Een andere kijk op orde en chaos
Deel 4: Collectief bewustzijn en veranderingsprocessen

Civis Mundi Digitaal #99

door Mathieu Wagemans


In Deel I en II maakten we een beschouwende analyse van de moderniteit en benoemden we een aantal systeemgebreken. Deel III was gewijd aan de veranderingsopgave waar we voor staan. In dit Deel IV gaan we in op het veranderingsproces. We geven daarbij aandacht aan begrippen als betekenisgeving en bewustzijn. Bij processen van betekenisgeving maken we een onderscheid tussen het individuele en het collectieve niveau. In Deel IV richten we ons op hoe processen van betekenisgeving op collectief niveau verlopen. We staan stil bij wegen waarlangs definities kunnen institutionaliseren. In Deel V staat het individuele niveau centraal; de positie en rol van het individu in en bij ingrijpende veranderingsprocessen.

De stap naar een ander wereldbeeld

Er is een breed levend besef dat we toe zijn aan een ander wereldbeeld. De overtuiging wordt intussen in grote kring gedeeld dat we niet kunnen volstaan met aanpassingen binnen het bestaande systeem van ordening en dat we op zoek moeten naar een nieuw fundament. Er wordt gepleit voor een tweede Verlichting. De eerste Verlichting bevrijdde de mens van afhankelijkheden die hij als vanzelfsprekend en dwingend ervoer. De mens kwam vanuit een onafhankelijke relatie tot de werkelijkheid te staan. Maar die vrijheid is weer ingeleverd voor nieuwe afhankelijkheden. Het betekeniskader van de moderniteit heeft ons in zijn greep gekregen. Kenbaarheid en maakbaarheid zijn uitgangspunt en het wereldbeeld van de moderniteit is daarop gegrondvest. We hebben de wereld aangepast aan de eisen van de technologie.

De tweede Verlichting is erop gericht dat we ons aan dat regime onttrekken. Dat houdt in dat we de regie weer in eigen hand nemen en niet langer pion zijn in veranderingsprocessen die met zichzelf aan de haal zijn gegaan. Dat is een lastige opgave, alleen al omdat we het betekeniskader van de moderniteit in sterke mate hebben geïnstitutionaliseerd. We zitten er stevig aan vast. We houden de problemen als het ware georganiseerd in stand. Dat betekeniskader heeft op tal van terreinen vooruitgang gebracht maar is aan vervanging toe omdat het eenzijdig is gericht op steeds verdere rationalisatie met verwaarlozing van wat niet rationeel is maar wel betekenisvol. Belangrijke waarden op ecologisch en sociaal-cultureel gebied staan onder druk en dreigen steeds verder te worden gemarginaliseerd. Nog meer moderniteit kan ons niet helpen maar de problemen eerder nog verder vergroten. Het betekeniskader van de moderniteit heeft echter nog weinig aan dwingende invloed verloren. We hebben dat betekeniskader krachtig geïnstitutionaliseerd zodat we de problemen als het ware georganiseerd in stand houden. Wij hebben de wereld gemodelleerd naar de uitgangspunten en eisen van de moderniteit. Dat wereldbeeld van de moderniteit hebben we geïnternaliseerd. We gedragen ons ernaar. De daarop gebaseerde routines ervaren we als vanzelfsprekend. We staan er nauwelijks bij stil. We zijn als het ware voorgeprogrammeerd en kunnen ons er moeilijk van losmaken. De krachten om een voorgeprogrammeerd leven te leiden zijn sterk.

Kenmerken van die voorprogrammering zijn het eenheidsdenken en de daaruit voortvloeiende drang en dwang tot uniformering zoals we zagen in Deel I. Standaardisatie en harmonisatie waren nodig om goed de voordelen van technologie te kunnen benutten. En dus moest de werkelijkheid worden aangepast aan de eisen van de technologie. Maar niet alleen de technologie was oorzaak. In de overheidssfeer zag je vergelijkbare processen. We vinden het belangrijk dat burgers door de overheid gelijk worden behandeld, ook al kan hun situatie erg verschillen. Regels dienen voor iedereen te gelden. Dat heeft geleid tot een regelsysteem dat harmoniserend werkt. De mensen zijn niet gelijk maar voor de toepassing van regels construeren we een werkelijkheid waarin we de ambitie van gelijkheid overeind kunnen houden. En vervolgens worden we alsmaar gedwongen om onze formele constructie van de werkelijkheid aan te passen. We specificeren definities en verbijzonderen procedures, allemaal nodig omdat we onze illusie van maakbaarheid niet willen opgeven. De overheid wordt zo een bron van vervreemding waarbij pogingen om de vervreemding op te lossen uitmonden in steeds meer vervreemding.

Kort en goed, om gebruik te maken van de voordelen van de moderniteit was harmonisatie en standaardisatie nodig. Tegelijkertijd heeft de mens een toenemende behoefte om zich te ontwikkelen als individu. Dat vraagt ruimte en variatie en staat haaks op harmonisering. Er is sprake van een spanning tussen enerzijds een in economisch opzicht welvarend leven en een rijk leven in termen van een betekenisvol leven. Het opgeven van economische welvaart is echter lastig, gehecht als we zijn aan het wereldbeeld van de moderniteit. Het vraagt opoffering in materieel opzicht om ruimte te scheppen voor het niet-materiele, voor het betekenisvolle. Die ruimte, zo is een groeiende overtuiging, vinden we niet in de op materie gerichte wereld buiten onszelf. Onthechting van het materiële vraagt een verandering in onszelf zoals we in Deel V zullen zien.

De overstap naar een ander wereldbeeld is dus niet eenvoudig. We kunnen daarbij niet terugvallen op gebruikelijke processen vanuit een rationeel en instrumenteel perspectief. Toch is dat de gebruikelijke benadering van de instrumentele rationaliteit. We analyseren problemen en formuleren een gewenst beeld van de werkelijkheid. Vervolgens stellen we een plan op waarin we doelen en tussendoelen formuleren. We besluiten welke middelen we nodig hebben en we maken afspraken over wie wat moet doen. We onderscheiden in een logische volgorde een aantal stappen die we vervolgens uitvoeren. Tussentijds evalueren we om te kijken of we op het goede pad zitten. Veranderbaarheid is vanzelfsprekend en is voorondersteld. Nu leert de ervaring ook dat planning geen garantie geeft dat we de gewenste veranderingen ook daadwerkelijk kunnen realiseren. De werkelijkheid blijkt vaak wat ingewikkelder dan vooraf gedacht. De werkelijkheid gedraagt zich niet lineair en blijkt weerbarstig te zijn. De ervaring dat veranderen niet zo eenvoudig is, heeft de laatste decennia geleid tot niet-rationele benaderingen. Zeker wanneer we voor ingrijpende veranderingen staan kunnen we lang niet altijd vertrouwen op vooraf bedachte mechanismen. Veranderen was vaak een kwestie van door- en aanmodderen, van muddling through zoals Lindblom vijftig jaar geleden stelde.

De overtuiging groeide dat mensen moeten meebewegen. Er kwam steeds meer aandacht voor de betekenis van draagvlak en hoe dat kon worden bereikt. Open communicatie is belangrijk. We moeten mensen “meenemen” in het proces. Dat betekent voortdurende interactie. Verandering moet als het ware een construct worden van alle betrokkenen. Maar ook dergelijke zonder twijfel goedbedoelde aanpassingen zijn niet altijd succesvol. Draagvlak krijg je niet door slimme manipulatie met behulp van goed doordachte argumenten. Dat blijf je zitten in een context van belangen. Je probeert anderen van de noodzaak van verandering te overtuigen. Uitgangspunt is dan dat verandering lukt wanneer betrokkenen er het voordeel van inzien.

Wat kunnen we leren van de processen van modernisering?

Alvorens aandacht te geven aan wat nodig is en in te gaan op processen van bewustzijnsverruiming en bewustzijnsverdieping lijkt de vraag relevant wat we van het verleden kunnen leren. Het loont om inzicht te krijgen in hoe het wereldbeeld van de moderniteit dominant kon worden en bezit van ons heeft genomen. Hoe konden we mentaal voorgeprogrammeerd raken zodat vanzelfsprekendheden ons denken en doen gingen beheersen?

Interessant is in dat verband kennis te nemen van de filosofie van Foucault. Die stelt dat processen van disciplinering bezit van ons kunnen nemen zonder dat we ons daarvan bewust zijn. Er ontstaan routines die we als vanzelfsprekend ervaren en die dus geen kritische beschouwing vragen. Wat vanzelf spreekt houdt zichzelf nu eenmaal in stand. We hebben onszelf vastgekluisterd aan patronen. We kunnen ons weliswaar bewust zijn van de eindigheid van de paden die we betreden maar verandering is geen optie. Dan stort onze schijnwereld in elkaar. In plaats daarvan houden we liever illusies in stand. Door vast te houden aan achterhaalde zekerheden kunnen we ons onttrekken aan de noodzaak tot ingrijpende verandering en aan het construeren van nieuwe zekerheden. En wellicht aan een wereldbeeld waarin we definitief afscheid moeten nemen van zekerheden.

Processen van disciplinering verlopen niet lineair maar er is sprake van vaak verfijnde mechanismen. Als voorbeeld de technologische vooruitgang. We hebben veel te danken aan nieuwe technologie maar de technologie vroeg daar een prijs voor. Ongemerkt zijn de verhoudingen omgekeerd. Technologie als instrument werd regisseur. De technologie is gaandeweg met ons op de loop gegaan. Dat kon gebeuren omdat we de techniek als een hulpmiddel zagen, een instrument. Maar dat instrument was geen dood instrument. Het had manipulerend vermogen. Manipulerend als term is hier bewust gekozen. Wat de techniek met ons denken en doen doet is vaak impliciet. Technologie oefent kracht uit maar het is een verborgen kracht die juist daardoor krachtig kan zijn. De impact ervan kan doorwoekeren, juist omdat we ons er niet goed van bewust zijn. Het beeld is vaak dat slechts hiërarchie en regels ons dirigeren en programmeren maar de techniek doet zijn werk ongemerkt en is daardoor gevaarlijker dan hiërarchie. Vergelijk de Nieuwe Actor Theorie van Latour. Die houdt in dat ook objecten werking kunnen hebben. Dat lijkt op het eerste gezicht wellicht een merkwaardige opvatting omdat we geneigd zijn een technisch hulpmiddel op te vatten als dode materie. Nog een stap verder is wanneer we technologie te hulp roepen als oplossing voor problemen die door de technologie worden veroorzaakt. Mestoverschotten in de intensieve veehouderij worden bijvoorbeeld vanuit de landbouw niet opgevat als systeemprobleem van een te ver doorgevoerde intensivering maar er is een onwrikbaar vertrouwen dat nieuwe technologie op het terrein van mestverwerking het probleem zal oplossen. Kortom, door te blijven vettrouwen op technologie kunnen we moeilijke vragen uit de weg gaan.      

Zo verandert de werkelijkheid ongemerkt in een technologisch gedreven werkelijkheid. Die is voor ons vanzelfsprekend geworden waarbij we ons niet meer goed realiseren wat de impact ervan is. De consequentie is dat we ons als mens in een werkelijkheid hebben geplaatst waarin we zelf instrument van de techniek zijn geworden in plaats van omgekeerd. Dat is een ingrijpende verarming van ons menszijn. Ons betekeniskader worde gedomineerd door de techniek. We passen ons aan opdat we de mogelijkheden van de techniek kunnen benutten. We passen niet alleen de condities aan maar ook onszelf. Techniek wordt vanzelfsprekend en dus ook de condities waaronder de techniek kan worden toegepast. Dat is eigen aan het betekeniskader van de moderniteit. We zijn ons er niet goed van bewust.

De voordelen van de techniek worden door ons zo sterk gewaardeerd en zijn met ander woorden zo betekenisvol dat de nadelen ervan niet de kracht hebben ons ervan bewust te maken. Gemak en genot staan voorop. Het leidt tot een cultuur van oppervlakkigheid, wellicht niet als keuze maar toch zeker als uitkomst van mentale programmeringsprocessen die ongemerkt hun kracht uitoefenen en werking hebben. Er is sprake van een paradox is. Door onze kennis en technologie zijn we in staat gebleken tot beïnvloeding van de werkelijkheid maar de prijs daarvoor is dat we ons ondergeschikt moesten maken aan de krachten die ons tot die beïnvloeding in staat stelden. Techniek als bron van vervreemding.

Het rationele en instrumentele denkkader heeft zo een nieuwe werkelijkheid geconstrueerd. In die werkelijkheid gelden andere wetten en regels dan in de dagelijkse praktijk en hoe we die ervaren. Interventies die zijn bedoeld om problemen aan te pakken hebben wellicht werking binnen die op rationaliteit gebaseerde werkelijkheid maar niet binnen de werkelijkheid zoals we die zelf dagelijks ervaren. Door interventies blijven de verschillen in stand. Vergelijk het beeld van een rizoom bij Deleuze. We schoffelen het onkruid weg zodra dit zich boven de grond vertoont maar het ondergrondse worstelstelsel blijft onaangetast. We repareren een afwijkend en gemankeerd beeld van de werkelijkheid met interventies die de onderliggende problemen onaangetast laten. Wanneer rationaliteit het probleem is helpt nog meer van eenzelfde rationaliteit niet om dat probleem op te lossen. Het rationaliteitsbegrip zelf is aan verandering toe. Zolang we bestaande concepten van rationaliteit overeind houden, belemmeren we onszelf om de overstap te maken naar de constructie van een nieuwe werkelijkheid. Weliswaar heeft ook die nieuwe werkelijkheid het karakter van een afbeelding maar het is een afbeelding die we ervaren als betekenisvoller en die dus dichter bij onze beleving ligt.

Naar een ander wereldbeeld

Die overstap naar een nieuw wereldbeeld is dus lastig. We vinden die verandering niet wanneer we binnen het thans geldende formele betekeniskader blijven. Een verwijzing ligt voor de hand naar de veel geciteerde uitspraak van Einstein die stelt dat we problemen niet oplossen met behulp van en binnen de kaders die de problemen hebben veroorzaakt. We moeten de ruimte daarbuiten verkennen. Dat kan niet binnen bestaande institutionele kaders omdat die uitdrukking vormen van bestaande betekeniskader. Maar daarbuiten treden is lastig. We zijn zo druk binnen het wereldbeeld van de moderniteit dat we nauwelijks tijd hebben voor een moment van bezinning. We zitten vast aan betekeniskader. We zijn gewikkeld in een strijd om te overleven. De weg die we kiezen is de weg van het economisch model. Er moet groei zijn. Zonder groei geen continuïteit. Maar met deze vorm van groei vergroten we het probleem zonder dat we ons ervan bewust zijn. Dat is zeldzaam sprekend in beeld gebracht door Francisco Goya.

Het is het beeld van twee mannen die met knuppels een conflict uitvechten. Ze staan reeds tot hun knieën in het drijfzand en met iedere slag die ze elkaar toebrengen zinken ze dieper weg. Michel Serres zegt hiervan dat ze door het gevecht toewerken naar hun eigen gezamenlijke begrafenis in het drijfzand. Het schilderij illustreert hoe we zo druk bezig kunnen zijn met oplossing van problemen dat we geen besef meer hebben van de context waarin we leven. Zo is het ook met ons huidige systeem. We willen groei en met ieder stap voorwaarts vergroten we het eigen probleem. Ieder stap voorwaarts brengt ons dichter bij de afgrond. We willen wellicht graag anders maar lopen voortdurend het risico symptomen te bestrijden omdat we vastzitten aan denk- en handelingspatronen die ons doen en laten bepalen. Het betekeniskader van de moderniteit dwingt steeds weer stappen te zetten in de verkeerde richting. Om een ander beeld te gebruiken, het is alsof de opvarenden op een zinkend schip bereid zijn hun eigen zwemvest te verkopen en zo (nog) meer geld te kunnen verdienen. De hebzucht wint het van de drang tot overleven.

De overtuiging leeft breed dat de noodzakelijke verandering van ons vraagt dat we ons bewustzijn verbreden en verdiepen. We moeten ons bewust worden van de noodzaak de overstap te maken naar een nieuw wereldbeeld. Dat houdt in dat we onze eigen routines en vanzelfsprekendheden tegen het licht houden en ons gaan realiseren dat die het bestaande wereldbeeld in stand houden. De signalen voor een dergelijke overgang zijn er al langer. Desmet wijst bijvoorbeeld op het exponentieel groeiend gebruik van psychofarmaca en het epidemisch karakter van de diagnose burn-out. Kennelijk is er iets mis met de mogelijkheid voor mensen binnen het betekeniskader van de moderniteit een betekenisvol leven te leiden. Materiele welvaart is geen garantie voor een leven dat men als betekenisvol ervaart.

Een ander wereldbeeld betekent dat we anders naar de wereld kijken. We moeten ons bewust worden van de negatieve effecten en van de noodzaak van ingrijpende verandering. Ook moeten we ons gaan realiseren dat een ander wereldbeeld een andere opstelling vraagt van onszelf. We moeten ons gaan verhouden tot een andere werkelijkheid. Dat betekent ook dat we ons zelfbeeld moeten veranderen. We gaan eerst in op betekenisgeving. Aansluitend komt het bewustzijn aan de orde.

Processen van betekenisgeving

We geven betekenis aan de werkelijkheid maar hoe ontstaan betekenissen? Hoe verloopt ons denken? Hoe verlopen processen van betekenisgeving? We kunnen verwijzen naar onze opvoeding en opleiding waarin we ons begrippen eigen maken of voorgeschreven krijgen. Maar het proces zelf is, Deleuze volgend, een tamelijk wanordelijk en onvoorspelbaar proces. We kunnen het proces rationaliseren maar die rationalisatie is een constructie achteraf. Het werkelijke proces zelf is een proces van associaties, begrippen, gedachteflitsen, intuïties en invallen. De betekenis die we toekennen aan de werkelijkheid vinden we niet in de werkelijkheid maar die zit in onszelf zoals we in Deel I stelden. Dat proces van betekenisvorming wordt op tal van manieren door externe krachten beïnvloed maar we hanteren als vooronderstelling dat wij het uiteindelijk zelf zijn die tot betekenisgeving komen. Evenmin als bij ons gevoelsleven kunnen we rationeel op het spoor komen waarvan het wezen irrationeel is. We kunnen boosheid rationeel en analytisch ontleden in fasen van ontstaan en in niveaus van intensiteit maar daarmee dringen we niet door tot het wezen van boosheid. We geven dan slechts aandacht aan uitingsvormen van boosheid.

Relevant is verder dat we betekenisgeving hebben geïnstitutionaliseerd. We hebben als het ware de regie erover overgedragen aan instituties. Dat betekent de meest krachtige verankering van processen die denkbaar is. En juist dat maakt de verandering lastig. Institutionalisering betekent dat de krachten van instandhouding en repetitie sterk zijn. In plaats daarvan is creativiteit nodig en creativiteit doet een beroep op voorstellingsvermogen, denken buiten bestaande kaders. We hebben nieuwe concepten nodig om ons een betekenisvolle werkelijkheid voor te stellen. Dat is een werkelijkheid waarin betekenissen door elkaar dwarrelen en op onvoorspelbare momenten en onder onvoorspelbare condities condenseren in betekeniskaders of juist, integendeel, onderlinge bindingen verliezen. Het vraagt ook dat we thans dominante denkkaders zoals lineaire oorzaak-gevolg-relaties minder gewicht geven en open staan voor heel andere relatievormen. Datzelfde geldt voor onze neiging om redenerend tegemoet te treden wat niet beredeneerbaar is. In het wereldbeeld van de moderniteit staat de ratio centraal maar voor verandering moeten we oog krijgen voor het irrationele, voor wat zich niet laat kennen via redeneerlijnen. We hebben nieuwe verhalen nodig, zowel om onze praktijken te kunnen begrijpen als om nieuwe vergezichten te kunnen construeren.

Hoe ziet het wereldbeeld eruit vanuit het perspectief van bewustzijn en bewustwording?

Eerder beschreef ik de werkelijkheid met ruimtelijke begrippen. (Wagemans, 2019). Het is een wereldbeeld waarin betekenissen met duizelingwekkende snelheden door en naast elkaar bewegen, voortdurend verbindingen aangaan en verbindingen ontbinden. We kunnen ons denken niet goed ordenen. Gedachten flitsen door ons hoofd. Wanneer we met nieuwe situaties te maken krijgen zoeken we naar ordening. Wat betekent het? Of beter gezegd, welke betekenis moeten we eraan toekennen? Betekeniskaders die hun betekenis verliezen, uitdoven als het ware. Tegelijkertijd het ontstaan van nieuwe betekeniskaders. Die kunnen een tijdelijk karakter hebben maar ze kunnen ook winnen aan zwaarte, aan energie, omdat ze onomstreden worden geacht in de beleving van velen. Ze kunnen zoveel aan zwaarte winnen dat ze geïnstitutionaliseerd raken. De onderliggende betekenissen worden niet meer bewust beleefd maar vanzelfsprekend geacht.

Het is een beeld van de werkelijkheid waarin beelden van de werkelijkheid permanent door elkaar bewegen. Beelden vat ik daarbij op als betekenisconstructies. Ze hebben naar buiten toe een waarneembare verschijningsvorm maar ze hebben ook een binnenkant die betrekking heeft op de interne dynamiek. Die binnenkant omvat het discours, het complex van uitgangspunten vooronderstellingen en vanzelfsprekendheden die de interne communicatie beheersen. Vorm en taligheid zijn in elkaar vervlochten. Ze kunnen een korte levensduur hebben maar ze kunnen ook stevigheid krijgen doordat beelden door velen worden gedeeld. Of die zoveel aantrekkingskracht hebben dat ze niet langer onderwerp van discussie zijn maar drager worden van steeds meer energie. De beelden verharden. Ze worden materie. Samen met andere beelden vormen ze een overkoepelend perspectief op de werkelijkheid. Er ontstaan verbindingen tussen afzonderlijke definities. Ze gaan een betekeniskader vormen. Dat is een belangrijke stap. Zo belangrijk zelfs dat Polanyi stelde: “All particulars become meaningless if we lose sight of the pattern which they jointly constitute”. Ze vallen niet samen met de werkelijkheid maar het perspectief blijft een afbeelding. Dat een perspectief wordt omarmd als vanzelfsprekend doet daar niet aan af.

Een vergelijking ligt voor de hand van het materiebeeld in de fysica. Mogelijke definities die als gedachteflitsen opkomen en onmiddellijk worden verworpen zijn als moleculen in een gas. Er is sprake van grote beweeglijkheid en vluchtigheid zonder er structuren zijn te onderkennen. Definities c.q. betekenisconstructies kunnen zwaarte krijgen omdat we ze relevant vinden en door anderen worden gedeeld. Ze worden zwaar door de betekenis die we eraan toekennen. Ze worden geladen met energie. Ze verdichten. Er ontstaat enige structuur. Nog een stap verder is wanneer definities alsmaar breder worden gedeeld. De verdichting neemt toe. Gas gaat over in vloeistof. Neemt de zwaarte nog verder toe doordat definities de status van vanzelfsprekendheid krijgen, dan wordt de zwaarte zo groot dat er vaste materie ontstaat. Definities worden vanzelfsprekend. Ze vormen geen onderwerp meer van beschouwing, juist omdat ze breed en krachtig zijn aanvaard. Denk bijvoorbeeld aan definities zoals die in wetten zijn vastgelegd. En deze materie kan nog verder verharden. Er kan sprake zijn van verstening in dogmatische en rigide denkkaders. Voorstellen voor verandering slaan dan stuk op de klippen van onze vanzelfsprekendheden.

De overgang van gedachteflitsen naar geïnstitutionaliseerde betekenissen, van gas naar materie, is slechts te begrijpen door nader te kijken naar onze processen van betekenisgeving. Welke krachten zijn daarop van invloed? In de praktijk van alledag zijn tal van processen waarneembaar die onderling sterk kunnen verschillen. We kennen allemaal de ervaring dat mensen die getuigen zijn van een aanrijding van een fietser door een auto een uiteenlopende beschrijving ervan geven. De een zal de kleur van de auto vermelden, de ander zal rapporteren over de schuld of onschuld van de chauffeur. Weer een ander zal de nadruk leggen op de onveiligheid van het kruispunt waar al zo aak ongelukken zijn gebeurd. Of op het wel of niet snel ter plaatse zijn van de politie. Vergelijk de film Rashomon waarin geheel verschillende beschrijvingen worden gegeven van een misdrijf dat zou hebben plaatsgevonden.

Een ander punt is dat het nogal verschil kan maken wie de constructeur van een definitie of een beeld is. Een opvatting tijdens een verjaardagsfeest heeft een andere zwaarte dan wanneer die tijdens een zitting van de strafrechter wordt geuit. Het verschil kunnen we duiden in termen van de consequenties die een definitie heeft. Die is sterk afhankelijk van de omstandigheden en context waarin die wordt geuit. Neem bijvoorbeeld de rol van de pers. De pers als betekeniscreator. Het maakt nogal verschil voor de zwaarte van een definitie of van een beeld wanneer dat door een individu word beleefd of dat het beeld de voorpagina haalt. Zo beschouwd beschikt de pers over veel vermogen om betekenissen te doen condenseren. De beelden krijgen zwaarte. De pers als condensator van betekenissen.

Een ander voorbeeld is de politiek waar men elkaar graag en stevig vastpint op ooit eerder geuite definities. Verandering van standpunt kan dan gemakkelijk worden opgevat als een gebrek aan standvastigheid. In de reclamewereld zien we dat het leggen van associaties krachtige werking kan hebben. Een product wordt gekoppeld aan een kwaliteitsbeeld. Het beeld van aantrekkelijkheid. Bij een reclamefilm voor koffie zie je nooit gezinsleden die op de achtergrond een hevig conflict uitvechten. De context versterkt de boodschap. Beelden kunnen vervolgens onderdeel van systemen worden waardoor ze vanzelfsprekende invloed krijgen. Beelden krijgen het karakter van instituties. Ze hebben werking omdat er gevolgen aan worden verbonden. De overheid en de rechtspraak zijn zo beschouwd creator van geïnstitutionaliseerde betekenisconstructies. Objecten als geobjectiveerde subjectiviteit.  

De rol van collectief bewustzijn bij systeemverandering

Ons betekeniskader kan worden opgevat als het resultaat van zowel collectief aangereikte c.q. opgelegde betekenissen als individuele constructies. Dat onderscheid is belangrijk. Het raakt aan de vraag in hoeverre we vrij zijn ons eigen wereldbeeld te vormen dan wel die vrijheid (moeten) inleveren omdat we gehouden zijn aan betekenissen die in een samenleving dominant zijn. In welke mate kunnen we onszelf worden en in welke mate is er sprake van processen van dressering waardoor we worden voorgeprogrammeerd? En hoe kunnen we ons aan collectieve dressuur onttrekken?        

Nu lijkt het erop dat we in onze vrije samenleving waarin vrijheid van meningsvorming een groot goed is, vrij zijn om onze eigen weg te gaan. Maar dat is bij nadere beschouwing allerminst vanzelfsprekend. De krachten van collectivisering en harmonisering zijn sterk. Er gelden ordeningen in termen van betekenisgeving die we niet kunnen ontkennen. We worden geboren in een wereld inclusief de daarin geldende programmatuur. De werkelijkheid is al voorgeprogrammeerd. We worden gedresseerd zonder dat we ons dat realiseren. Wie bijvoorbeeld raadslid wordt, merkt hoe zeer het binnen het openbaar bestuur geldende betekeniskader dwingend is. Procedures en protocollen beperken de vrijheid van meningsuiting. Dressering raakt ook raadsleden. Je hebt je te gedragen binnen gedetailleerd uitgewerkte regels, gedragspatronen en informele normen die minstens zo dwingend kunnen zijn.

Hetzelfde geldt voor het rationeel-economisch en technologisch gekleurd betekeniskader dat dominant is binnen de moderniteit. Het economische weegt zwaar. Hoe het met een samenleving gaat, wordt in onze beeldvorming voor een belangrijk deel bepaald door economische maatstaven. Denk aan het bruto-nationaal product, de verhouding tussen import en export, de stijging van de productiviteit, de werkgelegenheid en de inflatie. Het economisch-technologisch perspectief is dominant en zonder dat we ons dat realiseren zijn we gevormd door dit betekeniskader. Het was bedoeld om ons te bevrijden maar heeft bezit van ons genomen. Zie Morin die waarschuwt voor processen waardoor ideeën ons kunnen gaan beheersen.

Verandering van wereldbeeld vraagt andere praktijken. Door onze praktijken en de daaraan ten grondslag liggende waarden bevestigen we het bestaande wereldbeeld steeds weer. We zijn ongemerkt afhankelijk geworden van onze praktijken. We willen wellicht graag anders maar we zitten aan onze praktijken vast. We willen duurzaamheid maar de krachten zijn gericht op bevestiging en herhaling van het bestaande systeem. Dat heeft gevolgen voor de vraag hoe we tot de noodzakelijke verandering kunnen komen. Hoe moet je de systeemkrachten doorbreken? Er is een groeiend besef dat systeemverandering individueel moet beginnen. We willen de overstap maken naar een ander systeem maar de tegenkrachten zijn sterk. De verandering moet dus plaatsvinden ondanks het bestaande systeem. Bovendien ligt er niet een uitgewerkt plan voor een nieuw systeem. Dat moet nog worden geconstrueerd en op uitvoerbaarheid getest. We kunnen dus een sterke motivatie voor verandering hebben zonder dat er sprake is van een uitgewerkt einddoel. We komen later terug op het onderscheid tussen veranderingsprocessen binnen systemen en processen en systeemverandering en op de daarvoor noodzakelijke procescondities. Hier is van belang dat een andere oriëntatie nodig is. Die moet individueel beginnen. We moeten de noodzaak van verandering individueel doorleven. Het vraagt overtuiging en kracht om de verandering in gang te zetten en vooral ook vol te houden.

Van Egmond benadrukt dat we ons de verandering zelf moeten eigen maken. Dat betekent dat we de collectieve krachten die tot harmonisatie dwingen moeten weerstaan. We moeten onszelf transformeren van geprogrammeerd object naar subject dat zich bewust wordt van zijn eigenheid en zijn denken en handelen in overeenstemming wil brengen met het beeld dat hij zich van zichzelf heeft gevormd. Om ingrijpende processen van verandering te doorstaan is een sterke en diep verankerde overtuiging en motivering nodig. Een ander wereldbeeld betekent dat we onszelf opnieuw moeten programmeren en positioneren binnen dat nieuwe wereldbeeld. Wat vraagt het van ons? En zijn we tot die inzet bereid? Zoals Oosterling stelt:

“Problemen adresseren in het aangezicht van gezagsdragers en dwarse waarheden verkondigen ten overstaan van waarheidsdragers is niet de favoriete bezigheid van mensen die van hen afhankelijk zijn.”   

Afstand nemen van het wereldbeeld dat in de moderniteit centraal staat is dus geen eenvoudige opgave. Het betekeniskader van de moderniteit is krachtig en laat zich niet gemakkelijk opzij drukken. De moderne mens is gewend het leven te leiden dat van hem wordt verwacht. Er ligt vaak geen bewuste keuze aan ten grondslag. Dressering gaat vanzelf. Die informele krachten kunnen minstens zo sterk zijn als de formele regels en wetten. Die kun je nog proberen te ontwijken. Maar afwijken van informele regels en vanzelfsprekendheden is niet aantrekkelijk. Je hebt je te gedragen. Er is sprake van een paradox. De moderniteit was gebaseerd op de Verlichting waarin niet langer wereldlijke en kerkelijke machten bepalend waren. Maar de moderniteit heeft geresulteerd in een wereldbeeld dat eveneens stevige beperkingen kent op het vlak van ruimte voor eigen ontwikkeling. Er zijn stevige verwachtingen over hoe je je hebt te gedragen. Het complex van technologie en economie heeft ons als subjecten getransformeerd tot objecten die met de stroom meedrijven. Verandering van wereldbeeld houdt in dat we verworvenheden moeten prijsgeven die we koesteren. Luxe heeft zo zijn voordelen. Verandering van wereldbeeld en afwijken van het geldende wereldbeeld vraagt een stevige prijs. De moderniteit heeft bezit van ons genomen. Naarmate het harmonische sterker wordt beleefd is afwijken ervan lastiger. De structuren zijn dwingend en tegelijkertijd krijgen we er moeilijk vat op omdat ze impliciet zijn. We zijn ons maar zeer gedeeltelijk bewust van onze eigen positie in de werkelijkheid van de moderniteit. We zijn onbewust voorgeprogrammeerd het leven te leven dat past binnen de stijlen van de moderniteit. We komen vanwege het impliciete karakter niet aan onszelf toe. We realiseren ons niet de krachten van de mentale programmering. Gebruik van algoritmen kan bijvoorbeeld tot consequentie hebben dat bestaande praktijken worden gecodeerd en programmatische werking krijgen. In zijn uiterste consequentie worden we voorgeprogrammeerd te herhalen wat we in het verleden deden.

Nu kan dat gemakkelijk het beeld oproepen dat we betrekkelijk willoos het betekeniskader van de moderniteit aanvaarden. Dat beeld behoeft nuancering. Een tweetal voorbeelden als toelichting. In Deel I stelden we dat er tussen het formele betekeniskader van de overheid en de werkelijkheid zoals die door burgers wordt beleefd aanmerkelijke verschillen kunnen bestaan. Maar we stelden ook dat de grens tussen beide doorlaatbaar is. Via herformulering en manipulatie van betekenisgeving proberen burgers hun wensen en zorgen zodanig te presenteren dat ze in aanmerking komen voor subsidies of belastingheffing en strafoplegging kunnen ontgaan. Een tweede voorbeeld is organisatiekundig van aard. Binnen een bureaucratische organisatie is macht onbespreekbaar. Wie baas is bakt nu eenmaal koek. Werkweigering betekent al gauw het einde van een dienstverband. Onderzoek binnen een dienstonderdeel van het Nederlandse Ministerie van Landbouw toonde mechanismen waarbij de formele machtsverdeling symbolisch werd bevestigd waardoor de top van de organisatie geen reden had zich met de uitvoering te bemoeien. Dat gaf vervolgens medewerkers de ruimte om hun eigen voorkeuren te volgen, ook als zij daarmee in strijd handelden met formele richtlijnen. De spanning die dat opleverde binnen de formele structuren werd “opgelost” doordat men de indruk wekte dat men deed wat men werd verondersteld te doen. Men gaf geen aanleiding aan de top van het Ministerie om te interveniëren. Juist daardoor had men in de praktijk de ruimte om de eigen overtuigingen en voorkeuren te volgen. Naast het formele lineaire bureaucratische model was sprake van een tweede machtsverdeling waarin men zelf bepaalde hoe men het werk uitvoerde, ook als dat in strijd was met formele regels. De symbolische bevestiging had als doel af te kunnen wijken van formele opdrachten zonder dat dit tot represailles leidde.

Enkele quotes:

“Als Den Haag vraagt wat ervan terecht is gekomen, sturen we Den Haag een brief dat we er voldoende aandacht aan hebben besteed.”

“We geven een antwoord waar Den Haag mee uit de voeten kan en waar we zelf ook mee uit de voeten kunnen.”

“De vraagstelling uit Den Haag was zo algemeen dat je niet echt hoefde te liegen om een positief verhaal te vertellen.”

Het mechanisme is dat er ruimte is voor obstructie zolang die zich maar niet uit als obstructie. Men speelt het formele spel mee om er vervolgens van af te kunnen wijken.

Tot slot

We verkenden in Deel IV hoe collectieve processen van betekenisgeving verlopen en hoe die ingrijpende veranderingen kunnen frustreren. Dat verzet kan zich uiten in manifest verzet maar er kan ook sprake zijn van een fijnzinnig spel van verzet waarin de illusie van verandering slechts symbolisch wordt bevestigd. Verder komt naar voeren dat communicatie een manipulatief karakter kan hebben, gericht op beïnvloeding van de beeldvorming. In deel V gaan we in op vragen rond bewustzijn en bewustwording op individueel niveau.

Literatuur

Deleuze, Gilles en Guattari, Felix, What is philosophy?, Columbia University Press, 1996

Van Egmond, Homo Universalis, Moreel kompas voor een nieuwe Europese renaissance, De Geus, 2019

Latour, Bruno, Reassembling the social, an introduction to New Actor Theory, Oxford University Press, 2007

Lindblom, Charles, The Science of "Muddling Through", Public Administration Review, Vol. 19, No. 2 (Spring, 1959), pp. 79-8

Oosterling, Henk, Waar geen wil is, is een weg, Boom, 2017

Polanyi, M. (1962) Personal Knowledge: Towards a Post-critical Philosophy, Routledge

Simon, Herbert, Models of bounded rationality, economic analysis and public policy, volume 1, Mit Press Ltd, 1984

Wagemans, M.C.H. Voor de Verandering, een op ervaringen gebaseerde studie naar de spanning tussen de theorie en de praktijk van het besturen, Dissertatie, Wageningen, 1987

Wagemans, De dressering van raadsleden, essay, januari 2018, www.ontganiseren.nl , www.eutopinanen.nl

Wagemans, Van een definiërend naar een energetisch wereldbeeld, begrippen en feiten als dragers van energie, Deel 1 en 2, in: Civis Mundi, nr 91, nov 2019

********************

In de ban van het verleden

THIEU WAGEMANS

Opiniebijdrage Dagblad de Limburger 17 juni 2020

In Limburg is wederom de discussie actueel over de toekomst van de landbouw. Belangrijk daarbij is de vraag of we door moeten gaan naar een steeds modernere landbouw op steeds grotere bedrijven of dat we de richting op moeten van maatschappelijke verbreding. Die vraag werkt al vele jaren splitsend. Tegenstellingen verharden en discussies krijgen het karakter van een loopgravenoorlog.

Vanuit de bestuurlijke top van de landbouw is de keuze helder. We hebben door middel van nieuwe technologie een uiterst moderne landbouw bereikt. Die ontwikkeling moet doorgaan. We moeten vertrouwen op nieuwe technologie en als die problemen veroorzaakt, zoals mestoverschotten, dan zal nieuwe technologie die problemen zeker oplossen. Die lijn wordt krachtig ondersteund door een aantal politieke partijen zoals CDA en VVD. Schaalvergroting moet doorgaan. Alleen zo kan de kostprijs in de hand worden gehouden en kunnen we onze export op peil houden.

Overheidssubsidies

Op dat beeld valt het nodige af te dingen. Een puur economisch perspectief betekent een verarming van de potentie die de landbouw heeft in maatschappelijk opzicht. Een aantal voorbeelden. Wanneer de nadelige effecten van een intensieve landbouw op natuur, op water, bodem en lucht worden meegerekend en de kosten voor herstel ervan in rekening zouden worden gebracht, zou dat het failliet betekenen van de intensieve veehouderij. Het exportsucces van de intensieve veehouderij is mogelijk omdat allerlei kosten worden afgewenteld op onze omgeving. Daarnaast is er geen sector die zozeer profiteert van overheidssubsidies en gunstige fiscale regelingen als de landbouw. Ook springt de overheid bij wanneer er weer eens een dierziekte is uitgebroken. De lijst is eindeloos.

Blind en doof

Men heeft daarentegen geen oog voor de nadelen van een veel te intensieve landbouw in een dichtbevolkt land. Men is ziende blind en horende doof. Krampachtig houdt men ook in de politiek vast aan een beeld dat achterhaald is, enkel omdat men bang is stemmen te verliezen bij komende verkiezingen. Stilstand is achteruitgang. Maar ze worden overstemd door diegenen voor wie meer nooit genoeg is en groter nooit groot genoeg. De sector is niet meer in staat tot zelfcorrectie.

De landbouw slaat zich op de borst omdat men zo modern en vernieuwend is, maar wat denkbeelden betreft houdt men vast aan het verleden. In plaats daarvan moeten we meer oog krijgen voor de rijkdom van de landbouw in maatschappelijk opzicht. Landbouw als ontmoeting met de natuur die enorme potentie heeft voor de aanpak van maatschappelijke problemen. Zorglandbouw bijvoorbeeld. Daarmee zou de landbouw zichzelf ook bevrijden van de economisch gedreven jachtigheid die haaks staat op natuurlijke processen. Het bedekken van grote percelen buitengebied met plastic in het voorjaar is economisch begrijpelijk, maar landschappelijk weinig fraai. Of denk eens aan het intense leed aan de vele keukentafels wanneer moest worden besloten tot bedrijfsbeëindiging omdat men de ratrace niet kan volhouden.

Geen zelfcorrectie

Ik spreek ondernemers, ook jongeren, die zelf aangeven dat de schaalvergroting geen eindpunt heeft en zo niet kan doorgaan. Maar men heeft vaak geen keuze. Stilstand is achteruitgang. Maar ze worden overstemd door diegenen voor wie meer nooit genoeg is en groter nooit groot genoeg. De sector is niet meer in staat tot zelfcorrectie. Het is triest en merkwaardig dat partijen die zich beroepen op verantwoord omgaan met de schepping eenzijdig kiezen voor louter economische belangen. Daardoor werkt men mee aan toenemende vervreemding tussen landbouw en maatschappij. Het is mijn vaste overtuiging dat de omslag naar een circulaire landbouw die de economische, de ecologische en de sociaal-culturele waarde van de landbouw respecteert, bevrijdend zal werken en ruimte biedt voor het maken van nieuwe ontwerpen voor de landbouw.

Dan ben je pas echt modern en in ieder geval veel meer toekomstgericht dan wanneer je enkel het verleden verdedigt.

Thieu Wagemans uit Leudal is landbouweconoom


*****************************

Orde en chaos

Deel 3: Op zoek naar een nieuw wereldbeeld

Civis Mundi Digitaal nr 98, mei 2020

door Mathieu Wagemans


thieuwagemans|@gmail.com
www.ontganiseren.nl
www.eutopianen.nl


Inleiding

We stelden in Deel I en Deel II het buitensluitend karakter van onze ordeningen en systemen centraal. We sloten Deel II af met de noodzaak om het buitengeslotene te verkennen. Het buitengeslotene heeft betekenis. Het stelt ons in staat om illusies overeind te houden. Dat is de functie ervan. Het buitengeslotene maakt mythes tot werkelijkheid. Het miskennen en ontkennen van het buitengeslotene stelt ons in staat de mythes voor “echt” te houden. Maar hoe kunnen we het buitengeslotene leren kenen? Die vraag staat in dit Deel III centraal. Dat blijkt een lastige opgave. Het vraagt inspanningen waarbij we per definitie niet kunnen vertrouwen op bestaande ordeningen. Bestaande kaders zijn te beperkt zijn om het wezen van de vraagstukken te omvatten. Die analytische kaders geven ons de illusie dat we maatschappelijke vraagstukken niet alleen kunnen doorgronden maar vooral ook dat we ze kunnen oplossen. Het interventievermogen is voorondersteld. Het vermogen tot beïnvloeding is eigen aan de moderniteit en neemt in ons denken en handelen een centrale plaats in. In plaats van de beperkingen van ons perspectief kritisch te beschouwen bevestigen we het liever zodat we zodat we ons eigen onvermogen niet onder ogen hoeven te zien.

Om het buitengeslotene te leren kennen kunnen we niet vertrouwen op gebruikelijke benaderingen. Die laten ons in de steek. Die gaan uit van concreet aangegeven doelen, een doordachte aanpak en een uitgewerkt stappenplan. Wanneer we op zoek gaan naar het buitengeslotene helpt dat echter niet. Allereerst weten we niet waar we naar op zoek zijn, laat staan dat we weten hoe we dat zoekproces het beste kunnen opzetten. Methodes ontbreken. Het enige houvast dat we hebben is dat we weten waar we NIET naar op zoek zijn. Het bestaande dient als negatieve referentie. We zoeken juist naar wat we thans hebben buitengesloten, de chaos. We willen ons richten op de contramal van het bestaande maar daarvan kennen we noch de vormen, noch de afmetingen. Ervan uitgaande dat het denken in de moderniteit gekenmerkt werd door rationaliteit, is aan de orde dat we het begrip rationaliteit opnieuw doordenken. Dat is lastig. Thans is de dominante lijn dat we ons een rationeel beeld vormen van de werkelijkheid wat als voordeel heeft dat we vraagstukken op rationele wijze met behulp van rationele instrumenten kunnen oplossen. Maar wat we op papier hebben bedacht blijkt zich in de praktijk niet altijd rationeel te gedragen. Dan blijkt dat de werkelijkheid veelkleuriger is dan verondersteld.

Uitgangspunt voor verandering moet zijn dat het buitengeslotene betekenis heeft. We kunnen het weg definiëren maar daarmee verdwijnt het niet. Het verdwijnt enkel uit de constructie van de werkelijkheid die we hebben gemaakt. We zouden ons perspectief moeten verbreden maar we doen het tegenovergestelde. We verengen het. We verbijzonderen definities. Maar we zagen ook dat de buitengesloten werkelijkheid werking blijkt te hebben. Hoe meer we buitensluiten, des te krachtiger zal het buitengeslotene zich roeren. Alle aanleiding dus om de draai te maken en het buitengeslotene aandacht te geven. Dat is geheel in lijn met Michel Serres die stelt dat we in de chaos kiemen voor vernieuwing kunnen vinden.


Het betekenisloze verkennen en onderzoeken.

Het verkennen en leren kennen van het buitengeslotene is echter nog niet zo eenvoudig. Het vraagt een verandering van perspectief. We moeten inzien dat we de wereld niet hebben geordend maar dat we ons eigen perspectief van ordelijkheid over de werkelijkheid hebben gelegd. We hebben ordeningen geconstrueerd en dwingen de werkelijkheid binnen onze constructies. Het komt erop neer dat onze zucht tot ordening dominant is geworden. Onze ordeningen en daarop gebaseerde systemen zijn op rationaliteit gebaseerde constructies van een werkelijkheid. We herdefiniëren de werkelijkheid aan de hand van rationele begrippen. Maar door ons een geordend beeld van de werkelijkheid te vormen verandert de wereld niet. Sterker nog, onze geordende beelden kunnen ons stevig in de weg staan wanneer we tot het ongeordende willen doordringen. Het irrationele roert zich en laat zich niet dresseren door op rationaliteit gebaseerde interventies. Per definitie niet.

We moeten dus de neiging weerstaan om het ongeordende in onze ordeningen te persen. Dan doen we geen recht aan het wezen van het ongeordende. Het wezen wordt aan ons gezicht onttrokken vanwege de schema’s, concepten, vaststaande betekeniskaders. We hebben de neiging splitsend te onderscheiden waardoor we het zich op het geheel uit het oog verliezen. Zoals een fiets meer is dan de verzameling van onderdelen. Door zicht te krijgen op het wezen van het buitengeslotene kunnen we ook doordringen tot het wezen van het beeld van de werkelijkheid dat in de moderniteit centraal staat. Het buitengeslotene leert ons inzien wat de prijs is van ons moderne denken. We kunnen modern zijn dankzij ons vermogen tot uitsluiting.

Kenmerk van het moderne is ook dat we georganiseerd te werk gaan. We hebben ons op ratio gebaseerde betekeniskader geïnstitutionaliseerd. Een organisatie is meer dan structuur, cultuur, balans, exploitatierekening, klanten, conflicten enz. Het wezen van een organisatie wordt bepaald door de wijze waarop de elementen onderling op elkaar betrokken zijn. Identiteit wordt bepaald door relaties zoals we verwijzend naar Deleuze in Deel II stelden. Ook moeten we ons realiseren dat de onderlinge verhoudingen tussen elementen steeds kunnen wijzigen, afhankelijk van ons perspectief. Ook dat is lastig omdat we in ons streven naar zekerheid juist hechten aan stabiliteit en die we institutioneel hebben vastgelegd. Het is dus lastig om het ongeordende te denken. Dat vraagt denkruimte buiten de gevestigde kaders. Dat maakt het ook lastig oog te krijgen voor het nieuwe. De beelden van de werkelijkheid die we ons hebben gevormd zitten vol vanzelfsprekendheden, vol zekerheden. We zijn geneigd het nieuwe in te passen zodat het logisch past en we onze overtuigingen niet los hoeven te laten. Zelfreferentie bepaalt de waarneming. De krachten die de gevestigde beelden overeind wensen te houden zijn sterk. Nadeel daarvan is dat we het nieuwe dan benaderen met het bestaande als maatstaf. Dat maakt het lastig het wezen van het irrationele en het onlogische te ontdekken. We plaatsen het in rationele kaders en dringen dan niet door tot de boodschap van het irrationele en onlogische.


Een nieuw wereldbeeld

Ons startpunt is dat de bestaande kaders te beperkt zijn om het buitengeslotene te omvatten. Dat buitengeslotene is buitengesloten juist omdat het verstorend werkt. Het zou onze ordeningen verstoren en ons confronteren met onvermogen, met wat niet beredeneerbaar is, met werkelijkheid die onlogisch is en die niet past binnen onze opvatting van logica. Aan de orde is dat we moeten open staan voor de constructie van een nieuw wereldbeeld dat het wereldbeeld van de moderniteit vervangt. Het niet langer vertrouwen op alles wat we in de fase van de moderniteit op rationele basis hebben opgebouwd is een ingewikkelde stap. We moeten de vanzelfsprekendheid van het moderne denken opgeven terwijl juist die denk- en handelingspatronen ons welvaart hebben gebracht. Het karakter van de noodzakelijke verandering is treffend geformuleerd door Morin die in zijn manifest voor het nieuwe millennium stelt dat we weliswaar in staat zijn gebleken de natuur naar onze hand te zetten maar tegelijkertijd onze zelfcontrole zijn kwijtgeraakt.

Het moderne wereldbeeld was beperkt door de nadruk op het rationele en materialistische (Slaughter, Leslie). Om tot verandering te komen ligt de vraag voor de hand wat we ons bij een nieuw wereldbeeld moeten voorstellen. Hoe kunnen we zicht en vat krijgen op een wereldbeeld waarin plaats is voor het irrationele, het onlogische? Allereerst is dan het besef belangrijk dat ieder beeld van de wereld een reductie inhoudt. De werkelijkheid kan op tal van manieren worden afgebeeld. Dat is het onvermijdelijk gevolg van een keuze voor het constructivisme. Wellicht dat het beeld dat Deleuze oproept met zijn begrip assemblages ons daarbij kan helpen. Het beeld van een werkelijkheid waarin voortdurend nieuwe verbindingen ontstaan tussen elementen en waarbij ook de aard van de verbindingen kan veranderen.

Wat moeten we ons voorstellen bij een nieuw wereldbeeld? Hoe ziet een wereld eruit vanuit het perspectief van betekenisgeving? Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Slechts als voorbeeld dat met tal van andere voorbeelden moet worden aangevuld verwijs ik naar het energetisch wereldbeeld dat elders werd beschreven. (Wagemans, 2019). Een ruimte waarin betekenissen ongeordend bewegen. Betekenissen als objecten die energie-dragend zijn in de mate dat er betekenis aan wordt toegekend. Een nevel van betekenissen die soms condenseert doordat betekenissen samensmelten in betekeniskaders. Planeten als gestolde betekeniskaders. Het buitengeslotene treffen we aan in de ruimte tussen de planeten. De ruimtenevel bevat het betekenisloze, datgene wat binnen de geldende betekeniskaders niet kan worden betekend. Het is betekenisloos, althans vanuit de systemen bezien. Het is die ruimte die we moeten verkennen. Vanuit het perspectief van geldende betekeniskaders is die ruimte leeg. Maar dat is een verkeerde voorstelling van zaken. Dat die ruimte vanuit geldende perspectieven betekenisloos is, houdt niet in dat er sprake is van totale leegte. Enkel is het aanwezige niet waarneembaar. Serres pleit , in een ander beeld, over de noodzaak expedities te ondernemen op de oceaan. Daar treffen we aan waarvoor op onze geïnstitutionaliseerde eilanden geen plaats is.

Wanneer we zicht willen krijgen op het buitengeslotene zullen we zeker ook aandacht moeten geven aan de ethische dimensie. Binnen het wereldbeeld van de moderniteit ontbreekt een waardebasis. Of misschien is het beter te stellen dan de waardebasis beperkt is. Ons economisch systeem wordt gedomineerd door de zucht naar ratio, naar efficiency. Alles wat daarbij belemmerend werkt komt onder druk te staan. Het centraal stellen van materie heeft het geestelijke opzij gedrukt. Die noties treffen we ook aan bij van der Wal. Hij karakteriseert het referentiekader van de moderne tijd door middel van drie begrippen: mechanisering van het wereldbeeld, activisme en antropocentrisme. Rationaliteit en materie zijn dominant. Dat veroorzaakt een bias. We hebben geen of onvoldoende oog voor het irrationele, voor het geestelijke. Daardoor komen we ook niet tot duurzame vernieuwingen. Onze analyses worden gedomineerd door een wereldbeeld dat juist de problemen heeft veroorzaakt. We reproduceren het verleden en noemen dat modern.

In de landbouw is men trots op de enorme stijging van de productiviteit maar velen, ook binnen landbouworganisaties, in beleid en politiek, tonen zich doof en blind voor de eenzijdigheid van het onderliggend wereldbeeld. Wanneer je met eng-economische ogen kijkt is beheer van de common goods zoals natuur, landschap en biodiversiteit een probleem. Die worden opgevat als kostenpost. Men zit in een tredmolen en kan niet stoppen, afhankelijk als men is van de structuren zoals op het vlak van afzet en financiering. Men is gevangen binnen een systeem dat gericht is op veel en goedkoop. De voordelen van nieuwe technologie komen terecht bij de voorlopers maar al gauw worden die afgeroomd vanwege de zwakke positie van de producent in de voedselketens. Bovendien verliest de landbouw dan aan maatschappelijk draagvlak omdat aantasting van bodem, water en lucht niet langer worden geaccepteerd. Men is dan voorgeprogrammeerd op een herhaling van de problemen, waarbij de schaal van die problemen alsmaar groter wordt.

Die dominantie van bestaande beelden maakt verandering moeilijk. Je zou vanuit het perspectief van het constructivisme kunnen stellen dat we niet zozeer bezig moeten zijn met het veranderen van de werkelijkheid door middel van interventies van de werkelijkheid maar dat we ons nieuwe beelden van de werkelijkheid moeten vormen. De oude beelden hebben afgedaan, ook al hebben ze hun werking behouden omdat ze institutioneel zijn verankerd. Ingrijpende veranderingen kunnen niet worden gerealiseerd binnen de bestaande institutionele kaders. Instituties vormen de condensatie van onderliggende betekenissen. Ze zijn er de uitdrukking en drager van. Het helpt niet om bijvoorbeeld onze instituties te hervormen en meer ruimte te geven voor het onverwachte. Of om strakke richtlijnen te versoepelen . Of om verantwoordelijkheden en bevoegdheden (nog) verder te decentraliseren. Dan blijven we aan de oppervlakte terwijl verdieping nodig is. Door het dak te repareren laten we door rotting aangetaste fundamenten in stand. Instituties zijn uitdrukkingsvormen van een betekeniskader. Juist dat betekeniskader is aan herziening toe. En, nog een slag dieper, ook de processen van betekenisgeving. Wat zijn de onderliggende krachten die het thans dominante betekeniskader stevigheid geven en schragen? De conclusie moet zijn dat noodzakelijke veranderingen zeker ook betrekking moeten hebben op het institutionele kader maar ook dat we daarbij niet kunnen vertrouwen op bestaande instituties. Die houden het bestaande wereldbeeld in stand. De noodzakelijke verandering is een verandering van perspectief, een andere manier van kijken en betekenisgeven.

Daarbij gaat het zowel om inhoudelijke als om procesvragen. We moeten nieuwe perspectieven construeren en we moeten kritisch kijken naar de processen waarlangs betekenissen tot stand komen. De verandering houdt een confrontatie in met het irrationele, met chaos. We moeten ons vertrouwen opgeven dat onze ordeningen ons verder kunnen helpen maar tegelijkertijd kunnen we ons nog geen voorstelling maken van alternatieve wereldbeelden. Een nieuwe wereldbeeld vraagt dus primair een nieuw perspectief. Het gaat om verbeelding in plaats van redeneren. We zullen in wat volgt meerdere aspecten benoemen die aangrijpingspunt kunnen zijn voor de constructie van een nieuwe wereldbeeld. Ze vloeien voort uit de analyse die in de vorige Deel I en Deel II is gepresenteerd.


Pluriformiteit

Binnen de moderniteit neemt het streven naar uniformering een belangrijke plaats in. Een hogere efficiency kon vaak pas worden gerealiseerd door standaardisering. Nieuwe technologie maakte het noodzakelijk dat de wereld eerst geschikt werd gemaakt om van de voordelen van die technologie te profiteren. Die standaardisatie en uniformering werden belangrijke bronnen van uitsluiting. Pluriformiteit betekent dat we juist recht doen aan verschillen en de drang naar standaardisatie weerstaan. Dat geldt binnen onze economie maar zeker ook binnen domeinen als overheidsbeleid en rechtspraak. Het betekent een ingrijpende omslag in ons denken en handelen. Inhoudelijk kan hier een aangrijpingspunt liggen om onze processen diepgaand te onderzoeken. Wat leende zich niet voor uniformering? Wat kon niet worden gestandaardiseerd? Wat viel buiten de boot omdat het processen van modernisering hinderde? Wat zijn we onderweg kwijtgeraakt? Het is een verkenning van wat kwetsbaar was en is onder economische druk.

Ook bij deze stap biedt de modernisering van de landbouw boeiend studiemateriaal. Denk bijvoorbeeld aan de negatieve effecten van de moderne landbouw zoals aantasting van natuur en landschapswaarden. Monoculturen zetten de biodiversiteit onder druk. Het platteland werd ingericht naar de eisen van grootschalige technologie. Landschappelijke variëteit moest wijken omdat dit verdere rationalisatie hinderde. Bedrijven werden grootschaliger en gespecialiseerder. Het gemengde bedrijfstype met gesloten kringlopen moest wijken. Maar daardoor ontstonden nieuwe afhankelijkheden. De verhoudingen in de ketens veranderden. Wat niet veranderde was de beperkte invloed van de primaire producenten, van de boeren zelf. De voordelen van de rationalisatie kwamen aanvankelijk vaak terecht bij de voorlopers. Rationalisatie was een kans op een hoger inkomen. Maar voor anderen werd toepassing ervan een noodzaak. Stilstand was achteruitgang. Toepassing van nieuwe technologie was dan geen bron van extra inkomsten maar een noodzaak omdat anders de continuïteit ging ontbreken. Boeren kwamen in een dwangpositie. Er was geen alternatief. Modernisering, schaalvergroting en specialisatie waren dwingend. Dat had ook culturele gevolgen. Industrialisatie drukte ambachtelijkheid opzij. De landbouw verloor het vermogen tot verbinding op het platteland en werd steeds vaker bron van intense spanningen. Langs die historische weg zouden we expliciet kunnen benoemen welke prijs we hebben betaald voor de modernisering en vooral ook welke krachten daarop van invloed zijn geweest. Het buitengeslotene leert ons zo de identiteit van de moderne landbouw. De betekenis ervan ligt in wat niet paste of niet passend kon worden gemaakt. Die identiteit vind je niet in de kantoren van accountants maar aan de keukentafel waar het besluit valt tot beëindiging van een bedrijf omdat men de ratrace naar nog groter en nog meer niet kon volhouden. Hoe boeren wordt beleefd als een levenswijze in plats van als een willekeurige economische activiteit. Voor verandering leidt dat tot de uitdaging landbouwsystemen te ontwerpen waarin de beide functies van de landbouw (voedselproductie en beheer van de openbare ruimte) geïntegreerd plaatsvinden. Landbouwsystemen die de rijkdom van de landbouw op het vlak van betekenisgeving benutten en recht doen aan de culturele eigenheid van regio’s. De landbouw kan ons zo ook een dieper inzicht geven in processen van uitsluiting. Welke krachten waren dominant en waarom ontbrak het tegenwicht. De problemen waar de moderne landbouw thans mee kampt zijn dan de symptomen van een intrinsiek onevenwichtig systeem waarin het economische dominant was boven het ecologische en het sociaal-culturele. De noodzakelijke omkering houdt ten diepste in dat datgene wat thans kwetsbaar is onder economische druk, maatstaf wordt voor economische ontwikkeling. Het kwetsbare als bron van inspiratie dus.

Maar uniformering vond niet slechts plaats binnen het economisch domein. De Dijn spreekt van een uniformering van de verlangens onder de druk van de moderne media. Het is alsof we worden gedwongen een gezamenlijk ideaalbeeld na te streven waarbij de drang naar gezamenlijkheid belangrijker wordt geacht dan de eigen wil. Vergelijk de gehechtheid om volgens de laatste mode gekleed te gaan waarbij in kleine kring “het” modebeeld voor het komend seizoen wordt bepaald.

Zelfcorrigerende systemen

Binnen het overheidsdomein is aan de orde dat we niet langer het beeld overeind houden van een systeem waarin ieder besluit zich logisch verhoudt tot andere besluiten. Pluriformiteit houdt in dat eenzelfde casus op uiteenlopende wijze kan worden benaderd. Dat is een ingrijpende verandering. Die moet beginnen met de erkenning dat we een te hoge prijs hebben betaald voor het vasthouden aan een droombeeld van de werkelijkheid met als nadeel de vervreemding tussen overheid en burgers. Hoe ons juridisch georiënteerd betekeniskader voor burgers nauwelijks meer kan worden begrepen terwijl het tegelijkertijd noodzakelijke veranderingen blokkeert. Erkenning houdt in dat we ons gaan realiseren dat we illusies nastreven. Een logische consequentie is dat we politiek en bestuur weer dichter naar burgers brengen. Maar een consequentie is ook dat de toedeling van verantwoordelijkheden wordt herzien. Die is nu geconcentreerd bij de overheid waarbij tegelijkertijd de positie van burgers gekenmerkt wordt door vrijblijvendheid. Er is een nieuw concept van burgerschap nodig en een herschikking van rechten en plichten. Het recht om af te wijken wordt gekoppeld aan de plicht de consequenties ervan te dragen. Dat betekent een einde aan tal van mechanismen van afwenteling die nu kenmerkend zijn. Denk bijvoorbeeld aan afwenteling van milieueffecten naar de overheid of belastingconstructies die enkel tot del hebben belastingheffing te ontgaan. De huidige ordeningen bieden teveel mogelijkheden voor parasitair gedrag. Men voedt zich met andermans eten.

Binnen de huidige regelsystemen hebben we enorme capaciteit nodig voor controle. Opsporen en correctie van overtredingen vraagt grote inspanningen. Worden de regels wel nagekomen? En hoe kan corrigerend worden opgetreden? Het is al te vaak een juridisch steekspel geworden dat vaak pas na jarenlange procedures een einde vindt. Bij een herschikking van verantwoordelijkheden is dat een belangrijk aandachtspunt. Hoe kunnen we systemen ontwerpen waarin het in belang van betrokkenen is die regels na te leven? In plaats daarvan is systeemreparatie nodig. Een denkrichting daarbij kan zijn om verantwoordelijkheid een gezicht te geven. Systemen waarbij burgers rechtsreeks nadeel ondervinden wanneer anderen voordeel genieten van het ontwijken en ontduiken van regels. Het basisprincipe is dan wederkerigheid. De anonimiteit van de markt wordt doorbroken. Dat zou systemen veerkrachtig maken. In die benadering past bijvoorbeeld om de boetes van verkeersovertredingen ten goede te laten komen van gemeenten. Op die manier worden de kosten van handhaving van verkeersmaatregelen betaald door de overtreders. Nu blijven snelheidscontroles vaak achterwege omdat de politie stelt er geen capaciteit voor beschikbaar te hebben. Het vraagt een doordenking van de wijze waarop we thans verantwoordelijkheden op het vlak van handhaving en controle hebben toegedeeld. De anonimiteit die thans kenmerkend is wordt dan doorbroken. Dat kan ook inhouden dat burgers een actievere rol oppakken omdat ze rechtstreeks nadeel ondervinden van overtredingen door anderen. Ook hier dus decentralisatie van verantwoordelijkheden. Daarnaast kan sprake zijn van overheveling van taken die nu bij gemeenten berusten naar de private sfeer. De vraag of een buurt- of gemeenschapshuis een sluitende exploitatie heeft wordt primair bij inwoners gelegd. Die verantwoordelijkheid wordt dan gekoppeld aan een grotere handelingsruimte en minder c.q. minder gedetailleerde regels. Niet langer wordt gezocht naar “de” oplossing voor “het” probleem.


Dynamiek

We stelden al eerder dat ons formele betekeniskader dat aan de basis ligt van overheidsbeleid statisch is. We definiëren, leggen definities wettelijk vast en dwingen onszelf vervolgens vast te houden aan die definities. Uitdagend is tot een nieuwe beleidscontext te komen die kan meebewegen met de dynamiek binnen een samenleving. We moeten steeds weer opnieuw beslissen hoe we ons wensen te verhouden tot het nieuwe. Het is het beeld van de nomade die niet vooraf weet wat de reis hem zal brengen. Zijn trektocht kent geen vaste routes met vaste bakens maar is eerder een voortdurend construeren en reconstrueren. Wat hij gisteren leerde kan vandaag betekenisloos zijn. Het is een reis zonder veel zekerheden. Ook die omslag is voor ons ingrijpend. Het betekent dat we zekerheden als schijnzekerheden moeten ontmaskeren. De omslag is existentieel. We komen daar verderop op terug.

Hoe gaan wij om met vaste bakens? Nemen we ze als vanzelfsprekend aan en laten we ons leiden? Of durven we ze kritisch en als veranderbaar te beschouwen? Zijn we bijvoorbeeld bereid de wijze waarop we de scheiding van de wetgevende, de uitvoerende en de rechtsprekende macht hebben georganiseerd tegen het licht te houden? Nog los van de vraag of de huidige systematiek oplevert wat we ambieerden, brengt dit systeem ook hoge transactiekosten met zich mee. We klagen over toenemende juridisering maar beschouwen het bestaande systeem als onaantastbaar en in ieder geval lastig te veranderen. Het raakt de beginselen van de rechtsstaat, zo wordt vaak gesteld. Dat nodigt niet uit om vernieuwend te ontwerpen. Echter, ook zonder de basisbeginselen van onze rechtsstaat zelf ter discussie te stellen kan de uitdaging zijn de wijze waarop we die beginselen vorm hebben gegeven als onderwerp te agenderen. Of neem ons politieke systeem. Zijn er andere constructies denkbaar dan het huidige systeem dat op partijpolitiek is gebaseerd? En kunnen we de grenzen verleggen rond het gelijkheidsbeginsel? Zouden we ons systeem van rechtspraak kunnen regionaliseren in plaats van het statisch en gelijkschakelend karakter nog te verstevigen door slim gebruik van nieuwe technologie? Zou dit kunnen bijdragen aan vermindering van de vervreemding tussen overheid en burger? Onze structuren en ordeningen zijn niet meegegroeid. Ze zijn positivistisch van aard. Zolang we daaraan vasthouden dragen veranderingen, hoe goedbedoeld ook, het risico in zich dat we nog verder vastlopen in een onontwarbaar kluwen dat nog slechts door weinigen kan worden begrepen. We hebben nieuwe concepten voor begrippen als consistentie, gelijkheid en rechtvaardigheid nodig. De wijze waarop we deze waarden hebben geoperationaliseerd dient niet meer. We hechten aan democratische beginselen. Maar hoe groot is de ruimte daarvoor? Heeft, verwijzend naar Slama, het formele kader van de overheid vanwege de nadruk op gelijkheid en uniformering geen totalitaire trekken gekregen? Is het niet te zeer betekenis dodend geworden voor al datgene wat niet kan worden ingepast? Is het niet te zeer uitsluitend geworden en constructeur van betekenisloosheid? Hoe kunnen we meer ruimte scheppen voor beleving en gevoelens?


De ethische dimensie

Een pleidooi voor pluriformiteit en beleving zoals we in het postmodernisme aantreffen is begrijpelijk en nodig maar onvoldoende. De context van belangen moet worden vervangen door een context van waarden. We zagen dat ideologische thematiseringen naar de achtergrond zijn verdrongen. We hebben ze rationeel benaderd. We zijn waarden gaan regelen en daardoor hebben we waarden van hun wezen ontdaan. Van rechtvaardigheid en verantwoordelijkheid hebben we rationele constructies gemaakt. Daarmee hebben we ze ontdaan van hun potentie tot inspiratie. We hebben ze als het ware kapot geredeneerd. We benutten regels als instrument en beseffen niet dat we juist daardoor het wezen ontnemen aan waarden.

Nodig is dat we een nieuwe waardebasis kiezen voor ons beleid en daarvan afgeleide regels. Een sprekend voorbeeld is de problematiek rond duurzaamheid. De context van belangen is daarbij vaak richtinggevend. We zijn bereid om maatregelen te nemen op voorwaarde dat die economisch draagbaar zijn. Anders gezegd, ons economisch systeem dat op groei is gebaseerd en dat een beperkte waardebasis kent wordt de maatstaf voor het streven naar duurzaamheid. Dat betekent een garantie voor instandhouding van de duurzaamheidsproblematiek. We willen de slag maken naar een duurzame samenleving mits de oorzaken van het gebrek aan duurzaamheid onaangeroerd blijven en hun werk kunnen blijven doen. De constructie van een waardebasis kan verder niet vrijblijvend zijn. Wezenlijk is een strakke en consequente koppeling van waarden aan gedrag. Anders blijven waarden woorden zonder werking. We bevestigen ze in woorden maar weigeren er consequenties aan te verbinden. Ook kunnen we bij realisering van noodzakelijke omslagen niet vertrouwen op bevoegdheden zoals die binnen bestaande structuren zijn toegedeeld. De vernieuwing kan niet worden geregeld in traditionele zin. Hooguit kunnen de condities worden geschapen. Uiteindelijk is het de mens zelf die die ruimte creëert. Dat betekent dat ordeningen en structuren die als anoniem worden beleefd niet de sterkte hebben de noodzakelijke transities te dragen.

Dat onderscheid tussen waarden en de wijze waarop we die in ons dagelijks denken en handelen hebben vertaald en vormgegeven kan worden geduid als een belangrijke oorzaak van de problematiek waar we thans mee te maken hebben. Waarden werden opzij gedrukt door het centraal stellen van het pragmatische. Het instrumentele werd dominant boven het waardevolle. De effecten van economische vooruitgang op bijvoorbeeld natuur, landschap en omgevingskwaliteit moesten lange tijd wijken voor economisch gewin. De processen van de modernisering gingen met zichzelf op de loop. De ethische dimensie werd overklast, was lange tijd niet zichtbaar en had in ieder geval weinig betekenis. Het ethische leent zich nu eenmaal niet voor rationalisatie. Het ethische vraagt bovenal een persoonlijke stellingname en kan niet worden overgelaten aan rationeel redeneren. Ten diepste drukken opvattingen over ethische vragen uit hoe je als mens in de wereld staat. Dergelijke vragen laten zich niet gemakkelijk objectiveren in bijvoorbeeld het aantal weken waarbinnen abortus is toegestaan. Dan ontdoet men vragen van ethische aard van hun wezen. Nodig is dat de context van regels en belangen wordt vervangen door een context van waarden. We zijn waarden gaan regelen en daardoor we ze van hun essentie hebben ontdaan. Van rechtvaardigheid en verantwoordelijkheid hebben we rationele constructies gemaakt. Daarmee hebben we ze hun potentie tot inspiratie ontnomen. We hebben ze als het ware kapot geredeneerd. In ons dagelijks opereren zien we regels niet meer als uitdrukking van onderliggende waarden. We bevestigen door ons gedrag ethische posities zonder dat we ons dat realiseren. Kerst- en nieuwjaarstoespraken brengen daar, hoe goedbedoeld ook, geen verandering in.

Nodig is dat we een nieuwe waardebasis kiezen voor ons beleid en daarvan afgeleide regels. Een sprekend voorbeeld is de problematiek rond duurzaamheid. De context van belangen is daarbij vaak richtinggevend. We zijn bereid om maatregelen te nemen op voorwaarde dat die economisch draagbaar zijn. Anders gezegd, ons economisch systeem dat op groei is gebaseerd en dat een beperkte waardebasis kent, wordt de maatstaf voor het streven naar duurzaamheid. Dat betekent een garantie voor instandhouding van de duurzaamheidsproblematiek. We willen de slag maken naar een duurzame samenleving mits de oorzaken van het gebrek aan duurzaamheid onaangeroerd blijven en hun werk kunnen blijven doen. De constructie van een waardebasis kan verder niet vrijblijvend zijn. Wezenlijk is een strakke en consequente koppeling van waarden aan gedrag. Anders blijven waarden woorden zonder werking. We bevestigen ze in woorden maar weigeren er consequenties aan te verbinden. Ook kunnen we bij realisering van noodzakelijke omslagen niet vertrouwen op bevoegdheden zoals die binnen bestaande structuren zijn toegedeeld. De vernieuwing kan niet worden geregeld in traditionele zin. Hooguit kunnen de condities worden geschapen. Uiteindelijk is het de mens zelf die die ruimte creëert. Ordeningen en structuren die als anoniem worden beleefd hebben niet de sterkte de noodzakelijke transities te dragen.


Integratie c.q. verbinding tussen systemen

Zo op het eerste gezicht zou men kunnen stellen dat het met onderlinge verbindingen wel meevalt. We leven in een polderlandschap en polderen zit ons in het bloed. Er is een uiterst intensief complex van overlegorganen dat in tal van procedures is vastgelegd. Inspraak en participatie spreekt vanzelf. Zo beschouwd is er reden tot tevredenheid. We houden niet van autoritair gezag maar wensen gekend te worden. Er is echter ook een ander beeld denkbaar. Daarvoor is het nuttig eens nader te kijken naar al die overlegvormen en naar de aard van dat overleg. Dan zien we een beeld waarin wordt gestreefd naar overeenstemming die maar al te vaak het karakter heeft van onderhandeling tussen partijen die het tegenovergestelde bepleiten. Dat vloeit logisch voort uit de historie van onze instituties. We zijn traditionele georganiseerd rond tegenstellingen. We kennen werkgevers- en werknemersorganisaties, landbouw- en natuurorganisaties. De overeenstemming die via onderhandelingen wordt bereikt heeft het karakter van compromissen tussen volstrekt tegengestelde posities. Het zijn geen oplossingen in de eigenlijke zin van het woord maar er is eerder sprake van een tijdelijke pacificatie. In de politieke praktijk van alledag worden elementen aan elkaar gekoppeld die weinig gemeenschappelijk hebben. We scheppen verbindingen die het tegengestelde op een kunstmatige en geforceerde wijze aan elkaar koppelen.

Een voorbeeld vormt de landbouw die in de periode voorafgaande aan de modernisering weinig spanning liet zien tussen de landbouw als producent van voedsel en de landbouw als beheerder van het platteland. Rationalisering en daaruit voortvloeiende schaalvergroting en specialisatie werd vervolgens bron van spanning tussen de beide functies. Profijtelijke productie van voedsel en beheer van common goods als lucht, water en bodem waren niet meer combineerbaar. De noodzaak tot economische productie leidde ertoe dat natuur, landschap en een gezonde leefomgeving de prijs betaalden voor de vooruitgang, nog los van sociaal-emotionele schade. De uitdaging kan dan zijn elementen als gezond voedsel, natuurontwikkeling, verdienmodellen, vervreemding van de burger van zijn voedsel, ketenvernieuwing, zorg voor het milieu, schaalverkleining, export, regionalisering, cultuurhistorie, onderwijs en bijvoorbeeld verblijf voor senioren met elkaar te verbinden door middel van geheel nieuwe koppelingen die harmonisch en betekenisvol zijn voor betrokkenen. Landbouw wordt dan primair opgevat als een ontmoeting met de natuur wat een veel rijkere bron van betekenisgeving kan zijn dan de vrijwel permanente strijd tussen economische belangen en respect voor onze natuurlijke omgeving.

Naast het interne functioneren van systemen is de vraag aan de orde hoe systemen onderling communiceren. Serres stelt dat een van de gebreken van onze samenleving is dat de onderlinge relaties zwak zijn. Domeinen als de economie en bijvoorbeeld de kunsten opereren met een grote mate van zelfstandigheid. Er zijn weinig onderlinge relaties en als ze er zijn hebben ze slechts een marginale betekenis. Serres hekelt het domein-gebonden denken en handelen. Hij pleit voor krachtige verbindingen. Die zijn echter moeilijk te realiseren. De cultuur is daar ook niet op gericht. In veel domeinen heerst een professionele houding. Men beschermt de eigenheid van het domein en maakt de toegankelijkheid lastig. Zo dient wetenschap te worden beoefend door wetenschappers en wetenschapper word je pas nadat je hebt voldaan aan intern vastgestelde eisen. Of een onderzoek wetenschappelijk verantwoord is wordt bepaald door wetenschappers. De architectonische kwaliteiten van een gebouw worden beoordeeld in eigen kring, door architecten. Datzelfde geldt voor het medisch domein. Wie niet volgens de vastgestelde strakke richtlijnen werkt riskeert te worden voorzien van het etiket “kwakzalver” en wordt de toegang tot het domein geweigerd. Het medisch domein kent een eigen tuchtrechtspraak. Ook de journalistiek kent een eigen systeem voor beoordeling van journalistieke uitingen. Zo bewaken de afzonderlijke systemen de eigen grenzen via regels en toelatingsnormen. Wanneer je binnentreedt heb je de geldende spelregels te accepteren. Voor het politieke systeem geldt hetzelfde al zijn de geldende regels voor een belangrijk deel informeel. De politiek zou eigenlijk knelpunten en gebrek aan verbindingen moeten waarnemen om vervolgens de gewenste maatregelen te nemen. Maar het politieke systeem is zelf een domein met gebreken. Het is ingesnoerd in nauwe regels en gedetailleerde regels. Het stellen van vragen en de beantwoording ervan dient via voorgeschreven procedures te lopen. Datzelfde geldt voor verzoeken tot agendering. Het is een eigen wereld geworden met tal van eigen mores en spelregels. Bovendien wordt het spel slechts door weinigen gespeeld. Het percentage burgers dat lid is van een politieke partij is extreem laag en van de leden is slechts een zeer laag percentage politiek actief. De vervreemding wordt in stand gehouden, niet als doel maar toch zeker als uitkomst. Bovendien gaan we slordig om met verschillen tussen partijen. De debatten in verkiezingstijd worden gekenmerkt door oppervlakkigheid. Burgers worden niet aangezet tot diepere beschouwingen en persoonlijke positiekeuzes. Eerder hebben debatten amusementswaarde door de handigheid, kwinkslagen en debattechniek van de deelnemers of juist door het ontbreken daarvan. Kleine versprekingen worden uitgelicht. Daardoor raakt de politieke agenda in ideologisch opzicht leeg. De burger is koopwaar geworden, althans zijn stem. Verkiezingscampagnes worden beheerst door manipulatie van de beeldvorming van burgers. Wie van standpunt verandert krijgt het etiket van onbetrouwbaar opgeplakt.




In de geest van Deleuze moeten we onderlinge verschillen niet gemakkelijk afdoen maar juist op hun essentie onderzoeken. Door ons te beperken tot de vaststelling van het verschil doen we de verschillen zelf geen recht. Deleuze stelt dat we nieuwe verbindingen moeten kunnen leggen. We moeten niet volstaan met definiëring en etikettering zodat ze passend worden gemaakt voor behandeling binnen onze systemen. Dan komen we niet toe aan het wezen ervan. Wanneer we zicht hebben op het wezen van verschillen is vervolgens de vraag aan de orde tot verbindingen te komen. Die verbindingen zullen heel anders en uit oogpunt van betekenisgeving veel rijker kunnen zijn dan de wijze waarop we nu met verschillen omgaan. Het splitsend denken in een context van belangentegenstellingen wordt vervangen door koppelingen tussen onderliggende waarden. Calculatie wordt dan vervangen door inspiratie, respect en betrokkenheid. We moeten het wezen van onze ordeningen en vooral het onderliggend betekeniskader tot onderwerp van onderzoek en dus van kritiek maken. Dat betekent dat we het vanzelfsprekende gaan verkennen. De gevolgen daarvan kunnen immens zijn. Wanneer we eraan toekomen een ander betekeniskader te construeren betekent dat ook dat we onze instituties nader moeten beschouwen. Die vormen immers de belichaming en expressie van een gedateerd betekeniskader.

In Deel IV komt aan de orde hoe ons bewustzijn ons kan helpen bij de transformatie naar een nieuw wereldbeeld en hoe die transformatie ons met existentiële vragen confronteert.


Literatuur

Braidotti, Rosi, Op doorreis. Nomadisch denken in de 21ste eeuw, Amsterdam, Uitgeverij Boom, 2004

Dedijn, Herman, Voorbij (de mislukking van) de Moderniteit?, verschenen in Paul Cortois & Guido van Heeswijck (red.), Religie onder kritiek. De plaats van Religie in de seculiere samenleving, Acco, 2016, p. 41 – 53.

Deleuze, Gilles, Guattari, Felix, A Thousand Plateaus, Bloomsburry Publishing Plc, 2013

Van Egmond, Een vorm van beschaving, Uitgeverij Christofoor, Zeist; 2e druk juni 2011

Morin, Egdar, , From Homeland Earth; A New Manifesto For The New Millennium, Journal of conscious evolution, May 2018

Latour, Bruno en Serres, Michel, Conversations on Science, Culture and Time, University of Michigan Press, 1995

Slama, Alain-Gerard, L’angélisme exterminateur : essai sur l’ordre moral contemporain, Hachette Littératures 1993

Slaughter, S & L. Leslie, Academic capitalism: politics, policies and the entrepreneurial university, Baltimore: Johns Hopkins University Press, 1997

Wagemans, M., Een Oceaan van Betekenisloosheid, een kritische analyse van beleid, politiek en wetenschap met een verwijzing naar de filosofie van Michel Serres, Digitalis, Utrecht, 2016

Wagemans, Van een definiërend naar een energetisch wereldbeeld, gepubliceerd in Civis Mundi, nr 91 november 2019

van der Wal, G.A. De Omkering van de wereld, achtergronden van de milieucrisis en het zinloosheidsbesef, Ambo, 1996



***************************

Deel 1: Splitsend denken


Civis Mundi Digitaal #97 april 2020

door Mathieu Wagemans


(thieuwagemans@gmail.com   www.ontganiseren.nl)


Wanneer we de keuze hebben problemen georganiseerd aan te pakken of in het wilde weg, dan lijkt de keuze helder. We zijn sterk geneigd tot een ordelijke aanpak. We analyseren en stellen een plan op. We maken afspraken over wie wat gaat doen en in welke volgorde. Dat vinden we logisch en verstandig. Maar er is ook een andere kijk denkbaar. Die neemt als vertrekpunt de verhouding tussen ordening en chaos. Die verhouding willen we in enkele artikelen verkennen met als uiteindelijk doel tot nieuwe vormen politiek, beleid en wetenschap te komen. In dit eerste artikel staat centraal hoe ordening de bron kan zijn van chaos. In volgende artikelen zullen we nagaan of concepten uit de kwantumtheorie tot nieuwe inzichten kunnen leiden. Vervolgens willen we de consequenties daarvan nagaan. Wat betekenen de inzichten van de kwantumtheorie voor de praktijk van organisatie en ordening? En hoe kunnen wij de noodzakelijke omslagen en veranderingen realiseren? De veranderingsprocessen staan dan centraal. We sluiten af met een artikel dat de wetenschap als onderwerp heeft.


Inleiding

Door tal van politici en wetenschappers is de afgelopen decennia aangegeven dat we ons in een crisis bevinden of er hard naar op weg zijn. Denk aan duurzaamheid, het opraken van onvervangbare voorraden, de toenemende vervreemding en een politiek systeem waarin het vertrouwen van burger is gaan ontbreken. Anderen zijn hoopvol en vinden dat een crisis soms nodig is om ons te dwingen met andere ogen te kijken. Dat laatste geluid klinkt ook door met betrekking tot de coronacrisis. Wanneer vanzelfsprekendheden niet langer vanzelf spreken kan er ruimte ontstaan buiten bestaande kaders te denken. Daardoor komen mogelijkheden in zicht die in gewone tijden onvoorstelbaar zijn. In dit artikel willen we die overgang van een crisis in een wat ander en breder perspectief plaatsen. De insteek die we kiezen is op basis van een kritische terugblik op de moderniteit de elementen te duiden van een nieuw betekeniskader en vervolgens de noodzakelijke omslagen te benoemen. We zullen daarbij in het bijzonder ingaan op het splitsend denken dat kenmerkend is voor de moderniteit, de spanning tussen orde en chaos en de drang tot harmonie en consistentie.

Als uitgangspunt, zowel bij de analyse als bij de oplossingen, nemen we het constructivisme. We stellen betekenisgeving centraal. We verstaan daaronder dat we de werkelijkheid slechts kunnen benaderen door er betekenis aan te geven. We vormen ons beelden van de werkelijkheid. Van dat onderscheid tussen beeld en werkelijkheid zijn we ons in de praktijk van alledag lang niet altijd goed bewust. Beelden kunnen voor ons zo vanzelfsprekend zijn dat ze in onze beleving samenvallen met “de” werkelijkheid.


Moderniteit

De periode vanaf het einde van de achttiende eeuw tot eind twintigste eeuw wordt wel geduid als de moderniteit. Die periode onderscheidde zich van de Middeleeuwen doordat afhankelijkheden werden doorbroken die voorheen als vanzelfsprekend werden geaccepteerd. Voortbouwend op de Verlichting werden kerkelijke en wereldlijke structuren onderwerp van discussie. Die machten vormden niet langer de vaststaande kaders waarbinnen het leven zich voltrok. De Renaissance kan worden gezien als een overgangsperiode waarin al de eerste signalen zichtbaar waren van hoe de mens zich ontworstelde aan tot dan toe dominante structuren. De mens was geroepen om zijn lot in eigen hand te nemen. Een treffend voorbeeld was Pico della Mirandola die in zijn “Rede over de Menselijke Waardigheid” opriep zelf vorm te geven aan je leven. Dat bracht hem, tekenend voor die tijd, in hevig conflict met Rome waar kerkelijke leiders niet gediend waren van dat (pre)moderne denken. De moderniteit doorbrak afhankelijkheden die tot dan toe vanzelfsprekend waren. De mens bleek in staat de werkelijkheid naar zijn hand te zetten. De werkelijkheid was kenbaar en manipuleerbaar. De mens werd regisseur in plaats van pion in een geprogrammeerd spel waar hij geen vat op had.


De moderniteit heeft ons veel gebracht. Nieuwe technologie stelde in staat tot interventies. De werkelijkheid was niet langer gegeven maar was kneedbaar. De huidige welvaart was anders niet denkbaar geweest. Ambachtelijkheid werd vervangen door efficiënte productie op grote schaal. Traagheid moest wijken voor jachtigheid. Economische wetten werden bepalend. Rationaliteit werd dwingend. De wetenschap boekte grote vooruitgang op vrijwel elk gebied. We ontwikkelden kennis die tot een betere gezondheidszorg leidde. Er werden nieuwe producten ontworpen die het leven veraangenaamden. In de landbouw nam, zeker vanaf de vijftiger jaren van de vorige eeuw, de productiviteit enorm toe. We werden minder afhankelijk van het klimaat en niet langer van de welgezindheid van goden.

De moderniteit leverde niet alleen voordelen op. De eerste kritische geluiden waren er al in de negentiende eeuw. Marx hekelde het onderliggend economisch systeem waardoor weinigen de voordelen genoten maar waarin de grote massa’s aanvankelijk weinig merkten van de vooruitgang. Sterker nog, zij werden instrument binnen een systeem dat tot kapitaalophoping leidde bij de bovenlaag. Weber richtte zich op de ontmenselijking en vervreemding. Rationaliteit werd alles overheersend. Ook kwam er toenemende kritiek op de arbeidsomstandigheden. John Stuart Mill toonde zich voorstander van groei maar stelde ook dat er een moment zou komen dat de wereld de groei niet meer zou aankunnen. Hij hoopte dat de mensheid tijdig dat moment zou onderkennen en zou overschakelen naar een stationaire economie. Die hoop bleek ijdel zoals we weten. En voor zover dat gevaar 100 jaar later werd onderkend, zoals door de Club van Rome, werd daar aanvankelijk weinig aan gedaan. Thans is het besef tamelijk algemeen dat we te ver zijn doorgeslagen met processen van modernisering. Vragen rond duurzaamheid staan hoog op de agenda. Het besef is gegroeid dat ingrijpende veranderingen nodig zijn om weer in evenwicht te raken met onze omgeving. Een economisch systeem dat dominant is ten opzichte van de natuur en dat dwingt tot voortdurende groei is niet langer houdbaar.


Ordenen

Ordenen veronderstelt criteria aan de hand waarvan we ordenen. Wat valt er te zeggen over het betekeniskader dat aan de basis ligt van onze ordeningen? Er zijn enkele begrippen die centraal staan binnen het betekeniskader van de moderniteit. Allereerst het streven naar rationaliteit. Rationalisering wordt wel gezien als het centrale begrip en als alles overheersende kracht. Rationalisatie veronderstelt ordening. Rationeel denken en handelen betekent dat we een onderscheid maken tussen het rationele en het irrationele. We kiezen ervoor rationeel te handelen. We kunnen zaken beter georganiseerd aanpakken dan te handelen in het wilde weg. Organisaties kunnen worden opgevat als constructies die zijn gebouwd op een rationeel fundament. We formuleren functies en procedures. We formuleren verantwoordelijkheden en op basis daarvan kennen we bevoegdheden toe. Problemen pakken we georganiseerd aan. We plannen welke activiteiten we in welke volgorde ondernemen. Datzelfde geldt in de wetenschap. We ordenen wetenschappelijke activiteiten langs de lijnen van disciplines. We stellen criteria op aan de hand waarvan we bepalen of kennis al of niet een wetenschappelijke status heeft. We detailleren onze kennis steeds meer. Onze universiteiten werden geordend op basis van disciplines.

We willen hier de aandacht richten op de contramal van ordenen. Op datgene dat niet in onze ordeningen past. Het is er wel maar we beschouwen het als betekenisloos. Een crisis kan dan worden opgevat als een ervaring waarin onze ordeningen aan het wankelen wordt gebracht. We dachten alles keurig te hebben geordend maar plotseling worden we geconfronteerd met gebeurtenissen die niet passen in onze ordeningen. Ze verwarren ons. We proberen er grip op te krijgen. Dat blijkt vervolgens niet goed te lukken met gebruikelijke interventies. De werkelijkheid toont zich resistent. Er kan een moment ontstaan waarop we ons ervan bewust worden van een werkelijkheid die niet in onze ordeningen past. We worden gedwongen om de vanzelfsprekendheden en uitgangspunten waar ons betekeniskader op is gebaseerd, kritisch tegen het licht te houden. Met mogelijk als uitkomst dat we gaan inzien dat wat niet in onze ordeningen past toch betekenis kan hebben en relevant kan zijn. Mogelijk hebben we een (te) hoge prijs betaald voor onze neiging tot ordening en zien we ons gedwongen te onderkennen en erkennen dat het buitengeslotene, de chaos dus, een boodschap bevat die ons verder kan helpen.


Ordenen en chaos

Het nodigt uit om onze ordeningen en vooral ook de processen van ordening nader te beschouwen. Ordenen betekent dat we een scheiding aanbrengen tussen wat zich laat ordenen en wat niet in onze ordeningen past. Als ordening uitgangspunt is, valt datgene wat niet in de ordeningen past buiten boord. Het is betekenisloos. Het is chaos. Zo beschouwd kan chaos worden opgevat als de contramal van het geordende. De niet te ordenen werkelijkheid bestaat wel maar binnen onze ordeningen is er geen plaats voor. Ordening heeft dus ook een andere kant. Chaos is het gevolg van ordening. Ordening als producent van chaos dus. Het ongeordende krijgt doorgaans niet zoveel aandacht. Per definitie niet. Het ongeordende betreft de werkelijkheid die buiten onze ordeningen valt. Als we rationaliteit centraal stellen hebben we geen belangstelling voor het irrationele. Als we logisch willen denken hebben we geen aandacht voor wat we als onlogisch beschouwen. Als we nieuwe kennis willen bereiken door te redeneren hebben we geen belangstelling voor het onberedeneerbare.

In wat volgt zullen we ingaan op drie kenmerken van ordenen, namelijk het splitsend karakter van ordenen, de zucht naar een allesomvattende consistentie en de onbetwistbaarheid van onze ordeningen. We zullen overheidsbeleid als referentiekader gebruiken omdat de overheidspraktijk e.e.a. helder illustreert.


1. Splitsend denken en handelen

Kenmerk van ordenen is dat we spitsend denken. We maken een onderscheid tussen het geordende en wat buiten de ordening valt. Om dat onderscheid te begrijpen is het nuttig ons te verdiepen in de criteria aan de hand waarvan we ordenen. Wat valt er te zeggen over het betekeniskader met betrekking tot ordenen? Zoals aangegeven was het denkkader van de moderniteit gebaseerd op rationaliteit, op redeneren. Elementen daarin waren (en zijn) het lineaire, het binaire en het logische denken. Onderscheidend denken staat centraal. Analyseren houdt in dat we een splitsende benadering kiezen. We onderscheiden aspecten aan vraagstukken. We ontleden de werkelijkheid in delen. We onderkennen aspecten aan vraagstukken. We onderscheiden economische, sociale, juridische en technische aspecten. En vervolgens richten we onze instituties in langs de lijnen van het onderscheid dat we maken. Binnen organisaties onderscheiden we een Afdeling Economische Zaken, een Afdeling Juridische zaken enz. Dat vormt ook de basisstructuur voor de toedeling van verantwoordelijkheden aan Ministeries. We hebben ons op rationaliteit gebaseerde betekeniskader geïnstitutionaliseerd.

Dat splitsend denken werkt ook door op een hoger niveau. Dan doelen we op de spanning tussen wat onze systemen omvatten en wat ze buitensluiten. Organiseren werkt intern ordenend en extern uitsluitend. Logischerwijze is de energie binnen onze systemen intern gericht. Het buitengeslotene krijgt geen of veel minder aandacht, enkel omdat het buitengesloten is. Wanneer we te maken hebben met gebeurtenissen of situaties die niet kunnen worden ingepast binnen dit stelsel, dan zijn deze betekenisloos. Wat niet kan worden geordend, wordt beschouwd als chaos. Chaos toelaten zou het bouwwerk verstoren. We wensen het uitgangspunt van harmonisatie niet overboord te zetten. Wanneer het spant zal de niet-inpasbare werkelijkheid moeten wijken.

Dat splitsend denken is onderwerp geweest van kritiek. Een belangrijk kernpunt in die kritiek is het verschil tussen scheiden en onderscheiden. We kunnen aspecten onderscheiden in vraagstukken maar het gaat fout wanneer we die aspecten als basis gebruiken voor onze modellen. Onderscheiden wordt dan de basis voor scheiden. Het splitsend denken maakt de werkelijkheid overzichtelijk maar ook die overzichtelijkheid is geconstrueerd. We houden die echter voor “echt”. Het buitengeslotene is vanzelfsprekend buitengesloten en betekenisloos. Zo zijn we zelf de constructeurs van de vervreemding. Wat betekenisvol is voor burgers kan betekenisloos zijn voor de overheid. Het formele betekeniskader van de overheid treffen we heel expliciet aan in ons regelsysteem. We leggen in wetten, verordeningen en bestemmingsplannen heel precies vast wat “in de zon van deze regeling moet worden verstaan onder …. “ waarna doorgaans een hele reeks heel gedetailleerde definities volgt. Maar tekens weer blijkt de praktijk veelkleuriger dan in de regelingen verondersteld. Voortdurend krijgen we te maken met praktijksituaties die het noodzakelijk maken ons af te vragen of iets wel of niet onder de definities valt zoals die in onze regelingen zijn opgenomen. Moeten we een verzameling stenen beschouwen als een bouwwerk? Is een weiland met populieren een bos, zij het dat er gras groeit tussen de bomen of een weiland, zij het dat er bomen in het gras staan? Een zo op het eerste gezicht weinig relevante vraag die echter in de tachtiger jaren op het Ministerie van Landbouw de gemoederen lange tijd bezig hield. Het antwoord bepaalde namelijk of de eigenaar c.q. pachter in aanmerking kwam voor Brusselse steunmaatregelen, dan wel of de Boswet van toepassing was. Wanneer moeten inkomsten van regelmatige verkoop van kanaries worden beschouwd als belastbare inkomsten? Moet een stint volgens de Wegenverkeerswet worden beschouwd als een motorvoertuig? Bovendien is er sprake van voortdurende manipulatie. Het komt erop neer dat de overheid een allesomvattend definitiekader heeft geconstrueerd maar dat wordt telkens weer door de werkelijkheid achterhaald. We proberen een zeer dynamische werkelijkheid in een statisch en moeilijk veranderbaar kader te dwingen. De overheid heeft daardoor slechts belangstelling voor een deel van de maatschappelijke werkelijkheid (gebied A) betekenisvol is voor de overheid. Een ander deel blijft buiten beeld. Het bestaat wel maar is voor de overheid betekenisloos.

Problemen die door burgers of door de politiek worden aangedragen en die om ingrijpen door de overheid vragen, worden eerst zodanig geherformuleerd dat ze binnen de geldende beleidskaders passen. In wezen is dat de omgekeerde wereld. Terwijl beleid bedoeld is om de maatschappelijke werkelijkheid te veranderen dwingt ons beleidssysteem ertoe dat we de maatschappelijke werkelijkheid aan het beleidskader aanpassen. Maatschappelijke vraagstukken moeten hanteerbaar worden gemaakt zodat ze kunnen worden aangepakt met behulp van de instrumenten die de overheid ter beschikking staan. Anders gezegd, de omkering houdt in zijn uiterste consequentie in dat het doel van beleid niet is om een probleem op te lossen maar om het probleem aan te passen aan de beschikbare instrumenten en aan de regels die gelden voor de toepassing van die instrumenten. De instrumenten bepalen wat oplosbaar is. Oplossingen worden ondergeschikt gemaakt aan de instrumenten.

Die herformulering van maatschappelijke vraagstukken aan het beleidskader is overigens nog niet zo eenvoudig. Het beleidskader van de overheid is uiterst complex en wel om meerdere redenen. Allereerst is gaandeweg een uiterst omvangrijk stelsel van regels tot stand gekomen waarin de overheid haar kijk op de werkelijkheid met grote nauwkeurigheid heeft vastgelegd. Daar komt bij dat het stelsel ook ingewikkeld is samengesteld. Dat begint al met de constatering dat de overheid zelf complex is. De bevoegdheid tot regelgeving berust bijvoorbeeld bij de landelijke overheid, bij provincies, bij gemeenten en bij waterschappen. Dat geeft met grote regelmaat aanleiding tot vaak ingewikkelde discussies over de bevoegdheidsverdeling en over de vraag hoe een gemeentelijke regeling zich verhoudt tot landelijk vastgesteld beleid. Daar komt bij dat de laatste decennia veel bevoegdheden zijn overgedragen aan de Europese Unie wat eveneens heeft geleid tot veel regels die binnen ons juridisch systeem voorrang hebben boven landelijk, provinciaal en lokaal vastgestelde regels. Ook daarbij spelen voortdurend interpretatievragen van juridische aard. Kortom, doel van ordening is overzichtelijkheid maar ordening kan ook de bron zijn van complexiteit.

Die spanning tussen het formele betekeniskader van de overheid en hoe de werkelijkheid wordt beleefd door burgers is een belangrijke bron van vervreemding. Die vervreemding wordt tastbaar en vooral ook intens voelbaar wanneer we in formele procedures geen begrip vinden voor wat we betekenisvol vinden. In geval sprake is van verschillen geeft het formele betekeniskader de doorslag. Immers, de macht van de overheid is in wezen definitiemacht. De overheid beschikt over het vermogen de formele definities zoals die in wetten vastliggen, dwingend op te leggen. En de macht van rechters om recht te spreken is beperkt door de scheiding van machten. Rechters mogen enkel toetsen aan geldende regelgeving en voorts aan jurisprudentie. Dat kan tot gevolg hebben dat het betekenisloze maar moeilijk kan doordringen tot de formele en rationeel geconstrueerde werkelijkheid.

Dat strakke onderscheid verdient overigens nuancering. Het betekenisloze is niet geheel onmachtig. De grens tussen het geordende en chaos blijkt doorlaatbaar. De wijze waarop gebeurtenissen en situaties betekenis krijgen biedt ruimte om die zodanig te interpreteren dat die binnen het geldende betekeniskader vallen, dan wel daarmee in strijd zijn. Er is doorlaatbaarheid in beide richtingen. Er zijn krachten werkzaam die het ongeordende doen doordringen tot de geordende werkelijkheid. Omgekeerd kan het voorkomen dat wat past binnen onze ordeningen wordt gepresenteerd als chaos. Het uitgangspunt van het constructivisme en van betekenisgeving biedt mogelijkheden om de strakke grenzen zoals we die in het beleid hebben vastgelegd te omzeilen. Een paar voorbeelden. We zijn druk om inkomsten zodanig betekenis te geven dat ze buiten belastingheffing blijven. In het strafrecht proberen advocaten een zodanige voorstelling van een handeling te geven dat er geen sprake is van een strafbaar feit. Of men probeert een investering zodanig te presenteren dat deze valt binnen de definities van een subsidieverordening. Aan de grens tussen het geordende en het buitengeslotene is sprake van manipulatie van betekenisgeving. Men construeert beelden, al naargelang men het buitengeslotene naar de formele werkelijkheid wil overbrengen, dan wel ervoor kiest situaties en gebeurtenissen als behorend tot het buitengeslotene te presenteren. Die lijst is eindeloos aan te vullen. Het is een belangrijke bron van werkgelegenheid voor advocaten, accountants, belastingconsulenten, subsidieadviseurs en andere adviseurs op juridische terrein. Hoe dan ook, we manipuleren de werkelijkheid zodanig dat die in onze ordening kan worden geperst, dan wel betekenisloos is. Los van dergelijke manipulatie op het grensvlak van het betekenisvolle en het betekenisloze hechten we er sterk aan ons formeel betekeniskader en de operationele uitwerking ervan overeind te houden. Het is weliswaar een ideaal plaatje maar de illusie van de werkelijkheid als een logisch samenhangend en alles omvattend systeem geven we niet graag op. Desnoods passen we ons beeld van de werkelijkheid zodanig aan dat we de illusie overeind kunnen houden.


2. Consistentie en harmonie.

Een ander punt is dat we ordenen op een consistente wijze. We streven naar een intern harmonisch samenhangend beleidskader. Die drang tot ordening staat in een logisch verband met onze opvattingen over hoe de overheid moet functioneren. Om willekeur te vermijden in overheidsoptreden hebben we beginselen van behoorlijk bestuur. We willen graag een samenhangend en allesomvattend regelcomplex. De inspanningen zijn gebaseerd op de wens tot harmonie. Zie de rechtspraak, bijvoorbeeld op het terrein van de ruimtelijke ordening. Uitspraken moeten zich verhouden tot eerdere uitspraken. Als daarvan wordt afgeweken in een overheidsbesluit kunnen burgers een geslaagd beroep doen op eerdere besluiten in min of meer gelijke of gelijkwaardige situaties. Jurisprudentie is een geldende rechtsbron, ook al is die niet in wetten terug te vinden. Wijst een rechter in een nieuwe casus een dergelijk beroep af, dan zal hij moeten aangeven waarom dat het geval is. Dat houdt vaak in dat de rechter kiest voor een nog verdere specificatie. Er worden bijvoorbeeld nieuwe elementen onderscheiden in een casus op grond waarvan wordt geconcludeerd dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet gerechtvaardigd is. Daarmee ontstaat nieuwe jurisprudentie die het formele betekeniskader nog complexer maakt. Ook van belang is het motiveringsbeginsel. Besluiten moeten worden onderbouwd en wel zodanig dat een besluit zich logisch verhoudt tot geldende regels. Die argumentatie moet berusten op een rationele en logische redenering.

Die ambitie van een algemeen intern sluitend systeem willen we graag overeind houden. Het geldende betekeniskader wordt daarmee dominant ten opzichte van de veelkleurige werkelijkheid. Wat niet past in het geldende betekeniskader wordt betekenisloos geacht. In uitspraken van bestuursrechters wordt dat vaak treffend tot uitdrukking gebracht door na de afweging en standpuntbepaling in de uitspraak aan het eind de passage op te nemen dat “wat verder door partijen is aangevoerd dit (i.c. de afweging en het besluit) niet anders maakt”.

We harmoniseren. We willen overzichtelijkheid. We houden niet van chaos. De wetenschap moet ons daarbij helpen. In geval van twijfel kan de hulp van de wetenschap worden ingeroepen omdat die, zo veronderstellen we, in staat is tot eenduidige uitspraken te komen waardoor eventuele twijfel wordt weggenomen. We streven naar eenduidige kennis van de werkelijkheid. We willen heldere oorzaak-gevolg-relaties. Als er sprake is van complexe processen formuleren we vragen die zich lenen voor wetenschappelijk onderzoek op basis van geaccepteerde methodes. We dwingen dan de meerduidige werkelijkheid in eenduidige kaders omdat we hechten aan overzichtelijkheid en zekerheid.

De behoefte aan helderheid vullen we in door scherp tegenstellend te denken. We definiëren de beide polen van een tegenstelling zodat we tot heldere en onbetwistbare uitspraken kunnen komen. Zo zijn we binnen het overheidsbeleid gaandeweg gedetailleerdheid met helderheid gaan verwisselen. We streven naar eenduidigheid. Maar de eenduidigheid is een constructie van onszelf die we vervolgens via wetgeving dwingend opleggen aan burgers. Ook consistentie kan worden opgevat als een constructie.


3. Onbetwistbaarheid

Naast splitsen en consistentie/harmonie is er een derde aandachtspunt, namelijk onbetwistbaarheid. Dat leidt tot het criterium van eenduidigheid. Besluiten dienen helder te zijn en minimaal ruimte laten voor interpretatie. Is er wel sprake van onduidelijkheid en kunnen besluiten op meerdere wijzen worden uitgelegd, dan kan via proefprocedures helderheid worden afgedwongen. De rechter geeft dan een uitleg die voortaan geldend is. Het geheel aan definities en begrippen kan worden geduid als het formele betekeniskader van de overheid. Zoals aangegeven kan dat betekeniskader erg afwijken van hoe burgers situaties en gebeurtenissen beleven. In geval van verschillen is het formele betekeniskader dominant. De overheid heeft het recht formele betekenissen dwingend op te leggen aan de maatschappij.

Eenduidigheid leidt ertoe dat de overheid tot onbetwistbare uitspraken kan komen. Het geldende betekeniskader vormt de basis voor het opgebouwde en intern consistente stelsel van regels. Die consistentie mag geen onderwerp van discussie worden met als gevolg dat het eigen systeem dominant is. Maar het is een eenduidigheid en onbetwistbaarheid binnen een geldend betekeniskader dat we zelf hebben geconstrueerd. De werkelijkheid is niet eenduidig maar kan uiteenlopend worden betekend. Die reductie tot een eenduidige werkelijkheid en de daarin geldende definities leidt tot het buitensluiten van een werkelijkheid die er niet in past. Dat buitensluiten kan worden opgevat als de constructie van een werkelijkheid die niet in onze ordeningen past. Van dat constructieproces zijn we ons doorgaans niet bewust. Het formele betekeniskader is vanzelfsprekend en het buitengeslotene is er het impliciete gevolg van. Ordening betekent nu eenmaal uitsluiting zoals we zagen. Steeds weer blijkt dat het geordende beeld van de werkelijkheid op gespannen voet staat met de werkelijkheid zoals die door burgers wordt beleefd. Wat plaatsvindt houdt in wezen in dat een pluriforme werkelijkheid in een eenduidig kader wordt geperst. Zo beschouwd kan het formele beeld van de werkelijkheid het karakter krijgen van een illusie. Het is een mentale constructie van de werkelijkheid en naarmate die minder wordt gedeeld door burgers zal die steeds vaker onderwerp worden van juridische procedures. De toenemende juridisering kan dan worden opgevat als een symptoom dat het formele betekeniskader afwijkt van hoe burgers de werkelijkheid betekenis geven.


Het signaal van de chaos

Chaos ervaren we doorgaans als lastig. We willen die vermijden. Chaos verstoort het beeld van ordening. Chaos staat haaks op het ideaalbeeld dat we alles keurig hebben geregeld. Voortdurende chaos confronteert ons met onvermogen. We slagen er niet in de zaken op orde te brengen. Maar wellicht moeten we ons beeld van chaos bijstellen. Wellicht bevat chaos een boodschap, zoals is terug te vinden in de filosofie van Michel Serres.


Chaos kan ons bewust maken dat er een werkelijkheid is die relevant is maar die we te gemakkelijk terzijde schuiven, enkel omdat die niet kan worden ingepast in onze ordeningen. Daardoor komen we niet toe aan het onderzoeken van chaos en staan we niet open voor de betekenis van chaos. We definiëren de chaos weg.

We kunnen de werkelijkheid die niet in onze systemen past buitensluiten maar we kunnen er niet de werking aan ontnemen. De buitengesloten werkelijkheid meldt zich en stuurt ons voortdurend signalen. Maar het is allerminst vanzelfsprekend dat we die signalen binnen ons formele domein opvangen. We zijn er niet op ingesteld. Per definitie niet. We hebben er binnen ons formeel betekeniskader niet de woorden en begrippen voor. Het leidt ertoe dat we signalen interpreteren vanuit het formele betekeniskader. We herformuleren ze zodanig dat ze betekenis krijgen met behulp van formele begrippen. Dat heeft als risico dat we onszelf het zicht ontnemen op het wezen van maatschappelijke vraagstukken. Crises worden oppervlakkige rimpelingen. We trekken de vraagstukken binnen het formele domein. Dan worden ze hanteerbaar met behulp van formele benaderingen en instrumenten. Echter, in dat geval hebben we geen oog voor het wezen van de chaos maar neutraliseren we de signalen. We ontdoen het buitengeslotene van strijdigheid zodat het onderliggend probleem niet hindert. We manipuleren de betekenis ervan zodat we onze structuren overeind kunnen houden. Dat kunnen we lang volhouden. De ruimte voor manipulatie is aanzienlijk. Als de noodzaak van verandering echter onvermijdelijk wordt, bijvoorbeeld omdat we met niet te ontkennen vraagstukken te maken krijgen en een crisis uitbreekt, kan de reactie zijn dat iedereen het had zien aankomen. Iedereen wist dat het uit de hand zou lopen, dat het beleid niet houdbaar zou zijn en dat waarschuwingen stelselmatig werden genegeerd. Duurzaamheid als treffend voorbeeld. Dat we onvervangbare voorraden aantasten is bekend maar we zijn inventief om redeneringen te bedenken waarom er geen noodzaak is voor stevige ingrepen.

Het formele domein beschikt zo over een groot absorptievermogen. Onderliggende systeemproblemen blijven onbelicht omdat we slechts in de symptomen geïnteresseerd zijn. Problemen kunnen ons intens beroeren maar dat is op zichzelf geen garantie dat die problemen “problemen zijn in de zin van deze regeling”. Michel Serres duidt op het begrip ruis in onze communicatie. We moeten alert en ontvankelijk worden om de boodschap achter de boodschap op te vangen. Wat is de boodschap die vervreemding ons geeft? Wat hebben we gemist? Wat is de boodschap van burgers die niet gaan stemmen? Wat is de boodschap van het succes van een nieuw opgerichte politieke partij? We kunnen dat succes als een uiting van onvrede zien maar wat is de bron van die onvrede? Al te makkelijk wordt onvrede zodanig geduid dat we er met bestaande instrumenten op kunnen reageren. We rationaliseren dan de onvrede naar onze formele systemen. Dan pacificeren we onvrede als het ware. We regelen het niet-regelbare. We absorberen en detecteren dan onvrede waardoor we ons niet hoeven te confronteren met een fundamenteel onvermogen van ons formele systeem.

Of neem de coronacrisis die ons met onvermogen confronteert. Onze ordeningen zijn er gebrekkig op ingesteld en we worden gedwongen tot noodmaatregelen. Bij een dergelijke crisis worden we geconfronteerd met het onverwachte, met het irrationele, met het ongeordende. Dan laat het buitengeslotene zich niet langer weg definiëren. We worden dan gedwongen ons te verhouden tot wat we hadden buitengesloten.

Het komt erop neer dat we de veelkleurige en dynamische werkelijkheid in een beperkt en statisch formeel kader persen. Dat vraagt veel energie. Voortdurend wordt de overheid geconfronteerd met nieuwe beelden van de werkelijkheid. Natuurlijk kan het buitengeslotene formeel worden ontkend door de overheid. De houding is dan dat wat niet past niet bestaat. Maar ontkennen is niet altijd mogelijk. Men heeft formeel weliswaar de macht om te ontkennen maar in een democratie is dat niet gemakkelijk vol te houden. Het buitengeslotene meldt zich aan de voordeur en laat zich niet altijd gemakkelijk afwimpelen. We zijn er vanuit een formeel betekeniskader niet ontvankelijk voor. We moeten betekenis geven aan wat niet past in ons perspectief. Maar aanpassing van dat perspectief is lastig. Het buitengesloten vereist een plek maar die plek moet logisch worden ingepast binnen ons consistent beleidssysteem. Dat vraagt alsmaar meer inspanning naarmate het formele betekeniskader gedetailleerder en dus complexer wordt. Nog lastiger is wanneer het nieuwe, het ongeordende en het onverwachte een wijziging van ons perspectief noodzakelijk maakt. Dat moet het geldende stelsel inclusief de daaraan ten grondslag liggende uitgangspunten onderwerp van discussie worden omdat we anders het betekenisloze niet serieus nemen. Maar het formele betekeniskader is een zorgvuldig geconstrueerd systeem. Binnen dat systeem hangt alles met alles samen. Verandering van onderdelen hebben effect op het gehele systeem.

Aan de orde is of we de relatie tussen ordening en chaos niet opnieuw moeten bezien. Chaos is het resultaat van ordening. Ordening en chaos zijn onlosmakelijk aan elkaar gekoppeld. Zonder ordening geen chaos. Chaos is door ons gecreëerd, niet als bewuste activiteit maar als onlosmakelijk gevolg van ons ordenen.


We lopen vast

De spanning tussen het geordende en de chaos heeft de afgelopen decennia veel aandacht gekregen. We hebben ervaren dat planningsbenaderingen vaak niet goed werken. En dat splitsend denken niet tot duurzame oplossingen leidt maar tegenstellingen eerder kan vergroten. Er zijn permanent pleidooien voor integrale aanpak van problemen maar onze instituties zijn er niet goed op ingericht. En steeds weer blijkt dat gewenste veranderingen worden belemmerd door onze eigen regels. Er is van alles geprobeerd zoals blijkt uit een lange en continue stroom van reorganisaties en herschikkingen. Bij kabinetsformaties worden taken anders toegedeeld aan ministeries. Of we hevelen verantwoordelijkheden over van rijk naar gemeenten in de veronderstelling dat problemen dan beter kunnen worden aangepakt. Kleine aanpassingen presenteren we graag als doorbraken, als systeemveranderingen en als strategische keuzes. We formuleren stevige ambities in fraai vormgegeven documenten maar bij de uitwerking in de praktijk blijken er sterke krachten werkzaam die het vernieuwende neutraliseren en die wat geïnspireerd begon doet uitmonden in routines die vooral het verleden herhalen in plaats van de toekomst te ontwerpen. De invoering van de nieuwe Omgevingswet kan als voorbeeld dienen. Zonder iets af te willen doen aan de ambities en de noodzaak van een nieuw systeem van ruimtelijke ordening toont de invoeringspraktijk tal van fundamentele problemen en praktische bezwaren. Zoals op juridisch terrein. Welke gevolgen heeft een nieuw planologisch systeem voor bestaande rechten die we nu stevig hebben verankerd? Zo geeft een milieuvergunning het recht op verontreiniging. Daar hebben ondernemers hun investeringen op afgestemd. Wordt ons systeem van rechtsbescherming niet uitgehold? Kortom, de droom over morgen resulteert in praktijken van eergisteren.

Hoe noodzakelijk ordening ook was en is, we moeten tevens vaststellen dat we in de ogen van velen niet op de goede weg zijn. Er zijn starre op wetten gebaseerde structuren. Bureaucratie is lastig uit te roeien vanwege de eisen die we stellen aan regelgeving. Procedures zijn vaak tijdrovend. Er is sprake van sterke twijfels of we bereiken wat we willen. Het lijkt allemaal logisch en doordacht maar velen hebben het gevoel dat we zijn vastgelopen. Dat betreft niet alleen de beleidssfeer maar ook ons politieke systeem waarin politiek vooral partijpolitiek is en de drang tot profilering moeilijk is te onderdrukken. Is ons stelsel van partijpolitiek niet aan herziening toe? Werkt ons systeem van vertegenwoordiging nog wel? Kan de vervreemding tussen politiek en burger niet worden doorbroken door referenda? Moeten we niet naar kleinschaligheid en het proces van gemeentelijke herindelingen schrappen? Rechtsbescherming is belangrijk maar hebben we dat wel goed georganiseerd? Hoe kunnen we een eind maken aan jarenlang voortslepende procedures zoals in het asielbeleid? Of aan de overbelasting van het rechtssysteem? De lijst is eindeloos.

In beleid zien we hetzelfde. We worden geconfronteerd met situaties en gebeurtenissen die niet in onze kaders passen. De vraagstukken houden zich niet aan onze ordeningen. Nieuwe ontwikkelingen kunnen niet worden ingepast binnen ons systeem. De maatschappelijke realiteit confronteert ons met problemen die zich niet laten ordenen, althans niet binnen de geldende ordeningen. Onze begrippen en schema’s schieten tekort. Een verwijzing naar Deleuze is hier op zijn plaats. Die roept het beeld op van een rizoom, een ondergronds wortelstelsel dat zich op onvoorspelbare plaatsen en op onvoorspelbare tijdstippen vertakt. Onze systemen kunnen daar niet mee omgaan, hoe zeer we ook ons best doen. We schoffelen wanneer de loten van het wortelstelsel zich bovengronds vertoont maar dat tast het worstelstelsel niet aan. We bestrijden symptomen.


Hoe nu verder?

Onze pogingen tot verandering leiden vaak tot nuanceringen en preciseringen van geldende begrippen en definities zoals we zagen. Dat heeft tot effect dat we ons formele betekeniskader eerder nog verder versmallen dan verbreden. Onze beleidsdoelen worden steeds gedetailleerder. Dat zijn geen oplossingen in de eigenlijke zin van het woord. We verengen en detailleren ons formele perspectief waardoor we juist nog minder open staan voor de werkelijkheid. Het geheel van definities en interpretaties werkt steeds meer hinderend bij het realiseren van noodzakelijke veranderingen. De institutionalisering van het formele betekeniskader vormt een extra belemmering. Zonder institutionele ingrepen komt wezenlijke verandering niet van de grond. De onderliggende vraagstukken blijven onaangeroerd. Onze systemen hebben een zekere resistentie opgebouwd. We moeten een slag dieper. Dat betekent niet meer als vanzelf erop vertrouwen dat we door onze ordeningen te verbeteren de problemen oplossen. De draai die aan de orde is houdt in dat we de relatie tussen ordening en chaos nader moeten bezien en vernieuwend moeten onderzoeken. Dat betekent dat we niet langer enkel moeten focussen op de werkelijkheid binnen onze systemen maar ook het buitengeslotene moeten verkennen. Aandacht geven aan de chaos dus en de spanning tussen ordening en chaos in een nieuw perspectief plaatsen. Die benadering ligt overigens niet erg voor de hand. We zijn doorgaans geneigd de aandacht te richten op de wereld binnen de systemen en niet zozeer op de buitenwereld. We zouden kunnen overwegen ons niet te concentreren op wat systemen omvatten maar juist op wat ze buitensluiten. Dat houdt in dat we ons niet langer vooral inspannen om de werkelijkheid binnen onze plannen en organisaties te dwingen.

Die ongebruikelijke stap vraagt een ongebruikelijke aanpak. We moeten op zoek naar een nieuw perspectief en dat betekent nieuwe begrippen en concepten. In Deel II gaan we te rade bij de kwantumtheorie en verkennen we wat we kunnen leren van de overstap van lineaire fysica naar een totaal ander betekeniskader.


Literatuur

Deleuze, Gilles en Guattari, Felix, Rizoom, Uitgever: Rizoom, 1988

Latour, Bruno en Serres, Michel, Conversations on Science, Culture and Time, University of Michigan Press, 1995

Mill, John Stuart, Principles of Political Economy, Prometheus, 2004

Pico della Mirandola, Rede over de menselijke waardigheid, Historische uitgeverij, 2008

Serres Michel, Les Cinq Sens, Hachette Literature, 1998

Wagemans, Mathieu, Een Oceaan van Betekenisloosheid, een kritische analyse van beleid, politiek en wetenschap met een verwijzing naar de filosofie van Michels Serres, Digitalis, 2016


Mathieu Wagemans werkte 40 jaar binnen het Ministerie van Landbouw en hield zich o.a. bezig met nationaal en internationaal visserijbeleid, landbouwvoorlichting, milieubeleid en planologisch beleid. De laatste 10 jaar was hij werkzaam bij InnovatieNetwerk met aandacht voor institutionele aspecten rond systeemvernieuwing. Hij promoveerde in 1987 op het thema ambtelijke oppositie binnen het Ministerie. Voor de Wereldbank en de FAO vervulde hij missies naar landen in transitie (o.a. Rusland, China, Vietnam, Moldavië) met de nadruk op herschikkingen binnen overheidsinstellingen (Ministeries, kennisinstellingen). Daarnaast is hij ruim 35 jaar actief in de gemeentepolitiek, thans als raadslid voor de lokale partij Ronduit Open in Leudal. Hij heeft een bijzondere belangstelling voor vragen rond rationaliteit: de spanning tussen de theorie en de praktijk. Hij beheert de site: www.ontganiseren.nl

******************************************


Orde en chaos
Deel 2: Orde en chaos als complementaire relatie


Civis Mundi Digitaal #97


door Mathieu Wagemans


Inleiding


In Deel I (Splitsend denken) verkenden we de spanning tussen ordening en chaos. We stelden dat we institutioneel zijn vastgelopen maar ons tegelijkertijd moeilijk los kunnen maken van een door rationalisering overheerste context. We herhalen het verleden en door ons op rationaliteit en ordening gebaseerde denken en handelen is het lastig een nieuwe weg in te slaan. Maar wat zou die nieuwe weg moeten zijn? Wat is inspirerend perspectief dat uitzicht biedt op duurzame vernieuwing?


Om daar zicht op te krijgen zullen we een verdiepingsslag maken met aandacht voor een viertal onderwerpen. Die betreffen allereerst het dualisme. Als splitsend denken het probleem is, wat is dan de oplossing? Op de tweede plaats gaan we nader in op het subject-object denken. Wanneer dit voor het modernisme zo belangrijke onderscheid ons in de weg zit, in welke richting moeten we dan een alternatief zoeken? Vervolgens gaan we in op de vraag hoe we ons kunnen onttrekken aan het tegenstellend denken. En op de vierde plaats komt verbinding centraal te staan. We verkennen het begrip complementariteit. We zullen zien dat deze vier onderwerpen een samenhang vertonen maar daar is een andere logica voor nodig dan het lineaire, binaire en causale denken dat binnen de moderniteit centraal staat. We zullen daarbij enkele malen een uitstapje maken naar de kwantumtheorie. De overgang van het lineaire naar het kwantumdenken kan van nut zijn bij de omslagen waar we voor staan.


Het dualisme


In Deel I stelden we dat wat niet past in onze formele ordeningen moet wijken. Het ongeordende is betekenisloos. Per definitie. Het splitsend denken voert terug op Aristoteles en is gangbaar en dominant geworden binnen de westerse filosofie. In zijn filosofie vormt het dualistisch denken een belangrijk uitgangspunt. We onderscheiden en scheiden. Zo zijn lichaam en geest twee afzonderlijke begrippen. We maken en onderscheid tussen logisch en niet-logisch. Een uitspraak is waar of onwaar. Iemand is schuldig of onschuldig. Men heeft wel of niet recht op een vergunning. Een plan past in het beleid of is daarmee strijdig. De definities zoals die in wetten en regelingen zijn opgenomen zijn bepalend.

Dat werkt ook door in de wijze waarop we onze samenleving hebben georganiseerd. We hebben het geldend betekeniskader institutioneel vastgelegd. Het vormt de basis voor de inrichting van onze maatschappij en van instituties binnen die maatschappij. Logisch gevolg daarvan is dat we zijn georganiseerd rond tegenstellingen. We onderscheiden bijvoorbeeld organisaties van werkgevers en van werknemers. We kennen landbouw- en natuurorganisaties. We scheiden het economische van het ecologische en hebben daar afzonderlijke systemen voor ingericht. Het economische is gebaseerd op neo-liberaal denken en staat vaak op gespannen voet met wat ecologisch betekenisvol is. Die tegenstelling raakt de kern van de duurzaamheidsopgave. Maar dat tegenstellend denken zal ons niet redden. Uitgaan van tegenstellingen leidt op zijn best tot compromissen die we vaak pas na lang onderhandelen bereiken. Die compromissen geven geen zicht op duurzame oplossingen maar laten de onderliggende tegenstellingen in tact. Onderhandelingen kunnen ons niet helpen. De spanning blijft maar is door compromissen enigszins bedaard en gepacificeerd. Maar het zijn tijdelijke oplossingen met als risico dat de onvrede telkens weer oplaait. We hebben een economisch model dat dominant is ten opzichte van ecologische waarden. Bovendien is kenmerk van ons economisch systeem dat het groei vooronderstelt. Zonder groei geen continuïteit. Het economisch systeem heeft daardoor kenmerken van een kankergezwel: het neemt in omvang toe en werkt verdrukkend en onderdrukkend naar de omgeving. Compromissen als uitkomst van lange onderhandelingstrajecten helpen niet. We hebben daardoor de vraagstukken onvruchtbaar geformuleerd. Nodig is dat we door die tegenstellingen heen breken maar dat is lastig omdat we die tegenstellingen institutioneel hebben vastgelegd. Het systeem reproduceert zo zichzelf en is voorgeprogrammeerd op probleemvorming. Het is steeds weer de overheid die door regels op het vlak van natuur, milieu en gezondheid reparerend moet optreden om de zaak niet verder uit de hand te laten lopen. Maar het zijn veranderingen binnen het systeem maar niet van het systeem. Heel treffend komt dat met betrekking tot verduurzaming van de landbouw tot uitdrukking. Maatregelen op het vlak van duurzaamheid zijn aanvaardbaar mits ze economisch draagbaar zijn. Het economische is de maatstaf. Het probleem oordeelt zelf over de oplossingen en heeft bijgevolg het vermogen zichzelf in stand te houden.

We wezen reeds op de complexiteit waar we moeilijk vat op krijgen. Maar we kunnen ook stellen dat het een door onszelf geconstrueerde complexiteit is. Door te kiezen voor ordeningen construeren we zelf de chaos. Chaos is complex juist vanwege de wijze waarop we ordenen. En vervolgens benaderen we complexiteit door deze analytisch te benaderen. We onderscheiden aspecten en elementen conform onze institutionele structuren. Daardoor analyseren we complexiteit als het ware kapot. Juist door de wijze waarop we complexiteit benaderen dringen we niet door tot het wezen van complexiteit. Complexiteit vloeit logisch voort uit hoe we zijn georganiseerd.

Om ons daaraan te ontworstelen loont het te rade te gaan bij Deleuze. Die stelt dat we niet erg zorgvuldig omgaan met verschillen. We kiezen te makkelijk voor harmonisatie en uniformering maar weigeren daardoor problemen in het gezicht te kijken. We hebben geen of onvoldoende aandacht voor de aard en wezen van verschillen. De wens tot oplossingen te komen werkt vertroebelend. Deleuze kiest voor differentiatie. We moeten het wezen van de verschillen onderzoeken. Door het afwijkende “weg te definiëren” respecteren we de verschillen niet. Het buitensluiten is nodig omdat het afwijkende ons anders zou belemmeren onze illusies in stand te houden. Wat hindert en wat niet passend is, schuiven we terzijde zodat we de eis van harmonie overeind kunnen houden. Maar het is een valse uniformiteit. Uniformiteit is geconstrueerd.


Assemblages


Maar Deleuze gaat nog een stap verder. Met betrekking tot vragen rond identiteit stelt hij dat we ons daarvoor onterecht concentreren op objecten. Objecten ontlenen hun identiteit, zo menen wij, aan de inhoud van de objecten zelf. In plaats daarvan kiest Deleuze ervoor om de identiteit te zoeken in de relatie tussen objecten. Het onderscheid van een object ten opzichte van andere objecten bepaalt de eigenheid van een object. Het gaat dus niet om de vraag wat de werkelijkheid “is” maar om de relaties in de werkelijkheid. Een bekend begrip bij Deleuze zijn assemblages, verzamelingen van elementen die relaties met elkaar aangaan. Er kunnen zich regelmatig nieuwe assemblages vormen waarbij op zichzelf staande elementen onderling verbindingen aangaan. Een verwijzing ligt voor de hand naar het begrip contexten. Wanneer we met ingrijpende veranderingen te maken hebben en gebruikelijke analyses en daarop gebaseerde interventies blijken niet effectief, kan de overgang aan de orde zijn naar een nieuwe context, een geheel van omstandigheden, factoren, betekenissen en krachten waardoor de werkelijkheid in een nieuw perspectief wordt geplaatst. Dat nieuwe perspectief kan nieuwe kansen bieden op succesvolle interventies. Het doet denken aan pleidooien rond transities. Om tot systeemvernieuwing te komen moeten we de overstap te maken van een context van logisch en rationeel redeneren en argumenteren naar een nieuwe context, een nieuw betekeniskader waarin we de werkelijkheid vanuit een ander perspectief bezien. We moeten gevoelig worden voor het irrationele, voor wat zich niet laat beredeneren, althans niet via de gebruikelijke lineaire redeneerlijnen. We gaan ons dan realiseren dat wat we voor werkelijkheid houden een constructie is en dat ook andere constructies denkbaar zijn waarin elementen zich heel anders tot elkaar verhouden. Als voorbeeld kan het inzicht dienen dat op het vlak van criminaliteit de boven- en de onderwereld met elkaar verweven zijn geraakt. Het beeld dat criminaliteit exclusief moet worden gekoppeld aan de onderwereld is eenzijdig en dus beperkt. Door die perspectiefwijziging zijn we gaan inzien dat juist het onderscheid tussen bovenwereld en onderwereld ons belemmert om tot effectief beleid te komen. Er is dan een herschikking nodig van instrumenten en methodes en van opsporingsbeleid in het algemeen. Vergelijk ook de beleidspraktijk waarin we te maken krijgen met wat wel als “wicked problems” wordt geduid. We krijgen er moeilijk vat op omdat ze niet in onze ordeningen passen. Anders gezegd, we veroorzaken die problemen (deels) zelf. We ontrafelen complexe problemen analytisch in onderdelen en aspecten waardoor we voorbij gaan aan het wezen ervan. Vervolgens doen we een greep uit de gebruikelijke verzameling van instrumenten en procedures die het probleem in stand houden in plaats van het op te lossen. We koesteren de problemen door ons tevreden te stellen met illusies.


Het onderscheid tussen subject en object


Het dualistisch denken ligt ook aan de basis van het onderscheid tussen subject en object. Dat onderscheid zien we heel expliciet terug bij Descartes. De mens staat in een onafhankelijke situatie ten opzichte van de werkelijkheid. Gevolg daarvan is dat die werkelijkheid objectief kon worden onderzocht en dat we in staat zijn tot onbetwistbare en ware kennis te komen. We plaatsen vraagstukken op afstand en nemen zelf een afstandelijke houding aan. We analyseren vraagstukken zonder dat we ons er als persoon verbonden mee te voelen. Subject en object zijn losgekoppeld. Nu heeft objectiviteit voordelen. In beleid kunnen we zonder aanziens des persoons tot objectieve besluiten komen. In de wetenschap kunnen we tot objectieve en ware kennis komen omdat onze methoden persoonlijke elementen uitzuiveren. Althans, dat is het beeld. We vormen ons een beeld van de werkelijkheid dat ons in staat stelt onze ambities op het vlak van gelijkheid, rechtvaardigheid en waarheid waar te maken. Waarheid is geconstrueerde waarheid. Het vermijden van willekeur in overheidsoptreden is mogelijk omdat we een constructie van de werkelijkheid hebben gemaakt die ons daartoe in staat stelt. Het bovenstaande geeft weer hoe we doorgaans orde en chaos benaderen.

Kern van het constructivisme, zo stelden wij, is dat de werkelijkheid aan ons verschijnt afhankelijk van de betekenis die we eraan geven. De waarneming is gekoppeld aan het waargenomen object. Het uitgangspunt is dat wat we voor werkelijkheid houden in wezen een constructie, een afbeelding van de werkelijkheid is. Dat betekent een onlosmakelijke koppeling tussen subject en object. Ze zijn in elkaar verstrengeld. Nicolescu stelt dat objectieve kennis enkel bereikbaar is door het subject te doden. Het subject is doodgemaakt in ons streven te komen tot objectieve kennis. Die andere kijk op objectiviteit betekent een ingrijpende verandering ten opzichte van de benadering van de moderniteit. Die benadering hield in dat de werkelijkheid onderzoekbaar was en in staat stelde tot objectieve, dat wil zeggen definitieve en ware kennis te komen. Subject en object waren gescheiden.

Het loslaten van objectiviteit heeft ingrijpende consequenties. Waarheid is afhankelijk van de betekenis die we aan de werkelijkheid geven. Waarheid is perspectief-gebonden waarheid. Waarheid geconstrueerde waarheid. Objectiviteit is geconstrueerde objectiviteit.

Nu had objectiviteit voordelen. Objectiviteit bood zekerheden. Daarvan is niet langer sprake wanneer we de werkelijkheid afhankelijk maken van de betekenis die we eraan toekennen. Zekerheden worden dan geconstrueerde zekerheden. Dat geeft een andere kijk op ons formele betekeniskader dat ten grondslag ligt aan onze bestuurs- en beleidsmodellen. Die modellen komen beredeneerd tot stand met als gevolg dat er het niet-beredeneerbare geen plaats is. We proberen dat weliswaar maar daarmee reduceren we de werkelijkheid tot een schijnwerkelijkheid. Gevoelens laten zich bijvoorbeeld niet regelen maar wij proberen het wel. In de psychiatrie bijvoorbeeld ordenen we aandoeningen door ze te categoriseren. Het DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) bevat een gedetailleerd overzicht van aandoeningen inclusief daarbij horend gedrag. Het zijn beredeneerde definities die als zodanig ontdaan zijn van de gevoelsdimensie. Anders gezegd: gevoelens worden gedefinieerd maar de definities kunnen niet het wezen uitdrukken van gevoelens. Dat stelsel heeft primair als strekking om aan de hand van definities te ordenen. Gaandeweg heeft het DSM echter (zoals de naam overigens ook aangeeft) een diagnostische betekenis gekregen. De conclusie dat bij een patiënt sprake is van een bipolaire stoornis veronderstelt kennis en inzicht terwijl het in wezen slechts de vaststelling is dat de aandoening samenvalt met een definitie uit het DSM. Aan de ordening wordt inzicht toegedicht.   


Hoe waarden kapot worden geredeneerd en georganiseerd


We treden de werkelijkheid redenerend tegemoet. Redeneren krijgt zo een betekenis die veel verder gaat. Het ligt voor de hand dat we redeneren wanneer belangen moeten afwegen. Dat past binnen een rationele benadering. Maar het gaat mis wanneer we waarden redenerend benaderen. Dan gaat het op rationaliteit gebaseerde redeneren ook invloed uitoefenen naar fundamentele waarden. Het subjectieve wordt dan onderwerp van redeneren. Een paar voorbeelden. We streven naar een rechtvaardige samenleving. Daartoe stellen we regels op die bedoeld zijn om ieder te geven waar iemand echt op heeft. We hebben waarden zodanig geoperationaliseerd dat we menen onrecht te hebben uitgebannen. Ons juridisch stelsel van formele en materiele regels moet voorkomen dat mensen onrechtvaardig worden behandeld. Daartoe hebben we de werkelijkheid gereduceerd tot een regelbare werkelijkheid. We stellen al redenerend en afwegend langs democratische weg regels op. Rechters oordelen vervolgens of er wel of niet in overeenstemming met de regels is gehandeld. Zij maken vervolgens een gemotiveerde afweging. Een vonnis kan worden opgevat als een constructie die tot de conclusie leidt of bijvoorbeeld een overheid gehandeld heeft conform de regels. Of dat die regels door burgers zijn overtreden. Het formele betekeniskader van de overheid vormt daarbij dus de toetssteen om te beoordelen of het handelen van overheid of burgers correct was. Nu blijkt dat formele betekeniskader van de overheid nogal af te wijken van de leefwereld van burgers zoals we stelden in Deel I. Het formele betekeniskader is buitengewoon ingewikkeld. Alledaagse ervaringen van burgers moeten vertaald worden naar het formele betekeniskader. Dat vraagt een deskundigheid waarover burgers doorgaans niet beschikken. Men heeft de hulp van juisten nodig om de vertaalslag te maken. Rechtvaardigheid kan zo een kwestie worden van vaardigheid in het recht. Wanneer men de juridische redeneerlijnen goed beheerst heeft men meer kans op een gunstige uitkomst. Zo is denkbaar dat burgers een besluit van de overheid als onrechtvaardig ervaren terwijl dat naar het oordeel van de rechter in overeenstemming is met geldende regels. De exclusieve nadruk op het rationele kan zo tot beslissingen leiden die in de beleving van burgers niet door de onderliggende argumenten kunnen worden gedragen.

Een tweede voorbeeld heeft betrekking op integriteit. Integer handelen heeft de laatste jaren steeds meer aandacht gekregen. Diverse voorbeelden van niet-integer handelen hebben veel aandacht getrokken. Dat is verklaarbaar. Integer handelen wordt vanzelfsprekend geacht en wanneer zich voorbeelden van niet-integer handelen voordoen krijgen die veel aandacht. Maar wat beschouwen we als integer handelen? Mag een bestuurder regels overtreden om daarmee een burger die in de problemen zit te helpen? Is dat toegestaan mits de bestuurder zelf er geen voordeel van heeft? Dat zijn normatieve vragen. Vragen rond integriteit hebben een belangrijk gevoelscomponent. Gevoelens laten zich echter lastig regelen. We kunnen ze niet rationeel afwegen. Gevoelens laten zich niet tegen elkaar wegstrepen. En dus zijn er verordeningen tot stad gekomen rond integriteit. We definiëren integriteit. Je mag cadeaus aannemen mits de waarde ervan lager is dan 50 euro.

Verantwoordelijkheid


Een derde voorbeeld betreft de wijze waarop we verantwoordelijkheid hebben geregeld. Toedeling van verantwoordelijkheden en van de daarop gebaseerde bevoegdheden neemt binnen de ordening van het publieke domein een centrale plaats in. Logisch ook want die toedeling bepaalt wie gerechtigd is besluiten te nemen. In juridische procedures tegen overheidsbesluiten is de vraag of een orgaan bevoegd was het bestreden besluit te nemen een van de eerste aandachtspunten. Wanneer die bevoegdheid omstreden is, is dat een krachtige basis om een onwelgevallig besluit onderuit te halen. Ook met betrekking tot verantwoordelijkheden denken we in termen van tegenstellingen die we heel gedetailleerd uitwerken. Waar houdt de verantwoordelijkheid van het ene orgaan op en begint die van het andere orgaan? We definiëren verantwoordelijkheid en delen die binair toe. Je bent wel verantwoordelijk en bevoegd of je bent het niet. Daardoor gaan we voorbij aan de diepere betekenis van verantwoordelijkheid. We scheppen helderheid over wie verantwoordelijk is en juist daardoor verliezen we het zicht op het wezen van verantwoordelijkheid. We operationaliseren verantwoordelijkheid door het begrip te mechaniseren. We construeren met uiterste precisie procedures. Het recht om verantwoordelijkheid te dragen en de vraag wie verantwoordelijk is overheerst. Ook met betrekking tot verantwoordelijkheden denken we in termen van tegenstellingen die we heel gedetailleerd uitwerken. Maar het wezen van verantwoordelijkheid verliezen we uit het oog. Discussies over verantwoordelijkheid worden gevoerd in een juridische context. Als je je aan de procedures en protocollen houdt kun je nergens van worden beschuldigd. Je pleit jezelf vrij door de protocollen heel precies op te volgen. De regels bieden verschuilmogelijkheid.

Gaat het fout dan kun je gemakkelijk verantwoordelijkheid uit de weg gaan door te stellen dat je enkel verantwoordelijk was voor een onderdeel en dat je het daarvoor geldende protocol nauwkeurig hebt gevolgd. Regels verkeren zo in hun tegendeel. Ze waren bedoeld om verantwoordelijkheid als ethisch beginsel te regelen maar krijgen als functie verantwoordelijkheid te ontlopen. We hebben verantwoordelijkheid gereduceerd tot het volgen van regels. Die regels zijn de hoekstenen waarop we onze constructies hebben gebaseerd.jn drie voorbeelden van hoe we de werkelijkheid hebben geobjectiveerd en daarmee waarden zodanig hebben geoperationaliseerd dat we ze van hun wezen hebben ontdaan. De scheiding tussen object en subject heeft de beleving opzij gedrukt. We ontlenen zekerheden aan onze constructies van objectiviteit maar de prijs die we daarvoor betalen is dat we het subjectieve betekenisloos hebben gemaakt. We stellen ons tevreden met schijnzekerheden maar ontmaskering ervan zou inhouden dat we niet langer onze illusies overeind kunnen houden. Die prijs is te hoog.


Het derde domein


We stelden dat het denken in de moderniteit een binair karakter heeft en dat ons handelen hierop is gebaseerd. We onderkennen polariteiten. Die tweedeling verschaft ons helderheid. Maar ook met betrekking tot polariteiten geldt dat ze geconstrueerd zijn. Ons denken is gebaseerd op tegenstellingen. Vanwege dat scherpe onderscheidend denken is het lastig tot verbindingen te komen tussen tegengestelde posities. Dat lukt per definitie niet. Juist het onverbindende is immers kenmerk van polariteiten als uiterste posities. Dat heeft gevolgen voor hoe we met tegengestelde posities omgaan. Wanneer onderlinge verbinding niet mogelijk is en we niettemin last hebben van tegenstellingen zit er weinig anders op dan te proberen werkbare compromissen te sluiten. Die lossen het onderliggend probleem weliswaar niet op maar stellen wel in staat voort te gaan. De tegenstellingen werken niet langer hinderend en verhinderend in onze dagelijkse praktijk. Signalen dat we met extreem lastige vraagstukken te maken hebben kunnen zijn dat problemen zich presenteren als dilemma’s. Of we krijgen de indruk dat we met het bestrijden van symptomen bezig zijn. Of er is sprake van paradoxen: interventies vergroten het probleem in plaats van het op te lossen. We lopen vast maar we weten niet goed hoe en waarom. Alles wat we doen lijkt op een herhaling van zetten: veel beweging op het bord maar geen wezenlijke verandering.

Dergelijke vraagstukken hebben in de filosofie veel aandacht gekregen. Lupasco pleit voor een derde domein. Hij heeft kritiek op het denken in polariteiten en stelt dat we die tegenstelling moeten overstijgen. Dat kan enkel door uit de tegenstelling te treden en dat veronderstelt een derde domein. Je zou kunnen stellen dat als je blijft hangen in de ruimte tussen polariteiten, je slechts tot compromissen kunt komen tussen twee uitersten. Nodig is dat we de overgang maken naar een hoger niveau van realiteit. Op dat niveau kunnen we ons losmaken van de tegenstelling en tot nieuwe verbindingen komen tussen wat we nu als gescheiden beschouwen. Bij Lenoir en Dufour is de gedachte terug te vinden dat we een beroep op ons voorstellingsvermogen moeten doen om dat hogere niveau te vinden. Dat betekent dat we ons moeten ontworstelen aan de rede die thans ons denken domineert. We moeten ons bewustzijn verruimen omdat de rede beperkend werkt. Er is een werkelijkheid die zich niet laat omvatten in een context van rationaliteit. Die werkelijkheid hebben we te makkelijk buitengesloten, overtuigd als we waren van het uitgangspunt dat alleen rationeel denken ons verder zou kunnen brengen. We verloren het zicht op het irrationele en op het onlogische omdat daar binnen ons betekeniskader met op rationaliteit gebaseerde begrippen geen plaats voor was. We kunnen ook stellen dat er binnen dat derde domein sprake is van een rijker en uitgebreider begrip van rationaliteit. Naast ratio is er plaats voor het literaire en voor mystiek. Op organisatorisch niveau gaat het dan niet enkel meer om een rationele toedeling van bevoegdheden en om logische vormen van planning maar er komt binnen managementbenaderingen ruimte voor een begrip als inspiratie. Die laat zich niet op gebruikelijke wijze organiseren. Sterker nog, bureaucratisch denken staat eerder op gespannen voet met inspiratie. Door de stap te zetten naar een hoger realiteitsniveau kunnen we zicht krijgen op verbindingen tussen wat nu onverenigbaar lijkt. Maar ook de aard van verbindingen kan geheel anders zijn. Het zweverige blijkt werking te hebben en zelfs zodanig sterk dat het in staat stelt ons rationeel denken te overstijgen.

Die benadering heeft ook ingrijpende gevolgen op wetenschappelijk gebied. Morin stelt dat de splitsing in disciplines ons hindert om tot inzicht te komen in de werkelijkheid. De werkelijkheid is niet gesplitst maar wij zijn het zelf die door afzonderlijke disciplinaire brillen de werkelijkheid benaderen. Volgens Morin leren we de werkelijkheid pas kennen door oog te hebben voor het geheel, zowel voor het verbindende als voor wat splijtend en onderscheidend werkt. Anders dringen we niet door tot het wezen van de werkelijkheid. Dan blijft de werkelijkheid complex. Een multidisciplinaire benadering zal ons niet helpen. Dan blijven we binnen disciplinaire kaders zitten. In zijn boek Autocritique beschrijft Morin dat ideeën nodig zijn maar dat ideeën ook bezit van ons kunnen nemen. Hij komt tot die opvatting naar aanleiding van een kritische beschouwing van het communisme maar zijn visie is veel breder toepasbaar dan enkel op totalitaire regimes. We zagen in Deel I dat de macht van de overheid in wezen is dat die definities dwingend kan opleggen. Daarmee wordt de ontwerpruimte, de ruimte voor ideeën, ingeperkt tot voorstellen die binnen het formele betekeniskader passen. De energie wordt dan gericht op reproductie. Systemen herhalen zichzelf. Er is sprake van autopoësis. Dat begrip neemt een belangrijke plaats in in de systeemtheorie van Niklas Luhmann.   

De stap naar transdisciplinair denken is aan de orde. Disciplinaire onderzoekmethoden stellen ons niet in staat de ruimte tussen de disciplines te verkennen. Er is een werkelijkheid die dan buiten zicht blijft omdat die bij disciplinair onderzoek niet oplicht. De logica van disciplinair denken heeftons veel kennis opgeleverd maar om verder te komen hebben we nieuwe begrippen nodig die zich niet logisch tot elkaar verhouden. Met de begrippen van de lineaire fysica was het nu eenmaal niet mogelijk een kwantumtheorie te construeren. Door de werkelijkheid tegemoet te treden vanuit een perspectief van beheersbaarheid is het lastig zicht te krijgen op het onbeheersbare. Aan Morin wordt de uitspraak toegeschreven dat juist in het onbeheersbare, op de rand van de waanzin, juist in het onzekere en ongewisse, de kiem ligt van onderzoek, ontdekking en creatie.’


Complementariteit


Het begrip complementariteit staat op gespannen voet met splitsend denken. Complementariteit veronderstelt niet alleen dat er een relatie is tussen twee verschillende posities maar dat die posities onderling aan elkaar zijn gekluisterd. In termen van de context van dit artikel: het geordende kan niet bestaan zonder het ongeordende. Ze presenteren zich als tegenstrijdig maar die tegenstrijdigheid is een door onszelf geconstrueerde tegenstrijdigheid. Ze horen bij elkaar en vormen samen de werkelijkheid. Het geordende kan bestaan dankzij het ongeordende. Het ongeordende kan er zijn vanwege het bestaan van het geordende. Het omgekeerde geldt ook. Ordening geeft het ongeordende bestaansrecht.


Dat is een vreemde voorstelling van zaken. Objecten staan niet op zichzelf maar zijn onderling verbonden. Dat is een zienswijze die erg afwijkt van hoe de werkelijkheid binnen het beleid wordt benaderd. We hechten aan precieze definities. De werkelijkheid wordt omschreven zoals die “is”. Objecten zijn zelfstandig te duiden, als op zichzelf staand. Dat besef staat centraal in onze ordeningen. We definiëren de werkelijkheid. Dat doen we in beleid maar bijvoorbeeld ook in de wetenschap. Bij de start van het onderzoek definiëren we begrippen. We willen met behulp van die begrippen de werkelijkheid meetbaar maken. Dat is nodig om tot eenduidige conclusies te kunnen komen. Relaties leggen tussen objecten maakt het lastiger de werkelijkheid te onderzoeken met als doel tot eenduidige en onomstreden conclusies te komen. Het betekent een fundamentele omslag.


We kunnen dat verhelderen met behulp van het begrip complementariteit uit de kwantumtheorie. In de kwantumtheorie neemt het besef een belangrijke plaats in dat materie zich kan presenteren als zowel stof als golf. Er is sprake van verschillende eigenschappen die echter onderling vervlochten zijn. Zowel een deeltjesbenadering als een golfbenadering schieten te kort om het wezen van materie te begrijpen. We kunnen de eigenschappen onderscheiden maar niet scheiden.


Elders schiep ik het beeld dat de werkelijkheid kan worden opgevat als een dynamische ruimte waarin betekeniskaders en daaronder vallende betekenissen vrijelijk bewegen. Objecten (situaties, gebeurtenissen maar ook definities en opvattingen) zijn geconstrueerd doordat we er betekenis aan hebben toegekend. Ze worden zo tevens dragers van energie. Ze hebben zowel een inhoudelijke component maar zijn ook drager van energie. Naarmate betekenissen breder worden gedeeld worden ze belangrijker en kunnen ze meer werking krijgen. De pers speelt daarin een belangrijke rol. Door publiciteit kan een incident energie aantrekken. Dat kan leiden tot zichzelf versterkende processen. Een opvallende uitspraak in een praatprogramma kan de volgende dag het nieuws beheersen.    

Ordening als oorzaak van chaos


Passen we dat toe op onze ordeningen dan kunnen we weliswaar ordening en chaos onderscheiden maar we kunnen ze niet scheiden. Ze zijn aan elkaar gekoppeld. De chaos kan niet worden begrepen zonder de ordening en omgekeerd. Juist door ordening ontstaat en bestaat chaos. Ordening is de referentie voor het duiden van chaos. Ze produceren elkaar als het ware. Chaos en ordening zijn aan elkaar gekoppeld. Het ene kan niet zonder het andere. Chaos is chaos dankzij de ordening. Zonder ordening geen chaos. En omgekeerd kan het geordende niet bestaan zonder het ongeordende. Het geordende ontleent zijn betekenis en identiteit aan het bestaan van het ongeordende. Zonder chaos is orde een leeg begrip. Het wezen van het geordende kan slechts worden begrepen vanuit de aanwezigheid van het ongeordende. Beide hangen dus samen. Door orde en chaos te splitsen zonderen we het ongeordende af en doen wij dus geen recht aan de werkelijkheid. Het geordende kan slechts zichtbaar worden dankzij het ongeordende. Zo beschouwd kunnen we het geordende pas begrijpen door zicht op en inzicht in het ongeordende. Tegenstellingen overbruggen dus in plaats van tegenstellend te blijven denken en handelen.


Er is dan sprake van twee systemen die elkaar uitsluiten maar zonder elkaar niet kunnen bestaan. Handelen in strijd met de wet is niet denkbaar zonder wetten. Overtredingen van de wet veronderstellen een wet en bevestigen het bestaan ervan, juist door ermee in strijd te handelen. Het conflict veronderstelt tegenstellingen. Verschillen zijn altijd verschillen tussen objecten of standpunten. Het maakt de vraag interessant naar wat er gebeurd op het grensvlak tussen strijdigheden. Analytisch zijn er verschillende posities denkbaar. Zo kunnen systemen los van elkaar bestaan. Er zijn weliswaar strijdigheden maar er vinden geen botsingen plaats. Als er al sprake is van een relatie, dan wordt die gekenmerkt door onverschilligheid en wederzijds betekenisloosheid. Ook is denkbaar dat er sprake is van onderlinge afhankelijkheid. Voor het voortbestaan moet men zich tot elkaar verhouden. Dan kan er sprake zijn van dominantie van het ene systeem boven het andere of van gelijkheid. In het laatste geval zijn interacties mogelijk als die de instemming hebben van beide partijen. Dominantie heeft als uiterste vorm dat er sprake is van absorptie, van overname. Het afhankelijke systeem wordt subsysteem binnen het dominante systeem. Of er vindt assimilatie plaats. Er komen min of meer dwingende koppelingen. Een derde mogelijkheid is ontkenning. Het dominante systeem kan het zich permitteren het andere systeem te ontkennen en/of te verbieden.


De spanning tussen landbouw en natuur als voorbeeld.


Er is nauwelijks een sector waarin de rationalisatie zover is doorgevoerd als in de landbouw. Dat heeft geleid tot een indrukwekkende stijging van de productiviteit. Die was mogelijk omdat ons economisch systeem is gebaseerd op een beperkt begrip van wat we onder economisch verstaan. Zo zijn externe effectenlange tijd afgewenteld. Ze maakten geen deel uit van het economisch systeem. Negatieve effecten naar de omgeving vormden geen onderdeel van de kostprijs. Ze waren weliswaar maatschappelijk van betekenis maar er was sprake van afwenteling zonder dat er een prijskaartje aan hing. Ze waren (en zijn nog steeds) voor een belangrijk deel) in economisch opzicht betekenisloos. Economisch behoren ze tot de chaos. De negatieve effecten zijn er wel maar binnen ons economisch systeem kennen ze geen waarde. Die situatie was natuurlijk niet vol te houden en er kwam steeds meer maatschappelijk verzet. Dat leidde tot steeds intensiever ingrijpen van de overheid. De overheid kreeg de functie van een permanente en noodzakelijke reparateur van een gebrekkig economisch systeem waarin winst kon worden genaakt, voor een belangrijk deel dankzij de afwenteling van ongunstige externe effecten. Zo beschouwd was de afwenteling naar de wereld buiten de economie, de chaos dus in economisch opzicht, nodig om tot economisch grote prestaties te komen. De chaos als noodzakelijke conditie om het systeem in stand te kunnen houden. Een complementaire relatie dus. Zou afwenteling niet langer worden geaccepteerd of zou de landbouw worden gedwongen tot volledige compensatie van negatieve effecten, dan zou er naar verwachting van een economisch sterke landbouw weinig overblijven. Zo beschouwd biedt de landbouw een aardig voorbeeld van wat er gebeurt wanneer de nadruk eenzijdig op rationalisatie komt te liggen. En dus ook een treffend voorbeeld dat aan het denken zou kunnen c.q. moeten zetten over de nadelen van de moderniteit. Heel treffend komt dat ook tot uitdrukking binnen de huidige landbouwpolitiek waarin maatregelen om de uitstoot te beperken noodzakelijk worden geacht maar vanuit de landbouwsector wordt daar tegen in gebracht dat dergelijke maatregelen wel economisch moeten kunnen worden gedragen. Die reactie is logisch maar illustreert tegelijkertijd indringend de spanning tussen de beide functies van de landbouw: een economisch georiënteerde voedselproductie en een beheer van het platteland dat een ecologische in plaats van een economische invalshoek vraagt. Dat leidt tot scheiding tussen beide functies, bijvoorbeeld door landbouwgebieden aan te wijzen en natuurgebieden wat haaks staat op de onlosmakelijke verbodenheid tussen beide functies. We hebben die functies dan niet alleen onderscheiden maar ook gescheiden.


In plaats daarvan is kan aan de orde zijn tot gezamenlijkheid te komen. Dat veronderstelt de constructie van een nieuw betekeniskader. Door de tegengestelde posities te overstijgen kan ruimte ontstaan voor nieuwe ontwerpen. Een dergelijke ambitie veronderstelt een ontwerpruimte die niet wordt ingeperkt door bestaande begrippen. Er is denk- en ontwerpruimte nodig buiten bestaande instituties omdat men anders is voorgeprogrammeerd op herhaling van het verleden en elkaar dwingt tot instandhouding van onoplosbare tegenstellingen. Overeenstemming heeft dan het karakter van compromissen die de onderliggende spanningen niet oplossen maar hooguit draaglijk maken. In plaats daarvan is aan de orde om een tegenstellingen overbruggend perspectief te construeren. Een benadering dus die aansluit bij het ternaire denken van Lupasco. In het voorbeeld betekent dat een ontwerp van voedselproductie die tevens een goed beheer van het platteland mogelijk maakt. Dat vraagt andere begrippen en andere instituties. Daar zijn vrijdenkers voor nodig die zich los kunnen maken van de geldende kaders.       

En nu?

Op basis van het voorgaande is thans de vraag aan de orde hoe we een dergelijke benadering handen en voeten zouden kunnen geven. Wat moeten we ons voorstellen bij een derde domein en bij het verkennen van het buitengeslotene? Hoe kunnen we tot verbindingen komen tussen wat we nu als tegenstellend ervaren en waar we nu nog de begrippen voor missen? In Deel III gaan we op deze vragen in.

Literatuur


Brenner, Joseph, Logic in Reality, Springer Science, 2008


Brenner, Joseph, The philosophical logic of Stéphane Lupasco (1900–1988), 2010


Deleuze, Gilles, Guattari, Felix, A Thousand Plateaus, Bloomsburry Publishing Plc, 2013


Dufour, Dany-Robert, The art of shrinking heads, Polity Press,


Nicolescu, Basarab, Methodology of Transdisciplinarity – Levels of Reality, Logic of the Included Middle and Complexity, in: Transdisciplinary Journal of Engineering & Science Vol: 1, No:1, december, 2010, pp.19-38


Seidl, David, Luhmann’s theory of autopoietic social systems, Münchner betriebswirtschaftliche Beiträge, Munich Business Research, 2004-2


Wagemans, Mathieu, Van een definiërend naar een energetisch wereldbeeld: begrippen en feiten als dragers van energie, Deel 1: Nieuw beleid past niet in bestaande kaders en vraagt een ander perspectief, in Civis Mundi Digitaal #91


Wagemans, Mathieu, Een oceaan van betekenisloosheid, Een kritische analyse van beleid, politiek en wetenschap met een verwijzing naar de filosofie van Michel Serres, Digitalis, 2016





Mathieu Wagemans werkte 40 jaar binnen het Ministerie van Landbouw en hield zich o.a. bezig met nationaal en internationaal visserijbeleid, landbouwvoorlichting, milieubeleid en planologisch beleid. De laatste 10 jaar was hij werkzaam bij InnovatieNetwerk met aandacht voor institutionele aspecten rond systeemvernieuwing. Hij promoveerde in 1987 over ambtelijke oppositie binnen het Ministerie. Voor de Wereldbank en de FAO vervulde hij missies naar landen in transitie (o.a. Rusland, China, Vietnam, Moldavië) met de nadruk op herschikkingen binnen overheidsinstellingen (Ministeries, kennisinstellingen). Daarnaast is hij ruim 35 jaar actief in de gemeentepolitiek, thans als raadslid voor de lokale partij Ronduit Open in Leudal. Hij heeft een bijzondere belangstelling voor vragen rond rationaliteit: de spanning tussen de theorie en de praktijk. Hij beheert de site: www.ontganiseren.nl




**********************

De chaos van de crisis biedt ons nu ook een gouden kans

Mathieu Wagemans, Raadslid voor Ronduit Open in Leudal

Opiniebijdrage Dagblad Trouw, 17 april 2020


Aan de verwarring die het corona-virus heeft aangericht hoeft weinig te worden toegevoegd. We bevinden ons in een fase van alle hens aan dek. De samenleving is in crisis. Onzekerheid over waar een en ander toe gaat leiden. Hoeveel slachtoffers gaat de coronacrisis eisen? En hebben we voldoende capaciteit in de gezondheidszorg om mensen op te vangen en medische zorg te verlenen? Kunnen we de economie overeind houden? Allemaal indringende vragen waarvan de antwoorden nog niet beschikbaar zijn.

Tegelijkertijd biedt een crisis ook kansen. Overal zijn voorbeelden te zien van initiatieven die zonder crisis niet van de grond zouden zijn gekomen. In onze tot in detail geregelde samenleving bewegen we ons langs smalle paadjes waarbij iedere stap opzij reacties oproept. Alles is geregeld en velen zijn belast met de controle en handhaving. Wie het onbetreden terrein buiten de paadjes opzoekt komt in aanraking met regels en juridische procedures.

Hoe anders is dit nu. Er ontstaan verbindingen tussen organisaties die zonder crisis mogelijk nooit tot stans waren gekomen. Landbouwers leveren mondkapjes in om de mensen in de gezondheidszorg te helpen. Telers bieden bloemen gratis aan voor werkers in de gezondheidszorg. In de wetenschap zijn er initiatieven om deskundigen uit heel verschillende beroepen bij elkaar te roepen. Zouden medicijnen voor andere ziekten niet kunnen worden gemanipuleerd zodat ze effectief kunnen worden ingezet tegen het coronavirus. In normale tijden zijn daar vaak lange en ingewikkelde procedures voor nodig. In bedrijven wordt men creatief om de organisatie te laten functioneren waarbij heel veel mensen vanuit de thuissituatie werken. In het onderwijs wordt denkkracht ingezet om het onderwijs in de thuissituatie te laten plaatsvinden. Internationaal overleg gebeurt via videoconferenties.

Niet de regels, maar de energie in mensen is de krachtigste bron voor veranderingen

Ook vanuit dit perspectief bezien is de huidige crisis ingrijpend. Er is sprake van groeiende gezamenlijkheid die zelfs door inspirerende kerst- en nieuwjaarstoespraken niet kan worden bereikt. Burgers helpen elkaar met een vanzelfsprekendheid die in normale tijden zeldzaam is. Argumenten zijn overbodig omdat de ernst van noodzakelijke maatregelen geen onderwerp van discussie vormt. De context van belangen en berekening wordt terzijde geschoven. Er is werk aan de winkel. Daden vervangen woorden. De overheid zegt toe dat ondersteunende maatregelen met snelheid en soepelheid zullen worden uitgevoerd.

Zo beschouwd biedt de coronacrisis een gouden kans die zich in normale tijden niet gauw zal voordoen. De crisis biedt tal van leermomenten die uitnodigen om, zodra we de zaken weer onder controle hebben, onze samenleving kritisch tegen het licht te houden. Hoe we denken in termen van kennen en beheersen. Hoe we het onbeheersbare benaderen we vanuit het beheersbare en dus geen inzicht in en grip krijgen op het onbeheersbare. We scheppen illusies. En nu blijkt niet alleen dat allerlei regels hun betekenis plotseling hebben verloren en hoe vernieuwende initiatieven spontaan tot stand komen, eerder ondanks dan dankzij de overheid. En hoe die overheid in staat is tot zeer ingrijpende besluiten zonder dat daar jarenlang vergaderen voor nodig was. En hoe interne partijpolitieke scherpslijperij van tafel is omdat de samenleving aandacht vraagt.  

Van een crisis valt veel te leren. Chaos blijkt de kiemen voor verandering en vernieuwing te bevatten zoals de Franse filosoof Michel Serres ooit stelde. Hoe onze zucht naar ordelijkheid ons in de weg kan zitten. Hoe niet de regels maar de energie in mensen de krachtigste bron is voor ingrijpende veranderingen. Hopelijk zijn we deze ervaringen niet vergeten wanneer we weer terugkeren naar normale tijden.

************************

  • Een Crisis als Leermoment

  • Gepubliceerd in De Limburger van 1 april 2020

  • Thieu Wagemans

  • In een tijd waarin we dachten de wereld steeds meer in bedwang te hebben en tot vrijwel alles in staat te zijn, worden we plotseling geconfronteerd met een virus dat de wereld op zijn kop zet. We staan betrekkelijk machteloos en worden geconfronteerd met ons eigen onvermogen. Dat is schrikken. Natuurlijk is bij een crisis de eerste opdracht om die te overleven. Maar daarmee zouden we niet moeten volstaan. De uitdaging is de crisis op te vatten als een leermoment. Het vanzelfsprekende spreekt niet meer vanzelf. Zekerheden blijken onzekerheid te verbergen. De crisis zorgt voor verwarring. We dachten alles keurig op een rijtje te hebben maar dat blijkt een misvatting.

  • Bron van vernieuwing

  • De uitdaging is die verwarring tot object van onderzoek te maken. De wereld is kennelijk groter, ingewikkelder en minder voorspelbaar dan we dachten. Problemen worden dan interessant studiemateriaal Dat geldt niet slechts voor de wetenschap maar ook maatschappelijk. We dachten alles keurig te hebben geregeld maar niet alles laat zich ordenen. Problemen zijn niet alleen lastig maar kunnen ook interessant zijn en bron van vernieuwing. Hoe we steeds denken in termen van tegenstellingen en het zicht hebben verloren op het gezamenlijke. Er zijn voorbeelden te over. Zoals de spanning tussen het ecologische en het economische. Rekening houden met ecologische waarden betekent in economisch opzicht vaak kostenverhoging en/of opbrengstverlaging. We willen best maatregelen treffen om de milieukwaliteit te verbeteren maar het moet wel betaalbaar zijn.

  • Groei

  • Het economische overheerst en al het andere is hieraan ondergeschikt. Bovendien hebben we een economisch systeem opgezet dat is gebaseerd op groei. Zonder groei geen continuïteit. Niet het produceren van voedsel is het probleem maar de wijze waarop we dat hebben georganiseerd. Voedsel krijgt een steeds lossere koppeling met de eigen regio. Ham die heen en weer moet naar Italië om het keurmerk parmaham te krijgen. In de bloementeelt reizen rozen van Kenia naar Aalsmeer om na de veiling vervolgens naar andere landen te worden getransporteerd. In de visserij worden garnalen vervoerd naar Marokko om gepeld de reis terug te ondernemen.

  • Goedkope kleding

  • Landbouw in ontwikkelingslanden komt moeilijk van de grond omdat grote partijen op wereldschaal de dienst uitmaken. In de kledingindustrie is het omgekeerd het geval. We willen als consument goedkope kleding met als gevolg dat hier de kledingindustrie verdwijnt en wordt verplaatst naar lage lonen landen waar uitbuiting niet verboden is. Mensen worden hier werkloos omdat bedrijven besluiten de productie te verplaatsen naar China, Vietnam of naar de Filipijnen. Dat alles vinden we logisch en vanzelfsprekend.

  • Wordt het niet tijd dat we aandacht geven aan wat onlogisch is, aan wat niet-rationeel is, aan wat economisch minder belangrijk is maar niettemin van waarde? Dat vraagt voorstellingsvermogen. We moeten ons gaan realiseren dat de spanning tussen het economische en het ecologische door onszelf is veroorzaakt omdat we beide werelden gescheiden hebben georganiseerd.

  • Vast in systeem

  • De uitdaging is bijvoorbeeld om een voedselsysteem te ontwerpen dat zowel economisch, ecologisch als sociaal-cultureel in evenwicht is en niet steeds dwingt om de randjes op te zoeken. Dat is niet gemakkelijk wanneer je als ondernemer de druk van de bank voelt en verplicht wordt om mee te gaan in processen van schaalvergroting en specialisatie. Je zit vast in een systeem dat dwingt tot steeds verdere rationalisatie. We willen misschien anders maar kunnen niet. We hebben onze eigen toekomst niet in eigen hand. We hebben kennelijk een virus nodig om te ontdekken dat ons economisch systeem dat we met zoveel inspanning hebben opgebouwd en heilig hebben verklaard, kwetsbaar is. Het zou ons aan het denken moeten zetten.

  • In plaats daarvan zie je overal de wens om weer zo snel mogelijk terug te keren naar normale tijden. Dan normaliseren we het abnormale en weigeren we ervan te leren.

  • Thieu Wagemans is Raadslid in Leudal
  • www.ontganiseren.nl
  • ******************************

Verzet in ecopanische tijden


Civis Mundi Digitaal #94

door Mathieu Wagemans (www.ontganiseren.nl)


Bespreking van: Henk Oosterling, Verzet in ecopanische tijden. Amsterdam, Lontano, 2020.


Wie het boek leest kan zich aanvankelijk overmeesterd voelen vanwege de complexiteit van vraagstukken op het vlak van duurzaamheid. Oosterling maakt bij transformatieprocessen een onderscheid tussen niveau’s Hij onderscheidt het fysieke, het sociale en het mentale domein. Het wijkt nogal af van hoe wij, zeker in politiek en beleid, denken met enkele welgemikte interventies problemen menen te kunnen oplossen. Al lezende ontstaat gaandeweg de overtuiging dat het wezen van duurzaamheid wordt geraakt.

Het boek begint met een plaatsbepaling op filosofisch terrein met het existentialisme en het zijnsbegrip bij Heidegger en Sartre. Hoe de mens voor de opgave staat zichzelf te ontwerpen. De onderliggende keuze daarbij is of de mens zichzelf ontwerpt of wordt gevormd naar de bestaande concepten, naar een institutioneel vastgelegd betekeniskader. Die vraag is in het bijzonder aan de orde wanneer we voor ingrijpende veranderingen staan, maar komt vaak niet aan de oppervlakte, althans niet bewust, omdat we worden geleid door routines en onderliggende vanzelfsprekendheden. Het betekeniskader van de moderniteit blijft zichzelf reproduceren en kan dat ook doen omdat het in menig opzicht dwingend is. Probleemformuleringen zijn vaak uitdrukking van een gedateerd betekeniskader en nodigen uit symptoombestrijding als oplossing te zien. We blijven onszelf en onze praktijken herhalen. De moderniteit is met zichzelf op de loop gegaan en wij volgen gehoorzaam, omdat afwijking van die weg ons afschrikt. Of we komen niet eens aan een keuze voor een andere weg toe omdat de bestaande weg vanzelfsprekend is. We worden op tal van manieren en vrijwel continu uitgenodigd en niet zelden gedwongen het bestaande kader te respecteren en in ons handelen impliciet ook te bevestigen.


Verandering op micro-, meso- en macroniveau

Niettemin, zo stelt Oosterling, is er voor de noodzakelijke veranderingen geen alternatief. Hij onderscheidt in zijn benadering het macro-, het meso- en het microniveau. Het macroniveau betreft het globale en gaat het om instituties als de VN. Het mesoniveau heeft betrekking op hoe wij organiseren. Het is het niveau van de instituties, van belangengroepen, van overheidsbeleid en van de krachten die erop van toepassing zijn. Het microniveau betreft het individu: hoe we onszelf zien en hoe we in de wereld staan. Tussen de niveau’s is sprake van interacties.

Om de bestaande praktijken te begrijpen moeten we begrijpen hoe het krachtenspel is, zowel op de drie niveau’s als op de interacties tussen de niveau’s. We kunnen al die krachten analytisch onderscheiden maar we kunnen ze niet scheiden. Veel aandacht geeft Oosterling aan het mesoniveau. Hij analyseert hoe we op dat niveau vastzitten aan gedateerde betekeniskaders en daarop gebaseerde structuren. Ik moest denken aan de spanning tussen landbouw en natuur.

We denken in termen van tegenstellingen en komen op zijn best tot compromissen. Maar de wezenlijke vraag komt niet aan de orde, namelijk hoe we een voedselsysteem kunnen ontwerpen dat betekenisvol is en dat past in een (post)moderne maatschappij. Landbouw als ontmoeting met de natuur. In plaats daarvan verplaatsen we het prikkeldraad tussen landbouw- en natuurgebieden en houden we het onderliggend probleem in stand. Tegenstellingen zijn niet de juiste invalshoek.

Onze opvatting over wat natuur is wordt bepaald door onze conceptie van landbouw. Het normale bepaalt wat abnormaal is. De tegenstelling domineert de framing. En dus stappen we over naar snelle interventies, die dan vooral symbolische betekenis hebben. Ze moeten daadkracht uitstralen en als die ontbreekt kunnen we in ieder geval het beeld proberen te vestigen van daadkracht. De woorden moeten dan compenseren wat er aan daden ontbreekt. Dat brengt Oosterling tot de overtuiging dat de verandering op microniveau moet beginnen. We moeten zelf anders in de wereld gaan staan. Ons bewust worden van onszelf en onze relatie tot de ander en tot onze omgeving. Dat zelfbewustzijn is de sleutel om onszelf anders te framen. Oosterling introduceert daartoe het begrip ecowijsheid.


Ontluisterende analyse van onze politieke praktijk

Het boek zou bij overleg over duurzaamheid tussen overheid en maatschappelijke organisaties als eerste agendapunt moeten worden besproken met ruimte voor reflectie over de vraag of we een gemankeerd economisch systeem blijven repareren of gaan werken aan de omslag naar een nieuwe economie met als maatstaf dat wat nu kwetsbaar is onder economische druk de maatstaf wordt voor economische activiteiten. Het kwetsbare als bron van inspiratie dus. Daar is weinig zicht op nu ook diverse politieke partijen zich achter gedateerde stellingen verschansen, achterhaalde probleemformuleringen blijven bevestigen, voorrang geven aan partijpolitieke overwegingen en zich laten leiden door de vrees om populariteit te verliezen.

Het boek kan worden opgevat als een dodelijke analyse met betrekking tot onze politieke praktijk. De politiek zou de regie moeten nemen met betrekking tot de noodzakelijke transformaties in onze maatschappij maar blijft een oud betekeniskader herhalen en bevestigen dat juist de problemen heeft veroorzaakt. Doorgaans betekent in onze maatschappij het volharden in fouten dat je wordt gecorrigeerd. In de politiek zorgt het daarentegen voor stabiliteit en loont het vaak het verleden te herhalen in plaats van de toekomst te ontwerpen.



**********************************


Gezondheid als handelswaar


Civis Mundi Digitaal #94

door Mathieu Wagemans (www.ontganiseren.nl)


Bespreking van: Maarten Rutgers, Gezondheid als handelswaar. Worden we daar beter van? Delft, Eburon, 2018.


Het boek begint met een historische schets van de huidige gezondheidszorg vanuit een breed perspectief. Het overzicht laat zien hoe de besluitvorming is verlopen die tot het huidige systeem heeft geleid en welke krachten en overtuigingen daarop van invloed zijn geweest. Belangrijke elementen daarin zijn geweest de toegankelijkheid maar vooral ook de betaalbaarheid. De gezondheidszorg moet voor ieder bereikbaar zijn maar de kosten ervan mogen niet uit de hand lopen. Juist dat kostenbesef vormde de basis voor een rationele perspectief. Het leidt tot een uiterst geordend systeem waarvan onderdelen voortdurend onderwerp van discussie zijn gebleven.


Het wereldbeeld van de Moderniteit

De toegevoegde waarde van het boek is zonder twijfel de verdieping: wat waren de uitgangspunten en vanzelfsprekendheden die de grondslag vormden voor de ontwikkelingen binnen de gezondheidszorg? Teruggegrepen wordt op de Verlichting als de overgangsfase tussen Renaissance en Moderniteit. Hoe het wereldbeeld veranderde en de huidige gezondheidszorg kan worden begrepen als de logische uitkomst van processen die werden gedomineerd door de op rationaliteit gebaseerde logica. En door het perspectief van het positivisme met een strak onderscheid tussen subject en object.

Uitvoerig komen vrijheid, gelijkheid en broederschap aan bod als onderliggende waarden. Met name de veranderde invulling van broederschap is tekenend. Hoe gilden tot in de achttiende eeuw functioneerden als voorbeelden van doorleefde gezamenlijkheid. Die ging veel verder dan bescherming en verdediging van beroepswaarden maar hield ook de zorg in voor elkaar, bijvoorbeeld op sociaal terrein en met betrekking tot de gezondheidszorg. De situatie wijkt nogal af van de huidige gezondheidszorg waarin sprake is van rechten en plichten, waarin mensen klanten zijn geworden, onderlinge relaties worden gekenmerkt door anonimiteit en solidariteit gebaseerd is op berekening.


Waarden en belangen

Het boek schets een beeld van hoe waarden en beginselen vaak hun betekenis kunnen verliezen wanneer de georganiseerde uitwerking ervan in praktijken, regels en procedures aan de orde is. Organiseren houdt onvermijdelijk uniformering in. Er is sprake van een indeling in categorieën. Maar de uitkomsten hiervan zijn anonieme classificaties. Men wordt bij elkaar gevoegd zonder dat er sprake is van relaties maar enkel op basis van gedeelde kenmerken. Mede daardoor worden waarden terzijde geschoven en gaan belangen overheersen. Waarden kunnen onder druk komen te staan wanneer de operationele uitwerking ervan onderworpen wordt aan belangenstrijd. Dan zijn er bijvoorbeeld krachten werkzaam die tot onderhandeling kunnen dwingen met als uitkomst compromissen. Belangen kunnen zich lenen voor compromissen maar met waarden is dat een stuk complexer. Menselijk mededogen leent zich niet voor onderhandeling zoals je ook niet als uitkomst van onderhandelingen kunt overeenkomen dat je elkaar voortaan voor 75% vertrouwt. Dood en leven lenen zich nu eenmaal niet goed voor onderhandeling.

De moderniteit heeft ons verder veel kennis opgeleverd, ook in de geneeskunde, maar de pretentie dat wetenschappelijk onderzoek tot ware kennis leidt kan niet overeind worden gehouden. Die waarheidsclaim was gebaseerd op de aanname dat de mens zich in een onafhankelijke positie bevindt ten opzichte van de objectieve werkelijkheid. En onafhankelijkheid is een garantie voor ware kennis, zo werd geredeneerd. Echter, bij nadere beschouwing blijkt er sprake te zijn van een door onszelf geconstrueerde onafhankelijkheid. Als je veronderstelt dat er sprake is van een onafhankelijke positie ten opzichte van de werkelijkheid, kun je aldus verworven kennis als onafhankelijk verkregen en dus waar beschouwen. Waarheid is dan veronderstelde waarheid en geconstrueerde waarheid.


Rationalisatie

Rationalisatie en het daarop gebaseerde streven naar efficiency kan gemakkelijk ten koste gaan van aandacht voor de mens. Het kan betekenen dat mensen object van zorg worden. De ziekte komt centraal te staan en in uiterste consequentie krijgt de mens slechts betekenis als drager van een ziekte. De bejegening wordt dan gedomineerd door gemaakte afspraken over tijdsbesteding en verantwoording. Dergelijke institutionele kaders kunnen dwingend zijn. Met als risico dat de mens niet in zijn menszijn wordt gerespecteerd.

In plaats van de aandacht eenzijdig te richten op de ziekte en de protocollen rond de behandeling moet de mens worden erkend als betekenis gevend wezen. Hoe hij zijn ziekte beleeft wordt dan een belangrijke component, zowel in de diagnose als in de behandeling. Onzekerheid die de patiënt ervaart wordt een onderdeel van de diagnose en zeker van de behandeling. Lichaam en geest worden niet langer onderscheiden en gescheiden zoals gebruikelijk binnen de Moderniteit maar uitgangspunt is de onderlinge verbondenheid. Dat vraagt een ingrijpende verandering in de gezondheidszorg.

Diverse benaderingen komen aan bod die daar uitdrukking van vormen. Het komt erop neer dat onze huidige in detail uitgewerkte structuren en regelingen grondig moeten worden opgeschoond. De uitdaging is dan de mens integraal te benaderen en dus niet langer ondergeschikt wordt gemaakt aan protocollen en regels. De onderliggende vraag daarbij is of een op rationele gronden geordend gezondheidssysteem op een betekenisvolle wijze kan omgaan met het irrationele.

Zo beschouwd kan het boek gemakkelijk tot de conclusie leiden dat we op een armoedige wijze omgaan met in beginsel rijke en inspirerende vragen. Het wezen van de gezondheidszorg heeft betrekking op de ontmoeting van de mens in geheel zijn menszijn. Dat houdt onvermijdelijk in dat we onze op rationaliteit gebaseerde constructies opnieuw doordenken met als uitdaging een gezondheidssysteem te ontwerpen dat gebaseerd is op de waardigheid van de mens met rationele overwegingen als condities in plaats van als basiswaarden.


*******************************

In verwarde staat


Civis Mundi Digitaal #94

door Mathieu Wagemans (www.ontganiseren.nl)


Bespreking van: Karlijn Roex, In verwarde staat. Kritiek op een politiek van normaliteit. Amsterdam, Lontano, 2019


Enkele jaren gelden riep premier Rutte om normaal te doen. Daarmee bedoelde hij dat we in de onderlinge omgang fatsoensnormen in acht moesten nemen. Daar valt wat voor te zeggen. Maar die oproep vraagt ook om verdieping. Wat beschouwen we eigenlijk als normaal? En waarom is het zo belangrijk ons normaal te gedragen?

Karlijn Roex plaatst normaliteit in een breder kader. Als referentie gebruikt zij hoe we in onze maatschappij omgaan met verwarde personen. Het is geen boek waarin op objectieve wijze een beleidsanalyse wordt gemaakt. Integendeel, het boek begint met een uitvoerige beschrijving van hoe ze zelf verwardheid heeft beleefd. Vanuit het perspectief van die eigen ervaringen beschrijft zij de opvattingen en onderliggende overtuigingen binnen politiek en beleid rond het omgaan met verwarde personen en verwardheid in het algemeen.

Het boek illustreert daarmee indringend de onderliggende spanning tussen hoe situaties kunnen worden beleefd door burgers en de afstandelijke formalisering van die beleving in definities en beleidskaders. Hoe het wezen van verwardheid geweld wordt aangedaan wanneer politici, beleidsmakers en juristen ermee aan de gang gaan. Beleid moet zijn gebaseerd op helderheid en helderheid houdt in dat we begrippen nauwkeurig omschrijven. Maar dat is lastig wanneer het gaat om normaal en verward. Normaal, zo stelt Roex, is eigenlijk een vaag begrip. Het is lastig om het te duiden. We hebben er wel opvattingen over en in ons dagelijks denken en handelen reproduceren we telkens weer wat we ermee bedoelen. Dat we lastig kunnen aangeven wat het normale inhoudt heeft ook gevolgen voor de tegenpool van het normale, het abnormale. Het abnormale heeft daarmee geen referentiepunt en geen eigen identiteit. Abnormaal ten opzichte van wat?

Dat zou allemaal minder een probleem zijn wanneer we niet zo sterk hechten aan normaliteit. We hebben behoefte aan ordening, aan overzicht. Nederland staat in het buitenland bekend als een keurig geordend en aangeharkt land. Rechte percelen, scherpe grenzen tussen functies en keurig onderhouden tuintjes. Hier gaat het echter om mentale aangeharktheid. We presenteren ons graag als een pluriform land maar tegelijkertijd hebben we uitgesproken opvattingen over wat hoort en wat niet hoort. We maken veel drukte om relatief onnozele voorvallen. Een verspreking of een ongebruikelijke opvatting kan veel aandacht krijgen en wordt gemakkelijk tot nieuws verheven via talkshows.

De krachten achter en onder normaliteit zijn sterk. We ervaren ze als vanzelfsprekend. We zijn in zekere zin mentaal voorgeprogrammeerd. We gedragen ons ernaar en dat maakt het leven een stuk eenvoudiger. Het heeft voordelen om routinematig te leven. Maar daarmee gaan we aan onszelf voorbij. Dan komen we niet toe aan onszelf maar leven we andermans leven. We nemen aangereikte en voorgeschreven betekeniskaders en definities over in plaats van onszelf en ons eigen leven te ontwerpen. In de opvatting van de Italiaanse renaissancefilosoof Pico della Mirandola handelen we dan in strijd met onze eigen menselijke waardigheid.

Die neiging tot ordening en harmonisering heeft zo dus ook een keerzijde. Wat niet past in onze ordeningen loopt het risico te worden “weg” geordend. Het werkt verstorend. Wat niet past in onze definities beschouwen we als chaos. En chaos kan gemakkelijk verwarrend werken. Zo beschouwd kan onze neiging tot ordening worden beschouwd als bron van verwarring. Ordening en voorspelbaarheid staan centraal en zijn de onderliggende krachten van verwardheid. Het is een paradox die aanzet tot reflectie. Hoe definities en ordeningen de bron zijn van wanorde en verwardheid.

Je zou kunnen zeggen dat die tendens tot ordening steeds sterker wordt. Is het niet zo dat we overal steeds meer ordening creëren en onze ordeningen steeds verder specificeren in een poging verwarring te ontgaan? We specificeren protocollen, maken ze steeds gedetailleerder. We stellen het ordenen op zichzelf niet ter discussie maar proberen juist onze ordeningen nog gedetailleerder te maken wanneer we met ongeordende werkelijkheid of met onvoorspelbaarheid te maken hebben.

Dat, zo schetst Roex, heeft ook gevolgen voor hoe we omgaan met verwardheid en met verwarde personen. We etiketteren ze en ordenen ze dus. We classificeren wanorde en verwarring. Zo krijgen we overzicht maar we dringen niet tot het wezen van de verwarring door. We verdiepen ons er niet in. We hebben geen oog voor het wezen van verwardheid. Het afwijkende, het verwarde heeft ons een boodschap te vertellen zoals de Franse filosoof Michel Serres stelt. Maar we worden zo in beslag genomen door onze drang tot ordelijkheid dat de boodschap niet tot ons doordringt. We sluiten er de ogen en oren voor.

Het boek toont de omkering. Confronteert de verwarde mens ons niet met ons eigen onvermogen? Of met de ervaring dat onze ordeningen een illusie zijn en dat we onze normaliteit ter discussie moeten stellen. Dat roept de vraag op wie er eigenlijk verward is.

Dat maakt het boek doordringend. Het gaat door jezelf heen. Het is dwingend doordat jezelf er iets van moet vinden. Het is dus geen vrijblijvend boek. Het stelt, hoewel impliciet, vragen en kan aanleiding zijn jezelf opnieuw te programmeren in relatie met de buitenwereld. De keuze tussen leven als origineel of een geordend en “dus” normaal leven leiden. Verwardheid kan dus heel functioneel zijn.



****************

Slimheid wint het van wijsheid

OPINIE

20 februari De Limburger


door Mathieu Wagemans

HET BETOOG - In Buitenhof waarschuwde voormalig vicevoorzitter van de Raad van State Tjeenk Willink recent voor uitholling van de rechtsorde. Te gemakkelijk wordt kritiek geuit op instituties en men realiseert zich niet dat daarmee de fundamenten van onze samenleving worden aangetast.

Het waren wijze woorden. Tegelijkertijd kan kritiek ook worden opgevat als een signaal en uitnodiging nog eens kritisch te kijken of de fundamenten van onze rechtsorde aan een onderhoudsbeurt toe zijn.

We stellen terecht hoge eisen aan besluitvorming door de overheid. Er gelden beginselen van behoorlijk bestuur die moeten worden gerespecteerd. Ieder besluit moet deugdelijk zijn gemotiveerd.

Altijd weer kan een besluit worden vernietigd omdat een aspect toch onderwerp van nadere studie had moeten zijn. Deugde het uitgevoerde onderzoek naar flora en fauna op de geplande bouwlocatie wel? Is het geluidsonderzoek volledig? Zijn de klachten van omwonenden goed afgewogen? Besluiten moeten ook consistent zijn met eerder genomen besluiten.

Vaardigheid

De vraag is aan de orde of we onze eisen niet zo hoog hebben opgeschroefd en de lat zo hoog hebben gelegd dat het lastig is er nog overheen te springen. Bovendien toont de praktijk dat er vaak sprake is van schijnargumenten die namens tegenstanders van een besluit worden aangevoerd. Er vinden spiegelgevechten plaats in de rechtszalen.

Inhoudelijke bezwaren worden zodanig geherformuleerd dat ze juridische betekenis krijgen. De overheid heeft een brief verkeerd geadresseerd. Men probeert de overheidsinstantie op vormfouten te betrappen waarvan de enige betekenis is dat daardoor een besluit onderuit kan worden gehaald.

Creativiteit bij het bedenken van een alibi kan in het strafrecht tot vrijspraak leiden omdat het alibi niet overtuigend onderuit kan worden gehaald. Het is een walhalla voor advocaten. Slimheid wint het vaak van wijsheid. Rechtvaardigheid wordt een kwestie van vaardigheid in het recht.

Aan de orde is de vraag of we de instituties van onze rechtsorde niet hebben opgezadeld met een nauwelijks waar te maken verwachtingspatroon. Moeten zij als dragers van de rechtsorde niet een werkelijkheid overeind houden die te mooi is om waar te worden.

Scheiding

Maar er spelen meer vragen. We kennen als beginsel de scheiding van de wetgevende, de uitvoerende en de rechtsprekende macht. Dat is een belangrijk beginsel omdat daarmee machtsmisbruik kan worden voorkomen. Scheiding van machten is bedoeld om onze rechtsorde zelfcorrigerend te maken.

Maar hoe functioneert dat in de praktijk? We hebben een zo dicht stelsel van regels geconstrueerd dat verandering lastig is. Steeds weer lopen voorstellen voor vernieuwing vast op juridische overwegingen.

Ons juridisch systeem dwingt voortdurend het vernieuwend karakter van voorstellen te verzwakken, niet als doel maar wel als feitelijk effect. Dat zou allemaal minder dramatisch zijn wanneer er geen noodzaak zou zijn van ingrijpende vernieuwingen op vrijwel elk terrein.

Wijsheid

We worden geconfronteerd met vraagstukken die niet meer passen binnen onze structuren en ordeningen. Boven- en onderwereld raken in elkaar verstrengeld. Statische regels verhinderen mee te bewegen met de dynamiek van een moderne samenleving.

Er waren stevige ambities rond de nieuwe Omgevingswet. De ervaringen tonen hoe lastig het is om die ambities waar te maken. De uitdaging is een gezelschap van vrijdenkers bij elkaar te zetten om tot daadwerkelijke omslagen te komen. En vervolgens wijze staatsrechtgeleerden inschakelen die in staat zijn buiten gevestigde kaders te denken.

De wijsheid van Tjeenk Willink mag daar niet bij ontbreken.

Mathieu Wagemans is raadslid in Leudal

www.ontganiseren.nl

*********************************

Het leven kan anders

Bespreking van: François Jullien, Het leven kan anders. Lontano, Amsterdam, 2019.

Gepubliceerd in Civis Mundi, nummer 93 januari 2020

door Matthieu Wagemans  

Afgelopen najaar verscheen Het leven kan anders. Het is een vertaling van Une seconde vie uit 2017 van de Franse filosoof François Jullien. We zijn geketend zonder dat we ons ervan bewust zijn. We verwarren de werkelijkheid met de constructies die we ervan hebben gemaakt. Het betekeniskader en de expressies ervan in de vorm van instituties, vanzelfsprekendheden, normen enz. zijn dwingend. Verandering is hooguit verandering binnen bestaande kaders. Dat zijn noties die Jullien bezighouden maar die ook elders zijn aan te treffen.

Jullien gaat een stap verder en graaft dieper. Beinvloed door de Chinese denkwijze introduceert hij het beeld van een ander leven. Een leven met een andere dimensie. Een leven dat niet kan worden geduid met de behulp van gangbare vormen, woorden en processen. Hij refereert aan momenten dat iemand “het licht ziet”. Hoe we soms ervaringen hebben waarin we een andere wereld zien. De wereld vertoont zich plotseling anders waardoor gevestigde probleemopvattingen hun betekenis kunnen verliezen. We worden op dergelijke ogenblikken overvallen door een helderheid waar we niet eens naar op zoek waren. Een openbaring die niet kan worden ontsluierd door er bewust naar de zoeken, die niet wordt geconstrueerd maar die zich ongepland aan ons voordoet. Die andere werkelijkheid is niet nieuw. Die was er al eerder maar toonde zich niet aan ons. Het zijn gebeurtenissen die een draaipunt kunnen vormen in ons leven.   

Jullien spreekt over luciditeit: een verruiming van het bewustzijn waardoor we de wereld anders gaan zien en ook onszelf in relatie tot die wereld. Het begrip decanteren (overschenken) neemt in de filosofie van Jullien een belangrijke plaats in. Dat beeld drukt treffend uit waar het Jullien om gaat. Wanneer je een fles oude wijn ontkurkt helpt het om die eerst over te schenken in een karaf zodat de droesem eruit wordt gehaald. Door herhaald decanteren ontstaat er helderheid. Die helderheid, zo stelt Jullien, is niet iets nieuws maar die was al aanwezig. Ze was alleen niet zichtbaar en kon pas verschijnen na herhaald decanteren. Zo kunnen we onszelf plotseling terugvinden in een andere omgeving. Die was er al maar werd aan ons bewustzijn onttrokken door versluieringen.

Zo beschouwd kan het boek worden opgevat als een verzameling verdiepende reflecties. Maar, geheel in de denktrant van Jullien, zou je de inhoud ook een heel actuele invulling kunnen geven. Bij lezing kwam de associatie op met de stikstofcrisis en de  worsteling in beleids- en politieke kringen om die te overwinnen. We kunnen de normen iets oprekken, geld ter beschikking stellen voor noodzakelijke veranderingen, de maximum snelheid verlagen. Maar, zo zou je in de geest van Jullien kunnen stellen: door dergelijke ingrepen blijf je in de context zitten die het probleem heeft veroorzaakt. Er is een breder bewustzijn nodig waardoor we bijvoorbeeld kunnen gaan inzien dat we het zelf waren en zijn die het probleem hebben veroorzaakt. Dan vinden we onszelf als het ware terug in een andere werkelijkheid waartoe we ons anders moeten gaan verhouden. We moeten anders in het leven gaan staan, een nieuw leven beginnen. Die verandering is dus aanzienlijk ingrijpender dan het verplaatsen van stukken op een schaakbord, zo zou je kunnen stellen. Dat leidt slechts tot een herhaling van zetten. In plaats daarvan moeten de overstap maken naar een ander spel.

Binnen ons westers georiënteerd denken is een dergelijke omslag lastig. We zitten vast in rationele benaderingen en in de uitkomsten ervan. We kunnen ons overweldigd voelen door vraagstukken. Een gevoel van machteloosheid omdat redeneren ons niet verder brengt. We zijn als het ware uitgeredeneerd en blijven symptomen bestrijden, niet als doel maar wel als feitelijk effect. In de filosofie van Jullien staat de ontmoeting centraal met de Chinese filosofie. Die stelt in staat een werkelijkheid te ontsluieren die voor ons, rationeel als we zijn, onvindbaar is.

Het boek kan worden opgevat als een uitnodiging om onze wereld van inhoudelijke analyses, van doelen, instrumenten en procedures te verlaten en oog te krijgen voor de werkelijkheid daarbuiten. Dat is een werkelijkheid die zich niet laat opdelen in gangbare oorzaak-gevolg-constructies, in slachtoffers en daders. Dat onderscheid helpt niet omdat we ons in die nieuwe werkelijkheid ervan bewust worden dat oorzaken en gevolgen in elkaar verstrengeld zijn, dat daders tegelijkertijd slachtoffers zijn en omgekeerd.

Het is nog niet zo eenvoudig om de verandering die Jullien bepleit in praktijk te brengen. We zitten vast aan structuren en contexten en laten die ook niet graag los. Ze bieden zekerheid en het is niet erg aanlokkelijk om ons bewustzijn te verruimen met als gevolg dat we zekerheden als schijnzekerheden moeten ontmaskeren en op weg moeten gaan om nieuwe zekerheden te zoeken. Dat zijn zekerheden met een andere en diepere dimensie die we niet kunnen vinden met ratio als instrument en redeneren als praktijk. Maar de beloning mag er zijn. Het kan het begin zijn van een nieuw leven. Jullien drukt dat iets anders uit. Dat nieuwe leven is strikt genomen niet nieuw. De mogelijkheid om dat nieuwe leven te leven was er altijd al maar we waren ons er niet van bewust.

Wie kritisch staat tegenover de wereld van de moderniteit en tegelijkertijd het postmoderne denken door vergaande relativering als oppervlakkig en richtingloos ervaart kan in het boek de uitdaging aantreffen tot verdieping. De uitdaging om zich het onvoorstelbare voor te stellen, het eigen denken te doordenken en daardoor het leven opnieuw te gaan leven.   

**************************************


Bespreking van: Klaas van Egmond, Homo Universalis. Moreel kompas voor een nieuwe Europese Renaissance. Amsterdam, De Geus, 2019.

(gepubliceerd in Civis Mundi, nr 93, januari 2020)

Mathieu Wagemans  

bij het lezen is de zowel brede als verdiepende aanvliegroute die van Egmond kiest  voor aanpak van de lastige vraagstukken waar we thans voor staan. Denk bijvoorbeeld, naast duurzaamheid, aan de vluchtelingenproblematiek, aan ons gemankeerd financieel systeem dat door manipulatie met de rekenrente overeind moet worden gehouden of aan het afnemend vertrouwen in instituties die onze samenleving zouden moeten schragen.  vertrekpunt is dat we niet voor het eerst met dergelijke vraagstukken te maken hebben. Het boek geeft een uitvoerige beschrijving van ingrijpende veranderingen in het verleden en van het krachtenveld daar rond omheen. Van Egmond wijst op de Renaissance tussen 1450 en 1600, de periode van de Verlichting tussen 1600 en 1800, de moderniteit vanaf 1800 en tot slot krijgt het postmodernisme aan het eind van de vorige eeuw de aandacht.

De benadering van van Egmond is dus zowel verbredend als verdiepend. Verbredend doordat de insteek niet is om te zoeken naar lineaire verbanden en daarop gebaseerde oorzaak-gevolg relaties maar in de beschrijvende analyse komen zowel economische als sociale, wetenschappelijke en godsdienstige bewegingen aan bod. De verdieping uit zich in een filosofische fundering van ontwikkelingen. In zijn analyse stelt van Egmond het mensbeeld centraal dat in een bepaalde periode dominant is.

Mensbeelden hebben hun beperkingen

Een mensbeeld kan worden opgevat als het perspectief van waaruit de mens zichzelf positioneert ten opzichte van de werkelijkheid. In dat perspectief staan vanzelfsprekendheden centraal: wat staat in een bepaalde periode niet ter discussie? Wat maakt geen onderdeel uit van afweging, juist omdat het vanzelfsprekend is? Een mensbeeld heeft, zo beschouwd, ook eenbeperkende werking, die andere visies uitsluit. Gevolg is dat een mensbeeld zichzelf in stand houdt. Het is bepalend voor het denken en daarop gebaseerd handelen. Het werkt zelfbevestigend. Keerzijde kan zijn dat het zelfcorrigerend vermogen beperkt is en problemen lange tijd kunnen voortbestaan. Een mensbeeld zet gemakkelijk aan tot herhaling. De overzichtelijkheid die wordt nagestreefd,blijkt een geconstrueerde overzichtelijkheid te zijn.      

Voor de periode van de moderniteit kan dat verklaren hoe ontwikkelingen met zichzelf op de loop kunnen gaan zonder dat er sprake is van corrigerend vermogen. En hoe een sprong vooruit grote risico’s van terugval en zelfs van vernietiging van het bestaande met zich mee kunnen brengen. De rationalisering heeft ons de afgelopen 200 jaar weliswaar veel opgeleverd maar kende ook nadelen. De prijs voor de vooruitgang was dat de wereld zich moest aanpassen en dat alles wat niet rationeel was, werd buitengesloten. Kinderarbeid en milieuverontreiniging is bezien vanuit een zuiver rationeel en economisch perspectief logisch en verstandig, maar tegelijkertijd vanuit moreel oogpunt verwerpelijk. De wijze waarop we rationaliteit hebben geoperationaliseerd stelt niet in staat zichzelf te repareren.  Dat leidt tot de noodzaak van een ander mensbeeld waarbinnen morele noties van betekenis zijn. Anders gezegd, aan de orde is dat we onze praktijken doordenken vanuit het perspectief van substantiële rationaliteit.   

Bij die analyse is de onderliggende gedachte dat mensen behoefte hebben aan ordening en overzicht, ongeacht het tijdsgewricht. We willen begrijpen. Dat leidt tot structuren die institutioneel worden vastgelegd. Gevolg is dat er sprake is van voorprogrammering. Routines maken denken overbodig. Maar de maatschappij verandert en dan kan blijken dat de ordeningen en structuren uit het verleden hun betekenis verliezen en niet meer in staat zijn op de actualiteit in te spelen. Ontwikkelingen zoals op het vlak van duurzaamheid houden zich nu eenmaal niet aan bestaande ordeningen en aan de grenzen van onze natiestaten.

Kritiek op de moderniteit

Het boek bevat een scherpe kritiek op het mensbeeld van de moderniteit vanwege de eenzijdige gerichtheid op het economische. Voor het niet-rationele is weinig ruimte. Tegelijkertijd wordt het postmoderne niet als oplossing gezien vanwege de neiging tot individualiteit. De ruimte die het postmoderne mensbeeld biedt kan als positief worden beoordeeld vanwege het toestaan van variatie en het loslaten van dwingende en gedateerde vormen van gezamenlijkheid, maar daarmee is gemeenschappelijkheid niet overbodig geworden. Die behoefte blijft, ook al dienen oude vormen van collectiviteit niet meer.

Je zou de strekking van het boek kunnen opvatten als een dringende behoefte aan en een oproep tot vernieuwing. Daarbij is de eerste uitdaging om de beweging naar schaalvergroting om te buigen richting menselijke maat. Op de tweede plaats is nodig dat de bestaande verhouding tussen het individuele en het gezamenlijke en het private en het publieke opnieuw wordt doordacht. En op de derde plaats vraagt dit dat de huidige bestaande statische kaders worden vervangen door kaders die kunnen meebewegen met maatschappelijke dynamiek en die in staat stellen tot zelfcorrectie. Zonder morele kaders lukt dat niet, zo is de vaste overtuiging van Van Egmond.

Noodzaak van verdiepend inzicht

Wie te midden van alle dagelijkse hectiek, demonstraties, economische, maatschappelijke en politieke ontwikkelingen behoefte heeft aan een verdiepend inzicht, zal na lezing waarschijnlijk concluderen dat het allemaal ingewikkelder is dan oppervlakkige berichtgeving ons graag wil doen geloven, maar zeker ook dat noodzakelijke veranderingen ingrijpender zijn dan gedacht. We zijn volgens van Egmond toe aan een nieuw mensbeeld waarin uniformiteit en gemeenschappelijkheid nieuwe inhoud moeten krijgen. Dat vraagt nieuwe vormen en praktijken. We kunnen daarbij niet volstaan met oppervlakkige compromissen want die hebben juist vanwege een gebrek aan een moreel kompas de problemen veroorzaakt en houden ze ook in stand.   

Een dergelijke analyse zal door politici gemakkelijk als onthutsend kunnen worden ervaren nu de dominante politieke context er een is die eerder door pragmatisme wordt gekenmerkt dan door ideologische thematiseringen. Het boek is daarom niet enkel interessant om tot duiding te komen van historische ontwikkelingen en overgangen, maar is ook buitengewoon actueel. Het noopt tot nadenken over de vraag of bijvoorbeeld de aanpak van de stikstofcrisis uitzicht biedt op duurzame veranderingen. En of een bestaand systeem van regels en toegekende rechten niet te statisch is om de noodzakelijke omslagen te maken. Of we, anders gezegd, niet te zeer zijn georganiseerd rond vraagstukken uit het verleden in plaats van rond uitdagingen voor de toekomst.

Aan de orde is dat we de moed hebben zekerheden tegen het licht houden en kritisch te bevragen. En bijvoorbeeld niet vanzelfsprekend erop vertrouwen dat wetenschappelijk onderzoek tot ware en eenduidige kennis leidt. Of nog indringender geformuleerd: dat wat we voor waarheid houden ook slechts gedefinieerde waarheid blijkt te zijn. Zo beschouwd leidt de studie van Van Egmond tot een fundamentele heroverweging op vrijwel ieder gebied. Het postmodernisme biedt daarvoor ruimte maar er is denkkracht en richting nodig om die ruimte aan te wenden ten dienste van de constructie een nieuw mensbeeld.

De veranderingen die daaruit voortvloeien vragen niet alleen moed om te beginnen maar zeker ook inspiratie en daarop gebaseerde overtuigingskracht om met tegenslagen om te gaan. Een ongebaand pad opgaan is nu eenmaal vaak tegelijkertijd  zowel boeiend als vermoeiend.

************************************



Bureaucratie, rechtspraak en de menselijke kant van het verhaal

Opinie door Thieu Wagemans

De Limburger 23 januari 2020

DE MENING – Vorig week berichtte De Limburger over een rechtszaak tegen een voormalige medewerker van de gemeente Leudal. De man werd ontslagen wegens diefstal waarvan hij later door de rechter overigens werd vrijgesproken. Het ontslag werd echter niet ongedaan gemaakt, terwijl kennelijk wel verwachtingen waren gewekt dat het dienstverband zou worden voortgezet.

Er is geen misverstand dat bedreigen van bestuurders of van ambtenaren ontoelaatbaar en strafbaar is. Ieder moet zijn werk kunnen doen zonder daarin te worden belemmerd. Dat is de ene kan van het verhaal. Er is echter ook een andere kant.

Wanhoop

Dan is aan de orde dat een bureaucratie met al haar regels en procedures burgers tot wanhoop kan brengen. De formele wereld van de overheid is voor burgers vaak ondoorgrondelijk en onbegrijpelijk. Een formele opstelling van bestuurders en ambtenaren en een gebrek aan inlevingsvermogen kan burgers dan gemakkelijk een gevoel van totale onmacht geven. Men kent het spel en de spelregels niet en staat tegenover overheidsdienaren die de regels exact en tot in de kleinste details kennen.

En wanneer die burger dan in zijn hopeloosheid uitspraken doet die niet volgens de regels zijn, leert de ervaring dat diezelfde bureaucratie dan vaak ogenblikkelijk klaar staat met het vingertje. Binnen een overheidsorganisatie is men nu eenmaal veel beter op de hoogte van allerlei regels dan de gemiddelde burger. Dat leidt dan gemakkelijk tot situaties waarin een burger de prijs betaalt voor zijn eigen onvermogen en de overheidsorganisatie haar handen in onschuld wast, maar intussen door een formele opstelling wel intens leed veroorzaakt.

Invoelingsvermogen

Maar het kan ook anders. Dan is aan de orde dat je kunt begrijpen dat iemand in een emotionele bui uitspraken doet waarvan betrokkene op een later tijdstip zelf ook zal erkennen dat die niet verstandig en ontoelaatbaar zijn. Dan is aan de orde dat invoelingsvermogen en bestuurlijke wijsheid het horen te winnen van de wens tot vergelding.

Vele malen heb ik als raadslid meegemaakt hoe mensen werden vermorzeld door formeel en afstandelijk optreden vanuit de overheid. Maar als burgers uitdrukking geven aan frustraties (al of niet terecht) en daarover hun ongenoegen uiten, dan blijkt diezelfde overheid heel precies de regeltjes te kennen over wat wel en niet mag. Dan staat de burger tegenover een organisatie die zich massief en schouder aan schouder opstelt tegenover de burger en met groot gemak via formele redeneringen haar gelijk haalt en daarmee de burger nog verder in de ellende duwt.

Ik heb zelf diverse malen ervaren dat ik door burgers die een recht claimden dat ze niet hadden onheus werd benaderd, of dat in aanwezigheid van getuigen doodsbedreigingen werden geuit. De formele weg is dan dat je aangifte doet met als zekerheid dat de betreffende burger een straf krijgt en voortaan met een strafblad door het leven moet. Je haalt dan je gelijk als organisatie, ongeacht de prijs die de ander daarvoor moet betalen.

Menselijke kant

De ervaring leert ook dat rechters met dergelijke gevallen uiteenlopend omgaan. De een zal zich puur op de regels beroepen, constateren dat die zijn overtreden en betrokkene veroordelen.

Strikt genomen is dat natuurlijk ook de opdracht en de verantwoordelijkheid van de rechterlijke macht. De rechter dient te toetsen of regels zijn overtreden. Dat zal in de onderhavige kwestie ook wel het geval zijn. Gelukkig zijn er ook rechters die het gebrek aan bestuurlijke wijsheid binnen een overheidsorganisatie compenseren door alsnog door het strafbaar handelen heen te kijken, oog te hebben voor de menselijke kant en dat in hun vonnis tot uitdrukking brengen.

Thieu Wagemans is raadslid in Leudal

**************************************************


  • De tijd van schaalvergroting in de landbouw is voorbij

Opiniebijdrage in Algemeen Dagblad 20 december 2019

Nederland moet afstand nemen van het idee dat landbouw slechts een zuiver economische activiteit is waarvoor alles moet wijken, stelt Mathieu Wagemans. De huidige weg van schaalvergroting is een doodlopende.


In het AD van 17 december jl nemen Rens-Willem Bloemendaal, Hans Geurts en Keimpe van der Heide stelling tegen het sluiten van vrijhandelsakkoorden waar boeren in Nederland de dupe van worden. Zij pleiten voor bescherming van de Europese markt voor landbouwproducten. Dat pleidooi lijkt logisch. De omstandigheden voor productie tegen een zo laag mogelijke kostprijs zijn in ons dichtbevolkte en dichtgeregelde land nu eenmaal ongunstiger dan in landen als Canada, de VS of de Oekraïne.

Maar dat pleidooi is ook erg eenzijdig en oppervlakkig. Wat is er aan de hand? Vanaf de vijftiger jaren was het landbouwbeleid in Nederland gericht op verdere rationalisatie via schaalvergroting en specialisatie. Landbouw werd opgevat als een zuiver economische activiteit. Alles wat dat verhinderde werd terzijde geschoven. De gevolgen kennen we. De bodem raakte verzadigd met stikstof en fosfaat. Het oppervlakte- en grondwater werd verontreinigd met bestrijdingsmiddelen. De natuur verdroogde. Landschapselementen moesten wijken voor alsmaar grotere machines. De luchtkwaliteit werd aangetast door ammoniak en fijnstof uit varkens –en pluimveestallen. Alles moest wijken om internationaal te kunnen blijven concurreren.

Die verenging van de landbouw tot enkel economisch denken betekende zo een eenzijdige nadruk op modernisering. Alles wat zich daartegen verzette werd ontkend en terzijde geschoven. Nadelen van modernisering werden onder de mat geschoven. Op tal van terreinen werd de landbouw gekoesterd door subsidies en belastingfaciliteiten. Winsten uit de woningbouw werden aangewend om de landbouw te hulp te schieten zoals bij de sloop van stallen. De kosten voor herstel van natuur werden afgewenteld naar de overheid. Er is nauwelijks een sector aanwijsbaar die zo enorm is geholpen door overheidsbeleid dan de landbouw. Varkenshouders klagen dat ze geen toekomst hebben terwijl het gemiddelde inkomen afgelopen jaar rond 300.000 euro lag.

De oplossing voor de landbouw in onze moderne samenleving vraagt meer dan tegengaan van vrijhandel. Nodig is dat de band tussen burgers en boeren wordt hersteld. De afgelopen decennia is de landdouw vervreemd van de burgers. Die weten niet meer hoe hun voedsel wordt geproduceerd Dat moet worden hersteld. Boeren hebben recht op een fair inkomen. Daar staat tegenover dat men rekening dient te houden met maatschappelijke opvattingen over hoe ons voedsel wordt geproduceerd, dieren worden gehuisvest en het platteland wordt onderhouden. Een houding vanuit de landbouw dat boeren zelf wensen uit te maken hoe zij produceren en dat niemand zich daarmee heeft te bemoeien, past dan niet. Boeren protesteren tegen gedwongen sluiting van bedrijven terwijl de praktijk is dat juist hun eigen beleid naar verdere rationalisatie oorzaak ervan is dat duizenden bedrijven moesten stoppen omdat ze de race niet konden bijhouden.

Een goede en stevige relatie tussen boeren en burgers eist dat we afstand nemen van de eenzijdige nadruk op rationalisatie. Dan ontstaat ruimte voor het besef dat landbouw maatschappelijk veel meer kan betekenen dan enkel goed koop produceren van voedsel. Zorglandbouw is daar een treffend voorbeeld van. Demonstraties van de laatste tijd geven helaas aan dat men door wil gaan op de ingeslagen weg van schaalvergroting. Die weg is doodlopend. Je kunt niet klagen over gedwongen bedrijfsbeëindiging wanneer je daar zelf vanuit de landbouw al ruim vijftig jaar actief aan meewerkt.

Mathieu Wagemans is landbouweconoom en raadslid In Leudal


*************************************

Burgers pesten lost niets op

Opiniebijdrage in de Limburger van 12 december 2019

Thieu Wagemans

De Farmers Defense Force kondigt aan rond Kerstmis blokkades te organiseren rond distributiecentra om zo de beschikbaarheid van voeding in supermarkten te verhinderen. Burgers zouden langs deze weg aandacht moeten krijgen voor de belangen van de boeren. Het is een actie die treffend illustreert wat ten diepste het probleem is van onze moderne landbouw.  

Allereerst is de landbouw een sector die indringend het duurzaamheidsvraagstuk illustreert. Landbouw verenigt in zich de drie dimensies van duurzaamheid: het economische, het ecologische en het sociaal-culturele. Wat dat laatste betreft is wel eens gezegd dat de wijze waarop het voedsel wordt geproduceerd een kenmerk is van het beschavingsniveau van een samenleving. De modernisering van de landbouw demonstreert wat er gebeurt wanneer we enkel oog hebben voor wat rationeel is en alles wegdrukken wat economisch geen waarde heeft. Hoe gaat een samenleving om met wat kwetsbaar is onder economische druk? Realisering van een duurzaam landbouwsysteem kan daarmee voorbeeldig zijn voor verduurzaming op tal van andere terreinen. De noodzakelijke omslag is ingrijpend en vraagt vooral ook institutionele vernieuwing. Thans zijn we georganiseerd rond problemen. We denken in tegenstellingen en houden die als het ware georganiseerd in stand. De moderne landbouw demonstreert hoe eenzijdig inzetten op rationalisatie een dood spoor wordt. De voordelen komen niet bij de boeren terecht want die hebben de zwakste positie in de voedselketen.  

Daarmee komen we bij een tweede punt. Er komen steeds meer beschouwingen die de oorzaak van het duurzaamheidsvraagstuk duiden als de versplintering. De wijze waarop we zijn georganiseerd deugt niet. We zijn verbindingen kwijtgeraakt. Ook op dat terrein is de landbouw een sprekend voorbeeld. In het verleden zorgde de landbouw voor verbinding op het platteland. Rationalisatie leidde ertoe dat bedrijven uit de dorpskern werden verplaatst. De band tussen boer en burger werd zwakker. De huidige landbouwpraktijk is vooral ontwikkeld binnen de landbouw zelf. Dat uit zich in het feit dat burgers nauwelijks nog zicht hebben op hoe hun voedsel wordt geproduceerd. De modernisering is gepaard gegaan met toenemende vervreemding van de consument van zijn voedsel. Die ontwikkeling was mogelijk omdat de sector voldoende en krachtige beschermengelen had in de politiek, zowel lokaal, landelijk als in Brussel. De sector kon rekenen op tal van subsidies en andere faciliteiten, ook op belastingterrein. Beperkende maatregelen werden telkens verzacht of uitgesteld. Bij problemen werd door de overheid de beurs getrokken.

Die maatschappelijke versplintering en verzelfstandiging van sectoren en het daarmee gepaard gaande verlies aan onderlinge verbindingen staat centraal in de filosofie van Michel Serres. Hij noemt als voorbeelden de economie, de wetenschap, de gezondheidszorg en bijvoorbeeld ook het domein van kunst en cultuur. Hij pleit voor herstel van verbindingen tussen die domeinen, ook al zullen die er heel anders uit gaan zien dan vroeger het geval was.

Voor de landbouw houdt dat in dat de band tussen boeren en burgers wordt hersteld. Boeren hebben recht op een faire beloning want zonder een economische basis kan er van duurzaamheid geen sprake zijn. Maar dat vraagt een tegenprestatie. Men zal bij de voedselproductie rekening moeten houden met de opvattingen en wensen van consumenten.  

Zo beschouwd getuigen de voorgenomen acties rond Kerstmis eerder van kortzichtigheid dan van boerenslimheid. Men zoekt de confrontatie in plaats van de verbinding. Hoopvol is dat veel boeren de afgelopen jaren juist die verbinding zijn gaan zoeken. Dat uit zich op tal van terreinen en in veel initiatieven, vaak op lokale schaal. Dat varieert van huisverkoop tot nieuwe bedrijfstypen waarbij burgers invloed hebben op de bedrijfsvoering. Ook zien we dat boeren zich verenigen om via eigen merken een grotere marge te krijgen en een sterkere positie in de keten. Dat betekent het versterken van de band met burgers in plaats van burgers te koeioneren.

Thieu Wagemans is landbouweconoom en Raadslid in Leudal

**************************************

Van een definiërend naar een energetisch wereldbeeld: begrippen en feiten als dragers van energie.

Deel 1

Nieuw beleid past niet in bestaande kaders en vraagt een ander perspectief

Civis Mundi Digitaal nr 91, november 2019

door Mathieu Wagemans

Onze instituties, met name de overheid, de wetenschap en de gezondheidszorg definiëren onze werkelijkheid, in wetten, verordeningen, theorieën, ziektebeelden en behandelingen en hebben vaak de macht hun definities en hun wereldbeeld min of meer dwingend te doen gelden. Er is ook een ander wereldbeeld mogelijk, waarin de werkelijkheid wordt beschouwd als energie, minder is vastgelegd en meer ruimte laat voor variatie en verandering, die in onze tijd hard nodig is. Deel 1 gaat over het gangbare definiërende wereldbeeld, deel 2 over mogelijke en noodzakelijke veranderingen, waarbij bewustzijnsverandering een belangrijke rol speelt.

We staan voor ingrijpende veranderingen

Langzamerhand is bij velen de overtuiging gaan leven dat we voor ingrijpende veranderingen staan. Dat geldt op het vlak van duurzaamheid maar ook op institutioneel vlak. Het besef groeit dat de wijze waarop we zijn georganiseerd, ons in de weg kan zitten bij de overstap naar een duurzame samenleving. Zo leert de ervaring dat ingrijpende vernieuwingen gemakkelijk kunnen worden gefrustreerd door geldende regels. Breed zijn ook de klachten over bureaucratisering en regeldruk. Bovendien onderkennen we lang niet altijd de zin van regels. We persen een dynamische en pluriforme werkelijkheid in statische en eenduidige kaders. Pogingen tot verandering op institutioneel terrein zoals reorganisaties hebben vaak niet het gewenste effect. Het zijn vaak herschikkingen binnen statische kaders, die niet helpen om grip te krijgen op maatschappelijke dynamiek. Hooguit pakken we symptomen aan maar de onderliggende problemen blijven voortwoekeren.

Datzelfde zien we binnen het overheidsbeleid. Nieuw beleid is vaak moeilijk in te passen in bestaande beleidskaders. Daarbij speelt mee dat we strenge eisen stellen aan beleid en ook aan totstandkoming van beleid. Er gelden beginselen van behoorlijk bestuur die moeten worden gerespecteerd bij nieuwe beleidsbesluiten op straffe van vernietiging door de rechter. We vinden ook dat het beleidscomplex intern consistent moet zijn. Nieuwe regels moeten zich logisch verhouden tot bestaande regels. Dat vraagt grote inspanningen.

Het wordt steeds lastiger om nieuwe regels in te passen. Dat lukt ook niet altijd. Ieder kent wel voorbeelden van situaties waarin regels in zichzelf verstrikt raken en dwingen tot gedrag dat in strijd is met andere regels. We hebben de lat zo hoog gelegd dat het steeds moeilijker wordt eroverheen te springen. Steeds vaker is juridische spitsvondigheid nodig en altijd bestaat het risico dat juridische interpretaties van regels door de rechter onderuit worden gehaald.

De vraag is aan de orde of doorgaan op de ingeslagen weg uitkomst zal bieden. Lopen we niet steeds meer vast in onze eigen constructies? In het laatste geval is aan de orde of we niet de overstap moeten maken naar heel andere vormen van sturing vanuit het besef dat we anders niet in staat zijn de noodzakelijke veranderingen aan te kunnen en de regie kwijtraken.

Het perspectief van dit artikel in het kort

We beginnen met kort het perspectief te duiden van waaruit we de werkelijkheid benaderen. Daarbij sluiten we aan bij de filosofie van het constructivisme. Die zegt onder meer dat we de werkelijkheid construeren, dus ook kunnen veranderen door andere denkconstructies. Verandering begint vaak met een andere kijk op de werkelijkheid. Door van perspectief te veranderen vertoont de werkelijkheid zich anders aan ons, kijken we anders tegen vraagstukken aan en komen andere oplossingen in beeld. We willen in dit artikel een andere werkelijkheid verkennen. Aansluitend zullen we het betekeniskader schetsen dat kenmerkend is voor onze moderne samenleving. Wat zijn daarin de vaste veronderstellingen, uitgangspunten en routines?

Vervolgens zullen we vanuit het perspectief van het constructivisme een heel ander beeld scheppen van onze moderne samenleving. We gaan daarvoor te rade bij de kwantumtheorie. Die keuze is geen toeval. Immers, de kwantumtheorie was en is een voorbeeld van een geheel ander perspectief dat het lange tijd bestaande vanzelfsprekende beeld van de lineaire mechanica doorbrak. Dat was een schokkende ervaring. Maar die bood tegelijkertijd grote mogelijkheden om tot een dieper en beter inzicht te komen in de werkelijkheid. Die bleek een stuk ingewikkelder te zijn dan verondersteld. We sluiten af met enkele conclusies.

Het perspectief van het constructivisme

Het perspectief dat we kiezen is het perspectief van het constructivisme. Dat houdt, kort geformuleerd, in dat wat we voor werkelijkheid houden in wezen afbeeldingen van de werkelijkheid zijn. We geven betekenis aan de werkelijkheid. Die betekenissen zitten in onszelf. We hebben te maken met een werkelijkheid die heel uiteenlopend kan worden geïnterpreteerd. Dat wijkt nogal af van de bestaande overheidspraktijk waarin in wetten en regelingen heel precies is vastgelegd hoe de werkelijkheid “in de zin van deze wet” moet worden opgevat. De overheid vormt een beeld van de werkelijkheid dat in staat stelt te voldoen aan de eisen die we aan overheidsbeleid stellen. Dat is op het eerste gezicht een merkwaardige paradox.

Overheidsbeleid is bedoeld om de werkelijkheid te veranderen maar om daartoe in staat te zijn moet de werkelijkheid eerst worden aangepast aan onze opvattingen over sturing en over sturingsinstrumenten. Voor de wetenschap kan een vergelijkbaar beeld worden geschetst. De werkelijkheid moet eerst worden geherformuleerd en wel zodanig dat geaccepteerde onderzoekmethoden toepasbaar zijn.

Het constructivisme biedt ons een wereldbeeld dat je zou kunnen duiden als gesubjectiveerde objectiviteit, die niet overeenkomt met het geldende positivisme en objectivisme. Objectiviteit blijkt onhoudbaar, zowel bij beleid als in de wetenschap, zoals we zullen zien.

Gesubjectiveerde objectiviteit

Aandacht verdient ook het besef dat we vanuit het perspectief van het constructivisme niet langer kunnen spreken van een objectieve werkelijkheid. De werkelijkheid is slechts te benaderen door afbeeldingen ervan te construeren die “per definitie” subjectief van aard zijn. We benaderen en onderzoeken een werkelijkheid waarin we zelf acteren en die veranderlijk is, afhankelijk van de veranderende betekenis die we eraan toekennen. Objectiviteit wordt vervangen door gesubjectiveerde objectiviteit. Object en subject zijn onlosmakelijk aan elkaar gekoppeld.

Het heersende positivisme staat niet open voor onvermijdelijke subjectieve invloeden

Het onderliggend beeld van de realiteit in beleid, bestuur en wetenschap is niettemin positivistisch. Dat is het gevolg van de eisen die we aan het optreden van de overheid stellen. Processen van besluitvorming en kennisverwerving moeten worden ontdaan van subjectieve invloeden en dienen objectief te verlopen zodat de uitkomsten objectief zijn. Wij wensen niet dat besluiten afhankelijk zijn van persoonlijke opvattingen of van emoties of dat wetenschappelijk onderzoek wordt beïnvloed door persoonlijke inschattingen of overtuigingen. Besluiten moeten verder worden gebaseerd op langs objectieve weg verkregen kennis.

Probleem vanuit het constructivisme is echter dat zuivere objectiviteit onbereikbaar is. Dat geldt voor beleidsambtenaren, voor bestuurders en ook voor wetenschappers. Men werkt op basis van beelden van de werkelijkheid en kan zich ook niet ontdoen van die beelden. Dat betekent dat er sprake is van een permanente spanning tussen de eisen die we stellen aan besluitvorming en kennisverwerving enerzijds en de praktijk anderzijds.

In beleid en bestuur spelen in de praktijk allerlei overwegingen mee die later in de formele verwoording van overwegingen en besluiten niet zijn terug te vinden. Men kan bijvoorbeeld burgers die vaak bezwaar maken als lastig ervaren. Men kan voorkeur hebben een opdracht aan een bepaald bedrijf te gunnen. Men kan persoonlijke voorkeur hebben een vergunning aan een bepaalde persoon wel of niet te verlenen of in een bepaalde situatie niet handhavend op te treden. Men kan het ongewenst vinden dat bepaalde informatie publiek wordt en gegevens proberen te verdoezelen door ze bijvoorbeeld als minder relevant te classificeren of anders te framen.

Kortom, er kunnen oneigenlijke overwegingen meespelen die men in de formele besluiten uiteraard niet zal terugvinden. Besluiten worden zodanig verwoord dat het beeld van volstrekte objectiviteit wordt opgeroepen. Datzelfde geldt voor de wetenschap.

Ook in de wetenschap bestaat geen volledige objectiviteit

Kuhn maakte het onderscheid tussen de context of discovery en de context of justification. Dat onderscheid heeft erop betrekking dat het proces van ontdekking van nieuwe kennis nogal afwijkt van de wijze waarop dat proces wordt gepresenteerd in bijvoorbeeld publicaties. (Kuhn, 1996) De werkelijke processen getuigen bijvoorbeeld van intuïtie en toeval. De presentatie dient echter een beredeneerd geheel te zijn.

Er vindt een reconstructie plaats om te voldoen aan wetenschappelijke criteria die eveneens uitdrukking vormen van objectiviteit. Niet het werkelijke proces van waarheidsvinding wordt beschreven maar er wordt een geobjectiveerde reconstructie gepresenteerd. Het subjectieve wordt eruit gefilterd. Het bestond wel, maar binnen een context van objectieve rationalisatie is er geen plaats voor.

Niettemin speelt het subjectieve in het gehele proces een rol. Het begint al met de probleem- en onderzoekformulering. Wat als vraagstelling op tafel komt, wordt geherformuleerd en wel zodanig dat de wetenschappelijk geaccepteerde methoden toepasbaar zijn. Anders gezegd, de realiteit moet wijken voor de afspraken die zijn gemaakt over eisen waaraan onderzoek moet voldoen. Maar als die eisen uitgaan van de illusie van objectiviteit, kan dit niet door het onderzoek worden gekritiseerd maar wordt, in tegendeel, de onderliggende illusie juist bevestigd.

Het komt erop neer dat de eisen die we stellen aan wetenschappelijk verantwoord onderzoek in zichzelf niet consistent zijn. Er is sprake van systeemfouten en wel in die zin dat het geheel is gebaseerd op veronderstellingen die niet deugen. Veronderstellingen sluiten buiten wat niet past. Door buiten te sluiten wat niet past wordt de werkelijkheid overzichtelijk. Maar die overzichtelijkheid is een geconstrueerde overzichtelijkheid, enkel met als doel een beeld van consistentie te kunnen construeren.

Kenmerken van het moderne wereldbeeld

Er bestaat veel literatuur waarin wordt beweerd en gedemonstreerd dat het wereldbeeld binnen de moderniteit aan de basis ligt van problemen waar we mee te maken hebben. Zo wordt vaak geduid op de absolute betekenis die aan rationaliteit wordt toegekend. We hebben een sterke overtuiging dat we problemen kunnen aanpakken door deze beredeneerd te benaderen. We analyseren in de hoop en verwachting dat we zo de oorzaken kunnen opsporen. Nu weten we ook dat redeneren zijn beperkingen heeft.

Beperkingen van het moderne wereldbeeld zijn onder meer:

1. Onvolledigheid, dat wil zeggen de onmogelijkheid een (al)omvattend beeld te vormen,

2. Behoefte aan (rationele) beheersing, ook wel instrumentele rationaliteit genoemd

3. Materialisme en nadruk op materiële, economische korte termijn belangen en rendement

4. Mateloosheid en onbeheersbaarheid van de economische groei

5. Nadruk op kenbaarheid door analytisch denken en technologie

6. Uniformiteit, geen afwijkingen en uitzonderingen

1. Onvolledigheid

We zijn niet in staat, zoals Simon stelde, om ons een allesomvattend beeld te vormen van de werkelijkheid, alle aspecten diepgaand te analyseren, alle mogelijke alternatieven uit te werken en op basis van een volledige set aan criteria vervolgens de juiste keuze te maken. Ons vermogen daartoe kent zijn beperkingen waardoor absolute rationaliteit voor ons niet bereikbaar is (Simon, 1997). Maar het accepteren ervan valt ons zwaar. Zie de wijze waarop we rampen en omvangrijke ongelukken benaderen. We analyseren zeer gedetailleerd de gang van zaken en steeds weer formuleren we aanbevelingen om de praktijk iets aan te passen in de veronderstelling dat we daarmee het ongewenste en het onvoorspelbare kunnen vermijden.

2. Behoefte aan rationele beheersing

Daarmee komen we bij de behoefte aan beheersing als een tweede kenmerk van ons moderne wereldbeeld. Met het accepteren van fundamentele onmacht hebben we het moeilijk. Desnoods blijven we illusies koesteren in plaats van onszelf met onvermogen te conformeren. En dus geven rampen aanleiding de protocollen nog verder te verbijzonderen. Onze opvatting van rationaliteit is bovendien oppervlakkig en instrumenteel. Ons rationaliteitsbegrip is systeemgebonden en dus beperkt . Een vergelijking ligt voor de hand met het onderscheid dat Weber maakt tussen doelrationeel en waarderationeel handelen.

3. Materialisme en nadruk op materiële, economische korte termijn belangen en rendement

Het materialistisch karakter van onze moderne cultuur hangt hiermee nauw samen. De moderne mens heeft weinig oog voor het metafysische. In de politiek is ideologie “uit”. Behartiging van belangen neemt een voorname plaats in en drukt onderliggende verschuivingen binnen ons waardenpatroon opzij. Rentmeesterschap verdwijnt uit het zicht wanneer de zorg voor onze leefomgeving moet wijken voor kortetermijnbelangen zoals de economische noodzaak binnen ons landbouwsysteem van schaalvergroting die een grotere efficiency en een lagere kostprijs per eenheid product mogelijk maakt, bijvoorbeeld door de bouw van nieuwe en grotere stallen. Wat als oplossing wordt gepresenteerd is in wezen vaak niet meer dan een compromis tussen onderling strijdige belangen.

4. Mateloosheid van de economische groei

Een ander punt betreft de mateloosheid. Groei is voorondersteld. Binnen de economie is onze overtuiging dat zonder groei de continuïteit gevaar loopt, zowel macro- als micro-economisch. Die mateloosheid wordt door van der Wal geduid als een kenmerk van de moderniteit en als een oorzaak van de milieuproblematiek (Van der Wal, 1996). Er staat geen rem op economische groei met als gevolg dat wat economisch niet van betekenis is, het risico loopt steeds verder te worden weggedrukt. Het kwetsbare kan niet rekenen op bescherming binnen een samenleving waarin het economisch kader dominant is. Het systeem is niet zelfcorrigerend en behoeft bijstelling van buiten af, bijvoorbeeld door overheidsingrijpen.

5. Nadruk op kenbaarheid door analytisch denken en technologie

Kenbaarheid kan eveneens worden opgevat als een basisovertuiging. De wetenschap stelt ons in staat de werkelijkheid te kneden en als dat niet naar wens verloopt zal nader onderzoek ons ongetwijfeld verder brengen. Technologie is oorzaak van problemen maar nieuwe technologie zal ons in staat stellen die weer op te lossen. Daarbij ligt er een nadruk op analytisch en splitsend denken. De roep op integrale benaderingen is weliswaar sterk, maar de geldende kennis is eerder de optelsom van disciplinaire kennis. We hebben behoefte aan de constructie van een nieuw discipline-overstijgend kader maar dat is lastig te realiseren binnen disciplinair opgebouwde structuren zoals onze universiteiten en andere kennisinstituten.

6. Uniformiteit, geen afwijkingen en uitzonderingen

Ook de drang tot ordelijkheid en uniformering verdient vermelding. We hechten waarde aan een allesbeheersende overzichtelijkheid. Het afwijkende wordt eerder als probleem ervaren dan als uitdagend en stimulerend tot verkenning en onderzoek. Voor een open houding van verwondering is weinig ruimte. Het onverwachte verstoort onze wens tot kennen en beheersen in plaats van aan te zetten tot een zoektocht.

Een alternatief wereldbeeld waarin betekenisverlening centraal staat

Het moderne wereldbeeld is dus beperkend en uitsluitend. Dat geldt ook voor de overheid. De context waarin beleid tot stand komt is zowel statisch als eenduidig (Wagemans, 2016). Definities sluiten uit. Ze zijn bronnen van betekenisloosheid. Ze werken onderscheidend ten opzichte van wat een definitie omvat en wat een definitie uitsluit.

Het dominante wereldbeeld is gebouwd op aannames en vanzelfsprekendheden. Het bepaalt hoe we de werkelijkheid zien en dus ook wat we buitensluiten. Om het wereldbeeld te verbreden vormen die vanzelfsprekendheden een belangrijke sta-in-de-weg. Zo is binnen het dominante economisch perspectief groei een voorwaarde voor continuïteit. Bovendien heeft wat maatschappelijk van waarde wordt geacht vaak geen waarde en betekenis in economische zin. We willen graag de overstap maken naar een duurzame samenleving, maar wensen tegelijkertijd dat onze economie blijft groeien. Een gemankeerd economisch systeem kan dan al gauw maatstaf worden voor innovaties. Dan blijft een wereldbeeld dominant dat juist als een belangrijke oorzaak kan worden gezien voor een gebrek aan duurzaamheid.

De overstap naar een ander wereldbeeld is ingrijpend. Het maakt het noodzakelijk dat we ons bewust worden van ongewenst gedrag en vooral ook dat we gaan inzien hoe dat gedrag zo lang in stand kon blijven. Daartoe is vanuit een constructivistisch perspectief nodig dat we ons verdiepen in het onderliggend betekeniskader en in de processen van betekenisgeving.

Een vergelijking met de kwantumtheorie

Alvorens inhoudelijk in te gaan op noodzakelijke veranderingen, ligt het vanuit het constructivistisch perspectief voor de hand ons een beeld te vormen van een maatschappij die is opgebouwd op basis van betekenisgeving. Wat moeten we ons voorstellen bij een werkelijkheid als een betekenisgegeven werkelijkheid waarin sprake is van een ondoorzichtig geheel van betekenis gevende processen en waarin betekenissen bovendien voortdurend kunnen veranderen? Waarin objecten en gebeurtenissen uiteenlopende betekenissen kunnen krijgen maar bovendien hun betekenis kunnen verliezen en kunnen voortbestaan als betekenisloos?

Als uitgangspunt kunnen we nemen dat feiten hun betekenis krijgen door de betekenis die we eraan geven. Ze worden relevant door de betekenis die ze krijgen en worden aldus drager van betekenis. Gebeurtenissen kunnen we ervaren als schokkend, maar we kunnen er ook gedachteloos aan voorbijgaan. Door er betekenis aan te geven worden feiten en gebeurtenissen als het ware opgeladen. Ze worden als relevant ervaren hoewel die relevantie erg kan verschillen, afhankelijk van de betekenis die we eraan geven.

Naarmate feiten en gebeurtenissen meer betekenis krijgen, krijgen ze werking. Ze kunnen van invloed worden op ons denken en handelen. Ze worden drager van energie terwijl tegelijkertijd andere feiten en gebeurtenissen betekenisloos blijven. Het roept het beeld op van een energetische maatschappij. Betekenisgeving kan de werkelijkheid als het ware doen oplichten waardoor krachten worden opgeroepen. Tegelijkertijd kunnen we (delen van) de werkelijkheid ook ervaren als betekenisloos. Ze raken ons niet. Althans, we zijn ons er niet van bewust.

Voorbeeld: DSM (Statistical and Diagnostic Manual for Mental Disorders)

Ter illustratie van het voorgaande de psychiatrie als voorbeeld. Het DSM (Statistical and Diagnostic Manual for Mental Disorders) bevat een gedetailleerd overzicht van psychiatrische aandoeningen. Nauwkeurig is in definities beschreven wanneer sprake is van bijvoorbeeld een bipolaire stoornis, een angststoornis of een depressie, inclusief allerlei subcategorieën. Die definities hebben gaandeweg het karakter gekregen van een diagnose (van Os, 2014).

De betekenis ervan is overgegaan van helderheid scheppen in onderlinge communicatie binnen de psychiatrie naar een context van behandeling en financiering. Wordt een definitie uit het DSM gekoppeld aan een patiënt, dan heeft dat consequenties voor de behandeling en tevens voor de vergoeding van aan die behadeling verbonden kosten. De definities zijn immers geaccepteerd door bekostigende zorgverzekeringen.

De definities zijn aldus drager geworden van een veelomvattender lading. Ze zijn zwaarder geworden, omdat we er betekenis en dus energie aan hebben toegekend. Ze hebben aanzienlijk meer werking gekregen dan aanvankelijk de bedoeling was. Ze zijn geaccepteerd en zelfs zo stevig institutioneel verankerd dat ze dominantie hebben verkregen.

Zoals voor alle definities geldt, sluiten ze ook uit. Steeds meer dringt het besef door dat behandelingen die zijn gebaseerd op het DSM het risico van eenzijdigheid lopen. Ervaringen van patiënten tellen slechts mee voor zover ze passen binnen het classificatieschema van het DSM. Is dat niet het geval, dan kunnen ze gemakkelijk betekenisloos blijven. Ze zijn er wel maar hebben in uiterste consequentie geen werking. Dat is een merkwaardige paradox. De wijze waarop een patiënt betekenis geeft aan de werkelijkheid, aan zichzelf en aan zichzelf in relatie tot de werkelijkheid, raakt de kern van de psychiatrie. Maar het risico bestaat dat die ervaringen niet of onvoldoende betekenis krijgen, omdat ze niet in staat zijn de blokkades van formele definities te doorbreken. Kundigheid wordt dan vervangen door “des”kundigheid.

De kwantumbenadering op sociaal terrein

Een dergelijk energetisch beeld van de maatschappelijke werkelijkheid waarin sprake is van allerlei krachten die gekoppeld zijn aan betekenisgeving en waarbij we de processen van betekenisgeving nog maar moeilijk kunnen doorgronden, roept een associatie op met de kwantumfysica. Ook de kwantumleer kwam voort uit de confrontatie met processen en krachten die niet verklaarbaar waren met de gebruikelijke concepten en theorieën. De beginselen van de lineaire fysica bleken niet te voldoen omdat er sprake was van onverklaarbare krachten en verschijnselen die we niet met behulp van lineaire benaderingen konden opsporen. Ze waren niet waarneembaar met behulp van toen gangbare begrippen en instrumenten.

Andere concepten, benaderingen en instrumenten waren nodig om te verkennen wat in onderzoek langs gebruikelijke wegen niet oplichtte. Het was er wel maar het was niet waarneembaar en niet meetbaar met tot dan toe gebruikelijke meetinstrumenten. Het hield in dat we de vanzelfsprekendheid van bestaande meetinstrumenten achter ons moesten laten, omdat we daarmee een andere werkelijkheid anders niet konden ontdekken.

Dat roept de vraag op of we ook in het sociale domein niet voor een vergelijkbare doorbraak staan. Kunnen we blijven vertrouwen op concepten, benaderingen en onderzoekmethoden die thans gebruikelijk zijn? Stellen die in staat door te dringen tot de werkelijkheid die betekenisloos is, tot de werkelijkheid die door onze definities en kaders wordt buitengesloten? Je zou als standpunt kunnen innemen dat dit “per definitie” niet kan. Immers, zoals we zagen, leggen we in ons beleid nauwkeurig vast hoe de werkelijkheid “in de zin van deze regeling” moet worden opgevat. Met als gevolg dat de definities en concepten binnen het geldend formele betekeniskader ons niet in staat stellen door te dringen tot de werkelijkheid die niet door deze definities en concepten kan worden omvat.

Andere onderzoeksmethoden

In gelijke zin kan ook met betrekking tot de wetenschapsbeoefening worden gesteld dat onderzoekmethoden kunnen hinderen en zelfs belemmeren de werkelijkheid te leren kennen. De kwantumbenadering demonstreert dat er andere concepten en methoden nodig waren om krachten en processen op het spoor te komen, die binnen de tot dan toe bestaande wetenschap niet konden worden geïdentificeerd en doorzien.

In de sociale wetenschappen ligt de situatie niet anders. Sterker nog, men zou kunnen stellen dat de betekenisloze werkelijkheid binnen de sociale wetenschappen en in het bijzonder binnen disciplines als bestuurskunde en beleidskunde juist wordt geschapen als gevolg van bestuurlijke en beleidsmatige activiteiten. Zoals aangegeven dwingen de eisen die we stellen aan besluitvorming die een graad van volmaaktheid benadert. Deze kan slechts worden bereikt door het beeld dat de overheid heeft van de maatschappelijke werkelijkheid in te perken tot een eenduidige en statische werkelijkheid en zodanig aan te passen, dat een belangrijk deel van de maatschappelijke werkelijkheid wordt uitgezonderd.

Eenduidigheid sluit alles uit wat bezien vanuit andere perspectieven wellicht betekenisvol is. Het binaire denken en redeneren dwingt daartoe. Dat proces van uitsluiting laat zich heel gemakkelijk onderkennen in de rechtspraak waar voortdurend besluiten moeten worden genomen over het wel of niet gegrond zijn van bezwaren tegen overheidsbesluiten.

Op basis van de scheiding van machten is de rechter gehouden de definities van begrippen, feiten en gebeurtenissen als uitgangspunt te nemen zoals die door beleidsorganen in regelgeving zijn vastgelegd. Ze vormen een splijtend toetsingskader. Wat bijvoorbeeld burgers als betekenisvol ervaren maar buiten deze definities valt wordt, zo getuigen veel uitspraken, in een klap van tafel geveegd als betekenisloos met de passage die vaak aan het eind van een vonnis na de conclusie is aan te treffen, namelijk dat “wat overigens door bezwaarmakers is aangevoerd, aan de beslissing niet afdoet”. Het wordt als betekenisloos terzijde geschoven, ook al kan een dergelijke uitspraak door betrokkenen worden ervaren als uiting van rechteloosheid. We hebben nu eenmaal geen “Verordening Gevoelens” waarin de intensiteit van beleving als toetsingspunt is vastgelegd.

Deel 2 gaat over noodzakelijke veranderingen in het geschetste wereldbeeld, die perspectief bieden op een ander beleid.

**********************************************

Van een definiërend naar een energetisch wereldbeeld Deel 2

De noodzakelijke verandering

Civis Mundi Digitaal nr 91 november 2019

door Mathieu Wagemans

www.ontganiseren.nl

www.eutopianen.nl

Het in Deel 1 gepresenteerde beeld wijkt nogal af van de wijze waarop de werkelijkheid betekenis krijgt binnen beleid, bestuur, rechtspraak en wetenschap. Er is sprake van een ander perspectief. Dat heeft als voordeel dat er aandacht is voor wat mensen als betekenisvol ervaren. Maar juist omdat het erg afwijkt van het bestaande, is de vraag aan de orde of een dergelijk beeld van de werkelijkheid ook basis kan worden van bijvoorbeeld overheidsbeleid. Is het realiseerbaar en hoe zou dat dan moeten? Dergelijke vragen staan in Deel 2 centraal.

Het ligt voor de hand als bijdrage voor een beter functioneren te pleiten voor een breder perspectief op de werkelijkheid. Dat zou dan in staat kunnen stellen oog te hebben voor wat thans betekenisloos wordt geacht. Maar die betekenisloze werkelijkheid is nog niet zo gemakkelijk toegankelijk. Er is een viertal hindernissen:

1. Betekenisverlening is niet waarneembaar

2. Er zijn andere waarnemingen nodig, dus andere begrippen

3. Het statische beeld van de werkelijkheid

4. De neiging tot uniformiteit en uitsluiting

1. Betekenisverlening is niet waarneembaar

Op de eerste plaats is betekenisverlening als zodanig niet waarneembaar. We moeten ons beperken tot gedrag dat de uitdrukking vormt van onderliggende betekenisverlening. Vergelijk het met de wind. De wind zelf kunnen we niet waarnemen maar we merken wel het effect ervan, bijvoorbeeld omdat we al fietsend meer energie moeten aanwenden. Gedrag is gebaseerd op betekenisverlening en vormt er de uitdrukking van. Ook hier ligt een verwijzing naar de kwantumleer voor de hand. Bij de constructie ervan werd men eveneens geconfronteerd met het probleem dat nieuwe krachten die men op het spoor wilde komen niet waarneembaar waren, althans niet met de toen beschikbare en gebruikelijke instrumenten.

Processen van betekenisverlening kunnen bewust zijn maar heel vaak ook onbewust. Ook routinematig handelen vormt uitdrukking van betekenistoekenning, ook al realiseren we ons dat doorgaans niet.

2. Er zijn andere waarnemingen nodig, dus andere begrippen

Op de tweede plaats hebben we andere percepties nodig, dus andere begrippen. Thans geldende begrippen schieten tekort en hebben juist een groot deel van de werkelijkheid gereduceerd tot betekenisloos. Onze definities en ordeningen zijn niet in staat door te dringen tot wat wij impliciet als de betekenisloze werkelijkheid beschouwen. Het is een andere dimensie die andere eisen stelt aan toegankelijkheid.

3. Het statische beeld van de werkelijkheid

Een derde probleem vormt het statisch karakter van het beeld van de werkelijkheid zoals dat in regels is geformuleerd. Het overheidsperspectief is juist vanwege het statische en binaire karakter niet goed in staat om mee te bewegen met veranderingen in de maatschappij. Die veranderingen betreffen niet enkel fysieke omstandigheden maar ook opvattingen en overtuigingen over goed en slecht kunnen veranderen. De eis van interne consistentie en beginselen van behoorlijk bestuur maakt meebewegen lastig. Het vertrouwensbeginsel strekt er bijvoorbeeld toe dat een succesvol beroep kan worden gedaan op vroegere standpunten en besluiten. Die blijven in juridisch opzicht werking behouden, ook al hebben die door nieuwe inzichten hun betekenis verloren.

4. De neiging tot uniformiteit en uitsluiting

Op de vierde plaats is belangrijk dat we de sterke neiging tot uniformiteit weten te onderdrukken, de neiging dus om het ongeordende op de gebruikelijke wijze te ordenen en zo tot een logisch geheel te komen. Juist die drang tot ordening kan worden opgevat als een belangrijke bron van uitsluiting. Wat niet past in onze ordeningen is juist om die reden betekenisloos. In plaats daarvan moeten we het buitengeslotene respectvol en betekenisvol benaderen. Een houding die ook door Deleuze (2012) wordt bepleit.

Deleuze stelt dat we verschillen weliswaar vaststellen maar we verdiepen ons nauwelijks in de betekenis. Het afwijkende is lastig en moet worden geclassificeerd. We definiëren het als afwijkend maar we gaan daarmee voorbij aan het wezen ervan. Al te vaak volstaan we met het ordenen van het betekenisloze, met classificatie. Het belandt buiten beeld omdat het niet past in onze gevestigde beelden. Door het te duiden als afwijkend en betekenisloos is er ook geen stimulans tot onderzoek ervan.

Begrippen als vormgevers van energie

Zo beschouwd is de opgave het betekenisloze op te sporen en te verkennen extreem lastig. De vergelijking met de kwantumleer werken we met betrekking tot een tweetal elementen uit:

1. nieuwe begrippen voor nieuwe, onbekende factoren,

2. complementariteit van begrippen die elkaar aanvullen.

1. Allereerst confronteert de kwantumbenadering ons met krachten die we eerst niet kenden. We hadden andere begrippen nodig en een ander perspectief om die krachten en daaraan gekoppelde gedragingen op het spoor te komen. Er bleken nieuwe vormen van energie te bestaan. Een nieuwe werkelijkheid toonde zich aan ons, enkel door ons perspectief te veranderen. Om tot die nieuwe werkelijkheid met daarin eerder niet ontdekte energetische processen door te dringen moesten we eerst een nieuw perspectief construeren met nieuwe concepten en nieuwe vormen.

Die invalshoek van energie kan ook voor ons nuttig zijn om maatschappelijke processen beter te begrijpen en vooral ook de veranderingen die zich daarin voordoen. Het vertrekpunt van betekenisgeving staat daarbij centraal, in de overtuiging dat dit ons in staat stelt tot een breder en dieper inzicht te komen.

Door feiten als het resultaat van mentale constructieprocessen te benaderen, kunnen feiten worden opgevat als drager van energie. Ze kunnen bij ons energie opwekken. Dat maakt benieuwd naar de krachten achter en onder processen van betekenisgeving? Hoe verloopt betekenisgeving? Welke krachten zijn daarbij van invloed? Hoe kunnen definities en betekeniskaders dominant worden? Er hoe kunnen feiten hun betekenis verliezen en irrelevant worden? Maar ook de vraag hoe processen van energievernietiging verlopen. Het beeld dus van een energetische maatschappij. Helemaal nieuw is deze invalshoek niet. Zo ontwikkelde wetenschapsantropoloog Bruno Latour de ActorNetwerkTheorie (ANT) met als kern de notie dat ook objecten “agency” kunnen hebben. Objecten zijn niet slechts dode materie maar kunnen ook drager van energie zijn (Latour, 1995).

Complementariteit van elkaar aanvullende begrippen

Als tweede aspect van vormgeving door begrippen is het begrip complementariteit interessant. Dat heeft betrekking op relaties tussen elementen. In tegenstelling tot onze wijze van denken die gebaseerd is op ontleding en het onderscheiden van verschillen stelt de kwantumleer dat er verbondenheid is tussen verschillende elementen, zelfs als die zich op grote onderlinge afstand bevinden. Er blijkt sprake te zijn van complementariteit, het ene kan niet bestaan zonder het andere. Dat inzicht was zowel baanbrekend als patroonverstorend, ook al konden we de daarbij horende mechanismen nog niet goed bevatten.

Objecten/elementen die zich op grote afstand van elkaar bevinden kunnen onderling verbonden zijn. Dat was een nieuw gezichtspunt dat eveneens interessant is in sociologisch opzicht. Kenmerkend in de westerse cultuur is immers het splitsende denken. We onderscheiden en op basis daarvan scheiden we. Scheiden vloeit min of meer automatisch voort uit het onderscheiden. We hebben gestructureerd en georganiseerd op basis van verschillen. We hebben de verschillen institutioneel vastgelegd.

Complementariteit is ook van toepassing op de relatie tussen object en subject. De slag die aan de orde is, is dat we tot verbindingen komen tussen wat we nu opvatten als tegenstellingen. Deleuze schetst het beeld dat de identiteit van elementen niet moet worden gezocht in de elementen zelf, maar in de relatie tussen elementen. Hij gebruikt de term assemblages. Die verbindingen zijn lastig te leggen tussen verschillende bestaande betekeniskaders. Dan concentreren we ons op verschillen op basis van onderling tegengestelde duidingen. Dan herhalen we de verschillen maar we dringen er niet toe door. We zijn dan niet in staat de verschillen te overstijgen. Voor dat laatste is nodig dat we nieuwe betekeniskaders construeren die tot verbinding in staat stellen tussen wat thans onverenigbaar lijkt.

Tegenstellingen blijken geconstrueerde tegenstellingen te zijn. In plaats daarvan pleiten filosofen als Michel Serres voor de noodzaak om verbindingen te leggen tussen domeinen en tot integratie te komen (Serres, 2012). Die roep is veelgehoord en algemeen. Maar het is lastig die slag te maken vanuit structuren en kaders die gevormd zijn vanuit een gesplitst en tegenstellend denken.

De rol van bewustzijnsverandering

De uitdaging is dus om bruggen te slaan tussen het onoverbrugbare. Dat vraagt verandering van perspectief, constructie van nieuwe betekeniskaders. We moeten ons bewust worden van een werkelijkheid die eerder buiten ons gezichtsveld bleef. En vervolgens moeten we aan die werkelijkheid betekenis geven waarbij we andere begrippen en concepten nodig hebben. Een dergelijke omslag gaat verder en vooral ook dieper dan het enkel construeren van een nieuw betekeniskader. De confrontatie met een andere werkelijkheid stimuleert ons en dwingt ons niet zelden ons ertoe te verhouden. Dat houdt in zekere zin in dat we onszelf opnieuw ontwerpen. Vergelijk Pico della Mirandola die het vermogen tot betekenisgeving zag als kern van de menselijke waardigheid. (Pico della Mirandola, 2014)

Het gaat om verandering van bewustzijn. De overstap dus naar een ander bewustzijnsniveau. Dat stelt in staat tot een ander wereldbeeld, dat ons vervolgens kan stimuleren en niet zelden dwingen tot aanpassing van ons denken en handelen. Door ons denken en handelen aan te passen, kunnen vervolgens veranderingsprocessen op gang komen. De verandering begint dan bij en in onszelf en zal doorgaans meer werking hebben dan via overheidsmaatregelen opgelegde veranderingen. Dat geldt zeker wanneer de noodzaak ervan door burgers niet als noodzakelijk wordt beleefd.

Bewustzijn en de kwantumfysica

Interessant in dit verband is de relatie tussen bewustzijn en de kwantumtheorie. Die is meer voor de hand liggend dan wellicht op het eerste gezicht lijkt. Ransijn wijst erop dat kwantumtheoretici zoals Bohr en Schrödinger de relatie tussen de fysica en het bewustzijn expliciet hebben benoemd, niet als op zichzelf staande invalshoeken, maar in termen van complementariteit (Ransijn, Deel 2). In een opvolgend artikel stelt Ransijn dat het bewustzijn nog niet is geïntegreerd in de verenigende veldtheorie, die vier velden omvat, welke in de kwantumbenadering zijn geïdentificeerd: elektromagnetisme, zwakke en sterke kernkrachten en zwaartekracht (Ransijn, Deel 3).

Weliswaar zijn er veronderstellende theoretische perspectieven maar die missen nog bevestiging en ontberen nog verklarend vermogen. Vanuit een benadering vanuit het constructivisme lijkt de gedachte logisch, althans voorstelbaar, om het bewustzijn als vijfde veld op te voeren. Dat is dan wel een theorie van een andere orde dan de verenigende veldtheorie met overige vier. Dit vijfde veld heeft in de gepresenteerde benadering weliswaar ook met energie te maken maar dan niet in de gebruikelijke benadering van de kwantumleer. Het is ook niet nevenschikkend want het bewustzijn heeft bij de identificatie van de vier andere veldtheorieën een nadrukkelijke rol gespeeld.

De relatie met het constructivisme

Verscheidene kwantumgeleerden, onder wie Nicolescu, hebben de waarneming benoemd en geproblematiseerd als onlosmakelijk verbonden met het doen van ontdekkingen. (Nicolescu, 2010). Zo beschouwd is de relatie met het constructivisme die in dit artikel centraal staat minder nieuw dan wellicht op het eerste gezicht lijkt. Je zou kunnen stellen dat in plaats van nevenschikking het bewustzijn een overkoepelende status moet worden toegekend ten opzichte van de vier veldtheorieën. Zonder bewustzijn en zonder voorstellingsvermogen zouden ontdekkingen niet mogelijk zijn geweest. Je zou aan het bewustzijn een regiefunctie kunnen toedichten. Het stelt in staat tot betekenisgeving en die vormde de basis voor de ontdekking van de andere veldtheorieën. Een veldtheorie kan immers ook worden opgevat als een constructie, evenzeer als de concepten en begrippen die daarin een rol spelen. Ik ga hier even voorbij aan de discussie of we hiermee niet de rol van het bewustzijn overdrijven zoals Lamme stelt. Volgens hem is die rol erg beperkt omdat we niet het bewustzijn maar het brein moeten duiden als de constructeur. (Lamme, 2011) Daarbij wordt er onder meer op gewezen dat ons gedrag doorgaans veel minder gebaseerd is op ons bewustzijn dan we veronderstellen. We handelen immers vaak onbewust, dus zonder dat er afwegingen en inschattingen aan ten grondslag liggen. Of we reageren op prikkels zonder dat die het bewustzijn als tussenstop aandoen. Er is verder sprake van routines. Ik neem als positie in dat, zoals eerder aangegeven, een groot deel van ons gedrag plaatsvindt zonder dat er sprake is expliciet redeneren en afwegen en dat dit ook voor betekenisgeving geldt. Anders gezegd, de invalshoek van betekenisgeving sluit onbewust handelen allerminst uit.

Welke bewustzijnsverandering?

Wat leert dat ons over de veranderingen waar we voor staan? Allereerst dat een ander wereldbeeld weliswaar noodzakelijk is maar tegelijkertijd dat het nog niet zo makkelijk is om dat gerealiseerd te krijgen. Het thans geldende betekeniskader kan worden geduid als een belangrijke oorzaak van problemen op het vlak van duurzaamheid. De volgende paragrafen geven aan welke aspecten van bewustzijnsverandering onder meer nodig zijn om vanuit een ander perspectief te gaan leven.

Economische dominantie doorbreken

We noemden al ons economisch systeem waarin het loont eisen op het terrein van milieu terzijde te schuiven. In dat systeem loont het om natuur en milieu aan te tasten, omdat de gevolgen ervan geen deel uitmaken van de kostprijs. Wat in economisch opzicht geen waarde heeft, is juist daardoor kwetsbaar onder economische druk. Dat het systeem weliswaar permanent moet worden gerepareerd door middel van overheidsregels maakt dat niet anders. Of neem de onevenwichtigheid op individueel niveau. Velen bepleiten het belang van duurzame voedselproductie maar kiezen als klant voor goedkoop voedsel en belemmeren daarmee de overgang naar een duurzaam voedselsysteem.

De dominantie van het economisch perspectief en systeem leidt er verder toe dat velen er belang bij hebben dat systeem in stand te houden. Ze ontlenen er hun inkomen en hun positie aan. In het verlengde daarvan speelt mee dat we ons betekeniskader in belangrijke mate hebben geïnstitutionaliseerd. Onze organisaties zijn opgezet en gestructureerd langs de lijnen van gedateerde tegenstellingen.

Zo spelen in het maatschappelijk krachtenveld landbouw- en natuurorganisaties een belangrijke rol. We willen graag integratie maar zijn institutioneel voorgeprogrammeerd op splitsend denken en tegenstellend handelen. We leven binnen het beeld dat we ons hebben gevormd van de werkelijkheid en van onszelf in relatie tot die werkelijkheid. Ons handelen en gedrag wordt erdoor bepaald en vloeit er logisch uit voort. Er is sprake van een geconstrueerde vanzelfsprekendheid.

Van perspectief veranderen

Wanneer we van perspectief veranderen verandert niet alleen ons beeld van de werkelijkheid maar hebben we de mogelijkheid om ook onszelf in relatie tot de werkelijkheid te veranderen. We zijn in staat om, wanneer anderen ons confronteren met andere beelden van de werkelijkheid, deze te ontkennen. We kunnen redenen bedenken om geen aanleiding te zien onszelf opnieuw te definiëren in relatie met de werkelijkheid. We kunnen problemen “wegredeneren”. Bijvoorbeeld door te stellen duurzaamheidsproblemen worden veroorzaakt door het buitenland. Of dat ons meetinstrumentarium niet geschikt is. Of door te stellen dat het effect van onszelf op de milieuproblemen zo gering is dat het niet uitmaakt ons gedrag aan te passen.

Verantwoordelijkheid nemen en politieke beïnvloeding doorbreken

Neemt de overheid de verantwoordelijkheid voor een aanpak van het probleem over dan beleven we die verantwoordelijkheid niet als zodanig. Verantwoordelijkheid heeft dan geen gezicht, is anoniem. Framing is in wezen het construeren van zodanige beelden dat die overeenstemmen met eigen opvattingen en belangen. Dat kan inhouden dat men situaties en ontwikkelingen dramatiseert of juist onbetekenend probeert te maken.

Sprekend in dit verband is hoe de communicatie binnen het politieke domein verloopt. In verkiezingscampagnes is alle energie erop gericht maatschappelijke problemen en oplossingen zodanig te construeren dat de eigen partij met het bijbehorende verkiezingsprogramma een onvermijdelijke keuze is. Communicatie wordt dan in wezen een proces van manipulatie van betekenisgeving. Nadelen van eigen opvattingen worden gerelativeerd en nadelen van opvattingen van andere partijen worden uitvergroot.

Diezelfde manipulerende programmering is waarneembaar in de communicatie tussen overheid en burger. De eenduidigheid van overheidsbeleid dwingt ertoe beleidsbesluiten te presenteren als de enige waarheid en in ieder geval als veruit “de beste waarheid”. Ook overheidscommunicatie krijgt zo een manipulatief karakter. Men probeert gewenste beelden van de werkelijkheid overtuigend te brengen als “het” beeld van de werkelijkheid, medestanders te winnen en/of beelden van tegenstanders als betekenisloos, irrelevant en onjuist buiten beeld te doen belanden.

Een wereldbeeld van invloedsferen en energiestromen

Het betekent vanuit een sociologisch perspectief een wereldbeeld van invloedsferen en energiestromen. Definities hebben kracht omdat ze drager zijn van betekenissen en er zijn belangrijke krachten werkzaam die invloed hebben op de vraag welke definities veel of weinig invloed hebben of energie dragen. Wat verheft gebeurtenissen tot nieuws? En welke krachten zijn werkzaam om een gebeurtenis tot baanbrekend nieuws te verheffen? Een belangrijke factor daarbij is of een gebeurtenis een zodanige betekenis krijgt, dat deze gerelateerd wordt aan wat maatschappelijk als nieuws wordt ervaren. Kan een uitspraak van een politicus worden geduid als een signaal van onderliggende ernstige onenigheid binnen een politieke partij?

Ogenschijnlijk kleine verschillen kunnen worden uitvergroot, waardoor ze een groter gewicht krijgen en, anders gezegd, drager worden van meer energie. Kleine versprekingen of betrekkelijk onschuldige onwaarheden kunnen worden geduid als teken van een vertrouwensbreuk. Een uitspraak tijdens een van de talkshows kan moeilijk te stoppen processen in gang zetten doordat bundeling van energie plaatsvindt. Er is sprake van een hoge attentiewaarde. Een demonstratie van boeren kan worden geduid als een oproep tot meevoelen en meelijden met problemen van boeren of als teken dat men niet wenst mee te werken aan een duurzame vorm van voedselproductie.

De bepalende rol van betekeniskaders

Bepalend is het vermogen een zodanige situatieschets te construeren dat die appelleert aan wat binnen geldende betekeniskaders belangrijk wordt gevonden. Voor politici is het vermogen belangrijk om afhankelijk van de situatie en de context zodanig te framen dat men steun krijgt zonder op inconsistenties te kunnen worden betrapt. Dat vraagt aanmerkelijke lenigheid op het vlak van betekenisgeving. Zo beschouwd nemen media een belangrijke plaats in binnen het maatschappelijk energieveld. Op redacties wordt bepaald welke gebeurtenissen tot nieuws worden verheven, welke Kamervragen de krant halen, welk nieuws Journaal-waardig wordt bevonden en welke personen in talkshows acteren. Redacties zijn zo beschouwd niet enkel energieknooppunten maar zij functioneren ook als energiebronnen of als zwarte gaten waarin nieuws betekenisloos verdwijnt.

Andere constructies van de werkelijkheid: openheid voor het irrationele en betekenisloze

Een ander wereldbeeld houdt in dat we gaan denken en handelen op basis van andere constructies van de werkelijkheid. De werkelijkheid vertoont zich als gevolg daarvan anders aan ons. En dat houdt weer in dat we onszelf opnieuw moeten construeren in relatie tot die werkelijkheid. We moeten onze houding van kennen en begrijpen veranderen. Die hebben we laten overheersen door rationaliteit. Dat beperkt onze ervaring. We gebruiken dan onze zintuigen en ons creatieve vermogen te weinig. We zijn dan minder ontvankelijk. We luisteren voorgeprogrammeerd, vanuit gevestigde intenties en doelen. Maar de betekenisloze werkelijkheid zendt signalen uit. Het betekenisloze roert zich. Die buitengesloten werkelijkheid laat zich niet weg definiëren.

Michel Serres geeft veel aandacht aan het begrip ruis. Ruis in de communicatie beleven wij als hinderend en verstorend. Serres draait dat om. Ruis kan ook worden opgevat als een signaal dat we geen oog en oor hebben voor wat niettemin betekenisvol is, ook al is dat (nog) niet tot ons doorgedrongen. Die signalen moeten we ervaren door onze zintuigen te gebruiken. Dat doen we, zo stelt Serres, nu heel beperkt omdat het rationele overheerst en we de werkelijkheid in rationele kaders willen plaatsen.

Voor het irrationele hebben we weinig oog en oor, juist omdat het irrationeel is of, preciezer geformuleerd, wordt opgevat als irrationeel. We maken een beperkt gebruik van onze zintuigen. Serres noemt muziek als voorbeeld. Een muziekstuk kunnen we analyseren in termen van maten en noten maar juist daardoor hebben we geen oog en oor voor het wezen van muziek. Dan reduceren we muziek tot een verzameling maten en noten waardoor we de inspirerende kracht en het beelden oproepend vermogen ervan ontkennen of zelfs als probleem ervaren. En juist dat laatste, het voorstellingsvermogen, lijkt een kritische kwaliteit wanneer we dreigen vast te lopen in onze neiging tot georganiseerdheid. Het wezen van muziek laat zich niet vangen in maten, vormen en woorden. Of, nog erger, we ervaren muziek als lawaai omdat het ons hindert in onze bezigheden.

Verruimen en verdiepen in plaats van buitensluiten

We zijn in staat om werkelijkheid buiten te sluiten of zelfs te ontkennen maar daarmee kunnen we het bestaan ervan niet verhinderen. Buitensluiten van de werkelijkheid als betekenisloos betekent in wezen dat we niet in staat zijn die werkelijkheid in onze op rationaliteit gebaseerde kaders te persen. Het buitengeslotene laat zich echter niet ontkennen, ook al zijn we niet in staat of bereid de signalen ervan als betekenisvol op te vangen. Ook de moderne technologie kan ons daarbij niet helpen. Internet bevordert de toegankelijkheid van kennis en de snelle transfer ervan. Hier gaat het echter niet om de snellere verspreiding van informatie, maar om een veel breder perspectief van informatie. Het lijkt eerder zo dat technologie beperkend kan werken doordat de werkelijkheid zich niet in binaire kaders laat drukken.

Voor verandering is dus nodig dat we ons bewustzijn verruimen en verdiepen. Dus niet meer situatiedefinities als vanzelfsprekend overnemen maar ze verdiepen. Waar zijn ze op gebaseerd? Wat sluiten ze uit? Het is dus, zoals Legaut dat treffend formuleert, een kwestie van jezelf bewust worden, van een eigen perspectief op de werkelijkheid scheppen (Legaut, 2000). Het betekent ook dat we onszelf opnieuw ontwerpen in relatie tot die werkelijkheid. Niet op basis van een afweging van gevestigde belangen maar vanuit je eigen inspiratiebronnen. Nagaan dus wat je inspireert en afscheid nemen van een voorgeprogrammeerd leven. Voorkomen dus dat we weliswaar worden geboren als origineel maar sterven als kopie. En vanuit die inspiratie jezelf opnieuw positioneren.

Pluriformiteit in plaats van uniformiteit, decentralisatie in plaats van centralisatie

Verandering betekent ook dat we de drang tot eenduidigheid waar mogelijk vermijden en ruimte scheppen voor pluriformiteit, voor meerduidigheid. Waar moeten we dan aan denken? Dat betekent scherp analyseren wat het probleem is en de vraag stellen of we niet teveel en te makkelijk hebben gekozen voor eenduidigheid. Een invalshoek kan dan zijn de schaal waarop overheidsbesluiten worden genomen. Dan gaat het om de keuze tussen centraliseren en decentraliseren.

De krachten naar centralisatie en uniformiteit zijn echter sterk. En decentraliseren gaat lang niet altijd gepaard met het scheppen van voldoende ruimte op decentraal niveau. Zie decentralisaties in gemeenteland waar de voorgeschreven en vaak gedetailleerde en eenduidige kaders om de overgedragen bevoegdheden in te vullen van bovenaf worden bijgeleverd. Dat kan de gewenste beleidsruimte op gemeentelijk niveau aanzienlijk inperken, waardoor de bedoelde vernieuwing maar al te vaak wordt geblokkeerd en gefrustreerd, bijv. in een voortdurende discussie over de vraag of een gemeente beleidsruimte heeft. Doorgaans is bovendien heel precies bepaald hoe die beleidsruimte dient te worden ingevuld. Er is sprake van strakke juridische kaders, die de beleidsruimte sterk inperken en vernieuwing blokkeren en frustreren.

Ook speelt mee dat de overgang naar meervoudigheid nooit volledig kan zijn. Dat is een illusie. We hebben nu eenmaal te maken met vragen die slechts eenduidig kunnen en moeten worden beantwoord. Of een weg moet worden aangelegd en langs welk tracé vraagt om een eenduidig besluit. Datzelfde geldt voor het toekennen van een budget voor een bepaald project. Zo zijn er tal van vraagstukken die vereisen dat er knopen worden doorgehakt. Wanneer we gegronde twijfel hebben over eenduidigheid kan dus niet de vraag aan de orde zijn of we eenduidigheid moeten vervangen door meerduidigheid. We zouden wel ernaar kunnen streven om eenduidigheid slechts te beperken tot situaties en opgaven waarin we geen alternatief hebben en niets anders kunnen dan kiezen voor eenduidigheid.

Omgaan met verschillen

Een ander aspect betreft het omgaan met verschillen. Wat valt er te zeggen over de wijze waarop we thans tot keuzes komen? We verwezen reeds naar de opvatting van Deleuze dat we tamelijk achteloos en oppervlakkig omgaan met verschillen. Onze zucht naar ordening maakt dat we slordig en oppervlakkig omgaan met verschillen. We hebben weinig aandacht voor het wezen ervan. Dat heeft als risico dat we keuzes maken waardoor we enkel symptomen bestrijden omdat we geen belangstelling tonen voor het wezen van de onderliggende vraagstukken.

De vraag daarbij is of ons politieke systeem met harde partijpolitieke kaders ons in staat stelt die omslag te maken. In de bestaande politieke cultuur zijn partijpolitieke belangen dominant. We dwingen elkaar voortdurend tot partijpolitiek. We herinneren elkaar aan ooit eerder ingenomen standpunten.

Verandering van standpunten krijgt de betekenis van een bewijs van inconsistentie of, nog erger, van onbetrouwbaarheid. In de politiek zien we dat de nadruk vaak ligt op het accentueren en uitvergroten van verschillen tussen partijen. Men wil zich onderscheiden ten opzichte van andere partijen. Er is een sterke drang tot profilering. Juist het verschil geeft bestaansrecht. Maar dat wil nog niet zeggen dat die verschillen inhoudelijk en diepgaand aandacht krijgen.

Het bestaan van een verschil is belangrijker dan de aard en het gewicht ervan. Verschillen worden in de politiek eerder benadrukt dan dat ze worden uitgediept. Het gaat eerder over procenten dan over onderliggende waarden. Ideologie is “uit” terwijl tegelijkertijd de vraagstukken waar we mee te maken hebben om diepgang vragen. Die vraagstukken uiten zich in de context van bestaande belangen maar op een dieper niveau is bijvoorbeeld bij de overgang naar een duurzame samenleving aan de orde dat waarden en de uitwerking ervan opnieuw moeten worden doordacht. Thans domineren belangen het discours. Dat heeft als voordeel dat men over belangen compromissen kan sluiten. Bij uiteenlopende opvattingen over waarden ligt dat een stuk lastiger.

Is de overstap naar een nieuw wereldbeeld mogelijk

Kunnen we vanuit een dergelijk systeem de noodzakelijke overstap naar een nieuw wereldbeeld verwachten? Mogen we hoopvol uitkijken naar de invloed van nieuwe partijen of moeten we verwachten dat die door sterke krachten in het geldende gareel worden gedwongen waardoor ze eveneens slechts tot reproductie in staat zijn? En, als dat laatste het geval is, moeten we dan niet experimenteerruimte scheppen die niet al bij voorbaat stevig wordt begrensd door gedateerde criteria? Moeten we niet erkennen hoe sterk de krachten zijn die spelers in het publieke domein dwingen zich robotachtig te gedragen? (Wagemans, 2018). Moeten we op vernieuwing gerichte ambtelijke en bestuurlijke ongehoorzaamheid niet tot onderwerp van bezinning maken in plaats van af te straffen? Moeten we niet het onfatsoenlijke ruimte geven als dat ons helpt om situaties te doorbreken waarin gedetailleerd uitgewerkte fatsoensregels een dekmantel zijn voor de instandhouding van verstarde systemen?

Nieuwe vormen van gezamenlijkheid

Ook moeten we aandacht besteden aan de vraag hoe nieuwe vormen van gezamenlijkheid kunnen ontstaan en wat de krachten zijn die daarbij een rol spelen. Hoe kunnen we tot nieuwe coalities komen op basis van gedeelde en als zodanig beleefde waarden, waarin inspiratie wordt gekoesterd en het afglijden naar verschillen van operationele aard wordt voorkomen? In dat verband zijn ook vragen rond verantwoordelijkheid en meer bepaald de toedeling van verantwoordelijkheden aan de orde. Wat valt er te zeggen over de wijze waarop we verantwoording hebben geregeld? Zie de huidige situatie waarin de illusie van complete beheersing en informatie uitmondt in uiterst gedetailleerde protocollen en daarbij horende onevenredig zware en tijdrovende inspanningen zoals gedetailleerde verslaglegging en andere bureaucratische verplichtingen. Welke nieuwe vormen van verrekening kunnen we bedenken waarmee afschuifprocessen en probleemontkenning worden tegengegaan?

Verruiming van bewustzijn en kritisch reflecteren

Verruiming en verandering van bewustzijn veronderstelt verder dat we in staat zijn kritisch en afstandelijk te reflecteren over onze eigen processen van betekenisgeving. Wat valt er te zeggen over onze eigen processen van betekenisgeving en in het bijzonder over het uitsluitend karakter ervan? Welke bias hebben we ingebouwd? En wat zijn de onderliggende krachten die een bias hebben gebouwd en in stand houden?

Een dergelijke houding kan licht tot verwarring leiden. We worden geconfronteerd met gebeurtenissen en relaties die we niet kunnen “plaatsen”. Ze passen niet in onze kaders en ordeningen. Ze zijn er, ondanks onze ordeningen. Ontkenning is dan het meest gemakkelijk maar de uitdaging is ons betekeniskader kritisch te beschouwen. Er vloeit een ontwerpopdracht uit voort.

Nieuwe (denk)constructies

Om tot verbinding te komen tussen het geordende en het ongeordende hebben we nieuwe (denk)constructies nodig. Die bereiken we niet door te redeneren maar eerder door te associëren. We moeten betekenis toekennen aan wat binnen ons geldend betekeniskader betekenisloos is. Aandacht krijgen voor wat niet past in onze constructie van rationaliteit.

We staan voor de poging orde te brengen in chaos, althans in wat we als chaos beleven, en daarbij vermijden dat we voor ons wezenlijke elementen in de chaos niet vervolgens door nieuwe ordeningen niet opnieuw buitensluiten. En waarschijnlijk zullen we ook moeten leren leven met meer ongeordendheid wanneer we tegelijkertijd ruimte voor ontplooiing willen bieden door meervoudigheid toe te laten.

Bewustzijn als brug

Tot slot een iets dieper gravende overweging. Dan is aan de orde dat het op het constructivisme gebaseerde vijfde energieveld een brugfunctie kan gaan vervullen tussen de werkelijkheid van de materie en de geest, tussen het materiele en het geestelijke Ransijn (2014, Deel 3). Hij waarschuwt dat we de neiging moeten weerstaan materie en geest gescheiden te benaderen, een neiging die eigen is aan het westers denkmodel. De uitdaging is juist verbindend te gaan denken, hoe lastig dat ook is. Verbindingen tussen het stoffelijke en het geestelijke, tussen natuurlijke krachten en ons bewustzijn, tussen het innerlijke en het uiterlijke. Een duurzame samenleving construeren, niet vanuit tegenstelling tussen gedateerde belangen, maar door verbinding te zoeken tussen wat we nu opvatten als onverbindend.

Transdisciplinaire wetenschap

Voor de wetenschap betekent dit dat we naast het disciplinaire en multidisciplinaire denken de stap wagen naar het transdisciplinaire. Dat is een enorme opgave omdat we daar nog geen uitgewerkte methodologie voor hebben. Maar dat kan juist de kracht ervan zijn: om zicht te krijgen op wat in onze huidige structuren een onbegrensde betekenisloze ruimte is, kunnen we beschikken over een onbegrensd voorstellingsvermogen. We leven in spannende en inspirerende tijden.

Literatuur

Deleuze, Gilles, Verschil en herhaling, Boom, 2012

Kuhn, Thomas, The Structure of Scientific Revolutions, University of Chicago Press, 1996

Lamme, Victor, De vrije wil bestaat niet, Bert Bakker, 2011

Latour, Bruno, Reassembling the Social: An Introduction to Actor-Network-Theory, Oxford University Press, 2007

Legaut, Marcel, Devenir soi, rechercher le sens de sa propre vie, Bibliothèque du Cerf, Paris, 2000

Nicolescu, Basarab, Methodology of Transdisciplinarity – Levels of Reality, Logic of the Included Middle and Complexity, in: Transdisciplinary Journal of Engineering & Science Vol: 1, No:1, december, 2010, pp.19-38

Van Os, Jim, De DSM-5 voorbij!, Persoonlijke diagnostiek in een nieuwe GGZ, Diagnosis Uitgevers, 2014

Pico della Mirandola, Rede over de menselijke waardigheid, Boom, 2014

Ransijn, Piet, Dichter bij de wetenschap, een complementaire visie, Deel 1: Ons incomplete weten: wetenschapsfilosofie en kennissociologie, in: Civis Mundi, nr 25, 2014

Ransijn, Piet, Dichter bij de wetenschap, een complementaire visie, Deel 2: Dichter bij de natuurkunde. Kwantumfysici over complementariteit van wetenschap, filosofie en religie, in Civis Mundi Digitaal, nr 26, 2014

Ransijn, Piet, Dichter bij de wetenschap, een complementaire visie. Deel 3: Dichter bij een verenigende veldtheorie van de natuur en het bewustzijn, in Civis Mundi, nr 27, 2014

Serres, Michel, Muziek, vertaald en geannoteerd door Jeanne Holierhoek, met een nawoord door René ten Bos, Boom, Amsterdam,2012

Simon, Herbert, Administrative Behavior, Simon & Schuster, 1997

Wagemans, Mathieu, Een Oceaan van Betekenisloosheid, een kritische analyse van bestuur, beleid en wetenschap met een verwijzing naar de filosofie van Michel Serres, Digitalis, 2016

Wagemans, Mathieu, De Robotisering van Raadsleden, een pleidooi voor vernieuwing van de lokale politiek, januari 2018 (te downloaden via www.ontganiseren.nl onder “Nieuws”)

Van de Wal, G.A., De Omkering van de wereld, Achtergronden van de milieucrisis en het zinloosheidsbesef, Ambo, Baarn, 1996

*******************************

Een pleidooi voor een kwantumbenadering in wetenschap, bestuur en beleid

Civis Mundi Digitaal #90

door Mathieu Wagemans

Inleiding

Een gebruikelijk beeld van de wetenschap is dat die ons in staat stelt steeds beter de werkelijkheid te doorgronden. Daar is doorgaans de gedachte aan gekoppeld dat als we de werkelijkheid kunnen doorgronden, we ook beter in staat zijn tot beïnvloeding ervan. En inderdaad, de geschiedenis toont het gelijk ervan aan. Met de Verlichting is een indrukwekkend proces van modernisering op gang gekomen. De afhankelijkheid van wereldlijke en kerkelijke instituties werd doorbroken. De mens bleek in staat de werkelijkheid naar zijn hand te zetten.

Basis voor die modernisering was een ander mensbeeld. De mens stelde zich op in een onafhankelijke positie ten opzichte van de werkelijkheid. Die werkelijkheid werd opgevat als een objectieve werkelijkheid die onafhankelijk van het subject kon worden benaderd en onderzocht. Dat onderscheid tussen subject en object stelde in staat tot objectieve en kennis, die men onbetwijfelbaar achtte. De waarheid, meende men, kon met zekerheid worden verkregen.

Daartoe stellen we eisen aan wetenschappelijk onderzoek. Onderzoek dient plaats te vinden in een onafhankelijke setting. Verder gelden criteria als logica en systematisch redeneren. Dat heeft gevolgen voor de opzet van wetenschappelijk onderzoek. De veronderstelling daarbij is dat de uitkomsten wetenschappelijk verantwoord zijn. wanneer onderzoek voldoet aan die eisen. En dat is weer belangrijk omdat er binnen beleid en rechtspraak op wordt vertrouwd.

Nu lijken die eisen logisch maar ze zijn binnen de wetenschap zelf voortdurend onderwerp van kritiek geweest. De stelling dat ons wetenschapssysteem ware en objectief geldige kennis voortbrengt bleek een veronderstelling te zijn die grond gaf voor discussie. Zo stelde Feyerabend (2008) vraagtekens bij de methoden waar de wetenschap gebruik van maakt. De regels die gelden voor wetenschappelijk onderzoek kunnen juist beperkend werken in onze zoektocht naar nieuwe kennis. Popper (1963) uitte twijfel over de vraag of we wel tot ware kennis kunnen komen. Hij meende dat we ons voortdurend moesten inspannen om verkregen kennis te falsifiëren. En zelfs als dat niet lukte, was dat nog geen garantie dat die kennis juist was. Kuhn (1970) stelde dat vooruitgang in de wetenschap zich veel minder logisch ontwikkelt als verondersteld. Nu en dan is er sprake van blokkades in de voortgang die aanleiding en ruimte geven om geldende uitgangspunten en vanzelfsprekendheden ter discussie te stellen en de overstap te maken naar nieuwe paradigma’s.

Constructivisme

In de loop van de twintigste eeuw won het constructivisme aan kracht. Het perspectief van het constructivisme heeft grote invloed op de wijze waarop we wetenschap bedrijven en op de betekenis van de uitkomsten ervan. Kern van het constructivisme is dat wat we voor werkelijkheid houden in wezen een afbeelding van de werkelijkheid is. We geven betekenis aan de werkelijkheid en construeren zo een voorstelling van de werkelijkheid. Een dergelijk perspectief heeft grote invloed op wetenschapsbeoefening. Het stelt de objectiviteit ter discussie. Ook in de wetenschap is ons denken en handelen gebaseerd op constructies van de werkelijkheid. We kunnen dus op basis van wetenschappelijke inspanningen geen absolute waarheid claimen. De waarheid is perspectief gebonden.

Verder kunnen we ook niet meer uitgaan van het strakke onderscheid tussen subject en object. Betekenissen zitten niet in de werkelijkheid maar in onszelf. Subject en object zijn zo onlosmakelijk met elkaar verbonden. Gevolg is dat wanneer een geformuleerde hypothese op basis van onderzoek wordt bevestigd, dit niet de zekerheid geeft dat de relaties in de werkelijkheid ook verlopen conform de redenering die aan de hypothese ten grondslag ligt. De werkelijkheid kan anders in elkaar zitten dan verondersteld.

Een ander punt is dat onderzoek doorgaans start met een herformulering van de probleemstelling. Een maatschappelijk probleem laat zich als zodanig niet goed onderzoeken met behulp van in de wetenschap geaccepteerde methoden. Dat betekent dat we het probleem zodanig verwoorden dat het op een wetenschappelijk verantwoorde wijze kan worden onderzocht. Het maatschappelijk probleem wordt in een methodisch korset geperst. Wat niet past wordt buitengesloten. We vormen ons een zodanig beeld van de probleemstelling dat we er binnen het onderzoek mee aan de slag kunnen gaan. Gevolg is dat de resultaten van het onderzoek slechts geldigheid hebben binnen het beeld dat aan het onderzoek ten grondslag ligt.

Het perspectief van het constructivisme roept ook een fundamentele vraag op. Als we de werkelijkheid slechts kunnen benaderen door er betekenis aan te geven en er ons een voorstelling van de vormen, is de vraag aan de orde of er ook een werkelijkheid bestaat buiten ons voorstellingsvermogen. Bestaat datgene dat we ons niet kunnen voorstellen? Is er een werkelijkheid die onafhankelijk is van ons voorstellingsvermogen? Deze vraag staat centraal rond het al of niet bestaan van een objectieve werkelijkheid. Daar wordt tegenstellend over gedacht. Zo kunnen we redeneren dat we kijkend vanuit een nieuw perspectief oog krijgen voor andere aspecten van de werkelijkheid. En waarom zouden we bij voorbaat uitsluiten dat we niet in staat zullen zijn nieuwe perspectieven te ontdekken? Is het niet zo dat we gebonden zijn aan concepten en dat nieuwe concepten onze kijk op de werkelijkheid kunnen verbreden?

Dergelijke vragen werden actueel aan het begin van de vorige eeuw met de komst van de kwantumtheorie. Die introduceerde volkomen nieuwe begrippen waarmee het lineaire denken werd verstoord. De werkelijkheid bleek ingewikkelder te zijn dan verondersteld. We kregen oog voor een heel andere dynamiek. Men ontdekte onmeetbare verschijnselen, althans verschijnselen die niet konden worden geduid door middel van gangbare begrippen en instrumenten. Het zaaide twijfel binnen de tot dan toe gevestigde wetenschap. Dergelijke omslagen in ons denken kunnen tot gevolg hebben dat wat we als toeval beschouwen kan berusten op beredeneerbare processen en krachten. De kwantumtheorie introduceerde nieuwe concepten en begrippen waardoor we oog kregen voor andere energievelden. Ontstonden die energievelden pas op het moment dat die concepten werden geconstrueerd? Veranderde de werkelijkheid op het moment dat de snaartheorie werd ontworpen? Of kregen we via de concepten van bijvoorbeeld de snaartheorie zicht op een werkelijkheid die er altijd al was geweest en stelde het perspectief van de snaartheorie ons in staat die te ontdekken?

Relatie subject - object

Door de kwantumtheorie werden de veronderstelde zekerheden van de Verlichting ter discussie gesteld. De kwantumtheorie leidde tot totaal nieuwe concepten die niet logisch konden worden ingepast binnen het gebruikelijke wetenschapsbeeld. Er was sprake van krachten van een andere orde die we niet konden reduceren tot gangbare onderzoekbenaderingen. De kennis die was verkregen via de tot dan toe op lineaire relaties gebaseerd natuurkunde werd aan het wankelen gebracht.

Opvallend was dat ook reeds binnen de kwantumtheorie, evenals later binnen het constructivisme, het onderscheid tussen subject en object onderwerp werd van kritiek. De waarneming zelf werd geproblematiseerd. We kunnen objecten niet loskoppelen van de waarneming. Het object verandert onder invloed van de waarneming. Zuivere objectiviteit is bijgevolg niet realiseerbaar. Objecten raken in zekere zin verwrongen door onze waarneming c.q. door de instrumenten waarvan we ons bedienen. We kunnen ook niet vertrouwen op de zuiver lineaire relaties uit de traditionele mechanica. Met behulp van de tot dan toe gebruikelijke concepten kon men nu eenmaal niet de krachten en processen waarnemen die niet overeenstemden met de lineaire mechanica van bijvoorbeeld Newton.

Het beginsel van de complementariteit drukte uit dat je het gedrag van een deeltje niet kunt loskoppelen van de waarneming en van de waarnemer. Ook het onzekerheidsprincipe van Heisenberg hield in dat je de werkelijkheid niet los kunt zien van de waarneming en dat het zo kan zijn dat twee deeltjes of objecten verschillende eigenschappen kunnen hebben waardoor ze niet vanuit een bepaalde waarneming volledig kunnen worden waargenomen. Ze kunnen niet onder een noemer worden gebracht en dus niet door een waarneming worden omvat. Bohr ontdekte dat er sprake kan zijn van onderlinge beïnvloeding van twee deeltjes, zelfs als die zich op grote afstand van elkaar bevinden.

Ervaringen met de kwantumfysica brachten Nicolescu (2010) tot de overtuiging dat er sprake is van een nieuwe dimensie die we met een geheel ander betekeniskader moeten benaderen. Ook hij kritiseerde het strakke onderscheid tussen subject en object. Naar zijn opvatting zijn beide onderling onlosmakelijk verbonden en kunnen we enkel de veronderstelling van een objectieve werkelijkheid en van objectieve kennis overeind houden door het subject buiten te sluiten. We moeten als het ware het subject doden omdat objectieve kennis anders niet bereikbaar is. De dood van het subject was de prijs die we moesten betalen om tot objectieve kennis te komen.

Meervoudige werkelijkheid

Het komt erop neer dat we de werkelijkheid persen in ons betekeniskader. Dat gebeurt in het leven van alledag maar in wezen gebeurt in de wetenschapsbeoefening hetzelfde. Er is althans sprake van vergelijkbare processen. We kunnen de werkelijkheid op heel veel manieren betekenis geven. Anders gezegd, er bestaan tegelijkertijd heel veel werkelijkheden (en werkelijkheidsopvattingen) naast elkaar. Door van perspectief te veranderen vertoont de werkelijkheid zich anders aan ons. Met die meervoudige werkelijkheid kunnen we niet goed omgaan. Onze systemen en onze organisatiemodellen dwingen tot eenduidigheid. Eenduidigheid stelt ons in staat te besturen en te ordenen.

Zoals we in de wetenschap streven naar kennis van de werkelijkheid door de werkelijkheid eerst aan te passen aan onze methoden, zo moet de werkelijkheid in bestuur en beleid eerst worden aangepast aan onze beleids- en besturingsmodellen. Dat is gebaseerd op ons onvermogen om met pluriformiteit om te gaan. Onze modellen zijn binair: iets is waar of niet, je krijgt een vergunning of niet, een organisatie is bevoegd of niet. Dat schept maximale duidelijkheid maar die kan slechts worden bereikt door de werkelijkheid geweld aan te doen.

De uitdaging die daaruit voortvloeit is tot inzicht te komen in een meervoudige werkelijkheid. Dat stelt ons echter, behalve meervoudigheid, voor nog een probleem. Namelijk dat de werkelijkheid in beweging is. Statische onderzoekmethoden zijn niet geschikt dynamiek te onderzoeken. Dan onderzoeken we objecten of situaties. Datzelfde geldt voor beleid. Dynamiek heeft daarin het karakter van vervanging van de ene statische situatie door een andere statische situatie. Op die manier doen we dynamiek geweld aan. Bovendien is verandering zelfs in de huidige context lang niet eenvoudig. We stellen ferme eisen aan beleidsvorming en aan verandering van beleid. We hebben het statische stevig juridisch verankerd. We willen graag vernieuwing maar zitten tegelijkertijd onszelf in de weg.

Een veranderend wereldbeeld

We kunnen vanuit het perspectief van het constructivisme een werkelijkheid schetsen die bestaat uit miljarden mensen die allemaal betekenis geven aan de werkelijkheid, aan hun relatie met de werkelijkheid en aan zichzelf. Bovendien kunnen die betekenissen voortdurend veranderen. We moeten dus eigenlijk ernaar streven inzicht te krijgen in processen van betekenisverlening. Hoe verlopen die processen? Welke krachten zijn erop van invloed? Nu is er niet enkel sprake van individueel verschillende beelden van de werkelijkheid maar ook organisaties geven betekenis. Dat maakt het op het eerste gezicht lastig om tot inzicht te komen.

Bovendien kunnen we onze beeld van de werkelijkheid veranderen, al of niet in interactie met anderen. Maar naast dit chaotisch aandoend beeld is er ook sprake van enige ordening op het vlak van beelden van de werkelijkheid. We kunnen betekeniskaders onderscheiden, discoursen, hier opgevat als een aantal gevestigde uitgangspunten en veronderstellingen die niet ter discussie worden gesteld. Groepen mensen ontwikkelen gezamenlijkheid op het vlak van betekenisverlening. Dat kunnen formele regels zijn maar er kan ook sprake zijn van informele afspraken. Dat is ook wel zo handig omdat gedeelde beelden van de werkelijkheid de communicatie aanzienlijk vergemakkelijken. Ze geven houvast en voorkomen dat we telkens moeten uitleggen hoe we tot bepaalde opvattingen zijn gekomen en welke beelden daaraan ten grondslag lagen.


Binnen die betekeniskaders kan verder sprake zijn van dynamiek. Ook kunnen onderling geheel verschillende betekeniskaders langs elkaar bestaan. We kunnen individueel van opvatting veranderen maar dat geldt ook voor betekeniskaders. Dat roept het beeld op van een wereld in chaos. De veelheid aan definities kan ons het zicht op de werkelijkheid ontnemen. Een dergelijk wereldbeeld heeft enige gelijkenis met het beeld dat Deleuze schept. Deleuze vergelijkt de maatschappij met een gas dat zich niet laat opsluiten in onze instituties. Steeds weer treden er lekkages op. We dichten de gaten maar dat helpt niet echt. Het beeld van de werkelijkheid dat Deleuze oproept bestaat uit een onoverzienbaar aantal elementen die relaties met elkaar aangaan. Dat leidt tot assemblages, tot verbindingen. Maar die bestaan vaak slechts tijdelijk. Er worden voortdurend assemblages gevormd maar er gaan ook voortdurend assemblages verloren.

De processen van vorming en ontbinding van assemblages nemen in de filosofie van Deleuze een centrale plaats in. Niet de elementen op zichzelf staan centraal maar de relaties tussen elementen. Anders gezegd, de elementen ontlenen hun betekenis aan de relatie die ze wel of niet aangaan met andere elementen. Er is sprake van een geplooide werkelijkheid die zich op uiteenlopende wijze kan vertonen. Zonder oog voor deze meervoudigheid, zo stelt Deleuze (1992), kunnen we niet tot de werkelijkheid doordringen. We moeten de aandacht verleggen van elementen, van objecten, naar processen van assemblagevorming en assemblagedestructie. Dergelijke processen vergelijkt Deleuze (1988) met een rizoom, een ondergronds wortelstelsel waarin voortdurend onvoorspelbaar naar tijd en plaats vertakkingen ontstaan. Er is sprake van een onontwarbaar kluwen.

Nicolescu (2010) onderscheidt “levels of reality”. Dat zijn systemen waarbinnen onderling verschillende en onderling tegenstrijdige regels gelden. Je zou kunnen zeggen dat er sprake is van onderscheiden betekenisregimes waardoor uitwisseling van informatie niet mogelijk is. Er is sprake van discontinuïteiten.

Ter adstructie: landbouw kan worden opgevat als een economische activiteit met als gevolg dat voedselproductie wordt gedomineerd door economische concepten. Landbouw kan ook worden opgevat als een politieke zaak waardoor spanning tussen landbouw en beheer van het platteland centraal komt te staan. Dan zijn politieke mechanismen aan de orde en wordt er gezocht naar haalbare compromissen. Een derde niveau kan zijn dat landbouw wordt opgevat als ontmoeting en interactie met de natuur. Dan is er ruimte voor spiritueel gebaseerde beschouwingen.

Onderzoekspraktijken

Doordringen tot een dergelijke veelkleurige en steeds veranderende werkelijkheid is nog niet zo eenvoudig. Binnen gebruikelijke onderzoekpraktijken zijn we geneigd de te onderzoeken werkelijkheid eerst vast te zetten, te definiëren, waarna we het onderzoek starten. Met als uitkomst dat we statische kennis verzamelen over statische beelden ven de werkelijkheid. De differentiefilosofie zet daarentegen aan tot een methodologie die in staat stelt het onvoorspelbaar bewegende te onderzoeken. Maar wat moeten we ons bij een dergelijk onderzoek voorstellen? Van een min of meer uitgewerkte postmoderne methodologie is nog geen sprake, hooguit van reflecties. We missen de noties en concepten ons de leegte voor te stellen, de ruimte tussen elementen. De dominante benadering is nog steeds ons op de objecten te concentreren in plaats van op de ruimte ertussen. We zijn niet in staat de leegte te denken. Het roept het beeld op van de kosmos die ons eveneens confronteert met verschijnselen die we niet met gebruikelijke benaderingen kunnen bevatten. We moeten vaststaande begrippen als tijd en ruimte opnieuw doordenken en zekerheden als veronderstellingen ontmaskeren. Daarbij gaat het niet enkel om het leren kennen en begrijpen van een veelkleurige en dynamische werkelijkheid maar vooral ook om de consequenties ervan. Wat moeten we ons voorstellen bij het besturen van een dergelijke werkelijkheid of bij beleidsvorming?

Kosmologie

De stap naar kosmologie is minder vreemd dan wellicht op het eerste gezicht lijkt. Was het toeval dat het kwantumtheoretici waren die de relatie tussen subject en object aan de orde stelden en problematiseerden? Dat nodigt uit ons een kosmologisch beeld te vormen van een werkelijkheid vanuit het perspectief van het constructivisme. Een werkelijkheid dus waarin sprake is van elementen als drager van betekenissen, waarin betekenissen voortdurend kunnen veranderen, waarin we orde proberen aan te brengen door structuren te construeren die echter hun betekenis ook weer kunnen verliezen en waarin we processen van betekenisgeving moeten doorgronden om de werkelijkheid te leren kennen zoals die zich aan ons vertoont.

Dat is geen eenvoudige opgave. Stephen Toulmin (1982) drukt die opgave als volgt uit:

“ In what respects and on what conditions, can anything be said about the natural world in its entirety which is not dependent on our ability to subdivide natural phenomena into separate aspects, along disciplinary lines, and discover truths about those aspects one at a time? “

En hoe zou een kosmologisch beeld van een constructivistische werkelijkheid eruit kunnen zien? Kenmerkend is dan de afwezigheid van structuur. Een onmetelijke ruimte die voor ons slechts benaderbaar is binnen de grenzen van ons voorstellingsvermogen. En daarbinnen een op het eerste gezicht lastig te ontwarren geheel van situatiedefinities die ook nog eens steeds veranderen.

Maar binnen dat chaotisch beeld zijn er in de loop der tijd processen naar gezamenlijkheid ontstaan, eerst binnen kleine groepen. Denk aan de cultuur van stammen in de prehistorie. Er ontstaan klonteringen in de chaos. Er worden afspraken gemaakt over gedeelde definities en in het verlengde ervan over gedrag. Of over beelden die men zich vormt over externe invloeden. Goden die het laten bliksemen en stormen.

De onderlinge afspraken zijn gaandeweg steviger en veelomvattender worden. Zie onze moderne samenleving, vol met regels, procedures en instituties, die niet meer het karakter heeft van een gas maar een zeer gestructureerd beeld oproept. Die regels, procedures en instituties zijn de uitdrukking van onderliggende betekenisconstructies, ook al zullen we ons dat niet altijd realiseren. Ze zijn vanzelfsprekend. Klonteringen zijn gaandeweg overgegaan in vaste stof met stabiele structuren.

Nu leert de geschiedenis ook dat wat vast en stevig lijkt, aan verandering onderhevig kan zijn. Machtige culturen kunnen verloren gaan. Er kan sprake zijn van processen van ontbinding. Gezamenlijkheid kan niet meer worden erkend en beleefd. Dan resteren slechts relicten van een cultuur, overblijfselen van wat er ooit was. Wat ooit betekenisvol en leidend was binnen een cultuur was heeft nog slechts historisch-culturele waarde.

Ook de beweging richting een netwerksamenleving kan worden geduid als een overgang van vaste structuren naar meer dynamiek. Stevigheid wordt vervangen door vluchtigheid. Omgekeerd zou je de toenemende aandacht voor duurzaamheid kunnen opvatten als een nevel die midden van de vorige eeuw werd gevormd en waarin de afgelopen decennia klonteringen ontstonden. Er vormden zich instituties. Op verandering gerichte energie verbond zich. Gaandeweg ontstonden krachten die binnen de gevestigde wereld niet meer konden worden ontkend. De nevel verhardde zich.

Lege ruimte

Veruit het grootste deel van het heelal wordt niet bezet door planeten maar door de ruimte tussen planeten. De ruimte die buiten onze betekeniskaders valt, het betekenisloze. Strikt genomen is die ruimte niet leeg. In termen van betekenisgeving hebben we die in zekere zin zelf geconstrueerd. Immers, iedere definitie van de werkelijkheid, iedere afspraak heeft uitsluitende werking. De werking van een definitie is dat die een onderscheid maakt en een scheiding aanbrengt tussen wat de definitie omvat en wat er niet onder valt. Zo beschouwd creëren we een betekenisloze ruimte door de constructie van onze ordeningen. Het ongeordende ontstaat door de ordening. Beide zijn onlosmakelijk aan elkaar gekoppeld. Er is dus een relatie tussen beide, juist doordat ze tegengesteld zijn aan elkaar. Dat is een merkwaardige paradox.

Door de werkelijkheid te begrijpen en er vat op te krijgen creëren we tegelijkertijd een werkelijkheid die buiten onze waarneming valt en die zich aan ons oog onttrekt. Maar die werkelijkheid is daarmee niet weggevaagd. Het betekenisloze kan eveneens worden opgevat als een constructie, zij het dat die buiten onze waarneming, buiten onze betekenisgeving valt. Naarmate we onze ordeningen verder invullen en detailleren en naarmate we onze definities aanscherpen vergroten we de voor ons betekenisloze ruimte. De ruimte dijt uit.

Zo beschouwd zijn beleid en rechtspraak krachtige bronnen van betekenisloosheid. Ze zijn de oorzaak van wat je zwarte gaten zou kunnen noemen. Gevolg van onze wens tot ordening is dat we energie verliezen. Daar zijn we ons vaak niet van bewust en we kunnen die ook moeilijk onderzoek met behulp van onze begrippen en concepten die binnen onze ordeningen gelden. Per definitie niet. Toch is dat nodig.

Het buitengeslotene, het betekenisloze, kan ons stevig hinderen. Het betekenisloze is drager van energie. Het loont dus de moeite de betekenisloze ruimte te onderzoeken. Er zijn krachten werkzaam die we niet kunnen ontkennen. Vergelijk het beeld van Michel Serres die een onderscheid maakt tussen de eilanden van onze systemen en de ruimte tussen de eilanden, de oceaan. Hij pleit ervoor expedities te ondernemen om het leven op de oceaan te verkennen. Daar treffen we aan waarvoor we op onze eilanden geen oog of begrip hebben. Maar die oceaan roert zich.

Het betekenisloze blijkt te bestaan. Sterker nog, die wordt steeds krachtiger en kan onze eilanden bedreigen. Onze ordeningen vertonen scheuren. En in plaats van ons perspectief te verbreden en ruimte te geven voor het betekenisloze, is onze neiging bij problemen onze definities juist aan te scherpen en de uitsluitende werking daardoor juist te vergroten. We maken onze eilanden kleiner en vergroten de oceaan.

De spanning tussen betekeniskaders

Die krachten binnen de voor ons betekenisloze ruimte raken ook de verbanden tussen culturen, c.q. eilanden, c.q. planeten. Planeten kunnen worden opgevat als gestolde betekeniskaders, bij elkaar gehouden door definities die we als waarheid beschouwen. Maar het blijken bij nadere beschouwing veronderstelde waarheden. Waarheden blijken te berusten op gedeelde veronderstellingen. Waarheid is onderling afgesproken waarheid. Ontmoetingen tussen planeten betekenen een confrontatie, een botsing, tussen onderling strijdige betekeniskaders. Die zijn dagelijks in onze maatschappij waarneembaar. De spanning tussen landbouw en natuur bijvoorbeeld. Of tussen werkgevers en werknemers. Of tussen overheid en markt.

Dan is de vraag aan de orde waarin die botsing resulteert. Grofweg zijn er vijf mogelijkheden. Een betekeniskader kan dominant zijn ten opzichte van de omgeving.

  1. De geldende definities kunnen dwingen aan de omgeving worden opgelegd.
  2. Ook is denkbaar dat er overeenstemming wordt bereikt over hoe we met verschillen omgaan. We maken afspraken, we sluiten compromissen. We vinden een manier van leven waarin we met elkaar kunnen voortgaan.
  3. Een derde mogelijkheid is dat men elkaar de ruimte laat. We respecteren het anders zijn en bieden daartoe aan groepen de ruimte het eigene in stand te houden en te bewaken. Gated communities met een eigen betekeniskader.
  4. De vierde mogelijkheid is dat we niet tot elkaar komen. We houden de verschillen in stand omdat we niet in staat zijn ze te overbruggen . Dat onvermogen slurpt veel energie op. We raken telkens weer verstrikt in procedures die weliswaar een conflict beslechten maar de onderliggende problemen worden niet opgelost. We blijven voorgeprogrammeerd op het veroorzaken van nieuwe conflicten. Instandhouding van de maatschappij brengt hoge transactiekosten met zich mee. Verkiezingen leiden tot maanden- en soms jarenlange pogingen tot afspraken te komen waarna de nieuwe verkiezingsdata weer naderen.
  5. De vijfde mogelijkheid is in de praktijk veel minder vaak waar te nemen. Dan wordt getracht betekeniskaders op hun oorsprong te onderzoeken. Wat waren de veronderstellingen? En vooral ook hoe zijn we tot geconstrueerde zekerheden gekomen? Welke krachten waren daarop van invloed? En in het verlengde daarvan: hoe kunnen we processen in gang zetten met als doel een nieuw betekeniskader te construeren? Wat moeten we ons voorstellen bij een economisch systeem dat kwetsbaarheid als maatstaf heeft? Bij vormen van verantwoordelijk burgerschap? Bij organisatievormen waarin inspiratie niet wordt overvleugeld door bureaucratie? Voor een dergelijke benadering kunnen we niet vertrouwen op bestaande instituties. Die kunnen worden opgevat als belichaming van problemen die we juist willen oplossen. We zijn georganiseerd rond problemen die we georganiseerd in stand houden. Er is een vrije voorstellingsruimte nodig waarin het onvoorstelbare kan worden gedacht.

Het leidt tot de vraag of we in onze ordeningsmodellen niet een kwantumsprong moeten maken. En dus buiten onszelf moeten treden. Op zoek gaan naar nieuwe dimensies die onze kwaliteit van leven kunnen vergroten. Dat vraagt om de constructie van een nieuw betekeniskader. Bestaande concepten en instituties kunnen ons daarbij niet helpen want die nodigen uit c.q. dwingen tot reproductie van het bestaande.

Het perspectief van het constructivisme kan zo de aanzet leveren voor een sprong over onze eigen schaduw heen. Er zijn de laatste decennia analyses gemaakt maar ook ideeën geuit over waar we dan aan moeten denken, wat daarvoor kritische condities zijn en hoe we dergelijke processen zouden kunnen opzetten. Inhoudelijk bijvoorbeeld de filosofie van Deleuze (2012) waarin hij pluriformiteit en dynamiek veel aandacht geeft. We moeten de krachten die ons steeds weer hebben gedwongen tot uniformiteit weerstaan. We hebben weinig respect getoond voor verschillen maar die weg geordend. Juist die verschillen vragen aandacht want de betekenis, de identiteit, van objecten is juist gelegen in de relatie met andere objecten.

Ook zijn er pleidooien om verbindingen te leggen tussen nu op zichzelf staande domeinen zoals tussen economie en kunst (Serres). Of om in de wetenschap de ruimte tussen disciplines te verkennen, het gebied “entre”. (Latour, Serres, 1995) De overstap maken naar transdisciplinaire benaderingen. Kan mystiek en transcendentie ons nog helpen? Hoe kunnen we ons het onvoorstelbare voorstellen? Moeten we niet meer gaan associëren en de neiging tot redeneren onderdrukken?

Daarvoor is allereerst een ontmaskering nodig van bestaande modellen in wetenschap, beleid en bestuur. Die zijn het resultaat van onze zucht naar ordening en overzichtelijkheid maar hebben, veelal onbewust, in een gemankeerd beeld van de werkelijkheid. Onze op rationaliteit gebaseerde betekeniskaders hebben ons het zicht doen verliezen op de werkelijkheid en tegelijkertijd zijn die kaders heersend geworden in plaats van dienend. In plaats daarvan moeten we weer oog en zicht krijgen op wat we hebben buitengesloten: de werkelijkheid die niet waarneembaar en kenbaar is wanneer we ons laten leiden door thans geldende redeneerregels. De werkelijkheid die door dominantie van het economische steeds weer buiten beeld dreigt te raken. Of nog een stap verder: datgene wat thans kwetsbaar is onder economische druk als maatstaf nemen voor een nieuwe economie. Het kwetsbare als bron van inspiratie. Kort en goed: een ander bewustzijnsniveau.

Literatuur

Deleuze Gilles, Denken in plooien geschikt, KOK Agora, 1992

Deleuze, Gilles, Verschil en herhaling, Boom, 2012

Deleuze, Gilles en Guattari, Felix, Rizoom, Uitgever: Rizoom, 1988

Feyerabend, Paul, Tegen de Methode, Lemniscaat, 2008

Heisenberg, Werner, Northrop, F.S.C., Physics and Philosophy, The Revolution in Modern Science, Penguin Books Ltd, 2000

Kuhn, Thomas, The Structure of Scientific Revolutions, University of Chicago press, 1970

Latour, Bruno, Serres, Michel, Conversations on Science, Culture and Time, University of Michigan Press, 1995

Nicolescu, Basarab, Methodology of Transdisciplinarity – Levels of Reality, Logic of the Included Middle and Complexity, in: Transdisciplinary Journal of Engineering & Science Vol: 1, No:1, (December, 2010), pp.19-38

Nicolescu, Basarab, From Modernity to Cosmodernity. Science, Culture, and Spirituality, State University of New York Press, 2014

Popper, Karl, Conjectures and Refutations, Routledge, 1963

Toulmin, Stephen, The Return to Cosmology, Postmodern Science and the Theology of Nature, University of California Press, Berkely, 1982

Wagemans, Mathieu, Een Oceaan van Betekenisloosheid, een kritische analyse van beleid, politiek en wetenschap met een verwijzing naar de filosofie van Michel Serres, Digitalis, Utrecht, 2016



**********************

Groter is nooit groot genoeg

Opiniebijdrage, de Limburger, 22 oktober 2019

MATHIEU WAGEMANS

De toekomst van de landbouw eist nu alle aandacht op. Boeren protesteren en politici en bestuurders haasten zich de sympathie van de boeren te winnen. De diepere oorzaken van het probleem komen echter niet aan bod en zijn decennia door diezelfde politici en bestuurders onder de mat geveegd. Wat is het geval? De Nederlandse landbouw staat internationaal bekend als uiterst modern. De kwaliteit van de producten is doorgaans prima en de kostprijs kon betrekkelijk laag worden gehouden door schaalvergroting en specialisatie. Maar dat proces lijkt op zijn grenzen te stuiten. Er is sprake van een toenemende spanning. De economie is bepalend. De gevolgen kennen we: verzadiging van de bodem met nitraat en fosfaat, verontreiniging van grond- en oppervlaktewater, aantasting van natuurgebieden, luchtverontreiniging enz. Bovendien leert de ervaring dat dit landbouwsysteem niet zelfcorrigerend is.

Gammel

Voortdurend zorgden landbouwbestuurders en politici ervoor dat maatregelen werden uitgesteld, werden verzacht of er kwamen juridisch ingewikkelde uitzonderingen. Het beleid liep vast in een lastig te ontwarren kluwen van regels en in bijpassende bureaucratie en juridische procedures. Een walhalla voor juristen. Voor de boeren werd het een extra kostenpost. Men vertrouwt op een economisch systeem dat gammel is. De boer heeft van oudsher een zwakke positie in de keten en anderzijds vormt aantasting van leefomgeving, milieu en natuur geen onderdeel van de kostprijs. Men kan ook een andere weg volgen. Dan is de uitdaging een landbouwsysteem uit te werken dat beide functies, productie en beheer, op een harmonische wijze integreert. En dat tot een faire beloning leidt voor de producent. Een dergelijk landbouwsysteem vraagt om nieuwe economische concepten en praktijken: nieuw vormen van financiering, nieuwe vormen van afzet en nieuwe verdienmodellen. Ook andere vormen van participatie die de thans bestaande vervreemding en anonimiteit tussen boer en burger kunnen verminderen. Binnen de huidige praktijk is dat voor velen ondenkbaar. Er is sprake van een harde tegenstelling. Die domineert ook de onderlinge communicatie.

Loopgraven

Het debat roept het beeld op van loopgraven waarin partijen zich stevig hebben teruggetrokken. Dat geldt ook voor de politiek. Men blijft vasthouden aan uitgangspunten en (schijn)zekerheden die het probleem juist hebben veroorzaakt. Bestuurders en politici pleiten voor gezinsbedrijven maar het gevolg van hun standpunten is juist een enorme inkrimping van het aantal bedrijven. Zo bijt men in zijn eigen staart. Groeien leidt tot uitroeien. Groter is nooit groot genoeg. Het leidt tot spanningen aan de keukentafel, zoals uit recent onderzoek bleek. Investeren of stoppen? Logisch dat boeren daartegen protesteren.

Springen

De landbouw kan worden opgevat als een sprekend voorbeeld van een sector die geconfronteerd wordt met de eindigheid van modernisering. De voorgestelde omslag is dan ook ingrijpend. Een fair inkomen voor boeren vraagt als tegenprestatie dat men voldoet aan wat maatschappelijk wenselijk is. Nodig is ook dat boeren en burgers hun stellingen verlaten en dat politici niet langer goedkope stemmenwinst belangrijker vinden dan hun verantwoordelijkheid te nemen. Niemand is gebaat met compromissen die de onderliggende problemen laten voortbestaan. In plaats daarvan is het toekomstbestendiger om een landbouw te ontwerpen met schaalvergroting in gebieden waar dat kan en een meer maatschappelijk georiënteerde en kleinschaliger landbouw nabij natuurgebieden. De uitnodiging is, zoals Remkes stelde, oog te krijgen voor zijn eigen schaduw en erover heen te springen. Een sector die zichzelf graag innovatief noemt, zou daartoe in staat moeten zijn. Met als beloning dat de landbouw dan als een voorbeeld zal gaan functioneren voor een oplossing van het veel bredere duurzaamheidsvraagstuk binnen onze samenleving. Met sympathie alleen gaat de landbouw het niet redden.


Mathieu Wagemans is raadslid in Leudal

www.ontganiseren.nl


***********************************

Als alleen de regels regeren


HET BETOOG – Van organisaties verwachten we dat die alert zijn op zaken die intern niet goed gaan. Dat veronderstelt een open oor en oog voor misstanden. Dat lijkt vanzelfsprekend maar in de praktijk spreekt dat niet vanzelf.

Zo berichtte De Limburger recent over ervaringen binnen een waterschap. Met de persoon die wees op fouten rond aanbestedingen liep het niet goed af. Een ander recent voorbeeld betreft de Belastingdienst. Die maakte grove fouten bij het toekennen van toeslagen voor kinderopvang. Ten onrechte ontvingen ouders geen uitkering terwijl ze daar wel recht op hadden. De dienst volhardde in het eenmaal ingenomen standpunt. Dat was geen ongelukkige fout, zo bleek tijdens rechtszittingen, maar er was sprake van een bewust gevoerd beleid. Binnen de Belastingdienst was een en ander al bekend, maar het mocht niet naar buiten komen. Toen een ambtenaar zich als klokkenluider opstelde en informatie publiek maakte was Leiden in last. Er werden disciplinaire maatregelen genomen tegen deze ambtenaar. Interne stukken moesten nu eenmaal intern blijven.

Schone schijn

Velen die in een bureaucratische omgeving werken zullen zich in deze gang van zaken herkennen. Er gaat van alles mis, maar dat is geen probleem zolang de zaak maar niet publiek wordt. Naar buiten is alles erop gericht de schone schijn op te houden. De interne cultuur binnen een bureaucratie is gericht op uniformering en regels. Zolang iemand zich daaraan houdt is alles in orde en kun je gemakkelijk overleven, zelfs door jarenlang rustig achterover te leunen. Maar buiten de lijntjes kleuren is niet toegestaan. De regels regeren. Dat geldt in het bijzonder voor de interne organisatie. Bevoegdheden zijn met veel gevoel voor detail toebedeeld. Procedures moeten worden gevolgd. Macht is binnen een bureaucratie nu eenmaal niet bespreekbaar. De baas bakt koek. En dus plaats je jezelf in een kwetsbare positie wanneer je van de formele en informele regels afwijkt. Het wordt doorgaans opgevat als een gebrek aan solidariteit als je informatie publiek maakt waaruit blijkt dat er problemen zijn. Je bevlekt je eigen organisatie door te berichten over interne problemen. Het is onfatsoenlijk. En juist dat beroep op fatsoen wordt dan de dekmantel voor onfatsoenlijk handelen.

Openheid

De laatste jaren is niettemin de overtuiging gegroeid dat openheid belangrijk is, ook wanneer zaken niet goed lopen en zelfs als er sprake is van blunders. Daar kan van worden geleerd, hoe pijnlijk het ook voor betrokkenen kan zijn. Openheid dient vanzelfsprekend te zijn. Dat geldt natuurlijk in het bijzonder voor overheidsorganisaties omdat die met gemeenschapsgeld worden gefinancierd. Dat besef is echter bij de top van de organisaties vaak nog niet doorgebroken. Successen worden breed uitgemeten, maar fouten worden graag onder de mat geveegd. Dat maakt medewerkers kwetsbaar die het toch wagen minder gunstige informatie naar buiten te brengen. Die lopen het risico op represailles. Of ze worden via een verfijnd spel naar de uitgang geloodst.

Niet zelfcorrigerend

In dat soort situaties is de politiek aan zet. Althans, dat zou zo moeten zijn. Maar vanzelfsprekend is dat allerminst. Afhankelijk van de politieke kleur van de betreffende minister, gedeputeerde of wethouder is de neiging bij eigen of andere coalitiepartijen groot de kwestie te verdoezelen, onbelangrijk te maken of, als het enigszins kan, te ontkennen. Of de conclusie is dat men ervan heeft geleerd en dat er maatregelen komen om ongewenste praktijken te voorkomen. Of, nog erger, als openbaarmaking niet is te voorkomen, beschikt men over een grote vaardigheid om redeneringen te bedenken die recht maken wat krom is. En wie die vaardigheid het beste beheerst, krijgt een pluim voor politieke en bestuurlijke handigheid. Dergelijke praktijken en patronen zorgen ervoor dat organisaties niet meer zelfcorrigerend zijn. Van fouten kun je niet leren als je ze consequent onder de mat veegt.

Thieu Wagemans is gemeenteraadslid in Leudal


**************************************

Om van betekenis te blijven, moet GGZ ongebaande paden inslaan

Uit: www.socialevraagstukken.nl 9 september 2019

De GGZ moet volgens de hoogleraar psychiatrie Jim van Os haar onpersoonlijke en technische aanpak afzweren om van betekenis te kunnen blijven. Dat vereist echter wel een hele andere manier van denken en betekenisgeving.

Door Mathieu Wagemans

In de geestelijke gezondheidszorg (ggz) domineren de DSM-definities. Gezamenlijk vormen ze instrument en uitgangspunt om psychiatrische stoornissen te classificeren en diagnosticeren. Hoogleraar psychiatrie Jim van Os schreef hier laatst dat dit het functioneren van de ggz niet ten goede komt.


In een toekomstbestendige ggz horen volgens hem niet de DSM-definities centraal te staan, maar de patiënt en de manier waarop hij betekenis geeft aan zichzelf in relatie tot zijn omgeving.


Patiënt is uit de ggz verdwenen


Op het betoog van Van Os valt weinig af te dingen, probleem is echter dat de patiënt en zijn betekenisgeving jarenlang uit de ggz zijn ‘weg gedefinieerd.’ Hetzelfde is overigens gebeurd met de burger in beleid, rechtspraak en wetenschap. Dit heeft alles te maken met de dominante notie in onze samenleving dat we vraagstukken, van welke aard dan ook, georganiseerd moeten aanpakken. Omdat gerichte interventie in deze zienswijze afhankelijk is van gedegen planning, formuleren we doelstellingen, maken we gedegen analyses, stellen we plannen van aanpak op en voeren we die uit. En evalueren we na afloop zodat we kunnen leren van de opgedane ervaringen.


De maatschappelijke behoefte - niet alleen die van de ggz - aan ordenen is logisch en herkenbaar. Wanneer we een probleem willen oplossen, moeten we er immers vat op krijgen. En daarvoor is kennis nodig. Hoe zit het probleem in elkaar? Wat zijn de oorzaken? Hoe kunnen we die wegnemen of vermijden? Voor antwoord daarop vormen we ons een beeld, onderscheiden we aspecten en kiezen we vervolgens geschikte instrumenten om het probleem op te lossen.


Het door ons gecreëerde beeld is een constructie dat we met veel gevoel voor detail uitwerken. Wetten en regelingen beginnen doorgaans met een artikel waarin nauwkeurig is bepaald wat ‘in de zin van deze regeling wordt verstaan onder….’ Op dat beeld van een regelbare werkelijkheid baseren we onze regels. Wat we niet kunnen regelen, blijft buiten beschouwing. Wat niet in de ordeningen en de daarin opgenomen definities past, is betekenisloos. Het is chaos.


Diagnosemodel in de ggz botst met veelkleurigheid


De werkelijkheid van patiënten in de ggz is echter te veelkleurig om in ordeningen te worden geperst en verklaart voor een belangrijk deel waarom de resultaten zo vaak teleurstellen. De bonte werkelijkheid van patiënten houdt zich niet aan het beeld dat de ggz met haar diagnosemodel heeft geconstrueerd.


Wat betekenisvol is binnen het dat beeld kan betekenisloos zijn voor patiënten. En, omgekeerd, is het model niet ontvankelijk voor wat patiënten betekenisvol vinden. Die spanning is een belangrijke bron van vervreemding tussen systeemwereld van de ggz en de leefwereld van de patiënt. De geleefde werkelijkheid laat zich niet in geconstrueerde ordeningen dwingen. Anders gezegd: onze ordeningen en instituties zijn lek.


Op papier is de opbouw van de ggz weldoordacht en logisch maar bij nadere beschouwing mist het gebouw stevigheid omdat de constructeurs zijn uitgegaan van aannames die in de praktijk niet kloppen. De hoekstenen missen stevigheid. De Franse filosoof Deleuze roept - weliswaar in een iets andere context - het beeld op van lekkages. Van een lek gebouw waaruit, ondanks reparaties, voortdurend gas ontsnapt. En toch houden we dat gebouw in stand, omdat we de gevangene zijn geworden van onze eigen illusies.


Ggz moet ongebaande paden betreden


De ggz staat aldus Van Os voor de opdracht om zichzelf opnieuw uit te vinden. Daartoe moet ze ervaringskennis en professionele kennis integreren en meer gaan samenwerken ‘met de uitvoerders van de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg’.


Op abstracter niveau betekent dit dat het ggz-beleid de huidige uniformiteit achter zich laat en meer oog krijgt voor de gelaagdheid van de werkelijkheid. De ggz kan schizofrenie bijvoorbeeld beschouwen als een stoornis - zoals ze nu doet - maar ze kan het ook benaderen op het niveau van individuele waarden.


In het laatste geval heeft de ggz oog voor het welzijn van de patiënt en diens verhouding tot zijn omgeving. En besteedt ze aandacht aan de gelaagdheid die zich thans aan haar oog onttrekt.


Van Os ziet het als de ultieme uitdaging voor de ggz om een model te ontwikkelen dat haar in staat stelt om in te spelen op de dynamiek en pluriformiteit van haar doelgroep. Die transformatie krijgt geen gestalte door de gangbare definities en diagnoses te veranderen, want dan wordt de ene statische toestand slechts vervangen door een andere.


Vrijheid om ongebaande paden te betreden


Voor de ontwikkeling van dat nieuwe model moet de ggz de patiënt, die ze tot nu vooral heeft buitengesloten, goed leren kennen. En daarvoor zijn nieuwe concepten en vormen nodig en zelfs al beschikbaar. Van Os noemde er een paar: Ecommunities en herstelacademies.


Waar de ggz ook behoefte aan heeft, is vrijheid van denken en betekenisgeving en durf om ongebaande paden te betreden, die haar mogelijk naar plaatsen leidt die ze niet kan duiden met bestaande begrippen. En toch zit er niet anders op, wil de ggz ten minste van betekenis blijven.


Mathieu Wagemans is raadslid in de gemeente Leudal namens de partij Ronduit Open en is zeer betrokken bij de ggz. Dit artikel is mede gebaseerd op de bijdrage die Wagemans schreef voor Civis Mundi Digital van augustus 2019




Literatuur


Deleuze Gilles, Het denken in plooien geschikt, KOK Agora, 1992


Deleuze, Gilles, Verschil en herhaling, Boom, 2012


Deleuze, Gilles en Guattari, Felix, Rizoom, Uitgever: Rizoom, 1988


Latour, Bruno, Reassembling the Social: An Introduction to Actor-Network-Theory, Oxford University Press, 2007


Latour, Bruno en Serres, Michel, Conversations on Science, Culture and Time, University of Michigan Press, 1995


Serres Michel, Les Cinq Sens, Hachette Litterature, 1998


Wagemans, Mathieu, Een Oceaan van Betekenisloosheid, een kritische analyse van beleid, politiek en wetenschap met een verwijzing naar de filosofie van Michel Serres, Digitalis, 2016

************************************

Over systemen, ordenen, lekkages en uitsluiten. Een beschouwing vanuit het perspectief van betekenisgeving

Gepubliceerd in: Civis Mundi Digitaal #88 augustus 2019

door Mathieu Wagemans


Aanleiding

In brede kring wordt onze samenleving getypeerd als dynamisch. Veranderingen zijn geen incidenten maar verandering moet voortaan als een wezenskenmerk worden opgevat van een maatschappij. Ook is kenmerkend dat we met hardnekkige problemen worden geconfronteerd waar we niet zo makkelijk grip op krijgen. De paradox is dat we weliswaar door onderzoek over steeds meer kennis beschikken over hoe we beleid moeten maken en hoe we moeten organiseren maar tegelijkertijd worden we geconfronteerd met onvermogen. De werkelijkheid gedraagt zich anders dan verwacht. Ons beleid wordt steeds genuanceerder en verfijnder maar de werkelijkheid toont zich er ongevoelig voor. Zeker speelt daarbij ook een rol dat we het niet gemakkelijk eens worden over maatregelen die al te zeer ingrijpen in ons dagelijks leven. Klimaatproblemen worden intussen in brede kring onderkend maar overeenstemming over noodzakelijke maatregelen is lastig.

Wie als buitenstaander in Nederland komt is vaak verbaasd over de omvang en gedetailleerdheid van alle regelsystemen. We hebben de zaken goed voor elkaar, zo zou het beeld kunnen zijn. Over alles is terdege nagedacht. Maar er is ook een andere kijk mogelijk. Er is een onoverzienbaar stelsel van regels dat verandering vaak in de weg staat. Vernieuwing stuit vaak op juridische beperkingen. Verandering van beleid blijkt lastig en tijdrovend te zijn. Nieuwe regels moete zich logisch verhouden tot bestaande regels. Ook blijkt handhaving van een onoverzienbaar aantal vaak zeer gedetailleerde regels niet eenvoudig. We beschikken weliswaar over veel kennis, althans veel meer dan vroeger, maar die kennis maakt regelgeving lang niet altijd eenvoudiger. Integendeel, uit onderzoek kan blijken dat oorzaak-gevolg-relaties er toch iets anders uitzien dan verondersteld. Er is nuancering nodig en die vraagt vervolgens weer extra onderzoek. Ook worden we met nieuwe problemen geconfronteerd. Zie de boven- en onderwereld die in elkaar vervlecht raken. Criminaliteit houdt zich niet meer aan onze ordeningen. Dat maakt de opsporing lastig. Een ander voorbeeld is internet. Nieuwe en ongekend snelle vormen van communicatie confronteren ons met problemen rond beheersing en controle. Die problemen uiten zich als problemen van de overheid. Van de overheid verwachten we immers dat die problemen daadkrachtig aanpakt. Tegelijkertijd stellen we steeds hogere eisen aan de overheid. Denk bijvoorbeeld aan regels met betrekking tot bescherming van de privacy. Dat maakt de positie van de overheid weinig benijdenswaardig. We leggen de lat steeds hoger maar tegelijkertijd beperken we het sprongvermogen.

Dominant in ons denken en handelen is de notie dat we vraagstukken, van welke aard dan ook, beter georganiseerd kunnen aanpakken dan in het wilde weg. Zonder gedegen planning lukt het niet. En dus formuleren we doelstellingen, maken we gedegen analyses, stellen we plannen van aanpak op en voeren we die uit. Na afloop evalueren we en leren we van opgedane ervaringen. Hoe we dat allemaal het beste kunnen doen vormt onderwerp van de organisatiewetenschap. Ruwweg vanaf de vijftiger jaren in de vorige eeuw heeft in de organisatiewetenschap de systeembenadering steeds meer aandacht gekregen. Organisaties werden benaderd als systemen. Daarbij ging de aandacht aanvankelijk uit naar het intern functioneren van organisaties als systemen maar later kwamen vragen centraal te staan rond de relaties tussen systemen en hun omgeving.

Onlosmakelijk met organiseren is dat we ordenen. We willen orde brengen in de chaos. We willen overzicht zodat we in staat zijn tot gerichte interventies. We willen in dit essay eerst nader ingaan op die ordeningsprocessen. Wat is de essentie ervan? Vervolgens willen we de gevolgen ervan belichten. Wat betekent het voor de aanpak van vraagstukken in een (post)moderne samenleving? We sluiten af, verwijzend naar denkbeelden uit vooral de Franse filosofie (Deleuze, Latour, Serres), met het schetsen van een nieuwe benadering die nogal haaks staat op onze drang tot ordening. We doen dat vanuit het perspectief van betekenisgeving. De keuze voor betekenisverlening is niet toevallig. De spanning tussen de systeemwereld en de leefwereld van burgers is voor een belangrijk deel hierop terug te voeren. Wat betekenisvol is voor burgers hoeft geen betekenis te hebben voor de overheid. En omgekeerd. Vanwege de keuze voor betekenisverlening beginnen we met een korte schets van het constructivisme.

Constructivisme

Het constructivisme nodigt uit om aandacht te geven aan betekenisverlening, zowel binnen systemen als in de relatie met de wereld buiten systemen. Uitgangspunt van het constructivisme is dat de werkelijkheid niet kan worden waargenomen zoals die “is”. We geven betekenis aan de werkelijkheid en vormen ons op basis daarvan beelden van de werkelijkheid. Die betekenissen zijn geen onderdeel van de objectieve werkelijkheid maar die zitten in onszelf. In het dagelijks leven realiseren we ons doorgaans niet dat we denken en handelen met behulp en op basis van constructies. We houden de afbeelding die we ons hebben gevormd voor “echt”. Beeld en achterliggende werkelijkheid vallen samen. We nemen feiten waar en realiseren ons niet dat de feiten die we waarnemen drager zijn van betekenissen. De feiten blijken minder hard te zijn dan verondersteld.

Vanuit dat gezichtspunt is het uiterst belangrijk ons te verdiepen in de waarneming zelf. Wat bepaalt hoe ons beeld van de werkelijkheid eruit ziet? En waarom wijkt die vaak af van constructies die anderen zich vormen? Doorgaans wordt daarbij gewezen op factoren als opvoeding, persoonlijkheid, opleiding, ervaring, opvattingen van anderen enz. Een stap verder is wanneer we stellen dat we in een samenleving voortdurend construeren in interactie met anderen zoals in het sociaal constructivisme centraal staat. Gesprekken kunnen ons beeld veranderen en bijstellen. We worden geconfronteerd met werkelijkheidsconstructies van anderen. Die kunnen we terzijde schuiven of ons aan het denken zetten. Beelden uitwisselend kunnen we tot aanpassingen van onze beelden komen. We nuanceren of we kunnen zelfs gaan twijfelen aan wat we eerder vanzelfsprekend beschouwden.

Ordenen

De behoefte aan ordenen is logisch en herkenbaar. Dat geldt zeker voor de overheid. Wanneer we een probleem willen oplossen moeten we er immers vat op kunnen krijgen. En daarvoor is kennis nodig. Hoe zit het probleem in elkaar? Wat zijn de oorzaken? Hoe kunnen we die wegnemen of vermijden? We vormen ons daartoe een beeld van een probleem. We onderscheiden aspecten en kiezen vervolgens instrumenten. Het beeld dat we ons vormen is een afbeelding van de werkelijkheid. Het is een constructie die we met veel gevoel voor detail uitwerken. Wetten en regelingen beginnen doorgaans met een artikel waarin nauwkeurig is bepaald wat “in de zin van deze regeling wordt verstaan onder ….”. We vormen ons een beeld van een regelbare werkelijkheid. Op dat beeld baseren we onze regels. Wat we niet kunnen regelen blijft buiten beschouwing. Beleidsvorming is zo beschouwd een proces van uitsluiting. We maken een geordend beeld van de werkelijkheid. Wat niet in de ordeningen en de daarin opgenomen definities past sluiten we buiten. Het is betekenisloos. Het is chaos. Zo beschouwd zijn we zelf de constructeurs van complexiteit. De werkelijkheid is te veelkleurig om in ordeningen te worden geperst. Dat verklaart voor een belangrijk deel de ervaring dat de overheid weliswaar formeel als doel en opdracht heeft de maatschappelijke ontwikkelingen te sturen en bij te sturen maar dat het resultaat vaak teleurstelt. De veelkleurige werkelijkheid blijkt zich dan niet te houden aan het beeld dat de overheid ervan heeft geconstrueerd. Wat betekenisvol is binnen het overheidsbeeld kan betekenisloos zijn voor burgers. En, omgekeerd, kan de overheid zich niet ontvankelijk tonen voor wat burgers betekenisvol vinden. Die spanning kan worden opgevat als een belangrijke bron van vervreemding tussen systeemwereld en leefwereld. De maatschappelijke werkelijkheid laat zich niet in de ordeningen dwingen die zijn geconstrueerd.

Een extra belemmering zijn de eisen die we aan overheidsbeleid stellen. We scherpen het beeld van de werkelijkheid zoals dat in ons beleid centraal staat nog verder aan waardoor we het extra lastig maken. Er gelden beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Aan die eisen kan slechts worden voldaan door het uitgangspunt van consistentie. Een besluit moet zich logisch verhouden tot eerdere besluiten. We wensen geen willekeur. Wat ooit in een bepaalde casus is besloten heeft rechtskracht. Jurisprudentie vormt een brede zoekruimte om in juridische procedures je gelijk te halen.

Aan al die eisen kan slechts worden voldaan door uniformiteit na te streven. Zo is een beleidssysteem tot stand gekomen waarin de onderdelen zich logisch tot elkaar verhouden. Verandering is mogelijk mits de uniformiteit van het stelsel niet wordt aangetast. Natuurlijk worden we steeds met veranderingen geconfronteerd maar die worden tegemoet getreden met een eenduidig stelsel van definities en procedures. De rechtspraak functioneert daarbij als een extra slot op de deur. Het leerstuk van de Trias Politica dwingt rechters te toetsen aan geldende regels. Dat is wel eens lastig, bijvoorbeeld wanneer zich nieuwe situaties voordoen waarmee bij eerdere beleidsvorming geen rekening is gehouden. Regelingen kunnen worden ingehaald door veranderingen in de maatschappij. Rechterlijke uitspraken kunnen dwingen tot nuancering en nadere specificatie van definities. Met als gevolg dat het formele betekeniskader nog gedetailleerder wordt en het perspectief van de overheid nog verder wordt ingeperkt. Pogingen tot aanpassing kunnen zo gemakkelijk in hun tegendeel verkeren.

Een paar voorbeelden uit de praktijk. Moet een verzameling gestapelde stenen worden beschouwd als een bouwwerk? Was er wel of geen vergunning voor nodig? Moet er wel of niet handhavend worden opgetreden? Is een populierenbos een bos, zij het dat er gras tussen de bomen groeit, of een weiland, zij het dat er bomen in staan? De uitkomst is bepalend voor de vraag of vergunningen nodig zijn of dat er recht bestaat op subsidies. Recent speelde in een pensioenkwestie de vraag of pannenkoeken wel of niet als snoepgoed moeten worden opgevat. In bevestigend geval moet over de productie van pannenkoeken pensioenpremie worden afgedragen aan het Pensioenfonds Snoep.

Het komt erop neer dat een werkelijkheid die heel uiteenlopend betekenis kan krijgen en die bovendien steeds verandert, in een eenduidig en statisch kader wordt geperst. Dat lukt wellicht op papier maar een pluriforme en dynamische werkelijkheid laat zich niet opsluiten in een nauwsluitend beleidskorset. Een stap verder is de gedachte dat het beleidsgebouw ook niet zo stevig in elkaar zit. Op papier wellicht is de constructie weldoordacht en logisch maar bij nadere beschouwing mist het gebouw stevigheid. Bij de constructie is uitgegaan van aannames die in de praktijk niet blijken te kloppen. Bijvoorbeeld het uitgangspunt dat iedere burger de wet moet kennen. Dat lijkt een schier onmogelijke stelling. Echter zonder die stelling zou een burger bij overtredingen zich met succes op onbekendheid met de regels kunnen beroepen. Of neem de toedeling van verantwoordelijkheden. Die is gebaseerd op een hiërarchisch model. Naarmate men een hogere positie bekleedt is de verantwoordelijkheid uitgebreider. Zo is dient een minister aanspreekbaar te zijn op alles wat er binnen zijn departement wordt gedaan of nagelaten. Iedere dag weer worden op een willekeurig departement duizenden beslissingen genomen waar een minister onmogelijk kennis van kan dragen. Maar de fictie is functioneel omdat we wensen dat iemand aanspreekbaar dient te zijn wanneer zaken verkeerd lopen. Verantwoordelijkheid dient een gezicht te hebben.

Ficties zijn zo beschouwd de hoekstenen van het overheidsgebouw. Maar die hoekstenen missen stevigheid. Ze kunnen de werkelijkheid niet aan. Heel treffend roept Deleuze, weliswaar in een iets andere context, het beeld op van lekkages. Het overheidsgebouw is lek. Een vluchtige samenleving is, zo stelt Deleuze, als een gas dat telkens weer overal kieren vindt waardoor het kan ontsnappen. Maar we houden het gebouw in stand. We voeren voortdurend reparaties uit. We dichte de gaten. Wanneer we met slimme belastingconstructies te maken krijgen, bedoeld om belastingheffing te ontgaan, dan passen we de regels aan om dergelijke constructies te verbieden waarna er weer nieuwe constructies worden gepresenteerd. We worden steeds weer met gebreken geconfronteerd omdat we de gevangene zijn geworden van onze eigen illusies. Maar liever koesteren we die dan de werkelijkheid onder ogen te zien. We wensen helderheid maar onze blik is vertroebeld. We wensen zekerheid en stellen ons tevreden met schijnzekerheden. Het zijn ficties maar die zijn nodig om het overheidsgebouw overeind te houden. Maar liever koesteren we die schijnwereld dan de illusie ter discussie te stellen.

Het beleidskader is statisch vanwege de eisen die we aan het handelen van de overheid stellen. Burgers in vergelijkbare omstandigheden moeten hetzelfde worden behandeld. Gedane toezeggingen moeten worden gerespecteerd. Overheidsbesluiten moeten bovendien deugdelijk en overtuigend zijn geformuleerd. Dat stelt hoge eisen aan het overheidshandelen. Voortdurend bestaat het risico dat besluiten onderuit worden gehaald in juridische procedures. Er zijn bijvoorbeeld vormfouten gemaakt. Of de motivering overtuigt niet. We streven naar een beleidspraktijk die letterlijk en figuurlijk te mooi is om waar te zijn of ooit waar te worden. Omdat we de illusie blijven koesteren zijn we voortdurend bezig beleidsregels te verfijnen waardoor het perspectief van de overheid steeds verder versmalt. Er wordt steeds meer werkelijkheid als betekenisloos terzijde geschoven. De overheid is er niet ontvankelijk voor of is onmachtig erop te reageren. Nu kan gemakkelijk de vraag rijzen hoe het mogelijk is dat een systeem dat dergelijke gebreken kent niettemin kan overleven. Een belangrijke verklaring daarvoor is dat de overheid beschikt over definitiemacht. Het recht van de overheid is het recht om eigen definities dwingend op te leggen aan de maatschappij. Een gebrekkig systeem kan zo lange tijd in stand blijven. Het systeem is niet in staat tot zelfcorrectie ook al zijn velen overtuigd van de noodzaak daartoe.

Wat is nodig?

Er is al veel geprobeerd. Het overheidsland laat al vele decennia een omvangrijke stroom zien van vernieuwingen en pogingen daartoe. Die hebben deels het karakter van reparaties maar ook is er een lange lijst van voorgestelde innovaties. Er is sprake van andere beleidsinstrumenten, versnelling van procedures, meer, betere en eerdere communicatie met burgers, overheveling van verantwoordelijkheden naar gemeenten, processen van cultuurverandering enz. Al die inspanningen hebben niet de vernieuwing opgeleverd die nodig is. Wat als patroon doorbrekend wordt gepresenteerd blijkt vaak te resulteren in meer-van-hetzelfde. Het zijn veranderingen en herschikkingen BINNEN het beleidssysteem, niet VAN het beleidssysteem. En vernieuwingen die ingrijpender zijn blijken lastig uitvoerbaar omdat ze op gespannen voet staan met geldende regels. Veel voorstellen voor vernieuwing, bijvoorbeeld in de ruimtelijke ordening, lopen vast op het argument dat het juridisch niet mogelijk is. Zo getuigt de nieuwe Omgevingswet van ambities die verder gaan dan de huidige planologische kaders maar de uitvoering ervan blijkt majeure problemen op te roepen. Het risico bestaat dat, bijvoorbeeld uit juridisch oogpunt, aanpassingen nodig zijn die vervolgens ten koste gaan van het innovatieve karakter van de Wet. In uiterste consequentie resteert dat in veranderingen die de onderliggende problemen onverlet laten.

De opgave waar we voor staan is dus zowel ingrijpend als lastig. We moeten de neiging weerstaan te kiezen voor snelle interventies die onderliggende problemen niet oplossen. Daarom is het goed ons vooraf te realiseren wat de aard en omvang is van noodzakelijke veranderingen. Die veranderingsopgave blijkt lastiger te zijn dan wellicht op het eerste gezicht lijkt. We lichten dat als volgt toe.

Allereerst is nodig dat we ons beeld van de werkelijkheid loslaten. Daarvoor is het besef nodig dat we de werkelijkheid hebben gereduceerd tot een geordende, kenbare en regelbare werkelijkheid met uitsluiting als gevolg. Vermijden van uitsluiting van de werkelijkheid betekent dat we ons perspectief moeten verbredend en oog moeten krijgen voor datgene wat we hebben buitengesloten. Deleuze en Latour reiken daartoe beelden aan die ons verder kunnen brengen en op zijn minst aan het denken kunnen zetten.

Deleuze schetst een beeld van de werkelijkheid dat geheel afwijkt van het keurig geordende beeld dat binnen de overheid dominant is. Hij neemt afstand van ordeningen en structuren. Die leiden tot onvolledige en dus onjuiste representaties van de werkelijkheid. Hij schetst een beeld van de werkelijkheid waarin sprake is van onoverzienbaar veel elementen die voortdurend bewegen. Die elementen hebben niet zozeer zelfstandig betekenis maar krijgen hun betekenis in relatie met andere elementen. Er ontstaan assemblages in de terminologie van Deleuze. Maar ook die assemblages bieden weinig houvast. Ze ontstaan en worden vervolgens vervangen door nieuwe assemblages. Denk bijvoorbeeld aan discussies over de milieuproblematiek waarin oorzaken, effecten op de omgeving, regels, opvattingen, gevolgen voor economische bedrijvigheid, toedeling van kosten, partijpolitieke overwegingen, wetenschappelijke inzichten, bevoegdheden, geografische aspecten, verwoording door de pers, enz. over en door elkaar buitelen. De onderlinge relaties tussen al deze elementen kunnen voortdurend veranderen. Een periode van lange droogte kan het beeld veranderen en argumenten versterken of ontkrachten.

Belangrijk in de filosofie van Latour is de relativering van het onderscheid tussen subjecten en objecten. We hebben de neiging objecten te zien als dode materie. Mensen kunnen zaken in beweging brengen waar objecten niet toe in staat zijn. Latour stelt echter dat dit onderscheid geen recht doet aan de werkelijkheid. ook objecten blijken “agency” te hebben, het vermogen tot beïnvloeding. Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Een voorbeeld uit de landbouw. In de vijftiger jaren van de vorige eeuw werd in Nederland de melkmachine geïntroduceerd. Het is een object van o.a. ijzer, rubber. Maar het had enorme werking. Het werd mogelijk veel meer koeien te melken dan met handmelken mogelijk was. Het stelde in staat tot schaalvergroting: meer hectares, meer koeien. Dat vroeg echter aanzienlijke investeringen. Schaalvergroting was nodig om de kostprijs in de hand te houden. Niet iedere boer was daartoe in staat of bereid. Maar de modernisering kon niet worden tegengehouden. Stilstand was achteruitgang. Gevolg was dat kleinere bedrijven moesten stoppen. De grond van de wijkers kwam in handen van de blijvers. Kortom, de komst van de melkmachine (en natuurlijk heel veel andere technologie) veranderde het krachtenveld binnen de landbouw aanzienlijk.

Een dergelijk beeld van de werkelijkheid wijkt ingrijpend af van het beeld dat ten grondslag ligt aan overheidsbeleid. Twee aspecten vallen daarbij op. Allereerst is het beeld pluriform en staat het haaks op de eenduidigheid die thans overheerst. Die pluriformiteit heeft zowel een horizontale component als een verticale. De horizontale component heeft erop betrekking dat we slechts een deel van de werkelijkheid zien. Veel blijft buiten beeld. De verticale component ziet op de gelaagdheid van de werkelijkheid. Deleuze schrijft over plooien. Als we de werkelijkheid ontvouwen toont die zich anders aan ons. Zo kunnen we de landbouw bezien als een economische activiteit: de boer is ondernemer, koeien zijn productiemiddel. De kostprijs is allesbepalend. Maar we kunnen de landbouw ook op niveau van waarden benaderen. Dan krijgen we oog voor welzijn van dieren en voor het beheren van common goods als een goed rentmeester. Ook kunnen we landbouw zien als een ontmoeting met natuurlijkheid. Dat nodigt uit tot spirituele beschouwingen. Anders gezegd, de werkelijkheid kent een gelaagdheid die zich binnen onze structuren tijdens het proces van modernisering aan ons oog heeft onttrokken. Het perspectief van de modernisering was leidend en drukte andere perspectieven opzij.

Zo beschouwd kunnen problemen tussen de systeemwereld van het beleid en de leefwereld van burgers worden omschreven als de spanning tussen een statisch en uniform model dat de confrontatie moet aangaan met een dynamische en meervoudige maatschappij. We hebben rond onze definities een juridische bescherming geconstrueerd. De wettelijk vastgestelde definitie is bepalend. Hoe burgers situaties beleven is hooguit interessant maar in procedures betekenisloos.

De uitdaging is vervolgens een beleidsmodel te ontwerpen dat in staat stelt in te spelen op pluriformiteit en dynamiek. Dat lukt niet door geldende definities te veranderen. Immers, de verandering is permanent. Het helpt niet meer om de ene statische toestand te vervangen door een andere. Tegelijkertijd kunnen we niet zonder ordening. Maar we hebben niet de concepten en vormen voor nieuwe ordeningen. Aanpassing van bestaande vormen helpt niet. Het nieuwe moet worden geconstrueerd. Bestaande definities leiden slechts tot reproductie en doen geen recht aan de vernieuwingsopdracht. We moeten het buitengeslotene gaan verkennen en leren kennen. De wereld dus die niet in onze bestaande concepten en vormen kon worden omvat. In het beeld van Deleuze: we moeten de lekkages van het overheidsgebouw niet dichten maar bestuderen. Het ontsnappende gas toont ons de gaten in onze ontvankelijkheid voor wat maatschappelijk plaatsvindt.

Maar hoe kunnen we die werkelijkheid leren kennen als bestaande concepten juist het probleem hebben veroorzaakt? Daarvoor moeten we oog en oor krijgen voor wat buiten beeld is gebleven. We moeten ons realiseren dat wat we als chaos beleven door onszelf is veroorzaakt. Het vraagt een vrijheid van denken en van betekenisgeving. Het vraagt andere betekenissen. Enkele voorbeelden. Binnen de bestaande context die vooruitgang heeft gebracht is het economische en het daarin heersende denken van efficiency en rationaliteit dominant. Het rationele is kenmerkend. Wat irrationeel is, is daarentegen buitengesloten, juist omdat het irrationeel is. We pakken de klimaatproblemen aan op voorwaarde dat de kosten in de hand worden gehouden. We wensen geen al te grote schade voor onze economie. Door die benadering blijven we een gemankeerd economisch systeem centraal stellen in plaats van juist binnen dat op groei gefundeerd systeem de oorzaken voor milieuproblemen te zoeken.

We moeten dus niet de illusie hebben dat we door middel van rationeel denken het wezen van het irrationele kunnen duiden. We kunnen het hooguit duiden als strijdig met het rationele. We komen niet verder dan het te onderscheiden van het rationele maar daarmee dringen we niet tot het wezen door van wat wij als het irrationeel duiden. Met redeneren kun je niet het niet beredeneerbare opsporen. Deleuze hekelt het gemak waarmee we omgaan met verschillen. Hij pleit ervoor ons in de verschillen te verdiepen en ons niet te beperken tot classificaties ervan. Dat is wat thans gebeurt. Door onze definities scheiden we wat er binnen en wat er buiten valt. Daarmee doen we geen recht aan wat we buitensluiten. We gaan er achteloos me om. We slaan er geen acht op. Het is betekenisloos.

We kunnen ook niet op de wetenschap vertrouwen. In wezen spelen daar dezelfde mechanismen die we ook in beleidsvorming aantreffen. Om wetenschappelijk verantwoord onderzoek te doen dienen we gebruik te maken van in wetenschappelijke kring geaccepteerde methoden. Onderzoek betekent dan dat we te onderzoeken vraagstukken eerst herformuleren zodat methoden kunnen worden toegepast. Het betekent dat we de werkelijkheid vooraf ordenen zodat die op de voorgeschreven wijze kan worden onderzocht. We onderzoeken dus een beeld van de werkelijkheid waarbij we alle werkelijkheid hebben buitengesloten die we methodisch niet in beeld kunnen brengen.

De vraag is dus hoe we ontvankelijk kunnen worden voor het buitengeslotene. Dat vraagt voorstellingvermogen. We moeten oog krijgen voor wat thans buiten beeld blijft. Heel logisch dat steeds vaker de kunst wordt gezien als domein dat daarbij een nuttige rol kan spelen. Kunstenaars redeneren niet maar handelen intuïtief. Men laat zich leiden door inspiratie. Dat sluit aan bij het pleidooi dat we aantreffen bij Michel Serres. Die hekelt de wijze waarop we alles hebben geordend. Hij beschouwt economie, wetenschap, kunt, gezindheidszorg als afzonderlijke eilanden, elk met een eigen kader van ordeningen, regels en procedures. Op de eilanden hebben we alles keurig geregeld maar we zijn tegelijkertijd de onderlinge verbinding tussen deze domeinen kwijtgeraakt.

Onze opdracht is dus een ongebaand pad op te gaan. Kenmerk daarvan is dat we vooraf niet weten wat we zullen aantreffen. En wat we aantreffen kunnen we mogelijk niet duiden met behulp van bestaande begrippen. We kunnen ook geen concrete doelen formuleren. We weten niet waar de weg naar leidt. Het vraagt dus een vrije denkruimte, onbevangenheid en ons losmaken van bestaande kaders. Het vraagt ook durf, het opgeven van zekerheden. We kunnen onderweg niet vertrouwen op de richtingaanwijzers van de eilanden. Het is een tocht in het onbekende. We moeten de ratio opzij zetten en de beleving centraal stellen. Michel Serres kritiseert onze huidige manier van waarnemen. We maken volgens hem maar een zeer gebrekkig gebruik van onze zintuigen. We leven daarom in een gemankeerd beeld van de werkelijkheid.

Een dergelijke tocht heeft het karakter van een expeditie naar het onbekende. Daaruit volgt ook dat we bestaande structuren, procedures en betekenissen achter ons moeten laten. Die dragen het risico dat ze het verleden reproduceren. Ze hebben de neiging het nieuwe door de oude bril te bekijken. Juist daardoor zou ons het zicht worden ontnomen op waar we naar op zoek zijn. Het pleit institutioneel voor een bypass-constructie: een positionering buiten gevestigde beleidskaders met als opdracht een denken en handelen dat “per definitie” afwijkt van het bestaande. We moeten ons ontdoen van het thans geldende betekeniskader. Bestaande concepten en vormen werken hinderend en verhinderend om onze opdracht uit te voeren. Maar dat afstand nemen van bestaande concepten en vormen is lastig, alleen al omdat dit kader de basis vormde voor institutionalisering. Bestaande instituties vormen er de uitdrukking van. Maar die institutionalisering gaat nog een stap verder. Ook processen van betekenisgeving zijn institutioneel vastgelegd. Een nieuw element vormt de groeiende aandacht voor algoritmes. Die kunnen weliswaar bijdragen aan inzicht doordat ze ons bewust maken van patronen in onze betekenisgeving maar ze hebben ook het risico dat ze bestaande denkwijze en daarop gebaseerde handelingspatronen bevestigen en reproduceren. Dat laatste kan de stap naar vernieuwing extra hinderen. Kort en goed, het bestaande betekeniskader verdringen is nog niet zo eenvouding. Maar de beloning mag er zijn. We krijgen oog en oor voor wat mensen beweegt, voor wat mensen inspireert. Door heen te breken door bestaande belangenstructuren kunnen we zicht krijgen op onderliggende waarden. Waarden inspireren, belangen doen dat zelden of nooit.


Literatuur

Deleuze Gilles, Denken in plooien geschikt, KOK Agora, 1992

Deleuze, Gilles, Verschil en herhaling, Boom, 2012

Deleuze, Gilles en Guattari, Felix, Rizoom, Uitgever: Rizoom, 1988

Latour, Bruno, Reassembling the Social: An Introduction to Actor-Network-Theory, Oxford University Press, 2007

Latour, Bruno en Serres, Michel, Conversations on Science, Culture and Time, University of Michigan Press, 1995

Serres Michel, Les Cinq Sens, Hachette Litterature, 1998

Wagemans, Mathieu, Een Oceaan van Betekenisloosheid, een kritische analyse van beleid, politiek en wetenschap met een verwijzing naar de filosofie van Michels Serres, Digitalis, 2016


***********************************************************


Op 20 juni 2019 plaatste Dagblad de Limburger onderstaande opiniebijdrage

Integriteit is een gevoel

(gepubliceerd in de Limburger van 23 juli 2019)


Het onderzoek van journalisten Dohmen en Sniekers naar praktijken in de top van de Limburgse politiek levert voor de één schokkende resultaten op en anderen zullen wellicht niet verbaasd zijn. Zij zien hun beeld bevestigd van een provinciaal politiek en bestuurlijk systeem dat kenmerken heeft van interne verrotting. Hoe dan ook blijft de vraag hoe dit soort praktijken zo lang kunnen doorgaan. En vooral ook hoe diezelfde praktijken door betrokkenen als vanzelfsprekend worden ervaren. Het getuigt van een cultuur waarin beginselen van behoorlijk bestuur terzijde worden geschoven en moeten wijken voor een beginsel van onbehoorlijk bestuur: onderlinge sympathie. Wie goede relaties onderhoudt en zich niet kritisch opstelt, krijgt voor elkaar wat anderen niet lukt. Een dergelijke cultuur bevordert zelfbevestiging. Het is een voedingsbron voor geestelijke inteelt. Men blijft doen wat gebruikelijk is en zo reproduceert men praktijken en in wezen ook zichzelf. Men demonstreert dat vriendschap het noodzakelijk maakt telkens weer door vriendendiensten te worden bevestigd. Niets voor niets, ook vriendschap niet.


Dat gebeurt in een tijd dat vragen rond integriteit in het openbaar bestuur centraal zijn komen te staan. Gouverneur Bovens wijst gemeenten op het belang van integriteit. Tegelijkertijd keurt hijzelf praktijken die daarmee in strijd zijn niet alleen goed maar hij neemt er zelf actief aan deel. Hij benoemt bevriende personen om daarmee advertentiekosten te besparen. De dubbelheid regeert. En als goedpraterij niet meer helpt en er rumoer ontstaat, buigt men deemoedig het hoofd en zegt ervan te hebben geleerd.


Het gebeurde toont aan dat integriteit niet kan worden geregeld op de traditionele wijze. Die houdt in dat regels worden aangescherpt. We gaan integriteit nog preciezer definiëren. We maken er een juridisch en bureaucratisch begrip van. En juist daarom blijft het fout gaan. Regels bieden verschuilmogelijkheid: zolang je je aan de regels houdt handel je integer. Hoe gedetailleerder de regels, des te meer ruimte is er voor interpretatie. Helderheid wordt vervangen door gedetailleerdheid. We zien over het hoofd dat de betekenis van een definitie vaak niet zozeer gelegen is in wat de definitie omvat maar juist in wat wordt buitengesloten. Zolang praktijken niet ondubbelzinnig onder de definitie vallen kan iemand niet worden verweten niet-integer te hebben gehandeld. Kortom, een juridische context is niet zo geschikt voor een basiswaarde als integriteit. Dan kan amoreel gedrag door gewiekst geredeneer worden gelegitimeerd.  


Maar is er een alternatief voor regels? Uitgangspunt daarbij zou moeten zijn dat integriteit als waarde moet worden beleefd. Integer handelen veronderstelt integer zijn als persoon. Integriteit leent zich niet voor geredeneer, juridische ontwijkmogelijkheden en handigheidjes. Integriteit is eerder een gevoel. Ook zonder definities voelt men doorgaans heel goed aan of een handeling eerlijk is of niet. Daar is geen juridische kennis voor nodig. Daarop voortbordurend valt te overwegen om ontmoetingen te organiseren waarin diegenen die aantonen moeite te hebben met integriteit in contact worden gebracht met mensen die integriteit beleven als een basiswaarde binnen onze samenleving. Laat bijvoorbeeld mensen die vrijwilligerswerk doen vertellen over hun drijfveren en inspiratiebronnen om de samenleving van dienst te zijn zonder daar enige tegenprestatie voor te vragen. Laat hen vragen stellen aan oud-bestuurders. Hoe zij voor zichzelf kunnen verantwoorden dat zij ondanks riante pensioenen en aanzienlijke overige inkomsten meer dan duizend euro per dag vragen voor vriendendiensten. Hoe ze zich ook nog eens dubbel laten betalen. Laat mensen met een bijstandsuitkering hun verhaal vertellen over hoe zij dagelijks creatief moeten zijn om de eindjes aan elkaar te knopen. Laat bestuurders aan hen verantwoording afleggen over de vraag waarom zij tegelijkertijd zo ruim met vergoedingen omspringen voor vrinden die voor bijverdiensten het tienvoudige van een bijstandsinkomen krijgen. En stuur bestuurders die het daarna toch nog niet willen begrijpen heen. Zonder geweten handel je immers gewetenloos.   



Mathieu Wagemans is Raadslid in de Limburgse gemeente Leudal


*****************************************************

Koester de verschillen

Politiek roept bij veel burgers vaak (in de ene gemeente meer dan in de andere) het beeld op van conflicten en onenigheid. En een opeenvolging van stevige discussies wordt al gauw geïnterpreteerd als beroerde verhoudingen tussen partijen en personen. Soms is dat terecht, vaak ook niet.

Er is ook een andere kijk denkbaar. Die houdt in dat verschillen van opvatting juist de kern raken van ons politieke systeem. Burgers hebben er belang bij dat besluiten worden genomen nadat voor- en nadelen helder op tafel zijn gekomen. Dat is nog altijd heel wat beter dan wanneer we in een dictatuur zouden leven waar zelfs het uiten van afwijkende opvattingen als kritiek op de leiding wordt opgevat en reden kan zijn te worden opgepakt. Wij hechten aan vrijheid van meningsuiting maar dat is nog geen reden politieke praktijken daarmee recht te praten. Er is alle reden om kritisch de vraag te stellen hoe we met verschillen omgaan. Hoe vaak komt het bijvoorbeeld niet voor dat politici zich niet door eigen overtuigingen laten leiden, enkel en alleen omdat men eensgezindheid wil uitstralen en het partijbelang vooropstaat. Men wil het beeld naar buiten wil vestigen dat coalitiepartijen voorbeeldig samenwerken. De mooie vlag moet dan soms de modderschuit aan het gezicht onttrekken. Of men vergeet al te makkelijk wat men bij de verkiezingen heeft beloofd om zo de lieve vrede te bewaren. Of men sluit met groot gemak compromissen omdat men de eigen positie als minister of wethouder niet in gevaar wil brengen. Dat zijn voorbeelden waarbij men al te makkelijk verschillen toedekt.

De Franse filosoof Gilles Deleuze heeft zich intens beziggehouden met verschillen. Hij is van mening dat we verschillen veel te makkelijk toedekken. Sterker nog, verschillen zijn van grote waarde omdat we ons daarmee onderscheiden van anderen. Hij hekelt de praktijk waarin we telkens weer worden opgeroepen verschillen terzijde te schuiven omdat het zo belangrijk is het eens te worden met elkaar. Die roep om eenheid vindt hij verkeerd en armoedig. Compromissen hebben als kenmerk dat ze een situatie draaglijk maken zodat we de onderliggende verschillen niet langer serieus hoeven te nemen. Al te makkelijk worden verschillen gedetecteerd. We halen er de lont uit en ontkrachten ze zodat we verder kunnen leven in een sfeer van rust. We redeneren ze weg. Maar die rust is schijn, de onderliggende problemen worden ontkend. Ze komen niet aan bod maar woekeren ondergronds verder. Verschillen, zo stelt Deleuze, kunnen daarentegen ook bron zijn van energie en creativiteit. Daarvoor is nodig dat we verschillen in het gezicht kijken, ze onderzoeken. Hij keert zich tegen de meegaandheid die slechts tot oppervlakkigheid leidt.

Die zucht naar harmonisatie heeft dus zo zijn nadelen. We proberen alle verschillen in uniforme regels te vatten. Zo hebben we verantwoordelijkheden binnen de overheid uiterst precies en gedetailleerd geregeld. Als er bij rampen iets misgaat verfijnen we de regels nog verder. Persoonlijke verantwoordelijkheid is daarmee verdwenen. Het wordt een kwestie van de protocollen volgen zodat je niet aanspreekbaar bent op fouten. Die protocollen bieden volop gelegenheid om je achter te verschuilen. Of neem integriteit. We stellen allerlei regels op in de veronderstelling dat we daardoor integer handelen. Zolang je je aan die formele regels houdt ben je vrijgepleit. De laatste tijd hebben we voldoende voorbeelden kunnen zien van wat je legaal stelen zou kunnen noemen. Voorbeelden van persoonlijke verrijking die binnen de regels is toegestaan. Verantwoordelijkheid, gerechtigheid en strafbaarheid zijn dan een kwestie geworden van slim geredeneer. We hebben een schijnwereld geschapen waarin alles uniform is geregeld, althans op papier. Wordt het niet tijd dat we die schijnwereld doorprikken, erkennen en respecteren dat we over belangrijke zaken verschillend kunnen denken, daarvoor de ruimte scheppen en niet langer problemen van fundamentele aard “weg” regelen?

Thieu Wagemans is Raadslid in Leudal         

************************************


Opinie Dagblad Trouw 19 juni 2019

Hogere prijzen alleen gaan de boer niet helpen

OPINIE

Mathieu Wagemans– 13:43, 18 juni 2019

© ANPOPINIE

Op de dag dat minister Schouten pleit voor verhoging van de prijs van voedsel ten gunste van boeren, meldt Trouw dat voedsel het afgelopen jaar 3,8 procent duurder is geworden. Probleem opgelost, kan men denken. Dat zou echter een ernstige misvatting zijn, meent Mathieu Wagemans, landbouweconoom en gemeenteraadslid in Leudal.

De aanleiding van Schoutens pleidooi is overtuigend. Boeren zijn gedwongen tegen een alsmaar lagere kostprijs te produceren. Ze moeten steeds meer rekening houden met omstandigheden waaronder het voedsel wordt geproduceerd. Overheidsregels ter verhoging van duurzaamheid en beperking van negatieve effecten op de omgeving kosten geld. Dat heeft gevolgen voor de kostprijs en hun internationale concurrentiepositie. Ze kunnen die kosten nu slechts terugverdienen door schaalvergroting. Boeren zitten in een dwingend proces van modernisering. Dat is met zichzelf op de loop gegaan

Het voorstel van de minister is sympathiek, maar in dat kader ook oppervlakkig. Verhoging van de prijzen zal niet helpen wanneer er sprake blijft van een zwakke positie van voedselproducenten in de keten. De macht ligt bij de handel, de verwerking en supermarkten. Zolang de positie van boeren zwak blijft, zal het voordeel van hogere prijzen in de vaak toch al goedgevulde zakken verdwijnen van grote en internationaal opererende bedrijven in handel en verwerking.

Bovendien kan de Nederlandse voedselmarkt nauwelijks worden afgeschermd van de buitenwereld. De handel is internationaal en binnen de EU gelden strenge regels voor vrij verkeer van producten en diensten.

Gespannen voet

Een blijvende en structurele verbetering cirkelt rond de vraag op welke wijze we in een hoogmoderne samenleving ons voedsel willen produceren en wie daarvoor de prijs betaalt. Dat betekent een ingrijpende herschikking. Allereerst betreft dat de positie van boeren in de voedselketen. En er is een principiëler probleem, dat te maken heeft met de twee functies die de landbouw vervult: die produceert voedsel en is tegelijkertijd beheerder van het buitengebied. Die functies staan nu op gespannen voet met elkaar.

Voedselproductie wordt opgevat als een economische activiteit. In dat systeem betekent zorg voor natuur en milieu vaak een extra kostenpost. Verwaarlozing van milieueffecten of sjoemelen met regels betekent daarentegen besparing. Milieumaatregelen moeten worden terugverdiend in een economisch systeem dat juist oorzaak is van de milieuproblemen.

Noodzakelijk is dat beide functies van de landbouw worden geïntegreerd. Dat vraagt een ander verdienmodel waarin de zorg voor de omgeving inkomsten oplevert. In dat model moet sprake zijn van een herschikking van verantwoordelijkheden. Het huidige economisch systeem is niet zelfcorrigerend. Telkens weer moet de overheid door regelgeving corrigerend optreden.

Dat nieuwe verdienmodel is niet realiseerbaar op mondiaal niveau. Sterker nog, veronachtzaming van natuur en milieu betekent nu een concurrentievoordeel ten opzichte van landen waar wel strenge eisen gelden.

Dat pleit voor regionalisering van de landbouw. Een landbouw waarin we ons niet langer laten leiden door alsmaar verdere rationalisatie, door nog meer aardappels per hectare en meer biggen per zeug.

En ja, dat betekent ook hogere kosten. Daar staat tegenover dat een duurzaam producerende landbouw veel kosten en regels overbodig maakt. Door het terugdringen van de internationalisering en overdracht van verantwoordelijkheden naar regio’s, zowel voor de voedselproductie als voor het beheer van de omgeving, kunnen op regionaal en lokaal niveau kringlopen worden gesloten.

En we kunnen het dan zo organiseren dat burgers zeggenschap krijgen over hoe hun voedsel wordt geproduceerd.


**********************************

Wetenschap als beschermer van illusies in beleid en rechtspraak. Een pleidooi voor vernieuwing van de wetenschap


in: Civis Mundi Digitaal #82 april 2019

door Mathieu Wagemans


1. Inleiding

De betekenis van de wetenschap kan nauwelijks ter discussie staan. De enorme vooruitgang op tal van gebieden was niet mogelijk geweest zonder de resultaten van wetenschappelijk onderzoek. Ze maakten het leven aangenamer. Zware arbeid werd overgenomen door machines. De gezondheidszorg verbeterde. We kunnen ons betrekkelijk gemakkelijk en comfortabel over de hele wereld bewegen. Onze communicatiemogelijkheden zijn ongekend. Maar de betekenis van de wetenschap gaat verder. De Verlichting wordt gezien als de omslag waarbij de mens zich ontworstelde aan vaststaande gezagsstructuren, zowel wereldlijk als kerkelijk. Afhankelijkheden werden niet meer als vanzelfsprekend geaccepteerd. De mens kreeg een onafhankelijke positie ten opzichte van de werkelijkheid. Die was niet langer vaststaand en gegeven maar kon worden verkend en gemanipuleerd. Er ontstond ruimte voor ontdekkingen. Het Antropoceen begon.

Natuurlijk behoeft dat beeld van algehele vooruitgang bijstelling. Traditionele structuren zoals van de kerk behielden nog lange tijd hun invloed. Verder profiteerde lang niet iedereen ervan. De voordelen kwamen aanvankelijk vooral ten goede van een elite. Sterker nog, de industrialisatie bracht voor velen nieuwe afhankelijkheden met zich mee. Pas aan het begin van de twintigste eeuw kwamen bijvoorbeeld maatregelen tot stand die een eind moesten maken aan de ergste misstanden op sociaal terrein die deels juist waren veroorzaakt door modernisering van de economie.

Kritiek had ook betrekking op de wijze waarop gebruik werd gemaakt van de resultaten van de wetenschap. Er was daarbij sprake van een eenzijdige oriëntatie. Rationalisatie stond centraal. De traagheid van ambachtelijkheid werd vervangen door de zucht naar snelheid en efficiency. Tijd was geld. We construeerden organisaties op basis van efficiency. Modernisering was gebaseerd op tijdsbesparing. We pasten de maatschappij op institutioneel terrein aan zodat en opdat we gebruik konden maken van de verworvenheden van nieuwe technologie. Daartoe was het nodig ambachtelijke productieprocessen waarin producten nog het stempel van de maker hadden, te vervangen door gestroomlijnde processen waarbij de producten niet meer van elkaar konden worden onderscheiden. Standaardisatie leidde tot eenheidsworst. De hand van de maker is niet meer te herkennen. Van de Wal noemt standaardisatie als een van de kenmerken van de modernisering. Tegelijkertijd veranderde de schaal waarop werd geproduceerd. Machines maken geen onderscheid tussen zon- en werkdagen. Je zou kunnen zeggen dat de productie anoniem werd.

Maar die anonimiteit betekende niet dat de nieuwe technologie een neutraal instrument was. Nieuwe technologie stelde eisen. De werkelijkheid moest worden aangepast aan de eisen van de nieuwe technologie omdat de voordelen ervan anders niet konden worden benut. Latour ontwikkelde later de Actor Netwerk Theorie waarin centraal stond dat ook objecten zoals technologie kunnen worden opgevat als actoren die invloed en dus “agency” kunnen hebben. De modernisering van de landbouw is een treffend voorbeeld. De voordelen van moderne machines konden niet goed worden benut op kleine percelen in een gevarieerd landschap maar vroegen grote en rechte percelen. En dus werd het platteland via ruilverkavelingen opnieuw ingericht naar de wensen van de nieuwe technologie.

Kritiek was er ook op de eenzijdige oriëntatie van de modernisering. Rationalisatie stond centraal. Het doel-middel-denken werd dominant of zoals Weber stelde: de instrumentele rationaliteit drukte onderliggende waarden terzijde. Die moesten wijken voor economisch gewin. Ze werden overvleugeld door de zucht naar alsmaar rationeler denken en handelen. Er was geen oog voor het niet-rationele. De ordeningen werden dominant. Onze zucht naar ordening is zo sterk en allesoverheersend dat we alles wat niet in onze ordeningen past buitensluiten. We sluiten er onze ogen voor. We kunnen en willen niet omgaan met wat zich niet laat ordenen. Het ongeordende verstoort onze droom. We ontwikkelden organisatievormen die het mogelijk maakten optimaal gebruik te maken van nieuwe vindingen. Nieuwe productiemethoden vroegen ook nieuwe kennis. We splitsten productieprocessen op in deelfasen en regelden dat in iedere deelfase de vereiste kennis aanwezig was. Specialisatie werd belangrijk. De combinatie van specialisatie en standaardisatie was het meest zichtbaar aan de lopende band. Werk werd geestdodend. Dat leidde tot andere verhoudingen. De oorspronkelijke kleinschalige cultuur van ambachtelijkheid werd vervangen door grootschalige productie-eenheden. Alles en iedereen werd ondergeschikt gemaakt aan verhoging van de productiviteit. Technologie werd van instrument regisseur en de ambachtslieden van voorheen werden aan de lopende band tot instrument. De economie en de daarop gebaseerde ordeningen werden dominant. Dat was van invloed op de positie en rol van medewerkers. Men werd actor in een economisch georiënteerd kader. De functie werd belangrijker dan de persoon die de functie uitoefende. Organisatievormen werden bron van vervreemding. De mens werd instrument binnen grootschalige organisatorische verbanden. Hij vervreemde van zichzelf.

Maar ook ontstond aan het begin van de twintigste eeuw kritiek op de wetenschapsbeoefening en de claims van de wetenschap zelf. Leidde wetenschappelijk onderzoek inderdaad tot ware kennis? Wittgenstein toonde zich kritisch over de rol van taal. Die blijkt minder logisch te zijn dan verondersteld wat zijn invloed heeft op resultaten van wetenschappelijk onderzoek. Popper stelde de vraag ter discussie of we wel in staat zijn door wetenschappelijk onderzoek tot ware kennis te komen. We moeten proberen verkregen kennis te falsifiëren. Lukt dat niet dan is weliswaar de kans groter dat we dichter bij ware kennis zijn gekomen maar absolute waarheid is niet bereikbaar. Feyerabend stelde vraagtekens bij de wetenschappelijke methoden. Die hebben hun beperkingen om de pluriforme werkelijkheid te leren begrijpen. Deze filosofen roepen allen op tot bescheidenheid als het gaat om de pretenties van de wetenschap.

Doel van dit essay is op basis van praktijkervaringen in beleid en politiek het wetenschappelijk proces en de functie en positie van de wetenschap kritisch te bezien. We willen vanuit het perspectief van het constructivisme een ander licht werpen op de relatie tussen wetenschap en maatschappij. Daarbij gaan we eerst in op de wetenschapsbeoefening zelf en de positie ervan in maatschappelijk verband. We richten daarbij de aandacht op overheidsbeleid en rechtspraak. Dat mondt uit in enkele kritische conclusies. Vervolgens komt aan de orde hoe het staat met het vernieuwend vermogen van de wetenschap zelf. Daarbij zullen we de aandacht richten op enkele institutionele krachten binnen het wetenschappelijk domein. Aansluitend komt de vraag aan de orde welke veranderingen nodig zijn en hoe we die veranderingen kunnen realiseren. We beginnen in de volgende paragraaf door eerst enkele wezenskenmerken van het constructivisme te duiden.


2. Constructivisme

In de ontologie staat de basisvraag centraal wat we verstaan onder de werkelijkheid. Welke opvatting hebben we over de werkelijkheid? Die vraag kan menigeen overbodig achten. Wat de werkelijkheid is, is toch helder, zo zou men kunnen stellen. Met behulp van onze zintuigen kunnen we immers de werkelijkheid zien, voelen, ruiken en horen. Maar daar valt meer over te zeggen. We hebben allemaal de nodige ervaringen waarbij een bepaalde situatie of gebeurtenis door verschillende mensen heel uiteenlopend kan worden beschreven en gewaardeerd. We kunnen er verschillende betekenissen aan toekennen. Binnen het constructivisme staat die betekenisverlening centraal. Kort gezegd komt het erop neer dat de betekenis die de werkelijkheid voor ons heeft afhankelijk is van de betekenis die we er zelf aan toekennen. Die betekenissen zijn geen onderdeel van de werkelijkheid maar die zitten in onszelf. We maken een voorstelling van de wereld, een afbeelding en houden die voor “de” wereld. De wereld verschijnt aan ons afhankelijk van het beeld dat we ons van de wereld vormen. Dat beeld is voor ons zo vanzelfsprekend dat het verschil tussen werkelijkheid en beeld wegvallen. We realiseren ons in de praktijk van alledag niet dat het een afbeelding is.

Dat perspectief wijkt nogal af van de overtuiging dat we in staat zijn de werkelijkheid objectief te onderzoeken. De scheiding tussen subject en object die in de filosofie van Descartes centraal staat, wordt dan losgelaten. De waarneming van de werkelijkheid is subject-gebonden.

Het vermogen van de mens tot betekenisgeving is niet slechts methodisch van belang. Het kan worden gezien als het wezen van de mens. Daardoor onderscheidt de mens zich van andere levende wezens en van de dode werkelijkheid om hem heen. Pico della Mirandola noemt betekenisgeving de kern van de menselijke waardigheid. De mens is vrij zijn leven in te richten naar wat voor hem betekenisvol is. Maar hoe groot is die vrijheid? We worden geboren in een mentaal voorgeprogrammeerde wereld. Er is sprake van routines en voorgeschreven handelingspatronen. Daar ligt een betekeniskader aan ten grondslag, ook al zijn we ons daarvan doorgaans nauwelijks bewust. Er is sprake van vanzelfsprekendheden. Je zou kunnen stellen dat die vanzelfsprekendheden voor een belangrijk deel onze identiteit bepalen. Het andere deel van de identiteit is het bewuste deel. We worden onszelf en onderscheiden ons bewust van anderen.

Dat kan de indruk wekken dat we iedere handeling bewust vooraf laten gaan door betekenisverlening. Echter, in de praktijk van alledag is daar doorgaans geen sprake van. We handelen routinematig. We zijn ons doorgaans nauwelijks bewust van de onderliggende betekenis die we aan situaties of personen toekennen. Aan iedere handeling gaat geen bewust doorlopen proces van waarneming en afweging vooraf. Wanneer we bijvoorbeeld aan het verkeer deelnemen handelen we voor een belangrijk deel voorgeprogrammeerd. Op basis van ervaringen weten we hoe we situaties moeten inschatten. Ook is het proces van betekenisgeving veel minder rationeel van aard. We laten ons voor een belangrijk deel leiden door gevoelens, bijvoorbeeld hoe we een concert ervaren. Een stap verder dan de vraag welke betekenis we toekennen aan een situatie of gebeurtenis is de vraag naar processen van betekenisgeving. Wat is kenmerkend voor de wijze waarop die processen bij iemand verlopen? Wat is daarop van invloed? Gelet op het belang van betekenisgeving als onderliggend mechanisme voor ons denken en handelen is er alle aanleiding ons in die processen te verdiepen. We concentreren ons daarbij, gelet op het onderwerp van dit essay, op de processen van betekenisgeving binnen wetenschappelijk onderzoek.


3. Betekenisgeving in wetenschappelijk onderzoek

Wat kunnen we zeggen over hoe onderzoekers betekenis geven? We maken daarbij een onderscheid tussen exacte en sociale wetenschappen en gaan daarbij in op de waarneming, het waarheidsbegrip en de toetsing waarna we concluderend afsluiten.

- Onderscheid tussen exacte en sociale wetenschappen

Veelal wordt er bij de aanpak van wetenschappelijk onderzoek een onderscheid gemaakt tussen exacte wetenschappen zoals natuurkunde en de sociale wetenschappen. Dat onderscheid is terug te voeren tot de opvatting dat de natuur, in tegenstelling tot mensen, niet over het vermogen beschikt tot betekenisgeving. De fysieke omgeving zou zich daarom objectief laten onderzoeken. We nemen processen waar en proberen tot inzicht te komen. We willen de processen begrijpen, de dynamiek van een natuurlijk systeem kenen. Dat ligt anders bij sociologisch onderzoek. Mensen zijn in staat tot betekenisgeving. Wanneer we menselijk gedrag bestuderen, dan kunnen we slechts tot inzicht komen door aandacht te geven aan de betekenisgeving die eraan ten grondslag ligt. Er is bij sociaal onderzoek sprake van een dubbele hermeneutiek: om te kunnen begrijpen hoe mensen handelen geeft de onderzoeker betekenis aan betekenisgeving door actoren.

- Waarneming

De keuze voor een constructivistisch perspectief geldt ook voor de onderzoeker: welke betekenis geeft hij aan de werkelijkheid? Wat is het betekeniskader waarbinnen het onderzoek wordt uitgevoerd? Dat houdt in dat een zuiver objectieve waarneming van de werkelijkheid niet mogelijk is. Onze waarneming wordt beïnvloed door ons betekeniskader en dat is tot stand gekomen en beïnvloed door bijvoorbeeld opvoeding, opleiding, ervaringen onze persoonlijkheid en omgevingsfactoren. Op basis daarvan vormen we ons beelden van de werkelijkheid die zo krachtig zijn dat het onderscheid tussen beeld en werkelijkheid wegvalt. De constructie die we van de wereld maken valt samen met de wereld zelf.

- Waarheidsbegrip

Aan wetenschappelijk onderzoek stellen we eisen. Uitkomsten moeten correct zijn. We moeten erop kunnen vertrouwen. Sterker nog, dat vertrouwen is de basis waarom we zo vaak een beroep doen op de wetenschap. Dat alles stelt eisen aan het onderzoek. We willen dat de resultaten van onderzoek eenduidig zijn en we willen dat ze objectief zijn.

- Eenduidigheid

Eenduidigheid is nodig. We willen zekere kennis. Maar die is lastig te bereiken vanuit het perspectief van het constructivisme. Dat perspectief stelt immers dat de werkelijkheid niet eenduidig en vaststaand is maar heel uiteenlopende betekenis kan krijgen, afhankelijk van de betekenis die we eraan geven. Desondanks houden we de eisen overeind. We willen heldere en onbetwistbare conclusies en aanbevelingen. Sterker nog, de hulp van de wetenschap wordt juist ingeroepen om eenduidige helderheid te verschaffen en dus de veelkleurige werkelijkheid terug te brengen tot eenduidige maatregelen. Of zoals van der Wal stelt: “Alles staat in het teken van het streven naar een exacte bepaling der dingen, naar het geven van ondubbelzinnige antwoorden op vragen en eenduidige oplossingen voor problemen, naar het leveren van dwingende verklaringen.”

- Objectiviteit

Die is eveneens lastig te bereiken vanuit het constructivisme. Betekenissen zijn niet in de werkelijkheid aan te treffen maar die worden toegekend aan de werkelijkheid. Dat betekent “per definitie” een stevige en onlosmakelijke verbinding tussen betekenisgevend subject en de werkelijkheid.

Niettemin houden we de beide eisen van eenduidigheid en objectiviteit in stand. Hoe gaan we daarmee om? Onderzoekers beginnen doorgaans met een herformulering van de onderzoekopdracht. Die herformulering heeft tot doel tot een onderzoekopzet te komen met behulp van breed geaccepteerde onderzoekmethoden. We reduceren de werkelijkheid zodanig dat we aan de eisen kunnen voldoen. We zullen dat toelichten aan de hand van een voorbeeld.

Stel dat we de opdracht krijgen te onderzoeken hoe het gesteld is met de verkeersveiligheid in een wijk. De opdrachtgever verwacht eenduidige conclusies en daarop gebaseerde praktische aanbevelingen. Niet zelden is er sprake van teleurstelling in beleidskringen wanneer wetenschappelijk onderzoek ons niet verder helpt, bijvoorbeeld omdat de problematiek complexer is dan gedacht of resultaten zo genuanceerd zijn dat ze ons niet verder helpen in concrete situaties. Een onderzoek over verkeersveiligheid levert al meteen de vraag op wat we onder verkeersveiligheid verstaan. Wanneer noemen we een wijk veilig uit verkeersoogpunt? Om tot concrete en onweerlegbare conclusies te komen is het nodig dat we zodanige definities hanteren dat we de verkeersveiligheid kunnen meten. Bijvoorbeeld door na te gaan hoeveel verkeersovertredingen hebben plaatsgevonden. Hoeveel ongelukken zijn gebeurd? Bij hoeveel incidenten was er enkel materiele schade? Hoeveel met lichamelijk letsel? Hoeveel met dodelijke afloop? We kunnen verder concreet formuleren hoeveel uitzicht een weggebruiker moet hebben op een kruispunt. Welke eisen stellen we aan een weg waar de maximaal toegestane snelheid 50 km per uur is? We maken de werkelijkheid meetbaar. Vervolgens verzamelen we informatie waarna we in staat zijn tot eenduidige conclusies te komen. Zo beantwoorden we aan het verwachtingspatroon dat onderzoek ons definitieve gegevens oplevert. Maar die zekerheid heeft een prijs. Door de werkelijkheid te modelleren naar onze onderzoekopzet sluiten we werkelijkheid buiten. We passen de werkelijkheid aan opdat we tot zekere kennis kunnen komen. We reduceren de veelkleurige werkelijkheid tot een eenduidige werkelijkheid die ons tot exacte conclusies in staat stelt. Terwijl een veelkleurige en multi-interpretabele werkelijkheid het lastig maakt als definitief aambeeld te functioneren en een helder onderscheid te maken tussen waar en onwaar, betekent de gereduceerde werkelijkheid dat we dat probleem kunnen ontgaan. Sterker nog, de reductie tot een eenduidige werkelijkheid was juist bedoeld om het onderscheid tussen waar en onwaar te kunnen maken. Vervolgens gaan we gegevens verzamelen die we vergelijken met de opgestelde normen waarna we conclusies trekken.

Wat gebeurt is dat we de werkelijkheid definiëren. We vragen exactheid. Heel nauwkeurig worden begrippen bepaald. Wat verstaan we onder verkeersveiligheid? Wanneer is een situatie verkeersveilig? We reduceren de te onderzoeken werkelijkheid door definities tot een werkelijkheid die ons in staat stelt zekere uitspraken te doen op basis van onderzoek. Wanneer we willen weten hoe veilig onze samenleving is, onderscheiden we een aantal categorieën van strafbare feiten. We maken een onderscheid tussen bijvoorbeeld misdrijven, lichte overtredingen enz. Die strafbare feiten preciseren we vervolgens. Verkeersovertredingen kunnen al of niet negatieve gevolgen hebben voor anderen. Ze veroorzaken al of niet materiele schade. Er kan al of niet sprake zijn van lichamelijk letsel, al of niet met dodelijke afloop.

- Toetsing

Het constructivistisch perspectief mag dan vragen oproepen met betrekking tot de waarheidsclaim maar, zo zou men kunnen stellen, het is nog altijd zo dat wetenschappelijk onderzoek aan eisen moet voldoen. Niet ieder onderzoek krijgt de kwalificatie “wetenschappelijk”. Dat zou toch bepaalde waarborgen moeten bieden met betrekking tot de kwaliteit van onderzoekresultaten en onterechte claims kunnen ontmaskeren. Aanleiding dus om de toetsing van onderzoek uit oogpunt van de wetenschappelijke kwaliteit ervan van nabij bekijken.

Om de kwaliteit van wetenschappelijk onderzoek te beoordelen hebben we, algemeen gesteld, twee benaderingen. Een benadering is de kwaliteit van onderliggende redeneringen. Aanpak, analyses en conclusies moeten logisch tot stand komen. Maar over de vraag naar de logica van de opzet en uitvoering van een onderzoek kan men gemakkelijk van mening verschillen, ook binnen de wetenschap zelf zoals herhaaldelijk blijkt. Er zijn geen harde en concrete meetpunten die in staat stellen een scherp onderscheid te maken tussen logische en niet-logische redeneringen. Er bestaat altijd ruimte voor uiteenlopende interpretaties. In wezen is sprake van intersubjectieve overeenstemming binnen het wetenschappelijk forum. Logica en systematiek van aanpak zijn rekbare begrippen die interpretatie vragen.

De tweede benadering om vast te stellen of onderzoekresultaten al of niet terecht de kwalificatie “wetenschappelijk” verdienen houdt in dat we de resultaten van een onderzoek toetsen aan de praktijk. Conclusies moeten door de praktijk worden bevestigd. Maar ook die toetsing roept vanuit een constructivistisch perspectief vragen op. Laten we het hypothetisch-deductief model als voorbeeld nemen. Een gebruikelijke opzet voor wetenschappelijk onderzoek is dat we een hypothese formuleren die toetsbaar is. Blijkt uit die toets dat het verband tussen variabelen zoals dat in de hypothese wordt beschreven, wordt bevestigd dan concluderen we dat we tot inzicht zijn gekomen. Echter, bevestiging van een hypothese betekent nog niet automatisch dat het aangetoonde verband tussen twee of meer variabelen verloopt zoals in de hypothese verondersteld. Het blijft een veronderstelling over een mogelijk verloop maar bevestiging van een verondersteld verband betekent nog geen zekerheid met betrekking tot de juistheid van de hypothese. We kunnen op basis van veronderstelde processen beredeneren dat een bepaalde hoeveelheid kunstmest van een bepaalde samenstelling bij toediening in een bepaalde fase van de ontwikkeling van een plant bij bepaalde weersomstandigheden de productie vergroot. We kunnen een theorie formuleren dat een bepaalde kunstmestmix chemische processen op gang brengt en stimuleert waardoor een plant sneller groeit. Maar bevestiging van die hypothese, bijvoorbeeld door laboratoriumproeven, wil nog niet zeggen dat de veronderstelde processen zoals die in de hypothese zijn geformuleerd, worden bevestigd. Een hypothese kan worden opgevat als een constructie, een beeld van de werkelijkheid en hoe die functioneert.


4. Conclusie met betrekking tot de waarheidsclaim van de wetenschap

De eisen die we stellen aan wetenschappelijkheid en de criteria aan de hand waarvan we wetenschappelijkheid beoordelen betekenen in wezen dat we de werkelijkheid reduceren op een zodanige wijze dat we aan de eisen kunnen voldoen. Die eisen vinden hun neerslag in methoden die geacht worden wetenschappelijke kennis voort te brengen. Maar om die methoden toe te passen modelleren we de maatschappelijke werkelijkheid tot een werkelijkheid die methodisch kan worden onderzocht. Dat is een merkwaardige paradox. We willen inzicht krijgen in de werkelijkheid maar om de werkelijkheid op een verantwoorde wijze te onderzoeken passen we de werkelijkheid eerst zodanig aan dat we onze methoden kunnen inzetten. We vormen een zodanig beeld van de werkelijkheid dat we tot eenduidige en objectieve conclusies kunnen komen. Dat heeft invloed op de maatschappelijke relevantie van resultaten. Kort geformuleerd, naarmate onderzoek meer voldoet aan de gestelde eisen bestaat het risico dat de resultaten minder toepasbaar zijn. Door ons perspectief te beperken nemen we de werkelijkheid slechts beperkt weer. Als gevolg daarvan hebben de uitkomsten van het onderzoek slechts geldigheid binnen het beeld van de werkelijkheid dat we hebben geconstrueerd. Er is sprake van een omkering. Om de werkelijkheid wetenschappelijk verantwoord te kunnen onderzoeken is het nodig dat we de werkelijkheid eerst aanpassen aan de goedgekeurde methoden van onderzoek. Het instrument van de onderzoekmethode wordt heersend over het doel van het onderzoek.

We kunnen onze claims slechts overeind houden door ons beeld van de werkelijkheid aan te passen. We verengen ons beeld en hebben daardoor zicht op een steeds kleiner deel van de werkelijkheid. We weten steeds meer over een steeds verder gereduceerd beeld van de werkelijkheid. De resultaten zijn waar en geldig dankzij het feit dat we een deel van de werkelijkheid hebben buitengesloten. Die uitsluiting was nodig omdat we anders onze claims niet overeind konden houden. Uitsluiting is dus functioneel. Het is een paradox. We streven naar waarheid en houden de illusie van waarheid en geldigheid overeind door eerst alles uit te sluiten dat onze conclusies zou kunnen verstoren. De prijs die we daarvoor betalen is dat de geldigheid van de resultaten en de relevantie ervan voor de praktijk van alledag beperkt zijn. Zo beschouwd bevestigt wetenschappelijk onderzoek het formele betekeniskader en wordt het beperkende overheidsperspectief bevestigd en in stand gehouden. Wetenschap faciliteert en bevestigt dan het onderliggend systeem in plaats van de omslag te faciliteren naar een verbredend perspectief waardoor een groter deel van de werkelijkheid zoals die door burgers wordt beleefd in beeld komt. Zo houdt de wetenschap de kloof tussen systeemwereld en de leefwereld van burgers in stand. Het risico daarvan is dat conclusies van onderzoek tot interventies leiden die het karakter hebben van symptoombestrijding. Het beperkend wereldbeeld blijft in stand en het zicht op de aard van onderliggende problemen ontbreekt. Zo kan het streven naar zekere kennis ons in de weg zitten. We creëren een beeld van de wereld waarin we aanspraken op waarheid overeind kunnen houden. Maar het is een geconstrueerde waarheid.


5. Hoe kan een gebrekkig functionerend wetenschapssysteem zolang in stand blijven?

Gebruikelijk is dat systemen die niet voldoen tot kritiek leiden. Er wordt van buiten uit druk uitgeoefend om tot aanpassingen te komen. In het uiterste geval kan een systeem zijn positie en rol verspelen. Daarvan lijkt het wetenschapssysteem weinig last te hebben. Ondanks alle kritiek wordt de wetenschap voortdurend te hulp geroepen om ondersteuning op het vlak van kennis. Dat roept de vraag op hoe zo’n wetenschapssysteem in stand kan blijven terwijl ervanuit een constructivistisch perspectief belangrijk nadelen aan kleven. Om daar zicht op te krijgen maken we een onderscheid tussen institutionele krachten die binnen het wetenschapssysteem zelf werkzaam zijn en externe krachten.


5.1 Institutionele aspecten van het wetenschapsdomein

De praktijk van wetenschapsbeoefening kan niet worden begrepen zonder aandacht te geven aan institutionele krachten binnen de wetenschap zelf. Binnen het wetenschappelijk domein zijn krachten werkzaam die de bestaande praktijk in stand houden.

- Disciplinaire opbouw

Binnen de wetenschap geldt een disciplinaire structuur. De wetenschap is opgedeeld in disciplines en binnen disciplines is sprake van subdisciplines. Die structuur is ontstaan vanuit de wetenschap zelf. Gebieden zijn afgebakend. De wetenschap claimt niet alleen zelfstandigheid en een eigen regie ten opzichte van de buitenwereld maar dat geldt intern ook tussen disciplines. Dat uit zich bijvoorbeeld in eisen die aan onderzoek worden gesteld. Welke onderzoekbenaderingen en welke methoden zijn geaccepteerd? Voor zover er sprake is van verschil van opvatting beperken dergelijke discussies zich doorgaans tot het disciplinaire domein.

- Professionele houding

Kenmerkend voor het wetenschappelijk systeem is ook de professionele houding. Men claimt exclusiviteit ten opzichte van de wereld buiten het wetenschapsdomein. Of een onderzoek wetenschappelijk verantwoord is en tot wetenschappelijk verantwoorde resultaten heeft geleid wordt beoordeeld door wetenschappers. Dat maakt de wetenschap weinig kwetsbaar ten opzichte van de buitenwereld. Een uitzondering is wanneer blijkt dat wetenschappelijk onderzoek tot aantoonbare missers heeft geleid. Maar de verdedigingslinie die vanuit de wetenschap wordt opgetrokken is dan vaak dat de resultaten enkel gelden voor de vooraf gedefinieerde werkelijkheid die men heeft onderzocht. Anders gezegd, de resultaten gelden enkel binnen de gereduceerde werkelijkheid. Men zou van een paradox kunnen spreken: hoe meer de werkelijkheid is gereduceerd, des te beperkter is het terrein waarbinnen de resultaten geldig zijn en des te minder hebben de uitkomsten van het onderzoek maatschappelijke relevantie.


5.2 Institutionele aspecten in de relatie tussen het wetenschapsdomein en de buitenwereld

Er mogen weliswaar interne krachten zijn die het systeem afschermen maar, zo zou men zich kunnen afvragen, wanneer de resultaten van wetenschappelijk onderzoek relevantie missen zal er toch op enig moment een reactie komen. Wetenschappelijk onderzoek levert niet op wat ervan wordt verwacht. Toch blijkt het belang dat aan wetenschappelijk onderzoek wordt toegekend door dergelijke ervaringen nauwelijks aangetast. Sterker nog, er is eerder sprake van een toenemend beroep dat bijvoorbeeld vanuit beleid en rechtspraak op de wetenschap wordt gedaan. We gaan op beide terreinen afzonderlijk in.

- De betekenis van wetenschap binnen het overheidsbeleid

We stellen hoge eisen aan het optreden van de overheid. We willen bijvoorbeeld willekeur vermijden. We verwachten van de overheid dat die objectief en onafhankelijk van personen die het betreft optreedt. Dus niet de ene burger een vergunning geven die aan een ander in min of meer vergelijkbare omstandigheden wordt geweigerd. Ook stellen we eisen aan de motivering. Die moet objectief zijn. Die eisen zijn vastgelegd in de zogenaamde beginselen van behoorlijk bestuur die rechtskracht hebben. Die eisen betekenen in wezen dat er sprake moet zijn van eenduidigheid. Besluiten moeten zijn gebaseerd op zekere kennis. Vaak wordt de wetenschap bij besluitvorming betrokken omdat kennis die langs wetenschappelijke weg wordt verkregen objectief wordt geacht. De juistheid is bewezen, zo wordt doorgaans verondersteld. En in ieder geval wordt wetenschappelijke kennis hoger geacht dan alledaagse ervaringskennis.

Binnen overheidsbeleid creëren we een beeld van de werkelijkheid waarin we onze ambities en daaruit voortvloeiende eisen overeind kunnen houden. Het is weliswaar vrijwel onmogelijk om in een steeds veranderende wereld, die ook nog eens op geheel uiteenlopende wijze kan worden geïnterpreteerd, al onze besluiten binnen alle overheidsorganisaties te laten voldoen aan de daaraan gestelde eisen maar we kunnen wel een afbeelding van de werkelijkheid creëren waarbinnen we de schijn op kunnen houden. De “oplossing” die we kiezen houdt in dat we in al onze wetten en daarvan afgeleide regelingen heel nauwkeurig met behulp van gedetailleerde definities een beeld van de werkelijkheid construeren dat ons in staat stelt aan die eisen te voldoen. Die houding werkt splitsend. Iets is waar of onwaar; een handeling is strafbaar of niet-strafbaar; iemand heeft recht op een vergunning of juist niet.

Het is weliswaar een schijnwerkelijkheid die afwijkt van de werkelijkheid zoals die wordt beleefd door burgers maar dat verschil wordt geaccepteerd, liever dan dat we erkennen dat we de maatschappelijke werkelijkheid hebben aangepast zodat we de illusie kunnen blijven koesteren dat het overheidshandelen perfect is en dat onze eisen en ambities realiseerbaar zijn. De wetenschap werkt daarbij ondersteunend. Gebrek aan kennis wordt opgeheven door wetenschappelijk verantwoord onderzoek dat objectief wordt geacht en tot zekere uitkomsten leidt. Dat is mogelijk doordat het geldende formele betekeniskader binnen het overheidsbeleid van beslissende invloed is op zowel de vraagstelling als de uitvoering van het onderzoek. Het onderzoek wordt uitgevoerd binnen het geconstrueerde beeld van de werkelijkheid zoals die in beleidsland geldt. De uitkomsten kunnen in de ogen van burgers betrekkelijk betekenisloos zijn omdat zij andere percepties van de werkelijkheid hebben maar dat hindert niet omdat het formele betekeniskader nu eenmaal dominant is, per definitie.

De relatie tussen beleid en wetenschap is overigens tweezijdig en onderling versterkend, ondanks de gemaakte kritische opmerkingen. Beleid maakt gebruik van de wetenschap maar is tegelijkertijd ook een belangrijke opdrachtgever en financier. De opdrachten worden geformuleerd als kennisbehoeften vanuit beleidsprocessen en zijn dus drager van een wereldbeeld dat, zoals we stelden, een constructie is die werkelijkheid buitensluit. Wetenschap werkt zo versterkend en verstevigend met betrekking tot een beeld van de maatschappelijke werkelijkheid dat gemankeerd is. Het beleidscomplex loopt steeds verder vast. Wordt steeds gedetailleerder. Veranderingen worden steeds lastiger in te passen. De eis van consistentie maakt dat iedere verandering, hoe klein ook, zich logisch moet verhouden tot het bestaande gereduceerde wereldbeeld. Dat beeld wordt dus bevestigd terwijl het eigenlijk onderwerp van verandering zou moeten zijn. Het verengt terwijl het verbreed zou moeten worden. De blik van de overheid verengt. De uitsluiting neemt toe. Terwijl de wetenschap bron van vernieuwing zou moeten zijn, werken de resultaten van wetenschappelijk onderzoek probleembevestigend en niet zelden probleemvergrotend. De ontvankelijkheid van de overheid voor maatschappelijke vraagstukken neemt af.

  • De betekenis van wetenschap binnen de rechtspraak

Voor zover burgers aldus tot stand gekomen besluiten van de overheid wensen te betwisten en aanvechten, dienen ze zich tot de rechterlijke macht te wenden. Echter, de scheiding der machten presenteert zich in dergelijke processen op een merkwaardige wijze. Het feit dat de rechtspraak onafhankelijk van de uitvoerende macht dient te functioneren, zou het beeld kunnen oproepen dat rechters onjuiste overheidsbesluiten kunnen vernietigen en in voorkomende gevallen repareren. Dat beeld is echter te eenvoudig. De scheiding der machten werkt hier in zijn tegendeel. De scheiding houdt in dat rechters slechts aan geldende wetten en regels mogen toetsen en dat houdt weer in dat de daarin vastgelegde definities door een rechter als een vaststaand gegeven moeten worden geaccepteerd en gerespecteerd. Dat betekent dat de werkelijkheidsconstructie die door de overheid in regelgeving is geformuleerd en gedefinieerd een vast toetsingskader vormt. Dat houdt in dat de rechter niet zo gemakkelijk betekenisconstructies van burgers mee kan wegen voor zover die afwijken van de formele definities van de overheid. Dat formele betekeniskader dient als toetssteen.

Verder kan in de rechtspraak de wetenschap te hulp worden geroepen wanneer bijvoorbeeld naar het oordeel van de rechter kennis ontbreekt. Er kan opdracht worden gegeven tot nader onderzoek wanneer het lastig valt beweringen van partijen in een proces te interpreteren en te wegen. De uitkomsten van dergelijk onderzoek zijn vervolgens in de ogen van een rechter vaak van doorslaggevende betekenis. Denk bijvoorbeeld aan vragen rond toerekeningsvatbaarheid van een verdachte die door psychologisch en/of psychiatrisch onderzoek moeten worden beantwoord. Was er opzet in het spel bij het plegen van een strafbaar feit? Is de aangebrachte schade in een civiele procedure inderdaad het gevolg van het handelen van een persoon of speelden natuurlijke omstandigheden een rol?

- Conclusie

De wetenschap heeft vaak een beslissende betekenis in beleid en rechtspraak. Die beslissende betekenis is terug te voeren tot het feit dat de wetenschap het gereduceerde beeld van de werkelijkheid dat in beleid en rechtspraak geldt bevestigt. Weliswaar heeft dat beperkte beeld en de daaruit voortvloeiende beperkte kennis nadelen maar die worden juist bevestigd door wetenschappelijk onderzoek dat gebaseerd is op een eveneens gereduceerd beeld van de werkelijkheid dat kenmerkend is voor wetenschappelijk onderzoek. Ondanks daaraan klevende gebreken wordt zo de hoge status van wetenschappelijke kennis bevestigd. Die rol binnen beleid en rechtspraak heeft als gevolg dat relativering van wetenschappelijke kennis niet voor de hand ligt. Het zou de basis weg kunnen slaan of althans kunnen verzwakken onder besluiten binnen ons beleids- en rechtssysteem en dat vinden we geen aantrekkelijke gedachte. Thans ontslaat langs wetenschappelijke weg verkregen kennis beleidsmakers en rechters van de opgave tot verdere motivering omdat wetenschappelijke kennis wordt verondersteld waar en objectief te zijn.

De overheid heeft definitiemacht en kan de eigen definities, ook al zijn die gebaseerd op een gereduceerd wereldbeeld, dwingend opleggen. We kunnen weliswaar streven naar pluriformiteit maar pluriformiteit staat haaks op het formele overheidsperspectief van de overheid en op de beginselen van behoorlijk bestuur die voor overheidshandelen gelden. En dan is er altijd nog de rechtspraak die gebaseerd is op eenduidigheid en objectiviteit. Anders gezegd, vanuit beleid en rechtspraak wordt aangedrongen op eenduidige kennis. Het wereldbeeld binnen beleid en rechtspraak is gereduceerd en sluit uit met als consequentie dat diezelfde mechanismen van reductie en uitsluiting betrekking hebben op de behoeften aan kennis die past binnen dit verengde wereldbeeld. Daarbij moeten we bedenken dat beleid en in mindere mate rechtspraak belangrijke financiers zijn van wetensschappelijk onderzoek en dus grote invloed hebben op de vraag wat het onderzoek moet opleveren. Wanneer er eenduidige kennis wordt gevraagd dwingt dat onderzoekers tot een zodanige aanpak dat de resultaten van het onderzoek eenduidig zijn. Daarmee dwingt de overheid het formele betekeniskader over te nemen en het onderzoek binnen dat kader te laten plaatsvinden. Die definitiemacht van de overheid en de daaruit voortvloeiende behoefte aan eenduidige kennis betekent zo een krachtige ondersteuning van de wetenschap zoals die thans wordt beoefend. Aan de eisen die we aan overheidsoptreden stellen kunnen we slechts voldoen door een beeld van de werkelijkheid aan te passen en een deel uit te sluiten. Die definitiemacht van de overheid en de daaruit voortvloeiende behoefte aan eenduidige kennis betekent zo een krachtige ondersteuning van de wetenschap zoals die thans wordt beoefend. Aan de eisen die we aan overheidsoptreden stellen kunnen we slechts voldoen door een beeld van de werkelijkheid aan te passen en een deel uit te sluiten. De onderliggende krachten om dergelijke processen in stand te houden zijn sterk. Een ingeperkt wereldbeeld hoeft geen probleem te zijn zolang de overheid het vermogen heeft het onderliggend wereldbeeld, hoe beperkend dat ook is, dwingend op te leggen aan anderen. Er is sprake van onderling versterkende mechanismen tussen wetenschap, overheidsbeleid en rechtspraak met als gevolg dat een gemankeerd wereldbeeld in stand blijft.

6. Wat is nodig voor verandering?

Helder is dat verandering ingrijpende wijzigingen vraagt. Het gaat niet langer om kleine aanpassingen binnen systemen maar om verandering van de systemen zelf. We noemen een aantal punten.

Allereerst is nodig dat we aandacht geven aan wat we als gevolg van onze zucht naar ordening hebben buitengesloten. Dat betekent dat we de gespecialiseerde ordening in disciplines vervangen door trans-disciplinaire benaderingen. Multi-disciplinariteit is onvoldoende. Dat is slechts en optelsom van disciplines. Serres pleit ervoor de ruimte “entre”, de ruimte tussen de disciplines te verkennen. Daar treffen we werkelijkheid aan die juist door onze disciplinaire oriëntatie buiten beeld is gebleven, weliswaar niet als welbewust doel maar wel als feitelijk effect. Het is een pleidooi om betekenis te geven aan wat we als betekenisloos terzijde hebben geschoven. In gelijke zin pleit Serres voor nieuwe verbindingen tussen domeinen die in onze huidige samenleving min of meer zelfstandig functioneren. Denk aan ons economisch systeem, kunst en cultuur, overheid enz.

Op de tweede plaats vraagt het om veranderingen op methodologisch en methodisch terrein. Methodes boden ons houvast maar vormden tegelijkertijd een belemmering om de werkelijkheid te leren kennen die we niet met onze methodes konden bereiken. Dat betekent ook een heroverweging en herwaardering van de eisen die we stellen aan wetenschappelijk onderzoek. Juist die op eenduidige kennis gerichte methoden zitten ons in de weg. Dat sluit aan bij de filosofie van Feyerabend.

Het komt erop neer dat we in een periode van systeemverandering niet moeten zoeken naar meer gedetailleerde kennis binnen perspectieven die thans dominant zijn maar de uitdaging is dat we vanuit nieuwe perspectieven de werkelijkheid tegemoet treden en ons aldus nieuwe beelden vormen van de werkelijkheid. Door verandering van perspectief verschijnt de wereld anders aan ons. Zowel problemen als oplossingen zijn perspectief-gebonden.

7. Hoe kun je die veranderingen bereiken?

We zagen dat we het ongeordende niet vanuit de geldende ordeningen kunnen leren kennen. Dat vraagt om vrijheid van methoden. De bestaande, geaccepteerde en voorgeschreven methoden zijn niet geschikt om de wereld buiten onze systemen en de wereld tussen de disciplines te ontdekken. In plaats van rondjes te maken rond onze geïnstitutionaliseerde eilanden moeten we de oceaan gaan verkennen. Die conclusie lijkt logisch maar het uitvoeren ervan is nog niet zo gemakkelijk. We hebben het bestaande betekeniskader stevig georganiseerd. Onze instituties vormen als het ware uitdrukking van dat betekeniskader. De verandering die we willen komt dus niet dankzij maar eerder ondanks bestaande instituties tot stand.

Diezelfde krachten zijn werkzaam binnen het wetenschappelijk domein zelf. Ook over de omslag die binnen de wetenschap moet worden gemaakt moeten we niet licht denken. In een tijd waarin ook wetenschappers worden afgerekend op prestaties, lees publicaties, bestaat de verleiding om “veilig” onderzoek te doen en zich te bedienen van methoden die breed zijn geaccepteerd in wetenschappelijke kringen. Dan kan het riskant zijn te kiezen voor onderzoekbenaderingen die daarvan afwijken en die dus de nodige kritiek en discussies in eigen kring kunnen oproepen. Naarmate steviger wordt vastgehouden aan traditionele methoden is dat risico groter. Er is dus experimenteerruimte nodig met de daaraan gekoppelde vrijheid andere wegen in te slaan. Deleuze pleit voor nomadisch denken en handelen. Nomaden hebben geen vaste verblijfplaatsen. Ze bewegen zich niet langs platgetreden paden maar gaan naar plekken waar ze voedsel denken te kunnen vinden. Dat betekent dat we ons losmaken van bestaande denkkaders en onze belangstelling richten op wat buiten beeld blijft wanneer we ons laten leiden door bestaande methoden. Nomadisch denken impliceert ruimte voor intuïtie, niet vastgeketend zitten aan bestaande structuren. Er is een vrijheid van denken nodig waarbij men de neiging moet onderdrukken elkaar telkens weer te corrigeren wanneer iemand van het gebaande pad afwijkt. Een verkennende, nieuwsgierige en zoekende houding dus waarbij we elkaar niet meer dwingen tot eenduidigheid maar meervoudigheid toelaten. Een geharnaste wetenschap werkt dan belemmerend. Nodig is juist dat we de patronen doorbreken die de problemen hebben veroorzaakt en waar we aan gehecht zijn maar, integendeel, bereid zijn ons te laten verrassen. Op ongebaande paden valt nu eenmaal meer te ontdekken dan wanneer we rond blijven rennen in cirkels.

Het is ook een pleidooi voor nieuwe coalities, combinaties van wetenschappers en ervaringsdeskundigen. In de psychiatrie zijn daar intussen goede voorbeelden van aanwezig die nog deels een experimenteel karakter hebben. De vorming van dergelijke coalities vraagt daarbij aandacht. Voorkomen moet worden dat men deelneemt als vertegenwoordiger van bestaande instituties zoals belangenorganisaties. Dat leidt gemakkelijk tot kennisbehoeften en onderzoekopdrachten die erop gericht zijn het bestaande te behouden. Dan is de neiging groot dat men het verleden herhaalt in plaats van de toekomst te ontwerpen. Doorbreking van bestaande belangenorganisaties is cruciaal. Die zijn georganiseerd rond gedateerde tegenstellingen terwijl de uitdaging juist is tot nieuwe thematiseringen te komen. Een voorbeeld vormt het zoeken naar nieuwe en duurzame systemen voor beheer van het platteland. Vaak lopen die processen nu vast in tegenstellingen tussen een economisch georiënteerde landbouw en de zorg voor landschap, natuur en cultuurhistorie. Men is dan mentaal voorgeprogrammeerd vanuit oude tegenstellingen. Het is een botsing van contexten. Compromissen bieden dan geen oplossing. Die houden de onderliggende spanningen in stand. In plaats daarvan moet de energie worden gericht op het gezamenlijk construeren van een nieuwe context. Living labs bieden prima mogelijkheden voor de voorgestelde vernieuwing mits genoemde valkuilen daarbij worden voorkomen.

Maar de belangrijkste voorwaarde is dat nieuw gevormde coalities waarbij deelnemers zijn gemotiveerd en het lef hebben om de ruimte buiten de gebaande paden te zoeken, de ruimte krijgen. Dat is niet vanzelfsprekend in een cultuur waarin we eisen stellen aan besteding van budgetten en liefst al vooraf vaststellen wat vernieuwend onderzoek moet opleveren. Echter, verkenning van het onbekende gebied dat binnen het perspectief van de gevestigde disciplines buiten beeld blijft is een tocht in het onbekende. Je weet niet wat je aantreft en hebt ook geen enkele garantie dat de inspanningen resultaat opleveren. Strikt genomen is vooraf niet eens concreet benoembaar wat je hoopt aan te treffen. Het pleit voor academische vrijheid die binnen bestaande instituties moeilijk kan worden gevonden. Het is het beeld van een wetenschap die eerst zichzelf moet vernieuwen om tot echt nieuwe kennis in staat te zijn.

Tot slot is nodig dat er verbindingen mogelijk worden tussen de verschillende domeinen binnen de maatschappij. Dat betekent dat de wetenschap niet langer het eigen domein afschermt maar zich openstelt voor perspectieven en opvattingen die afwijken van wat in wetenschappelijke kring wezenlijk wordt geacht. Serres spreekt beeldend over het zoeken naar passages door een wereld van gevestigde tegenstellingen. Je moet als het ware eerst je ontdoen van je eigen vanzelfsprekendheden om zo de ruimte te scheppen tot echte vernieuwing.


Literatuur

Deleuze, Gilles en Guattari, Felix, Rizoom, Uitgever: Rizoom, 1998

Feyerabend, Paul, Tegen de Methode, Lemniscaat, 2008

Latour, Bruno, Serres, Michel, Conversations on Science, Culture and Time, University of Michigan Press, 1995

Latour, Bruno, Reassembling the Social, Oxford University Press, 2007

Pico della Mirandola, Rede over de menselijke waardigheid, Historische uitgeverij, 2008

Popper, Karl, Conjectures and Refutations, Routledge, 1963

Van de Wal, G.A., De Omkering van de wereld, Achtergronden van de milieucrisis en het zinloosheidsbesef, Ambo, Baarn, 1996

Van Os, Jim, De DSM-5 voorbij!, Persoonlijke diagnostiek in een nieuwe GGZ, Diagnosis Uitgevers, 2014

Wagemans, M., Een Oceaan van Betekenisloosheid, een kritische analyse van beleid, politiek en wetenschap met een verwijzing naar de filosofie van Michel Serres, Digitalis, Utrecht, 2016

Wittgenstein, Ludwig, Tractatus Logico-Philosophicum, Atheneaeum-Polak & van Gennep, 1998


---


Email: thieuwagemans@gmail.com

Website: www.ontganiseren.nl


‘Niet rond blijven rennen in cirkels’
Opinie De Limburger 26 februari 2019
Thieu Wagemans, Raadslid voor de lokale partij Ronduit Open in Leudal


Het BETOOG – In de politiek staat deze dagen centraal of er genoeg maatregelen worden getroffen om de klimaatdoelen van Parijs te halen en natuurlijk ook wie daar de beurs voor moet trekken. Het proces is voorspelbaar. Afhankelijk van de partijpolitieke kleur pleit men voor aanscherping van de maatregelen of juist voor uitstel of afzwakking. Datzelfde geldt voor de vraag wie de lasten moet dragen: het bedrijfsleven, via bijvoorbeeld een CO2-heffing, of de burgers.
Partijen proberen zich in de komende verkiezingen te onderscheiden. Het is het gebruikelijke spel. En na de verkiezingen probeert men tot compromissen te komen die nog net voor iedere deelnemende partij aanvaardbaar zijn. We zijn er trots op dat ons poldermodel steeds weer oplossingen mogelijk maakt. Dat is vaak prima, maar een oplossing voor het klimaatvraagstuk is niet goed mogelijk met compromissen.
Illusie
We worden geconfronteerd met de vraag of we onze huidige levenswijze wel kunnen voortzetten, of ons economisch systeem houdbaar is. Een systeem waarin het loont om milieueffecten af te wentelen, omdat maatregelen nu eenmaal geld kosten.
Het probleem is dat we gewend zijn aan onze bestaande levenswijze en die graag willen voortzetten. Daarmee gaan we voorbij aan het kernprobleem, namelijk dat juist die levenswijze de oorzaak is van de milieuproblematiek. Dat probleem los je niet op met maatregelen die enkel aanvaardbaar zijn omdat ze geen pijn doen. Een tientje vliegtaks per vlucht lost niets op en verschaft hooguit de illusie van een oplossing. Er zijn ingrijpender maatregelen nodig, een lastige opgave. We waren immers de afgelopen decennia trots op de vooruitgang op tal van terreinen maar nu is duidelijk dat we voor die vooruitgang een prijs hebben moeten betalen. Het klimaat toont ons de rekening.
Onvermijdelijke keuzes
Op zulke momenten is leiderschap nodig. Het vraagt lef om vanzelfsprekendheden ter discussie te stellen en zekerheden als schijnzekerheden te ontmaskeren. Dat lef wordt allereerst gevraagd van politici, zeker in verkiezingstijd. Diegenen die onze provincie en ons land leiden zouden daarin voorbeeldig moeten zijn. Ze zouden niet langer politieke campagnes moeten opzetten die er vooral op zijn gericht kiezers gunstig te stemmen omdat een goede uitslag belangrijker wordt gevonden dan een oplossing van het klimaatprobleem. Ze zouden niet langer populariteit bij kiezers moeten nastreven door de ogen te sluiten voor onvermijdelijke keuzes. Dat is helaas te veel gevraagd van menig politicus die in een poging zijn eigen zetel te behouden best bereid is om beelden te vertellen die letterlijk te mooi zijn om ooit waar te worden. Het vraagt ook lef van bestuurders. De gebruikelijke beleidsmaatregelen schieten tekort. We moeten niet langer zoeken naar ‘de’ oplossing voor ‘het’
probleem. We worden geconfronteerd met vraagstukken die niet meer passen in onze beleidsmodellen. De gebaande paden helpen niet meer. Die hebben ons juist in de problemen gebracht.
Nomaden
De Franse filosoof Deleuze hield ooit een pleidooi voor nomadisch denken. Nomaden hebben geen vaste verblijfplaatsen. Ze bewegen zich niet langs platgetreden paden maar gaan naar plekken waar ze voedsel denken te kunnen vinden.
Nomadisch denken impliceert meebewegen met de natuur, niet vastgeketend zijn aan bestaande structuren en aan organisaties die deelbelangen behartigen. Er is, ook in de politiek, een vrijheid van denken nodig waarbij men de neiging moet onderdrukken elkaar telkens weer te corrigeren wanneer iemand van het gebaande pad afwijkt. Nodig is dat we de patronen doorbreken die de problemen hebben veroorzaakt en waar we aan gehecht zijn. Op ongebaande paden valt nu eenmaal meer te ontdekken dan wanneer we rond blijven rennen in cirkels.
************************************************


Een decadente samenleving

Column in de Limburger van 16 januari 2019

Thieu Wagemans


We gaan er prat op in een land te leven waarin er vrijheid van meningsuiting is. Maar die vrijheid maakt het ons niet altijd gemakkelijk. De keerzijde is dat het van eenieder incasseringsvermogen vraagt, zoals acceptatie dat opvattingen mogen worden geuit die we als buitengewoon kwalijk en mensonterend ervaren.

Tegen die achtergrond is de vraag aan de orde hoeveel vrijheid wij zelf aan kunnen. Hoe groot is de ruimte die we elkaar laten? Zeker, juridisch is die ruimte stevig verankerd. Je bent gelukkig niet zo gauw strafbaar wanneer je voor je mening uitkomt, hoe zeer die ook afwijkt van wat breed is geaccepteerd. Dat is een groot goed. Maar de praktijk van alledag toont vaak een ander beeld.

Accepteren dat er een vrije uitwisseling van opvattingen is, gaat ons niet zo gemakkelijk af. We hebben nauwelijks een cultuur waarin we vanuit een basishouding van respect elkaar ondervragen en andermans opvattingen verkennen. De politiek is daar een treffend voorbeeld van. Discussies worden gevoerd in een partijpolitieke context. Standpunten worden geaccepteerd of afgewezen, afhankelijk van de politieke kleur van diegene die ze naar voren brengt.

In plaats van de vrijheid te benutten, bekwamen we ons in enghartigheid en zijn we er uiterst vaardig in elkaar over de meest onnozele zaken de maat te nemen.

Etiket

We zijn er meesters in het onderscheid te verdoezelen tussen een standpunt en degene die het naar voren brengt. Dan plakken we simpelweg een etiket op de persoon en komen we aan discussies niet eens toe. Zo helpen we zelf de veelgeprezen vrijheid om zeep omdat we niet in staat zijn ermee om te gaan. We scherpen onze eigen standpunten aan en maken enorme stennis over ogenschijnlijk onnozele bijzaken. De avondlijke praatprogramma’s staan er bol van.

Gerard Noodt

Dat incasseringsvermogen wordt vooral op de proef gesteld als het onderwerpen betreft die zich vanwege het principiële karakter niet lenen voor compromissen. In 1706 hield Gerard Noodt bij zijn aftreden als rector van de Leidse Universiteit een rede over de vrijheid van godsdienst. Hij bepleitte respect voor godsdienstige opvattingen die afweken voor de staatsleer in die tijd. Dat was erg gedurfd in een tijd dat de burgerlijke overheid voorschreef welke godsdienst was toegestaan. Kerk en staat waren nog niet gescheiden. Zijn pleidooi kwam erop neer dat ieder mens het onvervreemdbare recht heeft zijn leven in te richten naar eigen beleving en opvatting zolang men elkaars vrijheid niet beperkt. Je zou nog een stap verder kunnen gaan en kunnen stellen dat de kern van ons mens-zijn en van de menselijke waardigheid is dat we het recht hebben zelf betekenis te geven aan onszelf en onze omgeving, ongeacht geslacht, geaardheid, godsdienstige of politieke overtuiging. Maar wat is daarvan over in een moderne samenleving waarin sommigen willen voorschrijven hoeveel zwarte vegen het gezicht van zwartepiet mogen kleuren. In plaats van de vrijheid te benutten, bekwamen we ons in enghartigheid en zijn we er uiterst vaardig in elkaar over de meest onnozele zaken de maat te nemen. Zo maken we van onze vrije samenleving een verstikkend en beklemmend geheel waarin we vreselijk goed weten wat anderen moeten doen en laten.

Decadentie

In het verleden hebben culturen hun einde gevonden door vormen van decadentie. Men doelde dan op de neiging van een cultuur om zich blind te tonen voor maatschappelijke vraagstukken, maar zich wel druk te maken over relatief onbetekenende zaken. Zou het niet goed zijn een maatschappelijk debat te beginnen over de vraag of we niet in een proces zitten waarin we afglijden naar druktemakerij over onnozelheden en verzuimen de vraag onder ogen te zien wat het betekent om te leven in een vrije samenleving? En of de tolerantie die we van anderen vragen ook eisen stelt aan onszelf?


Thieu Wagemans is raadslid in Leudal

www.ontganiseren.nl


***************************************************************

Landbouw zegt alles over beschaving

Mathieu Wagemans

(Opiniebijdrage in Trouw van 15 januari 2019)

In Trouw van 7 januari jl. stelt Sieta van Keimpema dat kringlooplandbouw niet de oplossing is voor de landbouw. Haar betoog is zowel scherp als eenzijdig. Centraal in haar verhaal staat dat allerlei maatregelen de kostprijs verhogen en dus bestaande problemen vergroten.

Laten we de zaak eens omdraaien en stellen dat juist de eenzijdige nadruk op de kostprijs de oorzaak is van de huidige problemen binnen de landbouw. Nieuwe technologie stelde in staat de kostprijs te verlagen. Toepassing ervan was echter slechts mogelijk door schaalvergroting en specialisatie. Het platteland werd ingericht naar de eisen van een moderne landbouw. Veelzijdigheid en variatie moesten wijken voor eenvormigheid en monoculturen. Jachtigheid verdrong traagheid. De gevolgen kennen we: verlies aan biodiversiteit, een gigantisch mestoverschot, verzadiging van de bodem met fosfaat en stikstof en een ammoniakdeken over een groot deel van Nederland. Het centraal stellen van de kostprijs betekende verder een versmalling en verarming van de traditionele functies van de landbouw, namelijk voedselproductie en een verantwoord beheer van het platteland. Die laatste functie kwam onder druk te staan. Zorg voor natuur en landschap betekende een kostenpost. Het was economisch gunstig om de omgevingskwaliteit van het platteland te vernietigen. Landschapselementen waren een sta in de weg bij gebruik van moderne machines. Veel van wat maatschappelijk van waarde was moest wijken. De vooruitgang in economisch opzicht ging ten koste van de beheerfunctie van het platteland.

Schaalvergroting hield verder in dat gezinsbedrijven moesten verdwijnen. Het aantal bedrijven is de afgelopen decennia gigantisch gedaald. Het was pijnlijk dat bestuurders van landbouworganisaties en politici van diverse partijen het belang van gezinsbedrijven telkens weer benadrukten terwijl ze tegelijkertijd pleitten voor een beleid dat die gezinsbedrijven dwong tot bedrijfsbeëindiging.

Juist door de eenzijdige aandacht voor het kostprijsdenken is een plattelandscultuur verdwenen waarin voedselproductie werd gecombineerd met circulair en duurzaam beheer van het platteland. De landbouw zorgde op het platteland voor verbinding maar ging zich steeds meer ontwikkelen als een op zichzelf staande sector. Gevolg is dat burgers nauwelijks meer weten hoe hun voedsel wordt geproduceerd. Banden tussen producent en consument verdwenen. Supermarkten gingen de spil vormen in ons voedselsysteem.

Nu valt tegelijkertijd niet te ontkennen dat een sector niet kan voortbestaan zonder een economische basis. Ook kan niet aan de orde zijn om terug te keren naar de landbouwpraktijk van de vijftiger jaren. De uitdaging is de vraag te stellen hoe een economische basis kan worden gecreëerd voor een landbouw die de duurzame productie van voedsel combineert met een rentmeesterlijk beheer van het buitengebied. Dat vraagt nieuwe verdienmodellen en andere financierings- en organisatievormen. Het vraagt ook een grotere betrokkenheid en invloed van burgers bij hoe hun voedsel wordt geproduceerd en hun omgeving wordt beheerd. Buurderijen in plaats van boerderijen. Zeker, daar zit een prijskaartje aan. En natuurlijk vraagt dat maatregelen over hoe en door wie de daaraan verbonden kosten moeten worden betaald. Een gezin met een inkomen op bijstandsniveau zal daar immers weinig aan kunnen bijdragen. Maar de overgang van een eenzijdig economisch georiënteerde landbouw naar een maatschappelijk verantwoord systeem van voedselproductie dient ook op maatschappelijke basis te worden gefinancierd en betaald. Landbouw dus als "agriculture", als een cultuur die past binnen moderne samenleving en die recht doet aan de daarin levende opvattingen. Landbouw wordt zo uitdrukking van het beschavingsniveau van een samenleving. En mogelijk een mooi voorbeeld van een nieuw economisch systeem waarin wat van waarde is niet langer onder druk staat.

Mathieu Wagemans is Raadslid voor de lokale partij Ronduit Open in Leudal


******************************************************


De oceaan roert zich  



Wie geneest de gezondheidszorg?

Opiniebijdrage, gepubliceerd in Dagblad de Limburger, 30 oktober2018


In gemeenteland is deze weken de aandacht gericht op de begroting. Het gaat goed met Nederland maar veel gemeenten worden met forse tegenvallers geconfronteerd.

Dat betreft in het bijzonder de zorg voor mensen met een psychiatrische aandoening en de jeugdzorg. Het gaat om stevige bedragen. Gemeenten klagen dat bij de overdracht van deze taken vanuit het Rijk niet de bijbehorende gelden zijn meegeleverd. Gevolg is dat opgebouwde reserves zullen verdwijnen. De potten raken leeg.

Confrontatie
Maar afgezien van de centen heeft de decentralisatie van zorgtaken gemeenten ook indringend geconfronteerd met problemen binnen de zorg. Zo klagen medewerkers in de zorg over de toenemende bureaucratisering. Men is veel tijd kwijt met rapportages en andere administratieve verplichtingen. Ook wordt gewezen op het al te gemakkelijk doorverwijzen van jongeren naar jeugdzorg. Te gauw krijgen jongeren een stempel. Of men wijst op een gebrek aan interne samenwerking. Er is sprake van een groot aantal organisaties en van een uitgebreid en zeer gedetailleerd geheel van protocollen. Ook leven er vragen over de marktwerking in de zorg. Met de decentralisatie werden ook al die gebreken op het bordje van de gemeenten gelegd.

Nu is het voor gemeenten nog niet zo eenvoudig om die problemen op te lossen. Velen binnen de zorg hebben belang bij instandhouding van het huidige systeem. Er is sprake van gestaalde kaders die vasthouden aan hun posities en zich niet gemakkelijk opzij laten zetten. Ook helpt niet dat er sprake is van een professionele houding. De gezondheidszorg is het domein van deskundigen. Wie niet tot die groep behoort heeft geen toegang of wordt niet serieus genomen. Men claimt zelfstandigheid ten opzichte van de buitenwereld die echter wel de kosten moet dragen. Zo beschouwd is de positie van gemeenten niet te benijden.

Kansen
Maar er is niet enkel kommer en kwel. Men zou ook kunnen zeggen dat de decentralisatie kansen biedt om op lokaal niveau te experimenteren. Dat vraagt nieuwe verhoudingen tussen partijen en ook nieuwe vormen van samenwerking. Zo wordt er in Limburg geëxperimenteerd met een nieuwe aanpak van de geestelijke gezondheidszorg. Daarin moeten protocollen wijken voor de ervaringen van patiënten. Het besef dringt door dat de beschikbare kennis binnen de psychiatrie nog erg beperkt is en dat diagnoses vaak slechts het karakter hebben van het opplakken van een etiket.

Zo is er toenemende kritiek dat een diagnose vaak weinig meer is dan het raadplegen van het Handboek DSM. Menselijke aandacht moet vaak wijken voor de inhoud van protocollen. Ook de resultaten van behandeltrajecten geven aanleiding om ervaringen van patiënten een veel belangrijker plaats te geven in de zorg. Daarnaast verdienen experimenten aandacht waarin sprake is van andere verhoudingen tussen organisaties. Of waarbij administratieve lasten worden teruggedrongen en plaats moeten maken voor zorgverlening.

Lastig
Nodig is dat gemeenten zich niet beperken tot het passief doorsluizen van gelden om een systeem te financieren dat in menig opzicht gemankeerd is. Dat is een lastige opgave want men moet gaan doen waar de landelijke politiek niet in is geslaagd. Die ambitie vraagt bovenal lef van bestuurders. Gemeenten zouden ruimte moeten maken, eventueel in onderlinge samenwerking, om dergelijke experimenten op te zetten en van de ervaringen te leren. Het is een keuze voor schaalverkleining waarbij de mens centraal komt te staan. Alsmaar meer budget voor instandhouding van een gemankeerd systeem is niet de oplossing. Dan bestrijd je symptomen. Je neemt de pijn weg maar houdt de onderliggende oorzaken in stand.

Mathieu Wagemans is raadslid in Leudal

*********************************

Sterven in correctheid

Over de vermenging van boven- en onderwereld

Opiniebijdrage, gepubliceerd in Dagblad de Limburger, 18 sept 2018

Het recent gepubliceerde onderzoek naar de omvang van drugsproductie in Nederland heeft veel reacties opgeleverd. Verbazing overheerst over de omvang van de jaarlijkse omzet, ruim 18 miljard euro. Twee reacties vallen daarbij op. De eerste is de vraag hoe het zo lang en zo omvangrijk uit de hand heeft kunnen lopen. De tweede vraag heeft ermee te maken dat het buitengewoon lastig blijkt om grip te krijgen op deze problematiek. De Minister belooft 100 miljoen euro extra beschikbaar te stellen om het probleem aan te pakken. Dat leverde in politiekringen kritische geluiden op. De beschikbare capaciteit staat in geen verhouding tot wat nodig is.

De problematiek geeft ook aanleiding om wat dieper te graven. Hoe kon het gebeuren dat de processen zolang konden doorgaan? Dat wekt bevreemding in een land waarin we, zeker op het gebeid van opsporing en veiligheid, alles zeer nauwkeurig hebben georganiseerd. Denk aan de toedeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden aan de verschillende diensten zoals belastingdienst, douane, politie, veiligheidsregio’s, gemeenten en provincies. En binnen al die organisaties hebben we taken gesplitst en toegedeeld aan afzonderlijke eenheden. Ook de relaties tussen al die organisaties zijn nauwkeurig vastgelegd in protocollen en regels. Een buitenstaander zal gemakkelijk het beeld kunnen krijgen dat een en ander met uiterste zorgvuldigheid en doordachtheid is geregeld. En misschien is dat juist het probleem. Het heeft geleid tot een complex van instituties die elkaar gemakkelijk het bewegen kunnen belemmeren. Het opzetten van een gezamenlijk plan zal binnen al die organisaties moeten worden goedgekeurd. Het kan zo maar zo zijn dat de vastgestelde prioriteiten in een organisatie het onmogelijk maken capaciteit beschikbaar te stellen. Of de opvattingen over een plan van aanpak kunnen verschillen. Kortom, voorbereiding van plannen vraagt allemachtig veel inzet, tijd en geld. In de organisatieleer spreekt men wel eens van “sufgelulde organisaties” wanneer uitvoerige discussies worden gevoerd over de procedure om tot een procedure te komen. Aanpak van de drugscriminaliteit betekent in wezen een confrontatie tussen een overgeordende overheid en een drugsmilieu waarin men niet gehinderd wordt door welke regel dan ook. Een statische overheid tegenover een dynamische drugswereld.

Een tweede punt is dat we het overheidsoptreden zelf aan strenge regels hebben gebonden. Overtreders moeten worden aangepakt maar we mogen daarbij geen privacyregels overtreden. Het strafecht stelt strenge regels aan veroordeling van personen. Het bewijs moet op een deugdelijke en toegestane wijze worden verzameld. Wie de wet overtreedt en een alibi verzint dwingt het Openbaar Ministerie te bewijzen dat het alibi niet klopt of erg ongeloofwaardig is. Zo belemmert de overheid zichzelf in het voortgaan. We stellen zo hoge eisen aan ons eigen handelen dat de effectiviteit en efficiency er de prijs voor betalen.

Nu kan men tegenwerpen dat het soepeler omgaan met interne regels onaanvaardbaar is omdat juist de overheid voorbeeldig moet zijn in zijn optreden. Maar is het wel aanvaardbaar dat als gevolg daarvan drugscriminelen min of meer de vrije hand hebben? Hoelang blijven we strak vasthouden aan onze eigen organisatieschema’s en regels en sterven we liever in genuanceerdheid en correctheid dan in plaats daarvan de drugscriminaliteit hard aan te pakken?

De vermenging tussen onder- en bovenwereld roept de vraag op of de wijze waarop we zijn georganiseerd niet aan een fundamentele herziening toe is. Anders gezegd, zitten we onszelf niet daverend in de weg? Wat dragen we bij wanneer het handelen van een politiemedewerker telkens weer onderwerp kan worden van uitvoerige debatten? Moeten we niet naar snelle interventieteams met ruime bevoegdheden die primair worden afgerekend op de vraag welke bijdrage ze hebben geleverd aan het oplossen van het probleem? Toegegeven, dat is wellicht te veel gevraagd van een politieorganisatie waarin reorganiseren corebusiness is geworden.


Thieu Wagemans is Raadslid voor Ronduit Open in Leudal   

       

*******************************************


Een samenleving in verwarring


Hoe tolerantie kan overgaan in onverschilligheid


Een van de grootste uitdagingen c.q. vraagstukken is de omvorming van de traditionele maatschappij naar een multiculturele samenleving. De onderliggende krachten zullen zich in de toekomst versterkt doorzetten. Globalisering betekent dat geografische grenzen aan betekenis verliezen. Daar liggen economische redenen aan ten grondslag. Bij het zoeken naar werk achten steeds meer mensen zich niet gebonden aan de landsgrenzen. De wereld vormt het werkterrein. De economische ontwikkeling wordt steeds minder bepaald door nationaal beleid en steeds meer krachten op internationaal niveau. Men concurreert op wereldniveau. Daarnaast zoeken mensen vanuit het Midden-Oosten en Afrika hun toevlucht naar landen waar men werk en een betere toekomst verwacht. Veiligheidsproblemen zetten mensen ertoe aan het eigen land te verlaten. De samenstelling van de bevolking in een land krijgt daardoor globale trekken.

De omslag naar een multiculturele samenleving loopt echter verre van gemakkelijk. De identiteit van een natie kon men vroeger wellicht eenvoudig uitlijnen maar die tijd is voorbij. Nieuwkomers, zeker wanneer het om grote aantallen gaat, brengen een eigen cultuur mee, eigen praktijken en vanzelfsprekendheden. Die zijn bovendien religieus verankerd. Dat belemmert het vinden van compromissen en het creëren van een cultuur van acceptatie.

Velen zijn van mening dat tolerantie een kenmerk is van de Nederlandse cultuur en dat dit ook zo hoort te blijven. Men verwijst dan naar de historie. Zo was Nederland in het verleden een toevluchtsoord voor hugenoten. In de vijftiger jaren zetten we de landsgrenzen open voor Hongaren die een veilig heenkomen zochten voor geweld en onderdrukking in eigen land. De afgelopen twintig jaar werden grote aantallen vluchtelingen opgenomen. Maar die houding van gastvrijheid kan niet verbloemen dat er sprake is van spanningen. Daarbij staat de vraag centraal in hoeverre we ruimte willen bieden aan mensen met andere opvattingen en overtuigingen, ook als die haaks staan op onze cultuur. In welke mate dienen nieuwkomers zich te houden aan de cultuur zoals we die in Nederland kennen? Welke ruimte willen we geven om nieuwkomers hun eigen cultuur voort te zetten?

Velen bepleiten dat we als open samenleving maximaal ruimte moeten bieden aan nieuwkomers om hun levenswijze voort te zetten. Waarom zouden we anderen het recht ontzeggen te leven op de manier die ze gewoon zijn? Die houding heeft echter een keerzijde, hoe sympathiek die op het eerste gezicht ook lijkt. Accepteren we die ruime blik ook wanner praktijken in strijd zijn met waarden die we van oudsher als fundamenteel hebben ervaren? Of met veranderende opvattingen binnen onze samenleving? Denk bijvoorbeeld aan het belang van dierenwelzijn en de in veel culturen religieus beleefde praktijk van ritueel slachten. Kan tolerantie zo ver gaan dat we alles accepteren en dus bereid zijn anderen niet te verplichten zich te houden aan wat wij van waarde vinden? Dat zou betekenen dat we alles prima vinden. Het maakt niet meer uit. We gunnen elkaar de ruimte. Dat houdt echter ook in dat we niet meer met elkaar in discussie gaan over wat wel en niet mag. Het maakt niet meer uit hoe anderen wensen te leven. Op enig moment kan tolerantie dan overgaan in onverschilligheid.

Een houding van onverschilligheid heeft als uiterste consequentie dat van een identiteit geen sprake meer is. Er is niet langer gezamenlijkheid. Men kan ook zeggen dat het enige dat men nog gezamenlijk heeft de houding en overtuiging dat gezamenlijkheid als waarde heeft afgedaan. We worden een samenleving die de optelsom is van individuen en van deelculturen. Mensen met gelijkgestemde (vaak religieus gebaseerde) overtuigingen en praktijken leven naast elkaar heen. Samen leven betekent het naast elkaar leven van groepen met ieder een eigen cultuur. Bindingen tussen groepen bestaan niet en communicatie tussen culturen is lastig vanwege volstrekt tegengestelde denkbeelden. Maar communicatie is dan ook niet meer nodig, juist vanwege de acceptatie van verschillen. De samenleving is georganiseerd langs de lijnen van culturele verschillen. Verschillen doen er niet meer toe omdat we ze “weg hebben georganiseerd”. We hoeven er bijgevolg ook geen aandacht meer aan te besteden. Dat is wel zo gemakkelijk.

Die neiging om zo om te gaan met verschillen zien we ook breder terug in onze maatschappij. Kijk bijvoorbeeld naar de wijze waarop we omgaan met tegenstrijdige belangen. We baseren er onze structuren op. Denk aan werkgevers- en werknemersorganisaties, aan landbouw- en natuurorganisaties. En ook in ons politieke systeem zien we de behartiging van deelbelangen terug. We leggen tegenstellingen institutionele vast waarna iedere organisatie probeert de belangen waar men voor staat zo goed mogelijk te behartigen, ook als dat ten koste gaat van het eindresultaat. De Franse filosoof Gilles Deleuze heeft stevige kritiek op die houding. Hij bepleit juist om aandacht te geven aan wat ons onderscheidt van anderen. Sterker nog, hij is van mening dat juist die verschillen een belangrijke bron kunnen zijn voor ontwikkeling van een samenleving. Respecteren van die verschillen betekent niet het naast elkaar heen leven maar juist de communicatie aangaan met elkaar over wat ons scheidt.

Hoe komen we tot die nieuwe samenleving? Kan een nieuwe samenleving meer zijn dan een optelsom van deelculturen? Kan er een nieuwe cultuur ontstaan waarin samenleven met respect voor de ander basis vormt? Kunnen we leren van elkaars culturen? De geschiedenis toont dat nieuwkomers vaak voor vooruitgang en modernisering hebben gezorgd. Dat vraagt een verlichte houding en de ruimte om lerend te verkennen. En tegelijkertijd de dwang en noodzaak om telkens de vraag te stellen wat het gemeenschappelijke is van onze samenleving. Welke ruimte wensen we te geven voor het afwijkende en hoe regelen we die opvatting? Wensen we zelf in te schikken ten gunste van ruimte voor de ander? We kunnen vaststellen dat er in de politiek niet eens een begin is van een dergelijk debat.

Tolereren is een werkwoord en geen uitnodiging tot passiviteit

Tolerantie ontslaat je van de opgave de verschillen te onderzoeken op hun betekenis en je ertoe te verhouden. Zo opgevat is tolerantie een werkwoord in plaats van een uitnodiging tot passiviteit. Juist om te voorkomen dat tolerantie over gaat in onverschilligheid is er een noodzaak ons opnieuw te verhouden tot vragen rond gezamenlijkheid. Die vraag gaat men gemakkelijk uit de weg. Men komt er niet eens aan toe, bijvoorbeeld omdat ieder poging tot thematisering van vragen rond gezamenlijkheid en problemen die we ervaren al gauw het stempel krijgt van totalitair, discriminatie en bekrompenheid. Onze fatsoensregels omtrent woordgebruik krijgen overwicht ten opzichte van de vraagstukken waar we voor staan. Ze vormen een dekmantel zodat we ons niet met lastige vragen hoeven bezig te houden die steeds indringender om een antwoord vragen. Er is geen discours waarin we in onderlinge dialoog vraagstukken kunnen verkennen die aan de orde zijn. We gaan vragen van fundamentele aard “systematisch” uit de weg. We maken ze onschadelijk. We detecteren ze zodat ze niet langer uitdagen tot politieke stellingname.

Het leidt tot problemen en wegkijken. Het ideaal van een multiculturele samenleving staat niet ter discussie maar het ideaal telkens weer in woorden bevestigen mag ons niet ontslaan van de noodzaak te werken aan realisering ervan. Zolang het benoemen van verschillen worden opgevat als uiting van discriminatie kom je aan een waardering van verschillen niet toe.

Het zijn deze patronen van etikettering die het discours bepalen over tolerantie en de omslag naar een multiculturele samenleving. En die dus voorkomen dat er een politiek debat ontstaat over onderliggende waarden in een multiculturele samenleving. Ook moet de neiging worden onderdrukt om tot compromissen te komen binnen een partijpolitieke context. Fundamentele waarden kunnen niet worden gereduceerd tot compromissen over procedures, maanden en aantallen. Aan de orde is de vraag wat we van burgers verwachten en wat we burgers wensen te bieden, ongeacht hun geloofs- en levensovertuiging. Vinden we bijvoorbeeld dat ieder moet worden gefaciliteerd zijn of haar talenten te ontwikkelen? Vinden we als “tegenwaarde” dat vrijblijvendheid niet wordt geaccepteerd en dat ieder gehouden is bij te dragen aan de samenleving. Respecteren we elkaars anders zijn maar vinden we tegelijkertijd dat er gemeenschappelijke codes zijn voor de omgang met elkaar? Denk aan het beheersen van de Nederlandse taal en gemeenschappelijke omgangsvormen.

Het gaat om de collectieve identiteit, het gemeenschappelijke en het kenmerkende dat daaruit voortvloeit in de dagelijkse omgang met elkaar. Nu lijkt het nogal eenzijdig om de verwarring over het gezamenlijke uitsluitend toe te schrijven aan de komst van nieuwkomers en de vormgeving van een multiculturele samenleving. Ook zonder nieuwkomers is er sprake van fundamentele vragen. Twee voorbeelden van hoe de uitwerking van waarden op gespannen voet kan staan met andere aarden. We hechten aan de vrijheid van meningsuiting en vinden dat die moet worden beschermd. Maar welk gevaar loopt de vrijheid van meningsuiting wanneer het ons niet meer vrij staat om staatshoofden van andere landen te mogen beledigen en kwetsen. Een ander voorbeeld. Opsporing van misdrijven wordt ondergeschikt gemaakt aan onze opvattingen over privacy. Die privacy vinden we zo belangrijk dat veiligheid ervoor moet wijken. We komen niet eens aan een politiek debat toe omdat iedere poging daartoe smoort in de dwang die we elkaar opleggen om bovenal netjes en correct onze woorden te kiezen.

Mathieu Wagemans

12/09/2018

www.ontganiseren.nl   


***********************************************


Spelbreker van de Leukigheid

Interview door Ron Buitenhuis met Thieu Wagemans

(volledige versie die iets ingekort is gepubliceerd in de Limburger van 22 augustus 2018)

Ik word wel eens dwarsligger genoemd en spelbreker. Omdat ik niet meebeweeg met het systeem, met de opgelegde normen en codes van onze maatschappij. Ze doen maar, dergelijke etiketten glijden van me af. Natuurlijk heb ook ik gevoelens, maar ik ben een rationele denker. Daar past ook spot en zelfspot bij. Ze zeggen wel eens: ‘mensen uit Neer zijn zo ‘waers’, als je ze in de Maas gooit dan drijven ze stroomopwaarts weg’. Ik erger me daar niet aan, vind het eerder een geuzentitel. Ik ben liever tegendraads dan een meeloper of ja-knikker, daar zijn er al genoeg van in de politiek.

Verwacht van mij geen ontboezemingen over m’n privéleven, die deel ik alleen in intieme kring, maar ik wil je wel vertellen wat mij drijft in het leven. Kwetsbaarheid is de bron van mijn inspiratie. Ik wil me inzetten voor alles dat kwetsbaar is, of waar onrechtvaardigheid speelt: de natuur, het milieu, de samenleving en vooral voor medemensen. Ik heb hier stapels dossiers liggen van mensen die ik heb proberen te helpen in hun strijd tegen de instituties. Ik las ooit een interview met de Zuid-Afrikaanse dominee Beyers Naudé dat me raakte. Hij zei, het gaat in je leven niet om succes, bijval, medailles of status. Het gaat er om dat je ergens iets aan gedaan hebt. Dat je stelling genomen hebt, dat je staat voor wat je denkt en vindt, ongeacht de consequenties. Ik had tot 1980 een mooie functie op het Ministerie van Landbouw en Visserij in Den Haag met prima vooruitzichten. We woonden in Haarlem en later in Leiderdorp. Maar mijn vrouw Els en ik zijn bewust teruggekeerd naar Limburg. Enerzijds omdat we onze kinderen hier wilden laten opgroeien, maar ook omdat de carrière, het salaris, het materiële en alle internationale reisjes niet de voldoening gaven die we zochten. We wilden minder oppervlakkigheid, meer diepgang. We wilden op onze manier de wereld verbeteren. En dat ideaal is er nog steeds. Praat ik te snel? Dat komt omdat ik besef dat ik steeds ouder word, terwijl ik nog zó veel veranderen wil. In m’n ongeduld trek ik verbaal soms fel van leer. Daar schaam ik me niet echt voor. Om je doel te bereiken moet je soms shockeren, de boel wakker schudden. Er zijn veel te veel ‘wegkijkers’. Mensen, zeker in hoge posities, die hun verantwoordelijkheid niet nemen. Die zich overal met een Jantje van Leiden vanaf maken. Die hun wettelijke maar vooral ook humane plicht verzaken. Neem alle chaos binnen zorginstellingen, of die rotzooi binnen het vmbo in Maastricht. Waar zijn al die duurbetaalde bestuurders en inspecties? Of dichterbij, in mijn eigen gemeente Leudal waar ik raadslid ben. Door de buitenwacht worden we spottend ‘Sneudal’ genoemd. Het gaat de laatste tijd gelukkig beter, maar zo’n titel krijg je niet voor niks. Nog steeds raken er poststukken weg en toont de dienstverlening gebreken. Het hele gemeentelijke apparaat heeft sinds de herindeling tien jaar zonder sturing voortgemodderd, terwijl er genoeg mensen waren die wisten dat het niet klopte, maar ze keken liever weg. Bestuurders, managers, ambtenaren, raadsleden. De oppervlakkigheid regeert. Vragen van principiële aard worden toegedekt door gemakkelijke compromissen om zo de lieve vrede te bewaren. Alsof je als compromis kunt afspreken dat je elkaar voortaan voor 70% vertrouwt. Dat werkt niet. Ik zit wat anders in elkaar. Eerst gerechtigheid en dan komt de vrede vanzelf wel.

Helaas houdt een systeem zich vaak zelf in stand. Ik kan best begrijpen dat mensen gemakkelijk meebewegen, bijvoorbeeld omdat ze bij reorganisaties bang zijn hun baan te verliezen. Niet iedereen zit in een positie waarin je je risico’s kunt permitteren. Maar als je dat wel kunt heb je de dure plicht je in te zetten voor verandering. Ik noem mijn leven niet succesvol als ik bijval, applaus of lintjes heb gekregen. De vraag is ook niet wat ik bereikt heb, maar uiteindelijk telt slechts wat ik eraan gedaan heb. Dat veronderstelt enige tegendraadsheid. En die is hard nodig.

Onze systemen zijn vastgelopen en niet meer in staat de grote vraagstukken van onze (post)moderne samenleving (politiek, milieu, economie, techniek, wetenschap, vervreemding) op te pakken. Maar de politiek heeft niet de moed om haar onmacht te erkennen uit angst voor stemmenverlies. Het is de hoogste tijd dat we deze vanzelfsprekendheden doorbreken. Trying to change the system from within, zoals Leonard Cohen zingt in ‘First we take Manhattan’. Zoiets levert uiteraard verzet op. Dan ben je al gauw een onruststoker, want je past niet in de context van aangeleerde volgzaamheid, braafheid en fatsoen. Veel mensen voelen zich het meest senang als we alles bij het oude laten. Daarom doe ik ook minimaal mee aan bestuurdersbijeenkomsten waar de leukigheid regeert en excursies naar de plaatselijke bierbrouwerij meestal als eerste zijn volgeboekt. Ik ben ook geen politicus die bij verkiezingen met oppervlakkigheid en flauwe vrolijkheid stemmen probeert te winnen. Je moet je in de politiek laten leiden door principes, door wat je van waarde vindt en als er dan weinig mensen op je stemmen is dat nog geen reden om je vaandel te veranderen. Mensen kunnen prima redenen hebben om niet op mij te stemmen, maar ik hoop dat zij die het wel doen betere redenen hebben dan wat leukigheid.

Ik heb van m’n twaalfde tot m’n achttiende intern gezeten op het klein seminarie Rolduc in Kerkrade, maar priester was niet mijn roeping. Daar heb ik voor het eerst gezien hoe je de strenge discipline kunt overleven en toch ruimte kunt vinden voor jezelf. Je zoekt naar vrijheid in een systeem waarin macht vanzelfsprekend en dus onbespreekbaar is. Dat mechanisme om je te onttrekken aan tucht, codes en ingesleten tradities, vormde later de aanleiding voor mijn proefschrift over ‘ambtelijke oppositie’ binnen het Ministerie van Landbouw. Om veranderingen tot stand te brengen heb je in iedere organisatie barricadevechters nodig, vervolgens komt de groep die niet meevecht, maar wel het doel sponsort en gedoogt en tot slot zijn er de RIVD’ers: de remmers in vaste dienst. Dat zijn de typen die altijd ‘ja maar’ roepen en ‘dat lukt ons toch nooit’. Ik voel me geregeld barricadevechter.

De laatste jaren ben ik me steeds meer gaan verdiepen in de Franse filosofie en besef dat we als mensen worden geboren in een mentaal voorgeprogrammeerde wereld. We leven vaak als robots binnen normen, codes en verwachtingen, zonder aan onszelf toe te komen. We produceren vervreemding en houden die in stand door weg te kijken. We hebben inspiratie kapot georganiseerd. Dat is het meest zichtbaar in de politiek en in het openbaar bestuur. Het gaat over belangen, procedures en regeltjes, in plaats van onderliggende waarden. De landbouw en de zorg als voorbeeld. De manier waarop ons voedsel wordt geproduceerd en geconsumeerd en hoe we omgaan met ouderen, zieken en vluchtelingen is een maatstaf voor ons niveau van beschaving. Of kijk hoe we rechtvaardigheid hebben georganiseerd. Bij de rechtbank wordt vaak niet de waarheid beloond, maar de slinksheid van slimme advocaten. 

De filosofie heeft me ook geleerd dat het leven zich niet afspeelt op de eilanden met al onze instituties, dogma’s en conventies, maar op de oceaan tussen de eilanden. Die spanning tussen de gemaakte orde van de eilanden en de wanorde van het dagelijks leven is mijn speelveld. Vandaar dat ik altijd kritisch zal blijven tegenover instituties. Neem de kerk, waar de inspiratie ondergeschikt wordt gemaakt aan de door prelaten gemaakte regeltjes. En zo zijn er talloze voorbeelden. De Franse theoloog Marcel Legaut stelde eens: we worden geboren als origineel en sterven vaak als kopie. Ik ben op weg naar het origineel in mezelf.   


****************************************



Een vernieuwend voorstel voor een aanpak van de spanning tussen intensieve veehouderij en omgeving, gebaseerd op de nieuwe Omgevingswet


Mathieu Wagemans, Raadslid Ronduit Open, Leudal


Inleiding


Met grote regelmaat worden we als Gemeenteraad geconfronteerd met situaties op planologisch terrein waarin we graag verandering willen maar waarbij de ervaring leert dat plannen voor verandering vaak niet tot uitvoering (kunnen) komen omdat geldende regels verandering en vernieuwing in de weg staan. Ons planologisch beleid is in de ogen van velen vastgelopen. Formeel berust de verantwoordelijkheid en bevoegdheid voor het vaststellen en wijzigen van bestemmingsplannen bij de Raad maar in de praktijk blijkt de bewegingsruimte voor de Gemeenteraad alsmaar beperkter te worden. Politieke discussies lopen vast in vragen wat juridisch mag en wat juridisch niet is toegestaan. Het politieke domein wordt als ware overklast door het juridisch domein. Dat kan in de uitvoering niet worden hersteld. Die situatie staat haaks op het beginsel van de scheiding der machten (de wetgevende, macht, de rechtsprekende macht en de uitvoerende macht) dat de grondslag vormt voor ons staatsbestel. De onafhankelijkheid die de Trias Politica bepleit lijkt aangetast. Het juridisch domein wordt dominanter. Gewenste beleidsveranderingen blijken steeds moeilijker inpasbaar binnen strakke juridische kaders.

Ook de Rijksoverheid is die ontwikkeling niet ontgaan. Het huidige stelsel van regels en procedures laat weinig ruimte om in te spelen op de dynamiek van een moderne samenleving. De vraag hoe burgers situaties beleven is gaandeweg vervangen door formele definities zoals die in wetten en verordeningen zijn vastgelegd. Het besef dat we zijn vastgelopen in een dicht en gedetailleerd stelsel van regels wordt breed gedeeld. Ondernemers moeten ingewikkelde en kostbare procedures doorlopen wanneer zij bedrijfsactiviteiten willen wijzigen. Omwonenden hebben juridische bijstand nodig omdat regels steeds ingewikkelder worden en voor burgers vaak lastig zijn te doorgronden. Voor gemeenten is het vaak lastig regels te handhaven omdat dit grote inspanningen vergt. Bovendien blijkt dat genomen besluiten in juridische procedures vaak geen stand houden. Beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het motiveringsbeginsel, bieden volop mogelijkheden om een genomen besluit met succes aan te vechten.          

Dergelijke overwegingen waren een belangrijke aanleiding om te komen tot een nieuwe Omgevingswet. Over de onderliggende redenen om tot een nieuwe Omgevingswet te komen bestaat niet zoveel misverstand en de ambities van de Omgevingswet worden dan ook breed gedeeld. Die houden in dat er meer flexibiliteit komt, dat er minder centraal wordt geregeld, dat er meer ruimte komt voor initiatieven op decentraal niveau en dat de verantwoordelijkheid niet alleen wordt verlegd van de centrale overheid naar de lokale overheid maar ook dat op lokaal niveau betrokkenen zelf, ondernemers en burgers, meer ruimte krijgen om zelf plannen te ontwikkelen. Het initiatief om met een nieuwe Omgevingswet te komen was mede gebaseerd op de wens om meer ruimte te scheppen zodat kan worden ingespeeld op ontwikkelingen in de prakrijk. De ambitie van de Omgevingswet is om situaties vlot te trekken waarin velen veranderingen willen die thans op formele beperkingen stuiten. Het planologisch beleid zoals dat juridisch is vastgelegd heeft een statisch karakter en is niet meer in staat mee te bewegen met de dynamiek van een (post)moderne samenleving.   

In 2016 besloten Eerste en Tweede Kamer tot de nieuwe Omgevingswet, Deze wet zal in de plaats treden van tal van bestaande regelingen die betrekking hebben op het buitengebied. Zo hebben we nu te maken met bestemmingsplannen, met structuurvisies, met welstandsnota’s, met kapvergunningen enz. Na invoering van de nieuwe Omgevingswet wordt de situatie overzichtelijker. Gemeenten dienen dan een Omgevingsvisie vast te stellen en aansluitend een Omgevingsplan te maken om die visie in praktijk te brengen. Dat kan beleid en regelgeving een stuk overzichtelijker maken. Maar de invoering van de Omgevingswet houdt veel meer in. Ingrijpend is de overdracht van bevoegdheden naar gemeenten. Er ontstaat meer beleidsruimte op gemeentelijk niveau. Maar ook binnen gemeenten is er sprake van verandering. Terwijl Raad en College tot nu toe een centrale plaats innemen in de ruimtelijke ordening komen er met de Omgevingswet meer mogelijkheden voor burgers om invloed te hebben op hun eigen leefomgeving. Er komt meer ruimte voor eigen initiatieven. De impact van deze veranderingen kan nauwelijks worden overschat. In wezen worden verantwoordelijkheden overgeheveld naar burgers. Die zitten niet langer in een passieve positie waarin ze moeten afwachten wat er over hen wordt beslist en wat de uitkomst is van complexe juridische procedures maar ze kunnen, uiteraard binnen door overheden aangegeven kaders, zelf een actieve rol spelen. Ten diepste gaat het om een nieuwe vorm van burgerschap.        

Ook in Leudal hebben we te maken met situaties waarin ondernemers en burgers tegenover elkaar staan en waarin (vrijwel) ieder besluit van de Raad c.q. College het startpunt vormt voor juridische procedures. Dat betreft in het bijzonder vergunningen op het terrein van de intensieve veehouderij. Voortdurend vormen genomen besluiten met betrekking tot bestemmingsplannen en individuele vergunningen aanleiding tot juridische procedures. Dat kost zowel betrokkenen als de gemeente zelf veel tijd, geld en energie en leidt slechts zelden tot uitspraken van Rechtbanken en/of Raad van State waarin ieder zich kan vinden. Zodra sprake is van een wijziging van regels c.q. vergunningen wordt wederom geprocedeerd.

Dat leidt tot de vraag op welke wijze de nieuwe Omgevingswet kan bijdragen aan oplossingen in situaties waarin sprake is van gespannen verhoudingen en waarin partijen vaak tegenover elkaar staan. We zullen eerst inhoudelijk ingaan op de problematiek binnen de landbouwsector zelf en op de relatie tussen de landbouw en de omgeving. Vervolgens zullen we nagaan op welke wijze de mogelijkheden die de nieuwe Omgevingswet biedt kunnen worden benut om knel- en probleemsituaties geheel of gedeeltelijk op te lossen. We zullen zien dat dit allerminst vanzelfsprekend is. Zo bestaat het risico dat de verhoudingen tussen partijen oplossingen belemmeren en verhinderen dat aan vernieuwende initiatieven wordt gewerkt. Om die reden zal aansluitend een voorstel worden gedaan dat het huidige stelsel van rechten en plichten ingrijpend verandert met als doel oplossingen mogelijk te maken die thans niet kunnen worden gerealiseerd. Ook gaan we in op de vraag welke processen een vernieuwende aanpak faciliteren en voorkomen dat initiatieven vastlopen in oude tegenstellingen.   

  • De ontwikkeling van de landbouw

De ontwikkeling die de landbouw, vooral vanaf de vijftiger jaren, ook in onze regio heeft doorgemaakt is indrukwekkend geweest. Schaalvergroting en specialisatie maakten het mogelijk de productiviteit enorm te laten stijgen. Daardoor kon de kostprijs in de hand worden gehouden. De nadruk op economische aspecten kwam centraal te staan. Dat hield nauw verband met de fase van wederopbouw waarin Nederland verkeerde na de Tweede Wereldoorlog. Goedkoop voedsel was belangrijk omdat mede daardoor de lonen in de industrie laag konden blijven. Dat stelde de industrie in staat om een krachtige exportpositie op te bouwen.

Ondernemers hebben van deze enorme stijging van de arbeidsproductiviteit slechts in beperkte mate geprofiteerd. De voordelen van een lage kostprijs werden voor een belangrijk deel doorgegeven aan consumenten. Daarbij speelt een belangrijke rol dat de positie van producent in de keten traditioneel zwak is. Er is een voortdurende druk tot verdere schaalvergroting en specialisatie zonder dat de verhoudingen in de keten wezenlijk veranderen. Een relatief beperkt aantal verwerkingsbedrijven en supermarkten heeft een relatief dominante positie in de voedselketen en vormt de verbindende schakel tussen veel producenten en veel consumenten. Er zijn weliswaar tal van initiatieven met als doel ketenverkorting door directe aan- en verkoop tussen producent en consument maar de omvang hiervan blijft vooralsnog relatief beperkt.

De producent ziet zich daardoor geplaatst voor de voortdurende noodzaak tot beheersing en verlaging van de kostprijs. Tegelijkertijd worden de eisen aan voedselproductie steeds strenger wat extra investeringen en inspanningen noodzakelijk maakt. Denk aan toepassing van nieuwe technologie om de negatieve gevolgen van de intensieve veehouderij op te vangen. Bedrijven worden verplicht ammoniakwassers te installeren om de uitstoot van ammoniak te verminderen. De groei van de intensieve veehouderij heeft tot een groot mestoverschot geleid. Om dat probleem op te lossen kunnen bedrijven met een mestoverschot worden verplicht een gedeelte van de mestproductie te verwerken wat aanmerkelijke investeringen vraagt. Die investeringen dwingen vervolgens tot verdere schaalvergroting en specialisatie om zo de kostprijs in de hand te houden door de kosten over een grotere productie te spreiden.   

Nu zijn we ons ook steeds meer gaan realiseren dat aan dat succes van voortdurende verhoging van de productiviteit ook nadelen zitten. De snelle ontwikkeling en voortdurende modernisering had ook minder positieve gevolgen. Veel bedrijven moesten hun activiteiten stoppen, deels vanwege gebrek aan een opvolger maar ook om economische redenen. Schaalvergroting en specialisatie betekenden een sterke toename van de kapitaalintensiteit. Ondernemers werden steeds afhankelijker van banken. Specialisatie betekende ook dat de risico-gevoeligheid toenam vergeleken met de gemengde bedrijven in de vijftiger jaren van de vorige eeuw. Maar er ontstonden ook problemen in de relatie tussen intensieve veehouderij en omgeving. Vanaf het midden van de zeventiger jaren waren er de eerste geluiden dat de ontwikkeling van de intensieve veehouderij tot onoplosbare problemen zou gaan leiden. Gewezen werd op een steeds groter mestoverschot en op negatieve effecten op de omgeving. Denk aan de effecten van ammoniakemissie en aan overbelasting van oppervlakte- en grondwater. Vooral de laatste tien jaar is er ook meer aandacht gekomen voor gezondheidsklachten van omwonenden. Naast de gevolgen van ammoniakuitstoot wordt gewezen op de risico’s van fijnstof.

Het succes werd gaandeweg tot probleem. Lange tijd, en in de ogen van velen nog steeds, was de overtuiging dat die problemen oplosbaar waren door nieuwe technologie. Mestoverschotten kunnen worden weggewerkt door moderne methoden van mestverwerking. Ammoniakemissies kunnen worden teruggedrongen door gebruik van ammoniakwassers. Maar er bestaan ook toenemende twijfels over deze ontwikkeling. Vragen ontstaan wat het eindpunt van deze ontwikkeling zal zijn. Zijn problemen rond mestverwerking op duurzame wijze oplosbaar? Hoeveel bedrijven zullen uiteindelijk overblijven? Het proces van schaalvergroting lijkt eindeloos voort te gaan. Een eindpunt is niet in zicht. En hoe verhoudt zich de situatie van een zeer gering aan supergrote bedrijven tot de door vele gedeelde wens dat gezinsbedrijven de basis van de Nederlandse landbouw zijn en ook moeten blijven? De modernisering heeft nieuwe afhankelijkheden geschapen. We noemde reeds de alsmaar hogere kapitaalintensiteit van bedrijven. Bovendien is het proces moeilijk omkeerbaar. Sterker nog, er is eerder sprake van een tredmolen. De individuele ondernemer heeft daarbij nauwelijks een keuze. Het is meedoen aan het proces van schaalvergroting of op termijn het bedrijf beëindigen. Stilstand is achteruitgang.

Wanneer modernisering problemen oplevert is er een, zeker in landbouwkringen, breed gedeelde overtuiging dat technologie die problemen kan en zal oplossen. Modernisering is een door technologie gedreven proces. De Franse filosoof Latour heeft er aandacht voor gevraagd dat de technologie allerminst een neutraal instrument is. We zijn steeds afhankelijker geworden van nieuwe technologie. We kunnen de voordelen van technologie benutten maar we hebben ons vaak onvoldoende gerealiseerd dat nieuwe technologie ook eisen stelt aan de toepassing ervan. Toepassing van nieuwe technologie maakte het noodzakelijk dat we eerst de werkelijkheid aanpasten aan de eisen die de technologie stelt. Het instrument van de technologie kreeg zo gaandeweg de regie in handen. Het middel werd regisseur.

Het centraal stellen van economische overwegingen had als consequentie dat andere waarden, bijvoorbeeld ecologische, kwetsbaar werden. Er was in toenemende mate sprake van afwenteling. De rekening voor economisch profijt had de vorm van achteruitgang van waarden als natuur, landschap, van negatieve effecten op de gezondheid door emissies van ammoniak en fijnstof, van nitraat- en fosfaatverzadiging van de bodem en van verontreiniging van grond- en oppervlaktewater. Deze negatieve effecten vormden geen bestanddeel van de kostprijs op bedrijfsniveau. Zou dat alles worden doorberekend naar de consument dan zou het economische plaatje van de veehouderij er ingrijpend anders uitzien. Het komt erop neer dat de intensieve veehouderij slechts een beperkte economische basis heeft. Zouden alle negatieve effecten worden doorberekend, dan zou de kostprijs aanmerkelijk hoger zijn. Uit een recent onderzoek (“De echte prijs van vlees”, maart 2018, CE Delft in opdracht van Natuur en Milieu) ) blijkt dat de externe kosten van vlees substantieel zijn. Als alle externe kosten zouden worden verdisconteerd in de prijs en er geen subsidies zouden worden verstrekt, dan zou de prijs van een stukje varkensvlees 53% boven de huidige supermarktprijs moeten liggen. Voor rundvlees is de echte prijs 40% hoger, en voor kippenvlees zouden de kosten 26% hoger zijn. Uit de analyse blijkt ook dat milieuschade in de intensieve veehouderij de grootste schadepost vormt. Het gaat dan met name om emissies van ammoniak (NH3) die gezondheidseffecten geeft voor boeren zelf en omwonenden en de luchtkwaliteit in Nederland flink slechter maakt. De studie stelt ook dat de totale netto maatschappelijke schade van de Nederlandse consumptie van vlees op dit moment ongeveer 4,5 miljard euro per jaar bedraagt (inclusief subsidies).

Maar niet alleen economische en ecologische aspecten spelen een rol. Landbouw had van oudsher een krachtige verbindende functie op het platteland. Die functie is als gevolg van de modernisering aanzienlijk ingeperkt. Terwijl de landbouw oorspronkelijk een belangrijke maatschappelijke functie vervulde, is de nadruk steeds meer op het economisch belang komen te liggen. Bedrijven verdwenen uit de dorpskernen en werden verplaatst naar het buitengebied. Dat had ook gevolgen voor de positie van de landbouw binnen de maatschappij. De landbouw vormde steeds minder een verbindende schakel en een bron van cohesie. De modernisering speelde zich af op bedrijven en werd onttrokken aan het gezichtsveld van burgers. Gevolg is dat burgers thans nauwelijks een beeld hebben van hoe een moderne bedrijfsvoering eruit ziet en hoe ons voedsel wordt geproduceerd. De maatschappelijke functie van de landbouw heeft door de nadruk op economische belangen aan betekenis ingeboet.

Bij de toenemende spanning tussen intensieve veehouderij en omgeving speelt zeker ook mee dat de functies van het buitengebied zijn verbreed. Er kwamen nieuwe inkomensbronnen die speciale eisen stellen aan de omgeving. Zo heeft zorglandbouw juist profijt van een duurzaam beheer van het buitengebied. Voor functies als recreatie en toerisme geldt dat nog sterker. Dat betekent dat er ook vanuit andere economische bedrijfstakken een tegengeluid komt tegen aantasting van de kwaliteiten van het buitengebied. Ook speelt zeker mee dat burgers mondiger zijn geworden. Men vindt het niet meer vanzelfsprekend dat men als bewoners van het buitengebied de nadelen van een steeds intensievere landbouw moet accepteren.

Dat alles heeft de afgelopen decennia tot toenemende polarisatie geleid in het buitengebied. Ook Leudal kent meerdere probleemsituaties die in de huidige omstandigheden niet of nauwelijks oplosbaar zijn. Aanvragen voor vergunningen voor aanpassing en vergroting van bedrijven stuiten steeds vaker op weerstand met een opeenvolging van juridische procedures. Pogingen om via mediation tot voor ieder aanvaardbare oplossingen te komen blijken vaak geen succes te hebben. De verhoudingen zijn vaak te zeer verstoord. Enerzijds is er voor ondernemers de noodzaak van voortdurende vernieuwing en anderzijds wensen omwonenden en bijvoorbeeld natuur- en milieuorganisaties de gevolgen daarvan niet langer te accepteren. Dat betekent vertraging van plannen, ergernis bij alle betrokkenen en de mogelijkheden om tot oplossingen te komen zijn gering. De regels die met betrekking tot rechtsbescherming gelden geven volop gelegenheid tot verzet tegen onwelgevallige overheidsbesluiten.

De conclusie van het bovenstaande is dat de maatschappelijke positie van de landbouw tot probleem geworden. De eisen vanuit de maatschappij nemen toe en de ruimte op daarop in te spelen is voor de individuele ondernemers beperkt. We zitten vast aan de wijze waarop we alles hebben georganiseerd en geregeld. We houden de problemen als het ware georganiseerd in stand. We hebben de problemen beter georganiseerd dan de uitdagingen voor de toekomst. Daarbij moeten we ons realiseren dat ingrijpende veranderingen weliswaar nodig zijn maar dat de invloed van de gemeenten beperkt is. We kunnen als gemeente incidentele innovatieve initiatieven ondersteunen maar voor structurele oplossingen zijn we afhankelijk van de provinciale en (vooral) de landelijke overheid en natuurlijk van betrokken partijen zelf. De nieuwe Omgevingswet geeft blijk van een andere benadering en heeft de ambitie meer ruimte te bieden aan dynamiek. Alle aanleiding dus om de mogelijkheden van de Omgevingswet op het terrein van de spanning tussen intensieve veehouderij en omgeving nader te verkennen.    

  • De Omgevingswet

De toenemende bemoeienis van de overheid met de intensieve veehouderij heeft geleid tot een dicht net van juridisch verankerde regels. Het juridisch systeem waarin rechten en plichten zijn vastgelegd is gebaseerd op individuele bedrijven. Weliswaar gelden er op landelijk, provinciaal en lokaal niveau algemeen geldende regels voor het recht om dieren te houden maar dergelijke rechten zijn toegewezen aan individuele bedrijven en gebonden aan specifieke locaties. Wie dieren houdt dient over een vergunning te beschikken om dat op een bepaalde locatie te doen. De vraag is aan de orde of en op welke wijze de mogelijkheden van de nieuwe Omgevingswet kunnen bijdragen aan structurele en duurzame oplossingen. Dat geldt in het bijzonder omdat deze Wet meer flexibiliteit toelaat en meer ruimte schept voor initiatieven vanuit de praktijk. Dat biedt mogelijkheden ten opzichte van de huidige situatie waarin sprake is van een strak en complex juridisch kader.

Er zijn kortom veel redenen om positief te staan tegenover de ambities van de nieuwe Omgevingswet. Maar de vraag blijft of het ook gaat lukken die ambities in de praktijk handen en voeten te geven. We noemden reeds het grote aantal nota’s, rapporten en plannen die als strekking hadden dat ingrijpende veranderingen nodig waren met betrekking tot de intensieve veehouderij. Maar ook stellen we vast dat deze niet of zeer onvoldoende zijn opgepakt en dat met aanbevelingen weinig is gebeurd. Plannen kwamen slechts moeizaam tot uitvoering en werden onder politieke druk vaak verzacht. Of oplossingen werden naar de toekomst verschoven. Het gaat kennelijk om een weerbarstig vraagstuk. Veel pleidooien voor noodzakelijke veranderingen met betrekking tot de intensieve veehouderij hebben geen vertaling gekregen in de praktijk. Er is dus meer nodig om te voorkomen dat ook de ambities van de Omgevingswet vastlopen in intenties die niet kunnen worden gerealiseerd. Er blijkt een spanning te bestaan tussen theorie en praktijk. Succes is niet vanzelfsprekend. Zo kunnen we bestaande rechten niet zomaar opzij zetten. Die zijn juridisch stevig verankerd. Maar ook is het lang niet vanzelfsprekend dat partijen met elkaar draagvlak bereiken voor plannen. Zo is er regelmatig sprake van vijandbeelden tussen betrokkenen. Verhoudingen zijn vaak verstoord na lange juridische procedures waarin partijen tegenover elkaar zijn komen te staan. Dat maakt het niet gemakkelijk om in die context vervolgens met elkaar plannen uit te gaan werken.

Om tot werkelijke vernieuwing te komen is er meer ruimte nodig zodat er oplossingen in zicht komen die thans niet mogelijk zijn. Om die reden is een voorstel uitgewerkt dat het huidige systeem van rechten en plichten vervangt door een stelsel dat meer ruimte biedt om tot oplossingen te komen.

De vraag in hoeverre de ambities en mogelijkheden van de nieuwe Omgevingswet zullen worden benut is, vanwege de uitgangspunten en principes van de nieuwe Omgevingswet, primair een vraag voor de Gemeenteraad. Dat geldt ook voor Leudal. Gaan we de geboden ruimte benutten? Welke voorwaarden gelden daarbij? Staan we open voor initiatieven of blijven we vasthouden aan het bestaande rigide kader en accepteren we bewust of onbewust de bezwaren die daaraan vastzitten? In het laatste geval accepteren we ook het voortbestaan van overlast- en knelsituaties. Dat is dus eerst en vooral een politieke keuze.  

Tegelijkertijd zijn er ook omstandigheden die de geesten wellicht rijp maken voor een nieuwe aanpak waarbij gebruik wordt gemaakt van de opties van de Omgevingswet. Allereerst zullen weinigen gelukkig zijn met de huidige situatie. Ondernemers worden thans belemmerd in de uitvoering van hun bedrijfsplannen en tegelijkertijd zijn eenmaal vergunde rechten vrijwel onaantastbaar waardoor omwonenden de zekerheid hebben dat problemen nog lange tijd blijven voortbestaan. Een tweede gunstige omstandigheid is dat ondernemers als gevolg van nieuwe regels de overstap moeten maken naar nieuwe en milieuvriendelijker stalsystemen. Dat vraag aanzienlijke investeringen en velen zullen die stap niet zetten en hun activiteiten beëindigen. Dat betekent dat er dynamiek komt in de sector en dat is een gunstig moment om die zodanig te sturen dat ook in planologisch opzicht een duurzamere structuur ontstaat. Die kan worden bereikt door dierrechten te verplaatsen van locaties die overlast geven naar activiteiten waar die overlast niet bestaat of aanzienlijk minder is. De uitdaging is om die herstructurering zodanig te laten plaatsvinden dat in de eindsituatie zowel ondernemers als omwonenden er maximaal op vooruit zijn gegaan. Zonder regie over de te verwachten dynamiek zullen rechten kunnen worden verplaatst naar minder optimale locaties en zal er mogelijk worden geïnvesteerd op locaties die op termijn weinig duurzaam zijn. De komende periode van dynamiek lijkt uit te nodigen om de daaraan verbonden kansen te benutten door investeringen te doen op locaties die toekomstbestendig zijn. Zo kan worden voorkomen dat dieren worden verplaatst naar locaties die nu reeds als problematisch worden ervaren en die zich niet goed lenen voor uitbreiding of nieuwvestiging. Die situatie zou voor alle betrokkenen nadelen hebben. In plaats daarvan zou de ambitie moeten zijn om dieren te verplaatsen van locaties die thans overlast geven naar locaties waar betere mogelijkheden zijn voor bedrijfsontwikkeling. Zoals aangegeven kunnen bestaande regels verhinderen dat deze ontwikkeling zal optreden. Dat roept de vraag op of een aanpak denkbaar is die de gewenste structuurverbetering wel mogelijk maakt.

4. Een voorstel op basis van de nieuwe Omgevingswet

Wij menen dat verandering en vernieuwing niet zijn gediend met een systeem waarin rechten aan individuele bedrijven zijn toegekend en iedere wijziging onderwerp zal zijn van lange juridische procedures. Binnen het huidige systeem worden probleemsituaties niet wezenlijk opgelost omdat eenmaal verleende rechten moeilijk kunnen worden aangetast. Het voorstel is om een systeemsprong te maken door over te stappen van individuele beoordeling van bedrijfsplannen en wijziging van vergunningen naar een meer gebiedsgerichte benadering. Dat is meer dan een schaalsprong. Het voorstel houdt ook in dat gekozen wordt voor een andere benadering waarbij de verantwoordelijkheid voor oplossingen deels verschuift van de overheid naar private partijen. Ondernemers, burgers en natuur- en milieuorganisaties komen centraal te staan en krijgen de mogelijkheid om voor het “eigen” gebied met oplossingen te komen die duurzaam en houdbaar zijn. Dat houdt concreet in dat knelsituaties onderwerp worden van onderling overleg en dat van overheidszijde de mogelijkheid wordt geboden en ook ondersteund om een plan op te stellen waarin alle betrokkenen zich kunnen vinden. Die benadering betekent dat regionale differentiatie uitgangspunt is. Wat aanvaardbaar is in de ene regio kan worden afgewezen in een andere regio. Centraal staat dat gekozen wordt voor een beoordelings- en afwegingskader dat zich niet beperkt tot afzonderlijke bedrijven maar een regionaal karakter heeft. Een op te stellen plan houdt in dat wordt vastgelegd op welke locaties verdere bedrijfsontwikkeling mogelijk is, welke voorwaarden daarbij gelden en ook op welke locaties veehouderijactiviteiten binnen een af te spreken termijn worden beëindigd. Dat betekent niet dat een streep wordt gehaald door regels van de landelijke, provinciale en gemeentelijke overheid maar dat sprake is van een algemener kader waarbij de concrete invulling van regels aan de partijen in een gebied wordt overgelaten.

Natuurlijk kan men oordelen dat een dergelijke aanpak niet van de grond zal komen, zeker wanneer sprake is van verstoorde verhoudingen. Echter, voor beide partijen valt er winst te behalen. Voortzetting van de huidige situatie betekent dat er in veel gevallen een rem is op bedrijfsontwikkeling en dat overlast voor omwonenden blijft voortduren. Partijen hebben er dus belang bij dat men tot overeenstemming komt. Zonder onderlinge overeenstemming blijven bestaande rechten inclusief de daaraan verbonden consequenties van kracht. Die verliezen pas en slechts hun geldigheid zodra er overeenstemming is over een nieuw en door betrokkenen gedragen plan.

De betekenis van de Omgevingswet is vooral dat daardoor mogelijkheden in beeld komen die thans juridisch niet mogelijk zijn. De overheid zit vast aan eenmaal verleende rechten. Wijziging daarvan is enkel mogelijk wanneer daarbij betrokken partijen daarover overeenstemming bereiken. We kunnen dus slechts in beperkte mate erop vertrouwen dat wijziging c.q. aanscherping van regels zal helpen. Verandering kan niet worden afgedwongen. Tegelijkertijd hebben partijen er belang bij tot overeenstemming te komen, wetend dat men anders gevangen zit in een strak juridisch kader.   

De Omgevingswet kan flexibiliteit bieden doordat rechten uitwisselbaar worden tussen locaties. Daardoor ontstaan meer mogelijkheden tot structuurverbetering van de sector en voorts kan worden bijgedragen aan een gewenste oplossing van probleemsituaties. Een dergelijke benadering kan niet worden opgelegd door de gemeente. Het gaat immers om private belangen die juridisch zijn verankerd. Uitgangspunt dient te zijn dat voor realisering van deze benadering alle betrokkenen (ondernemers, burgers, milieu- en natuurorganisaties) een centrale rol krijgen toebedeeld. Dat houdt in dat betrokken partijen in probleemsituaties op basis van thans verleende vergunningen gezamenlijk een plan uitwerken waarbij na een overgangsperiode een situatie wordt bereikt waarin dieren op zodanige locaties worden gehouden dat dit leidt tot verbetering van de structuur van de sector. Die benadering maakt bedrijfsontwikkeling mogelijk waarbij tevens bestaande overlast wordt teruggedrongen. Dat kan bijvoorbeeld inhouden dat op locaties waar thans intensieve veehouderij plaatsvindt en waar een ondernemer overweegt te stoppen, de activiteiten op wellicht grotere schaal worden voortgezet terwijl tegelijkertijd bedrijfsactiviteiten op locaties die problemen opleveren op termijn worden beëindigd of sterk worden verminderd.

Ook is helder dat realisering van een dergelijk plan aanzienlijke financiële inspanningen zal vragen. Het aantal dieren per bedrijf is thans aanzienlijk groter dan in de negentiger jaren toen een veelomvattend plan dat de gehele intensieve veehouderij in de concentratiegebieden zoals Noord-Brabant, Limburg, Gelderland en Overijssel omvatte, niet van de grond kwam en politiek op wezenlijke punten werd “uitgekleed” waardoor de uitkomst veel minder ingrijpend werd en de problemen niet werden opgelost maar, integendeel, eerder werden versterkt en verdiept. Dat plan hield een onderscheid in tussen landbouwontwikkelingsgebieden en varkensvrije zones. Het huidige plan is kleinschaliger en is gebaseerd op een lokale aanpak waarbij binnen een gemeente ook nog eens de inspanningen zijn gericht op oplossing van knelsituaties.

Een verschil is ook dat indertijd sprake bij het plan voor varkensvrije zones sprake was van een landelijk kader terwijl in het huidige voorstel is gekozen voor een aanpak vanuit de praktijk. De overheid heeft in het voorstel een andere positie en rol. Bovendien ligt minder de nadruk op regelgeving en wordt deels het uitgangspunt losgelaten dat aanscherping van regels de gewenste eindsituatie zal doen ontstaan. Niet de overheid is leidend en voorschrijvend in de voorgestelde aanpak maar aangesloten wordt bij wat betrokkenen in een bepaald beperkt gebied zelf wensen.

Natuurlijk kan men twijfels hebben of partijen die in procedures lijnrecht tegenover elkaar hebben gestaan bereid en in staat zijn tot het opstellen van een gezamenlijk plan te komen. Echter, wanneer men besluit niet mee te werken betekent dan voor ondernemers dat bedrijfsontwikkeling lastig zal blijven en dat de structuur van de sector niet wezenlijk verbetert. Voor omwonenden zou dat inhouden dat in dat men nog zeer lange tijd de bestaande overlast zal moeten accepteren. De uitdaging is om een moment van dynamiek in de sector aan te grijpen om ook beweging te krijgen in situaties die in juridisch opzicht zijn dichtgetimmerd.

5. Verdere uitwerking van het voorstel

5.1 Algemeen

Voor de nadere uitwerking en concretisering zullen we op een aantal aspecten van het voorstel nader ingaan. Het onderstaande is niet geschreven vanuit de stelling dat dit de enige uitwerking is maar vooral om de gedachten te bepalen en besluitvorming voor te bereiden over de vraag of we deze kant op willen. De uiteindelijke uitwerking kan dus afwijken. Bovendien is belangrijk dat het uitgangspunt is dat plannen zullen worden opgesteld door betrokkenen. Dat pleit eveneens voor ruimte ten opzichte van de huidige situatie. Een gedetailleerd voorgeschreven procedure met tal van regels staat haaks op het bieden van beleidsruimte aan betrokkenen en kan gemakkelijk belemmeren dat initiatieven van de grond komen. Wel zal er politieke helderheid moeten worden verschaft over het beoordelingskader waar op te stellen plannen aan zullen worden getoetst. Met het wekken van verwachtingen die later niet worden bevestigd is niemand gediend. Dan verkeert vernieuwing in zijn tegendeel, namelijk nog verder verlies aan vertrouwen in overheden. Ook zal de ruimte die wordt geboden op planologisch terrein nooit zover gaan dat harde uitgangspunten zoals die in overheidsbeleid vastliggen en wezenlijke waarden in het gebied worden aangetast.

5.2 Omvang gebied

Bij de selectie van gebieden dient uitgangspunt te zijn of er sprake is van een door betrokkenen intens beleefd probleem. Er moet sprake zijn van een zich voortslepende problematiek die binnen geldende beleidskaders niet oplosbaar lijkt. Voor ondernemers kan dat het gebrek aan noodzakelijk ontwikkelingsmogelijkheden voor hun bedrijf zijn. Voor burgers de ondervonden overlast en voor natuur- en milieuorganisaties de bescherming van kwetsbare waarden. Enkel om de gedachten te bepalen: het zou kunnen gaan om een gebied van 100 tot 500 hectaren waarin 5 bedrijven zijn gevestigd, twintig tot dertig burgers wonen en al of niet sprake is van natuurwaarden. Een te selecteren gebied moet groot genoeg zijn om tot flexibiliteit te komen en klein genoeg om tot een directe onderlinge communicatie te komen tussen alle betrokkenen.

5.3 Fasering

Het spreekt vanzelf dat een dergelijk plan niet van de ene op de andere dag kan worden verwezenlijkt. Het vraagt tijd. Het lijkt dan ook logisch dat een dergelijk plan een overgangsperiode bevat waarin fasen worden onderscheiden in het realiseren van de eindsituatie en waarbij per fase wordt aangegeven welke stappen in die fase worden gezet. Dat kan beëindiging van veehouderijactiviteiten op een locatie inhouden, nieuwe vergunningen voor andere locaties met meer ruimte dan thans is toegestaan, afspraken over maatregelen tijdens een bepaalde fase, afspraken over handhaving van geldende regels enz.       

5.4 Het resultaat

De uitkomst kan het karakter hebben van een kaart waarop staat aangegeven wat de eindsituatie is die men wil bereiken maar ook afspraken over de weg waarlangs en het tijdstip waarop deze moet worden bereikt. Ook kunnen afspraken er onderdeel van zijn waarin verdere ontwikkelingsruimte wordt geboden, gekoppeld aan voorwaarden. Er kunnen ook afspraken met een tijdelijk karakter worden gemaakt die slechts tijdens een overgangsperiode gelden.   

5.5 De financiering

Juist vanwege de aanzienlijke bedrijfsontwikkeling en schaalvergroting in de afgelopen twintig jaar zullen maatregelen die structuur verbeterend werken aanzienlijke investeringen vragen. Het is onze overtuiging dat met name de landelijke en provinciale overheid aanspreekbaar zullen zijn op medefinanciering aangezien te maken plannen die op de steun van alle betrokkenen kunnen rekenen beleidsdoelen realiseren die binnen het huidige systeem al jarenlang niet van de grond zijn gekomen. Immers, de wens tot verbetering van de structuur van de intensieve veehouderij ligt vast in beleidsnota’s van provincie en rijk en niemand zal tevreden terugkijken op de resultaten die op dat terrein de afgelopen periode zijn bereikt. Zeer integendeel!

Het vertrekpunt dat inzet van overheidsmiddelen noodzakelijk zal zijn heeft overigens nooit ter discussie gestaan. Ook in de negentiger jaren toen een ingrijpende herstructurering van de veehouderij onderwerp van overleg vormde was overheidsbudget beschikbaar. Recent is door Minister Schouten aangegeven dat er overheidsmiddelen beschikbaar zijn om het proces van herstructurering te begeleiden en te realiseren. Aangezien een tot stand gekomen plan een duurzame en houdbare oplossing betreft waar alle betrokkenen mee kunnen leven en voor alle partijen aanmerkelijke voordelen heeft, niet in de laatste plaats voor overheden, zijn er krachtige argumenten een beroep te doen op voor de herstructurering van de intensieve veehouderij beschikbare gelden. Overigens zal een door betrokken partijen geaccepteerd plan ook grote voordelen en kostenbesparingen betekenen voor de gemeente. Voortduring van knelpuntsituaties vraagt aanzienlijke ambtelijke en bestuurlijke inzet, zowel bij de voorbereiding van te nemen besluiten als met betrekking tot de inbreng bij juridische procedures (bezwaar en beroep).

5.6 Rol en positie overheid

De positie en rol van de gemeente veranderen ingrijpend. Terwijl de gemeente binnen het huidige planologisch beleidskader een centrale plaats inneemt, vindt planvorming nu primair plaats door betrokken partijen zelf. Daarmee is de rol van de gemeente overigens allerminst uitgespeeld. Op de volgende punten is die rol zelfs cruciaal.

Allereerst zal de gemeente de keuze moeten maken om het voorstel verder uit te werken, daarover te besluiten en het voorstel te communiceren naar betrokkenen. Ook heeft de gemeente een belangrijke opdracht om met provincie en rijksoverheid te communiceren en te verkennen of deze vernieuwende aanpak wordt geaccepteerd. Er moet een kader worden geconstrueerd waarbinnen eenmaal uitgewerkte plannen onderwerp van overleg en beoordeling kunnen zijn. Op de derde plaats zal procesbegeleiding moeten worden georganiseerd. De ervaring leert dat betrokken partijen, wanneer die een periode van juridische processen hebben doorgemaakt, niet automatisch de overstap zullen maken naar het gezamenlijk opstellen van een plan. Dat vraagt over en weer vertrouwen dat in de huidige situatie vaak ontbreekt. Tot slot zullen eenmaal opgestelde en goedgekeurde plannen planologisch moeten worden vastgelegd, bijvoorbeeld als component in een Bestemmingsplan Buitengebied.

5.7 Het proces

Realisering van een dergelijk plan wijkt ingrijpend af van de bestaande praktijk. Partijen die tot nu toe in juridische procedures vaak tegenover elkaar hebben gestaan, moeten gezamenlijk plannen uitwerken waarbij belangen tegengesteld zijn. Anderzijds beschikken ze zelf in de nieuwe situatie over meer vrijheidsgraden en krijgen ze ruimte om tot oplossingen te komen die binnen thans geldende regels niet mogelijk zijn. Ze zijn minder afhankelijk van gemeentelijke regels waar men geen invloed op heeft.

De ervaring leert dat in dergelijke situaties de kans vrij groot is dat gedurende het proces deelnemers zich laten leiden door de beelden die men gedurende een lange periode van elkaar heeft opgebouwd. Het creëren van gezamenlijkheid vraagt bij de start dan ook veel aandacht. Een beproefde aanpak is dat deelnemers als start opschrijven wat voor hun wezenlijke waarden en uitgangspunten zijn. Die kunnen onderling zeer verschillen maar belangrijk is dat deze expliciet worden benoemd, gedeeld en over en weer gerespecteerd. Waar dient het op te stellen plan minimaal aan te voldoen? Wanneer heeft een plan meerwaarde boven de bestaande context? Dat kan voor burgers zijn dat men een aantrekkelijke leefomgeving wenst en voor ondernemers dat continuïteit is verzekerd. Het is belangrijk dat aan het begin van het proces die zaken worden gedeeld en dat er over en weer respect daarvoor bestaat, gevolgd door de afspraak dat wat er aan ideeën en oplossingen op tafel komt, zal worden getoetst aan dergelijke ambities en zorgen. Dat kan meer ontwerpruimte scheppen om met voorstellen te komen zonder het risico te lopen dat men daarop wordt vastgepind. Men treedt dan uit de onderhandelingscontext en er ontstaat ruimte opties te verkennen zonder die reeds vooraf direct af te wijzen omdat men er de gevolgen niet van kan overzien. Een context van onderhandeling kan zo worden vervangen door een context van gezamenlijke constructie. Distributief onderhandelen waarbij winst van de een verlies betekent voor de ander wordt vervangen door een meer integrale overlegcontext. Het resultaat vormt een set van gedeelde waarden en intenties die schriftelijk wordt vastgelegd. Dat document vormt de toetssteen gedurende het te doorlopen proces. Voorspelbaar is dat tijdens het proces regelmatig sprake is van terugvallen in de oude context van belangentegenstelingen. Het bij de aanvang op te stellen document heeft het karakter van een intentieovereenkomst en kan goede diensten bewijzen wanneer verhoudingen tussen deelnemers gespannen raken en voortgang belemmeren. Op dergelijke momenten kan het helpen om te herinneren aan wat bij de aanvang van het proces als intenties is vastgelegd. Een dergelijk document kan zo dienen als baken en kompas voor het proces wanneer zich onderweg strubbelingen voordoen. Waarden inspireren, belangen doen dat zelden of nooit.

Gelet op de aard van de problematiek lijkt het noodzakelijk, althans zeer gewenst, dat het proces plaatsvindt onder begeleiding. Dat kan een persoon uit de eigen omgeving zijn die het vertrouwen geniet van deelnemers of er kan gekozen worden voor externe begeleiding.       

Belangrijk is ook dat vooraf geen concrete stellingen worden betrokken over concrete situaties, bijvoorbeeld de eis dat de geurnorm hoe dan ook moet worden verlaagd of dat op een bepaalde locatie uitbreiding van de veestapel hoe dan ook mogelijk moet zijn. Dus geen voorwaarden vooraf omdat die de ontwerpruimte inperken. Ambities en zorgen zijn belangrijk maar die moeten zodanig worden geformuleerd dat de weg waarlangs daaraan kan worden tegemoet gekomen breed is. Vervolgens blijkt of de bereidheid aanwezig is om een traject te verkennen waarin locatie-specifieke oplossingen worden gezocht.

Men kan het maken van een dergelijk plan opvatten als een mogelijkheid tot oplossingen te komen waar men mee kan leven. Tegelijkertijd heeft men de zekerheid dat als men niet in beweging komt men vast blijft zitten aan problemen die aan de huidige situatie zijn verbonden. Dat betekent voor ondernemers dat men bij ieder plan voor bedrijfsaanpassing de zekerheid heeft dat men in juridische procedures belandt. Het betekent voor omwonenden dat men moet accepteren dat eenmaal vereende rechten vrijwel onaantastbaar zijn en dat ondervonden overlast zal voortduren.

6. Een procedurevoorstel

Stap 1

Het beschreven voorstel is ingrijpend. Het betekent een andere aanpak. Het raakt de beginselen van de toedeling van verantwoordelijkheden. De overheid treedt terug en er wordt ruimte geboden aan betrokken partijen in een gebied. Dit is in hoge mate een politieke aangelegenheid. De eerste stap dient dan ook te zijn om te verkennen of deze aanpak op steun kan rekenen binnen de Gemeenteraad. Wil de Raad actief inspelen op de mogelijkheden die de Omgevingswet biedt, beschouwt men het onderhavige voorstel als een wenselijke benadering en welke opvattingen en aandachtspunten vindt men daarbij belangrijk?

Stap 2

Een volgende stap dient te zijn dat het College bij gebleken steun van de Raad de aanpak verkent bij de provinciale en landelijke overheid, inclusief voorwaarden die aan het proces worden gesteld. Het betreft ook de vraag of overheden zowel beleidsmatig als financieel aanspreekbaar zijn met betrekking tot plannen die door partijen worden opgesteld . Het feit dat meer ruimte wordt geboden aan partijen zal voorspelbaar niet inhouden dat de provinciale en rijksoverheid beleidsmatig geheel zullen terugtreden. Er zal een toetsingskader moeten worden opgesteld dat weliswaar ruimer is dan het huidige complexe en gedetailleerde stelsel van regels maar dat recht doet aan verplichtingen waar bijvoorbeeld de landelijke overheid internationaal aan is gehouden. Belangrijk is dat van meet af aan helderheid bestaat wat het kader is dat op rijks- en provinciaal niveau geldt. Wat zijn de absolute voorwaarden waar oplossingen aan moeten voldoen?

Stap 3

Vervolgens wordt door het College een Raadsvoorstel waarin de aanpak zodanig concreet is uitgewerkt dat hiermee in de praktijk aan de slag kan worden gegaan. Dat voorstel zal ook de gebieden benoemen die bij voorrang worden benaderd. Natuurlijk is denkbaar dat ook spontaan initiatieven van de grond komen.     


Heythuysen, 19 augustus 2018

***********************************************



Opiniebijdrage 9 mei, Dagblad De Limburger

Door Orde scheppen we Chaos

Wie als buitenlander Nederland bezoekt zal vaak onder de indruk zijn van hoe we ons land hebben ingericht. We hebben alles keurig op orde, de tuintjes zijn aangeharkt. Alles is geregeld. Dat mag op het eerste gezicht mooi en indrukwekkend lijken maar wijzelf kennen ook de nadelen ervan. De manier waarop we alles hebben geordend kan ook een belangrijke hinderpaal zijn, bijvoorbeeld wanneer we vernieuwingen willen doorvoeren. Dan staan al die regels ons vaak in de weg. Neem als voorbeeld de ruimtelijke ordening waarin we alles tot in detail hebben geregeld. Als we iets willen veranderen zijn er ingewikkelde, tijdrovende en kostbare procedures nodig. Nog erger is dat het systeem nauwelijks veranderbaar is. We hebben alles in definities vastgelegd. En voortdurend worden we gedwongen onze regels nog verder te verfijnen. Is een verzameling stenen een bouwwerk? Wat valt er onder een aan huis gebonden beroep? Bovendien worden we in een moderne samenleving voortdurend geconfronteerd met nieuwe ontwikkelingen en situaties. Het is een wereld waar de politiek de greep op heeft verloren. Het is een walhalla voor juristen, tot groot ongenoegen van burgers en ondernemers die er de last van ondervinden.

Nu is kenmerk van een definitie dat die een onderscheid maakt tussen wat de definitie omvat en wat er buiten valt. Definities sluiten uit. En door definities verder aan te punten valt er steeds meer buiten. Steeds vaker krijgen burgers te maken met de reactie dat die plannen in strijd zijn met de definities zoals we die in onze regels hebben vastgelegd. En regels moeten nu eenmaal worden gerespecteerd. Juist door uit te sluiten wordt de wereld buiten onze systemen steeds groter. De overheid wordt steeds minder ontvankelijk voor wat er leeft onder burgers. Alles wat niet binnen de definities en binnen het beleid valt, bestaat niet voor de overheid. Het is betekenisloos, althans voor de overheid. Het valt buiten onze ordeningen. We beschouwen het als chaos. We hebben daarbij niet in de gaten dat we zelf, door te bepalen wat buiten de regels valt, de constructeurs zijn van die chaos. We willen orde en juist daardoor scheppen we chaos.

Voor die chaos hebben we geen belangstelling. De Franse filosoof Michel Serres stelt dat die chaos waardevol is. Juist datgene wat we hebben buitengesloten bevat de kiemen voor vernieuwing. Gaandeweg is onze aandacht zo gefocust op de regels dat we niet in de gaten hebben dat we daardoor het zicht hebben verloren op wat van waarde is. We hebben als het ware eilanden geconstrueerd waarop we alles keurig hebben geregeld maar het echte leven speelt zich steeds meer af op de oceaan. Serres pleit ervoor onze eilanden te verlaten en expedities te ondernemen om het leven op de oceaan te leren kennen. Dat vraagt lef. Het is veel veiliger in onze papieren werkelijkheid te blijven functioneren en de illusie in stand te houden dat we alles op orde hebben. Juist door naar duidelijkheid en zekerheid te streven hebben we nieuwe onzekerheden geconstrueerd. Nodig is dat we die illusies ontmaskeren. Van rechters hoeven we die ruimte niet te verwachten. Die dienen immers te toetsen aan geldende regels. De werkelijke opdracht ligt bij politici, bij parlementsleden, leden van Provinciale Staten en Raadseden. Die bepleiten weliswaar telkens weer de noodzaak van vernieuwing maar laten zich maar al te vaak leiden door juridische discussies over regels. Daardoor houden ze het verleden in stand in plaats van de toekomst te ontwerpen. Men blijft op de eilanden de dijken verhogen maar is op de duur niet bestand tegen het wassende water. Het feit dat in veel gemeenten nauwelijks nog 50% van de burgers gaat stemmen voor een nieuwe gemeenteraad is een teken aan de wand. Burgers herkennen zich niet meer in het formele leven op de eilanden en gaan hun eigen weg. Men heeft geen aandacht meer voor bestuurders en politici die het belang van onze democratie benadrukken maar tegelijkertijd gaandeweg hun belangstelling hebben verloren voor wat burgers bezighoudt.

Thieu Wagemans is Raadslid voor Ronduit Open in Leudal

**********************************************


De Robotisering van Raadsleden

Een pleidooi voor vernieuwing van de lokale politiek

Mathieu Wagemans, Raadslid Ronduit Open, gemeente Leudal

Januari 2018

(nadere info: www.ontganiseren.nl Mail:Thieuwagemans@gmail.com tel: 0648131102 Linked in)


Inhoud

Inleiding

Vier essenties

Orde en overzichtelijkheid

Uitsluiting en chaos

Twee werelden

Vertegenwoordiging

Wat is nodig voor verandering?

Hoe zijn die omslagen te realiseren?

Wat betekent dat voor raadsleden?

Literatuur


Inleiding

Na de gemeenteraadsverkiezingen in 2014 was er veel aandacht voor de lage opkomst. In veel gemeenten lag het opkomstpercentage rond de 50%. Dat is op het eerste gezicht merkwaardig. Immers, op gemeentelijk niveau is de relatie tussen gekozenen en kiezers het meest concreet. Het gaat minder over abstracte vraagstukken maar over de verkeersveiligheid in de eigen buurt, over de vraag waar, hoeveel en welke soort woningen worden gebouwd, hoe het openbaar groen wordt onderhouden, of er iets gedaan wordt aan armoedebestrijding en of de huishoudelijke hulp goed is geregeld. Je zou verwachten dat burgers de mogelijkheid aangrijpen om te oordelen over het gevoerde beleid en over de plannen die partijen hebben. Natuurlijk kan men aanvoeren dat de pers nu eenmaal minder aandacht besteedt aan lokale vraagstukken en zich concentreert op wat er rond het Binnenhof gebeurt. Maar de vraag blijft hoe op lokaal niveau de ontmoeting tussen raadsleden en burgers het meest direct is en de politiek niettemin toch zo weinig aanspreekt.

Er lijkt alle aanleiding te zijn voor een verdiepende analyse in plaats van de gemeenplaatsen over oppervlakkigheid van het debat, kerktoren denken en andere etiketten die met groot gemak op de lokale politiek worden gedrukt. De relatie tussen kiezer en gekozene staat centraal in onze democratie. Als die om welke reden dan ook is verstoord, dan gaat onze democratie mank. Vertrouwen is cruciaal in een systeem van vertegenwoordiging. Toch laat dat juist te wensen over. Velen gaan niet eens stemmen, daarmee aangevend dat ze geen relatie hebben met de politiek, niet eens een slechte. Niettemin prijzen we internationaal ons democratisch systeem aan en proberen we invoering van een democratisch stelsel af te dwingen door eisen te stellen aan te verlenen gunsten zoals het sluiten van handelsverdragen.

Nu lijkt er geen aanleiding te zijn om de principes en kerngedachten van de democratie tegen het licht te houden. Die vinden brede steun, zo blijkt telkens weer uit onderzoek. Met de democratische beginselen lijkt niets mis. Het lijkt eerder zo dat de wijze waarop we die beginselen hebben uitgewerkt en er in de praktijk vorm aan hebben gegeven, een kritische beschouwing vraagt.

Vier essenties

In die verdieping zullen we ingaan op een viertal vraagstukken en we zullen op grond daarvan conclusies trekken die als confronterend kunnen worden ervaren. Aansluitend zullen we de veranderingsopgaven benoemen en daarbij ingaan op de rol van raadsleden en de eisen die dat stelt aan het raadslidmaatschap. Er is nadrukkelijk niet gekozen voor gladde verhalen omdat het onze overtuiging is dat politieke correctheid geen oplossing biedt maar juist mede oorzaak is van de situatie waarin we verkeren.

Orde en overzichtelijkheid

De eerste essentie betreft de zucht naar orde en ordelijkheid. We stellen hoge eisen aan de overheid. Die hebben we vastgelegd in beginselen van behoorlijk bestuur. Wij wensen niet dat de overheid zich schuldig maakt aan willekeur. Wij vinden dat de overheid gemaakte afspraken moet nakomen en besluiten deugdelijk moet motiveren. Wij wensen dat de overheid alle burgers gelijk behandelt. Voor de wet is immers iedereen gelijk.

Nu is het nog niet zo eenvoudig voor de overheid om alle besluiten te laten voldoen aan de hoge eisen die we stellen. Dat vraagt grote zorgvuldigheid. Dat leidt ertoe dat bij beleidsmaatregelen heel precies wordt aangegeven wat die inhouden, voor wie die gelden en welke procedures daarbij horen. Een wet of verordening begint doorgaans met een aantal definities waarin begrippen worden omschreven. Met veel gevoel voor detail omschrijven we wat moet worden verstaan onder een motorvoertuig, belastbare inkomsten, een bouwwerk of wanneer er sprake is van armoede. We definiëren de maatschappelijke werkelijkheid zodat we bij de toepassing van onze regels aan de hoge eisen kunnen voldoen. Wat plaatsvindt is dat we ons een beeld van de maatschappelijke werkelijkheid vormen dat ons in staat stelt te handelen conform de eisen die we aan overheidshandelen stellen. Natuurlijk weten we dat de maatschappij niet zo ordelijk is, veelkleurig is, alsmaar verandert en dat er geheel uiteenlopende opvattingen kunnen bestaan rond problemen en oplossingen. Maar recht doen aan die veelkleurigheid is lastig. We kunnen moeilijk beleidsmaatregelen treffen waarbij we de geldigheid afhankelijk maken van veranderende omstandigheden. Er is ook weinig of geen ruimte om af te wijken van de regels en rekening te houden met persoonlijke opvattingen. Regels horen nu eenmaal voor iedereen te gelden.

Dat betekent dat de voorbereiding en vaststelling van beleidsnota’s gaandeweg erg ingewikkeld is geworden. Een beleidsmaatregel moet juridisch houdbaar zijn. Beleid moet eenduidig zijn en geen ruimte bieden voor uiteenlopende interpretaties. We vinden verder dat nieuwe beleidsmaatregelen logisch moeten passen in reeds eerder vastgesteld beleid. De eis van motivering leidt er verder toe dat we helder aangeven wat de oorzaken zijn van een maatschappelijk probleem dat we willen oplossen. Ook moet het verwachte resultaat heel nauwkeurig worden geduid want we willen weten waar het beleid toe dient te leiden. Wanneer verslaving mede veroorzaakt wordt door eenzaamheid, dan nemen we maatregelen om de eenzaamheid te bestrijden. Wanneer de kwaliteit van de natuur afneemt als gevolg van de ammoniakuitstoot van veehouderijbedrijven, dan schrijven we luchtwassers voor die de ammoniakemissie beperken. Wanneer de verkeerssnelheid naar onze overtuiging een oorzaak is van ongelukken, dan plaatsen we borden met een maximumsnelheid. Kortom, we willen helderheid en zijn gaandeweg helderheid met gedetailleerdheid gaan verwarren.

Casus ruimtelijke ordening

Ons verlangen naar ordening komt treffend tot uitdrukking op het terrein van de ruimtelijke ordening. Het ruimtelijk beleid is een complex van zeer gedetailleerde kaarten en regels waarin ieder willekeurig perceel of iedere bebouwing uiterst gedetailleerd een plaats heeft gekregen. Een perceel grond is bestemd als agrarisch, er is nauwkeurig aangegeven welke activiteiten er mogen plaatsvinden, of mestverwerking wel of niet een agrarische activiteit is, wat we verstaan onder een bouwwerk, of een perceel ook landschappelijk belangrijk is en welke consequenties daar dan aan zijn verbonden. Een weg is wel of niet provinciaal, het is wel of niet een ontsluitingsweg. Een verzameling betonblokken moet wel of niet als een erfafscheiding worden beschouwd. Er was ooit een langdurige discussie of een populierenweiland moest worden beschouwd als een agrarisch perceel zij het dat er bomen in het gras stonden, dan wel als een bosgebied, zij het dat er gras tussen de bomen groeide. De definitie bepaalde of de Boswet van toepassing was, dan wel of de boer in aanmerking kwam voor Brusselse bergboerensubsidies. Maar niet alleen is in wetten en bestemmingsplannen alles nauwkeurig vastgelegd, er is ook een stroom aan jurisprudentie die kracht van wet heeft. Er kan zich geen situatie voordoen of via rechterlijke uitspraken wordt vastgesteld of een vergunning wel of niet kan worden verleend en of de daaraan verbonden voorwaarden wel of niet terecht zijn. Alles is nauwkeurig geordend en situaties en gebeurtenissen die niet in onze ordeningen passen zijn betekenisloos. Chaos is uitgesloten. Ook kunnen burgers met succes een beroep doen op uitspraken die rechters eerder hebben gedaan in min of meer vergelijkbare gevallen. De consequentie van dat alles is dat de formele bevoegdheid van gemeenteraden om bestemmingsplannen vast te stellen beperkt is. Al gauw stuiten wensen op juridische bezwaren. De voorgeschreven orde met zijn uiterst gedetailleerde regels en processen is de maatstaf.

Nu leert de ervaring ook dat de maatschappelijke werkelijkheid heel wat minder geordend is. We hebben voortdurend te maken met onverwachte gebeurtenissen. De werkelijkheid houdt zich niet aan onze schema’s en modellen. Steeds weer moeten we accepteren dat we in ons beleid een keurig aangeharkt beeld van de werkelijkheid hebben geschapen dat in de praktijk echter niet is terug te vinden. We hebben een schijnwereld gecreëerd die perfect oogt en juist daardoor niet overeenstemt met de maatschappelijke werkelijkheid. We scheppen een wereld die letterlijk en figuurlijk te mooi is om waar te zijn of ooit waar te worden. We doen dat omdat we zo de illusie overeind kunnen houden van een consistent en allesomvattend beleidskader. We hebben de lat voor onszelf zo hoog gelegd dat we er nauwelijks meer overheen kunnen.

Uitsluiting en chaos

De tweede essentie die nauw met de eerste samenhangt is de uitsluiting. De zucht naar orde en gelijkheid heeft als gevolg dat alles wat zich niet laat ordenen, alles wat niet in onze ordeningen past, wordt buitengesloten. Het verdwijnt buiten beeld. We persen een zeer gevarieerde werkelijkheid binnen een nauwsluitend beleidskader en wat daar niet in past valt buitenboord. Alles wat niet kan worden ingepast, is er wel maar heeft geen betekenis binnen onze schema’s en structuren. De ordening bepaalt wat binnen de ordening past. Beleid is bedoeld en beleidsmaatregelen zijn een middel om de maatschappelijke werkelijkheid te veranderen maar daarvoor is nodig dat we de maatschappelijke werkelijkheid eerst aanpassen zodat die in overeenstemming is met ons beleidskader en de daarin opgenomen definities. De relatie tussen doel en middel wordt omgekeerd. We willen door middel van beleid de maatschappelijke werkelijkheid veranderen maar daartoe moeten we die werkelijkheid eerst geschikt maken voor onze beleidsinstrumenten. Het maatschappelijk doel moet voldoen aan onze instrumenten. Dat is een merkwaardige paradox. We streven naar ordelijkheid en juist daardoor creëren we chaos. Onder chaos verstaan we dan alles wat niet kan worden geordend. Die chaos bestaat wel maar is betekenisloos binnen ons beleid en de daarin opgenomen ordeningen. Het vreemde is dat die chaos het logische gevolg is van onze wens tot ordening. Ordening en uitsluiting hangen onverbrekelijk samen. Wij wensen orde en overzichtelijkheid en juist dat streven wordt de bron van chaos. We formuleren definities en hebben geen oog voor de wereld die buiten onze definities valt. Zo beschouwd is chaos in wezen door onszelf gecreëerde chaos. Die chaos dringt niet tot ons door. De chaos heeft geen betekenis, simpelweg omdat we die hebben buitengesloten.

Maar de ervaring leert dat we weliswaar de maatschappelijke werkelijkheid die niet in onze systemen past kunnen uitsluiten en ontkennen maar daarmee zijn we er niet van af. Permanent worden we geconfronteerd met de werkelijkheid die binnen onze systemen geen plek vindt. Het uit zich in gebeurtenissen, initiatieven en protesten waar we geen goed antwoord op hebben. We ervaren het als lastig. En als ontkenning niet helpt proberen we met bezweringsformules en symboolpolitiek de spanning te verminderen. We zijn erg vindingrijk om het onvermogen van onze systemen te verbloemen.        

Wat irrationeel is, past niet in onze op rationaliteit gebaseerde wereld. Er is in ons systeem geen ruimte voor wat inconsistent is want beleidsregels moeten tot in de kleinste details logisch samenhangen. Niemand neemt het op voor wat inconsistent is, voor het niet-beredeneerbare, voor wat niet meetbaar is. We kunnen ermee leven, juist door het niet serieus te nemen.     

Gevolg is ook dat de wereld van beleving en betekenisgeving weliswaar bestaat en voor burgers wezenlijk is, maar die kan binnen onze ordeningen niet aan bod komen. We hebben die wereld buitengesloten. Dat is niet het bewuste doel maar wel het feitelijk effect van ons streven naar ordening. Wanneer het nu om relatief onbelangrijke, betekenisloze zaken ging, zou dat op zichzelf geen probleem hoeven te zijn. Dat ligt anders wanneer we wezenlijke aspecten buitensluiten. Dat is precies wat er aan de hand is. Sterker nog, de wereld buiten onze ordeningen is in de ogen van menigeen de “echte” werkelijkheid waarin burgers leven, in menig opzicht dankzij en desnoods ondanks de overheid. De wereld van politiek en beleid is de schijnwereld waarin politici en bestuurders telkens weer zichzelf bevestigen en zich dat ook kunnen permitteren.

Nog een stap verder is dat deze schijnwereld niet slechts onmachtig is om verwachtingen waar te maken maar in zijn tegendeel gaat verkeren. Het is een zo complex geheel van regels en procedures dat het moeilijk doordringbaar en begrijpelijk is voor burgers. Communiceren met de overheid vraagt specialistische kennis van bevoegdheden en regels. Rechtvaardigheid verwordt zo tot vaardigheid in het recht. We hebben gelijkheid zo ingewikkeld en gedetailleerd uitgewerkt dat het bron wordt van ongelijkheid. Het middel gaat gaandeweg het realiseren van doelen frustreren.

Twee werelden

De derde essentie hangt samen met de processen van uitsluiting. Er zijn als het ware twee werelden ontstaan: de formele wereld waarin alles keurig is beredeneerd, geordend en aangeharkt enerzijds en anderzijds de wereld van alles wat als gevolg van onze ordeningsbehoefte is buitengesloten omdat het niet paste. Zo wordt een groot deel van de werkelijkheid buitengesloten en de overheid kan zich dat ook permitteren. Immers, de macht van de overheid is definitiemacht. De overheid kan de eigen definities van situaties en gebeurtenissen dwingend opleggen aan de maatschappij. Wat daarin niet past, bestaat formeel niet. Maatschappelijke gebeurtenissen hebben slechts betekenis voor zover die vallen binnen de definities van onze wetten en verordeningen. Ontoelaatbaar gedrag is toegestaan zolang het buiten de definitie van strafbare feiten valt. Zo beschouwd is de macht van de overheid in wezen definitiemacht. Wat niet binnen die definities past bestaat niet.

Dat is voor de overheid een uiterst aantrekkelijke positie. De overheid kijkt met een geordend perspectief en ziet enkel wat in onze ordeningen past. De rest is chaos. Maar alles heeft zijn prijs. De prijs is dat de overheid steeds minder ontvankelijk wordt voor wat burgers bezig houdt en voor wat er in de maatschappij speelt. Die leefwereld van burgers bestaat wel maar kan niet doordringen tot de formele wereld van de overheid. De relatie tussen beide werelden is gespannen omdat ze fundamenteel van elkaar verschillen. Ze bestaan juist vanwege de onverenigbaarheid. Tegelijkertijd kunnen ze elkaar niet ontkennen. Burgers stellen eisen aan het functioneren van de overheid en omgekeerd worden ze geconfronteerd met regels die door de overheid dwingend worden opgelegd.

Het lijkt erop dat die spanning alsmaar toeneemt. Juridische procedures dwingen telkens weer om begrippen nog preciezer te formuleren. Evaluaties van overheidshandelen bij ongelukken leiden tot nog nauwkeuriger protocollen. Binnen de beleidswereld verwarren we helderheid met gedetailleerdheid. Maar dergelijke inspanningen helpen niet wezenlijk. Het lijkt op wat in het schaakspel bekend staat als een herhaling van zetten: veel beweging op het bord maar geen wezenlijke verandering. Ook speelt mee dat de dynamiek in de maatschappij alsmaar toeneemt. De structuren en instituties uit het verleden passen steeds minder in een moderne samenleving. Ze zijn statisch en hebben geen vat op de dynamiek van een netwerksamenleving die een zekere vluchtigheid kent. Oude structuren verliezen aan betekenis maar behouden niettemin hun positie en geldigheid. Overheid en politiek raken het vertrouwen van burgers kwijt. Men pleit voor vernieuwing maar houdt in wezen het verleden in stand. We zijn geformeerd rond gedateerde problemen en belangentegenstellingen. Het is de confrontatie tussen een geordend beleidskader en een steeds dynamischer maatschappelijke werkelijkheid. Er vinden weliswaar voortdurend aanpassingen plaats maar het zijn veranderingen binnen het formele systeem van bevoegdheden, regels en procedures. Dergelijke aanpassingen verschaffen de illusie van oplossingen maar de echte modernisering blijft uit. Het is alsof je denkt dat je door de tafelschikking te veranderen ook de kwaliteit van het eten kunt verbeteren. De snelheid van de maatschappij is niet bij te benen door steeds gedetailleerder en daardoor tijdrovender procedures. Vernieuwende initiatieven komen niet van de grond omdat de ”Verordening Vernieuwende Initiatieven” dat verhindert.    

Maar niet alleen de snelheid is een probleem. Ook de aard van de maatschappelijke vraagstukken verandert. We maken analyses op basis van te eenvoudige schema’s met causale relaties maar daarmee doen we geen recht aan de maatschappelijke werkelijkheid. De probleemformulering moet hoe dan ook uitmonden in maatregelen en die maatregelen moeten op hun beurt daadkracht uitstralen. De dynamiek van een moderne samenleving is echter te complex en resistent tegen ons redeneren. Maatschappelijke ontwikkelingen zijn vaak niet rationeel en houden zich niet aan onze gedachtenconstructies. De onderliggende krachten laten zich nog niet zo gemakkelijk ontleden in simpele afhankelijkheden en oorzaak-gevolgrelaties. Bovendien veranderen relaties voortdurend. Veel krachten werken op elkaar in en de uitkomst van maatregelen laat zich lastig voorspellen. Zekerheden vallen weg. Het lijkt meer op zijn plaats om niet langer te spreken over het probleem van een complexe werkelijkheid maar te erkennen dat onze beleidsmodellen te simpel zijn.   


Casus Veiligheid

In vroeger tijden was het betrekkelijk eenvoudig te vijand te benoemen. De ene stam trok ten strijde tegen de ander. Later waren het doorgaans staten die met elkaar een conflict uitvochten. Maar thans hebben we te maken met aanslagen die ons volkomen onverwacht kunnen treffen. Als er al sprake is van een strategie, dan wordt die uitgevoerd door aparte cellen die vaak geen of slechts een dunne verbinding met elkaar hebben. Het is het beeld van een guerrilla waardoor het niet meer mogelijk is de vijand in een keer uit te roeien of krachteloos te maken. Georganiseerde criminaliteit roept een vergelijkbaar beeld op. Versterken van de veiligheid roept ook nieuwe en stevige tegenkrachten op. We wensen niet dat de overheid te zeer binnendringt in onze private leefwereld. Dat beperkt de mogelijkheden van de overheid om tijdig over voldoende informatie te beschikken en daarop gebaseerde maatregelen te nemen.           

Onze wens tot beïnvloeding met behulp van beschikbare beleidsinstrumenten doet geen recht aan de veelkleurige werkelijkheid. Voortdurend worden we gedwongen nieuwe definities te formuleren voor situaties die vroeger niet bestonden. Of we moeten bestaande definities zoals die in het beleid vastliggen nog verder specificeren. Zie de belastingwetgeving waar de overheid voortdurend reparaties moet uitvoeren om schijnconstructies, bedoeld om belasting te ontwijken, hun werking te ontnemen. Ons regelsysteem wordt daardoor alsmaar specifieker terwijl maatschappelijke ontwikkelingen steeds complexer worden. Misschien is het meer op zijn plaats om de toenemende complexiteit voor een deel toe te schrijven aan de eenvoud van onze beleidsschema’s. We zijn zo beschouwd zelf de constructeurs van complexiteit. Hoe dan ook, om met Deleuze te spreken: we worden geconfronteerd met vraagstukken die het karakter hebben van een rizoom, met een wortelstelsel dat zich ondergronds onvoorspelbaar en ongeordend vertakt. Door enkel te verwijderen wat zich bovengronds toont laat het zich niet uitroeien. Dan bestrijden we op zijn best symptomen en vaak dat niet eens. Misschien ligt hier ook een verklaring voor de problemen die we ervaren bij de overgang naar een participatiemaatschappij. We kunnen vaak moeilijk omgaan met particuliere initiatieven omdat die niet goed kunnen worden ingepast binnen onze beleidskaders. We willen vernieuwing maar we blijven toetsen aan regels uit het verleden. We houden eraan vast, hoe graag we ook anders zouden willen.

Hoe heeft dit zolang kunnen doorgaan ondanks alle analyses, oproepen en voorstellen? Het eerste punt is dat de overheid, zoals we zagen, het betekeniskader dwingend oplegt. De overheid kan het zich permitteren de ogen en oren te sluiten en buiten beeld te laten wat niet past binnen het stelsel van wetten en daarvan afgeleide regels. Het tweede punt is dat ons juridisch systeem functioneert als slot op de deur. Rechters toetsen aan regels en mogen niet anders. Het systeem, hoewel gedateerd, wordt daardoor steeds weer bevestigd. Het betekeniskader van de overheid mag gebreken vertonen, maar het is juridisch wel stevig verankerd. Wat buiten de context van de regels valt is betekenisloos en kan en mag bij de afweging hooguit een marginale rol spelen. Een derde factor heeft te maken met maatschappelijke structuren. De maatschappij is splitsend georganiseerd rond tegenstellingen uit het verleden en niet rond uitdagingen voor de toekomst. We kennen werkgevers- en werknemersorganisaties, landbouw- en natuurorganisaties. Dergelijke structuren nodigen uit tot distributief onderhandelen, touwtrekkerij en in het ergste geval loogravengevechten. Ook speelt mee dat organisaties hun vertegenwoordiging en bescherming vinden binnen politieke partijen met als gevolg dat de onderliggende belangentegenstellingen ook politieke debatten beheersen. Politieke partijen worden dan al gauw behartiger van deelbelangen. In een recente toespraak wijst Tjeenk Willink op de neiging tot zelfreferentie: hoe onze systemen zichzelf telkens weer bevestigen en juist daardoor het zicht op de buitenwereld verliezen.  

Dat alles leidt ertoe dat de bouwwerken van onze rechtsstaat weliswaar stevig zijn gegrondvest maar gaandeweg hun greep verliezen op de dynamiek van een moderne samenleving. Ze dienen niet meer. Maar vergunningen voor ingrijpende verbouwingen zijn lastig te krijgen. Velen hebben er belang bij de oude structuren in stand te laten en te blijven wonen in verouderde gebouwen. Het zijn symbolen van een verleden. Veel adviseurs in gemeenteland verdienen een boterham als permanente reparateurs van symptomen.    

De gevolgen nemen we dagelijks waar. De spanning tussen de formele en de maatschappelijke werkelijkheid uit zich in hoge transactiekosten. Steeds vaker worden politieke besluiten onderwerp van juridische procedures. Dan gaat het om de vraag of een besluit juridisch stand kan houden. Of een gemeenteraad bevoegd is. Of er sprake is van procedurefouten. De discussie verplaatst zich van de raadszaal naar de rechtszaal en de politieke context wordt vervangen door een juridische. De wilsvraag, die politiek van aard is, wordt overvleugeld door vragen over bevoegdheden en procedures. Het zijn uitingen van een gemankeerd systeem dat steeds verder in zichzelf verstrikt raakt. Gunstige condities voor een implosie dus.  

Vertegenwoordiging

De beide werelden bestaan naast elkaar maar tegelijkertijd kunnen ze elkaar niet ontkennen. Dat maakt de vraag interessant wat er gebeurt op het raakvlak. Hoe groot de verschillen ook zijn, er moet niettemin tussen beide werelden worden gecommuniceerd. Op de eerste plaats moeten de spelers binnen het formele domein eens in de vier jaar het recht vragen opnieuw het spel te mogen spelen. Men is bij verkiezingen afhankelijk van de steun van burgers aan wie nauwelijks is uit te leggen hoe complex het veld is waarbinnen de politiek functioneert. Dat geldt voor het spel zelf maar zeker ook voor de complexiteit van de vraagstukken die op de politieke agenda staan. Dat maakt het lastig verantwoording af te leggen. Verantwoording veronderstelt transparantie maar die is nog niet zo eenvoudig te realiseren wanneer dat kennis van en inzicht in de formele werkelijkheid vraagt. Dat vraagt de bereidheid van burgers zich in het formele domein te verdiepen een aandacht te geven aan wat door velen als betekenisloos zal worden ervaren. Het is een andere planeet. Dat leidt voor politici tot de keuze voor vereenvoudiging. Men moet de sympathie verwerven van burgers en beperkt zich tot aansprekende oneliners of toezeggingen waarvan men zich heel goed realiseert dat het nog niet zo gemakkelijk is om die binnen het complexe beleidsveld te realiseren. Campagnes worden gekenmerkt door manipulatie van beeldvorming. Het gaat niet om de vraag of men staatsman is maar of men de gelijkenis kan oproepen. Profilering van partij en kandidaten staat voorop. Met gewiekste reclamecampagnes wordt geprobeerd een beeld op te roepen dat burgers aanspreekt. Dat is primair verwijtbaar aan de politiek die in verkiezingstijd burgers benadert als manipuleerbare objecten en niet als zelfstandige burgers.

Die manipulatie is overigens tweezijdig. Voor burgers roept het bestaan van twee werelden de vraag op hoe men betekenisvol kan communiceren met de overheid wanneer binnen het overheidsdomein een heel andere taal wordt gesproken. Wat plaatsvindt is dat datgene wat burgers beroert zodanig wordt geherformuleerd dat dit betekenis heeft voor de overheid. Wie zich tot de rechter wendt met de klacht dat men zich onrechtvaardig behandeld voelt door de overheid, zal zijn klacht moeten herformuleren. We hebben nu eenmaal geen “Verordening Gevoelens” waar de rechter aan kan toetsen. Hij maakt meer kans bij de rechter wanneer hij kan aantonen dat de overheid bij het bestreden besluit heeft gehandeld in strijd met de geldende regels. Die herformulering veronderstelt bekendheid met de regels zoals die gelden en vraagt de nodige creativiteit en behendigheid. Dat is het werk van advocaten en adviseurs. Daarbij wordt er dankbaar gebruik gemaakt van het feit dat de overheid bij de uitvoering van beleid is gebonden aan steeds strakkere en gedetailleerdere regels. Dat biedt volop ruimte om een overheidsorgaan te verwijten niet te hebben gehandeld in overeenstemming met die eigen regels. Relatief onbelangrijke vormfouten worden aangevoerd om daarmee onwelgevallige besluiten onderuit te halen. Er worden argumenten aangevoerd die voor burgers betekenisloos zijn maar die binnen de overheidssfeer uiterst relevant zijn. Is de juiste procedure gevolgd? Was het overheidsorgaan wel bevoegd? Was het besluit voldoende gemotiveerd? Waren alle aspecten wel uitputtend onderzocht? Wat plaatsvindt heeft vaak het karakter van een spiegelgevecht dat zelfs voor de betreffende burger nauwelijks is te volgen. In formele procedures wordt het betekeniskader van de overheid met al zijn definities en regels als uitgangspunt genomen met als doel diezelfde overheid op overtreding van regels te betrappen of op handelen in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur. Er wordt dankbaar gebruik gemaakt van het feit dat de lat voor de overheid hoog is gelegd. Het uit zich in een toenemend aantal procedures en overbelasting van de organen van bestuursrechtspraak. De overheidsregels worden als uitgangspunt genomen in de wetenschap dat rechters slechts aan die regels mogen en zullen toetsen. Vervolgens dienen diezelfde regels om het optreden van de overheid op correctheid te beoordelen. Los van de vraag wat me van die regels vindt, ze bieden in ieder geval volop gelegenheid de overheid verwijten te maken. De stortvloed aan juridische procedures en de ruime faciliteiten op het terrein van rechtsbescherming maken de overheid kwetsbaar omdat het alsmaar lastiger wordt eraan te voldoen. Verwijzend naar Serres zou je in zekere zin kunnen spreken van parasitair gedrag. De burger respecteert de regels van de overheid en benut die tegelijkertijd om overheidshandelen te ondergraven. De overheid wordt geconfronteerd met zichzelf. De parasiet respecteert de waardplant en holt die gelijktijdig uit.   

Wat is nodig voor verandering?

De noodzakelijke veranderingen zijn ingrijpend. Aanpassingen binnen het bestaande systeem zullen geen uitkomst bieden. Die kunnen de kloof met wat burgers betekenisvol vinden niet overbruggen. De overgang is aan de orde naar een ander systeem dat voor burgers transparant is en dat tevens in staat stelt de vraagstukken van een moderne samenleving op te lossen . Dat is nog niet zo eenvoudig, alleen al omdat het bestaande systeem met al zijn regels, bevoegdheidsverdeling en procedures zo stevig is verankerd. De noodzakelijke systeemvernieuwing vraagt primair omslagen in denken en het ter discussie stellen wat thans vanzelfsprekend is. De definities in onze wetten en verordeningen bepalen vaak heel precies wat binnen de definitie valt maar de uitdaging is om niet enkel te kijken naar wat de definitie omvat maar juist naar wat ze uitsluit. Om met Michel Serres te spreken: juist de chaos, juist datgene wat niet in onze ordeningen past, bevat de kiemen voor vernieuwing. Dat betekent een totale omkering in ons denken. De volgende omslagen zijn daarbij aan de orde.

De eerste omslag is dat we ruimte maken voor beleving van burgers en ons niet langer beperken tot wat we rationeel achten, tot wat kan worden beredeneerd. Dus niet een kruispunt als veilig beschouwen nadat we eerst “veiligheid” aan de hand van objectieve maatstaven (het aantal dodelijke aanrijdingen, het aantal meters uitzicht) hebben gedefinieerd om vervolgens inbreng van burgers dat ze de situatie als onveilig beleven terzijde te schuiven. We moeten emoties toelaten als uitingen van hoe burgers situaties beleven. Thans lopen emoties voortdurend het risico rationeel te worden benaderd. Juist daardoor worden ze ontdaan van hun kern en voelen burgers zich miskend. De leefwereld van burgers toelaten en er betekenis aan geven houdt ook in dat we niet langer uniformiteit dwingend opleggen maar variatie toelaten. Dat betekent dat er aardig moet worden huisgehouden in het woud aan regels en daarop gebaseerde jurisprudentie. En ook dat gelijkheid en uniformiteit als illusies moeten worden ontmaskerd. We moeten het Huis van Thorbecke ontdoen van mythes en ficties. Zoals de fictie dat een minister op de hoogte kan zijn van alle besluiten die op een willekeurige dag op een ministerie worden genomen en daarvoor verantwoordelijk kan worden gehouden. Of het uitgangspunt dat iedere burger de wet dient te kennen. Dat is natuurlijk onmogelijk maar die fictie is nodig omdat zonder die fictie een burger zich bij overtreding van regels zou kunnen verschonen door zich er met succes op te beroepen dat de regel hem niet bekend was. Het zijn ficties maar die ficties zijn uiterst functioneel omdat zonder deze hoekstenen het gebouw van Thorbecke kan instorten.

De tweede omslag heeft betrekking op ons concept van burgerschap. Meer ruimte geven voor wat burgers bezighoudt is een kant van de medaille. Er is ook een andere kant. Burgers zijn dragers van de democratische rechtsstaat. De relatie tussen kiezer en gekozene is de centraal en dragende relatie in een democratische rechtsstaat. Dat besef is zoek. Thans is sprake van een context van vrijblijvendheid. Een burger kan zich uitputten in kritiek op overheid en politiek en tegelijkertijd zich onttrekken aan iedere verantwoordelijkheid. Die vrijblijvendheid moet worden vervangen door een context van verantwoordelijkheid. Aanspreken op verantwoordelijkheid gebeurt echter vanuit de politiek, zeker in verkiezingstijd, nauwelijks. Dan is de burger minder belangrijk maar zijn stem des te meer. Burgers worden thans niet benaderd als drager van verantwoordelijkheid maar ze moeten gunstig worden gestemd. Het raakt de kern van een democratie.

De derde omslag is dat we de drang tot ordening opzij moeten zetten. Ordening betekent het zoeken naar uniformiteit. Organiseren betekent dat die uniformiteit vervolgens dwingend wordt opgelegd. We leven daardoor in een mentaal voorgeprogrammeerde werkelijkheid. In plaats daarvan is de uitdaging aan de orde het onverwachte en het oncontroleerbare onder ogen te zien.

Gevolg is ook, en dat is de vierde omslag, dat we niet meer vanzelfsprekend kunnen vertrouwen op bestaande instituties. Onze organisaties zijn gebaseerd op vanzelfsprekendheden en als die onderwerp van discussie worden valt de basis onder onze organisaties weg. Ze waren bedoeld als instrument en middel om zaken beter te laten verlopen maar worden een steeds grotere hinderpaal voor noodzakelijke vernieuwing. Onze belangenstructuren houden de problemen uit het verleden in stand en belemmeren de aanpak van de vraagstukken van een moderne samenleving. De ruiven van de overheid nodigen daar ook vaak toe uit. Geld wat bedoeld is om tot systeemdoorbraken te komen wordt vanuit kennisinstellingen vaak primair gezien als een middel om de continuïteit van de eigen instituties te zekeren. Gevestigde belangen en structuren leiden in een poldercultuur tot het elkaar de bal toespelen. Onder het mom van het ontwerpen van de toekomst reproduceren we zo het verleden. Ook onze gezagsstructuren werken belemmerend. Hiërarchie verliest aan betekenis en we moeten op zoek naar andere organisatieprincipes. Wederkerigheid bijvoorbeeld als basis om burgers zowel naar elkaar als naar de overheid te verplichten.

De vijfde omslag hangt hiermee samen en heeft betrekking op vervanging van de context van belangen naar de context van waarden. Bestaande instituties zijn uitdrukking van en georganiseerd rond belangentegenstellingen die de stap naar echte vernieuwing blokkeren. Probleemformuleringen op het niveau van belangen nodigen uit tot compromissen over regels, tot uitzonderingen en tot vertragingstactieken. De onderliggende problemen worden zo in stand gehouden. De vraagstukken van onze moderne samenleving vragen om thematisering op het niveau van waarden. Echter, debatten op ideologisch niveau vinden in de politiek steeds minder plaats. Een voorbeeld vormt de landbouw. Het beleid met betrekking tot de productie van voedsel raakt steeds verder verstrikt in complexe regelgeving. Handhaving van regels vraagt buitengewoon grote inspanningen. Steeds weer is sprake van spanningen tussen een economisch georiënteerde landbouw en een ecologisch verantwoord beheer van de omgeving. Schaalvergroting in de landbouw wordt door velen gezien als oorzaak van problemen en tegelijkertijd wordt schaalvergroting vanuit de landbouw gepresenteerd als oplossing om zo op internationaal vlak te kunnen blijven concurreren. Het politieke debat wordt gekenmerkt door conflicterende belangen in plaats van inspiratie te vinden in waarden zoals rentmeesterschap. Waarden inspireren, belangen doen dat zelden of nooit.

De zesde omslag betreft het schaalniveau. Schaalvergroting wordt ook binnen de overheid gezien als een vanzelfsprekende noodzaak. Dat raakt ook het gemeentelijk niveau. Kleine gemeenten zijn niet toekomstbestendig, zo is de overheersende overtuiging. Gemeentelijke herindelingen zijn onontkoombaar. Vaak wordt daarbij als argument gebruikt dat kleine gemeenten de deskundigheid missen om beleidsvragen goed aan te pakken. Slechts zelden wordt daarbij de vraag gesteld hoe het komt dat het formuleren en uitvoeren van beleid zo ingewikkeld is geworden dat kleinere gemeenten daar niet goed toe in staat zijn. Wat zijn de onderliggende redenen dat beleidswerk in toenemende mate een kwestie is geworden van juristen? Is dat niet een gevolg van het feit dat we onze beleidskaders steeds complexer maken waardoor die steeds verder en steeds vaker vastlopen? Is de roep om schaalvergroting niet een vlucht voor ons eigen onvermogen? In gelijke zin worden bevoegdheden van gemeenteraden steeds verder uitgehold door samenwerkingsverbanden waar individuele raadsleden, partijen en gemeenten steeds minder invloed op hebben. In plaats daarvan is de omslag aan de orde naar schaalverkleining. We moeten naar de burgers toe organiseren en niet van de burgers vandaan. Problemen oplossen op het laagste niveau. De druk naar harmonisatie weerstaan en differentiatie ruimte geven. Inrichting en beheer van straten en wijken decentraliseren en ruimte geven aan burgers om eigen oplossingen aan te dragen en daarvoor de verantwoordelijkheid te dragen. Kort en goed, de nieuwe beleidskaders moeten variatie toestaan in plaats van te dwingen tot uniformiteit.       

De zevende omslag betreft de overgang van een statisch beleidskader naar dynamiek. De veelgeprezen stabiliteit die van de overheid zou mogen worden verwacht is te absoluut en te ver doorgevoerd en werkt hinderend bij de overgang naar een moderne netwerksamenleving. Dynamiek zal permanent zijn en we moeten de verleiding weerstaan de ene statische structuur te vervangen door een andere. Dat helpt niet om antwoorden te vinden op toenemende vluchtigheid van relaties en een voortdurende stroom van nieuwe technologie. Kritisch wordt of de instituties van de toekomst kunnen meebewegen en in staat zijn tot zelfcorrectie.       

Al met al is sprake van een ingrijpende verandering van perspectief. Dat is lastig want het betekent het opgeven van zekerheden c.q. het ontmaskeren van zekerheden als schijnzekerheden. Denken we werkelijk dat we de afstand tot burgers kunnen overbruggen door intern de procedures te veranderen? Of andere vergaderstructuren? Of nog meer twitteren? Nodig is dat we onze kijk op de werkelijkheid veranderen. Dat zal leiden tot andere handelingspraktijken, tot nieuwe mogelijkheden om te interveniëren, tot inzicht waarom gebruikelijke interventies niet werken. Nu bekijken we de wereld vanuit het perspectief van onze ordeningen, vanuit de toedeling van bevoegdheden. Verandering van perspectief biedt nieuwe vergezichten, experimenten en creativiteit. Er moet een houding zijn van ontwerpen van wat nodig is in plaats van behouden wat we hebben. Het bestaande als vijand van het toekomstige.

Hoe zijn die omslagen te realiseren?

Een eerste opmerking is dat het niet terecht zou zijn te stellen dat we vanaf een nulpunt moeten beginnen. Er zijn al veel kiemen van verandering. Velen zijn overtuigd van de noodzaak en er zijn al tal van voorbeelden waarbij mensen initiatieven hebben genomen om tot ingrijpende vernieuwing te komen. Er wordt hier en daar ervaring opgedaan met nieuwe organisatievormen. Buurderijen bijvoorbeeld in plaats van boerderijen. De nieuwe Omgevingswet is ook bedoeld om meer ruimte te scheppen en los te komen van een veel te ver doorgevoerd en star systeem. Maar het is tekenend dat de invoering ervan jaren moest worden uitgesteld, juist omdat bestaande regels een krachtige belemmering vormen.

De aangegeven veranderingen zijn dus ingrijpend. We kunnen daarbij niet terugvallen op gebruikelijke regels en processen. Die hebben immers de problemen veroorzaakt en/of houden ze in stand. We moeten ook de illusie loslaten dat er sprake kan zijn van een min of meer geordend en gepland proces. Het is eerder een zoektocht in het onbekende die grote inzet, lef en creativiteit vraagt. Het roept het beeld op van een ongebaand pad of, zoals Serres stelt, van expedities op de oceaan, nieuwe passages vinden in een zoektocht naar nieuwe landen. Je weet niet wat je onderweg tegenkomt en welke ervaringen je gaat opdoen. Er is ook geen nauw omschreven einddoel. We zijn op zoek naar vernieuwing en kunnen ons daar pas een voorstelling van vormen wanneer we die hebben geconstrueerd. Voorstellingsvermogen is belangrijk en we moeten de verleiding weerstaan om het nieuwe al vooraf te definiëren. De instrumenten uit het verleden helpen niet omdat die telkens terug leiden naar bestaande paden. Ook is er geen garantie van succes. Slechts de gedeelde noodzaak van verandering en de bereidheid de tocht te ondernemen zijn wezenlijk. Kortom, je kunt deze transformatie niet regelen in traditionele zin door het proces te plannen en te faseren. Het proces is inspiratie-gedreven in plaats van hiërarchisch gestuurd.

Consequentie is ook dat er vrije zoek- en experimenteerruimte nodig is die niet binnen het bestaande beleidssysteem kan worden gevonden. Dat stelt eisen aan de positionering van het proces. Het pleit voor een bypass-constructie, een positie buiten de geldende kaders met als opdracht nieuwe instituties te ontwerpen, daarmee ervaring op te doen en ervan te leren.

Dergelijke processen kunnen niet worden overgelaten aan bestaande politieke partijen. Dat zijn relicten uit het verleden die het spel beheersen waardoor het systeem juist is vastgelopen. Het ligt meer voor de hand vrijdenkers in te schakelen die gemotiveerd zijn. Het doet een groot beroep op voorstellingsvermogen, op denken en ontwerpen buiten bestaande kaders. Kunstenaars op institutioneel terrein dus.

Wat betekent dat voor raadsleden?

De politiek is aan zet maar het is allerminst vanzelfsprekend dat die de noodzakelijke stappen zet. De wereld van de gemeentepolitiek wordt in het algemeen gekenmerkt door braafheid. Er wordt groot gewicht toegekend aan de vraag of de juiste procedures op een correcte wijze worden doorlopen. Veel nadruk wordt gelegd op vragen rond bevoegdheden. Uitgebreide discussies over onderwerpen zoals vergaderstructuren en vergadertechniek. Scherpslijperij over verschillen tussen moties en amendementen. Daar weten we veel van. Of neem het dualisme dat langzamerhand juist door de nadruk op juridische aspecten en procedures is dood gediscussieerd. Van een onafhankelijker positie van de Raad ten opzichte van het College, wat toch centraal stond bij de invoering van het dualisme, is nauwelijks sprake. Vaste patronen laten zich maar moeilijk veranderen.     


Tegelijkertijd is het mijn vaste overtuiging dat de voorgestelde veranderingen nergens beter kunnen beginnen dan op gemeentelijk en lokaal niveau. Daar zijn de kansen het beste om in betekenisvol overleg met burgers tot nieuwe praktijken te komen, die op hun uitvoerbaarheid te testen en vooral te leren van ervaringen. Aandacht voor wat voor burgers betekenisvol is kan enkel plaatsvinden in voortdurende dialoog met die burgers zelf.  


De noodzakelijke verandering gaat ten diepste om het nemen van verantwoordelijkheid voor verandering. Wil je als raadslid aan die verandering werken of kies je de rol het spel te spelen dat de afgelopen decennia tot het vastlopen van het systeem heeft geleid? Wil je, als het om verandering gaat, een plek op de barricade of kies je de positie van remmer-in-vaste-dienst? Leg je de nadruk op je rol om beleidskaders vast te stellen of geef je meer gewicht aan je rol als volksvertegenwoordiger? Beperk je je tot het uitleggen aan burgers waarom de gemeentepolitiek functioneert zoals die functioneert of ben je aanspreekbaar op het doorvoeren van verandering en vernieuwing? Hecht je eraan binnen de formele lijntjes te kleuren en daarmee het systeem te bevestigen of wil je de ruimte buiten de regels verkennen om zo tot nieuwe praktijken te komen? Laat je je dresseren binnen een mentaal voorgeprogrammeerd politiek systeem en confronteer je vernieuwers telkens weer met de regeltjes uit het verleden of wil je creatief werken aan vernieuwing? Parafraserend op Marcel Legaut: velen starten hun politieke leven als origineel maar verlaten de politiek als kopie.    


Je inzetten voor ingrijpende verandering vraagt veel energie. De tegenkrachten zijn sterk. Er is sprake van cultuurbepaalde processen van disciplinering die veelal impliciet hun werk doen. Er liggen geen expliciete beslissingen aan ten grondslag. Wat vanzelfsprekend wordt geacht hoeft immers geen onderwerp van afweging te worden.  

Het betekent dat je vanzelfsprekendheden tot onderwerp van discussie maakt. Je gaat op zoek naar nieuwe vormen om te voorkomen dat een nieuwe en moderne maatschappij door oude politiek wordt gekluisterd. Het vraagt een Gideonshouding: overtuigd werken aan verandering hoe sterk de tegenkrachten ook zijn. Ten diepste gaat het daarbij niet om wat je hebt bereikt maar om wat je eraan hebt gedaan, wat jouw inzet is geweest. Dat vraagt een houding van onafhankelijkheid. En het vraagt vooral een sterke inspiratie om te doen wat nodig is en de weigering je inspiratiebronnen te laten bevlekken door politiek gedoe over procedurele regeltjes. Of door oproepen tot fatsoen terwijl de geldende normen binnen het politie domein juist zijn bedoeld om de regeltjes van een gedateerd politiek systeem na te leven. De politieke cultuur is gericht op bevestiging, niet op vernieuwing. Kortom, het is dus lang niet altijd dankbaar werk. Wat door burgers wellicht wordt gewaardeerd, zal binnen het formele domein op fors verzet stuiten. Het is de spanning tussen de kracht van inspiratie en de macht van bevoegdheden.


Van lokale partijen wordt vaak beweerd dat ze een directere band hebben met burgers, dat ze dichter bij de mensen staan. Maar aan de orde is de vraag of ze die positie ook inzetten voor verandering. De noodzakelijke veranderingen kunnen nergens beter beginnen dan op gemeentelijk niveau waar de ontmoeting tussen kiezer en gekozene het meest concreet en direct is. Lokale partijen hebben bestaansrecht voor zover ze die positie benutten om aan verandering te werken. Ze zitten niet vast aan vaak nauwsluitende kaders van landelijke partijen waarbij kleine aanpassingen van procedures worden gepresenteerd als voorbeelden van innovatie en ware creativiteit maar in wezen weinig meer zijn dan een reproductie van het verleden. Lokale partijen hebben dus de ruimte om zich in te zetten voor vernieuwing. Doen ze dat niet, dan verliezen ze voor een belangrijk deel hun bestaansrecht omdat ze de vervreemding tussen politiek en burgers dan mede in stand houden.   

Literatuur

Gilles Deleuze & Felix Guattari, Rizoom, 1998

Marcel Legaut, Devenir soi, rechercher le sens de sa propre vie, Bibliothèque du Cerf, 2000

Michel Serres and Bruno Latour, Conversations on Science, Culture and Time, Ann Arbor: University of Michigan Press, 1995

Michel Serres, The Parasite, University of Minnesota Press, 2007

Herman Tjeenk Willink, Maak mensen niet ondergeschikt aan het systeem, Toespraak Bestuurdersdag VNG, december 2017

Mathieu Wagemans, Een oceaan van betekenisloosheid, een kritische analyse van beleid, politiek en wetenschap met een verwijzing naar de filosofie van Michel Serres, Digitalis, 2016

**********************************



Boeren en burgers moeten samen werken aan gezonde leefomgeving

Mathieu Wagemans is Raadslid voor Ronduit Open in Leudal (L)

Opiniebijdrage Dagblad Trouw van 9 november 2017

Een van de meest actuele en ernstige problemen op het platteland vormt de spanning tussen intensieve veehouderij en de omgeving. Daar zijn diverse oorzaken voor aan te wijzen. Het aantal bedrijven is weliswaar fors afgenomen maar de overblijvende bedrijven zijn enorm in omvang gegroeid. Natuurlijk kan ook meespelen dat we minder dan vroeger bereid zijn overlast te aanvaarden. Op de derde plaats is de functie van het buitengebied veranderd. Landbouw is niet meer de enige functie maar toerisme, recreatie en zorg zijn belangrijke bronnen van inkomsten geworden in het buitengebied.

Veel is al geprobeerd om de spanning tussen de intensieve veehouderij en de omgeving op te lossen of in ieder geval te verminderen maar de spanning neemt eerder toe dan af. Ook de politiek is hevig verdeeld. Verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en de economische belangen van bedrijven lijken niet verenigbaar.

Bij dergelijke schijnbaar onoplosbare vraagstukken kan het lonen afstand te nemen en zich te verdiepen in de aard van het probleem. De huidige veehouderij is een sector die groot kon worden door toepassing van nieuwe technologie. De huidige bedrijven zijn niet meer vergelijkbaar met de situatie zo’n 40 jaar geleden. De stijging van de productiviteit was ongekend. Wanneer die modernisering tot problemen leidt, bijvoorbeeld door uitstoot van ammoniak en fijnstof, is er een groot vertrouwen dat nieuwe technologie die wel zal oplossen. Als we veel te veel mest produceren, dan zal nieuwe technologie ons in staat stellen die milieuvriendelijk te verwerken.

Het is een vreemde tegenstelling. De huidige problemen zijn veroorzaakt doordat nieuwe technologie schaalvergroting noodzakelijk maakte en tegelijkertijd kunnen die problemen slechts worden opgelost door nog meer schaalvergroting. Immers, enkel door schaalvergroting kunnen de kosten van nieuwe technologie zoals luchtwassers worden verdeeld over meer dieren om zo de kostprijs in de hand te houden.

We moeten groeien om te kunnen overleven. De oplossing is met zichzelf op de loop gegaan.

Dat proces waarbij schaalvergroting zowel het probleem als de oplossing vormt is wel eens vergeleken met een tredmolen. Je moet blijven rennen om de beweging in stand te houden. Stilstand is achteruitgang. De intensieve veehouderij is een typisch voorbeeld van een sector waarin nieuwe technologie geen hulpmiddel meer is maar waarin we zelf de gevangene van de vooruitgang zijn geworden. We moeten groeien om te kunnen overleven. De oplossing is met zichzelf op de loop gegaan. We willen graag anders maar we kunnen niet meer.

Om dat proces te doorbreken is een ander perspectief nodig. Uitgangspunt daarbij moet zijn dat boeren en burgers een gezamenlijk belang hebben bij een gezonde leefomgeving. Een benadering is om uit de tegenstelling te treden en de mogelijkheden van een omgevingcoöperatie of buurtschap te verkennen. Een dergelijke organisatie neemt verantwoordelijkheid voor het beheer en heeft als doel om gezamenlijk op basis van onderling gemaakte afspraken gedurende een overgangsperiode naar een voor alle betrokkenen aanvaardbare eindsituatie toe te werken. Zowel boeren als burgers zijn er lid van. Die gemaakte afspraken kunnen vervolgens door de gemeente in een Bestemmingsplan worden vastgelegd zodat er niet langer sprake is van vrijblijvende intenties. Boeren en burgers worden veroordeeld tot elkaar. De nieuwe Omgevingswet biedt ruimte voor dergelijke vernieuwing. Dat vraagt van allen de bereidheid die nieuwe weg op te gaan. De landbouw profileert zichzelf graag als een sector die buitengewoon modern is. Wat toepassing van nieuwe technologie betreft is dat inderdaad het geval Maar nu wordt gevraagd ook modern te gaan denken op een ander terrein. Dat biedt meer perspectief dan telkens weer de randen van de wet op te zoeken en met buren slechts te communiceren in de achterzaaltjes van de Raad van State.


*************************


Tot in detail uitgewerkte regels verlammen politiek en bestuurders

OPINIE Dagblad Trouw augustus 2017

Volgens Mathieu Wagemans, raadslid in Leudal, hebben bestuurders nauwelijks nog ruimte om besluiten te nemen.

Rechtswetenschapper Jan Brouwer neemt afstand van het gedrag van burgemeesters die zich niet aan de regels houden zoals die in onze rechtsstaat gelden (Trouw, 2 augustus).

Hij voelt vermoedelijk meer voor de Amersfoortse burgemeester Lucas Bolsius, die zich - zoals het een burgervader formeel betaamt - meteen bij de harde gevolgen van het Nederlandse uitzettingsbeleid neerlegde en niet meeliep in de 'Hartentocht' voor de ondergedoken kinderen van de uitgezette Armeense moeder.

Strikt juridisch gezien is Brouwers betoog heel logisch, maar hij gaat voorbij aan een dieper gelegen probleem waarmee onze rechtsstaat kampt. Dat heeft niet te maken met de beginselen van onze rechtsstaat, maar met de wijze waarop we die hebben uitgewerkt.

Geen willekeur

Basis voor onze rechtsstaat is de scheiding van wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht. Die strikte scheiding was bedoeld om willekeur uit te bannen en het overheidssysteem zelfcorrigerend te maken. Maar wat is daarvan terechtgekomen?

Gaandeweg hebben de beginselen van behoorlijk bestuur een uitwerking gekregen die letterlijk te mooi is om waar te zijn. Met veel gevoel voor detail worden regels opgesteld, die vervolgens via jurisprudentie nog verder worden genuanceerd.

Gevolg daarvan is dat de lat voor politici en bestuurders in de praktijk zo hoog gelegd is dat men er nauwelijks meer overheen kan. Nieuwe regels moeten voldoen aan zoveel eisen dat dit aanzienlijke afbreuk doet aan de effectiviteit ervan. Rechters hebben enorme ruimte bij de beoordeling van de vraag of een overheidsbesluit voldoet aan het motiveringsbeginsel. Heel gemakkelijk kan worden geoordeeld dat een besluit is gebaseerd op onvoldoende onderzoek.

Het gelijkheidsbeginsel werkt zo uit dat er altijd wel weer een uitspraak te vinden is waarop een burger zich in een juridische procedure met succes kan beroepen. Planologisch beleid is verstrikt geraakt in juridische discussies. De gemeenteraad heeft formeel de bevoegdheid om bestemmingsplannen vast te stellen, maar ieder voorstel voor verandering loopt de grote kans op juridische bezwaren te stuiten. Beleidsmatige argumenten worden opzij geschoven en overbelast door juridische afwegingen.

Rechtvaardigheid is verworden tot vaardigheid in het recht

We hebben een stelsel opgebouwd dat niet alleen de ruimte voor politieke besluitvorming beperkt, maar ook de handelingsruimte voor bestuurders. Dat is één kant van het verhaal. De andere kant is dat de verfijnde en uiterst gedetailleerde uitwerking van regels burgers aanzienlijke ruimte geeft om op te komen tegen hun onwelgevallige besluiten. Juridische spitsvondigheid loont. Het beginsel van rechtvaardigheid is verworden tot vaardigheid in het recht.

Het door Brouwer afgekeurde optreden van enkele 'sheriffburgemeesters' roept de vraag op of we in ons rechtsstelsel niet te zeer zijn doorgeschoten. Hebben we misschien een juridische schijnwereld geconstrueerd die niet alleen niet voldoet aan het maatschappelijk rechtsgevoel, maar die in zijn tegendeel gaat verkeren? Hoe rechtvaardig is het dat een misdrijf onbestraft blijft, omdat het OM een onbeduidende vormfout heeft gemaakt?

De rechterlijke macht is niet meer corrigerend maar heeft gaandeweg de wetgevende en uitvoerende macht ingeperkt. Het evenwicht binnen de trias politica raakt verstoord. De eerste stap om dit vraagstuk aan te pakken is de erkenning daarvan. Maar er rust een groot taboe op. Kritiek op de uitwerking die we aan de rechtsstaat hebben gegeven wordt telkens weer op één lijn gesteld met kritiek op de beginselen die aan de rechtsstaat ten grondslag liggen.

***********************************

Voorwoord Herman Wijffels in "Een oceaan van betekenisloosheid"

Voorwoord

Onze moderne maatschappij is niet meer te vergelijken met die van 50 of 100 jaar geleden. Op vrijwel ieder terrein is grote vooruitgang geboekt. Onze welvaart is toegenomen, we maken gebruik van nieuwe technologie, we kunnen ook veel sneller over veel meer informatie beschikken, we zijn mondiger geworden. Maar de modernisering heeft ons ook voor nieuwe problemen gesteld. Denk aan milieuvraagstukken, aan het veranderend klimaat, aan stromen vluchtelingen, aan veiligheid. We leven in een globaliserende wereld en kunnen er onze ogen niet voor sluiten. Globalisering heeft ook nieuwe afhankelijkheden met zich meegebracht. Denk aan de effecten van de financiële crisis. Bovendien, dichter bij huis, verandert de rol en positie van de burger. We worden opgeroepen tot verantwoordelijkheid in de overgang naar een participatiemaatschappij. Dat is nog niet zo eenvoudig . Het vraagt nieuwe vaardigheden en vooral de bereidheid daartoe. Gezamenlijkheid na een lange periode van individualisering.

Mathieu Wagemans heeft vele tientallen jaren deze en soortgelijke problemen ervaren, zowel beleidsmatig binnen de rijksoverheid, als op gemeentelijk niveau in de politiek als raadslid en wethouder. Al die tijd heeft hij een bijzondere belangstelling gehad voor de vraag waarom onze rationele beleids- en planningsmodellen vaak niet goed werken. Een continu proces van reflectie op zijn ervaringen heeft geleid tot dit boek. Het bevat een analyse die een stuk dieper gaat dan wat aan de oppervlakte zichtbaar is. Verdiepend ook door ruim gebruik te maken van filosofische inzichten en die te koppelen aan de praktijk.

Op grond van die analyse worden voorstellen gedaan voor verandering, zowel met betrekking tot de politiek, het overheidsbeleid als de wetenschap. Maar daarmee wordt niet volstaan. Het boek bevat ook een uitgebreid hoofdstuk over hoe die ingrijpende veranderingen zouden kunnen worden gerealiseerd.

Het resultaat van deze reflectie op vele jaren ervaring in beleid en politiek, is een publicatie die op onderdelen als confronterend kan worden ervaren maar tegelijkertijd als uitdagend en inspirerend. Veel aandacht wordt besteed aan de filosofie van de Franse filosoof Michel Serres. Die staat bekend als een buitengewoon onorthodox denker die tal van vanzelfsprekendheden onderuit haalt. Volgens hem kunnen we niet langer vertrouwen op bestaande structuren. Ik ben dat met hem eens. De structuren van de industriële maatschappij hebben ons gebracht tot waar we nu zijn, maar zijn sociaal-organisatorisch en ecologisch versleten, niet goed genoeg voor de 21e eeuw. We staan aan het begin van een nieuwe fase in de ontwikkeling van de samenleving. We moeten op ontdekkingstocht, nieuwe vormen vinden voor de manier waarop we leven, werken en ons organiseren. Dat vraagt vooral de moed op weg te gaan. En ook het besef dat krampachtig vasthouden aan oude zekerheden de zekerste manier is om ze kwijt te raken. Zoals stevig knijpen in een handvol zand je met lege hand achterlaat. Serres gebruikt daarvoor het beeld dat we onze eilanden moeten verlaten en de oceaan opgaan, want daar ligt de ruimte, nieuwe mogelijkheden. Steeds meer mensen en bedrijven beginnen dat ook te doen. Het echte leven in onze maatschappij speelt zich steeds meer af buiten onze formele systemen of, in de terminologie van Serres, buiten onze eilanden. Deze tijd vraagt er om niet langer een verdedigende houding aan te nemen en weg te kruipen achter de dijken, maar de toekomst open tegemoet te treden. Door dat laatste te doen en met nieuwe inzichten kennis en technologie vorm te geven aan de volgende ronde in de maatschappelijke ontwikkeling, ontstaat weer perspectief waarin mensen betekenis kunnen geven aan hun leven en daarvoor zelf verantwoordelijkheid nemen.

Dit boek zal aanzetten tot denken en naar ik hoop ook inspireren om de daad daaraan toe te voegen.   

Herman Wijffels

*********************************

Van confrontatie via een dialoog naar constructie

De tijd dat de overheid besluiten nam en vervolgens die naar burgers communiceerde ligt al lang achter ons. We vinden dat beleid tot stand moet komen in samenspraak met burgers. Het is belangrijk dat burgers gelegenheid hebben om in te spreken zodat met hun wensen en opvattingen rekening kan worden gehouden. Is het beleid eenmaal vastgesteld, dan vinden we evaluatie van het beleid belangrijk. Welke ervaringen hebben burgers met het nieuwe beleid? Voldoet het aan de verwachtingen? Hoe beoordelen burgers het beleid? Op basis van welke aannames, uitgangspunten, associaties, ervaringen? Kortom, communicatie rond beleidsvorming is een aparte wetenschap geworden.

De ervaring leert echter ook dat communicatie in beleidsprocessen ondanks alle goede bedoelingen in de praktijk nog niet zo eenvoudig is. Burgers kunnen tegengestelde belangen hebben. Dan bestaat het risico dat communicatie touwtrekkerij wordt tussen conflicterende belangen. Op zijn best mondt dat uit in een broos compromis maar dat werkt meestal niet, hooguit tijdelijk. Men heeft stellingen betrokken en niet zelden is sprake van vijandbeelden van elkaar.

Maar ook voor de overheid is communicatie vaak lastig. Overheidsbeleid is vastgelegd in tal van wetten en verordeningen. daarin is doorgaans heel gedetailleerd vastgelegd wat "in de zin van deze regeling moet worden verstaan onder ...." waarna een lange lijst van definities volgt. Die kunnen niet zomaar opzij worden geschoven. Dat kan ook riskant zijn omdat een enkele opmerking of suggestie van een beleidsmedewerker later uit zijn verband kan worden getrokken. Partijen kunnen er juridisch verwachtingen aan koppelen. Of, nog sterker, het bieden van een opening kan grond vormen voor planschadeclaims.

Een voorbeeld van een beleidsterrein waarbinnen sprake is van een dicht gedefinieerd systeem vormt de ruimtelijke ordening. Heel nauwkeurig is bepaald wat een bouwwerk is, een erfafscheiding, wanneer sprake is van een industriële activiteit of van aanwezige natuurwaarden. Om tot een creatieve en betekenisvolle dialoog te komen kunnen al die definities een belangrijke sta-in-de-weg vormen. Ze beperken de ontwerp- en communicatieruimte voor beleidsambtenaren. Dan is het lastig betekenis te geven aan wat burgers betekenisvol vinden maar wat buiten de definities valt zoals die vastliggen in wetten en regelingen. Toch is dat nodig wanneer we vernieuwing willen. Bestaande definities helpen dan niet maar nodigen juist uit tot een herhaling van zetten.

De Franse filosoof Michel Serres (in Nederland vrij onbekend maar in Frankrijk gezaghebbend) benadrukt in zijn boeken dat de betekenis van een definitie niet is wat die definitie omvat maar juist wat wordt buitengesloten. Serres vraagt aandacht voor wat buiten de definities van het beleid valt maar wat niettemin voor burgers betekenisvol kan zijn. Hij roept het beeld op van eilanden waarop overheden en wetenschappers geweldig druk zijn met zichzelf terwijl het werkelijke leven zich afspeelt in de oceaan tussen de eilanden. Hij pleit ervoor expedities te ondernemen om de werkelijkheid te leren kennen zoals burgers die beleven. Dat betekent bijvoorbeeld aandacht voor gevoelens die we in ons beleid vaak weg definiëren. Oog krijgen voor wat buiten beeld blijft. Definities bieden de overheid zekerheid maar voor burgers kunnen ze een bron zijn van onzekerheid. Hoe worden nieuwe regels geïnterpreteerd? Kan ik mijn activiteiten wel voortzetten als het nieuwe bestemmingsplan van kracht wordt?

Een goede dialoog geeft juist aandacht aan wat buiten beeld blijft. Wat is de wereld achter de belangen zoals die worden gearticuleerd? Wat is betekenisvol voor burgers en hoe kan daarmee rekening worden gehouden binnen nieuw beleid? En hoe kunnen we voorkomen dat bestaande beleidsregels de zoekruimte voor nieuw beleid zodanig inperken en dat nieuw beleid niet een reproductie van bestaand beleid vormt? Hoe kunnen we gevoelens van rechtvaardigheid, gelijkheid en zekerheid aan bod laten komen zodat er een dialoog kan ontstaan die verder gaat dan een botsing van belangen en daarop gebaseerde standpunten?

Samengevat: een betekenisvolle dialoog is nog niet zo eenvoudig maar tegelijkertijd harder nodig dan ooit in een situatie waarin we in menig opzicht zijn vastgelopen in complexe regelgeving die vernieuwing vaker belemmert in plaats van faciliteert. Dat vraagt om een nieuwe communicatiecontext, om ruimte die in staat stelt tot betekenisvolle communicatie, om een basis van vertrouwen in plaats van bevoegdheden. Het vraagt bovenal om procesvernieuwing en training in vaardigheden om dergelijke processen te ontwerpen en te begeleiden. Voor de overheid vraagt het vooral het loslaten van bestaande beleidskaders en het inzicht dat die beleidskaders vaak slechts schijnzekerheid bieden. Vooral vraagt het lef om ongebaande paden te verkennen. De invoering van de nieuwe Omgevingswet die het bestaande systeem van bestemmingsplannen moet gaan vervangen en juist ruimte wil geven aan wat burgers betekenisvol vinden is een uitgelezen kans tot een waarachtige dialoog te komen en de vernieuwing te realiseren die met de nieuwe wet wordt beoogd. We volgen de processen op de voet!

****************************

Bureaucratie doodt inspiratie

We moeten de overstap maken van de systeemwereld naar de leefwereld

(geschreven op verzoek van Verkenners Limburg)

Wereldwijd staat Nederland bekend als een land waar we de zaken keurig op orde hebben. Dat geldt niet alleen voor de aangeharkte tuintjes maar vooral ook voor de wijze waarop we alles hebben georganiseerd en geordend. Regels geven aan hoe we ons hebben te gedragen. We hebben heel precies bevoegdheden verdeeld. Overheidsbesluiten komen niet via willekeur tot stand maar via zorgvuldig georganiseerde processen.  

Maar in tijden van ingrijpende veranderingen kunnen al die regels ook een hinderpaal vormen voor verandering. De omslag naar een participatiesamenleving is daar een treffend voorbeeld van. We willen de rol van de overheid terugdringen en bevorderen dat burgers zelf initiatieven nemen en zich gaan gedragen als verantwoordelijke burgers. Vaak echter blijken regels dan een lastige sta-in-de-weg.

De Franse filosoof Michel Serres staat nogal kritisch tegenover de overdreven drang naar ordening. Ieder ordening werkt uitsluitend. Wat niet binnen onze ordeningen valt raakt buiten beeld. Of anders gezegd, de waarde van een definitie is niet wat binnen de definitie valt maar juist wat wordt buitengesloten. Serres vraagt juist aandacht voor die “buitenwereld”. Hij roept het beeld op van eilanden waar overheid en wetenschappers vreselijk druk zijn met zichzelf maar het echte maatschappelijke leven speelt zich af op de oceaan tussen de eilanden.

Ik moest daaraan denken toen ik begin februari de bijeenkomst van de Verkenners bijwoonde in Heerlen. Mij viel op hoe ambtenaren en medewerkers van zorg- en welzijnsinstellingen enerzijds graag ruimte wilden bieden aan nieuwe initiatieven maar tegelijkertijd zich beperkt voelden door geldende regels en de cultuur binnen hun organisatie. Er zijn sterke krachten die steeds weer dwingen de bekende en platgetreden paden te volgen en die het betreden van ongebaande paden belemmeren. Onze cultuur van regels en protocollen staat haaks op het lopen van risico’s. We kunnen het onverwachte niet goed aan. In plaats daarvan kiezen we liever voor wat binnen onze ordeningen en regels past. We weten wat we hebben en gaan onzekerheid liever uit de weg. Maar, zo stelt Serres, de antwoorden op onze vragen moeten we juist buiten onze ordeningen, buiten onze eilanden zoeken. De zekerheid van onze ordeningen is een schijnzekerheid. Regels dwingen om het verleden te herhalen in plaats van de toekomst te ontwerpen. We moeten de systeemwereld verlaten en de leefwereld van burgers leren kennen. Dat vraagt lef maar de beloning is dat we weer de inspiratie vinden die we juist door de overdaad aan regels gaandeweg zijn kwijtgeraakt.   

******************************************

Een waardenloze economie

Fractieleider Pechtold van D66 wenst een bonus van 500 euro voor werkenden. Dat klinkt sympathiek en zal mogelijk kiezers trekken. Maar het voorstel is ook tekenend voor hoe de politiek functioneert. Op de eerste plaats is het de zoveelste uiting van hoe partijen proberen met sympathiek ogende voorstellen de gunst van de kiezer te krijgen. In al die pogingen wordt de kiezer niet aangesproken als de centrale actor in onze democratie. Hij wordt niet aangesproken om verantwoorde en mogelijk pijnlijke keuzes te maken maar wordt gezien als klant van de politiek die gunstig moet worden gestemd en die een rijk gevulde ruif wordt voorgehouden. Partijen richten zich op deelbelangen en nodigen burgers uit hun eigen voordeel als maatstaf te nemen. Aan de AOW mag niet worden getornd, de pensioengerechtigde leeftijd moet omlaag, het salaris van onderwijzers moet omhoog. Er zijn kortom weinig partijen die zich aan die tendens onttrekken. Zalvende uitspraken en bevestiging van het eigenbelang bepalen de campagnes. Daarmee wordt de burger niet erkend in zijn centrale en dragende rol van de democratie maar wordt de kiezer naar de mond gepraat en geschreven. Zo wordt de democratie uitgehold. Is het vreemd dat burgers de politiek de rug toekeren omdat die slechts in verkiezingstijd de weg naar de burger weet te vinden om daarna weer op te gaan in een voor burgers ondoorzichtig spel?

De tweede overweging is inhoudelijk van aard. Het voorstel geeft blijk van een eng-economische kijk op de samenleving. Wie werkt moet worden beloond omdat werkenden volgens Pechtold "de kern van de samenleving vormen". Het is een pleidooi tot nog verdere verzakelijking van de samenleving zonder oog te hebben voor maatschappelijke gevolgen. Zie de zorg waar juist het economisch denken ervoor heeft gezorgd dat vrijwilligers en mantelzorgers dergelijke uitwassen van het economisch denken moeten compenseren. Ziekenhuizen en zorginstellingen krijgen de exploitatie nauwelijks rond. Vrijwilligers nemen taken over die voorheen door betaalde krachten werden uitgevoerd. Die nadruk op economie heeft ervoor gezorgd dat er zich vormen van hulpverlening hebben ontwikkeld die vanuit een economische bril geen waarde hebben, enkel en alleen omdat vrijwilligerswerk binnen ons economisch systeem waardeloos is. Het vraagt lef om die situatie nog te verergeren door slechts diegenen die binnen ons economisch systeem actief zijn extra te waarderen en gemakshalve te veronderstellen dat vrijwilligers toch wel hun werk blijven doen. Het werkt verdere ontwrichting in de hand. Nog ernstiger is dat vrijwilligerswerk niet zelden wordt misbruikt doordat men er geld aan verdient. Zie de integratie van vluchtelingen waarbij vrijwilligers een onmisbare rol spelen en formele organisaties via projecten geld binnenhalen voor werk dat geheel of vrijwel geheel door vrijwilligers wordt uitgevoerd. Die laatsten moeten het doen met een aai over de bol of een vrijwilligersspeld terwijl zij met hun inzet niet zelden professionele organisaties in stand houden.

De tweedeling in onze samenleving zal nog scherper worden wanneer we doorgaan ons economisch systeem en vooral de enge waardebasis ervan als gegeven en als onvermijdelijk te accepteren. Dat systeem werkt splitsend en zou door politici moeten worden gerepareerd in plaats van bevestigd. Voor een partij, zoals D66, die vernieuwing predikt is er werk aan de winkel. De krachten die uit zijn op eigenbelang zijn immers al sterk genoeg en hoeven niet te worden versterkt.

Thieu Wagemans is raadslid in Leudal en publiceerde recent ”Een Oceaan van Betekenisloosheid, een kritische analyse van politiek, beleid en wetenschap met een verwijzing naar de filosofie van Michel Serres”

Zie: www.ontganiseren.nl

****************************************

Onderstaande bijdrage verscheen 19 januari 2017 in Dagblad Trouw

We moeten ongemakkelijke waarheden niet uit de weg gaan

Mathieu Wagemans

Het valt met verschillen in onze samenleving wel mee, stelt onderzoeker Tiemeijer (WRR). Trouw benadrukt in een commentaar hoe belangrijk het is dat we verschillen niet uitvergroten door feiten verkeerd te interpreteren en steekt ook de hand in eigen boezem (Opinie, 14 januari). We moeten vertrouwen kunnen hebben en houden in de wetenschap en in objectieve journalistiek.

Ik meen dat beide analyses kenmerken hebben van oppervlakkigheid. Ze gaan uit van de veronderstelling dat er sprake is van een eenduidige werkelijkheid. Feiten zijn in die opvatting onomstreden, in tegenstelling tot meningen en standpunten die persoonlijk gekleurd zijn. Filosoof Immanuel Kant stelde al forse vraagtekens bij dat uitgangspunt. Volgens hem kunnen we de werkelijkheid slechts benaderen aan de hand van de categorieën van het verstand. Wij geven betekenis aan de werkelijkheid en vormen ons een beeld. De werkelijkheid krijgt voor ons betekenis door de betekenis die we er zelf aan toekennen. Die betekenissen zijn geen onderdeel van de werkelijkheid maar we zijn er zelf de constructeurs van.

Er is nauwelijks een domein waarin dat sterker naar voren komt dan in de politiek. Partijen nemen op basis van hun onderliggende waarden en uitgangspunten de werkelijkheid gekleurd waar. Men vindt inkomensverschillen ontoelaatbaar of juist verdedigbaar. Onze samenleving is duurzamer geworden terwijl anderen vinden dat de milieuproblemen juist zijn toegenomen. Statistieken geven aan dat de criminaliteit afneemt terwijl veel burgers zich onveiliger voelen.

In debatten probeert men het eigen beeld van de werkelijkheid dominant te maken. Discussies krijgen het karakter van manipulatie om zo het eigen beeld van de werkelijkheid door de meerderheid geaccepteerd te krijgen. Dat beeld leggen we vervolgens vast in regelingen. Die beginnen doorgaans met een artikel waarin nauwkeurig wordt omschreven “wat in de zin van deze regeling moet worden verstaan onder …”. Zo reduceren we de maatschappelijke werkelijkheid tot een regelbare en juridisch houdbare werkelijkheid. Wat buiten de definities valt is juridisch niet relevant.

Wat burgers bezig houdt loopt het risico te worden genegeerd omdat het binnen ons formele domein betekenisloos is. Dat probleem wordt terzijde geschoven door er het etiket “onderbuikgevoelens” op te plakken.

Je moet er niet aan denken dat Wilders de macht krijgt maar zijn functie om te benoemen wat burgers van betekenis vinden moet niet worden onderschat. Ieder volwassen systeem, zeker een politiek systeem moet ruimte bieden aan ongemakkelijke waarheden die dat systeem met de eigen grenzen confronteert. Gebeurt dat niet dan zijn onze systemen niet meer zelfcorrigerend, omdat ze het zich kunnen permitteren het eigen gemankeerde wereldbeeld op te leggen aan de buitenwereld.

De Franse filosoof Michel Serres vergelijkt onze systemen (wetenschap, politiek, kunst) met eilanden die ieder hun eigen waarheid hebben en nauwelijks in verbinding staan. Men is vreselijk druk met zichzelf terwijl het echte leven zich op de oceaan afspeelt. We kunnen slechts noodzakelijke veranderingen bereiken door onze eilanden te verlaten en de oceaan op te gaan. Dat vraagt bereidheid onze vanzelfsprekendheden ter discussie te stellen en schijnzekerheden te ontmaskeren. Doen we dat niet, dan blijven we onszelf reproduceren. Pogingen om vervreemding tussen overheid en burgers tegen te gaan hebben dan geen effect. Door te stellen dat het met de verschillen in onze maatschappij wel meevalt, verschaffen we onszelf de legitimatie voor tevredenheid. De wereld staat in brand maar het rampenteam constateert met voldoening dat de ramp zich keurig volgens het draaiboek voltrekt.

Mathieu Wagemans is Raadslid in Leudal

******************************************




Calculeren met Integriteit

De Limburgse kranten publiceerden op 21 september 2016 onderstaande opinie.

De Limburger bericht op 14 september jl. uitvoerig over de opvattingen van gouverneur Bovens naar aanleiding van de affaire Tilman Schreurs. Dat dhr Bovens van zich laat horen is nodig en logisch aangezien ook door hem steeds weer het belang van een integere overheid wordt benadrukt en zijn functie verantwoordelijkheid met zich meebrengt.

Over zijn inbreng valt het nodige te zeggen. Hij pleit voor een soort strafbankje voor bestuurders en politici die hebben gehandeld in strijd met de integriteit. Hij maakt een kritische opmerking over de commissarissen van OML die hebben ingestemd met voortzetting van het dienstverband van Tilan Schreuers en hebben verzuimd welke consequentie dan ook te verbinden aan overtreding van de integriteitscode binnen OML.

Wat Bovens doet is een onderscheid voorstellen. Lichte overtredingen mogen een bestuurder niet al te zwaar worden aangerekend. Hij vermijdt zorgvuldig een uitspraak te doen over de vraag die aan de orde is, namelijk welke gevolgen moeten worden verbonden aan een strafrechtelijke veroordeling wegens ambtelijke corruptie. Zijn idee van een strafbankje suggereert dat hij zich wel kan vinden in het aanblijven van Tilman Schreurs. Los van de inhoud van zijn opvatting stelt het teleur dat iemand die zichzelf zware verantwoordelijkheid toekent op het vlak van integriteit om de hete brei heen danst en geen grenzen wenst te trekken. Dat zie je vaak in het openbaar bestuur. Men stelt dat men niet aan zet is maar dat de besluitvorming bij anderen ligt. Formeel klopt dat maar het zijn formele redeneringen die ertoe strekken de eigen verantwoordelijkheid uit de weg te gaan. Ik acht een dergelijke opstelling niet in overeenstemming met zijn eigen verantwoordelijkheid op het vlak van integriteit die hij wel telkens claimt maar niet wenst in te vullen.

Een tweede opmerking is dat de idee van een strafbank heel goed past in het procedureel oplossen van inhoudelijke vragen. Je mag, zoals in de sport, enkele minuten niet meespelen en daarna is alles weer in orde. Dat kan bij overtredingen in de sport maar is dat ook de oplossing voor vragen op het vlak van integriteit? Het nodig tuit tot calculerend gedrag. Je weet wat de straf is bij overtredingen en als je die straf aanvaardbaar vindt staat de deur open voor losjes omgaan met integriteit. De boete iis ingecalculeerd. Je maakt integriteit een kwestie van afweging. Integriteit leent zich niet voor dergelijke procedurele oplossingen. Handelen in strijd met de integriteit biedt geen basis voor vergoelijking.

Een derde opmerking is dat men zich graag verschuilt achter de rechtspraak. Of men stelt allerlei regels op. Zolang je niet kunt worden betrapt op overtreding ervan ben je integer. De regels bieden zo een dekmantel. Het is tekenend dat bestuurders klagen dat ze niet meer kunnen besturen omdat ze anders het risico lopen niet-integer te hebben gehandeld. Dat zegt iets over de bestaande bestuurspraktijk en bestuurscultuur binnen de overheid en het zegt ook iets over een volstrekt gebrek aan helderheid over wat de handelingsruimte is voor bestuurders en politici. Om die helderheid te krijgen zijn debatten en besluiten nodig in de volle openbaarheid. Integriteit is een van de weinige onderwerpen in het openbaar bestuur waar burgers een mening over hebben, vaak heel uitgesproken. Het is treurig dat dergelijke discussies vaak niet in volle openbaarheid mogen worden gevoerd en dat diegenen die eerst verantwoordelijk zijn voor een goede bestuurscultuur zich bij het scheppen van helderheid en het aangeven van grenzen inhoudelijk op de oppervlakte wensen te houden en zich beperken tot opmerkingen van procedurele aard. Zo zijn ze medeschuldig aan een cultuur waarin integriteit telkens weer gedoe oplevert.

Thieu Wagemans, is raadslid in Leudal

*************************************

Niet-integer omgaan met integriteit

De Limburgse kranten publiceerden op 25 augustus onderstaande opiniebijdrage

De Limburger van 24 augustus jl. bericht dat de Raad van Commissarissen van OML (Ontwikkelingsmaatschappij Midden Limburg) heeft besloten dat Directeur Tilman Schreurs mag blijven ondanks zijn veroordeling door de rechter vanwege ambtelijke corruptie. De Rechtbank sprak uit dat er sprake was van strafbaar gedrag van de Directeur OML. Het ging dus niet om de vraag of het gedrag niet netjes was en ongewenst was maar er was volgens de Rechtbank sprake van handelen in strijd met de regels. Dat er vanwege de negatieve effecten van de zaak voor dhr Tilman Schreurs, zoals langdurige publiciteit, geen strafoplegging volgde doet aan de vastgestelde overtreding van regels niet af. De Raad van Commissarissen van OML baseerde het besluit om dhr Tilman Schreurs in functie te laten op het argument, zo lezen we, dat hij moeilijk kon worden gemist en goed had gefunctioneerd. Met name dat argument geeft te denken.

De laatste jaren worden raadsleden overstelpt met verhalen van ministers, Commissarissen van de koning en burgemeesters over het belang van integriteit. Er worden cursussen aangeboden. Er wordt heel wat over afgepraat. Dikke rapporten en beleidsnota’s worden geschreven Met veel gevoel voor detail worden criteria geformuleerd waar overheidsdienaren aan moeten voldoen. Uitgangspunt daarbij is wat oud-minister Dales ooit sprak: “Een beetje integer bestaat niet”. Integriteit is uitzonderlijk belangrijk, dat moge duidelijk zijn.

Maar als het erop aankomt is de oude cultuur blijkbaar moeilijk uit te roeien. Wanneer het ons niet goed uitkomt zetten we al die mooie verhalen over integriteit even in de koelkast en regeren de belangen en het geld. Integriteit wordt een kwestie van afweging waarbij integriteit niet meer zelfstandig wordt beoordeeld maar wordt afgewogen tegen andere belangen. En als het ons even niet goed uitkomt, dan moet integriteit even wijken. Het is zo beschouwd een typische demonstratie van de oude Limburgse cultuur dat er altijd redenen zijn te verzinnen om wat van waarde is (integriteit in het openbaar bestuur) even niet waardevol te vinden. Men had met betrekking tot de handelwijze van Tilman Schreurs kunnen stellen dat men het helemaal geen probleem vindt wanneer medewerkers van OML zich laten fêteren door projectontwikkelaars. Men had kunnen redeneren dat dit gebruikelijk is in het bedrijfsleven. Men had kunnen overwegen dat men mogelijk zelf ook niet altijd brandschoon is geweest. Of dat integriteit minder belangrijk is dan men wel eens beweert. Dat had allemaal gemogen en het zou de commissarissen hebben gesierd wanneer ze dat alles ronduit en open hadden verteld. Maar dat was kennelijk teveel gevraagd. De zaak werd op de ouderwetse manier afgedaan. Men zocht een redenering om een inhoudelijk afgewogen besluit op het vlak van integriteit uit de weg te gaan. Daarmee verspelen commissarissen en allen die mede verantwoordelijkheid dragen voor dit besluit ieder recht anderen op het belang van integriteit te wijzen. Wie zelf door zijn handelen integriteit als basiswaarde geen absolute betekenis toekent maar andere belangen zwaarder laat wegen geeft daarmee aan op niet integere wijze om te gaan met integriteit. Het is het oude verhaal. De praktijk is altijd sterker dan de leer.

Thieu Wagemans is raadslid in Leudal

*******************************

Vriendjespolitiek mag      

Opiniebijdrage, gepubliceerd in de Limburgse kranten op 2 augustus 2016

Het vonnis in de zaak van Rey heeft veel reacties opgeleverd. Veel reacties wekten de indruk dat men reeds vooraf een uitgesproken mening had over de vraag of de handelwijze van van Rey wel of niet toelaatbaar was. Dat is logisch maar helpt ons niet veel verder bij de vraag wanneer er sprake is van strafbare ambtelijke corruptie. De Rechtbank kreeg waardering voor het “genuanceerde” vonnis maar het is de vraag of dat vonnis de helderheid heeft gebracht waar velen naar uitkeken. Want wat was de redenering van de Rechtbank? De Rechtbank maakte een onderscheid tussen gedrag waarvan moest worden aangenomen dat het vooral door de vriendschappelijke relatie tussen van Rey en van Pol werd bepaald en gedrag waarin de zakelijke relatie tussen wethouder en projectontwikkelaar domineerde. Dat is op het eerste gezicht merkwaardig. Het onderhouden van vriendschappelijke relaties wordt zo grond voor schulduitsluiting. Als je maar vriendschappelijke banden onderhoudt met zakelijke relaties kun je van overtreding van regels worden vrijgepleit. In zijn uiterste vorm wordt dat een premie op vriendjespolitiek. Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn. Bovendien, wanneer domineert de vriendschapsrelatie en wanneer staan zakelijke aspecten voorop? Waarom mag in de villa van van Pol in Zuid Frankrijk over zakelijke onderwerpen worden gesproken omdat de vriendschapsrelatie overheerste en waarom is een uitnodiging voor een interlandwedstrijd vooral zakelijk? Wie het weet mag het zeggen. Een dergelijk vonnis nodig uit tot gekissebis over definities. Mag een wethouder naar een nieuwjaarsreceptie van een bedrijf? Of een bedrijfsjubileum met een aangekleed feestprogramma over de grens? Of enkel wanneer hij zelf de reiskosten betaalt? Nu is ambtelijke corruptie natuurlijk moeilijk aantoonbaar. Het zal zelden voorkomen dat een bestuurder een bedrag krijgt overgemaakt met als vermelding “beloning voor bewezen vriendendienst”.

Er is een andere insteek denkbaar die naar mijn mening een betere opstap vormt voor strafbaarheid van corruptie. Ik herinner aan het oordeel van de Commissie van Drie die in de zeventiger jaren het handelen van Prins Bernhard onderzocht in de Lockheedaffaire. De Commissie oordeelde dat prins Bernhard “zich had begeven in situaties die de indruk konden wekken dat hij gevoelig was voor het aannemen van geschenken”. Vanuit dat perspectief is de aandacht en dus de strafbaarheid niet gebaseerd op het daadwerkelijk aantonen van corruptie maar wordt het verboden zakelijke en niet-zakelijke banden door elkaar te laten lopen. Dat zou betekenen dat iedere minister, wethouder, of politicus situaties dient te vermijden waarin hij de schijn van belangenverstrengeling kan oproepen. Een dergelijke omschrijving van strafbare feiten kan betrokkenen weerhouden van dubieus gedrag. In wezen is dat in het belang van zowel samenleving als betrokkenen. De samenleving is zo verzekerd van een hoge drempel om corruptief gedrag te vermijden maar ook voor bestuurders en raadsleden is dat positief. In situaties waarin zowel sprake is van vriendschaps- als zakelijke banden kan de betrokkene zich niet verweren tegen aantijgingen en kan hij geen verantwoording afleggen voor zijn gedrag. Hij is ervan afhankelijk of zijn verhaal wel of niet wordt geloofd. Dat maakt hem kwetsbaar. Beter is het om situaties te voorkomen waarin men zich niet meer overtuigend kan verdedigen of verantwoorden.

In de zaak van Rey zou deze opvatting tot de dubbele conclusie leiden dat zijn gedrag voor zover corruptie aan de orde was, niet strafbaar was maar dat het in de toekomst door wetsaanpassing wel strafbaar moet worden.   

Thieu Wagemans is raadslid in Leudal

************************************************

Waardigheid boven waarde

(Opiniebijdrage in de Limburger en Limburgs Dagblad, 13 juli 2016)

Het kort geleden gepresenteerde onderzoek van het RIVM heeft overtuigend aangetoond dat de intensieve veehouderij een negatieve invloed heeft op de gezondheid van omwonenden. Die omwonenden wisten dat al lang maar politieke partijen, het CDA voorop, bleven halsstarrig het argument gebruiken dat er geen probleem was zolang het verband niet overtuigend was aangetoond. Tietallen jaren lang vond men de snelle groei van het aantal varkens en kippen belangrijker dan de gezondheid van mensen. Steeds weer werd gewezen op het belang van de veehouderij voor de export. Dat is een eenzijdig verhaal. Op de eerste plaats werd het veevoer voor al die miljoenen dieren voor een belangrijk deel geïmporteerd. Ook accepteerde men lange tijd de negatieve invloed van de veehouderij op de omgeving. Natuurwaarden moesten wijken voor economisch gewin. Er ontstond een enorm mestoverschot met negatieve invloed op bodem , grond- en oppervlaktewater. Vele jaren lang werden overheidsmaatregelen tegengehouden of vertraagd. En vervolgens werden telkens weer uitzonderingen in regels opgenomen om het effect ervan te verminderen. Het resultaat is een uiterst ingewikkeld stelsel van regels dat zowel overheid als ondernemers handenvol geld kost. Wanneer al die externe effecten van de intensieve veehouderij zouden worden meegerekend zou het heel goed kunnen zijn dat de intensieve veehouderij geen groot economisch belang voorstelt maar zelfs verliesgevend is. Dat er winst wordt gemaakt komt voor een belangrijk deel omdat negatieve gevolgen ervan worden afgewenteld. Daar komt bij dat men de gevangene is geworden van een proces van schaalvergroting dat geen einde kent. Al vele jaren lang moeten kleine bedrijven stoppen en blijven een steeds geringer aantal zeer grote bedrijven over die vervolgens genoodzaakt zijn nog verder te groeien. Het is een ratrace.


Ontelbaar zijn de waarschuwingen tegen deze ontwikkeling maar beleidsmakers en politici toonden zich doof en blind. Ruim tweehonderd jaar geleden stelde de filosoof Kant dat we een onderscheid moeten maken tussen goederen die een prijs hebben (en die dus verhandeld kunnen worden) en zaken die waardigheid hebben en die dus van een hogere orde zijn. Natuur, milieu en gezondheid zijn er voorbeelden van. Wat er is gebeurd is dat de waardigheid moest wijken voor economisch gewin. Problemen die door schaalvergroting werden veroorzaakt zouden, zo wilde men ons doen geloven, worden opgelost door nieuwe technologie. Telkens weer leidde dat tot verdere schaalvergroting en nieuwe problemen. Technologie was de oplossing en de problemen die toepassing van nieuwe technologie met zich meebracht zouden door nieuwe technologie worden opgelost. Enz. Men rent in cirkels rond en heeft geen tijd signalen serieus te nemen omdat men te druk is met rennen.


Natuurlijk is de klacht van veehouders terecht dat burgers weliswaar kritiek hebben op de intensieve veehouderij maar dat ze tegelijkertijd als consumenten goedkoop vlees kopen en zo mede het probleem in stand houden. Burgers dwingen zo tot verdere kostenverlaging en dus tot grootschalige productie. Dat proces moet worden doorbroken. Nodig is dat we het houden van dieren en de productie van voedsel niet langer als een economische activiteit zien maar dat we kleinschalige verdienmodellen ontwikkelen waarin boeren en burgers met elkaar zaken doen. Een pleidooi dus voor verdienmodellen waarin burgers en boeren elkaar kennen en waarin de anonimiteit wordt doorbroken die nu kenmerkend is. Dan kan het gesleep met dieren ophouden en krijgen we regionale en lokale voedselmodellen. Voedselproductie en daaraan verbonden zorg voor milieu, natuur en landschap leent zich niet voor een strikt economische benadering. Kant wist dat al. Nu de politici nog.


Mathieu Wagemans is Raadslid in Leudal          



Een gemankeerd politiek systeem


Het recente referendum heeft de tongen losgemaakt over de vraag hoe we ons politiek systeem kunnen verbeteren. Er worden tal van voorstellen gedaan over het minimum aantal vereiste stemmen, over welke vragen aan burgers worden voorgelegd enz. Maar naar mijn overtuiging zijn de problemen dieper en omvangrijker dan verondersteld. Een eerste probleem is dat we een beleidssysteem hebben opgetuigd waarin we de wereld hebben gereduceerd tot een beïnvloedbare wereld. Ongeacht welke problemen zich voordoen, we verwachten van de overheid die die met enkele welgemikte interventies voor oplossingen zorgt. Dat is weliswaar een illusie maar die houden we liever in stand dan onvermogen onder ogen te zien. Een tweede vraagstuk is dat we beleid hebben vastgesnoerd in een juridische context die nauwelijks nog dynamiek en vernieuwing toelaat. Innovatieve voorstellen belanden al gauw in de prullenmand omdat de juridisch niet haalbaar zijn. Ons beleidssysteem laat slechts verandering toe wanneer die binnen het beleidssysteem past. In plaats van de toekomst te ontwerpen reproduceren we telkens weer het verleden. De problemen van onze moderne samenleving zijn simpelweg groot en te complex om binnen onze beleidscontext effectief aan te pakken. Globalisering vraagt om een wereldwijde aanpak maar zelfs als er afspraken tot stand komen blijkt de uitvoering gebrekkig. Het internationale karakter van de economie neemt alsmaar toe en daarmee de mogelijkheden tot afwenteling van zowel milieu- als sociale problemen. Door ons consumptiegedrag maken we kinderarbeid elders winstgevend. Dat kan doorgaan omdat een gezaghebbende internationale autoriteit ontbreekt. De Panama papers illustreren dat de praktijk van belastingheffing aanzienlijk afwijkt van wat we op papier zo goed dachten te hebben geregeld.

Het drama van onze democratie is dat we een systeem hebben opgebouwd waar we zo hoge eisen aan stellen dat het gedoemd is tot teleurstelling te leiden. We zijn niet meer ontvankelijk voor wat burgers bezighoudt, simpelweg omdat we niet in staat zijn om daar serieus op te reageren. Ons regelcomplex en de fijnmazige toedeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden maakt het onmogelijk problemen in te passen. We definiëren de werkelijkheid zodanig dat die in onze regelingen past. Daardoor blijft er steeds meer werkelijkheid buiten beeld. De politiek is alleen geïnteresseerd in problemen die met beleidsinstrumenten kunnen worden opgelost. Andere problemen bestaan niet, althans niet voor politici en beleidsmakers. Burgers worden echter dagelijks met de praktijk geconfronteerd met als gevolg dat het vertrouwen in de politiek afneemt. De vraagstukken van een moderne samenleving passen niet meer in onze schema’s en beleidscategorieën. We hebben de democratische lat zo hoog leggen dat we niet meer in staat zijn eroverheen te springen.

Wat nodig is dat de uitgangspunten van ons democratisch systeem kritisch tegen het licht worden gehouden en worden getoetst aan de praktijk van een moderne samenleving. Het is mijn overtuiging dat dit leidt tot een systeem waarin we minder hoge eisen stellen gaan stellen aan onze democratie. Doorslaggevend is de vraag of politieke partijen de moed hebben een dergelijke analyse te maken en burgers duidelijk te maken dat wat ze van de politiek verwachten irrealistisch is. Dat vraagt temeer moed omdat die illusies juist door politici zijn geconstrueerd met als dieptepunt de periode voorafgaand aan verkiezingen. Helaas beschikken politici over aanzienlijke vaardigheden om dergelijke vragen uit de weg te gaan en ze te detecteren. Men denkt een fundamenteel probleem in onze democratie op te lossen door een iets andere procedure of door weer een nieuwe organisatie. Zolang echte moed ontbreekt kunnen nieuwe partijen enorme successen boeken, enkel en alleen omdat ze verwoorden wat in onze beleidssysteem buiten beeld blijft. Daarmee zijn dergelijke partijen zelf de illustratie van een gemankeerd politiek systeem.

Thieu Wagemans is Raadslid in Leudal en werkt aan een publicatie over de gebreken van ons beleids- en politieke systeem

Opiniebijdrage n.a.v. Bonnetjesaffaire op Ministerie van Justitie

Gepubliceerd op 4 februari 2016 in Limburgse kranten

Ambtelijke loyaliteit heeft een keerzijde

Het bericht dat  op het Ministerie van Justitie opdracht is gegeven te verhinderen dat een document op tafel zou komen dat de Minister in de problemen zou kunnen brengen levert een stroom van kritiek op. Dat is begrijpelijk. Maar het lijkt wat gemakkelijk zich te beperken tot voor de hand liggende kritiek dat de openheid geweld is aangedaan. Iedereen die bekend is met de gang van zaken binnen een Ministerie weet dat alles erop is gericht de Minister uit de wind te ouden. Kamervragen worden zodanig beantwoord dat kritische informatie wordt vermeden. Men beschikt over grote vaardigheden om rond de waarheid  heen te draaien zonder deze geweld aan te doen. Dat is vaak ook nodig. De Minister is formeel voor alles verantwoordelijk wat duizenden ambtenaren dag in dag uit regelen en besluiten. Natuurlijk is dat een fictie. Het is een mens nu eenmaal niet gegeven van alles op de hoogte te zijn, laat staan zich met alle beslissingen te moeten bezighouden. Dat is een illusie die echter niet ter discussie mag worden gesteld. Anders stort het kaartenhuis van het openbaar bestuur in elkaar. En dus wordt er alles aan gedaan de Minister niet in problemen te brengen.

Maar ambtelijke loyaliteit heeft ook een keerzijde. Het betekent dat een organisatie niet meer ontvankelijk is voor informatie die het Ministerie slecht uitkomt. Het is een belangrijke kwaliteit van ambtenaren vooraf in te schatten of informatie de Minister in problemen kan brengen. Die eigenschap staat bekend als “beleidsgevoeligheid”. Nog een stap verder is wanneer nieuwe medewerkers worden geselecteerd op het vermogen om problemen buiten de ministeriele tent te houden. Dat leidt tot een cultuur waarin de top van een Ministerie voortdurend wordt bevestigd in de opvatting dat alles naar wens verloopt en dat alle besluiten verstandig zijn. Dan is er voor kritiek geen plaats meer. Dan verliest een overheid de relatie met wat er in de maatschappij speelt. De wereld staat in brand maar binnen de Haagse kaasstolp is alles in orde. Het is de keerzijde van ambtelijke loyaliteit. Resultaat is een organisatie die zich rondwentelt in het eigen gelijk en zich dat ook kan permitteren.

Een dergelijke cultuur is niet typisch voor Ministeries maar zal binnen vrijwel elke willekeurige grote organisatie herkenbaar zijn. Medewerkers worden geselecteerd op zelfbevestiging van de managers. Er ontstaat geestelijke inteelt. In dergelijke situaties is nodig dat er ruimte komt voor afwijkende geluiden, dat mensen worden gestimuleerd voorstellen op tafel te leggen, ook als die niet passen binnen het beleid. Dat geldt zeker wanneer er sprake is van ingrijpende problemen die om een oplossing vragen. Dan kom je er niet met de zoveelste reorganisatie of het zoveelste verhaal over een nieuwe strategie. Dat vraagt om leiders die kritisch vermogen om zich heen verzamelen. Dergelijke leiders zijn helaas nog te zeldzaam. Zie de ervaringen van klokkenluiders die met informatie komen die de top van de organisatie onwelgevallig is. Nog steeds lopen klokkenluiders het risico dat ze door de klepel van het management zodanig hard geraakt worden dat ze aan de zijlijn belanden of, zoals dat heet, naar de uitgang worden begeleid. Er is geen plaats meer voor hen. Het zou heel goed zijn wanneer het incident binnen het Ministerie van Justitie wordt aangegrepen om de bredere vraag te stellen hoe dit soort incidenten kon gebeuren.

Thieu Wagemans is Raadslid in Leudal en schreef een proefschrift over ambtelijke oppositie binnen een Ministerie   

Gelijkheid als illusie

Onderstaande opiniebijdrage verscheen 5 januari in de Limburgse kranten


Wilders vaart er wel bij

Op 21 oktober 2015 verscheen de volgende bijdrage in de Limburgse kranten

Wilders vaart er wel bij


Politiek beseft niet dat ingrijpende vernieuwing nodig is


Het optreden van Wilders heeft zoals gebruikelijk weer veel reacties opgeroepen. Los van het woordgebruik wordt hem ook verweten dat het ongepast en ontoelaatbaar is kritiek te uiten op de organen van onze democratische rechtstaat. Daarbij gaat men voorbij aan het onderscheid tussen de beginselen van onze rechtstaat en hoe we die beginselen in de praktijk hebben uitgewerkt. De kritiek op instituties wordt gelijk gesteld met kritiek op beginselen van rechtsstaat.

Een dergelijke opstelling laat echter geen ruimte voor een kritische blik op hoe de rechtstaat functioneert terwijl daar toch alle aanleiding voor is. Want hoe democratisch is ons politiek systeem? Hoeveel burgers zijn lid van een partij en hoeveel procent van de leden bepaalt het partijprogramma? En hoe groot is de invloed van diverse belangengroepen waar partijen nauwe banden mee wensen te onderhouden om verlies van stemmen te voorkomen?
In plaats van kritiek te uiten op uitspraken van Wilders zou men ook de vraag kunnen stellen hoe het komt dat zijn populariteit de laatste tijd zo sterk is toegenomen. We zijn kennelijk niet goed in staat om te agenderen wat er onder burgers leeft en dat te vertalen in politieke vraagstellingen. En we verbloemen dat onvermogen door er het etiket van “onderbuikgevoelens” op te plakken. Zo verschaffen we onszelf een legitimatie ze niet serieus te hoeven te nemen. Maar zo maak je je er wel erg gemakkelijk van af. Bovendien is dat in strijd met de open samenleving die we zo graag willen. Een tweede punt betreft de tendens  dat burgers in verkiezingstijd steeds meer als klanten worden beschouwd. Burgers worden benaderd als manipuleerbare objecten. Hun sympathie moet worden gewonnen door slim opgezette campagnes. Die zijn steeds minder op de inhoud gericht maar steeds meer bepaald door de profilering ten opzichte van andere partijen. Politiek is partijpolitiek geworden. Men reageert niet op maatschappelijke problemen maar primair op elkaar. Op dat punt wijkt de strategie van Wilders nauwelijks af van wat binnen ons politieke domein gebruikelijk is. Populisme is bepaald niet het exclusieve kenmerk van Wilders. Helaas. En kan de toenemende juridisering van onze samenleving, zich uitend in alsmaar langere procedures en vertraging van projecten, eveneens niet worden opgevat als een symptoom van een gemankeerd politiek systeem? Steeds vaker wordt een beroep gedaan op rechters om uit te spreken of politieke besluiten wel juridisch houdbaar zijn. 

In plaats van de wijze waarop ons democratisch systeem functioneert kritisch tegen het licht te houden is, is de energie vooral gericht op instandhouding ervan en niet op vernieuwing. Voor zover er sprake is van veranderingen dragen die nauwelijks bij aan versteviging van onze democratie. Onderliggende problemen worden niet opgelost door een gekozen burgemeester of een referendum over een associatieverdrag. We veranderen de tafelschikking en denken daarmee de kwaliteit van het eten te verbeteren.     

Zo beschouwd zijn het de politieke partijen zelf die Wilders de kans bieden handig gebruik te maken van de gebreken van ons politieke systeem. Dat zal doorgaan zolang het besef ontbreekt dat ingrijpende vernieuwing nodig is. Dan houden we de problemen in stand, juist omdat we die zo goed hebben georganiseerd. Wanneer er geen ruimte is voor scepsis en vanzelfsprekendheden geen onderwerp van discussie mogen worden, herhalen we het verleden. Dat mag maar dan moeten we geen kritiek hebben op personen die ons telkens weer met ons onvermogen confronteren. Dan past een misplaatste oproep tot fatsoen niet. Dergelijke fatsoensnormen verhinderen juist dat verandering tot stand komt en worden zo een dekmantel voor instandhouding ven problemen.  Wilders vaart er wel bij. 


Thieu Wagemans is raadslid voor Ronduit Open in Leudal en werkt aan een studie over vernieuwing van het politieke systeem

*********************************************************************************************************************


Op 13 oktober 2015 verscheen de volgende opiniebijdrage in de Limburgse kranten.

Debat opvang vluchtelingen doet geen recht aan problematiek

Discussie is polariserend

De vluchtelingenproblematiek staat thans centraal op de politieke en maatschappelijke agenda. En terecht. Een discussie daarover zou in een open en democratische samenleving idealiter moeten resulteren in een beleid dat recht doet aan wat de meerderheid denkt en rekening houdt met opvattingen en zorgen van de minderheid. Daarvan is nauwelijks sprake Integendeel. De discussie is in wezen een confrontatie tussen twee uiterste en onverenigbare posities. Aan de ene kant een moreel gefundeerde opvatting dat we in een samenleving wensen te leven waarin niemand gedwongen wordt de nacht op de straat door te brengen en waarin ieder recht heeft op elementaire zorg zoals onderdak, voeding en medische zorg. Aan de andere kant het standpunt dat veel mensen die zich als vluchteling melden gelukzoekers zijn en dat het zowel onmogelijk als ongewenst is om een onbeperkt aantal asielzoekers op te vangen. Een dergelijke discussie is polariserend, doet geen recht aan de onderliggende problematiek en getuigt van onzindelijke communicatie. In plaats van verschillen te zoeken lijkt het op zijn plaats de punten van overeenstemming te zoeken. Welke zijn dat?

Op de eerste plaats is het volkomen in strijd met een minimumniveau aan beschaving wanneer in ons land bijvoorbeeld gezinnen met kinderen de nacht op straat moeten doorbrengen. Wie daar anders over denkt hoort niet in Nederland thuis. Tegelijkertijd is voor ieder helder dat ons land niet miljoenen mensen van elders kan opvangen, nog los van de redenen waarom men zijn toevlucht zoekt in Nederland. Op de tweede plaats wordt eventuele overlast van grootschalige opvang van asielzoekers zeer ongelijk verdeeld. Dat geldt voor de “grote” overlast wanneer bijvoorbeeld vestiging van een zeer grootschalig AZC aan de orde is. Dat geldt ook in het klein. Mensen die in een straat wonen met veel sociale huurwoningen en die het niet prettig vinden wanneer gaandeweg 40 % van de woningen door mensen uit andere culturen wordt bewoond, krijgen niet de ruimte hun bedenkingen te uiten omdat ze anders wordt verweten inhumaan te zijn. Dat is een gemakkelijk standpunt voor wie in een bungalowwijk woont. Het is ongepast wanneer een open discussie over de opvang van vluchtelingen onmogelijk wordt gemaakt door mensen die zichzelf een hoge morele maatstaf aanmeten en zich dat ook gemakkelijk kunnen permitteren omdat ze geen enkele overlast ondervinden van een ruimhartige opvang van asielzoekers. En waarom mag er geen kritiek zijn wanneer een gemeente, zoals in Leudal, het beleid verandert waardoor het inrichtingskrediet dat nieuwkomers krijgen voortaan niet meer hoeft te worden terugbetaald en dit ten koste gaat van het geld dat beschikbaar is voor armoedebestrijding in de gemeente?

Ik meen dat maatschappelijk draagvlak voor opvang van asielzoekers begint met een houding van openheid waarbij het voor ieder mogelijk is opvattingen te uiten maar waarin amorele uitingen ten strengste worden veroordeeld omdat ze niet passen binnen onze samenleving. Nodig is ook dat mensen die worden geconfronteerd met de gevolgen van een ruimhartig beleid een stem krijgen. Verder is nodig dat mensen die een verblijfstatus krijgen zo snel mogelijk in de gelegenheid worden gesteld om als volwaardige burgers te functioneren en ook daarop worden aangesproken. Dat betekent taalbeheersing. Dat betekent ook dat men niet langer afhankelijk is van sociale voorzieningen maar in de gelegenheid wordt gesteld eigen inkomen te verwerven zoals dat van alle burgers in ons land mag worden verwacht. Daarbij passen geen bureaucratische regels die nieuwkomers belemmeren of onder het mom van integratie hen dwingen kosteloos arbeid te verrichten waar anderen een beloning voor krijgen.


Thieu Wagemans is raadslid voor Ronduit Open in Leudal

*******************************************************************************************************

Op 29 september 2015 verscheen deze opiniebijdrage in de Limburgse kranten

“Politieke partijen moeten zich ontworstelen aan deelbelangen”

Een kapot geregeld land

Thieu Wagemans

Op 26 september jl. plaatste Tof Thissen een column waarin twee constateringen centraal stonden. Op de eerste plaats dat ons parlementair stelsel de afgelopen 100 jaar nauwelijks is veranderd en verder dat ons politieke systeem de band met de burger gaandeweg kwijtraakt. Hij wil daar graag iets aan veranderen. Dat valt te prijzen maar ik meen dat het probleem te ingewikkeld is om te denken dat dit met een paar simpele acties kan worden opgelost.

Wat is er aan de hand? Op technisch en economisch terrein hebben we de afgelopen 200 jaar enorme vooruitgang geboekt. We waren in staat de wereld naar onze hand te zetten dankzij nieuwe technologie. Schaalvergroting stelde in staat volop gebruik te maken van deze technologie. We gingen steeds slimmer organiseren. Gevolg was dat onze samenleving verzakelijkte.  Mensen werden gereduceerd tot regelbare objecten. Onderlinge relaties werden minder door gevoelens bepaald en steeds meer gebaseerd op berekening en bevoegdheden. Anonimiteit ging regeren. Alles werd geregeld door een juridisch systeem dat gaandeweg hopeloos ingewikkeld is geworden. De rechtspraak moet zorgen voor rechtvaardigheid maar de praktijk toont dat het voor vermogende burgers heel wat gemakkelijker is hun gelijk te halen dan voor mensen met een smalle beurs. Rechtvaardigheid is een kwestie geworden van vaardigheid in het recht. We hebben gelijkheid zo ingewikkeld geregeld dat het tot ongelijkheid leidt. We hebben waarden als het ware kapot geregeld. We stellen lange lijsten met regels op voor integer gedrag van politici. Zolang je je aan de regels houdt word je geacht integer te zijn. Regels kunnen zo een dekmantel worden voor onfatsoen. 

De consequentie is dat vragen rond moraliteit gaandeweg op de achtergrond zijn geraakt. Ideologische debatten in de politiek zijn zeldzaam geworden. Sterker nog, partijen laten zich erop voorstaan dat ze niet-ideologisch zijn. Gewiekstheid wint het van morele overwegingen.  En, wat nog erger is, partijen die claimen betekenis te geven aan waarden, handelen in de praktijk voortdurend in strijd met eigen beginselen. Men sluit compromissen. Echter, waarden en gevoelens lenen zich niet voor compromissen of handjeklap. Je kunt een ruzie niet beëindigen met als compromis dat je elkaar voortaan voor 55% vertrouwt.

Natuurlijk wordt het probleem van een grote afstand met burgers ook door de politiek ervaren. Men probeert er ook iets aan te doen. Men verandert procedures, men draagt bevoegdheden over van het rijk naar provincies en gemeenten. Dat alles is zonder twijfel goedbedoeld maar het lost het onderliggende probleem niet op. Sterker nog, het houdt de illusie van een oplossing in stand en neemt de noodzaak weg de echte problemen aan te pakken.

Nodig is dat politieke partijen zich ontworstelen aan deelbelangen. Juist daardoor blijven oplossingen uit en worden problemen in stand gehouden. Men is bang achterban te verliezen wanneer men besluiten neemt die door een deel van de achterban niet op prijs worden gesteld. Door die houding raken politici hun zelfstandigheid kwijt. Met gewiekste oneliners worden mensen naar de mond gepraat. Komen bestuurders in problemen dan kunnen ze op de vanzelfsprekende bescherming rekenen van hun partijgenoten. Nieuwe partijen die verandering willen lopen maar al te vaak vast in dezelfde bureaucratische loopgraven die het politieke bedrijf verzieken. Is het vreemd dat veel burgers niet eens meer de moeite nemen te gaan stemmen, daarmee aangevend dat ze geen enkele relatie met de politiek meer wensen?   

Laten politieke partijen eens beginnen met een analyse van de rol die ze zelf de afgelopen tijd hebben gespeeld, met de erkenning dat we zijn vastgelopen en dat we voor echte vernieuwing niet kunnen volstaan met het verhangen van bordjes of met weer een nieuwe commissie. Wie vragen rond moraliteit heeft weggemoffeld verspeelt ieder recht burgers op moraliteit aan te sopreken.  

Thieu Wagemans is raadslid en werkt aan een studie over transformatie van het politieke systeem

********************************************************************************************************************

In augustus 2015 verscheen onderstaande opiniebijdrage in de Limburgse kranten

De Spagaat van de Landbouw

De Redactie van de Limburger plaatste op 4 augustus jl. een kritisch commentaar over de landbouw.  Hoge prijzen stimuleren ondernemers hun productie uit te breiden met als gevolg overproductie en lagere prijzen.  In plaats van hogere inkomens te bereiken raakt men in de problemen. Volgens het commentaar is dat nu eenmaal het gevolg van de wet van vraag en aanbod. Boeren zijn ondernemers en moeten niet  steeds de hand ophouden bij de overheid als het tegenzit.

Strikt economisch klopt die redenering en dat is nu juist het probleem. Er valt nogal wat af te dingen op het uitgangspunt dat voedselproductie een strikt economische activiteit is. Op de eerste plaats is van een gelijk speelveld geen sprake. Er zijn veel ondernemers en veel consumenten. Maar de werkelijke macht  ligt noch bij de producenten, noch bij de consumenten maar bij een steeds kleiner aantal handelaren  en supermarkten die producenten onder druk kunnen zetten. Van de prijs die de consument betaalt komt een steeds kleiner deel bij de producent terecht. Daar komt bij dat kenmerkend voor landbouwproducten is dat een geringe overproductie reeds tot aanzienlijke prijsdalingen  kan leiden. Een tweede punt betreft het feit dat een boer niet alleen voedsel produceert maar ook het buitengebied onderhoudt. Echter, voor natuur en landschap bestaat er geen markt in traditionele zin. Het buitengebied is te beschouwen als een zogenaamd gemeenschappelijk goed dat je niet in stukjes kunt knippen en op de markt kunt verkopen. Maar het meest wezenlijke bezwaar is dat die beide functies, voedselproductie en beheer van natuur en landschap, onderling vaak op gespannen voet staan.  Grote en rechthoekige percelen zijn nodig om efficiënt gebruik te kunnen maken van moderne machines maar natuur en landschap zijn juist gebaat met kleinschaligheid en afwisseling. Burgers hebben een voorkeur voor koeien in de wei maar bedrijfseconomisch kan het gunstiger zijn koeien het hele jaar in de stal te laten.

Tegen die achtergrond kunnen  dikke vraagtekens worden geplaatst bij het uitgangspunt dat voedselproductie een economische activiteit is en dat boeren ondernemers zijn en als zodanig moeten worden behandeld. Juist de spanning tussen efficiënte voedselproductie  en duurzaam beheer van het platteland leidt ertoe dat de boer steeds weer en steeds meer in een spagaat terechtkomt. Economische redenen dwingen tot rationalisatie en schaalvergroting en tegelijkertijd leiden maatschappelijke overwegingen tot steeds meer regels en beperkingen. Die spanning is niet oplosbaar door iets meer ruimte te geven aan economische belangen of, integendeel, de overheidsregels strakker aan te halen. Toch is dat juist wat er al jarenlang gebeurt. Landbouwbeleid wordt gekenmerkt door compromissen. En door steeds ingewikkelder regels met telkens weer uitzonderingen om aan belangen vanuit de landbouw tegemoet te komen. Landbouwbeleid is voer geworden voor juristen die daar overigens ook een dikke boterham aan verdienen. In plaats van door te gaan op deze heilloze weg dient te verantwoordelijkheid voor goed en voldoende voedsel en tegelijkertijd een goed beheer van het buitengebied veel sterker bij de burger te worden gelegd. Want ook bij veel burger s is sprake van een spagaat. Men dringt aan op duurzaam geproduceerd voedsel maar laat zich in de supermarkt vaak leiden door de laagste prijzen. Zo houden producenten en consumenten een probleem in stand waar slechts de supermarkten van profiteren.  De landbouw heeft dringend behoefte aan een nieuw verdienmodel.  Er zijn reeds tal van initiatieven op dat terrein maar de omslag komt niet tot stand zolang die wordt tegengehouden door partijen die belang hebben bij instandhouding van het probleem.   

Thieu Wagemans is Raadslid voor Ronduit Open in de gemeente Leudal


****************************************************************************************************************

Op 30 juni 2015 werd deze opiniebijdrage over de nieuwe encycliek Laudato si gepubliceerd in de Limburgse kranten.

De Thuiskomst van de Kerk


Hoewel slechts enkele dagen oud heeft de nieuwe pauselijke Encycliek Laudato si al veel losgemaakt. Terecht. Hoewel velen intussen overtuigd zijn van het belang van duurzaamheid en verantwoord omgaan met de aarde blijkt het lastig om ons dagelijks gedrag daaraan ook aan te passen. Ons economisch systeem is daar ook niet op ingericht. Veel van wat van waarde is heeft in economisch opzicht geen of slechts weinig betekenis. Tegelijkertijd ondervinden we niet direct de nadelen wanneer we ons onduurzaam gedragen.

De nieuwe encycliek roept in essentie op om niet langer de aarde uit te buiten maar te beschermen wat kwetsbaar is. Dat is overigens niet nieuw binnen het christelijk geloof. Al zo’n 600 jaar voor Christus verweet de profeet Ezechiël de herders van Israël dat ze de melk van de schapen dronken, de wol gebruikten voor kleding en het vlees opaten maar zich tegelijkertijd niet om de zieke dieren bekommerden. Ze waren herders, zo schreef hij, die vooral zichzelf weidden in plaats van de schapen. De oproep van de paus betekent in wezen dat we weer oog moeten krijgen voor wat binnen ons economisch systeem geen waarde heeft. Wat economisch kwetsbaar is moet bron van inspiratie worden. Dat betekent een totale omwenteling. Het is de omgekeerde wereld.

Maar de betekenis van de encycliek kan veel verder gaan dan enkel een oproep tot duurzaamheid. De katholieke kerk heeft een periode achter de rug waarin regels en gehoorzaamheid belangrijker werden geacht dan de bronnen van het geloof. De kerk als organisatie was niet meer dienend naar gelovigen maar voorschrijvend en heersend. Zoals zo vaak gaat het mis zodra datgene wat mensen inspireert onderwerp wordt van organisatie, van regels, van procedures. Dat geldt voor willekeurig welke organisatie en dus ook voor de kerk. De eigen verantwoordelijkheid waar de paus toe oproept kan een periode inluiden waarin de regels niet langer “zaligmakend” zijn maar waarin de kerk zelf weer waarden belangrijker gaat vinden dan regels. Dat is ook de enige weg waarin de kerk weer betekenisvol kan zijn. Natuurlijk zal moeten blijken welk vervolg door de kerk wordt gegeven aan de encycliek. Uiteindelijk zijn het immers niet meer dan woorden. Maar het is een moedige eerste stap die tot nieuw elan kan leiden. De weg zal niet eenvoudig zijn en kan ook tot interne tegenstellingen leiden. Hard bidden in de kerk en zich buiten de kerk onduurzaam gedragen wordt lastig. Er zullen fouten worden gemaakt zoals altijd bij ingrijpende vernieuwingen. Maar beter fouten gemaakt op het juiste pad dan met volharding de verkeerde richting kiezen. Beter zich herbronnen dan blijven kiezen voor vanzelfsprekendheden en achterhaalde routines waarmee we slechts het verleden herhalen maar niet een nieuwe toekomst scheppen. De encycliek biedt de kerk een kans om weer in woord en daad het kwetsbare centraal te stellen en dus weer “thuis” te komen.

Ook in het politieke domein kan de encycliek betekenisvol zijn. De opgaven op het vlak van duurzaamheid zijn niet oplosbaar door slimme compromissen, door een procentje meer of minder of door ingewikkelde juridische procedures. Daar zijn we weliswaar handig in maar ze brengen ons niet verder. Ze creëren de illusie van oplossingen waarna we telkens weer

tot de conclusie komen dat de echte problemen blijven voortbestaan. Veel maatschappelijke problemen schreeuwen als het ware om een thematisering en analyse op niveau van waarden in plaats van belangen. Waarden inspireren, regels doen dat zelden of nooit. Ook in dat opzicht is de nieuwe visie van de paus patroondoorbrekend. Menige politieke partij kan er een voorbeeld aan nemen. Al te vaak is het enthousiasme van het eerste uur verdrongen door interne partijregels. Politieke debatten zijn nauwelijks meer ideologisch van aard. Politiek is afgegleden tot partijpolitiek. In die zin is de encycliek ook een verrijkend en ver rijkend document voor iedere politicus die zegt zich door christelijke beginselen te laten leiden. Woorden, waar de politiek zo rijk aan is, tellen niet maar het gaat om de consequenties die je eraan verbindt.

Mathieu Wagemans is raadslid in Leudal

**********************************************************************************************


Een pleidooi voor vernieuwing van het psychiatrisch zorgsysteem


Mathieu Wagemans
(Belenbroeklaan 22 6093BT Heythuysen mchwagemans@hotmail.com www.ontganiseren.nl)


· Een situatieschets

Over het functioneren van de psychiatrische zorg bestaan veel klachten. Dat geldt niet enkel voor bijvoorbeeld familieleden van patiënten maar ook intern vallen regelmatig kritische geluiden te horen. Daarbij gaat het niet enkel om operationele vragen maar ook over fundamentele vraagstukken bestaat verschil van opvatting. Voor een belangrijk deel is dat toe te schrijven aan het feit dat onze kennis over het ontstaan van psychiatrische aandoeningen en effectieve behandelingen nog beperkt is. We weten nog betrekkelijk weinig over hoe mentale, fysische en omgevingsfactoren bij een psychiatrische aandoening op elkaar inwerken. Tegelijkertijd wordt ook de psychiatrische zorg geconfronteerd met bezuinigingen. De psychiatrie bevindt zich daarbij in een afhankelijke positie. Zonder de nodige middelen is goede zorg niet mogelijk maar besluitvorming over middelen vindt plaats door overheid en verzekeringsmaatschappijen. Daarnaast oefent de farmaceutische industrie invloed uit waarbij ook andere overwegingen meespelen dan goede psychiatrische zorg. Een derde factor is dat tegelijkertijd het belang van goede psychiatrische zorg steeds belangrijker wordt. Het aantal mensen met een psychiatrische aandoening neemt toe. De combinatie van deze factoren leidt ertoe dat een verwachtingspatroon wordt opgebouwd waar niet aan kan worden voldaan. Dat is een lastige situatie. Men wil verbetering maar wordt beperkt daarin beperkt door gebrek aan kennis, inzicht en middelen. Niettemin wordt binnen de psychiatrische zorg door velen naar verbetering gestreefd. Maar met alle waardering voor dergelijke initiatieven blijft de vraag of daarmee de noodzakelijke veranderingen kunnen worden bereikt. Kunnen we vertrouwen op bestaande processen of is er een noodzaak voor ingrijpender veranderingen? Waar moeten die dan op betrekking hebben? En hoe kunnen die worden gerealiseerd?

· Aanleiding tot verdieping

Iedere organisatie en ieder systeem ontwikkelt routines. Dat geldt ook voor de psychiatrische zorg. Routines ontstaan min of meer automatisch. Binnen een organisatie ontwikkelen zich opvattingen over problemen, over oplossingen en onderlinge omgangsvormen. Dat gebeurt vaak impliciet. Op enig moment worden ze ook niet meer ter discussie gesteld, juist omdat ze vanzelf spreken. Er bestaat de gedeelde overtuiging dat het beste via bepaalde praktijken kan worden gehandeld. Deels liggen die vast in voorschriften en protocollen maar voor een belangrijk bepalen ze onbewust het gedrag en kunnen ze niettemin nog krachtiger werken dan formele regels. Ze zijn doorgaans lastig te veranderen. En uiteraard moet er een stevige noodzaak tot verandering zijn. Waarom zou je ingrijpen in routines die vast verankerd zijn in een organisatie? Om die vraag naar de noodzaak van verandering binnen het psychiatrisch zorgsysteem te beantwoorden lijkt een verdiepende analyse gewenst. Een dergelijke analyse is nodig om de duiden of er sprake is van systeemproblemen. Gaan er zaken “systematisch” mis? Hoe komt het dat verbeteringen niet het gewenste effect hebben? Waarom komen pogingen tot verandering lastig van de grond? We zullen ten behoeve van een dergelijke analyse achtereenvolgens ingaan op de aard van een psychiatrische aandoening en de plaats van betekenisgeving binnen de psychiatrie. Vervolgens komt de relatie met de buitenwereld aan de orde en zullen we conclusies trekken over de noodzaak van systeemveranderingen. We sluiten af met de vraag hoe noodzakelijke veranderingen kunnen worden gerealiseerd en wat daarbij kritische condities zijn.

· Wat is de kern van een psychiatrische aandoening?

Kort gezegd zouden we kunnen stellen dat wetenschap en praktijk van de psychiatrie met betekenisverlening heeft te maken. Een psychiatrisch patiënt geeft op een andere wijze betekenis dan wij “normaal” vinden. Betekenisgeving wordt dan ook wel aangeduid als het centrale vraagstuk van de psychiatrie. Immers, in wezen vormt de wijze waarop wij mensen betekenis geven aan onszelf, aan onze omgeving en aan onszelf in relatie tot die omgeving niet alleen het wezen van de mens maar ook het centrale kenobject van de psychiatrie. Eenzelfde situatie wordt door een depressief persoon heel anders beoordeeld dan door anderen. Een situatie die de een als normaal beschouwt kan een ander als angstaanjagend beleven. De situatie is hetzelfde maar de betekenisgeving kan erg verschillen. Een mens kan waanbeelden als werkelijkheid, als “waar” zien. Iemand kan het zicht verliezen op zichzelf, geen perspectief meer zien of “overmensd” worden door angstbeelden. Nu heeft iedereen wel eens mindere dagen of periodes. Element van een psychiatrische aandoening is echter ook dat men het vermogen mist op eigen kracht een dergelijke periode te boven te komen en het leven weer aan te kunnen.


· Betekenisgeving binnen de psychiatrie

Wat betekent het uitgangspunt dat betekenisverlening centraal staat binnen de psychiatrie voor het functioneren van het psychiatrisch zorgsysteem? We gaan achtereenvolgens in op de diagnostische fase, de behandelfase en op wetenschappelijk onderzoek binnen de psychiatrie.

1. Betekenisgeving en diagnose

Doel van een diagnose is vast te stellen of er sprake is van een psychiatrische aandoening. De psychiater zal daartoe moeten trachten zich te verplaatsen in de persoon van de patiënt om te weten te komen hoe hij in het leven staat, hoe hij functioneert in zijn werkomgeving en zijn thuissituatie, welke sociale relaties hij onderhoudt, wat hij als problematisch of onoplosbaar ervaart en bovenal wat het zelfbeeld is van de patiënt.

Daartoe interpreteert een psychiater gedrag van een patiënt om zo betekenisgeving door een patiënt te leren kennen met een diagnose als uiteindelijke uitkomst. Welke beelden heeft een patiënt en wat valt er te zeggen over processen van betekenisgeving? Dat is niet eenvoudig. Zingeving op zichzelf is niet waarneembaar. Wat we kunnen waarnemen is gedrag van een patiënt, maar dat is een afgeleide indicator. Gedrag vormt een expressie van onderliggende zingeving. Via observatie van gedrag en reacties op vragen proberen we de wereld te leren zien zoals een patiënt die ziet om vervolgens op basis daarvan tot een diagnose te komen.

Uiteindelijk resulteert een goede diagnose in een beeld dat door zowel patiënt als psychiater wordt gedeeld. Een diagnose vormt idealiter een gezamenlijk gedeelde constructie die vervolgens door de psychiater wordt geherformuleerd in professionele termen. Dat is het ideale beeld maar de praktijk kan geheel anders zijn. Allereerst is het buitengewoon lastig om eigen betekenisverlening opzij te zetten. Dat geldt ok voor de psychiater. Waarneming en interpretatie van gedrag brengen onvermijdelijk reductie met zich mee. Persoonlijke overtuigingen, opleiding, ervaringen met andere patiënten, nieuwe inzichten uit de vakliteratuur enz. oefenen invloed uit. Verder zal een psychiater zijn conclusie moeten herformuleren volgens de classificaties van het DSM. Ook dat is een bron van reductie die bovendien vrijwel onvermijdelijk is, alleen al vanwege de stevige relatie tussen de DSM-classificatie en het vergoedingensysteem. Sterker nog, in zijn uiterste consequentie kan een diagnose van meet af aan worden gedomineerd door de DSM-definities van mogelijke psychiatrische aandoeningen. In dat geval wordt de patiënt niet benaderd als betekenisgevend mens maar als te classificeren object van onderzoek. Risico daarvan is dat alles wat voor een patiënt betekenisvol is maar niet kan worden geordend volgens het DSM, als betekenisloos terzijde wordt geschoven. Dat betekent dat bij iedere diagnostisering elementen buiten beeld zullen blijven. Die reductie is, gezien vanuit een constructivistisch perspectief dat aan gedrag betekenisverlening voorafgaat, niet te vermijden. Gevolg is wel dat iedere diagnose een veronderstellend karakter heeft. Het is een beeld van de werkelijke situatie waarin een patiënt verkeert maar het is niet het enige beeld, noch een beeld waarvan de juistheid onomstotelijk kan worden bewezen.

Betekenisgeving en behandeling


Een patiënt die wordt opgenomen in een psychiatrisch afdeling krijgt te maken met tal van intern geldende regels. Die regels zijn deels bedoeld om een omgeving van structuur en rust te scheppen die heilzaam is voor behandeling van patiënten Ook overwegingen op het vlak van persoonlijke veiligheid maken regels noodzakelijk. Op de derde plaats vraagt de organisatie van operationele zaken om enige ordening. Zo ontstaat er een doordacht complex van regels en protocollen die nuttig en nodig worden geacht voor een optimale behandeling en herstel van patiënten. Veel minder aandacht krijgt de vraag hoe die combinatie van regels en protocollen wordt beleefd door de patiënt. Welke betekenis geven patiënten eraan? Hoe wordt een situatie ervaren wanneer voor ogenschijnlijk volstrekt onbeduidende punten toestemming moet worden gevraagd aan de dienstdoende medewerkers? Of wanneer blijkt dat de beslissingsruimte van medewerkers zeer beperkt is en telkens weer moet worden opgezocht of de behandelend psychiater wel of niet ergens toestemming voor heeft verleend? Het kan door een depressieve patiënt worden ervaren als een aanduiding dat men zelf tot niets meer in staat is, als een situatie van volkomen afhankelijkheid en als een bevestiging dat men in een uitzichtloze situatie terecht is gekomen. Daarmee is geenszins gezegd dat dergelijke regels niet noodzakelijk zouden zijn. Het gaat echter om de betekenis die eraan wordt gegeven. Voor iemand die depressief is en een negatief beeld heeft omtrent zichzelf en de omgeving werkt dat niet helend en bouwend aan zelfvertrouwen maar leidt het eerder tot nog meer uitzichtloosheid. Men wordt gedomineerd door een systeem dat bedoeld is te genezen maar dat zo in zijn tegendeel kan verkeren. Wat bedoeld is als zorg kan worden ervaren als bewijs van eigen onvermogen en als uitdrukking van totale afhankelijkheid hetgeen bepaald niet bijdraagt aan het opbouwen van een positief zelfbeeld. Hier is het onderscheid aan de orde tussen de motieven die aan regels ten grondslag liggen en de wijze waarop deze worden ervaren door een patiënt. Het is allerminst vanzelfsprekend dat een patiënt, zeker in de fase van verwardheid na eerste opname, deze regels en de ratio erachter begrijpt. Sterker nog, dat lijkt erg onwaarschijnlijk.

Een stap verder is wanneer patiënten het systeem met al zijn regels doorgronden en hun gedrag aanpassen aan wat voorgeschreven is, niet omdat ze de regels aanvaarden en respecteren maar slechts om door symbolische bevestiging van de regels de ruimte voor zichzelf te scheppen de eigen gang te gaan. Dergelijk gedrag staat bekend als “playing the system”. Men weet hoe men zich moet gedragen om medewerkers op basis van een positieve inschatting ertoe te bewegen ergens toestemming voor te geven. Zo bleken daklozen in Chicago heel nauwkeurig de opnamecriteria te kennen van psychiatrische instellingen en de bijbehorende gedragspatronen zodat men de winter niet op straat hoefde door te brengen.

3. Betekenisgeving en onderzoek


De noodzaak van onderzoek staat binnen de psychiatrie niet ter discussie. Er zijn tal van leemten in onze kennis, ook ten aanzien van zeer centrale vraagstukken. We weten nog weinig van hoe processen van betekenisverlening verlopen en ook niet over de vraag hoe dergelijke processen worden beïnvloed en soms vrij plotseling ingrijpend kunnen veranderen. En als veranderingen optreden missen we onderbouwde kennis over de relatie tussen oorzaak en gevolg. De kennisvragen zijn bovendien buitengewoon complex. Er spelen fysische, mentale en omgevingsfactoren een rol die op een vooralsnog zeer ondoorzichtige wijze onderling verweven zijn. Een disciplinaire benadering kan zicht bieden op kennis binnen een discipline maar veel lastiger is om te komen tot inter- en multidisciplinaire kennis. De methodologie voor dergelijk onderzoek is ook veel minder ontwikkeld dan voor disciplinair onderzoek. Dat maakt het accepteren door het wetenschappelijk forum van kennisclaims een stuk lastiger, vergeleken met onderzoek dat met gebruik van een breed aanvaarde methodologie tot stand is gekomen.


Het vertrekpunt van het constructivisme heeft ook gevolgen voor het psychiatrisch onderzoek. Om aan de eisen van wetenschappelijk verantwoord onderzoek te doen wordt de wereld gereduceerd tot een kenbare en onderzoekbare wereld. Wetenschapsbeoefening veronderstelt precisie en systematiek. Precisie houdt in dat heel nauwkeurig wordt aangegeven welke begrippen worden gehanteerd en hoe die zijn gedefinieerd. Hoe nauwkeuriger de definitie, des te groter de reductie. We kunnen vervolgens met behulp van de waarschijnlijkheidsleer uitspraken doen over de relatie tussen twee of meer parameters. Een eerste gevolg daarvan is dat het toepassingsgebied van verworven kennis kleiner wordt naarmate de condities waarbinnen het onderzoek is uitgevoerd nauwkeuriger zijn geformuleerd. Vertaling naar en toepassing in de praktijk is dan lastiger.


Een tweede punt is dat een statistisch betrouwbare relatie nog niet betekent dat ons inzicht is toegenomen. Een relatie betekent niet noodzakelijkerwijs dat er sprake is van een causaal verband en geeft ook geen inzicht in de vraag op welke wijze beide parameters samenhangen. De hypothese en de onderliggende redenering is strikt genomen slechts een mentale constructie over een mogelijke relatie. Wordt de in de hypothese veronderstelde relatie bevestigd, dan wil dat nog niet zeggen dat ook de daaraan ten grondslag liggende redenering wordt bevestigd. Feitelijke uitkomsten uit onderzoek zijn nog geen garantie dat ons inzicht is toegenomen.


Natuurlijk hoeft dat niet noodzakelijkerwijs een probleem te zijn. Een probleem ontstaat pas wanneer relevante aspecten en verschijnselen buiten beeld blijven en binnen gemaakte afspraken niet kunnen worden gethematiseerd. In het bijzonder binnen de psychiatrie is deze vraag aan de orde. Het gaat er immers om betekenisgeving door een patiënt en de processen van betekenisgeving te leren kennen. Het risico bestaat dat als gevolg van de voorgeschreven onderzoekaanpak de werkelijkheid (in dit geval het beeld dat de patiënt zich daarvan heeft gevormd) slechts voor een deel aandacht krijgt, namelijk voor zover die past binnen het vooraf geconstrueerde onderzoekkader. In wezen is men dan niet geïnteresseerd in het perspectief van de patiënt maar stelt men de eigen onderzoekbenadering voorop. Dat laatste fungeert als toetssteen en aambeeld. De wereld dient samen te vallen met het betekeniskader dat men zelf vooraf heeft samengesteld. Hoenders e.a. (2006) stellen dat onderzoek in de reguliere geneeswijzen grotendeels is gebaseerd op positivisme, reductionisme, objectivisme

en determinisme. Er wordt gestreefd naar standaardisatie en generalisatie. Voor subjectieve beleving is doorgaans weinig ruimte. Een rationeel-analytische benadering kan zo gemakkelijk op gespannen voet staan met onderzoek naar gevoel en beleving. Door aspecten te onderkennen aan boosheid ontneem je het wezen aan boosheid. Argumenten, hoe rationeel ook, hebben geen werking wanneer men depressief is. Door te redeneren over angst doe je geen recht aan het wezen van angst. Anders gezegd, er bestaat spanning tussen een rationeel-klinische benadering en het kenobject van de psychiatrie.


Een andere factor binnen psychiatrisch onderzoek vormt het begrippenapparaat. Binnen iedere wetenschappelijke discipline is er de noodzaak van algemeen aanvaarde, heldere en communiceerbare begrippen en definities. Een gedeeld en aanvaard begrippenapparaat stelt in staat tot betekenisvolle communicatie en voorkomt permanent misverstaan. Met de vaststelling van (opeenvolgende edities van) het DSM is op dat terrein een belangrijke stap gezet. Maar tegelijkertijd is er ook een keerzijde. De definitiefase wordt doorgaans beschouwd als de eerste fase van ontwikkeling van een wetenschappelijke discipline. Het gaat dan om duiding van het aandachtsgebied, de vragen die centraal staan en daaraan gekoppeld de terreinafbakening ten opzichte van andere disciplines. Maar een gedeelde set van definities houdt ook een risico in. Definities zijn bepalend voor de wijze waarop vanuit het wetenschapsterrein naar de werkelijkheid wordt gekeken. Wat binnen de definities past is relevant en verschijnselen die daarin niet passen blijven buiten beeld. De nieuwe discipline is er niet ontvankelijk voor. Dit probleem is extra relevant wanneer een wetenschapsterrein nog volop in ontwikkeling is en er sprake is van een nog onontgonnen onderzoeksveld. Dan bestaat het gevaar dat men probeert inzicht te verwerven met behulp van begrippen die "per definitie" daartoe niet in staat stellen. Voor de psychiatrie is in dit verband van belang dat de begrippen zoals verwoord in het DSM slechts deels zijn gebaseerd op verworven inzicht en voor een groot deel het resultaat vormen van aanvaarde definities op basis van waarneembare kenmerken. Onze kennis van de onderliggende processen van psychiatrische aandoeningen is nog beperkt. Dat houdt het risico in dat bij onderzoek niet het mensbeeld van de patiënt voorop staat maar een extern geconstrueerd betekeniskader met de daarbij behorende schemata. Aanvaarde definities zijn slechts in beperkte mate dragers van kennis en inzicht. Verdere detaillering van definities betekent niet automatisch verdieping van inzicht.

Wat opvalt is verder dat er binnen de psychiatrie veel waarde wordt toegekend aan formeel-wetenschappelijke kennis en veel minder aan ervaringskennis. Mensen in de omgeving van patiënten beschikken over veel kennis maar vervullen binnen het kennissysteem (nog steeds) een zeer ondergeschikte rol. De psychiatrische zorg functioneert als een professioneel systeem dat weinig toegankelijk is voor derden. Ervaringskennis, bijvoorbeeld van familie van een patiënt, heeft een lage status. Het is lastig om van buiten uit door te dringen tot het professionele systeem. De toegankelijkheid is laag. De merkwaardige situatie doet zich voor dat kennis binnen de psychiatrische zorg gebrekkig is terwijl tegelijkertijd slechts matig gebruik wordt gemaakt van beschikbare kennis rond patiënten.

· De relatie met de buitenwereld

Hoe een systeem functioneert is niet enkel afhankelijk van de interne dynamiek maar ook van de relaties met de buitenwereld. Dat geldt ook voor het psychiatrisch zorgsysteem. Om de invloed van externe systemen te kennen en begrijpen moeten we ons verdiepen in de vraag wat er gebeurt op het breukvlak tussen systemen. We gaan achtereenvolgens in op het breukvlak tussen psychiatrisch zorgsysteem en de overheid en het psychiatrisch zorgsysteem en de omgeving van de patiënt.

1. De relatie met de overheid

Er is nauwelijks een betekeniskader zo gedetailleerd uitgewerkt als dat binnen de overheid. Iedere wet of verordening begint doorgaans met een artikel waarin met veel gevoel voor detail begrippen worden omschreven. Wat wordt verstaan onder “verplichte zorg”, een “crisismaatregel”, een “zorgverantwoordelijke” enz. Die definities vormen samen het perspectief, de bril, waarmee de maatschappelijke werkelijkheid voor de overheid betekenis krijgt. Binnen het betekeniskader van de overheid is er geen plaats voor onzekerheid. Situaties waarin sprake is van gebrek aan kennis of onvermogen passen niet goed in dat model. De wereld wordt gereduceerd tot een kenbare en beïnvloedbare wereld. Terwijl voor burgers onvermijdelijk het moment kan komen dat men de werkelijkheid onder ogen moet zien, geldt dat niet voor de overheid. De overheid verkeert in een positie dat de eigen definities dwingend aan de maatschappij kunnen worden opgelegd. De macht van de overheid is in wezen definitiemacht. De maatschappelijke werkelijkheid wordt zodanig gereduceerd dat deze past binnen het overheidsperspectief. Op papier is alles in orde. Situaties, problemen enz. die buiten het overheidsperspectief vallen zijn voor de overheid “per definitie” betekenisloos. Risico daarvan is dat de overheid contact verliest met de buitenwereld en geen oog meer heeft voor wat burgers bezig houdt. Er is teveel werkelijkheid die niet binnen het beleidskader valt. Zo kan de overheid een situatie als verkeersveilig benoemen terwijl er in de beleving van burgers sprake is van een extreem onveilige situatie. Situaties worden gereduceerd en zodanig gedefinieerd dat ze oplosbaar zijn. Problemen worden als het ware “weggedefinieerd”. Problemen die niet oplosbaar zijn vallen buiten het perspectief en bestaan als het ware niet. Voor de overheid is dat een buitengewoon comfortabele positie. De buitenwereld wordt aangepast aan de wereld van de overheid.

Overheid en psychiatrie krijgen steeds meer met elkaar te maken. Er is sprake van onderlinge afhankelijkheden. Hoewel er voorbeelden zijn van het omgekeerde (denk aan psychiatrisch onderzoek van verdachten in strafrechtzaken) kan in het algemeen worden gesteld dat het psychiatrisch systeem zich ten opzichte van de overheid in een afhankelijk positie bevindt. Voor zover belangen gelijk oplopen hoeft afhankelijkheid niet noodzakelijkerwijs problemen op te leveren. Dat ligt anders wanneer belangen verschillen. De afhankelijke partij verkeert dan in een ongunstige positie.

Wat is het gevolg wanneer twee domeinen met onderling afwijkende betekeniskaders met elkaar communiceren en het ene domein systeem het eigen betekeniskader kan opleggen aan het andere domein? Het risico bestaat dat problemen zoals ze binnen een domein worden beleefd niet aan bod komen. Zo kan de problematiek binnen de psychiatrische zorg worden gereduceerd tot een financieel vraagstuk. Dat biedt de mogelijkheid voor het sluiten van compromissen over vraagstukken, bijvoorbeeld maatwerk voor psychiatrische patiënten, die zich niet lenen voor compromissen. Compromissen, bijvoorbeeld over financiële middelen, zijn dan een armoedige oplossing van een in wezen uitdagend en inspirerend probleem.

2. De relatie met de omgeving van de patiënt

Wie met het psychiatrisch zorgsysteem in aanraking komt, bijvoorbeeld omdat een naaste relatie met psychiatrische aandoening te maken krijgt, ervaart doorgaans een gesloten systeem dat weinig informatie prijsgeeft. Men verkeert in een afhankelijke positie. Er is niet zelden sprake van grote terughoudendheid om naasten van patiënten te informeren. Er wordt zeer nadrukkelijk afstand bewaard waarbij het lastig is te constateren of dat uit gebrek aan interesse is of omdat protocollen mogelijk voorschrijven om afstand te houden. Voor zover naasten worden geïnformeerd gebeurt dat vaak in algemene of in lastig te doorgronden termen. Men wordt er niet erg wijzer van wanneer men verneemt dat een naaste kenmerken vertoont van “een depressie met kenmerken van een psychose”. Men wil de beste zorg voor iemand die je dierbaar is maar wordt geconfronteerd met een systeem dat gekenmerkt wordt door onafhankelijkheid en afstandelijkheid.

· De noodzaak van systeemveranderingen

Iedere vorm van organisatie betekent reductie. Iedere organisatorische regel kan worden opgevat als een uiting van zingeving/betekenisverlening. Het is gestolde betekenisgeving, het resultaat van processen van betekenisgeving. De werkelijkheid wordt gereduceerd tot een organiseerbare werkelijkheid. Wat niet organiseerbaar is, wordt als betekenisloos terzijde geschoven, niet met opzet maar als feitelijk effect. Gaandeweg gaan we een set van betekenissen opvatten als de werkelijkheid en gaan we eraan voorbij dat we functioneren binnen een geconstrueerd beeld van de werkelijkheid die we ook op geheel andere wijze betekenis kan worden gegeven. Die reductie kan zo ver gaan dat er veel werkelijkheid, preciezer geformuleerd constructies van de werkelijkheid, buiten beeld blijven. Dat betekent ook dat veel van wat betekenisvol kan zijn voor mensen buiten beeld blijft. Dat geldt zeker wanneer er binnen een systeem sprake is van zeer ver doorgevoerde organisatie. Denk bijvoorbeeld aan gedetailleerde protocollen die niet zozeer zijn verankerd in kennis en inzichten maar voor een belangrijk deel het karakter hebben van afspraken. Gevolg kan zijn dat een systeem een eigen wereld, een eigen werkelijkheid, creëert waarbinnen men zich bezighoudt met vraagstukken die binnen het intern geldend betekeniskader zeer gewichtig worden geacht maar die in de wereld buiten het systeem weinig relevantie hebben. Of omgekeerd: er zijn vraagstukken aan de orde waarvoor een systeem niet ontvankelijk is omdat ze niet betekenisvol kunnen worden gethematiseerd. Ook wanneer mensen binnen een systeem daar oog voor hebben betekent dat allerminst dat hier aandacht voor is. Een betekeniskader, een frame, kan binnen een organisatie zo krachtig zijn dat het “not done” is er buiten te treden. Voor wie kritisch is resteert dan vaak slechts geldende routines te volgen, ook al zijn die voor betrokkenen betekenisloos. Men bevestigt in zijn gedrag symbolisch de voorschriften; activiteiten krijgen een ritueel karakter. Het omgekeerde kan ook, namelijk dat buiten het eigen domein problemen worden ervaren die betekenisloos zijn binnen het systeem.


Zowel voor het psychiatrisch zorgsysteem als voor de overheid geldt dat er in termen van betekenisverlening sprake is van ferme reductie. In beide systemen is sprake van perspectieven die het waarnemingsvermogen beperken. Structuren, routines en vooronderstellingen maken het niet eenvoudig om het dominante perspectief te verbreden. Nemen we de overheid als voorbeeld. In plaats van perspectiefverbreding is het eerder zo dat het overheidsperspectief steeds nauwer wordt. Nieuwe regels moeten worden ingepast binnen bestaand beleid. Maar ook voor verandering van beleid gelden strakke regels. Bovendien moet iedere maatregel voldoen aan beginselen van behoorlijk bestuur. Verder vormt jurisprudentie dagelijks bron voor nieuwe interpretaties van beleidsregels. Ook speelt mee dat het formele zingevingskader sterk geïnstitutionaliseerd is. Kortom, de reductie wordt steeds groter en verandering steeds lastiger. Gaandeweg raakt de overheid verstrikt in het eigen beleid en wordt de overheid de gevangene van zichzelf. Het beleidsnetwerk raakt in zichzelf gekeerd. Het is voorgeprogrammeerd op instandhouding en zelfs vergroting van problemen in plaats van gericht te zijn op het zoeken naar en werken aan oplossingen.


Gevolg van lastig veranderbare perspectieven is dat er weliswaar ruimte is voor veranderingen binnen het systeem maar niet voor veranderingen van het systeem. Dat houdt het risico in dat de werkelijke problemen onzichtbaar blijven en dat slechts de gevolgen ervan als symptomen aan de oppervlakte komen. Zo helpen wijzigingen binnen een gedetailleerd uitgewerkt protocol niet wanneer het protocol is gebaseerd op veronderstellingen en uitgangspunten die een deugdelijke onderbouwing missen. Systeemproblemen worden afgewikkeld dan alsof het om operationele problemen handelt. De echte problemen worden zo “georganiseerd” in stand gehouden. Het gaat “systematisch” fout. Oplossingen hebben geen werking maar creëren slechts de illusie van een oplossing. Dat laatste is een probleem omdat men geen verdere aanleiding ziet de onderliggende systeemvragen onder ogen te zien. Wat plaatsvindt heeft het karakter van wat in het schaakspel bekend staat als een herhaling van zetten: veel beweging op het bord maar geen wezenlijke verandering.


Nu onze kennis omtrent het functioneren van de psyche beperkt is en de aard van de kennisvragen multidisciplinair van karakter is, is er reden om het kennissysteem binnen de psychiatrie fundamenteel tegen het licht te houden. Herwaardering van ervaringskennis lijkt daarbij aan de orde alsmede vernieuwende vormen van discipline-overstijgende onderzoekprogramma’s. dat vereist een open functionerend kennisnetwerk, geen starre kaders en geen claims van professionaliteit die niet deugdelijk zijn of kunnen worden onderbouwd.

Er is een dringende behoefte aan een systeemanalyse waarbij zowel de functies binnen het psychiatrisch zorgsysteem zelf onderwerp van analyse vormt als de wijze waarop het psychiatrisch systeem externe relaties onderhoudt.


· Condities voor systeemverandering


Een dergelijke analyse vereist als eerste stap dat het betekeniskader binnen een domein expliciet wordt benoemd en dat zekerheden en veronderstellingen worden geuit en tot onderwerp van gesprek worden. Wat is de ratio onder ons gedrag? Dat stelt in staat het functioneren van het eigen systeem en het eigen gedrag te begrijpen. In het verlengde daarvan is nodig dat gelijksoortige exercities worden gedaan in relatie met externe partijen.


Er is behoefte aan een gedegen systeemanalyse die kan uitmonden in een conceptueel “systeemakkoord” waarin deelnemende partijen veranderingsopgaven benoemen, een veranderingsstrategie formuleren en de intentie uitspreken daaraan te gaan werken. Een dergelijke systeemanalyse is slechts nuttig wanneer daarbij volop de ruimte bestaat om onderling verschillende en zelfs tegengestelde probleemdefinities op tafel te krijgen. Vanuit een constructivistisch perspectief gaat het immers niet om de problemen zoals ze zijn, maar hoe ze worden beleefd en betekenis krijgen. Voor een dergelijke analyse is nodig dat alle betrokken partijen bereid zijn tot perspectiefwijziging en vanzelfsprekendheden op te geven. Op het vlak van onderlinge communicatie houdt dat in dat men zich in elkaars betekeniskaders verdiept en op basis daarvan tot een constructieve dialoog komt. (Lems e.a.) Met name voor de overheid is dat een lastige opgave omdat definities zoals die in het beleid vastliggen dat verhinderen. Er is als het ware een by-pass-constructie nodig waarbij ruimte wordt gecreëerd om naar oplossingen te zoeken, ook als die haaks staan op geldend beleid. (Wagemans, 2012). In plaats van de werkelijkheid te dwingen in nauwsluitende beleidskaders is een pluriforme benadering nodig waarin tegelijkertijd meerdere “werkelijkheden” naast elkaar kunnen bestaan. Een ingrijpender verandering is nauwelijks denkbaar. Deze benadering staat haaks op de neiging tot standaardisatie en ordening die thans het paradigma vormt voor zowel de psychiatrische zorg als de overheid en die problemen eerder koestert dan oplost. Een systeemanalyse veronderstelt bereidheid en ruimte voor kritische inbreng waarbij kritiek op een bestaand systeem geen doel is maar opstap moet zijn naar nieuwe perspectieven die tot nieuwe probleemopvattingen leiden.


Vanuit de psychiatrie zal de bereidheid tot transparantie nodig zijn en zal een realistisch beeld moeten worden geschapen, ook met betrekking tot eigen onvermogen. Ook zal de houding van professionaliteit ten opzichte van de buitenwereld moeten worden afgelegd omdat deze verhindert dat bestaande overtuigingen, perspectieven, analyses en handelingspatronen onderwerp van kritische reflectie worden. Dat vraagt een verkennende en belangstellende houding binnen de beroepsgroep.

Een open houding zonder vooringenomenheid is, zo leert de ervaring in andere sectoren, enkel mogelijk wanneer die plaatsvindt buiten de belangenstructuur zoals die thans functioneert. Belangen en posities vormen uitdrukking van de bestaande context en belemmeren doorbraken. Ze leiden hooguit tot marginale veranderingen die het werkelijke probleem onaangetast laten. Men reproduceert het verleden in plaats van de toekomst te ontwerpen. Om dat te voorkomen is belangrijk dat bij de aanvang van een veranderingstraject deelnemers met elkaar delen wat hen inspireert tot deelname maar ook hoe groot de ontwerpruimte voor een nieuw psychiatrisch zorgsysteem mag zijn. Wat mag onderwerp van discussie worden en wat niet? Een systeeminnovatief proces wordt voortbewogen door energie en inspiratie van deelnemers en niet door bestaande belangen en bevoegdheden. Dat kan uitmonden in een inspirerend document waarin ambitie en aanpak worden vastgelegd. Een dergelijk startdocument is belangrijk als baken in het verder proces en kan diensten bewijzen wanneer het proces stokt of bijvoorbeeld de inspiratie uit een proces wegvloeit als gevolg van bijvoorbeeld belangentegenstellingen.

Belangrijk is ook dat maximaal de ruimte wordt geboden voor inbreng van alle betrokkenen. Wat zijn de ervaringen die men heeft? Tegen welke problemen loopt men aan? Dat pleit voor een proces met volop actieve deelname van zowel hoogleraar als praktisch hulpverlener, van beleidsambtenaren en financiers, van zowel patiënten als mensen uit hun omgeving. Een proces waarin men tegelijkertijd met de laarzen in de modder staat en met het hoofd in de hemel denkt. Een dergelijk traject zou niet alleen de psychiatrie vooruit kunnen helpen maar ook een buitengewoon spannend experiment zijn voor de overheid met een andere wijze van beleidsvorming. De belangrijkste voorwaarde voor een goede start is of er voldoende inspiratie aanwezig is om ongebaande paden te verkennen.

De ervaring toont dat ook een proces van systeemvernieuwing kan vastlopen in een woud van regels en structuren die weliswaar bedoeld zijn om vernieuwing te faciliteren maar die tegelijkertijd heel gemakkelijk een remmende uitwerking kunnen krijgen. In plaats daarvan is nodig dat er niet alleen ruimte is voor uiteenlopende en zelfs tegengestelde visies maar ook de bereidheid dergelijke visies op hun consequenties en werking te onderzoeken. Dat vraagt een lerende in plaats van een (ver)oordelende houding zodat een traject niet vastloopt in tegenstellend denken dat splitsend werkt in plaats van verbindend.

***********************************************




In de Limburgse kranten verscheen op 15 januari 2014 onderstaande opiniebijdrage over vrijheid van meningsuiting.


Geen vrijbrief om te kwetsen


Wereldwijd is met afschuw en verachting gereageerd op de gebeurtenissen in Parijs. Ook in tal van Limburgse gemeenten is daar uitdrukking aan gegeven. Dat is een goed teken. Het geeft aan dat wij vrijheid van meningsuiting een groot goed vinden. We komen in actie wanneer die vrijheid plotseling niet meer vanzelfsprekend blijkt te zijn. We vinden dat in een open samenleving ieder de ruimte moet hebben opvattingen naar voren te kunnen brengen, ook als die organisaties, bestuurders of andere burgers onwelgevallig zijn. Dat is een grote verworvenheid ten opzichte van vroegere situaties waarin men gevaar liep wanneer men zich bijvoorbeeld kritisch uitte tegenover machthebbers. Helaas is dat nog in veel landen dagelijkse praktijk. Graag profileren we ons naar andere landen met onze verworvenheden.

Wat de afgelopen dagen onderbelicht is gebleven is de vraag of ook de vrijheid van meningsuiting zijn grenzen kent of zou moeten kennen. In het strafrecht zijn er regels omtrent strafbare belediging. We mogen discussiëren op het scherpst van de snede maar er is geen ruimte om anderen te beledigen, bijvoorbeeld door onwaarheden over iemand te vertellen. Ook vinden we dat er ruimte moet zijn voor satire. In onze regio hebben we daar goede ervaringen mee. Zie het Carnaval wat van oudsher een gelegenheid is om bijvoorbeeld uiting te geven aan kritiek op autoriteiten. Overigens is ook daarbij sprake van grenzen. Zo komt het regelmatig voor dat deelnemers worden geweerd uit de optocht omdat men onnodig en overdreven kwetsend is.

Actueel is thans de vraag hoe vrijheid van meningsuiting zich verhoudt tot godsdiensten en de uitoefening ervan. Naast vrijheid van meningsuiting hebben we vrijheid van godsdienst. Dat betekent dat ieder zijn eigen geloof mag aanhangen en uiten. Vrijheid van meningsuiting houdt tegelijkertijd in dat we ook de ruimte hebben onze opvattingen over andermans godsdienst te uiten. We mogen kritiek hebben op de wijze waarop die is georganiseerd en functioneert. Zie het misbruikschandaal in de katholieke kerk in Nederland. Of de kritiek op Islamitische Staat. We staan niet toe dat onder de vlag van een godsdienst misdrijven worden gepleegd. Maar ook hierbij is de vraag aan de orde of die uitingsvrijheid beperkingen kent of zou moeten kennen. Mogen we ook zover gaan dat we instituties, geloofsuitingen en godsbeelden belachelijk maken? Mogen we gelovigen intens kwetsen door de draak te steken met wat betekenisvol is voor hen? En waarom zouden we dat moeten willen? Welk doel is daarmee gediend, anders dan het kwetsen van mensen? Wat heeft kwetsen en beledigen met vrijheid van meningsuiting te maken? Zijn we minder vrij wanneer we anderen niet mogen kwetsen door hun godsdienst te beledigen? Vrijheid van meningsuiting kan geen legitimatie zijn om iedere vorm van respect terzijde te schuiven.

Er bestaat een merkwaardige spanning tussen vrijheid van meningsuiting en verdraagzaamheid. Onvoorwaardelijk kiezen voor vrijheid van meningsuiting betekent dat de verdraagzaamheid tot het uiterste wordt opgerekt. Dan kunnen we ons onbeperkt permitteren anderen te schande te maken omdat zij zich immers verdraagzaam dienen op te stellen. Verdraagzaamheid wordt dan merkwaardig en eenzijdig ingekleurd. Wie gekwetst wordt dient verdraagzaam te zijn. Voor wie anderen kwetst geldt dat dan blijkbaar niet.


Thieu Wagemans is Raadslid in Leudal

*********************************************************************************************************************

Op 26 november 2014 plaatste Dagblad Trouw onderstaande opiniebijdrage over de spanning tussen rechtspraktijk en rechtsgevoel.

Ophef over Taakstraf is Signaal aan de Politiek


De recente veroordeling van een Poolse chauffeur in verband met het aanrijden van drie personen met dodelijke afloop heeft tot veel reacties geleid. Velen vinden dat hun rechtsgevoel is beschaamd. De Rechtbank stelt daarentegen dat niet het wettelijk en overtuigend bewijs is geleverd dat de chauffeur te hard reed. Als gevolg daarvan wordt een taakstraf van 120 uur als een juiste strafmaat gezien.


Los van de feitelijke toedracht geven de reacties ook iets anders aan. Dat heeft te maken met het feit dat ook in deze zaak het feitelijk handelen van rechters niet blijkt aan te sluiten bij wat burgers rechtvaardig vinden. Op zichzelf is het logisch en correct dat rechters zich niet mogen laten leiden door gevoelens van burgers. Rechters dienen immers te toetsen aan de wet en we hebben nu eenmaal geen “Verordening Rechtsgevoel van Burgers” waarmee besluiten van rechters in overeenstemming moeten zijn. Maar er valt meer over te zeggen. In alle objectiviteit kunnen we ook stellen dat ons juridisch systeem is losgezongen van de praktijk zoals die door burgers wordt beleefd. Binnen het rechtssysteem is gaandeweg een eigen wereld ontstaan waarin feiten en situaties geheel anders worden geinterpreteerd dan wat burgers voor “normaal” houden. De juridische werkelijkheid wijkt aanzienlijk af van de alledaagse werkelijkheid waarin burgers leven.


Bovendien is de juridische werkelijkheid buitengewoon ingewikkeld. Zonder juridsiche bijstand krijgt men nauwelijks een voet aan de grond. Wat juridisch van doorslaggevend belang is, kan geheel betekenisloos zijn voor burgers. Men heeft daarom specialisten nodig die de eigen rationaliteit van het juridisch systeem doorgronden en die bijgevolg weten hoe het juridisch spel moet worden gespeeld: welke feiten doen ertoe, welke feiten kunnen beter worden verzwegen en welke beweringen kunnen juridisch gewicht in de schaal leggen? De wijze waarop we binnen ons rechtssysteem het beginsel van gerechtigheid hebben uitgewerkt kan ertoe leiden dat de rechtspraktijk geen recht meer doet aan het rechtsgevoel. Rechtvaardigheid is een kwestie geworden van vaardigheid in het recht. Er wordt op weinig plaatsen zoveel gelogen en gezwegen als in rechtszalen.


Aan rechters is het vervolgens om te oordelen. Daarbij zijn zij gehouden aan nauwe regels die deels voorkomen uit de rechtspraktijk zelf. Het domein van de rechtspraak is een wereld op zichzelf geworden. Basis voor onze rechtspraak is de scheiding der machten. Politici hebben zich niet te bemoeien met hoe rechters oordelen. Binnen de politiek betekent het feit dat “een zaak onder de rechter is” dat men zich van ieder oordeel dient te onthouden. Tegelijkertijd zijn politici diegenen die regels vatstellen. Zij bepalen aan welke regels rechters moeten toetsen. Zij kunnen dus ook regels aanpassen wanneer zij constateren dat de rechtspraktijk te ver is komen af te staan van wat maatschappelijk als rechtvaardig wordt beoordeeld. Dat geldt niet enkel voor het strafrecht. Ook het bestuursrecht geeft tal van voorbeelden waarbij een burger die zich dure juridische bijstand kan permitteren een vergunning krijgt die andere burgers wordt onthouden. Of een overheidsbesluit wordt vernietigd omdat een ogenschijnlijk onbeduidend detail naar het oordeel van een rechter tot verrassing van velen doorslaggevend wordt geacht.


Een situatie waarin rechtspraak niet meer aansluit bij wat in de samenleving als rechtvaardig wordt beoordeeld is bij uitstek een politiek vraagstuk. Scheiding van de rechtsprekende, wetgevende en uitvoerende macht wordt te makkelijk door politici aangegrepen om zich niet met een zaak bezig te houden. Sterker nog, het is hoog tijd voor een maatschapelijk debat over de vraag of ons rechtssysteem nog wel aansluit bij beleving door burgers. Het vraagt lef van politici om zich intensiever met het functioneren van ons rechtssysteem te gaan bemoeien en niet te volstaan met enkel wat gemorrel in de kantlijn door een of andere procedure iets aan te passen. Lef is bij uitstek een kwaliteit die politici dienen te hebben, in tegenstelling tot rechters die zich aan de regels hebben te houden.


Thieu Wagemans is raadslid in Leudal voor de politieke partij Ronduit Open



***********************************************************************************************************

Op 12 november 2014 verscheen de onderstaande opiniebijdrage in de Limburgse kranten over de functie van kleine politieke partijen. Ze houden grote partijen wakker door de gebreken in ons politieke systeem bloot te leggen.


Kleine politieke partijen verwoorden wat onder kiezers leeft

Ze hebben een belangrijke functie als luis in de pels

Vanuit het CDA is het voorstel gedaan kleine partijen voortaan te weren uit de Tweede Kamer. Als argument wordt aangevoerd dat kleine partijen de besluitvorming belemmeren, dat men aan goedkoop populisme doet enz. Zeker zal ook meespelen dat men het lastig vindt wanneer nieuwe partijen met nieuwe gezichtspunten tot het parlement doordringen. Wanneer zij voldoende steun krijgen betekent dit dat een belangrijk aantal kiezers zich niet (goed) meer vertegenwoordigd voelt door bestaande partijen. Maar er valt meer over te zeggen.

We hebben een politiek systeem dat in menig opzicht grote gebreken vertoont. Velen hebben het vertrouwen in de politiek verloren. Burgers worden niet meer gehoord of worden in verkiezingstijd met zalvende oproepen tot stemmen verleid waarna het spel na de verkiezingen weer gewoon doorgaat. Een van de problemen is dat het politieke systeem onvoldoende ontvankelijk is voor wat burgers bezighoudt. Problemen zoals burgers die ervaren krijgen geen echte aandacht. Regelgeving is zo ingewikkeld gemaakt dat verandering nauwelijks mogelijk is. De overheid is de gevangene van zichzelf geworden. Steeds weer worden juridische en andere redenen opgeworpen waarom niet tegemoet kan worden gekomen aan wensen van burgers. Wie bezwaar wil maken moet zich verzekeren van juridische bijstand omdat je anders als burger geen voet aan de grond krijgt of al gauw op het verkeerde been wordt gezet. Je bent niet ontvankelijk of je argumenten zijn ongegrond. Het leidt tot toenemende frustratie bij burgers en velen keren de politiek de rug toe.

Nu het politieke systeem in menig opzicht ziende blind en horende doof is voor wat burgers bezig houdt, zijn kleine en nieuwe partijen belangrijk omdat die verwoorden wat onder burgers leeft maar waarvoor de grote partijen doof zijn. Dat kunnen ook partijen zijn die slechts een enkel aandachtspunt hebben. De Partij voor de Dieren heeft dierenwelzijn onder de aandacht gebracht. De Ouderenpartij doet datzelfde met betrekking tot de problemen van ouderen. Zo zou ook een partij kunnen wordt opgericht die zich sterk maakt voor veiligheid op straat en een stevige aanpak van criminaliteit. Natuurlijk kan een land niet worden bestuurd door partijen die slechts aandacht hebben voor een enkel probleem. Maar de betekenis van kleine partijen is heel anders. Ze zetten problemen op de agenda die door de grote partijen niet serieus worden genomen. Of ze maken duidelijk dat zogenaamde oplossingen geen enkel effect hebben, ook al zijn politici in staat dat met mooie woorden toe te dekken. Een tweede bestaansrecht van kleine partijen is dat ze kunnen dwingen tot verdieping en doorbreking van oppervlakkigheid. Een voorbeeld vormt de overgang naar een zelfverantwoordelijke participatiemaatschappij. De illusie overheerst dat dit mogelijk is door te korten op overheidsbijdragen en veel communicatie. In wezen is aan de orde dat een zelfverantwoordelijke samenleving dwingt tot vormen van verplichtend burgerschap. Dat is een ingrijpende verandering. Immers, vele decennia zij burgers door politieke partijen bevestigd in vrijblijvendheid en calculerend gedrag. Te gemakkelijk en te kritiekloos namen politieke partijen wensen over zonder burgers op eigen verantwoordelijkheid aan te spreken. Dat verander je niet door regels aan te passen maar vraagt een fundamentele heroverweging van burgerschap.

Kleine partijen hebben een functie om duidelijk te maken wat de grote partijen laten liggen, hun onvermogen te illustreren en duidelijk te maken dat bestaande routines noodzakelijke veranderingen in de weg staan. Het kan lastig en vervelend zijn wanneer de werkelijkheid doordringt tot de vergadertafels. Systemen zijn er doorgaans op gericht zichzelf in stand te houden. Het politieke systeem kan zich dat ook heel goed permitteren. Men bepaalt immers zelf of wetten en regels wel of niet worden aangepast. Dat is een luxepositie. Macht is vanzelfsprekend en er is geen reden, laat staan een dwang, om tegengeluiden serieus te nemen.

Het CDA-voorstel illustreert treffend het grote drama van de Nederlandse politiek. In plaats van het probleem serieus te nemen dat men gaandeweg het vertrouwen verliest van burgers, kiest men ervoor het probleem uit de weg te gaan. De houding is dat wat niet op de vergadertafel komt, niet bestaat. Men creëert een eigen wereld en overtuigt elkaar van het eigen gelijk. Het is in wezen een houding van arrogantie. Men kan blijven doorgaan op de oude weg en de oude belangenstructuren in stand houden. In plaats van problemen op te lossen worden de problemen zo georganiseerd in stand gehouden. Velen hebben er belang bij en danken er hun loopbaan aan.

******************************************************************************************************************

Op 24 juni 2014 plaatsten de Limburger en Limburgs Dagblad een opiniebijdrage met als titel: NIEMAN VERANTWOORDELIJK, de samenleving heeft zijn eigen onmacht uitstekend georganiseerd

NIEMAND VERANTWOORDELIJK, de samenleving heeft zijn eigen onmacht uitstekend georganiseerd

Na het uitbreken van de Franse Revolutie moest er een besluit worden genomen over het lot van de afgezette Koning Lodewijk XVI. Een van de jonge leden van de Nationale Conventie, Saint-Juste, oordeelde dat Lodewijk als koning had geregeerd en alleen al daarom schuldig was. Lodewijk eindigde op het schavot. De redenering was dat als je hebt geregeerd je dus ook verantwoordelijk bent. Dat was nogal kort door de bocht.

Hoe anders is dat in de huidige samenleving. Bestuurders van zorgorganisaties, onderwijsinstellingen en woningcorporaties ontvangen enorme salarissen, zelfs wanneer ze de eigen organisatie aan de rand van de afgrond hebben gebracht. Velen zijn van mening dat het moreel volstrekt verwerpelijk is wat er gebeurt. Mensen worden ontslagen om de kosten te drukken en de bestuurders verhogen hun toch al zeer riante salarissen. Hoe is zoiets mogelijk? Er is immers een Raad van Toezicht, er zijn commissarissen, er zijn inspecteurs en procedures. Medewerkers houden vaak hun mond omdat ze, zeker in onzekere tijden, niet het risico willen lopen van represailles. Vaak verdedigen bestuurders zich met het argument dat formeel alles in orde is omdat besluiten langs de aangewezen weg tot stand zijn gekomen. De bankwereld laat eenzelfde beeld zien. Met overheidsgeld moesten banken worden gered nadat te grote risico’s waren genomen. Men sprak er schande van. Nauwelijks enkele jaren later blijkt men niets te hebben geleerd. Het gebruik om zeer aanzienlijke bonussen te verstrekken aan bestuurders boven op de toch al zeer hoge salarissen is weer staande praktijk. Men kan het zich permitteren door te gaan op een weg die alom wordt afgekeurd.

De vraag is hoe deze praktijken kunnen voortduren terwijl ze toch in brede kring worden afgekeurd. Hoe komt het dat velen worden betaald om controle uit te oefenen maar kennelijk niet bereid of in staat zijn om in te grijpen? Het antwoord is dat we onze maatschappij zodanig hebben georganiseerd dat we niet meer in staat zijn tot verandering. Zo verschuilen politici zich vaak achter het argument dat organisaties een eigen verantwoordelijkheid hebben en dat ingrijpen in strijd is met geldende regels. Hard ingrijpen om die regels en verantwoordelijkheden te veranderen gaat men uit de weg. Of men wenst liever niet partijgenoten voor de voeten te lopen die na een politieke loopbaan de overstap hebben gemaakt naar goedbetaalde functies in zorg, onderwijs en woningbouw. Ingrijpende veranderingen lopen vast in partijpolitieke loopgraven. Parlementaire enquêtes geven een schrijnende praktijk aan maar echte verandering blijft uit. Het systeem houdt zichzelf in stand. Steeds weer vullen voormalige politici hun doorgaans toch al aanzienlijke pensioen aan met allerlei opdrachten die ze krijgen van partijgenoten. Er is sprake van een netwerk waarin men elkaar de bal toespeelt in de hoop en verwachting ook zelf eens de geneugten ervan te mogen ervaren. Ook van rechters hoeft men geen verandering te verwachten. Zij mogen immers besluiten slechts toetsen aan geldende regels en zolang die niet worden gewijzigd zal er niets veranderen. Het komt erop neer dat niemand meer aanspreekbaar is op verantwoordelijkheid. Zolang je netjes het spel meespeelt kun je iedere verantwoordelijkheid uit de weg gaan. We hebben de eigen onmacht uitstekend georganiseerd. En wie zich daartegen verzet kan erop rekenen vermanend te worden toegesproken omdat men zich niet aan de afgesproken regels houdt. Men dient zich immers netjes te gedragen. De vlag van fatsoen dekt heel wat onfatsoen toe. Overigens, Saint-Just eindigde eveneens op het schavot. Dat is vaker het lot van veranderaars of klokkenluiders al hebben we tegenwoordig meer verfijnde en “fatsoenlijke” methodes om mensen (mond)dood te maken.

*******************************************************************************************************************************

Op 14 mei 2014 plaatste Dagblad Trouw een reactie op de vraag of we iets hebben geleerd van de recente economische crisis

We hebben niets geleerd van de crisis


Adam Smith stelde dat op de markt de “invisible hand” zijn werk deed. De recente economische crisis heeft aangetoond dat die hand vastzit aan partijen die er belang bij hebben niet naar evenwicht te zoeken maar juist onbalans te veroorzaken. Men zet zijn kaarten op een komende crisis en hoopt er rendement uit te halen. Men investeert als het ware in het ontstaan van problemen in plaats van in de oplossing ervan. We hebben onze problemen uitstekend georganiseerd. Gevolg is dat ons economisch systeem niet meer zelfcorrigerend is. Verantwoordelijkheid heeft geen gezicht meer. Door ons feitelijk handelen houden we de problemen in stand maar we zijn niet als persoon aanspreekbaar. Iedereen is formeel verantwoordelijk maar niemand heeft het gedaan. De onzichtbaarheid waar Adam Smith over schreef heeft zo zijn voordelen. In plaats van te werken aan systeemverandering zijn we blij wanneer we de symptomen ervan iets kunnen indammen. We hebben onszelf voorgeprogrammeerd op de volgende crisis.

****************************************************************************************************************
Op 6 mei 2014 verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over de Europese verkiezingen:

Europa is toe aan een Opschoonbeurt

De politieke discussies in het kader van de komende Europese verkiezingen verlopen voorspelbaar. Wie zich een kritische opmerking veroorlooft over de EU kan steevast rekenen op het verwijt dat men tegen Europese samenwerking is. Voorstanders gebruiken grote maar holle leuzen. Men geeft hoog op over het belang van een democratisch Europa. Maar hoeveel reden is er voor trots? Vanzelfsprekend heb de stichters in de vijftiger jaren een verstandig besluit genomen. Men koos voor samenwerking wat heel wijs en ook begrijpelijk was na twee allesvernietigende wereldoorlogen. Ook het afbreken van handelsbarrières tussen landen was verstandig. Het vergemakkelijkte de onderlinge handel en (oneerlijke) concurrentievervalsing werd tegengegaan. En, niet onbelangrijk, Nederland heeft er fors van geprofiteerd.

Maar wat hebben diegenen die hoog opgeven over Europa er de afgelopen decennia van gemaakt? Onder het mom van verdere integratie is Brussel zich zeer gedetailleerd met van alles en nog wat gaan bemoeien. Waarom moest er een in detail uitgewerkt Europees natuurbeleid komen? Waarom konden buurlanden niet onderling afspraken maken over beheer van grensoverschrijdende natuurgebieden? Waarom moet een fietspad tussen twee plattelandskernen worden gesubsidieerd met Europees geld? Een lidstaat betaalt eerst een bedrag aan Brussel en via een ingewikkelde en geldverslindende procedure probeert men vervolgens een gedeelte van het bedrag weer terug te krijgen. Waarom moet het aanbestedingsbeleid zo ingewikkeld worden geregeld dat enkel zeer grote bedrijven in staat zijn in te schrijven? Verder gaat zeer veel energie verloren aan aanhoudende discussies over bevoegdheidsvragen. Er is een voor burgers onbegrijpelijk juridisch systeem opgebouwd dat telkens weer inhoudelijke vraagstukken overschaduwt. De vroegere concurrentievervalsing tussen landen is vervangen door enorme subsidiestromen die zich niet meer laten indammen. Al tientallen jaren pleiten kandidaten voor het Europese Parlement voor terugdringing van de bureaucratie maar in de praktijk komt daar nauwelijks iets van terecht. Eerder integendeel. Niet minder dan 28 Eurocommissarissen proberen ieder tekens weer hun eigen terrein uit te breiden. Gaan de komende verkiezingen daar verandering in brengen. Dat valt te betwijfelen. De bureaucratie houdt zichzelf in stand. Het is nooit anders geweest. Van het Parlement valt die verandering ook niet te verwachten. Men heeft teveel belang bij het in stand houden ervan. Nergens zijn de vergoedingen en salarissen, vaak belastingvrij, zo hoog als binnen de EU. Het is een uitdijend bolwerk.

Een tweede, nog veel fundamenteler, probleem is dat de EU in wezen antidemocratisch functioneert. Men is al decennia lang bezig zaken steeds verder van de burger af te organiseren. Steeds weer wordt het principe van subsidiariteit bepleit. Dat houdt in dat zaken zo dicht mogelijk bij de burger moeten worden geregeld. De werkelijkheid is helaas anders. Er zijn om maar weinig burgers die de gang van zaken zullen begrijpen. Zij lezen slechts met regelmaat over de gigantische verspilling van overheidsmiddelen en vragen zich af wie de toenemende bemoeienis van Brussel met hun eigen leefomgeving zal stoppen. Bovendien, van een parlement met 766 met een totaal verschillende achtergrond valt een daadkrachtig beleid ook niet te verwachten. Bovendien kan het Parlement voorstellen van de Europese Commissie of van de Raad van Ministers slechts goed- of afkeuren. Met heeft niet het recht om zelf met initiatieven te komen. Misschien is dat maar goed ook.

Dat politieke onvermogen wordt, zeker in verkiezingstijd, graag verbloemd door beloften dat het voortaan anders zal gaan. Sterker nog, enkele weken geleden riepen enkele Europarlementariërs in Kiev in emotionele betogen de burgers van de Oekraïne op toch vooral voor democratie te stemmen. Zij spraken met geen woord erover hoezeer juist binnen de EU het politieke systeem wordt beheerst door een bestuurlijke elite die op enorme afstand van de burgers functioneert. Men roept van oudsher totalitair geleide landen (tsaren, communistische regimes) op hun oude systeem in te wisselen voor een systeem waarin een kleine hooggeschoolde elite op grote afstand van de burgers via uiterst complexe procedures de dienst uit maakt. Europa heeft geen verkiezingen nodig maar een grondige opschoonbeurt.




*****************************************************************************************************************************

Op 25 februari verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over de bemoeienis van landelijke politici met de gemeenteraadsverkiezingen van 19 maart:


Misbruik van Gemeenteraadsverkiezingen



Wanneer verkiezingen naderen is dat voor politici vaak aanleiding om te ontwaken. Men wordt zeldzaam actief omdat ook in een nieuwe periode de zetel zeker moet worden gesteld. Natuurlijk is het prima dat men verantwoording aflegt over verleden en helder maakt wat men van plan is. Maar niet alleen lokale politici worden actief. Kamerleden haasten zich naar vergaderzaaltjes “in de Provincie” om lokale partijgenoten bij te staan. Zo probeert men de gemeenteraadsverkiezingen steeds meer te misbruiken als een populariteitsmaatstaf voor landelijke politiek.

Dat is om meerdere redenen kwalijk. Op de eerste plaats is de gemeente het niveau waar de democratie het meest direct tot uitdrukking komt. Daar ontmoeten kiezers en gekozenen elkaar rechtstreeks. Het is de basis van onze democratie. Op de tweede plaats kampen gemeenten met problemen die juist veroorzaakt zijn door landelijke politici. Tegelijkertijd worden oplossingen vaak gefrustreerd door landelijke regels. De beleidsruimte van gemeenten wordt steeds verder ingeperkt. Er is een stortvloed aan regels waardoor de gemeentelijke politiek steeds meer een kwestie wordt van juristerij. De invloed van raadsleden neemt af en rechters krijgen het steeds meer voor het zeggen. Telkens weer verzandt besluitvorming in juridische procedures. Zo werken landelijke politici eraan mee om de taak en rol van raadsleden uit te hollen. Op de derde plaats worden gemeenten op kosten gejaagd omdat men dure adviesbureaus moet inschakelen om uit te leggen hoe de landelijke regels in elkaar zitten. Op de vierde plaats hevelt men taken over naar gemeenten zonder er voldoende geld bij te leveren. De decentralisatie van jeugdzorg, zorg voor zieken en ouderen en werk en inkomen wordt misbruikt om de rijksbegroting rond te maken. De rekening stuurt men door naar de gemeenten. En dan te bedenken dat landelijke partijen ieder jaar subsidies krijgen voor hun politieke werk terwijl afgelopen jaar opnieuw is besloten dat lokale partijen daar niet voor in aanmerking komen. Het is het bekende beeld. Hoe hoger men zit, hoe beter men zichzelf zegent.  

Dat alles is des te ernstiger omdat er dringend behoefte is aan bestuurlijke en politieke vernieuwing. Die vernieuwing komt echter nauwelijks van de grond omdat landelijke regels dat verhinderen. Men maakt zich geweldig druk over de vraag of burgemeester voortaan door de Raad of door burgers moeten worden gekozen alsof daardoor het vertrouwen van burgers in de politiek toeneemt.

Overigens is er geen enkele garantie dat lokale partijen daar per definitie verandering in zullen brengen. Te vaak spelen lokale politici het spel mee in plaats van veranderingen af te dwingen. Te velen geven er de voorkeur aan en hebben er belang bij hun positie te handhaven. Verandering bereik je niet door er mooie woorden over op te nemen in het verkiezingsprogramma. Voor echte verandering is nodig dat je je onafhankelijk opstelt. Die onafhankelijkheid werkt naar twee kanten. Naar de gemeente toe betekent het dat je niet vanzelfsprekend onderdeel wordt van het formele regelsysteem of slaafs achter eigen wethouders aanloopt. Dat je als raadslid zelf met voorstellen komt, ook als die dwars ingaan tegen landelijk beleid. Het is juist op lokaal niveau waar de relatie tussen burger en politiek moet worden hersteld. Je kunt je niet beperken tot het vaststellen dan dikke beleidsnota’s zonder je te interesseren hoe die voor burgers uitwerken. Op papier is vaak alles in orde maar de praktijk toont vaak een ander beeld. Maar onafhankelijkheid is ook nodig naar burgers toe. Dat is niet vanzelfsprekend. Wanneer verkiezingen naderen bestaat de neiging bij velen om burgers naar de mond te praten om zo hun sympathie te winnen. Na de verkiezingen blijkt dan dat mooie verhalen en beloften niet worden bewaarheid. Dat is juist een belangrijke reden waarom mensen hun vertrouwen verliezen in politiek en politici.

Thieu Wagemans is raadslid in Leudal 




********************************************************************************************************************************

Op 21 januari 2014 verscheen er een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over robotisering van de samenleving.

Worden robots mensen of worden mensen steeds meer robots?


De ramp in de kerncentrale in Fukushima (Japan) toonde aan dat mensen slechts beperkt in staat zijn om problemen op te lossen die door moderne technologie kunnen worden veroorzaakt. Het stralingsniveau in de centrale was zo hoog dat het voor mensen niet mogelijk was van binnen uit een goed beeld te krijgen van de situatie in de centrale. Het leidde tot een pleidooi om harder te werken aan de ontwikkeling van robots. Die zouden bij toekomstige rampen de situatie in kaart kunnen brengen en zelfs de noodzakelijke maatregelen kunnen nemen. Een droombeeld? Niet voor iedereen. De laatste tijd verschijnen weer berichten over technologische voortgang bij ontwikkeling van robots. Zozeer zelfs dat de overtuiging groeit dat men robots kan ontwikkelen met menselijke trekken. Robots met zintuigen, die bijvoorbeeld reukgevoel hebben. De Amerikaanse filosoof Denett stelt dat robots in de toekomst zelfs bewustzijn kunnen ontwikkelen zoals wij mensen dat ook hebben.   

Velen beschouwen dat als een flinke stap vooruit en dagdromen over wat er niet allemaal mogelijk wordt. Robots die mensen worden. Maar we kunnen er ook vanuit een heel ander perspectief naar kijken. Dan nemen we niet de robot als uitgangspunt maar de mens. Dan is de vraag niet of robots mensen kunnen worden maar of mensen niet steeds meer op robots gaan lijken.  

Nemen we het overheidsbeleid als vertrekpunt. Een willekeurige wet of verordening begint doorgaans met een artikel met een aantal definities. Daarin wordt nauwkeurig omschreven wat “in de zin van deze regeling wordt verstaan onder ….”. Daarin legt de overheid vast hoe de wereld wordt bezien vanuit die regeling. Wat niet aan de definities voldoet is voor de overheid betekenisloos. Burgers die met plannen komen krijgen vaak te horen dat het een uitstekend plan is maar dat dit helaas niet past binnen de regeling. Men komt niet in aanmerking voor subsidie of men krijgt geen vergunning. Dat betekent vaak einde oefening. Want wat in regels is vastgelegd is wet, hoe briljant plannen ook zijn. Niet wat burgers bezighoudt is bepalend maar wat er ooit is besloten. Maar het gaat nog een stap verder. Niet alleen plannen van burgers moeten aan regels voldoen maar dat geldt ook voor de burgers zelf. We zijn er trots op dat we in een vrij land leven met volop ruimte voor eigen initiatief. Maar wie die ruimte wil benutten loopt vaak tegen de grenzen aan van regels.

Burgers zijn voor de overheid vooral van betekenis voor zover ze passen binnen de regels. Ze worden vaak niet tegemoet getreden als mensen met ideeën, gevoelens en een eigen bewustzijn maar ondergeschiktheid aan de regels staat voorop. En wanneer ze die regels overtreden krijgen ze te maken met de regels van het strafrecht. Wat we graag presenteren als een vrije en open samenleving is in menig opzicht strak gereguleerd kader. Reeds voordat je geboren wordt is al geregeld op welke leeftijd je alcohol mag kopen en waar je wel en niet mag roken. We zijn in wezen al voorgeprogrammeerd nog voordat we tot bewustzijn komen. We leven in een nauw gereguleerd kader met tal van geschreven en ongeschreven regels. Men heeft zich conform te gedragen en afwijkend gedrag wordt niet op prijs gesteld. Inspirerende voorstellen en plannen worden in ingewikkelde procedures van hun inspiratie ontdaan omdat ooit opgestelde regels het uiteindelijk altijd winnen. We herhalen liever het verleden in plaats van de toekomst te ontwerpen. Of we er ooit in slagen om van robots mensen te maken is niet zeker maar om van mensen robots te maken zijn we al een aardig stuk op weg.                 

Thieu Wagemans is Raadslid in de gemeente Leudal

*********************************************************************************

Op 26 november verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over integriteit in het openbaar bestuur. 

Juridisch is alles in orde

*******************************************************************************************************************


Op 12 november diende Ronduit Open een voorstel in voor een nieuw beleid met betrekking tot gemeenschapshuizen.

Gemeenschapshuizen als gemeentehuizen van de burgers 
*********************************************************************************

Op 5 november verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over de vraag of de overheid zelf wel in staat is om mee te werken aan het ontstaan van een participatiemaatschappij.

Kan de overheid wel participeren?
********************************************************************************
Op 17 september 2013 verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over burgerschap:

Sociale leegte

De afgelopen dagen is wederom de discussie actueel geworden over de vraag in hoeverre werklozen kunnen of moeten worden verplicht om arbeid te verrichten. Vaak wordt dan als voorbeeld genoemd dat het merkwaardig en onaanvaardbaar is dat mensen uit Oost-Europa hier komen werken terwijl tegelijkertijd veel mensen in ons eigen land zonder werk thuis zitten. In de tachtiger jaren werden uitgebreide discussies gevoerd over de vraag wat passende arbeid was en of iemand zomaar tot geheel ander werk kon worden verplicht. Overigens betrof dat niet enkel mensen zonder baan. Ook binnen organisaties werden taken met veel gevoel voor detail toegedeeld. Zelfs geringe wijzigingen vormden aanleiding voor juridische procedures omdat men op basis van bestaande rechten meende dat men niet zomaar tot ander werk kon worden verplicht. Er ontstond een uitgebreide jurisprudentie over de vraag wat passend was waarbij uiterst gedetailleerd en met veel gevoel voor nuance werd geredeneerd. Die tijd van uiterst nauwkeurige functiebeschrijvingen en daaraan verbonden rechten is voorbij. De houding is nu veel meer dat je moet doen wat aan de orde is. Flexibiliteit is uitgangspunt.

Wat opvalt is dat de discussie over inzet van mensen zonder baan doorgaans wordt gevoerd in een context van rechten en plichten. De Leuvense filosoof Antoon Vandevelde onderzocht jaren geleden het Nederlandse sociale stelsel en kwam tot de conclusie dat dit systeem nooit houdbaar kon zijn. Daarbij baseerde hij zich niet op financiële aspecten of juridische vragen rond rechten en plichten maar hij nam de sociale relatie tussen burger en overheid als uitgangspunt.  Hij stelde dat in het Nederlandse systeem van enige relatie tussen overheid en burger geen sprake is. Wie werkloos is heeft recht op een uitkering en wanneer betrokkene overlijdt stopt de uitkering. Het zal de overheid een zorg zijn. Sterker nog, door het overlijden nemen de overheidsuitgaven af. Je wordt als burger langs de meetlat van verordeningen en regels gelegd en krijgt te horen of je aan de regels voldoet of niet.  Anders gezegd, mensen worden door de overheid tegemoet getreden als regelbare objecten die wel of niet ergens recht op hebben en niet als burgers die onderdeel zijn van de samenleving en met wie je dus een betekenisvolle relatie moet onderhouden. Het systeem werkt splitsend. Voldoe je niet aan de criteria van de overheidsregelingen, dan besta je simpelweg niet. Voldoe je er wel aan dan krijg je een tegemoetkoming of een vergunning en daarmee is de zaak afgedaan.

Om daar verandering is te brengen is een andere vorm van burgerschap nodig waarin burgers primair worden beschouwd als dragers van de gemeenschap. Dat heeft ingrijpende gevolgen voor de overheid omdat die niet langer burgers regelend benadert maar oog en oor heeft voor wat mensen bezighoudt. Voor burgers betekent dit dat men het vanzelfsprekend gaan vinden dat men wordt geroepen om verantwoordelijkheid te dragen, ieder naar kennis, kunde en vermogen. Voor vrijblijvendheid is geen plaats meer. In dat opzicht zijn vrijwilligers die zich belangeloos inzetten voor de gemeenschap hun tijd reeds vooruit. 

Die ingrijpende verandering bereik je niet met warme Kerst- en Nieuwjaarstoespraken, hoe goedbedoeld ook. De eerste opgave ligt bij politieke partijen. Hebben die het lef kiezers te benaderen als verantwoordelijke burgers of  kiezen zij ervoor kiezers valse toekomstbeelden voor te houden in de hoop op stemmen, macht en aanzien? De tweede opgave ligt bij burgers. Hoe gemakkelijk laten die zich leiden door verhalen die mooi klinken maar die letterlijk te mooi zijn om ooit waar te worden? Verklaart dat niet waarom er al zolang veel zwevende kiezers zijn die zich teleurgesteld tonen omdat illusies niet worden gerealiseerd en daarom kiezen voor een andere partij en een nieuwe illusie?    

Thieu Wagemans is Raadslid voor Ronduit Open in Leudal 



Op 19 augustus 2013 verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over de spanning tussen Europese ambities en Europese illusies.

In augustus 2013 plaatste dagblad Trouw een opiniebijdrage onder de kop: Ook beschaafd land kent overheidsgeweld. Het is een reactie op een kritisch verhaal van Sebastien Valkenberg over de betekenis van de Franse filosoof Michel Foucault dat een week eerder, op 30 juli, in Trouw stond. 

Op 19 juni 2012 verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over hoe ons politieke systeem werkt onder de kop: De Politiek holt zichzelf uit.

Op 7 mei 2013 verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over de spanning tussen groei en duurzame ontwikkeling onder de grond onder de kop:

"Groeien naar de Afgrond".

In april 2013 verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over sociale verbanden in het netwerktijdperk onder de kop:

"Vluchtige Samenleving".


Op 19 februari 2013 verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over de nadelen van efficiency. De kop luidde: "Slecht beleid wordt niet beter door het efficient uit te voeren".

Op 11 januari 2013 verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over het functioneen van ons strafrechtsysteem:

Begin november 2012 verscheen een opiniebijdrage in de Limburger en Limburgs Dagblad

over het zelfreinigend (on)vermogen van systemen en organisaties: Meedenkers en Tegendenkers.


Begin oktober verscheen een opiniebijdrage in de Limburger en Limburgs Dagblad met als kop: Slachtoffers en Daders.

















-