Politieke systemen

 
Het functioneren van het politieke systeem is een van de meest actuele en meest beschreven onderwerpen. Vrijwel iedereen heeft er een opvatting over. In het algemeen zijn die opvattingen niet erg positief. In brede kring bestaat onvrede. Een van de symptomen daarvan is dat er een grote groep zwevende kiezers is. Nieuwe partijen komen op, mogen zich in een grote aanhang verheugen en lossen vervolgens ook weer op. Blijkbaar zijn velen het houvast kwijt. Nieuwe partijen bieden hoopvolle verwachtingen maar leveren uiteindelijk blijkbaar niet op waar men naar op zoek is. Partijen die van oudsher gevestigd zijn zien hun aanhang afnemen en proberen door interne herbezinning tot nieuwe profilering te komen.
 
Hoe dan ook, of een politiek systeem goed functioneert is van uitzonderlijk groot belang. Immers, ingrijpende veranderingen in andere systemen, denk aan zorg, onderwijs of kennis, zijn zonder politieke instemming ondenkbaar. Dat betekent dat een gebrekkig functionerend politiek systeem een belangrijke hinderpaal kan zijn bij het doorvoeren van noodzakelijke vernieuwing. Maar dat geldt evenzeer voor politieke systemen zelf. Ook al is de roep om vernieuwing groot, dat betekent nog niet dat systeemverandering daar automatisch op volgt. Ook politieke systemen zelf kunnen met een zekere hardnekkigheid gebreken in stand houden, telkens weer vernieuwing met de mond en in strategische nota’s bepleiten maar dat is geen garantie dat de noodzakelijke daden erop volgen.     
 
Wat moeten we ons voorstellen bij systeemproblemen in de politiek? Ik noem betrekkelijk willekeurig enkele punten. Een eerste punt betreft de inhoud van de politieke agenda. Van politieke partijen mag worden verwacht dat ze alert zijn op ontwikkelingen in de maatschappij, deze benoemen, tot onderdeel maken van het politieke debat en vervolgens besluiten nemen over de te volgen koers. Die functie is vooral belangrijk wanneer er sprake is van ingrijpende wijzigingen in de maatschappij. Die los je niet op door tarieven te veranderen, procedures te wijzigen of te kiezen voor een procentje meer of minder. Dan doe je geen recht aan de aard van de problemen. Stel dat je van mening bent dat de individualisering te ver is doorgeschoten en dat dit te zeer ten koste is gegaan van cohesie in de samenleving. Of dat burgers in de positie zijn gebracht dat ze problemen met gemak op het bordje van de overheid kunnen leggen. Dan zou het debat moeten gaan over de vraag of de toedeling van verantwoordelijkheden binnen de maatschappij aan herziening toe is. Of stel dat als gevolg van de financiële en economische crisis omvangrijke bezuinigingen noodzakelijk zijn met als gevolg dat werknemers in de sociale werkvoorziening dan hun baan verliezen. Dan is minstens aan de orde of we in onze maatschappij wel handig hebben georganiseerd dat diegenen die problemen veroorzaken daar ook de rekening voor moeten betalen. Mensen in de sociale werkvoorziening zijn doorgaans niet diegenen die ingewikkelde financiële constructies hebben bedacht die tot de financiële crisis hebben geleid. Dergelijke problemen nodigen uit c.q. dwingen ertoe ons te bezinnen op wat we van waarde vinden. En of we die waarden wel handig hebben uitgewerkt en georganiseerd. Maar in de politiek van alledag hebben waarden hun aantrekkingskracht verloren. Vragen van ideologische aard zijn de afgelopen 15 jaar uit het gezichtsveld verdwenen. Ideologie is uit. De grote verhalen hebben afgedaan, zoals het postmodernisme stelt. In plaats daarvan overheerst in de politiek het pragmatisme. Politiek is een kwestie van compromissen. Coalitievorming vindt plaats via onderhandeling. Partijen die vanuit een ideologisch gezichtspunt elkaars tegenpolen zijn blijken op het niveau van concrete standpunten belangrijke overeenkomsten te hebben. Gevolg is dat vraagstukken van ideologische aard worden “opgelost” door gehakketak over een procentje meer of minder.   
 
Een tweede aandachtsveld betreft de relatie tussen partijen en achterban. Vaak hebben partijen van oudsher stevige banden met belangenorganisaties. Denk aan de relatie tussen CDA en landbouw, tussen PvdA en vakbeweging of tussen VVD en werkgevers. Parlementsleden hebben vaak een historie binnen deze organisaties. Gevolg daarvan is dat bij standpuntbepaling de belangen van de achterban veel gewicht in de schaal leggen. Men probeert conflicten te vermijden omdat men daardoor de achterban van zich zou kunnen vervreemden. In tijden van ingrijpende vernieuwing kan dat echter een belangrijke hinderpaal zijn. De achterban, zeker als die goed georganiseerd is, kan een partij immobiliseren en verhinderen dat een nieuwe koers wordt ingeslagen. In een dergelijke situatie wordt de partij de gevangene van de eigen achterban. Uitkomst kan dan zijn dat vindingrijk wordt gezocht naar compromissen die verdedigbaar zijn naar de achterban maar juist daardoor de problemen in stand houden en op zijn best symptomen bestrijden. Men zoekt naar oplossingen die problemen in stand houden in plaats van ze op te lossen. Datzelfde doet zich voor wanneer een partij zich bij standpuntbepaling vooral laat leiden door de vraag hoe voorstellen "vallen". Nauwlettend worden de wekelijkse polls gevolgd omdat die aangeven wat aanvaardbaar wordt geacht door burgers. Het komt erop neer dat partijen niet meer vanuit zichzelf in de wereld staan maar zich in een afhankelijke positie brengen.

Een derde punt betreft het feit dat de bewegingsruimte voor individuele Kamerleden of Raadsleden beperkt is. "Eigen" ministers en wethouders moeten worden beschermd. Fractiediscipline is voorgeschreven en afwijkend stemgedrag wordt niet op prijs gesteld. Bovendien is uitoefening van politieke functies omgeven door een uitgebreid stelsel van formele en informele regels. Men oefent zijn functie gedresseerd uit wat niet bepaald uitnodigt om met ingrijpende vernieuwing te komen.

Nu zou men kunnen tegenwerpen dat we een open samenleving hebben en dat de pers zeer wel in staat moet worden geacht om onderliggende overwegingen bloot te leggen. Echter, uitzonderingen daargelaten beschikt de pers over grote vaardigheden om de meest onnozele voorvallen tot nieuws te verheffen. Incidenten, versprekingen en aanvaringen tussen personen worden gebracht als nieuws en beheersen dagenlang de discussieprogramma' s. Daarentegen is er weinig aandacht om maatschappelijke veranderingen in beeld te brengen en aansluitend het hieruit voortkomend huiswerk voor de politiek te benoemen.