolg is dat ons economisch systeem niet meer zelfcorrigerend is. Verantwoordelijkheid heeft geen gezicht meer. Door ons feitelijk handelen houden we de problemen in stand maar we zijn niet als persoon aanspreekbaar. Iedereen is formeel verantwoordelijk maar niemand heeft het gedaan. De onzichtbaarheid waar Adam Smith over schreef heeft zo zijn voordelen. In plaats van te werken aan systeemverandering zijn we blij wanneer we de symptomen ervan iets kunnen indammen. We hebben onszelf voorgeprogrammeerd op de volgende crisis.

****************************************************************************************************************
Op 6 mei 2014 verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over de Europese verkiezingen:

Europa is toe aan een Opschoonbeurt

De politieke discussies in het kader van de komende Europese verkiezingen verlopen voorspelbaar. Wie zich een kritische opmerking veroorlooft over de EU kan steevast rekenen op het verwijt dat men tegen Europese samenwerking is. Voorstanders gebruiken grote maar holle leuzen. Men geeft hoog op over het belang van een democratisch Europa. Maar hoeveel reden is er voor trots? Vanzelfsprekend heb de stichters in de vijftiger jaren een verstandig besluit genomen. Men koos voor samenwerking wat heel wijs en ook begrijpelijk was na twee allesvernietigende wereldoorlogen. Ook het afbreken van handelsbarrières tussen landen was verstandig. Het vergemakkelijkte de onderlinge handel en (oneerlijke) concurrentievervalsing werd tegengegaan. En, niet onbelangrijk, Nederland heeft er fors van geprofiteerd.

Maar wat hebben diegenen die hoog opgeven over Europa er de afgelopen decennia van gemaakt? Onder het mom van verdere integratie is Brussel zich zeer gedetailleerd met van alles en nog wat gaan bemoeien. Waarom moest er een in detail uitgewerkt Europees natuurbeleid komen? Waarom konden buurlanden niet onderling afspraken maken over beheer van grensoverschrijdende natuurgebieden? Waarom moet een fietspad tussen twee plattelandskernen worden gesubsidieerd met Europees geld? Een lidstaat betaalt eerst een bedrag aan Brussel en via een ingewikkelde en geldverslindende procedure probeert men vervolgens een gedeelte van het bedrag weer terug te krijgen. Waarom moet het aanbestedingsbeleid zo ingewikkeld worden geregeld dat enkel zeer grote bedrijven in staat zijn in te schrijven? Verder gaat zeer veel energie verloren aan aanhoudende discussies over bevoegdheidsvragen. Er is een voor burgers onbegrijpelijk juridisch systeem opgebouwd dat telkens weer inhoudelijke vraagstukken overschaduwt. De vroegere concurrentievervalsing tussen landen is vervangen door enorme subsidiestromen die zich niet meer laten indammen. Al tientallen jaren pleiten kandidaten voor het Europese Parlement voor terugdringing van de bureaucratie maar in de praktijk komt daar nauwelijks iets van terecht. Eerder integendeel. Niet minder dan 28 Eurocommissarissen proberen ieder tekens weer hun eigen terrein uit te breiden. Gaan de komende verkiezingen daar verandering in brengen. Dat valt te betwijfelen. De bureaucratie houdt zichzelf in stand. Het is nooit anders geweest. Van het Parlement valt die verandering ook niet te verwachten. Men heeft teveel belang bij het in stand houden ervan. Nergens zijn de vergoedingen en salarissen, vaak belastingvrij, zo hoog als binnen de EU. Het is een uitdijend bolwerk.

Een tweede, nog veel fundamenteler, probleem is dat de EU in wezen antidemocratisch functioneert. Men is al decennia lang bezig zaken steeds verder van de burger af te organiseren. Steeds weer wordt het principe van subsidiariteit bepleit. Dat houdt in dat zaken zo dicht mogelijk bij de burger moeten worden geregeld. De werkelijkheid is helaas anders. Er zijn om maar weinig burgers die de gang van zaken zullen begrijpen. Zij lezen slechts met regelmaat over de gigantische verspilling van overheidsmiddelen en vragen zich af wie de toenemende bemoeienis van Brussel met hun eigen leefomgeving zal stoppen. Bovendien, van een parlement met 766 met een totaal verschillende achtergrond valt een daadkrachtig beleid ook niet te verwachten. Bovendien kan het Parlement voorstellen van de Europese Commissie of van de Raad van Ministers slechts goed- of afkeuren. Met heeft niet het recht om zelf met initiatieven te komen. Misschien is dat maar goed ook.

Dat politieke onvermogen wordt, zeker in verkiezingstijd, graag verbloemd door beloften dat het voortaan anders zal gaan. Sterker nog, enkele weken geleden riepen enkele Europarlementariërs in Kiev in emotionele betogen de burgers van de Oekraïne op toch vooral voor democratie te stemmen. Zij spraken met geen woord erover hoezeer juist binnen de EU het politieke systeem wordt beheerst door een bestuurlijke elite die op enorme afstand van de burgers functioneert. Men roept van oudsher totalitair geleide landen (tsaren, communistische regimes) op hun oude systeem in te wisselen voor een systeem waarin een kleine hooggeschoolde elite op grote afstand van de burgers via uiterst complexe procedures de dienst uit maakt. Europa heeft geen verkiezingen nodig maar een grondige opschoonbeurt.




*****************************************************************************************************************************

Op 25 februari verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over de bemoeienis van landelijke politici met de gemeenteraadsverkiezingen van 19 maart:


Misbruik van Gemeenteraadsverkiezingen



Wanneer verkiezingen naderen is dat voor politici vaak aanleiding om te ontwaken. Men wordt zeldzaam actief omdat ook in een nieuwe periode de zetel zeker moet worden gesteld. Natuurlijk is het prima dat men verantwoording aflegt over verleden en helder maakt wat men van plan is. Maar niet alleen lokale politici worden actief. Kamerleden haasten zich naar vergaderzaaltjes “in de Provincie” om lokale partijgenoten bij te staan. Zo probeert men de gemeenteraadsverkiezingen steeds meer te misbruiken als een populariteitsmaatstaf voor landelijke politiek.

Dat is om meerdere redenen kwalijk. Op de eerste plaats is de gemeente het niveau waar de democratie het meest direct tot uitdrukking komt. Daar ontmoeten kiezers en gekozenen elkaar rechtstreeks. Het is de basis van onze democratie. Op de tweede plaats kampen gemeenten met problemen die juist veroorzaakt zijn door landelijke politici. Tegelijkertijd worden oplossingen vaak gefrustreerd door landelijke regels. De beleidsruimte van gemeenten wordt steeds verder ingeperkt. Er is een stortvloed aan regels waardoor de gemeentelijke politiek steeds meer een kwestie wordt van juristerij. De invloed van raadsleden neemt af en rechters krijgen het steeds meer voor het zeggen. Telkens weer verzandt besluitvorming in juridische procedures. Zo werken landelijke politici eraan mee om de taak en rol van raadsleden uit te hollen. Op de derde plaats worden gemeenten op kosten gejaagd omdat men dure adviesbureaus moet inschakelen om uit te leggen hoe de landelijke regels in elkaar zitten. Op de vierde plaats hevelt men taken over naar gemeenten zonder er voldoende geld bij te leveren. De decentralisatie van jeugdzorg, zorg voor zieken en ouderen en werk en inkomen wordt misbruikt om de rijksbegroting rond te maken. De rekening stuurt men door naar de gemeenten. En dan te bedenken dat landelijke partijen ieder jaar subsidies krijgen voor hun politieke werk terwijl afgelopen jaar opnieuw is besloten dat lokale partijen daar niet voor in aanmerking komen. Het is het bekende beeld. Hoe hoger men zit, hoe beter men zichzelf zegent.  

Dat alles is des te ernstiger omdat er dringend behoefte is aan bestuurlijke en politieke vernieuwing. Die vernieuwing komt echter nauwelijks van de grond omdat landelijke regels dat verhinderen. Men maakt zich geweldig druk over de vraag of burgemeester voortaan door de Raad of door burgers moeten worden gekozen alsof daardoor het vertrouwen van burgers in de politiek toeneemt.

Overigens is er geen enkele garantie dat lokale partijen daar per definitie verandering in zullen brengen. Te vaak spelen lokale politici het spel mee in plaats van veranderingen af te dwingen. Te velen geven er de voorkeur aan en hebben er belang bij hun positie te handhaven. Verandering bereik je niet door er mooie woorden over op te nemen in het verkiezingsprogramma. Voor echte verandering is nodig dat je je onafhankelijk opstelt. Die onafhankelijkheid werkt naar twee kanten. Naar de gemeente toe betekent het dat je niet vanzelfsprekend onderdeel wordt van het formele regelsysteem of slaafs achter eigen wethouders aanloopt. Dat je als raadslid zelf met voorstellen komt, ook als die dwars ingaan tegen landelijk beleid. Het is juist op lokaal niveau waar de relatie tussen burger en politiek moet worden hersteld. Je kunt je niet beperken tot het vaststellen dan dikke beleidsnota’s zonder je te interesseren hoe die voor burgers uitwerken. Op papier is vaak alles in orde maar de praktijk toont vaak een ander beeld. Maar onafhankelijkheid is ook nodig naar burgers toe. Dat is niet vanzelfsprekend. Wanneer verkiezingen naderen bestaat de neiging bij velen om burgers naar de mond te praten om zo hun sympathie te winnen. Na de verkiezingen blijkt dan dat mooie verhalen en beloften niet worden bewaarheid. Dat is juist een belangrijke reden waarom mensen hun vertrouwen verliezen in politiek en politici.

Thieu Wagemans is raadslid in Leudal 




********************************************************************************************************************************

Op 21 januari 2014 verscheen er een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over robotisering van de samenleving.

Worden robots mensen of worden mensen steeds meer robots?


De ramp in de kerncentrale in Fukushima (Japan) toonde aan dat mensen slechts beperkt in staat zijn om problemen op te lossen die door moderne technologie kunnen worden veroorzaakt. Het stralingsniveau in de centrale was zo hoog dat het voor mensen niet mogelijk was van binnen uit een goed beeld te krijgen van de situatie in de centrale. Het leidde tot een pleidooi om harder te werken aan de ontwikkeling van robots. Die zouden bij toekomstige rampen de situatie in kaart kunnen brengen en zelfs de noodzakelijke maatregelen kunnen nemen. Een droombeeld? Niet voor iedereen. De laatste tijd verschijnen weer berichten over technologische voortgang bij ontwikkeling van robots. Zozeer zelfs dat de overtuiging groeit dat men robots kan ontwikkelen met menselijke trekken. Robots met zintuigen, die bijvoorbeeld reukgevoel hebben. De Amerikaanse filosoof Denett stelt dat robots in de toekomst zelfs bewustzijn kunnen ontwikkelen zoals wij mensen dat ook hebben.   

Velen beschouwen dat als een flinke stap vooruit en dagdromen over wat er niet allemaal mogelijk wordt. Robots die mensen worden. Maar we kunnen er ook vanuit een heel ander perspectief naar kijken. Dan nemen we niet de robot als uitgangspunt maar de mens. Dan is de vraag niet of robots mensen kunnen worden maar of mensen niet steeds meer op robots gaan lijken.  

Nemen we het overheidsbeleid als vertrekpunt. Een willekeurige wet of verordening begint doorgaans met een artikel met een aantal definities. Daarin wordt nauwkeurig omschreven wat “in de zin van deze regeling wordt verstaan onder ….”. Daarin legt de overheid vast hoe de wereld wordt bezien vanuit die regeling. Wat niet aan de definities voldoet is voor de overheid betekenisloos. Burgers die met plannen komen krijgen vaak te horen dat het een uitstekend plan is maar dat dit helaas niet past binnen de regeling. Men komt niet in aanmerking voor subsidie of men krijgt geen vergunning. Dat betekent vaak einde oefening. Want wat in regels is vastgelegd is wet, hoe briljant plannen ook zijn. Niet wat burgers bezighoudt is bepalend maar wat er ooit is besloten. Maar het gaat nog een stap verder. Niet alleen plannen van burgers moeten aan regels voldoen maar dat geldt ook voor de burgers zelf. We zijn er trots op dat we in een vrij land leven met volop ruimte voor eigen initiatief. Maar wie die ruimte wil benutten loopt vaak tegen de grenzen aan van regels.

Burgers zijn voor de overheid vooral van betekenis voor zover ze passen binnen de regels. Ze worden vaak niet tegemoet getreden als mensen met ideeën, gevoelens en een eigen bewustzijn maar ondergeschiktheid aan de regels staat voorop. En wanneer ze die regels overtreden krijgen ze te maken met de regels van het strafrecht. Wat we graag presenteren als een vrije en open samenleving is in menig opzicht strak gereguleerd kader. Reeds voordat je geboren wordt is al geregeld op welke leeftijd je alcohol mag kopen en waar je wel en niet mag roken. We zijn in wezen al voorgeprogrammeerd nog voordat we tot bewustzijn komen. We leven in een nauw gereguleerd kader met tal van geschreven en ongeschreven regels. Men heeft zich conform te gedragen en afwijkend gedrag wordt niet op prijs gesteld. Inspirerende voorstellen en plannen worden in ingewikkelde procedures van hun inspiratie ontdaan omdat ooit opgestelde regels het uiteindelijk altijd winnen. We herhalen liever het verleden in plaats van de toekomst te ontwerpen. Of we er ooit in slagen om van robots mensen te maken is niet zeker maar om van mensen robots te maken zijn we al een aardig stuk op weg.                 

Thieu Wagemans is Raadslid in de gemeente Leudal

*********************************************************************************

Op 26 november verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over integriteit in het openbaar bestuur. 

Juridisch is alles in orde

*******************************************************************************************************************


Op 12 november diende Ronduit Open een voorstel in voor een nieuw beleid met betrekking tot gemeenschapshuizen.

Gemeenschapshuizen als gemeentehuizen van de burgers 
*********************************************************************************

Op 5 november verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over de vraag of de overheid zelf wel in staat is om mee te werken aan het ontstaan van een participatiemaatschappij.

Kan de overheid wel participeren?
********************************************************************************
Op 17 september 2013 verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over burgerschap:

Sociale leegte

De afgelopen dagen is wederom de discussie actueel geworden over de vraag in hoeverre werklozen kunnen of moeten worden verplicht om arbeid te verrichten. Vaak wordt dan als voorbeeld genoemd dat het merkwaardig en onaanvaardbaar is dat mensen uit Oost-Europa hier komen werken terwijl tegelijkertijd veel mensen in ons eigen land zonder werk thuis zitten. In de tachtiger jaren werden uitgebreide discussies gevoerd over de vraag wat passende arbeid was en of iemand zomaar tot geheel ander werk kon worden verplicht. Overigens betrof dat niet enkel mensen zonder baan. Ook binnen organisaties werden taken met veel gevoel voor detail toegedeeld. Zelfs geringe wijzigingen vormden aanleiding voor juridische procedures omdat men op basis van bestaande rechten meende dat men niet zomaar tot ander werk kon worden verplicht. Er ontstond een uitgebreide jurisprudentie over de vraag wat passend was waarbij uiterst gedetailleerd en met veel gevoel voor nuance werd geredeneerd. Die tijd van uiterst nauwkeurige functiebeschrijvingen en daaraan verbonden rechten is voorbij. De houding is nu veel meer dat je moet doen wat aan de orde is. Flexibiliteit is uitgangspunt.

Wat opvalt is dat de discussie over inzet van mensen zonder baan doorgaans wordt gevoerd in een context van rechten en plichten. De Leuvense filosoof Antoon Vandevelde onderzocht jaren geleden het Nederlandse sociale stelsel en kwam tot de conclusie dat dit systeem nooit houdbaar kon zijn. Daarbij baseerde hij zich niet op financiële aspecten of juridische vragen rond rechten en plichten maar hij nam de sociale relatie tussen burger en overheid als uitgangspunt.  Hij stelde dat in het Nederlandse systeem van enige relatie tussen overheid en burger geen sprake is. Wie werkloos is heeft recht op een uitkering en wanneer betrokkene overlijdt stopt de uitkering. Het zal de overheid een zorg zijn. Sterker nog, door het overlijden nemen de overheidsuitgaven af. Je wordt als burger langs de meetlat van verordeningen en regels gelegd en krijgt te horen of je aan de regels voldoet of niet.  Anders gezegd, mensen worden door de overheid tegemoet getreden als regelbare objecten die wel of niet ergens recht op hebben en niet als burgers die onderdeel zijn van de samenleving en met wie je dus een betekenisvolle relatie moet onderhouden. Het systeem werkt splitsend. Voldoe je niet aan de criteria van de overheidsregelingen, dan besta je simpelweg niet. Voldoe je er wel aan dan krijg je een tegemoetkoming of een vergunning en daarmee is de zaak afgedaan.

Om daar verandering is te brengen is een andere vorm van burgerschap nodig waarin burgers primair worden beschouwd als dragers van de gemeenschap. Dat heeft ingrijpende gevolgen voor de overheid omdat die niet langer burgers regelend benadert maar oog en oor heeft voor wat mensen bezighoudt. Voor burgers betekent dit dat men het vanzelfsprekend gaan vinden dat men wordt geroepen om verantwoordelijkheid te dragen, ieder naar kennis, kunde en vermogen. Voor vrijblijvendheid is geen plaats meer. In dat opzicht zijn vrijwilligers die zich belangeloos inzetten voor de gemeenschap hun tijd reeds vooruit. 

Die ingrijpende verandering bereik je niet met warme Kerst- en Nieuwjaarstoespraken, hoe goedbedoeld ook. De eerste opgave ligt bij politieke partijen. Hebben die het lef kiezers te benaderen als verantwoordelijke burgers of  kiezen zij ervoor kiezers valse toekomstbeelden voor te houden in de hoop op stemmen, macht en aanzien? De tweede opgave ligt bij burgers. Hoe gemakkelijk laten die zich leiden door verhalen die mooi klinken maar die letterlijk te mooi zijn om ooit waar te worden? Verklaart dat niet waarom er al zolang veel zwevende kiezers zijn die zich teleurgesteld tonen omdat illusies niet worden gerealiseerd en daarom kiezen voor een andere partij en een nieuwe illusie?    

Thieu Wagemans is Raadslid voor Ronduit Open in Leudal 



Op 19 augustus 2013 verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over de spanning tussen Europese ambities en Europese illusies.

In augustus 2013 plaatste dagblad Trouw een opiniebijdrage onder de kop: Ook beschaafd land kent overheidsgeweld. Het is een reactie op een kritisch verhaal van Sebastien Valkenberg over de betekenis van de Franse filosoof Michel Foucault dat een week eerder, op 30 juli, in Trouw stond. 

Op 19 juni 2012 verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over hoe ons politieke systeem werkt onder de kop: De Politiek holt zichzelf uit.

Op 7 mei 2013 verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over de spanning tussen groei en duurzame ontwikkeling onder de grond onder de kop:

"Groeien naar de Afgrond".

In april 2013 verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over sociale verbanden in het netwerktijdperk onder de kop:

"Vluchtige Samenleving".


Op 19 februari 2013 verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over de nadelen van efficiency. De kop luidde: "Slecht beleid wordt niet beter door het efficient uit te voeren".

Op 11 januari 2013 verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over het functioneen van ons strafrechtsysteem:

Begin november 2012 verscheen een opiniebijdrage in de Limburger en Limburgs Dagblad

over het zelfreinigend (on)vermogen van systemen en organisaties: Meedenkers en Tegendenkers.


Begin oktober verscheen een opiniebijdrage in de Limburger en Limburgs Dagblad met als kop: Slachtoffers en Daders.

















-