Een andere kijk op orde en chaos, Deel VII over Wereldbeeld, bewustzijn, onderbewustzijn, betekenisgeving en taal in de serie over Orde en Chaos.

door Mathieu Wagemans

Civis Mundi Digitaal nr 102, oktober 2020


Wereldbeeld, taal en discours

Een wereldbeeld kan letterlijk worden opgevat als het beeld van de wereld dat we ons hebben gevormd. We kunnen ons beeld van de wereld beschrijven met woorden. Maar we kunnen ook een niveau dieper gaan en vragen stellen hoe woorden hun betekenis hebben gekregen en inhoudelijk wat die betekenis dan is. Dan volstaan we niet met de woorden maar zoeken we naar het wezen ervan. En hoe onze betekenissen tot stand zijn gekomen. Ook speelt mee dat woorden in een andere context een heel andere betekenis kunnen krijgen. Aan de orde is dan het onderliggend betekeniskader waarvan woorden de uitdrukking zijn. Dat betekeniskader kan worden opgevat als een verzameling van uitgangspunten, aannames en vanzelfsprekendheden die breed worden gedeeld. Nog een stap dieper is dat we vragen naar het persoonlijke. Waarom is voor de een vanzelfsprekend wat door de ander hevig wordt gekritiseerd? Hoe zijn onze uitgangspunten, aannames en zekerheden tot stand gekomen?

In eerdere delen van deze serie over Orde en Chaos kwam reeds de impact van ons wereldbeeld aan de orde. Een wereldbeeld heeft betrekking op de wijze waarop we de werkelijkheid, onszelf en onszelf in relatie tot de werkelijkheid zien. Het is op te vatten als een betekeniskader dat vervolgens leidend en bepalend is voor ons denken en handelen. Dat veronderstelt dat we helder zicht hebben op ons perspectief op de werkelijkheid. Dat is echter minder vanzelfsprekend dan wellicht op het eerste gezicht lijkt. We zijn ons lang niet altijd bewust van ons eigen perspectief. Anderen kunnen ons erop wijzen dat er sprake is van patronen in ons denken en handelen die we ons voorheen niet hebben gerealiseerd. Dergelijke opmerkingen kunnen ons aan het denken zetten. Ze maken ons bewust van vanzelfsprekendheden in ons denken en van automatismen in ons handelen. Dat kan aanleiding zijn ons perspectief te veranderen. We gaan anders naar de wereld kijken en gaan ons mogelijk anders gedragen. We worden ons bewust van een manier van kijken en handelen waar we zelf niet achter kunnen staan. Wij wensen niet langer door ons doen en laten een beeld bij de ander te vestigen waarin we onszelf niet herkennen. Zo wensen we niet over te komen.

Wat individueel geldt, geldt ook in collectief verband. Neem als voorbeeld de problematiek rond duurzaamheid. Gepleit wordt voor aanpassing van ons wereldbeeld waardoor we gaan inzien dat we een beroep doen op de aarde dat niet houdbaar is. We tasten niet-vervangbare voorraden aan. Ons consumptiepatroon is niet te handhaven. We gaan voort op een weg die op termijn doodlopend is. Steeds vaker en steeds intenser worden we eraan herinnerd dat wat we vooruitgang noemen in menig opzicht achteruitgang betekent. Een nieuw wereldbeeld betekent dan dat we de overstap maken naar een nieuw patroon van waarden. Wat economisch een kostenpost is kan, bezien vanuit een ander perspectief, uitzonderlijke waarde hebben. Wat we rationeel noemen kan irrationele consequenties hebben. Wat we logisch vinden kan ons het zicht ontnemen op het onlogische.

Nicole Note (2007) maakt een onderscheid tussen het westers wereldbeeld en het wereldbeeld in de Andes. In het westerse wereldbeeld hebben we de neiging te definiëren. De wereld is kenbaar en beheersbaar en op basis daarvan formuleren we definities. We omschrijven objecten en maken een strak onderscheid tussen objecten. We onderscheiden aspecten aan een vraagstuk die we vervolgens afzonderlijk onderzoeken om tot inzicht te komen. Door alsmaar meer gedetailleerde kennis menen we de werkelijkheid beter te kunnen begrijpen. Die definities vormen in onderling verband onze identiteit. Ze bepalen hoe wij de wereld zien. Daarentegen staat in de het wereldbeeld van bewoners van de Andes de relatie centraal tussen objecten. Je zou kunnen zeggen dat we in ons westers wereldbeeld splitsend denken terwijl in het wereldbeeld van de Andes de verbinding centraal staat. Door splitsend te denken hebben we ons een wereldbeeld gevormd dat de wereld vervormt. Zo beschouwd hebben we de problemen op het vlak van duurzaamheid in ons eigen wereldbeeld al ingebouwd. Door te onderscheiden zijn we niet goed in staat de samenhangen te zien. We zijn zo zelf de constructeurs van de problemen op het vlak van duurzaamheid doordat we lange tijd selectief zijn geweest in onze waarneming. Note noemt als categorieën van de tweede orde binnen het wereldbeeld van de Andes begrippen als complementair, wederkerig, cyclisch, integraal. Categorieën binnen het westers wereldbeeld zijn dan: autonomie van het individu, rationeel en duaal. Die begrippen staan dan centraal in het betekeniskader waarvan de taal de condensatie vormt.


Taalkritiek

Een wereldbeeld heeft een belangrijke relatie met taal. Taal heeft als belangrijke functie dat die ons in staat stelt om met elkaar betekenisvol te kunnen communiceren. Taal biedt ook de gelegenheid dat we uitdrukking kunnen geven aan de wereld. We vormen ons een beeld van de wereld. We kunnen ook uiting geven aan wat we zelf denken en voelen en ervaren. Zo beschouwd drukken we ons bewustzijn uit in taal. Woorden roepen beelden op, hebben betekenis. Maar taligheid gaat verder. Taal kan worden opgevat als drager en uitdrukking van een onderliggend betekeniskader.

Taal mag dan een belangrijk medium zijn binnen een gemeenschap maar de rol en betekenis ervan is bepaald niet onomstreden. Taal is ook onderwerp van debat, in het bijzonder binnen de wetenschap zelf. Taalfilosofie heeft zich ontwikkeld tot een min of mee zelfstandige tak van wetenschap en filosofie met diverse deeldisciplines. Wat zijn daarin belangrijke vraagstukken? We noemen er enkele.

Een eerste punt van kritiek betreft de vraag of taal geschikt is om uitdrukking te geven aan de werkelijkheid. Wittgenstein was daarvan overtuigd. Aanvankelijk nam hij een strak standpunt in dat inhield dat de werkelijkheid en de taal eenzelfde structuur kennen. Er bestaat niets buiten de tekst. Anders gezegd, wat niet in woorden kan worden uitgedrukt moeten we als niet-bestaand beschouwen. De taal als absoluut criterium om waarheid te scheiden van onwaarheid. In Tractatus Logico-Philosophicus is hij op zoek naar een heldere structuur van de taal die algemene geldigheid heeft. Taal, zo stelt hij, kent een eigen logische structuur op basis van logische principes die absoluut en onveranderlijk zijn van sociale en andere invloeden. In een latere fase (Philosophische Untersuchungen) toonde hij zich open voor nuancering van dit standpunt en hield jij niet langer vast aan taal als eenduidig medium. Hij schept ruimte voor een pluriforme werkelijkheid. Taal stelt in staat om uiteenlopende afbeeldingen van de werkelijkheid te construeren. In taalspelen wordt de relatie gelegd tussen taal en handelingspraktijken. Wittgenstein neemt afstand van het denken in termen van essenties. De werkelijkheid houdt zich niet aan onze strakke logica waarin sprake is van strenge oorzaak-gevolg-relaties. Een betere invalshoek is hoe wij in de praktijk begrippen hanteren.

De betekenis van woorden is context-gebonden. Taal kan in die visie niet worden opgevat als eenduidig maar er is sprake van associaties. Het relationele aspect van taal dus. Daarbij kan sprake zijn van allerlei invloeden en elementen die een rol spelen en van betekenis zijn. Wittgenstein stelt dat conceptuele analyses niet “in vacuo” moeten plaatsvinden maar dat altijd de context daarbij moet worden betrokken. De werkelijkheid moet in zijn context worden benaderd. Begrippen leiden dus niet een geïsoleerd bestaan en moeten bijgevolg niet als op zichzelf staand worden benaderd.

Een tweede punt van kritiek gaat over het centraal stellen van het bewustzijn. Wat minder aandacht krijgt is de uitsluitende werking van ons bewustzijn. Het onbewuste kunnen we opvatten als een restpost van ons bewustzijn. Het bestaat wel maar we zijn er ons niet van bewust. Dat betekent nog niet dat het geen werking zou hebben. In ons denken en handelen gaan we eraan voorbij terwijl de invloed van het onbewuste minstens zo belangrijk moet worden geacht als die van het bewustzijn. Dat besef staat op gespannen voet met het denken in de moderniteit. Moderniteit gaat uit van het kenbare en het beredeneerbare. Daarbij wordt een beroep gedaan op het bewustzijn dat ons denken leidt. Zie de filosofie van Kant. We vormen ons afbeeldingen van de werkelijkheid conform de categorieën van het verstand. Hoe we tot conclusies komen moet analyseerbaar zijn. We moeten de redenering kunnen volgen opdat en zodat we de logica ervan kunnen testen en mogelijke inconsistenties kunnen ontdekken. Aan dat streven kan niet goed worden voldaan wanneer het processen betreft waar we ons niet of niet goed van bewust zijn. Het onbewuste is niet waarneembaar en concreet benoembaar. Het onbewuste is niet goed “grijpbaar” via het verstand. De nadruk en het centraal stellen van het bewuste past in het moderniteitsdenken. De ratio staat centraal. We redeneren logisch. Het onbewuste krijgt minder aandacht omdat het langs rationele weg niet goed toegankelijk is. (Dijksterhuis, 2015). Het onbewuste kan zo worden opgevat van datgene wat niet betekenisvol kan worden ingepast binnen onze rationele en logische kaders. Het onbewuste als ruimte voor het irrationele, voor het onlogische, voor het niet-beredeneerbare.

Op de derde plaats heeft kritiek ook betrekking op de stelling dat taal helderheid schept en tot eenduidigheid zou leiden. We maken de vergelijking met een schilderij. Een schilderij doet een beroep op ruimte voor interpretatie. Een schilderij vraagt voorstellingsvermogen. Taal is daarentegen het middel en het voertuig waarmee we helderheid geven over hoe we de werkelijkheid zien. De interpretatieruimte kan beperkter zijn omdat de woorden, in vergelijking met een schilderij, een geringer beroep doen op ons voorstellingsvermogen. We kunnen de afbeeldingen van de werkelijkheid beter communiceren. Er zijn min of meer heldere interpretaties mogelijk. Taal stelt in staat ons helder uit te drukken. Althans meer dan bijvoorbeeld schilderijen die de kijker volop de ruimte geven tot interpretatie. In vergelijking met schilderijen is die interpretatieruimte bij taal veel beperkter. De rechtspraak neemt daarbij een uiterste positie in. In wetten en daarvan afgeleide regelingen hebben we met behulp van gedetailleerd uitgewerkte definities vastgelegd wat strafbaar is en, als contramal, wat niet strafbaar is. We streven daarbij naar maximale helderheid zodat we weten waar we aan toe zijn. Althans, dat veronderstellen we. De rechtspraktijk geeft echter aan dat de dynamiek en de pluriformiteit van de werkelijkheid, gecombineerd met de creativiteit van burgers, altijd weer groter is dan verondersteld door de constructeurs van de wet.

Een vierde kritiekpunt sluit daarbij aan. In tegenstelling tot de opvatting dat we met taal helderheid kunnen scheppen blijkt taal ook over manipulatief vermogen te beschikken. Met woorden kunnen we onderling tegenstrijdige beelden oproepen. We kunnen als het ware kiezen uit een uitgebreide gereedschapskist, gevuld met woorden en begrippen waarmee we beelden van de werkelijkheid kunnen construeren. We kunnen een onoverzienbaar aantal voorstellingen maken van situaties, gebeurtenissen en ontwikkelingen, al naar gelang de wensen die we hebben. Dat vermogen wordt wel geduid als framing.


Discoursen en conflicten

Een discours vatten we daarbij, aansluitend bij van der Wal (2002), op als een samenhangend en op een bepaalde wijze gestructureerd geheel van betekenissen. Een discours vormt het kader waarbinnen concretisering plaatsvindt. Opvattingen hebben bijvoorbeeld betrekking op probleemformuleringen, op overtuigingen over oplossingsrichtingen en wie daar bij het voortouw moet nemen. Kenmerk van een discours of vertoog is ook dat opvattingen zo krachtig zijn dat ze het karakter van vanzelfsprekendheden krijgen. Ze doden discussie en verzet. Het zijn zekerheden geworden, geconstrueerde waarheden dus. Omdat ze breed gedeeld zijn gaan ze gaandeweg deel uitmaken van het collectief bewustzijn.

We noemden al dat de werkelijkheid een beeld kan geven van meerdere discoursen die onderling aanzienlijk kunnen verschillen. We kunnen, zoals in debatten, de kwaliteit van voorstellingen vergelijken en proberen de door ons gekozen voorstelling geaccepteerd te krijgen. Ook in die debatten is taal het medium. Maar dat middel is omstreden. Er is geen onafhankelijke standaard aan de hand waarvan we iets over de kwaliteit van taalspelen kunnen zeggen en tot een beredeneerde keuze kunnen komen waarbij we het ene taalspel verheffen boven het andere.

De betekenis van een discours moet niet worden onderschat. Een samenleving kan worden opgevat als een geheel van domeinen en systemen. Het economisch systeem bijvoorbeeld. Of het politieke systeem en het beleidssysteem. Of de rechtspraak. Of de wetenschap. Die hebben een zekere zelfstandigheid. Ze hebben elk ook een eigen betekeniskader. Hoe ze functioneren kan worden beoordeeld door een domein afzonderlijk te beschouwen of door vanuit het perspectief van de samenleving te kijken. In het laatste geval vormen we ons een beeld van de samenleving als een verzameling min of meer zelfstandige deelsystemen, elk met een eigen discours en een eigen taligheid.

Dat roept vragen op over de verhouding tussen deelsystemen. Welke relaties hebben we onderling? En hoe vindt de communicatie plaats? Hoe zijn de onderlinge verhoudingen? Is er sprake van boven- en nevenschikking? Is er sprake van dominantie waardoor er afhankelijkheden ontstaan? Zijn ze aanvullend en bevestigen en versterken ze elkaar? Of is er sprake van onenigheid en strijd? Koesteren ze hun zelfstandigheid zodat er sprake is van een naast elkaar bestaan zonder sterke verbindingen?


Wat gebeurt er wanneer er sprake is van conflicten

Dat er zich van tijd tot tijd spanningen voordoen tussen deelsystemen hoeft niet te verbazen. Dat lijkt betrekkelijk normaal in een samenleving. Belangen en standpunten kunnen uiteenlopen. Een samenleving beschikt doorgaans over bemiddelende procedures en praktijken. Die zijn er vaak op gericht tegenstellingen te pacificeren. De tegenstellingen worden niet opgelost maar aanvaardbaar gemaakt. Maar het conflict blijft in stand.

Dat ligt anders wanneer er sprake is van permanente conflicten die vaak terug te voeren zijn tot onderling strijdige betekeniskaders. Neem als voorbeeld de spanning tussen landbouw en natuur. De landbouw wordt opgevat als een economische activiteit. De boer is ondernemer, koeien zijn productiemiddel. De natuur daarentegen heeft een functie die niet in economische termen kan worden uitgedrukt. Productiviteit, kostprijs en verhandelbaarheid zijn begrippen die we niet relateren aan natuur. Wanneer het economisch denken dominant is kan natuur worden opgevat als een kostenpost. Landschapselementen zoals bomen vormen een hindernis en werken belemmerend voor toepassing van moderne technologie met alsmaar grotere machines. Een zeer intensieve landbouw kan natuurontwikkeling schaden door uitspoeling van meststoffen. Beregening kan tot verdroging van natuurgebieden leiden. Uitstoot van ammoniak kan verzuring veroorzaken. Dergelijke problemen worden doorgaans opgelost door middel van compromissen. De boer krijgt een vergoeding vanwege economisch ongemak. Of we scheiden beide functies door landbouw- en natuurgebieden aan te wijzen. Echter, dergelijke oplossingen werken niet wanneer de oorzaak van problemen dieper moet worden gezocht. Dan is er sprake van een identiteitsvraagstuk. Bijvoorbeeld als we natuur gaan zien als “bezitter” van een eigen identiteit. Natuur wordt dan een intrinsieke waarde toegekend die niet in economische termen kan worden uitgedrukt. De betekenis van natuur kan dan niet worden verwoord in termen van effecten op een efficiënte landbouwpraktijk. Natuur heeft dan een eigenstandige waarde. Respect daarvoor gaat dan verder en dieper dan het verplaatsen van het prikkeldraad tussen landbouw- en natuurgebieden. Natuur leent zich dan niet voor compromissen maar vraagt respect.


Collectief bewustzijn

Geheugen is niet voorbehouden aan een individu. Er kan ook worden gesproken van een collectief geheugen. Een gemeenschap kan scherpe herinneringen delen, bijvoorbeeld aan ingrijpende gebeurtenissen. Incidenten die ieder zich heel goed herinnert en die worden doorgegeven aan volgende generaties. De beleving ervan kan individueel verschillen, afhankelijk bijvoorbeeld van de situatie waarin iemand verkeerde, zijn eigen historie, zijn betrokkenheid bij een gebeurtenis en/of zijn belangstellingsveld. Ieder geeft er zijn eigen kleuring aan. De herinnering kan zo heeft het karakter krijgen van een verhaal dat op heel uiteenlopende wijze tot stand is gekomen maar gemeenschappelijk wordt gedeeld.

Maar we kunnen het collectief geheugen ook opvatten als een basisstructuur van vanzelfsprekendheden, associaties en normatieve posities. Dan heeft een collectief geheugen een culturele betekenis. Het is een min of meer samenhangende verzameling van elementen die het karakter hebben van een collectief betekeniskader. Dat kader is bepalend voor hoe een gemeenschap staat tegenover de werkelijkheid, hoe men met elkaar omgaat en wat belangrijke gedeelde waarden zijn. Daarin kunnen we, zoals we dat voor een individu doen, een onderscheid maken tussen het deel van het collectief geheugen waar we ons van bewust zijn en een deel waar we ons niet van bewust zijn.

Je kunt met betrekking tot het collectief geheugen drie niveaus onderscheiden. Het eerste is het niveau van historische gebeurtenissen. Een treinramp bijvoorbeeld, of de aanslagen op het World Trade Center, of de invasie in Normandië. Het tweede niveau is het culturele niveau. Dan gaat het om de vanzelfsprekendheden, aannames enz. Het derde niveau heeft dan betrekking op de processen: hoe komt een collectief geheugen tot stand? Welke waarden bepalen hoe vanzelfsprekendheden ontstaan? Waarom wordt het ene wel onthouden en wordt het andere niet opgeslagen in het collectief geheugen, althans niet bewust? Wat niet bewust wordt opgeslagen kan overigens wel werking hebben zoals dat ook individueel geldt. Dergelijke vragen hebben te maken met de inhoudelijke component van het collectieve bewustzijn en met de processen die aan de vorming ervan te grondslag liggen.

Volgens de Franse socioloog Emile Durkheim (2015) bestaat het collectief bewustzijn uit gedeelde basiswaarden en sentimenten en daarop gebaseerde opvattingen die de onderlinge contacten vergemakkelijken en ook de relatie met de buitenwereld reguleren. Ze werken onderscheidend ten opzicht van wie niet tot de gemeenschap behoort. Binnen de gemeenschap gelden ze als vanzelfsprekend. Ze hebben bindend vermogen. Instituties, omgangsvormen en begrippen vormen er de uitdrukking van. Zonder gezamenlijkheid kan er geen gemeenschap zijn. Zie ook Ransijn (2016). Durkheim onderscheidt een mechanische en een organische gezamenlijkheid. Mechanisch heeft dan betrekking op sterke en streng opgelegde vormen van gezamenlijkheid. Die kunnen bijvoorbeeld rusten op religieuze overtuigingen. Er is dan sprake van een krachtig gezamenlijk bewustzijn. De Verlichting betekende ook op dit vlak verandering. De maatschappij werd minder homogeen door differentiatie en individualisering. Het collectief bewustzijn verzwakte en werd oppervlakkiger. Durkheim introduceerde daarvoor het begrip “anomie”: door normvervaging raakte de samenleving ontregeld.

Ransijn en Schulte (1982) merken op dat bij bewustzijn vaak wordt verwezen naar waken, waarnemen, onderscheiden, aandacht geven, kennen of betekenis geven. Maar, zo stellen ze, dat zijn allemaal kenmerken van bewustzijnsprocessen maar ze vallen niet samen met het bewustzijn zelf.

Het betekeniskader van de moderniteit is opgebouwd op basis van rationaliteit, meetbaarheid, planning, efficiency enz. Onze organisatorische structuren vormen er de uitdrukking van. We leggen nauwkeurig vast wie bevoegd is, hoe verantwoordelijkheden zijn toegedeeld, hoe de communicatie moet verlopen, welke doelstellingen er zijn en binnen welke termijn die moeten worden gerealiseerd.

De mens kan zo gemakkelijk op de achtergrond raken. In uiterste consequentie ligt de betekenis van een medewerker slechts in zijn rol en positie binnen de formele kaders. Worden de doelen gehaald en wordt er gehandeld binnen de geldende regels? Dergelijke overwegingen vinden we terug bij Weber die een onderscheid maakt tussen materiele en substantiële rationaliteit en zich aldus al vroegtijdig kritisch uitlaat over het moderne denken. Die kritiek is ook terug te vinden bij de Frankfurter Schule en later bij Habermas die een onderscheid maakt tussen leef- en systeemwereld. Of bij Luhmann die het functioneren van systemen kritisch beziet en daarover theorie heeft ontwikkeld.


Een nieuw wereldbeeld waarvan het bewustzijn deel uitmaakt

Gaandeweg is de kritiek verbreed en ook basis geworden voor het ter discussie stellen van het moderne denken zoals dat in het werk van verscheidene Franse filosofen is terug te vinden. Die kritiek is zo sterk en intens geworden dat velen ervan overtuigd zijn dat we de overstap naar een ander wereldbeeld moeten maken. Het nieuwe wereldbeeld wordt dan geduid met het postmodernisme. Dat is echter vooralsnog meer een verzamelnaam voor krachten die ingrijpende veranderingen bepleiten dan dat er sprake is van een min of meer uitgekristalliseerd nieuw wereldbeeld voor het komende tijdvak. Sterker nog, in pleidooien voor een nieuw wereldbeeld valt regelmatig te lezen en beluisteren dat we niet de overstap moeten maken van het ene naar het andere wereldbeeld dat we vervolgens weer institutioneel verankeren maar dat we in de toekomst moeten leren omgaan met permanente dynamiek en met pluriformiteit. Dergelijke overtuigingen verzetten zich tegen definiëren en tegen statische kaders. Maar vooralsnog zitten we vast aan de instituties van de moderniteit.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat taal om (minstens) twee redenen een geschikte invalshoek is om kritisch over de moderniteit te reflecteren. Taal vormt allereerst het medium voor communicatie binnen collectieven. Bovendien vormt taal ook het ordeningsprincipe voor onze institutionele structuren. Met als gevolg dat het buitengeslotene zowel werking heeft, doordat het in de communicatie betekenisloos wordt geacht vanuit de formele systemen maar zeker ook omdat er geen plaats is voor het buitengeslotene in onze structuren. Ze zijn er niet ontvankelijk voor en, nog erger, ze mogen en kunnen dat ook niet zijn omdat het formele begrippenkader voor de rechtspraak als toetssteen geldt.

Nog principiëler is de stellingname dat bestaande instituties hun ontstaans- en bestaansrecht in wezen ontlenen aan hun vermogen om buiten te sluiten wat niet past in hun ordeningen. De werking van instituties is hun vermogen tot buitensluiten. Ze kunnen het zich permitteren. De ordening is dwingend. De chaos als bestaansvoorwaarde voor de ordening. Relevant is ook dat het formele perspectief de neiging heeft te versmallen. Telkens weer doen zich nieuwe situaties voor die vragen om “betekend” te worden. Hoe moeten die worden geïnterpreteerd? Ze moeten worden ingepast binnen de definities en begrippen van het geldende betekeniskader. Interne consistentie is harde voorwaarde. Gevolg daarvan is dat het formele betekeniskader alsmaar verder gedetailleerd en specifieker wordt met als gevolg dat het uitsluitende karakter toeneemt. Er ontstaat daardoor een toenemende spanning tussen overheid en burger. Anders gezegd, het collectieve karakter brokkelt af in relatie tot het bewustzijn van burgers.

Dit is van invloed op de ingrijpende veranderingen die thans aan de orde zijn op vrijwel elk gebied, zowel inhoudelijk als institutioneel. Het besef groeit dat realisering van die veranderingen rechtstreeks te maken heeft met ons bewustzijn. We moeten van perspectief veranderen om tot het inzicht te komen dat de problemen waar we mee te maken hebben niet op zichzelf staan maar rechtsreeks verband houden met ons eigen denken en doen. Dat veronderstelt dat we het bewustzijn erkennen als nieuwe dimensie die onze relatie met de werkelijkheid reguleert. Een dimensie waar de moderniteit eenzijdig mee is omgegaan. Wanneer je de werkelijkheid ziet als een objectief waarneembare, kenbare en beïnvloedbare werkelijkheid verloopt ons denken en handelen voorgeprogrammeerd en is er geen aanleiding onze relatie tot de werkelijkheid te problematiseren. Bewustzijn is echter nog niet algemeen erkend als een nieuwe dimensie en is door de krachten van de moderniteit eerder gemarginaliseerd. Moderniteit betekende en betekent een inperking van het bewustzijn vanwege de eenzijdige nadruk op rationaliteit en objectiviteit. Het moderne denken dwingt de meervoudige maatschappelijke werkelijkheid in een formeel kader waarna alles wat binnen dit kader valt wordt omgord met betekenissen die aan de basis vormen van definities welke vervolgens worden verzwaard en beladen met juridische kracht.


Taal en collectief bewustzijn

Wanneer we ons willen verdiepen in het collectieve bewustzijn ligt de vraag voor de hand of het denken van Lacan, waarin de taal een centrale positie inneemt, ook van betekenis kan zijn als benadering van het collectieve bewustzijn. Zo op het eerste gezicht kan er weinig misverstand bestaan met betrekking tot de betekenis van de taal. Immers, wanneer we de structuur en het functioneren van formele instituties als uitingen van gezamenlijkheid in ogenschouw nemen, kunnen we moeilijk om taal heen. Nemen we als voorbeeld het functioneren van de overheid. In wetten en daarvan afgeleide regelingen leggen we met precisie vast hoe de werkelijkheid moet worden opgevat. De definities krijgen zo juridische status en zijn beslissend in de communicatie met burgers. De macht van de overheid is in essentie definitiemacht.

Maar definities zijn inperkend met betrekking tot de werkelijkheid. We hebben doorgaans de neiging om de betekenis van definities te zoeken in wat die omvatten; we stellen de inhoud ervan centraal. Echter, minstens zo belangrijk is dat definities ook uitsluitende werking hebben. Dan gaat de interesse uit naar wat de definities buitensluiten. Wat niet door definities wordt omvat heeft voor overheden doorgaans geen of weinig betekenis. Rechters toetsen bezwaren van burgers aan de wet en hebben ook niet de ruimte tot een andere toetsing te komen. Die wettelijk vastgelegde definities zijn bepalend.

Sterker nog, het grondprincipe van de scheiding van de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht is wettelijk vastgelegd. Het is het leerstuk van de Trias Politica. Die uitsluitende werking kan worden opgevat als een bron van vervreemding. Wat voor burgers relevant is kan door overheid als betekenisloos worden beschouwd. Taal kan worden opgevat als het exclusieve medium in de relatie en in de communicatie tussen overheid en burger. Taal bepaalt het betekenisvolle en dus ook het betekenisloze. Taal lijkt dus een geschikte invalshoek voor een kritische analyse van hoe onze formele systemen functioneren en ook om de uitsluitende werking ervan op het spoor te komen. En dus zicht te krijgen op en inzicht in vervreemding. Een talige benadering dus om vervreemding onder woorden te brengen.


Taal en het onderbewuste

In vergelijking met het bewustzijn roept het onderbewustzijn als begrip vaagheid op. Het bestaan ervan werd in het verleden ook ontkend, zoals door Locke die ervan uitging dat het bewustzijn een tabula rasa was, een onbeschreven blad dat als zodanig niet zelfstandig kon bestaan. Ons denken is gebaseerd op zintuigelijke waarnemingen. Voor het niet-waarneembare is er dan geen plaats. Daarentegen stelt Dijksterhuis dat we de betekenis van het onderbewustzijn sterk onderschatten. In ons denken is er sprake van tal van invloeden waarvan we ons niet bewust zijn. Bijvoorbeeld van selectiemechanismen die onze aandacht richten op het ene en blind en doof zijn voor het andere. Het onderbewustzijn heeft werking maar hoe die werking plaatsvindt is niet makkelijk traceerbaar. De werking kan lastig worden beredeneerd. Zo het onderbewustzijn al een logica kent is die lastig te achterhalen. In ieder geval niet met onze bestaande opvattingen van logisch denken. Het onderbewustzijn kent een eigen logica. Het is de logica van bijvoorbeeld de intuïtie die zich moeilijk laat analyseren. Er zijn heel wat inspanningen gedaan om er inzicht in te krijgen maar het blijft een lastig toegankelijk gebied.

Om het onderbewuste te leren kennen neemt de benadering van Lacan een bijzondere plaats in. Uitgangspunt van Lacan is dat het onderbewuste is gestructureerd volgens de structuur van de taal. Bijgevolg, zo stelt Lacan, is taal een geschikte invalshoek om inzicht te krijgen in het onderbewuste en de werking ervan. Zoals taal drager is van bewustzijnsinhouden kan taal ook worden opgevat als drager van het onbewuste. Die betekenis ligt dan niet zozeer in een directe relatie zodat de woorden ons directe toegang verschaffen tot het onbewuste. De relatie is indirect. We kunnen een onderscheid maken tussen wat gezegd wordt en wat wordt verzwegen. Taal als invalshoek om aandacht te geven aan het niet-uitgesprokene, het niet-benoemde.

Dat vraagt een betekeniskader om het niet gezegde te interpreteren. Elementen van dat interpretatiekader zijn bij Lacan het onderscheid tussen het imaginaire, het symbolische en het reële. (Desmet, 2019) Het imaginaire heeft betrekking op de eerste levensfase waarin het kind eenheid ervaart met de moeder. Er is nog geen sprake van een “Zichzelf” dat zichzelf zelfstandig positioneert ten opzichte van de moeder. Er is sprake van een spiegeling. Het kind spiegelt zich aan de moeder en de spiegel weerkaatst wie erin kijkt. Kijker en afbeelding vallen samen. Dat verandert in een volgende levensfase wanneer het kind in de symbolische orde binnentreedt. Binnen die orde verlopen de interacties tussen mensen via de taal. Die interacties en verhoudingen zijn ingekaderd door formele en informele regels, vanzelfsprekendheden en gevestigde overtuigingen. Binnen de symbolische orde kan de mens zichzelf zien ten opzichte van de ander. Maar die zelfstandigheid is begrensd.

Lacan neemt als vertrekpunt dat ons leven niet zozeer wordt geregisseerd door onze eigen verlangens en strevingen maar door de verlangens van de ander. De taal is een construct van de ander dat via de ander het individu bereikt. Het individu kan zich slechts uitdrukken in de taal. Dat betekent een inperkend kader. Er zijn beperkingen om zichzelf als subject te tonen via de taal. De psychoanalyse van Lacan is erop gericht iemand dat niet-uitgesprokene te laten ervaren. De therapeut kan het wezen van de persoon via het niet-gezegde op het spoor komen. De therapeut legt geen betekeniskader op aan de patiënt maar laat de patiënt zichzelf zien en wel zodanig dat hij zicht krijgt op zijn eigen wezen. Een therapie mondt dan niet uit in conclusies van de therapeut. De therapeut is enkel de facilitator in een proces met als doel dat de patiënt zichzelf anders gaat zien. Een therapie is heeft dus het karakter van een ontdekkingstocht van de patiënt naar en in zichzelf. Hij wordt zich bewust van de mechanismen die hem tekenen, bijvoorbeeld wanneer hij met bepaalde situaties te maken heeft. En hij krijgt zicht op de ontstaansgrond van die mechanismen. Hoe bijvoorbeeld indringende ervaringen de bron waren voor mechanismen en automatismen in zijn processen van betekenisgeving.

De benadering van Lacan is onderwerp van kritiek. Ze zou bijvoorbeeld niet wetenschappelijk kunnen worden verantwoord. De laatste decennia heeft deze en hebben andere psychotherapeutische benaderingen aan betekenis ingeboet. De aandacht is verschoven naar neurobiologische benaderingen. Die sluiten beter aan bij het denken van de moderniteit. We willen weten en beheersen. We willen de processen begrijpen die zich afspelen in onze hersenen. Wanneer we die processen kennen en de condities waarbinnen die werkzaam zijn, zo is de gedachte, dan zullen we ook in staat zijn die processen via medicalisering te beïnvloeden. Zo kunnen we controle krijgen over de werking van ons brein en kunnen we processen die tot psychiatrische aandoeningen leiden manipuleren. Ook die benadering is overigens onderhevig aan kritiek. Het leidt tot vragen op ethisch vlak. Wordt de mens dan niet tot een robot die naar genoegen kan worden gemanipuleerd? Is de gave van betekenisverlening niet de kern van het menszijn? De mens, die als enige over het vermogen beschikt over de wereld en over zichzelf in relatie tot de wereld te reflecteren.


Het collectief onbewuste

Terwijl bij Freud uitgangspunt vormt dat het onbewuste een persoonlijk onbewuste is, introduceert Jung het collectief onbewuste. Dat verwijst naar wat Jung de oerervaring noemt die in ons aanwezig is en die we delen, zij het onbewust. Die ervaring wordt niet benoemd maar komt wel tot uitdrukking in bijvoorbeeld kunstuitingen. Jung beschouwt het collectief onbewuste als een verzameling beelden die de mensheid in de loop der tijd heeft opgebouwd naar aanleiding van opgedane ingrijpende ervaringen. Dergelijke ervaringen zouden de bron zijn van mythevorming. Er hebben zich beelden in ons vastgezet die via overerving worden doorgegeven van de ene naar de andere generatie. Jung verwijst naar archetypes van bijvoorbeeld begrippen als God, held, moeder, leven en dood. Archetypes hebben het karakter van associatieve verbeeldingen die nooit concreet worden maar die niettemin collectief worden gedeeld. Ze zijn ook niet geconstrueerd maar worden van generatie op generatie doorgegeven. Ze vormen ook geen onderwerp van discussie en ontlenen juist daar hun werking aan.

We kunnen daarbij de relatie leggen met het wereldbeeld. Een wereldbeeld vormt de uitdrukking van een heersend betekeniskader. Dat heeft als consequentie dat een wereldbeeld ook uitsluitende werking heeft. Sterker nog, je zou de betekenis en werking van een wereldbeeld juist kunnen zoeken in wat er wordt buitengesloten in plaats van de aandacht enkel te richten op wat een wereldbeeld omvat. Dan is het onderzoek gericht op de contramal van een wereldbeeld: wat blijft er buiten beeld en wat zijn daarvan de consequenties? Binnen een op rationaliteit gebaseerd wereldbeeld zal er weinig aandacht zijn voor het irrationele. Logica als uitgangspunt nemen heeft als gevolg dat het onlogische betekenisloos wordt geacht.

Een verwijzing naar het collectief onbewuste treffen we ook aan bij Assmann. Bij haar gaat het om processen van verdringing. Wat we persoonlijk doen, namelijk de werkelijkheid gekleurd waarnemen en ongewenste beelden verdringen, gebeurt ook collectief. Wij kunnen de ogen sluiten voor wat ons overkomt. We registreren niet alles wat we zien en horen. We zijn geneigd vooral bevestiging te zoeken van onze opvattingen. We selecteren. Of we laten waarnemingen niet door dringen. We ontkennen ze. Wij laten herinneringen niet toe tot ons bewustzijn omdat we het moeilijk vinden ze te accepteren en te verwerken.

Met betrekking tot collectief waarnemen noemt Assmann (2013) als voorbeeld de wijze waarop Duitsland de herinneringen aan de Eerste en de Tweede Wereldoorlog heeft verwerkt. Na de Eerste Wereldoorlog was er behoefte aan vergelding voor de herstelbetalingen waarmee Duitsland werd opgezadeld. Er moest gerepareerd worden. Gevoelens van revanche dus. Die reactie was geheel in tegenstelling met hoe de Tweede Wereldoorlog werd verwerkt. Die werd voor een deel verdrongen. Er was geen behoefte aan revanche. Deels was er ook ontkenning, bijvoorbeeld van het bestaan van de vernietigingskampen. Zij koppelt daar de conclusie aan dat het ontwerpen van de toekomst kan worden belemmerd door ons onvermogen c.q. onze onwil het verleden te verwerken. Dat onvermogen is ook in eigen land waarneembaar.

Hevige discussies over woorden en beelden zoals rond het Sinterklaasfeest of begrippen als “Eskimo’s” en “zigeunersaus” illustreren eerder een onvermogen dan dat ze inhoudelijke betekenis hebben. Het zijn conflicten die demonstreren hoe armoedig en onhandig we denken ons verleden te kunnen verwerken. Het zijn uitingen van ons onvermogen om te gaan met het verleden. Verwerking wordt op een lijn gesteld met het dwingen van de ander excuses uit te spreken. Excuses van de een wordt door de ander als een overwinning gevierd maar met collectieve verwerking heeft dat weinig van doen. Het geeft eerder de verdeeldheid en gespletenheid weer dan dat het een uiting is van acceptatie van het verleden.

Anders dan wat Jung benadrukt heeft het collectieve onbewuste dus niet enkel betrekking op oerervaringen die we eeuwenlang doorgeven maar zijn we zelf ook de constructeurs van mythes en ficties zijn. Hoe mythes en ficties zelfs zo krachtig zijn dat ze kunnen worden beschouwd als hoekstenen van onze instituties (Wagemans, 2016). Ze hebben het karakter van vanzelfsprekendheden die weliswaar inhoudelijk kunnen worden betwijfeld maar die we voor vanzelfsprekend houden omdat we anders onze bouwwerken stevigheid ontnemen. We brengen ze aan het wankelen wanneer we twijfel toelaten.

Een tweetal voorbeelden. Stelregel in onze rechtsstaat is dat iedere burger de wet dient te kennen. Die regel is logisch omdat burgers zich anders bij het begaan van overtredingen kunnen beroepen op onwetendheid. Onwetendheid als grond voor verschoning. Een tweede voorbeeld is het uitgangspunt dat de Minister eindverantwoordelijk is voor besluiten die op zijn departement worden genomen. Dat uitgangspunt is belangrijk omdat wij menen dat er een sluitend systeem van verantwoordelijkheden noodzakelijk is. Gaat er iets mis, dan moet helder zijn wat de oorzaak was en wie ter verantwoording kan worden geroepen. We wensen verklaringen zodat we herhaling kunnen uitsluiten. In de praktijk is het echter vrijwel ondoenlijk tot eenduidige verklaringen te komen. In een samenleving is sprake van tal van relaties die onderling nogal verschillend kunnen zijn. Ook is het zo goed als onmogelijk van een Minister te verwachten op de hoogte te zijn van alle besluiten die op zijn departement worden genomen. Niettemin is het een belangrijk beginsel in onze rechtsstaat. Alle besluiten worden formeel genomen namens de Minister. Gaat het fout, dan dient de Minister aanspreekbaar te zijn. Het zijn voorbeelden van mythes en ficties die niet mogen worden doorgeprikt omdat we anders de basis van ons stelsel aantasten.

Het komt erop neer dat we een wereldbeeld construeren dat uitdrukking vormt van onze ambities en overtuigingen. We kunnen in toevalligheden de hand van God zien. Of meevallers opvatten als het resultaat van eigen inspanningen. Of tegenvallers als bewijs zien van het verzaken door anderen. Desnoods creëren we een schijnwereld wanneer die het mogelijk maakt dat we bij tegenslag niet in de spiegel hoeven te kijken. Wanneer we het klimaatprobleem ontkennen zijn we verlost van de noodzaak onze levenswijze aan te passen. Die ontkenning kan dus een rationele keuze zijn die gericht is op handhaving van het bestaande. Maar er kan ook sprake zijn van diep verankerde cultureel bepaalde waarden die belemmeren dat een conflict als zodanig wordt benoemd. Een conflict kan onbespreekbaar zijn omdat basiswaarden in een gemeenschap zich ertegen verzetten. Zo werd misbruik in de kerk lange tijd ontkend, alleen al omdat dit geheel in strijd was met basiswaarden en erkenning ervan daardoor zekerheden zou aantasten die juist in stand moesten blijven. Een geldend betekeniskader is soms niet in staat om alle werkelijkheid te omvatten.

Dat maakt verandering van het geldende betekeniskader zowel nodig als lastig. De eerste voorwaarde voor verandering is dat een vraagstuk bespreekbaar wordt en wel zodanig dat er ruimte is voor een open debat over de werking van het bestaande betekeniskader. En natuurlijk moet er de bereidheid zijn om dat kader te onderzoeken op vanzelfsprekendheden en aannames die niet meer dienen. Die openheid is niet vanzelfsprekend. Een gemeenschap heeft het vermogen tegenstellingen te verzwijgen. Het is bijvoorbeeld te pijnlijk ze aan de oppervlakte te laten komen. Dat kan betekenen dat men ze herformuleert en wel zodanig dat ze bespreekbaar zijn. Of men heeft niet het vertrouwen dat ze oplosbaar zijn. Discussies gaan dan niet over het wezen van conflicten. Zo zie je bij conflicten in het politieke domein vaak dat die over procedures gaat. Men had bijvoorbeeld eerder en meer gelegenheid voor inspraak moeten geven. De vraagstukken worden in een kader geplaatst met als nadeel dat oplossingen op zijn best symptomen bestrijden.

Glasl (1997) introduceerde het onderscheid tussen hete en koude conflicten. Koude conflicten hebben als kenmerk dat het wezen ervan niet aan de oppervlakte komt. Er is sprake van een klimaat van kilheid. Via signalen wordt op bedekte wijze gecommuniceerd hoezeer men het met elkaar oneens is en, nog erger, hoe intens de onderlinge relaties zijn beschadigd. Een atmosfeer die voor niet-ingewijden vriendelijk oogt maar die in wezen diepe controverses toedekt. Aan de eerste voorwaarde voor oplossing van conflicten kom je dan niet toe, namelijk erkenning van het bestaan ervan. De schijn van goede verhoudingen wordt overeind gehouden terwijl er ondergronds sprake is van een veenbrand.


Tot slot
De benadering van Lacan in de psychotherapie lijkt ook van nut te kunnen zijn met betrekking tot collectieven en systemen. Aandacht voor wat niet onder woorden wordt gebracht, voor het niet-uitgesprokene. Wat wordt binnen onze formele systemen niet benoemd en buitengesloten? Hebben systemen ook een onderbewustzijn? En hoe kan het buitengeslotene naar de oppervlakte worden gebracht? Hoe kunnen de onderliggende krachten en belangen die het onderbewuste veroorzaken en in stand houden onderwerp van beschouwing worden en tot het bewustzijn doordringen? Enfin, voldoende stof voor een vervolg.


Literatuur

Assmann, Aleida, Das neue Unbehagen an der Erinnerungskultur, eine Intervention, C.H. Beck, 2013

Desmet, Mattias, Lacan’s Logic of Subjectivity, A Walk on the Graph of Desire, OLW Press, 2019

Dijksterhuis, Ap, Het slimme onbewuste, Denken met gevoel, Bert Bakker, 2015

Durkheim, Emile, The Division of Labor in Society, Free Press, 2014

Glasl, F, Konfliktmanagement: Ein Handbuch für Führungskräfte, Beraterinnen und Berater, Stuttgart: Verlag Freies Geistesleben, 1997

Jung, C.G., The Archetypes and the Collective Unconscious, Taylor & Francis Ltd, 1991

Luhmann, Niklas, Social Systems, Stanford University Press, 1996

Note, Nicole, Reflections about worldviews, the Western worldview and intercultural polylogue, in: Bertus Haverkort and Coen Reijntjes (eds): Moving Worldviews, Reshaping sciences, policies and practices for endogenous sustainable development, nr 4, Compas, Leusden, 2007, p. 83 - 94

Ransijn, Piet en Schulte Nico, Bewustzijn als Bewapening, Vrede en ontwapening door groei van collectief bewustzijn, MIU Nederland Pers, Laag Soeren, 1982

Ransijn, Piet, Wat houdt de samenleving bij elkaar? Sociologie en collectief bewustzijn, Civis Mundi Digitaal #37, 2016

Wagemans, Mathieu, Een Oceaan van Betekenisloosheid, een kritische analyse van beleid, politiek en wetenschap met een verwijzing naar de filosofie van Michels Serres, Digitalis, 2016

G.A. van der Wal, Open en gesloten vrijheid: twee vrijheidsconcepties, in: Cultuurfilosofie, Katholieke, reformatorische, humanistische, islamitische en joodse reflecties over onze cultuur, red. Edith Brugmans, Open Universiteit, 2002, p. 379 – 416

Weber, Max, Wirtschaft und Gesellschaft, JCB Mohr, Paul Siebeck, 2006

Wittgenstein, Ludwig, Tractatus Logico-Philosophicus, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 1973

Wittgenstein, Ludwig, Filosofische Onderzoekingen, Boom. 2002


*****************************

‘Het probleem is dat domheid de neiging heeft zichzelf te herhalen’

De Limburger, 9 september 2020 door Thieu Wagemans   www.ontganiseren.nl


COLUMN - Recentelijk was te lezen dat de Nederlandse economie met ruim 8 procent krimpt als gevolg van de coronacrisis. Een dergelijke krimp is nog niet eerder vertoond. Logisch dat dit cijfer tot grote ongerustheid heeft geleid.

De stand van de economie is nu eenmaal van uitzonderlijk belang. Zonder een goed draaiende economie is er onvoldoende werkgelegenheid, minder export, zijn er minder belastinginkomsten, enzovoorts. Onze maatschappij is rond de economie opgebouwd. We zijn ervan afhankelijk. Nu is tegelijkertijd ook het ­besef doorgedrongen dat ons economisch systeem mank gaat. Er is sprake van een beperkte waardebasis. Natuur, landschap en milieu hebben geen positieve waarde, maar worden beschouwd als kostenposten die plannen hinderen en verhinderen. Maatregelen ter bescherming kosten geld en beperken de ruimte voor ondernemers. Bovendien veronderstelt ons economisch systeem groei. Een bedrijf dat de omzet niet ziet toenemen kan op kritische vragen rekenen van de bank. Groei is noodzakelijk voor de continuïteit.

Molen

De jachtigheid die dat met zich meebrengt leidt tot toenemende klachten op sociaal terrein. Mensen raken overwerkt of vinden dat ze zijn gereduceerd tot raderen in een molen die alsmaar sneller moet draaien. Tijd is geld. In de landbouw zie je de onmacht van ondernemers die enerzijds moeten groeien en tegelijkertijd met steeds meer beperkingen te maken krijgen. Ons voedselsysteem is geheel uit balans. Mensen raken vervreemd van hun voedsel. In plaats van te klagen over een krimp van 8 procent zouden we ons ook de vraag kunnen stellen of niet de economie het probleem is maar dat we de oorzaak bij onszelf moeten zoeken. Ons wereldbeeld dat economisch is georiënteerd voldoet niet meer. De wereld protesteert tegen de wijze waarop we met de wereld omgaan. We zijn vastgelopen. Maar in plaats van er lering uit te trekken en de signalen op te vangen, blijven we doorlopen op een pad dat eindeloos is.

Steeds meer is nooit genoeg

Het is een pad van steeds meer, steeds groter, steeds sneller, steeds jachtiger. We verwachten zo tot oplossingen te komen. Bij de volgende bocht komt wellicht het einddoel in zicht. Maar telkens weer blijken er nieuwe bochten te komen. Steeds meer is nu eenmaal nooit genoeg. En dus blijven we elkaar dwingen door te lopen in een richting waarvan we weten dat we onze bestemming niet zullen bereiken. We zijn slim genoeg om telkens nieuwe technologie uit te vinden, maar ook te dom om van richting te veranderen. We wensen niet in de spiegel te kijken, mogelijk omdat we dan worden geconfronteerd met onze eigen domheid. En als we het wel doen schrikken we van onszelf en geven we de spiegel de schuld. Het probleem is dat domheid de neiging heeft zichzelf te herhalen. We zitten op allerlei manieren eraan vast. We willen wellicht anders, maar zijn niet in staat om uit de tredmolen te stappen. De meerderheid wil groei. We willen zelf alsmaar meer inkomen omdat onze consumptiewensen onuitputtelijk zijn. We willen alsmaar sneller, ook al rennen we in de verkeerde richting. We zijn tegen bescherming van ons leefmilieu, omdat regels ons ­beperken een doel na te streven dat we nooit zullen bereiken.

Krimp

De signalen dat we de oorzaak moeten zoeken bij het beeld dat we ons van de wereld hebben gevormd, zijn ruim en permanent aanwezig. Maar die signalen worden niet opgepakt, ontkend en gemanipuleerd, zodat ze minder belangrijk worden. Wordt het niet tijd dat we de schuld bij onszelf zoeken? En een economisch systeem ontwerpen dat het kwetsbare beschermt in plaats van het onder druk te zetten? En dus geen genoegen nemen met een rapport met daarop een 10 voor vlijt en een 3 voor begrijpend lezen en luisteren. En dus krimp als oplossing van het probleem gaan zien.

Thieu Wagemans is raadslid in Leudal

***************************

Een andere kijk op orde en chaos. Deel VI: Het domein van de wetenschap

Civis Mundi Digitaal #101

door Mathieu Wagemans     www.ontganiseren.nl


Inleiding

Aan de wetenschap hebben we veel te danken. Denk aan terreinen als gezondheidszorg, vervoer, de chemie of de landbouw. Tegelijkertijd is de wetenschap nooit onomstreden geweest. Nieuwe technologie levert bijvoorbeeld vragen van ethische aard op. Moeten we alles willen wat we technologisch kunnen? Heeft de wetenschap niet bijgedragen aan vervreemding? Is de technologie niet de oorzaak geworden van een technologisch bepaald wereldbeeld waarin de mens zichzelf maar moeilijk kan terugvinden?

Maar ook intern is de beoefening van de wetenschap lang niet onomstreden. Zo heeft het aanvankelijke beeld van Descartes aanleiding gegeven tot groeiende kritiek. Het beeld dat de wetenschap vanuit een onafhankelijke positie in staat is tot eenduidige kennis te komen over de werkelijkheid is gaandeweg steeds meer omstreden geworden. Positivistische opvattingen werden terzijde geschoven ten gunste van constructivistische benaderingen. Wat we voor werkelijkheid houden zijn holistische beelden van de werkelijkheid. Dat relativeerde de betekenis van de wetenschap. Het beeld dat de wetenschap onbetwijfelbare kennis oplevert werd niet langer houdbaar geacht. Dat heeft ook gevolgen voor het beroep dat op de wetenschap wordt gedaan bij meningsverschillen.

De veronderstelling is dan dat de wetenschap een uitspraak kan doen over de juistheid van uiteenlopende standpunten. Die veronderstelling is hardnekkig. Dat zien we in de politiek maar ook bijvoorbeeld in de rechtspraak. Ingeval sprake is van strijdigheid van beweringen van conflicterende partijen kan een rechter een beroep doen op wetenschappelijk onderzoek. Dat moet dan het gelijk van de ene en het ongelijk van de andere partij aantonen. Veroorzaakt de ene partij overlast voor de ander? Is er sprake van schade die herleidbaar is tot het gedrag of juist nalatigheid van een partij? Is in een strafproces de verdachte geheel of deels toerekeningsvatbaar? Is er kans op recidive? Die rol van de wetenschap is niet langer onomstreden. Ook rond de coronacrisis is regelmatig te lezen en te horen dat een uitspraak van een wetenschapper ook slechts het karakter heeft van een visie te midden van vele andere visies van andere wetenschappers. Oppervlakkig heet het dan dat wetenschappers ook maar mensen zijn en dat resultaten van onderzoek ook “slechts” het karakter van opvattingen hebben. Bij een andere opzet van het onderzoek zouden de resultaten wel eens heel anders kunnen uitvallen. Datzelfde deed zich voor rond de stikstofcrisis.

We willen in dit Deel VI de wetenschap benaderen met als insteek het wereldbeeld dat eraan ten grondslag ligt. Dat doen we door eerst de bestaande praktijk als uitgangspunt te nemen, daarover kritisch te reflecteren en vervolgens een alternatief wereldbeeld te schetsen en de rol van de wetenschap daarin te verkennen. We beginnen met een korte schets van het constructivisme en zullen aansluitend vanuit dit perspectief de bestaande praktijk van wetenschapsbeoefening bezien.

Constructivisme

Uitgangspunt van het constructivisme is dat we de werkelijkheid slechts kunnen benaderen door er betekenis aan te geven. Die betekenissen zijn geen onderdeel van de werkelijkheid maar zitten in de mens zelf. Er is dus geen sprake van een onafhankelijke waarneming. De waarneming is gekoppeld aan het perspectief van de waarnemer. Afhankelijk van de bril van de waarnemer toont de werkelijkheid zich aan hem. Vertrekkend vanuit die basis kan de conclusie slechts zijn dat de waarheid afhankelijk is van de betekenis die de waarnemer geeft aan de werkelijkheid. Of anders gezegd, conclusies zijn slechts geldig binnen het perspectief dat de waarnemer kiest. Zo beschouwd is het beeld dat de wetenschap vanuit een onafhankelijke positie eenduidige en ware kennis voortbrengt onhoudbaar. Waarheid is vanuit een dergelijke visie perspectief-gerelateerd.

Gevolg is ook dat er geen strikt onderscheid meer kan worden gemaakt tussen subject en object. Wanneer we slechts in staat zijn de werkelijkheid te leren kennen door er betekenis aan te geven, is er niet langer sprake van een objectieve werkelijkheid. Wat we voor werkelijkheid houden zijn beelden van de werkelijkheid. Ook speelt mee dan de waarneming zelf de werkelijkheid beïnvloedt. De waarnemer staat niet onafhankelijk ten opzichte van de werkelijkheid.

Eisen aan wetenschappelijkheid

We stellen eisen aan wetenschappelijk onderzoek. Het traditionele beeld is dat wetenschappelijk onderzoek ware kennis moet voortbrengen. Dat stelt eisen aan wetenschapsbeoefening. Het vraagt een onafhankelijke positie van de onderzoeker ten opzichte van de werkelijkheid. Die stelling is vanuit het perspectief van het constructivisme niet vol te houden. Object en subject zijn in elkaar vervlochten. Nicolescu drukt dat beeldend uit door te stellen dat we om tot zuivere objectiviteit in staat te zijn het subject moeten doden. (Nicolescu 2010) stelt. Anders gezegd: objectiviteit is altijd gesubjectiveerde objectiviteit.

Naast een onafhankelijke positie stellen we eisen aan het wetenschappelijk onderzoek zelf. Waarheid kan grofweg worden verkregen langs twee wegen: toetsing van beweringen aan de empirie en toepassing van wetenschappelijk aanvaarde methoden. We gaan op beide benaderingen in.

Toetsing

Een veel gebruikte benadering in wetenschappelijk onderzoek is dat we op basis van een redenering een veronderstelling formuleren. Die toetsen we vervolgens aan de praktijk. Wordt de hypothese bevestigd dan beschouwen we het resultaat als een toevoeging aan bestaande kennis. Echter, bevestiging via toetsing aan de empirie betekent niet dat de onderliggende redenering die tot de formulering van de hypothese heeft geleid, wordt bevestigd. Processen kunnen heel anders verlopen dan zoals wordt verondersteld in de hypothese.

Vanuit het gezichtspunt van het constructivisme toetsen we een geconstrueerde veronderstelling aan een constructie van de werkelijkheid en claimen vervolgens bij bevestiging van de hypothese daarmee ware uitkomsten te hebben gevonden. Echter, het is geconstrueerde waarheid. Onze constructie van de werkelijkheid dient als toetssteen. Het houdt het risico in van zelfbevestiging. Ons perspectief op de werkelijkheid kan c.q. zal van invloed zijn op de formulering van de hypothese die we vervolgens toetsen aan ons perspectief op de werkelijkheid.

Methoden

Een tweede weg om tot wetenschappelijk verantwoorde resultaten te komen betreft de gevolgde methode bij het wetenschappelijk onderzoek. Onderzoek moet systematisch en consistent tot stand komen. In enkele disciplines zoals de culturele antropologie en de psychologie zijn de eisen minder strak. Dat geldt in het algemeen wanneer sprake is van participerende observatie. Maar ook dan is er een streven naar systematiek en consistentie. Een voorbeeld vormt de gefundeerde theoriebenadering (Grounded Theory) van Glaser en Strauss. Uitgangspunt daarbij is dat als een onderzoek is verlopen met behulp van door het wetenschappelijk forum breed geaccepteerde methoden, de resultaten van het onderzoek daardoor worden gelegitimeerd als wetenschappelijk.

De wijze waarop wetenschappelijk onderzoek moet plaatsvinden is echter vrijwel steeds onderwerp van discussie en kritiek geweest. Zo uitte Feyerabend kritiek op de rigiditeit van methoden. Die zou de totstandkoming van wetenschappelijke kennis juist hinderen. Kuhn stelde dat er niet altijd sprake is van een min of meer regelmatige groei van wetenschappelijke kennis. Daarvan is alleen sprake in perioden van “normale’ wetenschap. Bij wetenschappelijke “revoluties” zijn er doorbraken en paradigmaveranderingen. Latour concludeerde op basis van antropologisch onderzoek dat de praktijk van wetenschappelijk onderzoek veel minder systematisch verloopt dan verondersteld. Er is bijvoorbeeld sprake van een machtsveld. Anders gezegd, wetenschappers onderscheiden zich in hun praktisch handelen niet van mensen buiten de wetenschap.

Uitsluitend karakter van de wetenschap

Vanuit een constructivistisch perspectief is kritiek mogelijk omdat onderzoekopdrachten, onderwerpen en vraagstellingen op zichzelf al uiting zijn van een bepaalde kijk op de werkelijkheid. Om een onderzoek te laten verlopen conform door het wetenschappelijk forum geaccepteerde methoden is vaak een herformulering van de onderzoekopdracht nodig. Overigens is het wetenschappelijk forum ook niet steeds eenduidig. Er kan sprake zijn van verschillen in opvatting. Hoe dan ook, de werkelijkheid wordt aangepast opdat die wetenschappelijk kan worden onderzocht. Dat is een merkwaardige paradox. We willen kennis verwerven over de werkelijkheid maar dat is slechts mogelijk doordat we eerst de werkelijkheid aanpassen aan de voorgeschreven methode en dus als het ware in een methodisch keurslijf persen.

We moeten eerst de werkelijkheid geschikt maken voor onderzoek en wel zodanig dat we kunnen voldoen aan de wetenschappelijke eisen. De eisen en daaruit afgeleide methoden zijn niet langer instrument van onderzoek maar ze worden bepalend en beheersen de werkelijkheid. Het instrument van de methode word regisseur van het onderzoek. Consequentie daarvan is dat conclusies op basis van het onderzoek slechts geldigheid hebben binnen het aangepaste beeld van de te onderzoeken werkelijkheid. Dat kan een belangrijke oorzaak zijn van kritiek dat resultaten van wetenschappelijk onderzoek vaak weinig relevantie hebben voor de praktijk van beleidsvorming. Beleidsmedewerkers hebben te maken met een gekleurde en steeds veranderende werkelijkheid die door onderzoekers omwille van methodische eisen wordt “vastgezet” om tot eenduidige conclusies te komen die vervolgens relevantie missen voor de beleidspraktijk. In gelijke zin geldt overigens dat iedere opdrachtformulering eveneens kan worden opgevat als uitdrukking van een perspectief op de werkelijkheid.

Het komt erop neer dat onze aanpak in de wetenschap bron is van buitensluiting en reductionisme. Wat we niet kunnen bereiken via onze methoden blijft buiten onze blik. Die werkelijkheid is er wel maar toont zich niet. Vanuit een positivistisch perspectief leidt onderzoek tot zekere en onbetwistbare kennis binnen het gekozen perspectief en mits de methoden correct worden toegepast. Er is dan geen aanleiding tot twijfel over de uitkomsten. Die twijfel hebben we buitengesloten doordat we de werkelijkheid hebben gereduceerd tot een kenbare en meetbare werkelijkheid. Gevolg is dat de zekerheid van de onderzoekresultaten geconstrueerde zekerheid is. We hebben die zekerheid verankerd in institutionele structuren. De wetenschap als producent van zekere kennis dankzij het vertrekpunt dat we de werkelijkheid hebben aangepast aan onze methoden en daaraan ten grondslag liggende veronderstellingen.

Analytisch

Ook is er kritiek op de analytische benadering die de wetenschap kenmerkt. We onderscheiden aspecten aan vraagstukken die we vervolgens afzonderlijk onderzoeken. Daarmee doen we echter geen recht aan het wezen van de vraagstukken waarmee we te maken hebben. Die kennen vaak een interne samenhang die zich niet laat ontleden. Anders gezegd, het risico bestaat dat we problemen geweld aandoen. Onze drang naar ordening is zo sterk dat we verschillen “weg” ordenen en daardoor niet doordringen tot de kern ervan. Of we creëren ze doordat we aspecten onderscheiden en daarmee geen recht doen van vraagstukken. We vormen ons zo een beeld van de werkelijkheid dat de werkelijkheid gebrekkig weergeeft.

Baudrillard gaat nog een stap verder met zijn begrip “hyperrealiteit”. Hij wijst op het gevaar dat we beelden van de werkelijkheid construeren die geen enkele relatie meer hebben met de werkelijkheid maar die we wel voor “werkelijk” houden. Ze hebben werking. Massamedia en internet kunnen beelden ingang doen vinden die breed worden gedeeld maar weinig of niets met de werkelijkheid te maken hebben. Ze zweven in een imaginaire ruimte.

Met betrekking tot verschillen pleit Deleuze ervoor dat we die op hun betekenis onderzoeken. Dat betekent concepten zoeken die in staat stellen tegenstellingen te overbruggen die we nu georganiseerd en dus vanzelfsprekend in stand houden.

Disciplinair

Die analytische en dus splitsende houding is ook kenmerkend voor het wetenschappelijk systeem zelf. Het domein van de wetenschap is langs disciplinaire lijnen gestructureerd met per discipline deeldisciplines. Dat ordeningsprincipe vormt de basis voor een op specialisatie gerichte structuur. Het stelt in staat onze kennis steeds verder te specialiseren. Onze kennis wordt steeds gedetailleerder. We weten steeds meer over steeds minder. Analytisch onderscheiden we steeds meer aspecten die we vervolgens op aspectniveau onderzoeken.

De maatschappelijke werkelijkheid confronteert ons echter met vraagstukken die we weliswaar naar aspecten kunnen onderscheiden maar een aspectbenadering blijkt lang niet altijd tot kennis te leiden die werking heeft. Vanuit een disciplinair perspectief blijven er delen van de werkelijkheid buiten beeld. Dat probleem is niet oplosbaar door de optelsom van disciplinaire perspectieven. Multidisciplinaire benaderingen zijn nodig maar onvoldoende. We moeten een stap verder gaan door de ruimte TUSSEN de disciplines te onderzoeken. Dat lukt niet door disciplinaire benaderingen verder te verfijnen. We kunnen ook niet volstaan met uitwisseling van disciplinaire kennis tussen disciplines, zoals interdisciplinair onderzoek wel eens wordt omschreven. We hebben nieuwe concepten nodig om tot nieuwe verbindingen te komen tussen disciplines. Dergelijk interdisciplinair onderzoek komt in de buurt van wat transdisciplinair onderzoek wordt genoemd. Transdisciplinair onderzoek kan betrekking hebben op onderzoek waarbij ook kennis wordt benut van andere domeinen dan de wetenschap maar hier doelen we vooral op onderzoek waarbij een perspectief gekozen dat meer globaal en holistisch is dan disciplinair onderzoek. Dat pleit voor integratie van disciplinaire perspectieven.

Een ander wereldbeeld

We kunnen de noodzakelijke veranderingen duiden als veranderingen binnen de wetenschap maar in de kern komt het er op neer dat we een ander wereldbeeld nodig hebben waar we wetenschap op baseren. De noodzakelijke verandering betreft niet een andere positionering vanuit de wetenschap tegenover de maatschappelijke werkelijkheid maar we moeten ons een ander beeld van de werkelijkheid vormen. In het kader van dit artikel kunnen we, gebaseerd op het constructivisme, slechts de contouren aangeven van een ander wereldbeeld.

Uitgangspunt daarbij is dat de natuurlijke toestand er een is van wanorde. De wanorde is het normale. Het negatieve beeld dat wanorde oproept vormde de basis voor ons streven naar ordelijkheid. We willen overzicht en ordelijkheid en dus vormen we ons ordelijke beelden van de werkelijkheid. Maar door orde aan te brengen zijn we zelf de constructeurs van wanorde. Door het centraal stellen van ordelijkheid hebben we structuren geconstrueerd die drager van invloed en energie zijn geworden. Ze hebben werking en zijn bepalend voor onze routines en praktijken. De ordeningen hebben “agency” in de termen van Latour. We hebben een wereldbeeld geconstrueerd dat wordt gedragen door definities. De definitie van een innovatief idee bepaalt of een voorstel wel of niet in aanmerking kot voor subsidie. De definitie van een strafbaar feit bepaalt of een handeling strafbaar is of niet. De definitie van een bouwwerk bepaalt of er voor een verzameling stenen wel of niet een vergunning nodig is. Het is een gecreëerde afbeelding van ordelijkheid van een in wezen wanordelijke wereld.

Een nieuw wereldbeeld dient ruimer te zijn dan het materialistische en instrumentele beeld dat thans dominant is. Het moet in staat stellen tot thematisering van betekenisgeving en bewustzijn. Introductie van betekenisverlening houdt in dat de processen van betekenisverlening en de krachten die daarop van invloed zijn aandacht krijgen als wezenlijk binnen het wereldbeeld. Betekenisgeving stelt ook in staat tot thematisering van bewustzijn en het onderkennen van niveaus van bewustzijn. Dat roept vragen op over hoe dergelijke dimensies van een geheel andere orde kunnen worden gecombineerd in een overstijgend wereldbeeld. Een interessante poging doet Ransijn in een artikel over een verenigde veldtheorie van de natuur en het bewustzijn. (Ransijn, 2014) Van Eijk onderscheidt, verwijzend naar Ransijn, niveau’s van bewustzijn. (van Eijk, 1998). Komen (2016) formuleert enkele vragen die illustratief zijn voor een totaal ander kader voor wetenschapsbeoefen

Is er een onderscheid tussen energie en bewustzijn?

- Is bewustzijn gelijk aan energie?

- Als bewustzijn energie is, is het dan materiële of immateriële energie?

- Wat is bewustzijn?

Probleem is dat het construeren van een perspectief dat allesomvattend is en dus transdimensionaal een ingewikkelde opgave is en in ieder geval ook onmogelijk binnen bestaande begrippen. Er is primair voorstellingsvermogen nodig. Die opgave valt buiten het kader van dit artikel. We volstaan met het ruimtelijk beeld van de werkelijkheid in herinnering te brengen zoals omschreven in een recent artikel. (Wagemans, 2019)

Ruimtelijk en energetisch

Het is een zowel ruimtelijke als energetische voorstelling die gebaseerd is op het constructivisme. De wereld als een ruimte waarin betekenissen door elkaar bewegen, waarin feiten en meningen dragers zijn van energie, waarin betekenissen (definities) soms samenklonteren tot nevels en, nog een stap verder, verdichten en verharden tot betekeniskaders die drager zijn van onze vanzelfsprekendheden. Waarin betekeniskaders ook hun kracht kunnen verliezen, uitdoven of ontbinden en worden vervangen door nieuwe betekeniskaders. Een betekeniskader kan worden opgevat als een discours, en min of meer samenhangend complex van uitgangspunten, veronderstellingen en culturele posities dat zijn uitdrukking vindt in taal, verbanden en praktijken. Verandering van betekeniskader is daardoor ingrijpend. Dergelijke veranderingen in de wetenschap worden door Kuhn geduid als paradigmawisselingen die het karakter hebben van revoluties. Het vanzelfsprekende wordt ingewisseld voor andere vanzelfsprekendheden die overigens eveneens uitsluitende werking hebben. Ook is er sprake van bronnen van betekenisloosheid. Zoals overheid en rechtspraak die op basis van vaststaande en voorgeschreven definities buitensluiten wat niet binnen het in wetten en regels vastgelegd betekeniskader past. Of neem onze organisaties die voornamelijk gebaseerd zijn op rationaliteit en daardoor geen onderkomen bieden aan het irrationele. Onze ordeningen fungeren dus tegelijkertijd als zwarte gaten die werkelijkheid buitensluiten en vernietigen, althans betekenisloos maken.

Het is een wereldbeeld waarin definities en betekeniskaders door elkaar bewegen in een nauwelijks te ontwarren kluwen en waarin sprake is van voortdurend veranderende betekenissen en verhoudingen tussen betekenissen en betekeniskaders. Die dynamiek is een wezenlijk kenmerk van het wereldbeeld. We kunnen beelden van de werkelijkheid onderzoeken maar dergelijke beelden zijn dynamisch. En dus moet ook het onderzoek dynamisch van opzet zijn. Dat wijkt nogal af van de bestaande wetenschapspraktijk, zeker op sociologisch terrein, waarin we vaak statische situaties met elkaar vergelijken maar minder aandacht hebben voor de onderliggende dynamiek. Dan beroven we de werkelijkheid van zijn dynamiek die wezenlijk is om tot inzicht te komen. Dynamiek vatten we dan op als een opeenvolging van statische situaties. Dan doen we geen recht aan de dynamiek. Aan de orde is dat we de interne krachten onder de dynamiek identificeren en de werking ervan onderzoeken. Hoe gaat de stolling van betekenissen in betekeniskaders in zijn werk? Waarom stollen bepaalde situatiedefinities en worden ze hard terwijl andere situatiedefinities aan betekenis verliezen. Hoe verlopen processen van betekenisgeving, van stolling en uitdoven? En zijn er nog andere zwarte gaten in onze moderne samenleving waarin verdwijnt wat eerder als betekenisvol werd beleefd? Anders gezegd, hoe verloopt de productie van betekenisloosheid?

De ruimtelijkheid van het voorgestelde wereldbeeld is niet nieuw. In een artikelenserie in Civis Mundi in 2020 belicht Ransijn de denkwereld van Teilhard de Chardin waarin ruimtelijkheid een belangrijke rol speelt. Zie ook Gidley (2007). Ruimtelijkheid als invalshoek stelt in staat ons los te maken van het hier en nu en tot reflectie vanuit een externe positie. Er is sprake van een hoger abstractieniveau van waaruit huidige praktijken in bredere kaders kunnen worden geplaatst en bovendien dynamiek kan worden gethematiseerd.

Een dergelijk beeld stelt ook in staat een koppeling te maken tussen betekenis en energie. Situaties en gebeurtenissen worden met energie beladen naar de mate dat definities ervan krachtiger en breder worden gedeeld. Opvattingen kunnen langs die weg de status van vanzelfsprekendheden bereiken. Ze hoeven niet meer bevraagd te worden in termen van waar of onwaar. Ze zijn harde materie geworden. Rotsen waar twijfel op te pletter slaat. Het constructiekarakter ervan is uit het beeld verdwenen. Onze drang naar zekerheid heeft onzekerheid uitgebannen. We realiseren ons niet meer dat juist onze behoefte aan zekerheid onzekerheid heeft verbannen. Die is er wel maar door die buiten ons gezichtsveld te plaatsen en betekenisloos te maken kunnen we onze illusie van zekerheid overeind houden. We noemen dat vooruitgang maar het is vooruitgang bij de gratie van onze blikvernauwing.

Veranderingsopgaven

De vraag is aan de orde wat verandering van wereldbeeld betekent voor de wetenschap? Verandering van perspectief heeft diepgaande consequenties en kan allerminst worden opgevat als een incidentele interventie. In wezen is aan de orde de spanning tussen de werkelijkheid en het perspectief waarmee we die werkelijkheid benaderen. Processen van modernisering die het leven de laatste 200 jaar ingrijpend hebben veranderd waren terug te voeren op een perspectiefwijziging die door vooral Descartes in gang is gezet. Wij plooiden de wereld naar het nieuwe perspectief. Maar de werkelijkheid kan niet worden gelijkgesteld met het beeld dat we ons ervan vormen. De onderliggende werkelijkheid zoals die “is” reageert wanneer we door ons perspectief verwachtingen wekken die niet realistisch zijn. Bijvoorbeeld doordat ze de werkelijkheid overvragen. Dan volgt er reactie zoals we thans op tal van punten kunnen waarnemen. Wanneer de aarde zich niet wenst te plooien naar onze beelden kunnen signalen lange tijd niet worden opgemerkt omdat ons perspectief dominant is. En als signalen worden opgevangen kunnen ze worden geïnterpreteerd als incidenten in plaats van als symptomen van systeembreuken. De onderliggende vraag is wie de sleutel van verandering in handen heeft. Blijft ons uitgangspunt dat de wereld zich heeft aan te passen aan ons perspectief of zijn we zelf aan zet door van perspectief te veranderen? In het laatste geval zijn een aantal veranderingen aan de orde.

Wetenschap ter discussie

Allereerst is nodig dat we de zelfstandige positie van de wetenschap en het achterliggend wereldbeeld ter discussie stellen. Kennis en kennisverwerving is het doel om bestaansrecht van de wetenschap. Het beeld dat ware kennis slechts via wetenschappelijk onderzoek kan worden verkregen. Alsof de wetenschap het alleenrecht heeft op waarheid. Dat beeld is gaandeweg onderwerp van discussie geworden. Kennis is niet aan wetenschappers voorbehouden. Aan de orde is dat alledaagse ervaringskennis wordt geherwaardeerd. Livinglabs als voorbeeld. Living labs stellen in staat de verhouding opnieuw te bezien tussen wetenschappelijke kennis en ervaringskennis. Living labs als medium waarin vervlechting van kennis kan plaatsvinden en constructie van nieuwe begrippen. Scheidslijnen doorbreken, zowel binnen het wetenschappelijk domein met betrekking tot disciplines en daarop gebaseerde structuren, als in de relatie tussen de wetenschappelijke wereld en de alledaagse werkelijkheid van burgers. Het vraagt een pluralistische visie perspectief die is aan te treffen bij Feyerabend. Vergelijk ook het onderscheid tussen systeem- en leefwereld bij Habermas.

Bovendien is de relatie tussen kennis en creativiteit aan de orde. Het beeld als zou enkel alsmaar meer wetenschappelijk onderzoek automatisch tot meer relevante kennis leiden is achterhaald, althans gebrekkig. Dan verzamelen we steeds meer kennis binnen het perspectief van wetenschappelijkheid. De opgave voor de wetenschap is eerder om nieuwe perspectieven te construeren waardoor de wereld anders aan ons verschijnt. Die constructie van nieuwe perspectieven bereik je niet zozeer door met nog meer precisie en systematiek wetenschappelijk onderzoek te doen. Er is vooral fantasie nodig. En ook die creativiteit kan niet exclusief worden geclaimd door de wetenschap. Nieuwe perspectieven construeren en die doordenken op hun consequenties vraagt primair voorstellingsvermogen en geen gedetailleerd zoeken naar verfijning van resultaten met nog meer cijfers achter de komma.

Het bovenstaande kan worden opgevat als een pleidooi voor een transformatie van ons wetenschappelijk systeem waarbij veranderingsopgaven betrekking hebben op de structuur, de methode en de waardering van de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek, het resultaat dus.

Transdisciplinair denken vraagt nieuwe concepten

Om tot een nieuw perspectief te komen is nodig dat we tot nieuwe concepten komen. We kunnen niet volstaan met bestaande concepten omdat die niet alleen problemen hebben veroorzaakt maar die ook in stand houden. We kunnen ook niet volstaan met compromissen op operationeel niveau. Dan houden we de onderliggende problemen in stand. Wanneer we ons anders moeten gaan verhouden tot onze natuurlijke omgeving kunnen we de thans bestaande spanningen tussen een economisch gedreven landbouw en duurzaam beheer van natuur, landschap en milieu niet bereiken door het prikkeldraad te verplaatsen tussen landbouwpercelen en natuurterreinen. Dan houden we de tegenstellingen in stand in plaats van tot verbindingen te komen op basis van nieuwe concepten. Het zijn redeneringen die enkel als effect hebben dat we onszelf ervan overtuigen dat er geen ingrijpende maatregelen nodig zijn. Er zijn verdiepende beschouwingen nodig. Het gaat erom nieuwe perspectieven op basis van nieuwe betekeniskaders te ontwerpen waarbij we ons blijven realiseren dat ieder perspectief een uitsluitende en inperkende werking heeft.

Wanneer we kennis ontwikkelen is dat, bezien vanuit het constructivisme, altijd perspectief gebonden kennis. Voor de wetenschap houdt dat in dat we veiligheidszone van het positivisme verlaten en permanent moeten accepteren dat de kennis die we verwerven noodzakelijkerwijs slechts geldigheid heeft binnen het gekozen perspectief. In plaats van te verblijven binnen de zelf geconstrueerde veiligheidszone met daarin geconstrueerde zekerheden moeten we die verlaten en onbekend gebied moet betreden. Dat houdt weer de bereidheid in onzekerheid als permanente metgezel te aanvaarden.

Een ander perspectief vraagt ook dat we onze disciplinaire werelden verlaten en tot verbindingen komen. Dat is geen veroordeling van het disciplinaire denken maar eerder een pleidooi om naast het disciplinaire te kiezen voor een disciplines overstijgende vraagstelling. Dat vraagt een andere methodologie. Er is de laatste decennia sprake van tal van pleidooien en initiatieven maar van een uitgewerkte methodologie is nog geen sprake. Het is een zoekproces dat wellicht nooit tot een definitief eindresultaat kan en mag komen. Tevredenheid is een verdachte houding voor wetenschappers.

Werking in plaats van waarheid

Nodig is ook dat we tot een nieuw waarderingskader komen van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek. Er zijn andere criteria voor wetenschappelijkheid nodig. Waarheid als absoluut begrip opvatten met een strak onderscheid tussen waar en onwaar kan vanuit een constructivistisch perspectief niet worden onderbouwd. Waarheid niet langer definitieve waarheid maar is perspectief gerelateerd. De pretentie van waarheid is reeds door Kant losgelaten. De werkelijkheid “an sich” is voor ons niet kenbaar. Verandering van perspectief is nodig waardoor de werkelijkheid zich anders aan ons vertoont. Een ander perspectief kan ons tot nieuw inzicht brengen, zowel met betrekking tot de werkelijkheid als met betrekking tot onze verhouding tot de werkelijkheid. Dat opent de mogelijkheid van nieuwe concepten, van een nieuw betekeniskader.

Voor het kwaliteitsgehalte van een perspectief valt te overwegen waarheid te vervangen door werking. Heeft een nieuw perspectief werking? Levert een nieuw beeld van de werkelijkheid nieuwe gezichtspunten op die ons verder helpen? Dat kan leiden tot nieuwe interventies of juist tot het afzien van interventies. Zo kan een andere houding ten opzichte van de wereld interventies ongewenst maken, bijvoorbeeld wanneer we de drang tot benutting vervangen door respect van de natuur.

Nomadisch denken en vrijheid van methoden

Verandering van betekeniskader vraagt een vrijheid van methoden. De eisen die we thans aan methoden stellen werken daarvoor beperkend en belemmerend. We kennen er absolute betekenis aan toe omdat ze maatstaf zijn voor de vraag of het onderzoek een wetenschappelijk karakter heeft en de uitkomsten bijgevolg geldig zijn. Echter, de richtingwijzers uit de bekende wereld kunnen ons niet helpen om de onbekende wereld te leren kennen die we nu door onze definiërende benadering hebben buitengesloten. Ze verwijzen naar gebaande paden maar helpen ons niet onbekend terrein te verkennen. Een verwijzing ligt voor de hand naar Deleuze en naar Feyerabend. Die pleiten voor nomadisch denken, respectievelijk pluriformiteit van methoden volgens het princiep: “Anything goes”. Overigens zou de kwantumfysica niet mogelijk zijn geweest wanneer rigide zou zijn vastgehouden aan oude denkkaders en daaraan verbonden gevestigde methoden. Intuïtie houdt zich niet aan eisen van logisch redeneren maar is daarom nog niet zonder nut.

Op zoek naar wat we als betekenisloos hebben buitengesloten moeten we onbekend terrein betreden. We moeten ons opstellen als nomaden die gevestigde betekenissen en betekeniskaders terzijde schuiven en zich er niet door laten leiden. We kiezen geen pad maar het pad ontstaat door onze voetstappen. Verblijfplaatsen ontstaan maar worden niet bewust gezocht. Dag vraagt moed. We weten niet waar we overnachten. We moeten de gelegenheden voor overnachting zelf creëren. De weg als herberg. Ook Braidotti pleit ervoor dat ons denken nomadisch moet worden. Dat betekent dat we ons los maken van voorgeprogrammeerde beelden. We zitten er te zeer aan vast. We beoordelen thans afwijkende ideeën aan de hand van bestaande ideeën. Het bestaande wordt dan maatstaf voor het nieuwe. Dat kan slechts tot reproductie leiden.

Belangrijk is ook dat we het streven naar een allesomvattend en intern consistent kader los laten en variatie accepteren. Het streven naar uniformiteit heeft echter ons denken doordesemd. We bepleiten in woorden diversiteit maar onze routines zijn er nog niet goed op ingesteld. Aan de orde is dat we de verschillen tussen betekeniskaders gaan verkennen. Daar bieden de concepten die binnen beide kaders gelden geen opstap voor. Die stellen enkel in staat de verschillen te inventariseren, er een overzicht van te maken maar daarmee dringen we niet door tot het wezen van de verschillen. Er is een benadering nodig die we aantreffen in het differentiedenken. Zoals bij Deleuze die als uitgangspunt neemt dat het wezen van elementen ligt in de relatie met andere elementen. Dat betekent dat we afstand nemen van de drang tot uniformering. Uniformering gaf ons de illusie van een wereldbeeld waarin alles logisch met elkaar samenhangt zodat we tot alles omvattende structuren konden komen. Om die illusie in stand te kunnen houden was het nodig de werkelijkheid geweld aan te doen door verschillen weg te ordenen. Een gemankeerd beeld van de werkelijkheid was nodig om tegemoet te komen aan onze misplaatste behoefte aan uniformiteit. In plaats daarvan kan het differentiedenken worden opgevat als en pleidooi voor een herwaardering van het afwijkende.

De chaos als drager van betekenis

Daarmee komen we bij de structuur van de wetenschap. De strakke ordeningen leiden tot een hard onderscheid tussen wat binnen de ordeningen past en wat erbuiten valt. Dat houdt het risico in dat we het buitengeslotene, de chaos, willen leren kennen met geldende definities die juist de bron zijn van de chaos. Daarmee doen we geen recht aan de complexiteit. We verminken de chaos en stellen ons niet open voor de betekenis van de chaos zelf en voor het signaal van de chaos. Onze zucht naar uniformering hindert ons de essentie van de chaos te leren kennen. Zo beschouwd is het probleem niet dat de wereld complex is maar dat onze denkpatronen te eenvoudig zijn. De chaos bevat de kiemen voor vernieuwing, zoals Serres stelt, maar we tonen ons er blind en doof voor. Diezelfde spanning is herkenbaar binnen het domein van de wetenschap. We houden vast aan criteria die verhinderen om nieuwe perspectieven te ontwerpen. Handelen volgens gevestigde en geaccepteerde patronen en methoden van wetenschappelijk onderzoek biedt zekerheid. In plaats daarvan moet de wetenschap onzekerheid accepteren in zoekprocessen. Het doel kan vooraf niet concreet worden geformuleerd. We zien het pas als we het bereiken.

Verbinding zoeken

Het bovenstaande kan worden opgevat als een pleidooi voor nieuwe verbindingen. Dat betreft zowel verbindingen binnen de wetenschap zelf tussen bijvoorbeeld disciplinaire domeinen die nu betrekkelijk zelfstandig functioneren als vooral ook verbindingen tussen de wetenschap en andere maatschappelijke domeinen. We gaan op beide afzonderlijk in.


1. Binnen de wetenschap

Nodig is dat de hard omgrensde disciplinaire domeinen die thans de structuur van de wetenschap voor een belangrijk deel bepalen, worden verlaten. Dat is niet zo eenvoudig als wellicht op het eerste gezicht lijkt. Wat wij onder wetenschap verstaan is voor een belangrijk deel de optelsom van disciplinaire deelsystemen die ten opzichte van elkaar bijzonderheid en eigen ruimte claimen. Niet zelden is sprake van domein gebonden opvattingen over methoden en criteria. Er zijn krachten werkzaam die erop zijn gericht de grenzen van het domein te bewaken en de toegang tot het domein te beheersen van binnenuit. Het zijn afgeschermde structuren. Het roept het beeld op van een habitus zoals bedoeld in de filosofie van Bourdieu. Het is een sociologisch verband waarbinnen mensen een gemeenschappelijk kader hebben dat hun denken en handelen bepaalt. Door zich hierbinnen te bewegen reproduceren ze tegelijkertijd het geldende kader en in wezen ook zichzelf. Het kader maakt het mogelijk binnen het verband te functioneren. Het is zo vanzelfsprekend dat men zich niet eens meer bewust is van de invloed ervan. Juist vanwege de kracht ervan kan het een forse drempel vormen om erbuiten te treden. Dat impliceert dat wat intern vanzelf spreekt niet meer wordt gerespecteerd. Het betekeniskader is niet opgelegd vanuit de externe wereld, bijvoorbeeld binnen een hiërarchische structuur, maar is een eigen constructie die eerder tot stand komt dan bewust geconstrueerd.

Er is de laatste decennia sprake van allerlei pogingen en inspanningen in de richting van transdisciplinair onderzoek maar die lopen qua benadering erg uiteen. Er is nog geen sprake van een min of meer samenhangend systeem van begrippen dat breed wordt gedeeld. Bovendien is er uiterste terughoudendheid nodig bij het streven naar een uniform begrippenkader en een nauwkeurig uitgewerkte en gestandaardiseerde methodologie. Eerder lijkt het nodig dat pluriformiteit blijvend uitgangspunt moet zijn. Het leren moet plaatsvinden in de ruimte tussen perspectieven.

Die bescherming van disciplinaire structuren kan in constructivistische termen worden opgevat als een machtsstrijd tussen discoursen. Of nog preciezer als een strijd tussen vanzelfsprekendheden die een discours beheersen en de processen die vanzelfsprekendheden construeren.

De binnen een discipline geldende definities en methodes zijn in het eerder geschetste wereldbeeld echter hard. Het zoeken naar verbindingen tussen disciplines maakt het noodzakelijk ze vloeibaar te maken. Dat kan door de eraan ten grondslag liggende veronderstellingen onderwerp van discussie te maken. Die moeten vloeibaar worden zodat ook het buitensluitend karakter ervan expliciet in beeld wordt gebracht. De institutionele verankering van het binnen een discipline geldende betekeniskader maakt dat echter lastig.

2. Verbindingen tussen wetenschap en de wereld buiten de wetenschap

Niet alleen de domeinen binnen de wetenschap kennen een eigen regime en discours. Dat geldt ook voor de wetenschap als geheel ten opzicht van de maatschappij. Verbindingen zoeken is lastig. Daarbij moeten we ons realiseren dat niet alleen de wetenschap uit- en buitensluitend werkt. Diezelfde krachten zijn ook aan de orde binnen andere maatschappelijke systemen. We noemden reeds overheid en rechtspraak. (Wagemans, Over systemen, ordenen, lekkages en uitsluiten. Een beschouwing vanuit het perspectief van betekenisgeving, Civis Mundi #88)

Er zijn diverse pleidooien om die verbindingen te leggen. Een warm pleitbezorger is Michel Serres die, evenals Feyerabend, kritisch staat ten opzichte van de scherpe scheidslijnen tussen wetenschap en andere maatschappelijke sectoren. Concreet gaat het om verbindingen tussen bijvoorbeeld wetenschap en het domein van de kunst en cultuur. Of tussen wetenschap en sectoren als economie en natuur. Het construeren van dergelijke verbindingen vraagt een holistisch perspectief waarin niet wordt gezocht naar wat onderscheidend is maar naar wat verbindt. In de terminologie van Serres: we moeten de eilandenstructuur achter ons laten en expedities op de oceaan ondernemen.

Verbindingen leggen vraagt ontvankelijkheid voor wat in eigen kring betekenisloos is. Ik roep het geschetste wereldbeeld in herinnering van een werkelijkheid als een ruimte waarin definities en betekeniskaders bewegen. Een verwijzing is op zijn plaats naar het begrip assemblages bij Deleuze. Elementen die verbanden aangaan waarvan de samenstelling voortdurend kan veranderen. Of het translatiebegrip bij Latour. De betekenis van een element kan veranderen door de relatie die het aangaat met andere elementen. We moeten als het ware eerst elementen van de betekenis ontdoen die we eraan hebben gegeven waarna ze in relatie tot en met andere elementen een nieuwe identiteit kunnen krijgen. Dat kan leiden tot geheel nieuwe verzamelingen en begrippen die niet passen binnen het dominante betekeniskader en die juist daarom van waarde kunnen zijn. Het afwijkende is bepalend voor de identiteit.

Ontvankelijkheid vraagt dat we hardheid van bestaande definities aantasten. Het geldende betekeniskader moet vloeibaar en kneedbaar worden. De hardheid van onze definities dient niet meer omdat die moderniteit in stand houdt die verandering belemmert. Die hardheid bood weliswaar zekerheid maar het is een schijnzekerheid. Gevolg is dat we houvast kwijtraken en dus onzekerheid moeten accepteren. Verandering hoeft niet te betekenen dat we oude hardheid vervangen door nieuwe hardheid. Wellicht is vloeibaarheid kenmerk van de nieuwe samenleving: permanent verschuivende panelen met slechts een harde kern van beperkte omvang. Die heeft dan betrekking op onmisbare functies zonder welke een samenleving niet kan functioneren. Er moeten nu eenmaal belastingen worden geïnd en conflicten worden beslecht. Die vloeibare samenleving kent risico’s zoals Bauman die beschrijft maar die moeten deels worden geaccepteerd. Die zijn niet te vermijden wanneer we onbekend gebied betreden. Er moet ruimte zijn voor verrassing en verbazing. Wensen we die niet, dan heeft het geen zin om op weg te gaan. Dan kiezen we voor het verblijf op gebaande paden die geplaveid zijn met vanzelfsprekendheden.

Literatuur

Bauman, Zygmunt, Vloeibare tijden, Leven in een eeuw van onzekerheid, Klement Uitgeverij, 2018

Bourdieu, P. (1984). Distinction: A Social Critique of the Judgement of Taste, London, Routledge

Deleuze, Gilles, Verschil en herhaling, Boom Uitgevers, 2011

van Eijk, Toon, Farming Systems Research and Spirituality. An analysis of the foundations of professionalism in developing sustainable farming systems, PhD thesis, Wageningen, 1998

Feyerabend, Paul, Tegen de Methode, Lemniscaat, 2008

Gidley, J., The Evolution of Consciousness as a Planetary Imperative: an Integration of Integral Views, in: Integral Review: A Transdisciplinary and Transcultural Journal for New Thought, Research and Praxis, 2007, nr 5.

Glaser, B. & Strauss, A., The discovery of grounded theory. Strategies for qualitative research. Chicago: Aldine Publishing Company, 1967

Komen, Hans, Wat is bewustzijn? Het bewustzijnsbegrip door de eeuwen heen in filosofie en psychologie, Deel 1, Civis Mundi Digitaal nr 40, 2016

Kuhn, Thomas, The Structure of Scientific Revolutions, University of Chicago press, 1970

Latour Bruno & Woolgar Steve, Laboratory life: the social contruction of scientific facts, Parijs, La Découverte, 1979

Latour, Bruno, Serres, Michel, Conversations on Science, Culture and Time, University of Michigan Press, 1995

Nicolescu, Basarab, Methodology of Transdisciplinarity – Levels of Reality, Logic of the Included Middle and Complexity, in: Transdisciplinary Journal of Engineering & Science Vol: 1, No:1, (December, 2010), pp.19-38

Ransijn, Piet, Dichter bij de wetenschap, een complementaire visie, Deel 3: Dichter bij een verenigende veldtheorie van de natuur en het bewustzijn, Civis Mundi, nr 27, 2014

Smith, Richard & Clarke, David, Jean Baudrillard: From Hyperreality to Disappearance: Uncollected Interviews, Edinburgh University Press, 2015

Wagemans, Mathieu, Over systemen, ordenen, lekkages en uitsluiten. Een beschouwing vanuit het perspectief van betekenisgeving, Civis Mundi Digitaal #88, 2019

Wagemans, Mathieu, Een pleidooi voor een kwantumbenadering in wetenschap, bestuur en beleid, Civis Mundi, nr 90, 2019


*********************


Een andere kijk op orde en chaos
Deel 5: Individueel bewustzijn en sociale verandering


Civis Mundi Digitaal #100

door Mathieu Wagemans        www.ontganiseren.nl

In Deel IV stond centraal hoe collectieve processen van betekenisgeving van invloed kunnen zijn op het verloop van veranderingsprocessen. In dit Deel V is de aandacht gericht op de positie van het individu. Wat is onze positie in ingrijpende processen van verandering? Hoe ervaren we die? En wat is de rol van het individu daarin? Het gaat dus om individuele processen van betekenisgeving. Zoals Pico della Mirandola eind vijftiende eeuw stelde gaat het bij betekenisverlening uiteindelijk om de diepste dimensie van ons menszijn, om de menselijke waardigheid. Aan de orde is dan de vraag of aan die waardigheid recht wordt gedaan. Krijgt de mens in onze (post)moderne samenleving de ruimte om een betekenisvol leven te leiden. De ruimte om zichzelf te worden. En in welke mate claimt de mens de ruimte om zich te onttrekken aan extern opgelegde betekeniskaders en een eigen constructie te maken van zichzelf in relatie tot de wereld. Het onderscheid dus tussen bewustzijn en zelfbewustzijn. Het creëren van die ruimte voor eigenheid is niet vanzelfsprekend noch gemakkelijk zoals we zullen toelichten.


Modernisering en vervreemding

In voorgaande artikelen zagen we dat de vooruitgang en welvaart die de moderniteit heeft opgeleverd slechts mogelijk was doordat daarvoor de voorwaarden werden geschapen. De werkelijkheid moest dienstbaar worden gemaakt zodat en opdat de technologie de ruimte kreeg. Het leidde tot een betekeniskader dat dwingend werd. De ruimte voor betekenisgeving die de Verlichting met zich meebracht, werd voor een steeds groter deel opgevuld en ingevuld. Er ontstond een krachtige verbinding tussen technologie en het economisch systeem. Het economisch systeem beloonde technologische vooruitgang. Stijging van productiviteit werd technologisch mogelijk en economisch beloond. Jachtigheid won het van traagheid.

Maar de prijs voor economisch-technologische vooruitgang was dat het betekeniskader dat kenmerkend is voor de moderniteit dominant mocht worden. Dat kader stelde op ratio gebaseerde begrippen centraal. Het nam als het ware in termen van betekenisverlening de regie over. Begrippen werden voorgeschreven maar ook processen van betekenisverlening werden geïnfecteerd met het virus van de ratio. Er ontstonden zichzelf repeterende processen. Die processen deden hun werk omdat ze de ruimte kregen. Vooruitgang en welvaart werden zo krachtig gewaardeerd dat de nadelen onbewust werden geaccepteerd. Wat kwetsbaar was onder economische druk werd gemarginaliseerd. Aantasting van natuur en cultuur was nodig omwille van de vooruitgang.

Die dominantie van het technologisch-economisch betekeniskader leidde tot dehumanisering. Wat betekenisvol was voor mensen moest wijken voor de krachten van het moderniseringsdenken. Modernisering werd zo een bron van radicale vervreemding. Mensen werden raderen in een betekenismachine zonder bedieningspaneel. De machine werd een perpetuum mobile. Eenmaal op gang gekomen was het in staat zijn eigen energie op te wekken. Het was lastig er grip op te krijgen. Het mechanisme deed zijn werk sluipenderwijs. Verwijzend naar Foucault was er sprake van voortgaande disciplinering die echter niet als zodanig werd ontmaskerd. De voordelen van de vooruitgang stelden de nadelen in de schaduw. Die waren lange tijd aan het gezicht onttrokken.

De uitkomst van dit proces is een stevig verankerd betekeniskader. Zowel de begrippen als het kader zelf zijn zo hard en stevig geworden dat ze als vanzelfsprekend worden beschouwd. Ze hebben geen ondersteuning meer nodig. Ze spreken vanzelf en hebben geen bekrachtiging meer nodig. Definities zijn verhard en materie geworden. Processen zijn met zichzelf aan de haal gegaan. We zijn in zekere zin voorgeprogrammeerd zonder dat we ons dat realiseren. We zijn er ons niet goed van bewust. Bewustwording van de processen in onze leefwereld is niettemin wezenlijk voor verandering. Verandering van wereldbeeld heeft te maken met ons bewustzijn. Aan de orde is dan hoe we de wereld beleven, hoe we onszelf beleven en hoe we de relatie met de wereld beleven. We vormen ons een beeld van de werkelijkheid en van onze plaats daarin. Dat beeld ligt aan de basis van ons doen en laten. Dat beeld kan op onderdelen uiterst scherp en gedetailleerd zijn en op andere terreinen vaag. Over sommigen onderwerpen hebben we uitgesproken opvattingen terwijl we over andere vraagstukken niet of nauwelijks hebben nagedacht. We realiseren ons vaak niet onze eigen gedragspatronen, noch de onderliggende afwegingen, laat staan het betekeniskader en het wereldbeeld waarbinnen we leven. We zijn ons niet of slechts vaag van bewust van onze eigen identiteit, van wie we zijn. Het virus van de moderniteit heeft zich zo sterk in ons gevestigd dat het onze eigen programmeringsprocessen heeft aangetast. Onze diepteprogrammatuur dus, onze menselijke waardigheid.


Bewustzijn

De literatuur over bewustzijn is reeds omvangrijk maar wordt steeds uitgebreider. Ook is er groeiende aandacht voor de rol van het bewustzijn bij transformaties, zoals bij de overgang naar een duurzame samenleving. Tegelijkertijd is er geen breed gedeeld beeld over wat het begrip bewustzijn inhoudt. In de omschrijvingen treffen we begrippen aan als hersenen, brein, ziel en geest. Die variatie geldt ook voor de benaderingen om inzicht te krijgen in het functioneren van het bewustzijn. Zo is er sprake van positivistisch georiënteerde benaderingen zoals in de neurobiologie. Men probeert dan het functioneren van het bewustzijn te verklaren door onderzoek te doen naar het functioneren van de hersenen. Men bestudeert de hersenen als een object waarover definitieve kennis kan worden verkregen. In tegenstelling daarmee staat de opvatting dat bewustzijn moet worden opgevat als een nieuwe dimensie van de werkelijkheid die niet langs een gebruikelijke wetenschappelijke weg kan worden verkend. Naast ruimte en tijd moet bewustzijn worden benaderd als een aparte dimensie. We moeten verklaringen bijvoorbeeld zoeken in kosmische bewegingen. Of door middel van meditatie doordringen tot de oosterse filosofie.

Als globale benadering kies ik ervoor bewustzijn te koppelen aan waarneming en betekenisgeving. Die koppelingen volgen logisch uit de constructivistische benadering in de voorafgaande delen over orde en chaos. Het vermogen betekenis te geven en ons bewust te zijn van de wereld en van onszelf in relatie tot de wereld, onderscheidt de mens van andere vormen van leven zoals planten en dieren. Belangrijk daarbij is dat we betekenisgeving onderscheiden van het object waar we betekenis aan geven. Datzelfde geldt ook voor het begrip bewustzijn. Het begrip bewustzijn is anders dan waar we ons bewust van zijn geworden. Wanneer we ons ergens van bewust zijn is dat de uitkomst van aanwending van het vermogen van bewustwording. We kunnen ons ergens van bewust zijn maar dat is nog geen duiding van het begrip bewustzijn zelf. Het is eerder de het resultaat van een proces van bewustwording. De uitkomt van bewustwording dus. Die processen van bewustwording stellen we hier centraal. Door processen van bewustwording maken we gebruik van ons bewustzijn. Het bewustzijn is in de kern het vermogen tot bewustwording. De term vermogen houdt de mogelijkheid in dat we dat vermogen wel of niet aanwenden. We kunnen ons dus ook niet bewust zijn van (beelden van) de werkelijkheid. Dat onvermogen is zowel menselijk als onvermijdelijk. Het is voor de menselijke geest onmogelijk ons tegelijkertijd een onoverzienbaar aantal beelden te vormen van situaties en gebeurtenissen en vervolgens op basis van criteria een afgewogen oordeel te vormen en ons conform te gedragen. We willen graag rationeel zijn en de voor onszelf beste beslissingen nemen. Waarna we vervolgens eenzelfde proces zouden moeten doormaken wanneer situaties enigszins veranderen. Dat vermogen gaat de menselijke geest te boven. Simon introduceerde de term “bounded rationality”, daarmee aangevend dat het menselijk vermogen te beperkt is om bij besluitvorming alle mogelijke alternatieven en consequenties daarvan vooraf in ogenschouw te nemen en op basis van criteria tot de meest rationele keuze te komen. Dat vermogen gaat de menselijke geest te boven. Anders gezegd, voor zover ons gedrag is gebaseerd op afweging van alternatieve mogelijkheden, is het afwegingskader beperkt. Bovendien is er in de werkelijkheid van alledag vaak geen sprake van afwegingen. Voor een belangrijk deel is ons gedrag onbewust. We handelen bijvoorbeeld routinematig. We laten ons onbewust leiden door vaste beelden die we in de loop van ons leven hebben opgebouwd. Gaandeweg vormen we ons op basis van ervaringen, opvattingen en overtuigingen beelden van de werkelijkheid die zo stevig zijn dat ze als het ware met de werkelijkheid samenvallen. We zijn ons daardoor maar ten dele bewust van de kaders waarbinnen we functioneren. Bewustzijn kan dus ook onlosmakelijk worden gekoppeld aan “onbewustzijn” met bewustwording als koppelingsmechanisme.

Die combinatie van bewust en onbewust kan worden opgevat als wezenlijk wanneer we met ingrijpende veranderingen te maken hebben. Verandering van wereldbeeld veronderstelt processen van bewustwording. We gaan ons realiseren dat onze routines ons niet meer helpen en, sterker nog, oorzaak kunnen zijn van problemen. Nodig is dan dat we ons bewust worden van ons perspectief op de werkelijkheid en hoe dit perspectief van invloed is op ons gedrag. Die bewustwording kan ons aan het denken zetten en aanzetten tot gedragsverandering. Eenvoudig is dat niet. Het betekent dat we ons een ander beeld vormen van de werkelijkheid met behulp van andere begrippen en/of andere relaties tussen begrippen. Dat veronderstelt dat we als individu geheel vrij zijn een eigen positie te kiezen. Die vrijheid tot beeldvorming is echter niet vanzelfsprekend. De ruimte is beperkt doordat we vastzitten aan collectieve betekeniskaders en aan de concepten en begrippen die daar deel van uitmaken. In het structuralisme wordt de invloed hiervan uitvergroot. We zijn als subject onderhevig en onderworpen aan externe invloeden. De mens is minder vrij dan verondersteld. Alleen al de taal en de daarin opgenomen begrippen hebben een voorprogrammerend effect op onze betekenisgeving. Lacan neemt daarbij als stelling is dat het subject niet bestaat. (Desmet, 2019). De werkelijkheid kan niet vrij tegemoet worden getreden maar toont zich als een in de taal voorverpakte werkelijkheid. De werkelijkheid komt tot ons inclusief begrippen en definities van situaties en gebeurtenissen. In Deel IV kwam dat reeds aan de orde. Het is daarom lastig om de werkelijkheid fris en frank tegemoet te treden, niet gehinderd door vooringenomenheid of door bestaande beelden en betekenissen. De ruimte voor bewustwording van het nieuwe is dus beperkt doordat ons bewustzijn niet leeg is. Het bewustzijn is gevuld met bewustzijnsinhouden. We kunnen het bewustzijn dus opvatten als een vermogen tot bewustwording. Het is het vermogen zonder dat dit reeds is aangewend en zich aan situaties, objecten of gebeurtenissen heeft gehecht. Het begrip bewustzijn is zo beschouwd objectloos. Het is een vermogen ons ergens van bewust te worden zonder dat het is aangewend. Het ons ontdoen van begrippen en definities om zo een staat van volledige ruimte, van betekenisloosheid dus, te bereiken is geen eenvoudige opgave. Waarneming en betekenisgeving vallen in de praktijk samen en zijn moeilijk te ontkoppelen. We nemen waar en geven betekenis aan het waargenomene. Maar hoe die processen van betekenisgeving verlopen is niet helder. We kunnen allerlei gedachtenflitsen hebben wanneer we een ervaring hebben die we niet normaal vinden. We proberen die te duiden waarbij allerlei mogelijkheden door ons hoofd schieten. Tegelijkertijd hebben we te maken met constructies van anderen die ons wel of niet aanspreken. Kortom, het proces om orde te bereiken verloopt tamelijk wanordelijk. Het lijkt een illusie dat het denken zelf ooit in min of meer logische processen volledig kan worden ontleed, laat staan in lineaire processen waardoor ons denken voorspelbaar zou worden. Wel is helder dat als wij eenmaal denkkaders en betekenissen in ons hoofd hebben, we de neiging hebben het waarnemen langs die lijnen te laten plaatsvinden. We scheppen ordelijkheid in ons hoofd. Dat is ook logisch omdat we anders permanent in twee- , drie- of vierstrijd zouden verkeren wanneer we situaties of gebeurtenissen willen duiden. We routiniseren de betekenisgeving. En als we dat al niet zelf doen, hebben we vaak te maken met externe krachten die betekeniskaders aan ons opleggen. Opvoeding en onderwijs doen hun werk, ook wanneer ze ertoe leiden dat we heel bewust gaan afwijken van wat ons wordt aangereikt. We willen graag ons eigen leven leiden.

Aandacht verdient ook dat het bewustzijn weliswaar nauw verbonden is met betekenisgeving maar er kunnen zich ook situaties voordoen waarin we niet goed kunnen duiden wat we waarnemen. De werkelijkheid toont zich dan als chaos. Chaos is dan het verzamelbegrip voor wat we niet logisch kunnen verbinden met de werkelijkheid die we (denken te) kennen. Het is er wel maar we kunnen het niet duiden. We missen de begrippen om de werkelijkheid te omvatten. Ook vraagt aandacht dat er een werkelijkheid bestaat waar we ons niet van bewust zijn. Die werkelijkheid “is” er wel maar valt buiten ons bewustzijn en buiten onze waarneming. We hebben er geen woorden en geen begrippen voor. Waar we ons niet van bewust zijn kan ook geen betekenis krijgen. Ook is denkbaar dat we de chaos niet negeren maar willen ordenen. Wat we dan doen kan inhouden dat we dezelfde begrippen aanwenden die de basis vormen voor onze ordeningen. Maar dat zijn de ordeningen die juist de chaos hebben veroorzaakt. De chaos is juist ontstaan omdat die niet binnen onze ordeningen past. We benaderen dan de chaos vanuit een perspectief dat niet dient. We kunnen dan redeneringen bedenken die ons de overtuiging geven dat we inzicht in en mogelijk grip hebben gekregen op de chaos maar dat zijn illusies. Het perspectief dient niet. Het perspectief is immers zelf de oorzaak van de chaos. Dat brengt ons niet verder. Per definitie niet.

We kunnen weliswaar een onderscheid maken tussen de waarneming sec en de betekenisgeving maar we kunnen ze moeilijk scheiden. In de praktijk vloeien ze in elkaar over. We nemen waar en op hetzelfde moment geven we betekenis aan wat we waarnemen. Die betekenissen kunnen snel en steeds veranderen. En wanneer betekenisconstructies zich in ons hebben verankerd kunnen ze veranderen doordat we in de ontmoeting met anderen gaan reflecteren. Men zet ons ertoe aan onze constructies te heroverwegen. Die bereidheid is overigens beperkt. Naarmate onze overtuigingen dieper zijn en aannames vanzelfsprekender wordt het lastiger ze te veranderen. We ervaren geen aanleiding voor verandering. Anderzijds kan het zijn dat we door ervaringen zo hevig worden geraakt dat we aanleiding zien ons bestaande betekeniskader ingrijpend te veranderen. We gaan ons anders positioneren. Met als gevolg dat we bijvoorbeeld van baan veranderen omdat we zijn gaan beseffen dat het werk routineus is geworden en ons niet meer inspireert. We raken erop uitgekeken.


Bewustzijnsverruiming

Het vermogen ons bewust te zijn van onszelf en van de wereld rondom ons heen is permanent in ons aanwezig en kan voortdurend wijzigen. Gebeurtenissen kunnen ons aan het denken zetten. We worden ons bewust van situaties en van ons eigen gedrag. We gaan onszelf vragen stellen waar we eerder niet over hebben nagedacht. Het vanzelfsprekende blijkt plotseling niet meer vanzelfsprekend te zijn. Dat geldt in het bijzonder wanneer er sprake is van ingrijpende veranderingen. Dan hebben we ons te verhouden tot nieuwe beelden van de werkelijkheid. We kunnen daarbij niveaus in ons bewustzijn onderscheiden. Morin onderscheidt acht vormen van bewustzijnsverruiming die ons kunnen helpen zicht te krijgen op een nieuwe werkelijkheid. Afhankelijk van het bewustzijnsniveau kunnen we open staan voor signalen en boodschappen uit verschillende bronnen zoals religie, romantiek en literatuur. Het kan lastig zijn daarbij de neiging te weerstaan te snel de stap te zetten naar het uniformeringsdenken dat kenmerkend was en is voor de moderniteit. De beleving is wezenlijk en die kan individueel sterk verschillen.

Voor ons als individu is belangrijk of we oppervlakkig door het leven gaan of dat we ons voortdurend allerlei vragen stellen over de wereld en over onszelf. Ervaringen of ontmoetingen kunnen ons aan het denken zetten over problemen rond duurzaamheid en, in het verlengde daarvan, over ons eigen gedrag. Is het eten van vlees wel verstandig wanneer we gaan beseffen welke consequenties veehouderij heeft voor het milieu? Of pakken we niet al te gemakkelijk de auto wanneer we ook heel goed de fiets zouden kunnen nemen? Kort en goed, bewustzijn en bewustwording gaan beide over wat subjectiviteit inhoudt en hoe processen van subjectivering verlopen. Hoe ervaren we de werkelijkheid en wat is het beeld dat we van onszelf hebben? Die vragende en zichzelf afvragende houding is niet vanzelfsprekend. Niet iedereen zal de keuze voor oppervlakkigheid of diepgang als een keuze ervaren. We moeten het vermogen tot bewustwording onderscheiden van de vraag of we dat vermogen ook aanwenden.


Moderniteit en uitsluiting

Aan de orde is de erkenning dat het betekeniskader van de moderniteit, zoals iedere definitie en ieder betekeniskader, uitsluitende werking heeft. Wanneer een betekeniskader gebaseerd is op ratio dreigt het irrationele te moeten wijken. Wanneer het economische centraal staat, is alles wat niet van economische waarde is kwetsbaar. De verandering die dan nodig is ligt voor de hand. Het buitengeslotene verdient aandacht maar kan die aandacht enkel krijgen ondanks het bestaande systeem. We moeten dus de ruimte buiten het systeem opzoeken om zicht te krijgen op het buitengeslotene maar ook op het systeem zelf. Vergelijk het identiteitsbegrip zoals we dat aantreffen bij Deleuze. Identiteit wordt bepaald door de relatie met het andere. Het buitengeslotene, het afwijkende, bevat waardevolle informatie om zicht te krijgen op onszelf. Het afwijkende wordt instrument om onszelf te positioneren. Het afwijkende stelt ons in staat ons anders zijn te benoemen. Verhaeghe stelt dat we de neiging moeten onderdrukken de identiteit af te lezen aan uiterlijke kenmerken zoals huidskleur, lichaamsbouw en kledij. Dat noemt hij een uiting van onzekerheid. Echter, als we die uiterlijke kenmerken even negeren is het lastig inzicht te krijgen in de identiteit omdat het wezen van de mens binnen in de mens zit.


Zo beschouwd kan het zicht krijgen op het uitsluitend karakter van het betekeniskader van de moderniteit een belangrijk hulpmiddel zijn om ons een beeld te vormen van onszelf. We stelden reeds dat we een prijs betalen voor het functioneren binnen de systemen van de moderniteit. Velen kunnen de stress niet aan. Het onpersoonlijke domineert en dringt het persoonlijke opzij. De structuren zijn dwingend. De symptomen zijn waarneembaar, zoals burn-outs en eenzaamheid. De prijs die we voor gedresseerdheid betalen heet vervreemding. We komen niet aan onszelf toe.

Kijken we nu naar de aandacht die er is voor psychisch leed en hoe die is georganiseerd, dan zien we dat systemen die helend zijn bedoeld, zoals het psychiatrisch zorgsysteem, zelf ook weer kenmerken hebben van het moderniteitsdenken. Aandacht wordt berekend in minuten. Diagnoses zijn vooraf gedefinieerd. Zie het DSM dat in wezen een duiding is van mogelijke aandoeningen die voornamelijk gebaseerd is op afspraken binnen het psychiatrisch domein en niet zozeer op door onderzoek verkregen inzichten zoals de term diagnose veronderstelt. Onderzoek in de psychiatrie kan relaties leggen en aantonen tussen aandoeningen en externe omstandigheden maar dat hoeft nog niet te betekenen dat de onderliggende causale relaties verlopen zoals in hypotheses wordt verondersteld. Anders gezegd, verkregen kennis is veronderstelde kennis. Diezelfde definiërende benadering treffen we aan bij de opstelling van behandelingsprotocollen. Dat geldt, op de derde plaats, voor de regels die gelden voor het afleggen van verantwoordelijkheid. Dat alles leidt ertoe dat zorgsystemen die bedoeld zijn ruimte te scheppen voor betekenisverlening, die ruimte zelf al grotendeels hebben opgevuld met begrippen die centraal staan in het betekeniskader van de moderniteit. Dat roept de vraag op hoe een systeem helende werking kan hebben wanneer het zelf symptomen vertoont van aandoeningen die het wil helen. De patiënt wordt in termen van betekenisgeving voorgeprogrammeerd tegemoet getreden terwijl het wezen van psychiatrische aandoeningen nu juist kan worden geduid in termen van afwijkende betekenisgeving.

Een dergelijk beeld roept vragen op rond het begrip complexiteit binnen de psychiatrie. We stelden in eerdere artikelen hoe het ordenen zelf bron kan zijn van complexiteit. We benaderen de werkelijkheid ordenend en organiserend maar de paradox is dat we juist daardoor complexiteit produceren. Onze modellen zijn te eenvoudig en doen de werkelijkheid geen recht. De werkelijkheid als een ruimte waarin beelden door elkaar bewegen moet als zodanig worden gerespecteerd. Dat vraagt geheel andere methoden van interventie dan thans gebruikelijk zijn. Statische en uniformerende kaders zijn er niet op ingericht om te gaan met dynamiek en pluriformiteit. We moeten, integendeel, recht doen aan vernieuwing. Vernieuwing betekent ruimte voor nieuwe betekenissen. En het accepteren van dynamiek. Die kunnen we niet regisseren vanuit een statische benadering. Dan reduceren we dynamiek door het vervangen van de ene door de anders statische situatie. We moeten dan telkens vanuit een extern punt repareren en bijsturen. De uitdaging is dynamische systemen zelfcorrigerend te maken. Dat lijkt een belangrijke opgave en uitdaging voor het psychiatrisch zorgsysteem.


De verknoping tussen object en subject

Ik volg in dit artikel de benadering waarin de scheiding tussen het materiele en het geestelijke wordt losgelaten. De werkelijkheid krijgt zwaarte afhankelijk van de betekenis die we eraan geven. Naarmate die betekenis uitgesprokener is en door meer mensen wordt gedeeld krijgt een werkelijkheidsvisie meer gewicht. Geest en materie zijn in elkaar verstrengeld. Zonder betekenis kan de werkelijkheid zich niet aan ons voordoen.

Vanuit een dergelijk perspectief treffen positivistische benadering waarin de werkelijkheid als objectief wordt gezien, geen doel. Dan heeft men enkel interesse voor het objectieve beeld dat men zich van de werkelijkheid heeft gevormd. Dat beeld is eenduidig en vaststaand. Men onderzoekt dan een beeld van de werkelijkheid dat in staat stelt tot eenduidige en definitieve kennis te komen. De waarneming is eenzijdig en dat geldt ook voor de redeneringen, zowel met betrekking tot de analyse als bij de formulering van conclusies. Men kan zo tot zekere uitspraken komen over de werkelijkheid maar de het waarheidsbereik is beperkt. Daarin kan een verklaring liggen voor de ervaring dat toepassing van op positivistische wijze verkregen kennis lang niet altijd toepasbaar blijkt te zijn in de praktijk. Het is weliswaar zekere kennis maar de werkelijkheid van alledag houdt zich niet aan die zekerheden. De zekerheden zijn verondersteld. Maatschappelijke vraagstukken worden zodanig geherformuleerd dat ze zich lenen voor onderzoek langs positivistische lijnen. Daartoe worden vraagstukken geherformuleerd zodat ze kunnen worden onderzocht met behulp van aanvaarde methoden. Die herformulering kan gemakkelijk buitensluitende werking hebben. De vraagstelling binnen een onderzoek doet daardoor mogelijk geen recht aan het wezen van de vraagstukken zoals die maatschappelijk worden beleefd. De uitkomsten zijn weliswaar “waar” maar ze hebben geen werking. Ze zijn slechts waar binnen een gemankeerd beeld van de werkelijkheid. De werkelijkheid houdt zich niet aan de constructie die we ervan hebben gemaakt. Lineair redeneren helpt niet wanneer de dynamiek geen lineair karakter heeft. Maar dat roept de vraag op naar een alternatief. Wanneer lineair redeneren niet helpt omdat begrippen tijdens het onderzoek kunnen verschuiven, hoe kunnen we dan tot zekere kennis komen? Is waarheid dan nog wel bereikbaar? Het antwoord is dat absolute waarheid vanuit het perspectief van betekenisverlening niet mogelijk is. Waarheid is perspectief gebonden waarheid. Waarheid is wat we waar noemen. Waarheid is ook een constructie. Dat laat de vraag onverlet wat we ons dan bij onderzoek moeten voorstellen. Wat is het alternatief voor lineair redeneren, voor het zoeken naar stevige verbanden?

De uitdaging is tot verbindingen te komen, ook al zullen die voor een belangrijk deel associatief zijn. Het gaat dus in wat volgt niet over de vraag wat bewustzijn “is” maar we doen een beroep op ons voorstellingsvermogen. Kunnen we perspectieven construeren die ons een stap(je) verder helpen. Hoe kunnen we de tussenruimte tussen materie en geest verkennen, waarbij we ons realiseren dat ieder te ontwerpen perspectief vrijwel voorspelbaar startpunt en bron zal zijn voor en van nog veel meer vragen. Een nieuw perspectief is gedachten genererend. Dat nieuwe perspectief kunnen we niet opbouwen vanuit een van beide polen, vanuit het lichaamsbegrip of het geestbegrip. De oplossing is niet de keuze van een bepaalde positie op de lijn tussen lichaam en geest. Dan zouden we niet verder komen dan een bepaalde combinatie van beide polen. De “oplossing’ heeft dan het karakter van een compromis tussen fundamenteel verschillende begrippenkaders. We hebben daarentegen nieuwe begrippen nodig. We kunnen het nieuwe niet definiëren met behulp van bestaande concepten en redeneringen. Door het nieuwe te benaderen en te construeren met bestaande begrippen ontnemen we het nieuwe zijn nieuwheid. Een voorbeeld van een nieuwe benadering met betrekking tot de relatie tussen lichaam en geest treffen we aan bij o.a. Teilhard de Chardin. Die stelde dat materie een binnenkant heeft die geestelijk van aard is. Materie omvat dus geestelijke energie. De buitenkant is materieel maar materie heeft een geestelijke binnenkant. Materie heeft zo beschouwd dus meerdere dimensies. Een vergelijking is op zijn plaats met de kwantumtheorie waarin een element de vorm kan aannemen van materie en van een golf. Eenduidigheid als vertrekpunt werkt dan belemmerend. Een meerduidige werkelijkheid laat zich nu eenmaal niet in eenduidige kaders stoppen.

Dergelijke opvattingen prikkelen de fantasie. We hebben dus nieuwe begrippen nodig die elementen vormen bij de constructie van een nieuw perspectief. In dat proces is een kritische factor dat we de neiging onderdrukken tot definiëring. Definities beperken de ruimte die we nodig hebben voor verkenning. Dan plaveien we ongebaande paden met bestaand asfalt waardoor er weinig nieuws meer is te ontdekken. Door te definiëren maken we te snel de sprong naar het statische. We denken de waarheid al gevonden te hebben en hoeven niet verder te zoeken. Dat vraagt een houding van onthechting. Niet (te snel) toegeven aan de behoefte tot waarheid. Dan hechten we ons aan een waarheid die andere waarheden uitsluit. Dan beschouwen we schijnzekerheden als zekerheden, gemankeerde waardheidsopvattingen als “de” waarheid.


Analogisch en associatief denken

In Deel I stelden we dat het splitsend denken kenmerkend is voor de moderniteit. We onderscheiden aspecten en disciplines om tot de werkelijkheid door te dringen maar juist daardoor doen we geen recht aan de werkelijkheid. Een alternatief is om analogisch te gaan denken. Niet de waarheid vinden door logisch redeneren maar associaties zoeken, verbanden die weer aanleiding zijn voor nieuwe gedachten. Het vinden van de waarheid wordt dan een kwestie van steeds onderweg zijn. Steeds openstaan voor het betreden van zijwegen en het ongebaande. Het zoeken staat dan voorop, niet het vinden van iets dat we als waarheid zien. Waarheid kunnen we niet duiden als een object dat we ergens kunnen vinden. We vinden hooguit steentjes die ons verder kunnen helpen het labyrint te leren kenen. Dat vraagt ruimte om te associëren. Vrije interpretaties die ons voorstellingsvermogen vergroten in plaats van het te beheersen en te beperken door lineaire verbanden die later niet lineair blijken te zijn. Dat is geen veroordeling van het disciplinaire denken maar het disciplinaire denken is dan slechts een benadering bij het verkrijgen van inzicht en kennis. Disciplinaire kennis kan helpen onze kennis te verbijzonderen maar bij ingrijpende veranderingen kan het fantasiespoor ons verder brengen.

Een niveau dieper ligt het besef dat mensen zelf een verandering moeten doormaken. Die benadering is aan de orde wanneer het gaat om de overstap naar een ander wereldbeeld. Verandering van wereldbeeld betekent dat mensen zichzelf opnieuw moeten programmeren Ze moeten zich opnieuw ontwerpen in een andere wereld. De verandering moet zijn verankerd in de mensen zelf. Men is zich bewust van de noodzaak van verandering en bereid het eigen gedrag daaraan aan te passen. Dat vraagt bewustwording van de noodzaak van een ander wereldbeeld. Bijvoorbeeld omdat het besef doordringt dat we op de verkeerde weg zitten. Het vraagt reflectie. Het komt erop neer dat niet de wereld moet worden veranderd maar dat het beeld dat we van de werkelijkheid hebben gevormd niet meer deugt. Door verandering van perspectief vinden we onszelf terug in een andere wereld. Die verandering van perspectief staat centraal. We beseffen dat de noodzakelijke verandering niet van de grond komt wanneer die niet wordt doorleefd. Ook wanneer anderen die stap (nog) niet willen zetten ontslaat dat onszelf niet van de verantwoordelijkheid. Dergelijke processen kennen een heel ander verloop dan traditionele veranderingsprocessen. Die processen zijn inspiratie-gedreven in plaats vanuit een hiërarchie opgelegd. Wanneer mensen de noodzaak van verandering hebben doorleefd volgt de verandering als het ware vanzelf. Dan worden protocollen, voortgangsverslagen en nadere controlemechanismen overbodig. Dat zijn uitingen van gebrek aan vertrouwen. Immers, waarom zou men zich onzeker voelen over resultaat en richting wanneer mensen geïnspireerd aan taken werken en beschikken over de daarvoor noodzakelijke middelen? Men doorbreekt patronen vanuit de intern beleefde overtuiging dat we de toekomst moeten ontwerpen in plaats van het verleden te reproduceren. Zo stellen van Egmond en Oosterling dat de noodzakelijke veranderingen een omslag in denken vragen die niet kan worden bereikt door verandering van structuren maar die moet beginnen bij het individu. De omslag die aan de orde is raakt onszelf ten diepste. Het is een verandering die eerder ondanks dan dankzij structuren plaatsvindt. Het vraagt een diepe reflectie over wie we zijn, over hoe we in het leven willen staan en welke verantwoordelijkheid daaraan is gekoppeld. Opmerkelijk is het aantal mensen dat voorop wil lopen bij deze transformaties en kracht en inspiratie zoekt en ontleent bij en aan de oosterse filosofie. De gebruikelijke context van redeneren helpt niet meer. We kunnen op basis van tal van feiten en analyses de overtuiging hebben dat we ons levenspatroon moeten veranderen maar om de daad bij het woord te voegen is meer nodig. Met ratio alleen redden we het niet. De omslag vraagt verruiming en verdieping van ons bewustzijn. De oosterse filosofie biedt methodes zoals meditatie om ons ontdoen van waar we aan zijn gehecht en vrij te worden zodat we werkelijkheid vanuit een lege ruimte tegemoet kunnen treden. We worden dan niet langer afgeleid van de bewustzijnsinhouden en betekenisconstructies die we in onszelf hebben opgebouwd. We ontdoen ons dan van voorgeprogrammeerdheid opdat we in staat zijn tot het wezen van de werkelijkheid en van onszelf door te dringen. We worden niet langer afgeleid door bestaande beelden. We kunnen daardoor het nieuwe wereldbeeld construeren zonder gebruik te hoeven maken van bestaand en reeds gebruikt bouwmateriaal. Oosterse filosofie kan ons denkbeelden en instrumenten aanreiken om een eigen antwoord te vinden, een eigen betekeniskader en een daarop gebaseerd wereldbeeld dat in de plaats treedt van het thans dominante op ratio en technologie gebaseerd wereldbeeld.

Egoloosheid

We zagen dat naast het perspectief van het collectieve, de positie van het individu belangrijk in de overgang naar een nieuwe wereldbeeld. We stelden reeds dat in de overtuiging van velen de verandering individueel moet worden doorleefd en dus bij en in het individu zijn startpunt moet vinden. Het gaat erom je te ontworstelen aan de kaders want de werkzame krachten houden verkeerd gerichte processen in stand. Die laten zich niet gemakkelijk opzij drukken. Normaliteit moet geproblematiseerd worden. Dat vraagt inspanningen omdat het heersende wereldbeeld tot harmonisatie dwingt. Hier gaat het echter niet om de tegenkrachten rondom ons heen maar om de blokkades in onszelf. De eerste stap is dat we ons bewust worden van de processen en van onze eigen geketendheid aan die processen. Dat vereist een verdiepende bewustwording. Het expliciteren van onze vanzelfsprekendheden en het onderkennen van de krachten die deze vanzelfsprekendheden in onszelf hebben verankerd. We zitten zo beschouwd onszelf in de weg. In plaats daarvan moeten we streven naar egoloosheid. (Ransijn, 2020) Pas door onszelf terzijde te schuiven ontstaat er ruimte voor een ander bewustzijn. De werkelijkheid krijgt dan pas betekenis doordat we die onbevangen tegemoet treden. We projecteren niet langer onze ambities en opvattingen op de werkelijkheid waardoor die maar gebrekkig tot ons kan doordringen. Bij von Dürkheim (1981) vinden we een treffend beeld van de mens in de moderniteit. De mens die zijn persoon-zijn heeft opgegeven en zichzelf zo sterk ondergeschikt heeft gemaakt aan het prestatiebeginsel dat hij alleen nog functionaris is in structuren waarin zijn eigen wezen niet tot zijn recht komt en ook niet kan komen. In gelijke zin stelde Legaut ooit de vraag hoe het toch komt dat we worden geboren als origineel maar heel vaak sterven als kopie.

Om te veranderen moeten we vrij zijn en dat vraagt van ons dat we de vanzelfsprekendheden die we hebben geconstrueerd kritisch beschouwen. Een verwijzing naar de existentiefilosofie ligt dan voor de hand. De existentie die voorafgaat aan de essentie zoals Sartre stelt. We gaan in op de situatie waarin het individu zich bevindt wanneer die voor de opgave komt te staan te breken met wat normaal is en zich gaat gedragen buiten de wereld van de ordeningen. Een nieuw wereldbeeld betekent weliswaar individueel een ingrijpende nieuwe opstelling maar vraagt ook op collectief niveau grote herschikkingen. Dat zullen we bezien op individueel niveau, respectievelijk op collectief niveau. Die volgorde is niet willekeurig. Er is een brede overtuiging dat de noodzakelijke transformatie ingrijpend is. Het nieuwe wereldbeeld stelt je ook als individu voor keuzes. Je moet jezelf gaan verhouden tot die nieuwe wereld. Dat vraagt een verandering in jezelf. Die noodzakelijke verandering betekent dat je jezelf opnieuw moet programmeren. Veranderingen op collectief niveau kunnen niet goed plaatsvinden en zullen zeker niet blijvend zijn wanneer ze niet individueel worden gedragen.

Verandering van wereldbeeld en daarop volgende gedragsverandering kan worden gezien als een verandering van bewustzijn. We gaan de wereld anders zien. We verbreden ons beeld waardoor we zicht krijgen op wat voorheen voor ons verborgen was. Het was er wel maar we waren er ons niet van bewust. We vormen ons andere beelden van oorzaak-gevolg-relaties wat vervolgens tal van vragen oproept, bijvoorbeeld over de vraag of dit andere wereldbeeld ons tot een ander gedrag moet aanzetten. Hoe zien we onszelf in die andere werkelijkheid terug? Bewustzijnsverruiming en bewustzijnsverdieping zijn individuele processen. Die kunnen niet worden opgelegd. Je moet zelf door die processen heen. Ze raken het menszijn. Je moet je anders gaan verhouden tot de werkelijkheid. Je eigen programmering en identiteit kan slechts door jezelf worden geconstrueerd in relatie met de omgeving. We kunnen niet langer voorgeprogrammeerd door het leven gaan omdat er dan sprake is van een extern opgelegde programmatuur. Dat kan verleidelijk zijn maar dan houden we in stand wat bron is van vervreemding. Dan leven we andermans leven. Jezelf opnieuw ontwerpen en programmeren betekent een proces van onthechting. Dat houdt in loskoppeling van een belangenperspectief. Het betekent het opruimen van blokkades die om je heen zijn opgebouwd en vooral ook de blokkades die je in jezelf hebt opgebouwd.

De omslag kan worden opgevat als een omslag die ruimte schept. We maken ons los van structuren die hinderen onszelf te worden. Maar tegelijkertijd is het een ruimte die niet vrijblijvend kan worden beleefd. De ethische dimensie vraagt verantwoordelijkheid te nemen. De ruimte vraagt invulling en biedt geen mogelijkheid eraan te ontkomen. Over verantwoordelijkheid kun je geen compromissen sluiten. Onttrek je je aan verantwoordelijkheid, dan ben je daarvoor verantwoordelijk. De ruimte stelt je voor de keuze. Weer kiezen voor het betreden van platgetreden paden betekent ontkenning van de ruimte. Tegelijkertijd betekent het verkennen van ongebaande paden het accepteren van onzekerheid. Je weet niet wat je aantreft en je weet zelfs niet waar je naar op zoek bent. Er zijn geen garanties. Inspirerend is de levensopvatting van de Zuid-Afrikaanse dominee Beyers Naudé. In een vraaggesprek uit 1980 met de Duitse theologe Dorothe Sölle stelt zij de vraag waar hij de energie vandaan haalt zich te blijven verzetten tegen de apartheid terwijl er geen enkele voortgang wordt geboekt. Zijn antwoord is dat hij heeft ontdekt dat het in zijn leven niet gaat om de vraag of je bijval hebt gekregen of aan populariteit hebt gewonnen. Het gaat zelfs niet om de vraag wat je hebt bereikt. Uiteindelijk telt alleen wat je eraan hebt gedaan. Dat inzicht had voor hem bevrijdende werking. Je ziet niet meer om naar beloning maar je blijft je inzetten, hoe zwak je inzet ook wordt.


Expedities naar onze inspiratiebronnen

Het is een zoektocht waarbij men elkaar niet moet dwingen tot eensgezindheid. Ook ontbreken de maatstaven om de voortgang te meten. We weten immers niet waar we naar op zoek zijn. We kunnen het einddoel niet duiden, althans niet met behulp van geldende begrippen en concepten. Dan is een benadering aan de orde waarin verschillende expedities, ieder met eigen overtuigingen, op weg gaan. Vergelijk Michel Serres met zijn expedities op de oceaan. Het gaat erom nieuwe doorgangen, nieuwe passages te vinden. Dat beeld van expedities is ook aan de orde op individueel niveau. Zoeken in onszelf wat ons ten diepste inspireert. Het buitengeslotene kan de bron worden voor vernieuwing. Het kwetsbare als bron van inspiratie.

Eerder stelden we dat de mens voor de keuze staat zijn eigen leven en dus zichzelf te ontwerpen of een voorgeprogrammeerd leven te leiden waarin je de betekenissen zoals die in onze structuren en betekeniskaders vastliggen overneemt. De eerste stap naar verandering is het onderkennen van de keuzemogelijkheid als zodanig. Je ontdoen van extern opgelegde betekenisconstructies is in uiterste consequentie een ontmoeting met de leegte. Je neemt dan niet langer de bestaande structuren over maar zoekt een eigen weg. Dat klinkt uitdagend maar kan ook worden ervaren als confronterend. Het is een ontmoeting met betekenisloosheid. Het vraagt ook moed. Het vraagt bewustwording dat je de mogelijkheid hebt om ruimte te scheppen waarin je jezelf kunt ontwerpen en het vraagt moed de mogelijkheid te benutten en de ontmoeting met betekenisloosheid aan te gaan. Het vraagt het besef dat je de betekenis van je eigen leven niet in de werkelijkheid vindt maar in jezelf. Je staat vanuit jezelf in de wereld. Je ontdoen van geldende betekeniskaders is niet eenvoudig. Het is bovendien niet de oplossing maar de voorwaarde voor de oplossing. Die oplossing is dat je ooit, terugkijkend op je eigen leven, kunt stellen dat het betekenisvol is geweest, dat je jezelf bent geworden. Worden wie je bent zoals Marcel Legaut stelt in Devenir soi. (Legaut, 1981)

De ontmoeting met betekenisloosheid betekent dat je onzekerheid in het gezicht kijkt. Die onzekerheid is permanent. Het zoekproces kan niet eindigen in een definitieve bestemming. Het is een kwestie van voortdurend onderweg zijn. De weg als herberg. Ontwikkeling en dynamiek als existentie. Onze begrippen schieten tekort om onze eindbestemming te bevatten. Evenmin als we de oneindigheid van het heelal kunnen benoemen. Ons voorstellingsvermogen laat ons in de steek. Leven betekent dus ook leven met onvoltooidheid. Acceptatie dat “de” waarheid buiten ons bereik zal blijven. Evenmin als we “de” werkelijkheid kunnen omvatten. Wat rest is dat we met onze beelden van de werkelijkheid die werkelijkheid zo dicht mogelijk benaderen. Leven als een voortdurend pogen.

Dat pogen veronderstelt ruimte voor het buitengeslotene, voor wat niet past binnen onze geldende betekeniskaders. Uitingen die per definitie afwijkend zijn van wat we normaal achten. Zeggen wat nog niet gezegd is en wat zich niet leent voor ordening. Dat betekent het weerstaan van de krachten die aandringen op ordening. Initiatieven die niet organiseerbaar zijn, althans niet binnen onze opvattingen van rationaliteit. Open staan voor afbeeldingen die buiten ons voorstellingsvermogen liggen. Voor de bedenkers en constructeurs van vernieuwing houdt dat in vrijmoedigheid van spreken. Zeggen wat binnen onze betekeniskaders onzegbaar is. Een verwijzing naar parrhesia ligt voor de hand. Uitspreken wat gezegd moet worden, ook als dat als ongepast wordt ervaren omdat geldende kaders en structuren de maatstaf zijn geworden voor beoordeling van het nieuwe. Dat leidt tot het afwijzen van het nieuwe, enkel omdat het nieuw en afwijkend is. Het vraagt ook onafhankelijkheid en authenticiteit. Het benoemen van het buitengeslotene kan gemakkelijk als patroonverstorend worden ervaren. Het doorbreekt een cultuur van genoegzaamheid en vriendelijkheid. Vriendelijkheid die gebaseerd kan zijn op non-interventie: ik bemoei me niet met jou zolang jij je niet bemoeit met mij. Vriendelijkheid kan zo gemakkelijk een dekmantel worden voor behoud van het bestaande. Werken aan (systeem)verandering vereist dan ook de uitnodiging te weerstaan in een context van verdediging terecht te komen waarin het nieuwe moet worden verdedigd ten opzichte van het bestaande. Het vraagt een houding om vanuit je eigen overtuiging in het leven te staan. Het vraagt onwankelbaarheid die bestand is tegen “Remmers-in-vaste-dienst” die bestaande structuren overeind willen houden. Het vraagt inzet, ook wanneer er (nog) geen uitzicht is op resultaat. Dan rest slechts de vaste overtuiging van de noodzaak van verandering met in laatste instantie enkel de zekerheid die je in jezelf hebt gevonden.


Literatuur

Beyers Naude, Interview met Dorothe Sölle in Religieuze denkers in beeld, KRO, 1981

Braidotti, Rosi, Op doorreis. Nomadisch denken in de 21ste eeuw, Amsterdam, Uitgeverij Boom, 2004

Dedijn, Herman, Voorbij (de mislukking van) de Moderniteit?, verschenen in Paul Cortois & Guido van Heeswijck (red.), Religie onder kritiek. De plaats van Religie in de seculiere samenleving, Acco, 2016, p. 41 – 53.

Deleuze, Gilles en Guattari, Felix, Rizoom, Uitgever: Rizoom, 1998

Desmet, Mattias, Lacan’s Logic of Subjectivity, a walk on the graph of desire, OWL Press, 2019

Dürkheim von, Karlfried, Religieuze denkers in beeld, KRO, 1981

Dürkheim von, Karlfried, Cultuur van de stilte, Kluwer, 1972

Van Egmond, Een vorm van beschaving, Uitgeverij Christofoor –Zeist; 2e druk juni 2011

Van Egmond, Homo Universalis, 2019

Foucault, Michel, De Moed tot waarheid, Boom, 2011

Legaut, Marcel, Devenir soi, recherchez le sens de sa propre vie, Bibliotheque du Cerf,1981

Oosterling, Henk, Verzet in ecopanische tijden, Lontano, 2020

Oosterling, Henk, Waar geen wil is, is een weg, Boom, 2017

Pico della Mirandola, Rede over de menselijke waardigheid

Polanyi, M. (1962) Personal Knowledge: Towards a Post-critical Philosophy (London, Routledge).

Simon, Herbert, Models of bounded rationality, economic analysis and public policy, volume 1, Mit Press Ltd, 1984

Ransijn, Piet, Het open bewustzijn: de Chinese filosofie van het taoïsme
Deel 2: De terugkeer naar het open bewustzijn volgens ’de oude meester’ Laozi, in: Civis Mundi Digitaal, nr. 95, april 2020

Latour, Bruno en Serres, Michel, Conversations on Science, Culture and Time, University of Michigan Press, 1995

Verhaeghe, Paul, Identiteit, De Bezige Bij, 2015

Wagemans, Mathieu, Een Oceaan van Betekenisloosheid, een kritische analyse van beleid, politiek en wetenschap met een verwijzing naar de filosofie van Michel Serres, Digitalis, Utrecht, 2016

Wagemans Mathieu, Van een definiërend naar een energetisch wereldbeeld: begrippen en feiten als dragers van energie. Deel 1: Nieuw beleid past niet in bestaande kaders en vraagt een ander perspectief, Civis Mundi Digitaal nr 91, november 2019

van der Wal, G.A. De Omkering van de wereld, achtergronden van de milieucrisis en het zinloosheidsbesef, Ambo, 1996

*******************************

Een andere kijk op orde en chaos Deel IV

Collectief bewustzijn en veranderingsprocessen

In Civis Mundi, juninummer, nr 99

Door Mathieu Wagemans


In Deel I en II maakten we een beschouwende analyse van de moderniteit en benoemden we een aantal systeemgebreken. Deel III was gewijd aan de veranderingsopgave waar we voor staan. In dit Deel IV gaan we in op het veranderingsproces. We geven daarbij aandacht aan begrippen als betekenisgeving en bewustzijn. Bij processen van betekenisgeving maken we een onderscheid tussen het individuele en het collectieve niveau. In Deel IV richten we ons op hoe processen van betekenisgeving op collectief niveau verlopen. We staan stil bij wegen waarlangs definities kunnen institutionaliseren. In Deel V staat het individuele niveau centraal; de positie en rol van het individu in en bij ingrijpende veranderingsprocessen

De stap naar een ander wereldbeeld

Er is een breed levend besef dat we toe zijn aan een ander wereldbeeld. De overtuiging wordt intussen in grote kring gedeeld dat we niet kunnen volstaan met aanpassingen binnen het bestaande systeem van ordening en dat we op zoek moeten naar een nieuw fundament. Er wordt gepleit voor een tweede Verlichting. De eerste Verlichting bevrijdde de mens van afhankelijkheden die hij als vanzelfsprekend en dwingend ervoer. De mens kwam vanuit een onafhankelijke relatie tot de werkelijkheid te staan. Maar die vrijheid is weer ingeleverd voor nieuwe afhankelijkheden. Het betekeniskader van de moderniteit heeft ons in zijn greep gekregen. Kenbaarheid en maakbaarheid zijn uitgangspunt en het wereldbeeld van de moderniteit is daarop gegrondvest. We hebben de wereld aangepast aan de eisen van de technologie. Die tweede Verlichting is erop gericht dat we ons aan dat regime onttrekken. Dat houdt in dat we de regie weer in eigen hand nemen en niet langer pion zijn in veranderingsprocessen die met zichzelf aan de haal zijn gegaan. Dat is een lastige opgave, alleen al omdat we het betekeniskader van de moderniteit in sterke mate hebben geïnstitutionaliseerd. We zitten er stevig aan vast. We houden de problemen als het ware georganiseerd in stand. Dat betekeniskader heeft op tal van terreinen vooruitgang gebracht maar is aan vervanging toe omdat het eenzijdig is gericht op steeds verdere rationalisatie met verwaarlozing van wat niet rationeel is maar wel betekenisvol. Belangrijke waarden op ecologisch en sociaal-cultureel gebied staan onder druk en dreigen steeds verder te worden gemarginaliseerd. Nog meer moderniteit kan ons niet helpen maar de problemen eerder nog verder vergroten. Het betekeniskader van de moderniteit heeft echter nog weinig aan dwingende invloed verloren. We hebben dat betekeniskader krachtig geïnstitutionaliseerd zodat we de problemen als het ware georganiseerd in stand houden. Wij hebben de wereld gemodelleerd naar de uitgangspunten en eisen van de moderniteit. Dat wereldbeeld van de moderniteit hebben we geïnternaliseerd. We gedragen ons ernaar. De daarop gebaseerde routines ervaren we als vanzelfsprekend. We staan er nauwelijks bij stil. We zijn als het ware voorgeprogrammeerd en kunnen ons er moeilijk van losmaken. De krachten om een voorgeprogrammeerd leven te leiden zijn sterk.

Kenmerken van die voorprogrammering [MW1] zijn het eenheidsdenken en de daaruit voortvloeiende drang en dwang tot uniformering zoals we zagen in Deel I. Standaardisatie en harmonisatie waren nodig om goed de voordelen van technologie te kunnen benutten. En dus moest de werkelijkheid worden aangepast aan de eisen van de technologie. Maar niet alleen de technologie was oorzaak. In de overheidssfeer zag je vergelijkbare processen. We vinden het belangrijk dat burgers door de overheid gelijk worden behandeld, ook al kan hun situatie erg verschillen. Regels dienen voor iedereen te gelden. Dat heeft geleid tot een regelsysteem dat harmoniserend werkt. De mensen zijn niet gelijk maar voor de toepassing van regels construeren we een werkelijkheid waarin we de ambitie van gelijkheid overeind kunnen houden. En vervolgens worden we alsmaar gedwongen om onze formele constructie van de werkelijkheid aan te passen. We specificeren definities en verbijzonderen procedures, allemaal nodig omdat we onze illusie van maakbaarheid niet willen opgeven. De overheid wordt zo een bron van vervreemding waarbij pogingen om de vervreemding op te lossen uitmonden in steeds meer vervreemding.

Kort en goed, om gebruik te maken van de voordelen van de moderniteit was harmonisatie en standaardisatie nodig. Tegelijkertijd heeft de mens een toenemende behoefte om zich te ontwikkelen als individu. Dat vraagt ruimte en variatie en staat haaks op harmonisering. Er is sprake van een spanning tussen enerzijds een in economisch opzicht welvarend leven en een rijk leven in termen van een betekenisvol leven. Het opgeven van economische welvaart is echter lastig, gehecht als we zijn aan het wereldbeeld van de moderniteit. Het vraagt opoffering in materieel opzicht om ruimte te scheppen voor het niet-materiele, voor het betekenisvolle. Die ruimte, zo is een groeiende overtuiging, vinden we niet in de op materie gerichte wereld buiten onszelf. Onthechting van het materiële vraagt een verandering in onszelf zoals we in Deel V zullen zien.

De overstap naar een ander wereldbeeld is dus niet eenvoudig. We kunnen daarbij niet terugvallen op gebruikelijke processen vanuit een rationeel en instrumenteel perspectief. Toch is dat de gebruikelijke benadering van de instrumentele rationaliteit. We analyseren problemen en formuleren een gewenst beeld van de werkelijkheid. Vervolgens stellen we een plan op waarin we doelen en tussendoelen formuleren. We besluiten welke middelen we nodig hebben en we maken afspraken over wie wat moet doen. We onderscheiden in een logische volgorde een aantal stappen die we vervolgens uitvoeren. Tussentijds evalueren we om te kijken of we op het goede pad zitten. Veranderbaarheid is vanzelfsprekend en is voorondersteld. Nu leert de ervaring ook dat planning geen garantie geeft dat we de gewenste veranderingen ook daadwerkelijk kunnen realiseren. De werkelijkheid blijkt vaak wat ingewikkelder dan vooraf gedacht. De werkelijkheid gedraagt zich niet lineair en blijkt weerbarstig te zijn. De ervaring dat veranderen niet zo eenvoudig is, heeft de laatste decennia geleid tot niet-rationele benaderingen. Zeker wanneer we voor ingrijpende veranderingen staan kunnen we lang niet altijd vertrouwen op vooraf bedachte mechanismen. Veranderen was vaak een kwestie van door- en aanmodderen, van muddling through zoals Lindblom vijftig jaar geleden stelde.

De overtuiging groeide dat mensen moeten meebewegen. Er kwam steeds meer aandacht voor de betekenis van draagvlak en hoe dat kon worden bereikt. Open communicatie is belangrijk. We moeten mensen “meenemen” in het proces. Dat betekent voortdurende interactie. Verandering moet als het ware een construct worden van alle betrokkenen. Maar ook dergelijke zonder twijfel goedbedoelde aanpassingen zijn niet altijd succesvol. Draagvlak krijg je niet door slimme manipulatie met behulp van goed doordachte argumenten. Dat blijf je zitten in een context van belangen. Je probeert anderen van de noodzaak van verandering te overtuigen. Uitgangspunt is dan dat verandering lukt wanneer betrokkenen er het voordeel van inzien.

Wat kunnen we leren van de processen van modernisering?

Alvorens aandacht te geven aan wat nodig is en in te gaan op processen van bewustzijnsverruiming en bewustzijnsverdieping lijkt de vraag relevant wat we van het verleden kunnen leren. Het loont om inzicht te krijgen in hoe het wereldbeeld van de moderniteit dominant kon worden en bezit van ons heeft genomen. Hoe konden we mentaal voorgeprogrammeerd raken zodat vanzelfsprekendheden ons denken en doen gingen beheersen?

Interessant is in dat verband kennis te nemen van de filosofie van Foucault. Die stelt dat processen van disciplinering bezit van ons kunnen nemen zonder dat we ons daarvan bewust zijn. Er ontstaan routines die we als vanzelfsprekend ervaren en die dus geen kritische beschouwing vragen. Wat vanzelf spreekt houdt zichzelf nu eenmaal in stand. We hebben onszelf vastgekluisterd aan patronen. We kunnen ons weliswaar bewust zijn van de eindigheid van de paden die we betreden maar verandering is geen optie. Dan stort onze schijnwereld in elkaar. In plaats daarvan houden we liever illusies in stand. Door vast te houden aan achterhaalde zekerheden kunnen we ons onttrekken aan de noodzaak tot ingrijpende verandering en aan het construeren van nieuwe zekerheden. En wellicht aan een wereldbeeld waarin we definitief afscheid moeten nemen van zekerheden.

Processen van disciplinering verlopen niet lineair maar er is sprake van vaak verfijnde mechanismen. Als voorbeeld de technologische vooruitgang. We hebben veel te danken aan nieuwe technologie maar de technologie vroeg daar een prijs voor. Ongemerkt zijn de verhoudingen omgekeerd. Technologie als instrument werd regisseur. De technologie is gaandeweg met ons op de loop gegaan. Dat kon gebeuren omdat we de techniek als een hulpmiddel zagen, een instrument. Maar dat instrument was geen dood instrument. Het had manipulerend vermogen. Manipulerend als term is hier bewust gekozen. Wat de techniek met ons denken en doen doet is vaak impliciet. Technologie oefent kracht uit maar het is een verborgen kracht die juist daardoor krachtig kan zijn. De impact ervan kan doorwoekeren, juist omdat we ons er niet goed van bewust zijn. Het beeld is vaak dat slechts hiërarchie en regels ons dirigeren en programmeren maar de techniek doet zijn werk ongemerkt en is daardoor gevaarlijker dan hiërarchie. Vergelijk de Nieuwe Actor Theorie van Latour. Die houdt in dat ook objecten werking kunnen hebben. Dat lijkt op het eerste gezicht wellicht een merkwaardige opvatting omdat we geneigd zijn een technisch hulpmiddel op te vatten als dode materie. Nog een stap verder is wanneer we technologie te hulp roepen als oplossing voor problemen die door de technologie worden veroorzaakt. Mestoverschotten in de intensieve veehouderij worden bijvoorbeeld vanuit de landbouw niet opgevat als systeemprobleem van een te ver doorgevoerde intensivering maar er is een onwrikbaar vertrouwen dat nieuwe technologie op het terrein van mestverwerking het probleem zal oplossen. Kortom, door te blijven vettrouwen op technologie kunnen we moeilijke vragen uit de weg gaan.      

Zo verandert de werkelijkheid ongemerkt in een technologisch gedreven werkelijkheid. Die is voor ons vanzelfsprekend geworden waarbij we ons niet meer goed realiseren wat de impact ervan is. De consequentie is dat we ons als mens in een werkelijkheid hebben geplaatst waarin we zelf instrument van de techniek zijn geworden in plaats van omgekeerd. Dat is een ingrijpende verarming van ons menszijn. Ons betekeniskader worde gedomineerd door de techniek. We passen ons aan opdat we de mogelijkheden van de techniek kunnen benutten. We passen niet alleen de condities aan maar ook onszelf. Techniek wordt vanzelfsprekend en dus ook de condities waaronder de techniek kan worden toegepast. Dat is eigen aan het betekeniskader van de moderniteit. We zijn ons er niet goed van bewust. De voordelen van de techniek worden door ons zo sterk gewaardeerd en zijn met ander woorden zo betekenisvol dat de nadelen ervan niet de kracht hebben ons ervan bewust te maken. Gemak en genot staan voorop. Het leidt tot een cultuur van oppervlakkigheid, wellicht niet als keuze maar toch zeker als uitkomst van mentale programmeringsprocessen die ongemerkt hun kracht uitoefenen en werking hebben. Er is sprake van een paradox is. Door onze kennis en technologie zijn we in staat gebleken tot beïnvloeding van de werkelijkheid maar de prijs daarvoor is dat we ons ondergeschikt moesten maken aan de krachten die ons tot die beïnvloeding in staat stelden. Techniek als bron van vervreemding.

Het rationele en instrumentele denkkader heeft zo een nieuwe werkelijkheid geconstrueerd. In die werkelijkheid gelden andere wetten en regels dan in de dagelijkse praktijk en hoe we die ervaren. Interventies die zijn bedoeld om problemen aan te pakken hebben wellicht werking binnen die op rationaliteit gebaseerde werkelijkheid maar niet binnen de werkelijkheid zoals we die zelf dagelijks ervaren. Door interventies blijven de verschillen in stand. Vergelijk het beeld van een rizoom bij Deleuze. We schoffelen het onkruid weg zodra dit zich boven de grond vertoont maar het ondergrondse worstelstelsel blijft onaangetast. We repareren een afwijkend en gemankeerd beeld van de werkelijkheid met interventies die de onderliggende problemen onaangetast laten. Wanneer rationaliteit het probleem is helpt nog meer van eenzelfde rationaliteit niet om dat probleem op te lossen. Het rationaliteitsbegrip zelf is aan verandering toe. Zolang we bestaande concepten van rationaliteit overeind houden, belemmeren we onszelf om de overstap te maken naar de constructie van een nieuwe werkelijkheid. Weliswaar heeft ook die nieuwe werkelijkheid het karakter van een afbeelding maar het is een afbeelding die we ervaren als betekenisvoller en die dus dichter bij onze beleving ligt.

Naar een ander wereldbeeld

Die overstap naar een nieuw wereldbeeld is dus lastig. We vinden die verandering niet wanneer we binnen het thans geldende formele betekeniskader blijven. Een verwijzing ligt voor de hand naar de veel geciteerde uitspraak van Einstein die stelt dat we problemen niet oplossen met behulp van en binnen de kaders die de problemen hebben veroorzaakt. We moeten de ruimte daarbuiten verkennen. Dat kan niet binnen bestaande institutionele kaders omdat die uitdrukking vormen van bestaande betekeniskader. Maar daarbuiten treden is lastig. We zijn zo druk binnen het wereldbeeld van de moderniteit dat we nauwelijks tijd hebben voor een moment van bezinning. We zitten vast aan betekeniskader. We zijn gewikkeld in een strijd om te overleven. De weg die we kiezen is de weg van het economisch model. Er moet groei zijn. Zonder groei geen continuïteit. Maar met deze vorm van groei vergroten we het probleem zonder dat we ons ervan bewust zijn. Dat is zeldzaam sprekend in beeld gebracht door Francisco Goya.

Het is het beeld van twee mannen die met knuppels een conflict uitvechten. Ze staan reeds tot hun knieën in het drijfzand en met iedere slag die ze elkaar toebrengen zinken ze dieper weg. Michel Serres zegt hiervan dat ze door het gevecht toewerken naar hun eigen gezamenlijke begrafenis in het drijfzand. Het schilderij illustreert hoe we zo druk bezig kunnen zijn met oplossing van problemen dat we geen besef meer hebben van de context waarin we leven. Zo is het ook met ons huidige systeem. We willen groei en met ieder stap voorwaarts vergroten we het eigen probleem. Ieder stap voorwaarts brengt ons dichter bij de afgrond. We willen wellicht graag anders maar lopen voortdurend het risico symptomen te bestrijden omdat we vastzitten aan denk- en handelingspatronen die ons doen en laten bepalen. Het betekeniskader van de moderniteit dwingt steeds weer stappen te zetten in de verkeerde richting. Om een ander beeld te gebruiken, het is alsof de opvarenden op een zinkend schip bereid zijn hun eigen zwemvest te verkopen en zo (nog) meer geld te kunnen verdienen. De hebzucht wint het van de drang tot overleven.

De overtuiging leeft breed dat de noodzakelijke verandering van ons vraagt dat we ons bewustzijn verbreden en verdiepen. We moeten ons bewust worden van de noodzaak de overstap te maken naar een nieuw wereldbeeld. Dat houdt in dat we onze eigen routines en vanzelfsprekendheden tegen het licht houden en ons gaan realiseren dat die het bestaande wereldbeeld in stand houden. De signalen voor een dergelijke overgang zijn er al langer. Desmet wijst bijvoorbeeld op het exponentieel groeiend gebruik van psychofarmaca en het epidemisch karakter van de diagnose burn-out. Kennelijk is er iets mis met de mogelijkheid voor mensen binnen het betekeniskader van de moderniteit een betekenisvol leven te leiden. Materiele welvaart is geen garantie voor een leven dat men als betekenisvol ervaart.

Een ander wereldbeeld betekent dat we anders naar de wereld kijken. We moeten ons bewust worden van de negatieve effecten en van de noodzaak van ingrijpende verandering. Ook moeten we ons gaan realiseren dat een ander wereldbeeld een andere opstelling vraagt van onszelf. We moeten ons gaan verhouden tot een andere werkelijkheid. Dat betekent ook dat we ons zelfbeeld moeten veranderen. We gaan eerst in op betekenisgeving. Aansluitend komt het bewustzijn aan de orde.

Processen van betekenisgeving

We geven betekenis aan de werkelijkheid maar hoe ontstaan betekenissen? Hoe verloopt ons denken? Hoe verlopen processen van betekenisgeving? We kunnen verwijzen naar onze opvoeding en opleiding waarin we ons begrippen eigen maken of voorgeschreven krijgen. Maar het proces zelf is, Deleuze volgend, een tamelijk wanordelijk en onvoorspelbaar proces. We kunnen het proces rationaliseren maar die rationalisatie is een constructie achteraf. Het werkelijke proces zelf is een proces van associaties, begrippen, gedachteflitsen, intuïties en invallen. De betekenis die we toekennen aan de werkelijkheid vinden we niet in de werkelijkheid maar die zit in onszelf zoals we in Deel I stelden. Dat proces van betekenisvorming wordt op tal van manieren door externe krachten beïnvloed maar we hanteren als vooronderstelling dat wij het uiteindelijk zelf zijn die tot betekenisgeving komen. Evenmin als bij ons gevoelsleven kunnen we rationeel op het spoor komen waarvan het wezen irrationeel is. We kunnen boosheid rationeel en analytisch ontleden in fasen van ontstaan en in niveaus van intensiteit maar daarmee dringen we niet door tot het wezen van boosheid. We geven dan slechts aandacht aan uitingsvormen van boosheid.

Relevant is verder dat we betekenisgeving hebben geïnstitutionaliseerd. We hebben als het ware de regie erover overgedragen aan instituties. Dat betekent de meest krachtige verankering van processen die denkbaar is. En juist dat maakt de verandering lastig. Institutionalisering betekent dat de krachten van instandhouding en repetitie sterk zijn. In plaats daarvan is creativiteit nodig en creativiteit doet een beroep op voorstellingsvermogen, denken buiten bestaande kaders. We hebben nieuwe concepten nodig om ons een betekenisvolle werkelijkheid voor te stellen. Dat is een werkelijkheid waarin betekenissen door elkaar dwarrelen en op onvoorspelbare momenten en onder onvoorspelbare condities condenseren in betekeniskaders of juist, integendeel, onderlinge bindingen verliezen. Het vraagt ook dat we thans dominante denkkaders zoals lineaire oorzaak-gevolg-relaties minder gewicht geven en open staan voor heel andere relatievormen. Datzelfde geldt voor onze neiging om redenerend tegemoet te treden wat niet beredeneerbaar is. In het wereldbeeld van de moderniteit staat de ratio centraal maar voor verandering moeten we oog krijgen voor het irrationele, voor wat zich niet laat kennen via redeneerlijnen. We hebben nieuwe verhalen nodig, zowel om onze praktijken te kunnen begrijpen als om nieuwe vergezichten te kunnen construeren.

Hoe ziet het wereldbeeld eruit vanuit het perspectief van bewustzijn en bewustwording?

Eerder beschreef ik de werkelijkheid met ruimtelijke begrippen. (Wagemans, 2019). Het is een wereldbeeld waarin betekenissen met duizelingwekkende snelheden door en naast elkaar bewegen, voortdurend verbindingen aangaan en verbindingen ontbinden. We kunnen ons denken niet goed ordenen. Gedachten flitsen door ons hoofd. Wanneer we met nieuwe situaties te maken krijgen zoeken we naar ordening. Wat betekent het? Of beter gezegd, welke betekenis moeten we eraan toekennen? Betekeniskaders die hun betekenis verliezen, uitdoven als het ware. Tegelijkertijd het ontstaan van nieuwe betekeniskaders. Die kunnen een tijdelijk karakter hebben maar ze kunnen ook winnen aan zwaarte, aan energie, omdat ze onomstreden worden geacht in de beleving van velen. Ze kunnen zoveel aan zwaarte winnen dat ze geïnstitutionaliseerd raken. De onderliggende betekenissen worden niet meer bewust beleefd maar vanzelfsprekend geacht.

Het is een beeld van de werkelijkheid waarin beelden van de werkelijkheid permanent door elkaar bewegen. Beelden vat ik daarbij op als betekenisconstructies. Ze hebben naar buiten toe een waarneembare verschijningsvorm maar ze hebben ook een binnenkant die betrekking heeft op de interne dynamiek. Die binnenkant omvat het discours, het complex van uitgangspunten vooronderstellingen en vanzelfsprekendheden die de interne communicatie beheersen. Vorm en taligheid zijn in elkaar vervlochten. Ze kunnen een korte levensduur hebben maar ze kunnen ook stevigheid krijgen doordat beelden door velen worden gedeeld. Of die zoveel aantrekkingskracht hebben dat ze niet langer onderwerp van discussie zijn maar drager worden van steeds meer energie. De beelden verharden. Ze worden materie. Samen met andere beelden vormen ze een overkoepelend perspectief op de werkelijkheid. Er ontstaan verbindingen tussen afzonderlijke definities. Ze gaan een betekeniskader vormen. Dat is een belangrijke stap. Zo belangrijk zelfs dat Polanyi stelde: “All particulars become meaningless if we lose sight of the pattern which they jointly constitute”. Ze vallen niet samen met de werkelijkheid maar het perspectief blijft een afbeelding. Dat een perspectief wordt omarmd als vanzelfsprekend doet daar niet aan af.

Een vergelijking ligt voor de hand van het materiebeeld in de fysica. Mogelijke definities die als gedachteflitsen opkomen en onmiddellijk worden verworpen zijn als moleculen in een gas. Er is sprake van grote beweeglijkheid en vluchtigheid zonder er structuren zijn te onderkennen. Definities c.q. betekenisconstructies kunnen zwaarte krijgen omdat we ze relevant vinden en door anderen worden gedeeld. Ze worden zwaar door de betekenis die we eraan toekennen. Ze worden geladen met energie. Ze verdichten. Er ontstaat enige structuur. Nog een stap verder is wanneer definities alsmaar breder worden gedeeld. De verdichting neemt toe. Gas gaat over in vloeistof. Neemt de zwaarte nog verder toe doordat definities de status van vanzelfsprekendheid krijgen, dan wordt de zwaarte zo groot dat er vaste materie ontstaat. Definities worden vanzelfsprekend. Ze vormen geen onderwerp meer van beschouwing, juist omdat ze breed en krachtig zijn aanvaard. Denk bijvoorbeeld aan definities zoals die in wetten zijn vastgelegd. En deze materie kan nog verder verharden. Er kan sprake zijn van verstening in dogmatische en rigide denkkaders. Voorstellen voor verandering slaan dan stuk op de klippen van onze vanzelfsprekendheden.

De overgang van gedachteflitsen naar geïnstitutionaliseerde betekenissen, van gas naar materie, is slechts te begrijpen door nader te kijken naar onze processen van betekenisgeving. Welke krachten zijn daarop van invloed? In de praktijk van alledag zijn tal van processen waarneembaar die onderling sterk kunnen verschillen. We kennen allemaal de ervaring dat mensen die getuigen zijn van een aanrijding van een fietser door een auto een uiteenlopende beschrijving ervan geven. De een zal de kleur van de auto vermelden, de ander zal rapporteren over de schuld of onschuld van de chauffeur. Weer een ander zal de nadruk leggen op de onveiligheid van het kruispunt waar al zo aak ongelukken zijn gebeurd. Of op het wel of niet snel ter plaatse zijn van de politie. Vergelijk de film Rashomon waarin geheel verschillende beschrijvingen worden gegeven van een misdrijf dat zou hebben plaatsgevonden.

Een ander punt is dat het nogal verschil kan maken wie de constructeur van een definitie of een beeld is. Een opvatting tijdens een verjaardagsfeest heeft een andere zwaarte dan wanneer die tijdens een zitting van de strafrechter wordt geuit. Het verschil kunnen we duiden in termen van de consequenties die een definitie heeft. Die is sterk afhankelijk van de omstandigheden en context waarin die wordt geuit. Neem bijvoorbeeld de rol van de pers. De pers als betekeniscreator. Het maakt nogal verschil voor de zwaarte van een definitie of van een beeld wanneer dat door een individu word beleefd of dat het beeld de voorpagina haalt. Zo beschouwd beschikt de pers over veel vermogen om betekenissen te doen condenseren. De beelden krijgen zwaarte. De pers als condensator van betekenissen.

Een ander voorbeeld is de politiek waar men elkaar graag en stevig vastpint op ooit eerder geuite definities. Verandering van standpunt kan dan gemakkelijk worden opgevat als een gebrek aan standvastigheid. In de reclamewereld zien we dat het leggen van associaties krachtige werking kan hebben. Een product wordt gekoppeld aan een kwaliteitsbeeld. Het beeld van aantrekkelijkheid. Bij een reclamefilm voor koffie zie je nooit gezinsleden die op de achtergrond een hevig conflict uitvechten. De context versterkt de boodschap. Beelden kunnen vervolgens onderdeel van systemen worden waardoor ze vanzelfsprekende invloed krijgen. Beelden krijgen het karakter van instituties. Ze hebben werking omdat er gevolgen aan worden verbonden. De overheid en de rechtspraak zijn zo beschouwd creator van geïnstitutionaliseerde betekenisconstructies. Objecten als geobjectiveerde subjectiviteit.  

De rol van collectief bewustzijn bij systeemverandering

Ons betekeniskader kan worden opgevat als het resultaat van zowel collectief aangereikte c.q. opgelegde betekenissen als individuele constructies. Dat onderscheid is belangrijk. Het raakt aan de vraag in hoeverre we vrij zijn ons eigen wereldbeeld te vormen dan wel die vrijheid (moeten) inleveren omdat we gehouden zijn aan betekenissen die in een samenleving dominant zijn. In welke mate kunnen we onszelf worden en in welke mate is er sprake van processen van dressering waardoor we worden voorgeprogrammeerd? En hoe kunnen we ons aan collectieve dressuur onttrekken?        

Nu lijkt het erop dat we in onze vrije samenleving waarin vrijheid van meningsvorming een groot goed is, vrij zijn om onze eigen weg te gaan. Maar dat is bij nadere beschouwing allerminst vanzelfsprekend. De krachten van collectivisering en harmonisering zijn sterk. Er gelden ordeningen in termen van betekenisgeving die we niet kunnen ontkennen. We worden geboren in een wereld inclusief de daarin geldende programmatuur. De werkelijkheid is al voorgeprogrammeerd. We worden gedresseerd zonder dat we ons dat realiseren. Wie bijvoorbeeld raadslid wordt, merkt hoe zeer het binnen het openbaar bestuur geldende betekeniskader dwingend is. Procedures en protocollen beperken de vrijheid van meningsuiting. Dressering raakt ook raadsleden. Je hebt je te gedragen binnen gedetailleerd uitgewerkte regels, gedragspatronen en informele normen die minstens zo dwingend kunnen zijn.

Hetzelfde geldt voor het rationeel-economisch en technologisch gekleurd betekeniskader dat dominant is binnen de moderniteit. Het economische weegt zwaar. Hoe het met een samenleving gaat, wordt in onze beeldvorming voor een belangrijk deel bepaald door economische maatstaven. Denk aan het bruto-nationaal product, de verhouding tussen import en export, de stijging van de productiviteit, de werkgelegenheid en de inflatie. Het economisch-technologisch perspectief is dominant en zonder dat we ons dat realiseren zijn we gevormd door dit betekeniskader. Het was bedoeld om ons te bevrijden maar heeft bezit van ons genomen. Zie Morin die waarschuwt voor processen waardoor ideeën ons kunnen gaan beheersen.


Verandering van wereldbeeld vraagt andere praktijken. Door onze praktijken en de daaraan ten grondslag liggende waarden bevestigen we het bestaande wereldbeeld steeds weer. We zijn ongemerkt afhankelijk geworden van onze praktijken. We willen wellicht graag anders maar we zitten aan onze praktijken vast. We willen duurzaamheid maar de krachten zijn gericht op bevestiging en herhaling van het bestaande systeem. Dat heeft gevolgen voor de vraag hoe we tot de noodzakelijke verandering kunnen komen. Hoe moet je de systeemkrachten doorbreken? Er is een groeiend besef dat systeemverandering individueel moet beginnen. We willen de overstap maken naar een ander systeem maar de tegenkrachten zijn sterk. De verandering moet dus plaatsvinden ondanks het bestaande systeem. Bovendien ligt er niet een uitgewerkt plan voor een nieuw systeem. Dat moet nog worden geconstrueerd en op uitvoerbaarheid getest. We kunnen dus een sterke motivatie voor verandering hebben zonder dat er sprake is van een uitgewerkt einddoel. We komen later terug op het onderscheid tussen veranderingsprocessen binnen systemen en processen en systeemverandering en op de daarvoor noodzakelijke procescondities. Hier is van belang dat een andere oriëntatie nodig is. Die moet individueel beginnen. We moeten de noodzaak van verandering individueel doorleven. Het vraagt overtuiging en kracht om de verandering in gang te zetten en vooral ook vol te houden.


Van Egmond benadrukt dat we ons de verandering zelf moeten eigen maken. Dat betekent dat we de collectieve krachten die tot harmonisatie dwingen moeten weerstaan. We moeten onszelf transformeren van geprogrammeerd object naar subject dat zich bewust wordt van zijn eigenheid en zijn denken en handelen in overeenstemming wil brengen met het beeld dat hij zich van zichzelf heeft gevormd. Om ingrijpende processen van verandering te doorstaan is een sterke en diep verankerde overtuiging en motivering nodig. Een ander wereldbeeld betekent dat we onszelf opnieuw moeten programmeren en positioneren binnen dat nieuwe wereldbeeld. Wat vraagt het van ons? En zijn we tot die inzet bereid? Zoals Oosterling stelt:

“Problemen adresseren in het aangezicht van gezagsdragers en dwarse waarheden verkondigen ten overstaan van waarheidsdragers is niet de favoriete bezigheid van mensen die van hen afhankelijk zijn.”   

Afstand nemen van het wereldbeeld dat in de moderniteit centraal staat is dus geen eenvoudige opgave. Het betekeniskader van de moderniteit is krachtig en laat zich niet gemakkelijk opzij drukken. De moderne mens is gewend het leven te leiden dat van hem wordt verwacht. Er ligt vaak geen bewuste keuze aan ten grondslag. Dressering gaat vanzelf. Die informele krachten kunnen minstens zo sterk zijn als de formele regels en wetten. Die kun je nog proberen te ontwijken. Maar afwijken van informele regels en vanzelfsprekendheden is niet aantrekkelijk. Je hebt je te gedragen. Er is sprake van een paradox. De moderniteit was gebaseerd op de Verlichting waarin niet langer wereldlijke en kerkelijke machten bepalend waren. Maar de moderniteit heeft geresulteerd in een wereldbeeld dat eveneens stevige beperkingen kent op het vlak van ruimte voor eigen ontwikkeling. Er zijn stevige verwachtingen over hoe je je hebt te gedragen. Het complex van technologie en economie heeft ons als subjecten getransformeerd tot objecten die met de stroom meedrijven. Verandering van wereldbeeld houdt in dat we verworvenheden moeten prijsgeven die we koesteren. Luxe heeft zo zijn voordelen. Verandering van wereldbeeld en afwijken van het geldende wereldbeeld vraagt een stevige prijs. De moderniteit heeft bezit van ons genomen. Naarmate het harmonische sterker wordt beleefd is afwijken ervan lastiger. De structuren zijn dwingend en tegelijkertijd krijgen we er moeilijk vat op omdat ze impliciet zijn. We zijn ons maar zeer gedeeltelijk bewust van onze eigen positie in de werkelijkheid van de moderniteit. We zijn onbewust voorgeprogrammeerd het leven te leven dat past binnen de stijlen van de moderniteit. We komen vanwege het impliciete karakter niet aan onszelf toe. We realiseren ons niet de krachten van de mentale programmering. Gebruik van algoritmen kan bijvoorbeeld tot consequentie hebben dat bestaande praktijken worden gecodeerd en programmatische werking krijgen. In zijn uiterste consequentie worden we voorgeprogrammeerd te herhalen wat we in het verleden deden.


Nu kan dat gemakkelijk het beeld oproepen dat we betrekkelijk willoos het betekeniskader van de moderniteit aanvaarden. Dat beeld behoeft nuancering. Een tweetal voorbeelden als toelichting. In Deel I stelden we dat er tussen het formele betekeniskader van de overheid en de werkelijkheid zoals die door burgers wordt beleefd aanmerkelijke verschillen kunnen bestaan. Maar we stelden ook dat de grens tussen beide doorlaatbaar is. Via herformulering en manipulatie van betekenisgeving proberen burgers hun wensen en zorgen zodanig te presenteren dat ze in aanmerking komen voor subsidies of belastingheffing en strafoplegging kunnen ontgaan. Een tweede voorbeeld is organisatiekundig van aard. Binnen een bureaucratische organisatie is macht onbespreekbaar. Wie baas is bakt nu eenmaal koek. Werkweigering betekent al gauw het einde van een dienstverband. Onderzoek binnen een dienstonderdeel van het Nederlandse Ministerie van Landbouw toonde mechanismen waarbij de formele machtsverdeling symbolisch werd bevestigd waardoor de top van de organisatie geen reden had zich met de uitvoering te bemoeien. Dat gaf vervolgens medewerkers de ruimte om hun eigen voorkeuren te volgen, ook als zij daarmee in strijd handelden met formele richtlijnen. De spanning die dat opleverde binnen de formele structuren werd “opgelost” doordat men de indruk wekte dat men deed wat men werd verondersteld te doen. Men gaf geen aanleiding aan de top van het Ministerie om te interveniëren. Juist daardoor had men in de praktijk de ruimte om de eigen overtuigingen en voorkeuren te volgen. Naast het formele lineaire bureaucratische model was sprake van een tweede machtsverdeling waarin men zelf bepaalde hoe men het werk uitvoerde, ook als dat in strijd was met formele regels. De symbolische bevestiging had als doel af te kunnen wijken van formele opdrachten zonder dat dit tot represailles leidde.



Wagemans, 2010

Enkele quotes:

“Als Den Haag vraagt wat ervan terecht is gekomen, sturen we Den Haag een brief dat we er voldoende aandacht aan hebben besteed.”

“We geven een antwoord waar Den Haag mee uit de voeten kan en waar we zelf ook mee uit de voeten kunnen.”

“De vraagstelling uit Den Haag was zo algemeen dat je niet echt hoefde te liegen om een positief verhaal te vertellen.”

Het mechanisme is dat er ruimte is voor obstructie zolang die zich maar niet uit als obstructie. Men speelt het formele spel mee om er vervolgens van af te kunnen wijken.

Tot slot

We verkenden in Deel IV hoe collectieve processen van betekenisgeving verlopen en hoe die ingrijpende veranderingen kunnen frustreren. Dat verzet kan zich uiten in manifest verzet maar er kan ook sprake zijn van een fijnzinnig spel van verzet waarin de illusie van verandering slechts symbolisch wordt bevestigd. Verder komt naar voeren dat communicatie een manipulatief karakter kan hebben, gericht op beïnvloeding van de beeldvorming. In deel V gaan we in op vragen rond bewustzijn en bewustwording op individueel niveau.

Literatuur


Deleuze, Gilles en Guattari, Felix, What is philosophy?, Columbia University Press, 1996

Van Egmond, Homo Universalis, Moreel kompas voor een nieuwe Europese renaissance, De Geus, 2019

Latour, Bruno, Reassembling the social, an introduction to New Actor Theory, Oxford University Press, 2007

Lindblom, Charles, The Science of "Muddling Through", Public Administration Review, Vol. 19, No. 2 (Spring, 1959), pp. 79-8

Oosterling, Henk, Waar geen wil is, is een weg, Boom, 2017

Polanyi, M. (1962) Personal Knowledge: Towards a Post-critical Philosophy, Routledge

Wagemans, M.C.H. Voor de Verandering, een op ervaringen gebaseerde studie naar de spanning tussen de theorie en de praktijk van het besturen, Dissertatie, Wageningen, 1987

Wagemans, De dressering van raadsleden, essay, januari 2018, www.ontganiseren.nl , www.eutopinanen.nl

Wagemans, Van een definiërend naar een energetisch wereldbeeld, begrippen en feiten als dragers van energie, Deel 1 en 2, in: Civis Mundi, nr 91, nov 2019


********************************


Een andere kijk op orde en chaos Deel IV

Collectief bewustzijn en veranderingsprocessen

Door Mathieu Wagemans


In Deel I en II maakten we een beschouwende analyse van de moderniteit en benoemden we een aantal systeemgebreken. Deel III was gewijd aan de veranderingsopgave waar we voor staan. In dit Deel IV gaan we in op het veranderingsproces. We geven daarbij aandacht aan begrippen als betekenisgeving en bewustzijn. Bij processen van betekenisgeving maken we een onderscheid tussen het individuele en het collectieve niveau. In Deel IV richten we ons op hoe processen van betekenisgeving op collectief niveau verlopen. We staan stil bij wegen waarlangs definities kunnen institutionaliseren. In Deel V staat het individuele niveau centraal; de positie en rol van het individu in en bij ingrijpende veranderingsprocessen

De stap naar een ander wereldbeeld

Er is een breed levend besef dat we toe zijn aan een ander wereldbeeld. De overtuiging wordt intussen in grote kring gedeeld dat we niet kunnen volstaan met aanpassingen binnen het bestaande systeem van ordening en dat we op zoek moeten naar een nieuw fundament. Er wordt gepleit voor een tweede Verlichting. De eerste Verlichting bevrijdde de mens van afhankelijkheden die hij als vanzelfsprekend en dwingend ervoer. De mens kwam vanuit een onafhankelijke relatie tot de werkelijkheid te staan. Maar die vrijheid is weer ingeleverd voor nieuwe afhankelijkheden. Het betekeniskader van de moderniteit heeft ons in zijn greep gekregen. Kenbaarheid en maakbaarheid zijn uitgangspunt en het wereldbeeld van de moderniteit is daarop gegrondvest. We hebben de wereld aangepast aan de eisen van de technologie. Die tweede Verlichting is erop gericht dat we ons aan dat regime onttrekken. Dat houdt in dat we de regie weer in eigen hand nemen en niet langer pion zijn in veranderingsprocessen die met zichzelf aan de haal zijn gegaan. Dat is een lastige opgave, alleen al omdat we het betekeniskader van de moderniteit in sterke mate hebben geïnstitutionaliseerd. We zitten er stevig aan vast. We houden de problemen als het ware georganiseerd in stand. Dat betekeniskader heeft op tal van terreinen vooruitgang gebracht maar is aan vervanging toe omdat het eenzijdig is gericht op steeds verdere rationalisatie met verwaarlozing van wat niet rationeel is maar wel betekenisvol. Belangrijke waarden op ecologisch en sociaal-cultureel gebied staan onder druk en dreigen steeds verder te worden gemarginaliseerd. Nog meer moderniteit kan ons niet helpen maar de problemen eerder nog verder vergroten. Het betekeniskader van de moderniteit heeft echter nog weinig aan dwingende invloed verloren. We hebben dat betekeniskader krachtig geïnstitutionaliseerd zodat we de problemen als het ware georganiseerd in stand houden. Wij hebben de wereld gemodelleerd naar de uitgangspunten en eisen van de moderniteit. Dat wereldbeeld van de moderniteit hebben we geïnternaliseerd. We gedragen ons ernaar. De daarop gebaseerde routines ervaren we als vanzelfsprekend. We staan er nauwelijks bij stil. We zijn als het ware voorgeprogrammeerd en kunnen ons er moeilijk van losmaken. De krachten om een voorgeprogrammeerd leven te leiden zijn sterk.

Kenmerken van die voorprogrammering [MW1] zijn het eenheidsdenken en de daaruit voortvloeiende drang en dwang tot uniformering zoals we zagen in Deel I. Standaardisatie en harmonisatie waren nodig om goed de voordelen van technologie te kunnen benutten. En dus moest de werkelijkheid worden aangepast aan de eisen van de technologie. Maar niet alleen de technologie was oorzaak. In de overheidssfeer zag je vergelijkbare processen. We vinden het belangrijk dat burgers door de overheid gelijk worden behandeld, ook al kan hun situatie erg verschillen. Regels dienen voor iedereen te gelden. Dat heeft geleid tot een regelsysteem dat harmoniserend werkt. De mensen zijn niet gelijk maar voor de toepassing van regels construeren we een werkelijkheid waarin we de ambitie van gelijkheid overeind kunnen houden. En vervolgens worden we alsmaar gedwongen om onze formele constructie van de werkelijkheid aan te passen. We specificeren definities en verbijzonderen procedures, allemaal nodig omdat we onze illusie van maakbaarheid niet willen opgeven. De overheid wordt zo een bron van vervreemding waarbij pogingen om de vervreemding op te lossen uitmonden in steeds meer vervreemding.

Kort en goed, om gebruik te maken van de voordelen van de moderniteit was harmonisatie en standaardisatie nodig. Tegelijkertijd heeft de mens een toenemende behoefte om zich te ontwikkelen als individu. Dat vraagt ruimte en variatie en staat haaks op harmonisering. Er is sprake van een spanning tussen enerzijds een in economisch opzicht welvarend leven en een rijk leven in termen van een betekenisvol leven. Het opgeven van economische welvaart is echter lastig, gehecht als we zijn aan het wereldbeeld van de moderniteit. Het vraagt opoffering in materieel opzicht om ruimte te scheppen voor het niet-materiele, voor het betekenisvolle. Die ruimte, zo is een groeiende overtuiging, vinden we niet in de op materie gerichte wereld buiten onszelf. Onthechting van het materiële vraagt een verandering in onszelf zoals we in Deel V zullen zien.

De overstap naar een ander wereldbeeld is dus niet eenvoudig. We kunnen daarbij niet terugvallen op gebruikelijke processen vanuit een rationeel en instrumenteel perspectief. Toch is dat de gebruikelijke benadering van de instrumentele rationaliteit. We analyseren problemen en formuleren een gewenst beeld van de werkelijkheid. Vervolgens stellen we een plan op waarin we doelen en tussendoelen formuleren. We besluiten welke middelen we nodig hebben en we maken afspraken over wie wat moet doen. We onderscheiden in een logische volgorde een aantal stappen die we vervolgens uitvoeren. Tussentijds evalueren we om te kijken of we op het goede pad zitten. Veranderbaarheid is vanzelfsprekend en is voorondersteld. Nu leert de ervaring ook dat planning geen garantie geeft dat we de gewenste veranderingen ook daadwerkelijk kunnen realiseren. De werkelijkheid blijkt vaak wat ingewikkelder dan vooraf gedacht. De werkelijkheid gedraagt zich niet lineair en blijkt weerbarstig te zijn. De ervaring dat veranderen niet zo eenvoudig is, heeft de laatste decennia geleid tot niet-rationele benaderingen. Zeker wanneer we voor ingrijpende veranderingen staan kunnen we lang niet altijd vertrouwen op vooraf bedachte mechanismen. Veranderen was vaak een kwestie van door- en aanmodderen, van muddling through zoals Lindblom vijftig jaar geleden stelde.

De overtuiging groeide dat mensen moeten meebewegen. Er kwam steeds meer aandacht voor de betekenis van draagvlak en hoe dat kon worden bereikt. Open communicatie is belangrijk. We moeten mensen “meenemen” in het proces. Dat betekent voortdurende interactie. Verandering moet als het ware een construct worden van alle betrokkenen. Maar ook dergelijke zonder twijfel goedbedoelde aanpassingen zijn niet altijd succesvol. Draagvlak krijg je niet door slimme manipulatie met behulp van goed doordachte argumenten. Dat blijf je zitten in een context van belangen. Je probeert anderen van de noodzaak van verandering te overtuigen. Uitgangspunt is dan dat verandering lukt wanneer betrokkenen er het voordeel van inzien.

Wat kunnen we leren van de processen van modernisering?

Alvorens aandacht te geven aan wat nodig is en in te gaan op processen van bewustzijnsverruiming en bewustzijnsverdieping lijkt de vraag relevant wat we van het verleden kunnen leren. Het loont om inzicht te krijgen in hoe het wereldbeeld van de moderniteit dominant kon worden en bezit van ons heeft genomen. Hoe konden we mentaal voorgeprogrammeerd raken zodat vanzelfsprekendheden ons denken en doen gingen beheersen?

Interessant is in dat verband kennis te nemen van de filosofie van Foucault. Die stelt dat processen van disciplinering bezit van ons kunnen nemen zonder dat we ons daarvan bewust zijn. Er ontstaan routines die we als vanzelfsprekend ervaren en die dus geen kritische beschouwing vragen. Wat vanzelf spreekt houdt zichzelf nu eenmaal in stand. We hebben onszelf vastgekluisterd aan patronen. We kunnen ons weliswaar bewust zijn van de eindigheid van de paden die we betreden maar verandering is geen optie. Dan stort onze schijnwereld in elkaar. In plaats daarvan houden we liever illusies in stand. Door vast te houden aan achterhaalde zekerheden kunnen we ons onttrekken aan de noodzaak tot ingrijpende verandering en aan het construeren van nieuwe zekerheden. En wellicht aan een wereldbeeld waarin we definitief afscheid moeten nemen van zekerheden.

Processen van disciplinering verlopen niet lineair maar er is sprake van vaak verfijnde mechanismen. Als voorbeeld de technologische vooruitgang. We hebben veel te danken aan nieuwe technologie maar de technologie vroeg daar een prijs voor. Ongemerkt zijn de verhoudingen omgekeerd. Technologie als instrument werd regisseur. De technologie is gaandeweg met ons op de loop gegaan. Dat kon gebeuren omdat we de techniek als een hulpmiddel zagen, een instrument. Maar dat instrument was geen dood instrument. Het had manipulerend vermogen. Manipulerend als term is hier bewust gekozen. Wat de techniek met ons denken en doen doet is vaak impliciet. Technologie oefent kracht uit maar het is een verborgen kracht die juist daardoor krachtig kan zijn. De impact ervan kan doorwoekeren, juist omdat we ons er niet goed van bewust zijn. Het beeld is vaak dat slechts hiërarchie en regels ons dirigeren en programmeren maar de techniek doet zijn werk ongemerkt en is daardoor gevaarlijker dan hiërarchie. Vergelijk de Nieuwe Actor Theorie van Latour. Die houdt in dat ook objecten werking kunnen hebben. Dat lijkt op het eerste gezicht wellicht een merkwaardige opvatting omdat we geneigd zijn een technisch hulpmiddel op te vatten als dode materie. Nog een stap verder is wanneer we technologie te hulp roepen als oplossing voor problemen die door de technologie worden veroorzaakt. Mestoverschotten in de intensieve veehouderij worden bijvoorbeeld vanuit de landbouw niet opgevat als systeemprobleem van een te ver doorgevoerde intensivering maar er is een onwrikbaar vertrouwen dat nieuwe technologie op het terrein van mestverwerking het probleem zal oplossen. Kortom, door te blijven vettrouwen op technologie kunnen we moeilijke vragen uit de weg gaan.      

Zo verandert de werkelijkheid ongemerkt in een technologisch gedreven werkelijkheid. Die is voor ons vanzelfsprekend geworden waarbij we ons niet meer goed realiseren wat de impact ervan is. De consequentie is dat we ons als mens in een werkelijkheid hebben geplaatst waarin we zelf instrument van de techniek zijn geworden in plaats van omgekeerd. Dat is een ingrijpende verarming van ons menszijn. Ons betekeniskader worde gedomineerd door de techniek. We passen ons aan opdat we de mogelijkheden van de techniek kunnen benutten. We passen niet alleen de condities aan maar ook onszelf. Techniek wordt vanzelfsprekend en dus ook de condities waaronder de techniek kan worden toegepast. Dat is eigen aan het betekeniskader van de moderniteit. We zijn ons er niet goed van bewust. De voordelen van de techniek worden door ons zo sterk gewaardeerd en zijn met ander woorden zo betekenisvol dat de nadelen ervan niet de kracht hebben ons ervan bewust te maken. Gemak en genot staan voorop. Het leidt tot een cultuur van oppervlakkigheid, wellicht niet als keuze maar toch zeker als uitkomst van mentale programmeringsprocessen die ongemerkt hun kracht uitoefenen en werking hebben. Er is sprake van een paradox is. Door onze kennis en technologie zijn we in staat gebleken tot beïnvloeding van de werkelijkheid maar de prijs daarvoor is dat we ons ondergeschikt moesten maken aan de krachten die ons tot die beïnvloeding in staat stelden. Techniek als bron van vervreemding.

Het rationele en instrumentele denkkader heeft zo een nieuwe werkelijkheid geconstrueerd. In die werkelijkheid gelden andere wetten en regels dan in de dagelijkse praktijk en hoe we die ervaren. Interventies die zijn bedoeld om problemen aan te pakken hebben wellicht werking binnen die op rationaliteit gebaseerde werkelijkheid maar niet binnen de werkelijkheid zoals we die zelf dagelijks ervaren. Door interventies blijven de verschillen in stand. Vergelijk het beeld van een rizoom bij Deleuze. We schoffelen het onkruid weg zodra dit zich boven de grond vertoont maar het ondergrondse worstelstelsel blijft onaangetast. We repareren een afwijkend en gemankeerd beeld van de werkelijkheid met interventies die de onderliggende problemen onaangetast laten. Wanneer rationaliteit het probleem is helpt nog meer van eenzelfde rationaliteit niet om dat probleem op te lossen. Het rationaliteitsbegrip zelf is aan verandering toe. Zolang we bestaande concepten van rationaliteit overeind houden, belemmeren we onszelf om de overstap te maken naar de constructie van een nieuwe werkelijkheid. Weliswaar heeft ook die nieuwe werkelijkheid het karakter van een afbeelding maar het is een afbeelding die we ervaren als betekenisvoller en die dus dichter bij onze beleving ligt.

Naar een ander wereldbeeld

Die overstap naar een nieuw wereldbeeld is dus lastig. We vinden die verandering niet wanneer we binnen het thans geldende formele betekeniskader blijven. Een verwijzing ligt voor de hand naar de veel geciteerde uitspraak van Einstein die stelt dat we problemen niet oplossen met behulp van en binnen de kaders die de problemen hebben veroorzaakt. We moeten de ruimte daarbuiten verkennen. Dat kan niet binnen bestaande institutionele kaders omdat die uitdrukking vormen van bestaande betekeniskader. Maar daarbuiten treden is lastig. We zijn zo druk binnen het wereldbeeld van de moderniteit dat we nauwelijks tijd hebben voor een moment van bezinning. We zitten vast aan betekeniskader. We zijn gewikkeld in een strijd om te overleven. De weg die we kiezen is de weg van het economisch model. Er moet groei zijn. Zonder groei geen continuïteit. Maar met deze vorm van groei vergroten we het probleem zonder dat we ons ervan bewust zijn. Dat is zeldzaam sprekend in beeld gebracht door Francisco Goya.

Het is het beeld van twee mannen die met knuppels een conflict uitvechten. Ze staan reeds tot hun knieën in het drijfzand en met iedere slag die ze elkaar toebrengen zinken ze dieper weg. Michel Serres zegt hiervan dat ze door het gevecht toewerken naar hun eigen gezamenlijke begrafenis in het drijfzand. Het schilderij illustreert hoe we zo druk bezig kunnen zijn met oplossing van problemen dat we geen besef meer hebben van de context waarin we leven. Zo is het ook met ons huidige systeem. We willen groei en met ieder stap voorwaarts vergroten we het eigen probleem. Ieder stap voorwaarts brengt ons dichter bij de afgrond. We willen wellicht graag anders maar lopen voortdurend het risico symptomen te bestrijden omdat we vastzitten aan denk- en handelingspatronen die ons doen en laten bepalen. Het betekeniskader van de moderniteit dwingt steeds weer stappen te zetten in de verkeerde richting. Om een ander beeld te gebruiken, het is alsof de opvarenden op een zinkend schip bereid zijn hun eigen zwemvest te verkopen en zo (nog) meer geld te kunnen verdienen. De hebzucht wint het van de drang tot overleven.

De overtuiging leeft breed dat de noodzakelijke verandering van ons vraagt dat we ons bewustzijn verbreden en verdiepen. We moeten ons bewust worden van de noodzaak de overstap te maken naar een nieuw wereldbeeld. Dat houdt in dat we onze eigen routines en vanzelfsprekendheden tegen het licht houden en ons gaan realiseren dat die het bestaande wereldbeeld in stand houden. De signalen voor een dergelijke overgang zijn er al langer. Desmet wijst bijvoorbeeld op het exponentieel groeiend gebruik van psychofarmaca en het epidemisch karakter van de diagnose burn-out. Kennelijk is er iets mis met de mogelijkheid voor mensen binnen het betekeniskader van de moderniteit een betekenisvol leven te leiden. Materiele welvaart is geen garantie voor een leven dat men als betekenisvol ervaart.

Een ander wereldbeeld betekent dat we anders naar de wereld kijken. We moeten ons bewust worden van de negatieve effecten en van de noodzaak van ingrijpende verandering. Ook moeten we ons gaan realiseren dat een ander wereldbeeld een andere opstelling vraagt van onszelf. We moeten ons gaan verhouden tot een andere werkelijkheid. Dat betekent ook dat we ons zelfbeeld moeten veranderen. We gaan eerst in op betekenisgeving. Aansluitend komt het bewustzijn aan de orde.

Processen van betekenisgeving

We geven betekenis aan de werkelijkheid maar hoe ontstaan betekenissen? Hoe verloopt ons denken? Hoe verlopen processen van betekenisgeving? We kunnen verwijzen naar onze opvoeding en opleiding waarin we ons begrippen eigen maken of voorgeschreven krijgen. Maar het proces zelf is, Deleuze volgend, een tamelijk wanordelijk en onvoorspelbaar proces. We kunnen het proces rationaliseren maar die rationalisatie is een constructie achteraf. Het werkelijke proces zelf is een proces van associaties, begrippen, gedachteflitsen, intuïties en invallen. De betekenis die we toekennen aan de werkelijkheid vinden we niet in de werkelijkheid maar die zit in onszelf zoals we in Deel I stelden. Dat proces van betekenisvorming wordt op tal van manieren door externe krachten beïnvloed maar we hanteren als vooronderstelling dat wij het uiteindelijk zelf zijn die tot betekenisgeving komen. Evenmin als bij ons gevoelsleven kunnen we rationeel op het spoor komen waarvan het wezen irrationeel is. We kunnen boosheid rationeel en analytisch ontleden in fasen van ontstaan en in niveaus van intensiteit maar daarmee dringen we niet door tot het wezen van boosheid. We geven dan slechts aandacht aan uitingsvormen van boosheid.

Relevant is verder dat we betekenisgeving hebben geïnstitutionaliseerd. We hebben als het ware de regie erover overgedragen aan instituties. Dat betekent de meest krachtige verankering van processen die denkbaar is. En juist dat maakt de verandering lastig. Institutionalisering betekent dat de krachten van instandhouding en repetitie sterk zijn. In plaats daarvan is creativiteit nodig en creativiteit doet een beroep op voorstellingsvermogen, denken buiten bestaande kaders. We hebben nieuwe concepten nodig om ons een betekenisvolle werkelijkheid voor te stellen. Dat is een werkelijkheid waarin betekenissen door elkaar dwarrelen en op onvoorspelbare momenten en onder onvoorspelbare condities condenseren in betekeniskaders of juist, integendeel, onderlinge bindingen verliezen. Het vraagt ook dat we thans dominante denkkaders zoals lineaire oorzaak-gevolg-relaties minder gewicht geven en open staan voor heel andere relatievormen. Datzelfde geldt voor onze neiging om redenerend tegemoet te treden wat niet beredeneerbaar is. In het wereldbeeld van de moderniteit staat de ratio centraal maar voor verandering moeten we oog krijgen voor het irrationele, voor wat zich niet laat kennen via redeneerlijnen. We hebben nieuwe verhalen nodig, zowel om onze praktijken te kunnen begrijpen als om nieuwe vergezichten te kunnen construeren.

Hoe ziet het wereldbeeld eruit vanuit het perspectief van bewustzijn en bewustwording?

Eerder beschreef ik de werkelijkheid met ruimtelijke begrippen. (Wagemans, 2019). Het is een wereldbeeld waarin betekenissen met duizelingwekkende snelheden door en naast elkaar bewegen, voortdurend verbindingen aangaan en verbindingen ontbinden. We kunnen ons denken niet goed ordenen. Gedachten flitsen door ons hoofd. Wanneer we met nieuwe situaties te maken krijgen zoeken we naar ordening. Wat betekent het? Of beter gezegd, welke betekenis moeten we eraan toekennen? Betekeniskaders die hun betekenis verliezen, uitdoven als het ware. Tegelijkertijd het ontstaan van nieuwe betekeniskaders. Die kunnen een tijdelijk karakter hebben maar ze kunnen ook winnen aan zwaarte, aan energie, omdat ze onomstreden worden geacht in de beleving van velen. Ze kunnen zoveel aan zwaarte winnen dat ze geïnstitutionaliseerd raken. De onderliggende betekenissen worden niet meer bewust beleefd maar vanzelfsprekend geacht.

Het is een beeld van de werkelijkheid waarin beelden van de werkelijkheid permanent door elkaar bewegen. Beelden vat ik daarbij op als betekenisconstructies. Ze hebben naar buiten toe een waarneembare verschijningsvorm maar ze hebben ook een binnenkant die betrekking heeft op de interne dynamiek. Die binnenkant omvat het discours, het complex van uitgangspunten vooronderstellingen en vanzelfsprekendheden die de interne communicatie beheersen. Vorm en taligheid zijn in elkaar vervlochten. Ze kunnen een korte levensduur hebben maar ze kunnen ook stevigheid krijgen doordat beelden door velen worden gedeeld. Of die zoveel aantrekkingskracht hebben dat ze niet langer onderwerp van discussie zijn maar drager worden van steeds meer energie. De beelden verharden. Ze worden materie. Samen met andere beelden vormen ze een overkoepelend perspectief op de werkelijkheid. Er ontstaan verbindingen tussen afzonderlijke definities. Ze gaan een betekeniskader vormen. Dat is een belangrijke stap. Zo belangrijk zelfs dat Polanyi stelde: “All particulars become meaningless if we lose sight of the pattern which they jointly constitute”. Ze vallen niet samen met de werkelijkheid maar het perspectief blijft een afbeelding. Dat een perspectief wordt omarmd als vanzelfsprekend doet daar niet aan af.

Een vergelijking ligt voor de hand van het materiebeeld in de fysica. Mogelijke definities die als gedachteflitsen opkomen en onmiddellijk worden verworpen zijn als moleculen in een gas. Er is sprake van grote beweeglijkheid en vluchtigheid zonder er structuren zijn te onderkennen. Definities c.q. betekenisconstructies kunnen zwaarte krijgen omdat we ze relevant vinden en door anderen worden gedeeld. Ze worden zwaar door de betekenis die we eraan toekennen. Ze worden geladen met energie. Ze verdichten. Er ontstaat enige structuur. Nog een stap verder is wanneer definities alsmaar breder worden gedeeld. De verdichting neemt toe. Gas gaat over in vloeistof. Neemt de zwaarte nog verder toe doordat definities de status van vanzelfsprekendheid krijgen, dan wordt de zwaarte zo groot dat er vaste materie ontstaat. Definities worden vanzelfsprekend. Ze vormen geen onderwerp meer van beschouwing, juist omdat ze breed en krachtig zijn aanvaard. Denk bijvoorbeeld aan definities zoals die in wetten zijn vastgelegd. En deze materie kan nog verder verharden. Er kan sprake zijn van verstening in dogmatische en rigide denkkaders. Voorstellen voor verandering slaan dan stuk op de klippen van onze vanzelfsprekendheden.

De overgang van gedachteflitsen naar geïnstitutionaliseerde betekenissen, van gas naar materie, is slechts te begrijpen door nader te kijken naar onze processen van betekenisgeving. Welke krachten zijn daarop van invloed? In de praktijk van alledag zijn tal van processen waarneembaar die onderling sterk kunnen verschillen. We kennen allemaal de ervaring dat mensen die getuigen zijn van een aanrijding van een fietser door een auto een uiteenlopende beschrijving ervan geven. De een zal de kleur van de auto vermelden, de ander zal rapporteren over de schuld of onschuld van de chauffeur. Weer een ander zal de nadruk leggen op de onveiligheid van het kruispunt waar al zo aak ongelukken zijn gebeurd. Of op het wel of niet snel ter plaatse zijn van de politie. Vergelijk de film Rashomon waarin geheel verschillende beschrijvingen worden gegeven van een misdrijf dat zou hebben plaatsgevonden.

Een ander punt is dat het nogal verschil kan maken wie de constructeur van een definitie of een beeld is. Een opvatting tijdens een verjaardagsfeest heeft een andere zwaarte dan wanneer die tijdens een zitting van de strafrechter wordt geuit. Het verschil kunnen we duiden in termen van de consequenties die een definitie heeft. Die is sterk afhankelijk van de omstandigheden en context waarin die wordt geuit. Neem bijvoorbeeld de rol van de pers. De pers als betekeniscreator. Het maakt nogal verschil voor de zwaarte van een definitie of van een beeld wanneer dat door een individu word beleefd of dat het beeld de voorpagina haalt. Zo beschouwd beschikt de pers over veel vermogen om betekenissen te doen condenseren. De beelden krijgen zwaarte. De pers als condensator van betekenissen.

Een ander voorbeeld is de politiek waar men elkaar graag en stevig vastpint op ooit eerder geuite definities. Verandering van standpunt kan dan gemakkelijk worden opgevat als een gebrek aan standvastigheid. In de reclamewereld zien we dat het leggen van associaties krachtige werking kan hebben. Een product wordt gekoppeld aan een kwaliteitsbeeld. Het beeld van aantrekkelijkheid. Bij een reclamefilm voor koffie zie je nooit gezinsleden die op de achtergrond een hevig conflict uitvechten. De context versterkt de boodschap. Beelden kunnen vervolgens onderdeel van systemen worden waardoor ze vanzelfsprekende invloed krijgen. Beelden krijgen het karakter van instituties. Ze hebben werking omdat er gevolgen aan worden verbonden. De overheid en de rechtspraak zijn zo beschouwd creator van geïnstitutionaliseerde betekenisconstructies. Objecten als geobjectiveerde subjectiviteit.  

De rol van collectief bewustzijn bij systeemverandering

Ons betekeniskader kan worden opgevat als het resultaat van zowel collectief aangereikte c.q. opgelegde betekenissen als individuele constructies. Dat onderscheid is belangrijk. Het raakt aan de vraag in hoeverre we vrij zijn ons eigen wereldbeeld te vormen dan wel die vrijheid (moeten) inleveren omdat we gehouden zijn aan betekenissen die in een samenleving dominant zijn. In welke mate kunnen we onszelf worden en in welke mate is er sprake van processen van dressering waardoor we worden voorgeprogrammeerd? En hoe kunnen we ons aan collectieve dressuur onttrekken?        

Nu lijkt het erop dat we in onze vrije samenleving waarin vrijheid van meningsvorming een groot goed is, vrij zijn om onze eigen weg te gaan. Maar dat is bij nadere beschouwing allerminst vanzelfsprekend. De krachten van collectivisering en harmonisering zijn sterk. Er gelden ordeningen in termen van betekenisgeving die we niet kunnen ontkennen. We worden geboren in een wereld inclusief de daarin geldende programmatuur. De werkelijkheid is al voorgeprogrammeerd. We worden gedresseerd zonder dat we ons dat realiseren. Wie bijvoorbeeld raadslid wordt, merkt hoe zeer het binnen het openbaar bestuur geldende betekeniskader dwingend is. Procedures en protocollen beperken de vrijheid van meningsuiting. Dressering raakt ook raadsleden. Je hebt je te gedragen binnen gedetailleerd uitgewerkte regels, gedragspatronen en informele normen die minstens zo dwingend kunnen zijn.

Hetzelfde geldt voor het rationeel-economisch en technologisch gekleurd betekeniskader dat dominant is binnen de moderniteit. Het economische weegt zwaar. Hoe het met een samenleving gaat, wordt in onze beeldvorming voor een belangrijk deel bepaald door economische maatstaven. Denk aan het bruto-nationaal product, de verhouding tussen import en export, de stijging van de productiviteit, de werkgelegenheid en de inflatie. Het economisch-technologisch perspectief is dominant en zonder dat we ons dat realiseren zijn we gevormd door dit betekeniskader. Het was bedoeld om ons te bevrijden maar heeft bezit van ons genomen. Zie Morin die waarschuwt voor processen waardoor ideeën ons kunnen gaan beheersen.


Verandering van wereldbeeld vraagt andere praktijken. Door onze praktijken en de daaraan ten grondslag liggende waarden bevestigen we het bestaande wereldbeeld steeds weer. We zijn ongemerkt afhankelijk geworden van onze praktijken. We willen wellicht graag anders maar we zitten aan onze praktijken vast. We willen duurzaamheid maar de krachten zijn gericht op bevestiging en herhaling van het bestaande systeem. Dat heeft gevolgen voor de vraag hoe we tot de noodzakelijke verandering kunnen komen. Hoe moet je de systeemkrachten doorbreken? Er is een groeiend besef dat systeemverandering individueel moet beginnen. We willen de overstap maken naar een ander systeem maar de tegenkrachten zijn sterk. De verandering moet dus plaatsvinden ondanks het bestaande systeem. Bovendien ligt er niet een uitgewerkt plan voor een nieuw systeem. Dat moet nog worden geconstrueerd en op uitvoerbaarheid getest. We kunnen dus een sterke motivatie voor verandering hebben zonder dat er sprake is van een uitgewerkt einddoel. We komen later terug op het onderscheid tussen veranderingsprocessen binnen systemen en processen en systeemverandering en op de daarvoor noodzakelijke procescondities. Hier is van belang dat een andere oriëntatie nodig is. Die moet individueel beginnen. We moeten de noodzaak van verandering individueel doorleven. Het vraagt overtuiging en kracht om de verandering in gang te zetten en vooral ook vol te houden.


Van Egmond benadrukt dat we ons de verandering zelf moeten eigen maken. Dat betekent dat we de collectieve krachten die tot harmonisatie dwingen moeten weerstaan. We moeten onszelf transformeren van geprogrammeerd object naar subject dat zich bewust wordt van zijn eigenheid en zijn denken en handelen in overeenstemming wil brengen met het beeld dat hij zich van zichzelf heeft gevormd. Om ingrijpende processen van verandering te doorstaan is een sterke en diep verankerde overtuiging en motivering nodig. Een ander wereldbeeld betekent dat we onszelf opnieuw moeten programmeren en positioneren binnen dat nieuwe wereldbeeld. Wat vraagt het van ons? En zijn we tot die inzet bereid? Zoals Oosterling stelt:

“Problemen adresseren in het aangezicht van gezagsdragers en dwarse waarheden verkondigen ten overstaan van waarheidsdragers is niet de favoriete bezigheid van mensen die van hen afhankelijk zijn.”   

Afstand nemen van het wereldbeeld dat in de moderniteit centraal staat is dus geen eenvoudige opgave. Het betekeniskader van de moderniteit is krachtig en laat zich niet gemakkelijk opzij drukken. De moderne mens is gewend het leven te leiden dat van hem wordt verwacht. Er ligt vaak geen bewuste keuze aan ten grondslag. Dressering gaat vanzelf. Die informele krachten kunnen minstens zo sterk zijn als de formele regels en wetten. Die kun je nog proberen te ontwijken. Maar afwijken van informele regels en vanzelfsprekendheden is niet aantrekkelijk. Je hebt je te gedragen. Er is sprake van een paradox. De moderniteit was gebaseerd op de Verlichting waarin niet langer wereldlijke en kerkelijke machten bepalend waren. Maar de moderniteit heeft geresulteerd in een wereldbeeld dat eveneens stevige beperkingen kent op het vlak van ruimte voor eigen ontwikkeling. Er zijn stevige verwachtingen over hoe je je hebt te gedragen. Het complex van technologie en economie heeft ons als subjecten getransformeerd tot objecten die met de stroom meedrijven. Verandering van wereldbeeld houdt in dat we verworvenheden moeten prijsgeven die we koesteren. Luxe heeft zo zijn voordelen. Verandering van wereldbeeld en afwijken van het geldende wereldbeeld vraagt een stevige prijs. De moderniteit heeft bezit van ons genomen. Naarmate het harmonische sterker wordt beleefd is afwijken ervan lastiger. De structuren zijn dwingend en tegelijkertijd krijgen we er moeilijk vat op omdat ze impliciet zijn. We zijn ons maar zeer gedeeltelijk bewust van onze eigen positie in de werkelijkheid van de moderniteit. We zijn onbewust voorgeprogrammeerd het leven te leven dat past binnen de stijlen van de moderniteit. We komen vanwege het impliciete karakter niet aan onszelf toe. We realiseren ons niet de krachten van de mentale programmering. Gebruik van algoritmen kan bijvoorbeeld tot consequentie hebben dat bestaande praktijken worden gecodeerd en programmatische werking krijgen. In zijn uiterste consequentie worden we voorgeprogrammeerd te herhalen wat we in het verleden deden.


Nu kan dat gemakkelijk het beeld oproepen dat we betrekkelijk willoos het betekeniskader van de moderniteit aanvaarden. Dat beeld behoeft nuancering. Een tweetal voorbeelden als toelichting. In Deel I stelden we dat er tussen het formele betekeniskader van de overheid en de werkelijkheid zoals die door burgers wordt beleefd aanmerkelijke verschillen kunnen bestaan. Maar we stelden ook dat de grens tussen beide doorlaatbaar is. Via herformulering en manipulatie van betekenisgeving proberen burgers hun wensen en zorgen zodanig te presenteren dat ze in aanmerking komen voor subsidies of belastingheffing en strafoplegging kunnen ontgaan. Een tweede voorbeeld is organisatiekundig van aard. Binnen een bureaucratische organisatie is macht onbespreekbaar. Wie baas is bakt nu eenmaal koek. Werkweigering betekent al gauw het einde van een dienstverband. Onderzoek binnen een dienstonderdeel van het Nederlandse Ministerie van Landbouw toonde mechanismen waarbij de formele machtsverdeling symbolisch werd bevestigd waardoor de top van de organisatie geen reden had zich met de uitvoering te bemoeien. Dat gaf vervolgens medewerkers de ruimte om hun eigen voorkeuren te volgen, ook als zij daarmee in strijd handelden met formele richtlijnen. De spanning die dat opleverde binnen de formele structuren werd “opgelost” doordat men de indruk wekte dat men deed wat men werd verondersteld te doen. Men gaf geen aanleiding aan de top van het Ministerie om te interveniëren. Juist daardoor had men in de praktijk de ruimte om de eigen overtuigingen en voorkeuren te volgen. Naast het formele lineaire bureaucratische model was sprake van een tweede machtsverdeling waarin men zelf bepaalde hoe men het werk uitvoerde, ook als dat in strijd was met formele regels. De symbolische bevestiging had als doel af te kunnen wijken van formele opdrachten zonder dat dit tot represailles leidde.



Wagemans, 2010

Enkele quotes:

“Als Den Haag vraagt wat ervan terecht is gekomen, sturen we Den Haag een brief dat we er voldoende aandacht aan hebben besteed.”

“We geven een antwoord waar Den Haag mee uit de voeten kan en waar we zelf ook mee uit de voeten kunnen.”

“De vraagstelling uit Den Haag was zo algemeen dat je niet echt hoefde te liegen om een positief verhaal te vertellen.”

Het mechanisme is dat er ruimte is voor obstructie zolang die zich maar niet uit als obstructie. Men speelt het formele spel mee om er vervolgens van af te kunnen wijken.

Tot slot

We verkenden in Deel IV hoe collectieve processen van betekenisgeving verlopen en hoe die ingrijpende veranderingen kunnen frustreren. Dat verzet kan zich uiten in manifest verzet maar er kan ook sprake zijn van een fijnzinnig spel van verzet waarin de illusie van verandering slechts symbolisch wordt bevestigd. Verder komt naar voeren dat communicatie een manipulatief karakter kan hebben, gericht op beïnvloeding van de beeldvorming. In deel V gaan we in op vragen rond bewustzijn en bewustwording op individueel niveau.

Literatuur


Deleuze, Gilles en Guattari, Felix, What is philosophy?, Columbia University Press, 1996

Van Egmond, Homo Universalis, Moreel kompas voor een nieuwe Europese renaissance, De Geus, 2019

Latour, Bruno, Reassembling the social, an introduction to New Actor Theory, Oxford University Press, 2007

Lindblom, Charles, The Science of "Muddling Through", Public Administration Review, Vol. 19, No. 2 (Spring, 1959), pp. 79-8

Oosterling, Henk, Waar geen wil is, is een weg, Boom, 2017

Polanyi, M. (1962) Personal Knowledge: Towards a Post-critical Philosophy, Routledge

Wagemans, M.C.H. Voor de Verandering, een op ervaringen gebaseerde studie naar de spanning tussen de theorie en de praktijk van het besturen, Dissertatie, Wageningen, 1987

Wagemans, De dressering van raadsleden, essay, januari 2018, www.ontganiseren.nl , www.eutopinanen.nl

Wagemans, Van een definiërend naar een energetisch wereldbeeld, begrippen en feiten als dragers van energie, Deel 1 en 2, in: Civis Mundi, nr 91, nov 2019


********************************


[MW1]


*********************

‘Niet rond blijven rennen in cirkels’
Opinie De Limburger 26 februari 2019
Thieu Wagemans, Raadslid voor de lokale partij Ronduit Open in Leudal


Het BETOOG – In de politiek staat deze dagen centraal of er genoeg maatregelen worden getroffen om de klimaatdoelen van Parijs te halen en natuurlijk ook wie daar de beurs voor moet trekken. Het proces is voorspelbaar. Afhankelijk van de partijpolitieke kleur pleit men voor aanscherping van de maatregelen of juist voor uitstel of afzwakking. Datzelfde geldt voor de vraag wie de lasten moet dragen: het bedrijfsleven, via bijvoorbeeld een CO2-heffing, of de burgers.
Partijen proberen zich in de komende verkiezingen te onderscheiden. Het is het gebruikelijke spel. En na de verkiezingen probeert men tot compromissen te komen die nog net voor iedere deelnemende partij aanvaardbaar zijn. We zijn er trots op dat ons poldermodel steeds weer oplossingen mogelijk maakt. Dat is vaak prima, maar een oplossing voor het klimaatvraagstuk is niet goed mogelijk met compromissen.
Illusie
We worden geconfronteerd met de vraag of we onze huidige levenswijze wel kunnen voortzetten, of ons economisch systeem houdbaar is. Een systeem waarin het loont om milieueffecten af te wentelen, omdat maatregelen nu eenmaal geld kosten.
Het probleem is dat we gewend zijn aan onze bestaande levenswijze en die graag willen voortzetten. Daarmee gaan we voorbij aan het kernprobleem, namelijk dat juist die levenswijze de oorzaak is van de milieuproblematiek. Dat probleem los je niet op met maatregelen die enkel aanvaardbaar zijn omdat ze geen pijn doen. Een tientje vliegtaks per vlucht lost niets op en verschaft hooguit de illusie van een oplossing. Er zijn ingrijpender maatregelen nodig, een lastige opgave. We waren immers de afgelopen decennia trots op de vooruitgang op tal van terreinen maar nu is duidelijk dat we voor die vooruitgang een prijs hebben moeten betalen. Het klimaat toont ons de rekening.
Onvermijdelijke keuzes
Op zulke momenten is leiderschap nodig. Het vraagt lef om vanzelfsprekendheden ter discussie te stellen en zekerheden als schijnzekerheden te ontmaskeren. Dat lef wordt allereerst gevraagd van politici, zeker in verkiezingstijd. Diegenen die onze provincie en ons land leiden zouden daarin voorbeeldig moeten zijn. Ze zouden niet langer politieke campagnes moeten opzetten die er vooral op zijn gericht kiezers gunstig te stemmen omdat een goede uitslag belangrijker wordt gevonden dan een oplossing van het klimaatprobleem. Ze zouden niet langer populariteit bij kiezers moeten nastreven door de ogen te sluiten voor onvermijdelijke keuzes. Dat is helaas te veel gevraagd van menig politicus die in een poging zijn eigen zetel te behouden best bereid is om beelden te vertellen die letterlijk te mooi zijn om ooit waar te worden. Het vraagt ook lef van bestuurders. De gebruikelijke beleidsmaatregelen schieten tekort. We moeten niet langer zoeken naar ‘de’ oplossing voor ‘het’
probleem. We worden geconfronteerd met vraagstukken die niet meer passen in onze beleidsmodellen. De gebaande paden helpen niet meer. Die hebben ons juist in de problemen gebracht.
Nomaden
De Franse filosoof Deleuze hield ooit een pleidooi voor nomadisch denken. Nomaden hebben geen vaste verblijfplaatsen. Ze bewegen zich niet langs platgetreden paden maar gaan naar plekken waar ze voedsel denken te kunnen vinden.
Nomadisch denken impliceert meebewegen met de natuur, niet vastgeketend zijn aan bestaande structuren en aan organisaties die deelbelangen behartigen. Er is, ook in de politiek, een vrijheid van denken nodig waarbij men de neiging moet onderdrukken elkaar telkens weer te corrigeren wanneer iemand van het gebaande pad afwijkt. Nodig is dat we de patronen doorbreken die de problemen hebben veroorzaakt en waar we aan gehecht zijn. Op ongebaande paden valt nu eenmaal meer te ontdekken dan wanneer we rond blijven rennen in cirkels.
************************************************


Een decadente samenleving

Column in de Limburger van 16 januari 2019

Thieu Wagemans


We gaan er prat op in een land te leven waarin er vrijheid van meningsuiting is. Maar die vrijheid maakt het ons niet altijd gemakkelijk. De keerzijde is dat het van eenieder incasseringsvermogen vraagt, zoals acceptatie dat opvattingen mogen worden geuit die we als buitengewoon kwalijk en mensonterend ervaren.

Tegen die achtergrond is de vraag aan de orde hoeveel vrijheid wij zelf aan kunnen. Hoe groot is de ruimte die we elkaar laten? Zeker, juridisch is die ruimte stevig verankerd. Je bent gelukkig niet zo gauw strafbaar wanneer je voor je mening uitkomt, hoe zeer die ook afwijkt van wat breed is geaccepteerd. Dat is een groot goed. Maar de praktijk van alledag toont vaak een ander beeld.

Accepteren dat er een vrije uitwisseling van opvattingen is, gaat ons niet zo gemakkelijk af. We hebben nauwelijks een cultuur waarin we vanuit een basishouding van respect elkaar ondervragen en andermans opvattingen verkennen. De politiek is daar een treffend voorbeeld van. Discussies worden gevoerd in een partijpolitieke context. Standpunten worden geaccepteerd of afgewezen, afhankelijk van de politieke kleur van diegene die ze naar voren brengt.

In plaats van de vrijheid te benutten, bekwamen we ons in enghartigheid en zijn we er uiterst vaardig in elkaar over de meest onnozele zaken de maat te nemen.

Etiket

We zijn er meesters in het onderscheid te verdoezelen tussen een standpunt en degene die het naar voren brengt. Dan plakken we simpelweg een etiket op de persoon en komen we aan discussies niet eens toe. Zo helpen we zelf de veelgeprezen vrijheid om zeep omdat we niet in staat zijn ermee om te gaan. We scherpen onze eigen standpunten aan en maken enorme stennis over ogenschijnlijk onnozele bijzaken. De avondlijke praatprogramma’s staan er bol van.

Gerard Noodt

Dat incasseringsvermogen wordt vooral op de proef gesteld als het onderwerpen betreft die zich vanwege het principiële karakter niet lenen voor compromissen. In 1706 hield Gerard Noodt bij zijn aftreden als rector van de Leidse Universiteit een rede over de vrijheid van godsdienst. Hij bepleitte respect voor godsdienstige opvattingen die afweken voor de staatsleer in die tijd. Dat was erg gedurfd in een tijd dat de burgerlijke overheid voorschreef welke godsdienst was toegestaan. Kerk en staat waren nog niet gescheiden. Zijn pleidooi kwam erop neer dat ieder mens het onvervreemdbare recht heeft zijn leven in te richten naar eigen beleving en opvatting zolang men elkaars vrijheid niet beperkt. Je zou nog een stap verder kunnen gaan en kunnen stellen dat de kern van ons mens-zijn en van de menselijke waardigheid is dat we het recht hebben zelf betekenis te geven aan onszelf en onze omgeving, ongeacht geslacht, geaardheid, godsdienstige of politieke overtuiging. Maar wat is daarvan over in een moderne samenleving waarin sommigen willen voorschrijven hoeveel zwarte vegen het gezicht van zwartepiet mogen kleuren. In plaats van de vrijheid te benutten, bekwamen we ons in enghartigheid en zijn we er uiterst vaardig in elkaar over de meest onnozele zaken de maat te nemen. Zo maken we van onze vrije samenleving een verstikkend en beklemmend geheel waarin we vreselijk goed weten wat anderen moeten doen en laten.

Decadentie

In het verleden hebben culturen hun einde gevonden door vormen van decadentie. Men doelde dan op de neiging van een cultuur om zich blind te tonen voor maatschappelijke vraagstukken, maar zich wel druk te maken over relatief onbetekenende zaken. Zou het niet goed zijn een maatschappelijk debat te beginnen over de vraag of we niet in een proces zitten waarin we afglijden naar druktemakerij over onnozelheden en verzuimen de vraag onder ogen te zien wat het betekent om te leven in een vrije samenleving? En of de tolerantie die we van anderen vragen ook eisen stelt aan onszelf?


Thieu Wagemans is raadslid in Leudal

www.ontganiseren.nl


***************************************************************

Landbouw zegt alles over beschaving

Mathieu Wagemans

(Opiniebijdrage in Trouw van 15 januari 2019)

In Trouw van 7 januari jl. stelt Sieta van Keimpema dat kringlooplandbouw niet de oplossing is voor de landbouw. Haar betoog is zowel scherp als eenzijdig. Centraal in haar verhaal staat dat allerlei maatregelen de kostprijs verhogen en dus bestaande problemen vergroten.

Laten we de zaak eens omdraaien en stellen dat juist de eenzijdige nadruk op de kostprijs de oorzaak is van de huidige problemen binnen de landbouw. Nieuwe technologie stelde in staat de kostprijs te verlagen. Toepassing ervan was echter slechts mogelijk door schaalvergroting en specialisatie. Het platteland werd ingericht naar de eisen van een moderne landbouw. Veelzijdigheid en variatie moesten wijken voor eenvormigheid en monoculturen. Jachtigheid verdrong traagheid. De gevolgen kennen we: verlies aan biodiversiteit, een gigantisch mestoverschot, verzadiging van de bodem met fosfaat en stikstof en een ammoniakdeken over een groot deel van Nederland. Het centraal stellen van de kostprijs betekende verder een versmalling en verarming van de traditionele functies van de landbouw, namelijk voedselproductie en een verantwoord beheer van het platteland. Die laatste functie kwam onder druk te staan. Zorg voor natuur en landschap betekende een kostenpost. Het was economisch gunstig om de omgevingskwaliteit van het platteland te vernietigen. Landschapselementen waren een sta in de weg bij gebruik van moderne machines. Veel van wat maatschappelijk van waarde was moest wijken. De vooruitgang in economisch opzicht ging ten koste van de beheerfunctie van het platteland.

Schaalvergroting hield verder in dat gezinsbedrijven moesten verdwijnen. Het aantal bedrijven is de afgelopen decennia gigantisch gedaald. Het was pijnlijk dat bestuurders van landbouworganisaties en politici van diverse partijen het belang van gezinsbedrijven telkens weer benadrukten terwijl ze tegelijkertijd pleitten voor een beleid dat die gezinsbedrijven dwong tot bedrijfsbeëindiging.

Juist door de eenzijdige aandacht voor het kostprijsdenken is een plattelandscultuur verdwenen waarin voedselproductie werd gecombineerd met circulair en duurzaam beheer van het platteland. De landbouw zorgde op het platteland voor verbinding maar ging zich steeds meer ontwikkelen als een op zichzelf staande sector. Gevolg is dat burgers nauwelijks meer weten hoe hun voedsel wordt geproduceerd. Banden tussen producent en consument verdwenen. Supermarkten gingen de spil vormen in ons voedselsysteem.

Nu valt tegelijkertijd niet te ontkennen dat een sector niet kan voortbestaan zonder een economische basis. Ook kan niet aan de orde zijn om terug te keren naar de landbouwpraktijk van de vijftiger jaren. De uitdaging is de vraag te stellen hoe een economische basis kan worden gecreëerd voor een landbouw die de duurzame productie van voedsel combineert met een rentmeesterlijk beheer van het buitengebied. Dat vraagt nieuwe verdienmodellen en andere financierings- en organisatievormen. Het vraagt ook een grotere betrokkenheid en invloed van burgers bij hoe hun voedsel wordt geproduceerd en hun omgeving wordt beheerd. Buurderijen in plaats van boerderijen. Zeker, daar zit een prijskaartje aan. En natuurlijk vraagt dat maatregelen over hoe en door wie de daaraan verbonden kosten moeten worden betaald. Een gezin met een inkomen op bijstandsniveau zal daar immers weinig aan kunnen bijdragen. Maar de overgang van een eenzijdig economisch georiënteerde landbouw naar een maatschappelijk verantwoord systeem van voedselproductie dient ook op maatschappelijke basis te worden gefinancierd en betaald. Landbouw dus als "agriculture", als een cultuur die past binnen moderne samenleving en die recht doet aan de daarin levende opvattingen. Landbouw wordt zo uitdrukking van het beschavingsniveau van een samenleving. En mogelijk een mooi voorbeeld van een nieuw economisch systeem waarin wat van waarde is niet langer onder druk staat.

Mathieu Wagemans is Raadslid voor de lokale partij Ronduit Open in Leudal


******************************************************


De oceaan roert zich  



Wie geneest de gezondheidszorg?

Opiniebijdrage, gepubliceerd in Dagblad de Limburger, 30 oktober2018


In gemeenteland is deze weken de aandacht gericht op de begroting. Het gaat goed met Nederland maar veel gemeenten worden met forse tegenvallers geconfronteerd.

Dat betreft in het bijzonder de zorg voor mensen met een psychiatrische aandoening en de jeugdzorg. Het gaat om stevige bedragen. Gemeenten klagen dat bij de overdracht van deze taken vanuit het Rijk niet de bijbehorende gelden zijn meegeleverd. Gevolg is dat opgebouwde reserves zullen verdwijnen. De potten raken leeg.

Confrontatie
Maar afgezien van de centen heeft de decentralisatie van zorgtaken gemeenten ook indringend geconfronteerd met problemen binnen de zorg. Zo klagen medewerkers in de zorg over de toenemende bureaucratisering. Men is veel tijd kwijt met rapportages en andere administratieve verplichtingen. Ook wordt gewezen op het al te gemakkelijk doorverwijzen van jongeren naar jeugdzorg. Te gauw krijgen jongeren een stempel. Of men wijst op een gebrek aan interne samenwerking. Er is sprake van een groot aantal organisaties en van een uitgebreid en zeer gedetailleerd geheel van protocollen. Ook leven er vragen over de marktwerking in de zorg. Met de decentralisatie werden ook al die gebreken op het bordje van de gemeenten gelegd.

Nu is het voor gemeenten nog niet zo eenvoudig om die problemen op te lossen. Velen binnen de zorg hebben belang bij instandhouding van het huidige systeem. Er is sprake van gestaalde kaders die vasthouden aan hun posities en zich niet gemakkelijk opzij laten zetten. Ook helpt niet dat er sprake is van een professionele houding. De gezondheidszorg is het domein van deskundigen. Wie niet tot die groep behoort heeft geen toegang of wordt niet serieus genomen. Men claimt zelfstandigheid ten opzichte van de buitenwereld die echter wel de kosten moet dragen. Zo beschouwd is de positie van gemeenten niet te benijden.

Kansen
Maar er is niet enkel kommer en kwel. Men zou ook kunnen zeggen dat de decentralisatie kansen biedt om op lokaal niveau te experimenteren. Dat vraagt nieuwe verhoudingen tussen partijen en ook nieuwe vormen van samenwerking. Zo wordt er in Limburg geëxperimenteerd met een nieuwe aanpak van de geestelijke gezondheidszorg. Daarin moeten protocollen wijken voor de ervaringen van patiënten. Het besef dringt door dat de beschikbare kennis binnen de psychiatrie nog erg beperkt is en dat diagnoses vaak slechts het karakter hebben van het opplakken van een etiket.

Zo is er toenemende kritiek dat een diagnose vaak weinig meer is dan het raadplegen van het Handboek DSM. Menselijke aandacht moet vaak wijken voor de inhoud van protocollen. Ook de resultaten van behandeltrajecten geven aanleiding om ervaringen van patiënten een veel belangrijker plaats te geven in de zorg. Daarnaast verdienen experimenten aandacht waarin sprake is van andere verhoudingen tussen organisaties. Of waarbij administratieve lasten worden teruggedrongen en plaats moeten maken voor zorgverlening.

Lastig
Nodig is dat gemeenten zich niet beperken tot het passief doorsluizen van gelden om een systeem te financieren dat in menig opzicht gemankeerd is. Dat is een lastige opgave want men moet gaan doen waar de landelijke politiek niet in is geslaagd. Die ambitie vraagt bovenal lef van bestuurders. Gemeenten zouden ruimte moeten maken, eventueel in onderlinge samenwerking, om dergelijke experimenten op te zetten en van de ervaringen te leren. Het is een keuze voor schaalverkleining waarbij de mens centraal komt te staan. Alsmaar meer budget voor instandhouding van een gemankeerd systeem is niet de oplossing. Dan bestrijd je symptomen. Je neemt de pijn weg maar houdt de onderliggende oorzaken in stand.

Mathieu Wagemans is raadslid in Leudal

*********************************

Sterven in correctheid

Over de vermenging van boven- en onderwereld

Opiniebijdrage, gepubliceerd in Dagblad de Limburger, 18 sept 2018

Het recent gepubliceerde onderzoek naar de omvang van drugsproductie in Nederland heeft veel reacties opgeleverd. Verbazing overheerst over de omvang van de jaarlijkse omzet, ruim 18 miljard euro. Twee reacties vallen daarbij op. De eerste is de vraag hoe het zo lang en zo omvangrijk uit de hand heeft kunnen lopen. De tweede vraag heeft ermee te maken dat het buitengewoon lastig blijkt om grip te krijgen op deze problematiek. De Minister belooft 100 miljoen euro extra beschikbaar te stellen om het probleem aan te pakken. Dat leverde in politiekringen kritische geluiden op. De beschikbare capaciteit staat in geen verhouding tot wat nodig is.

De problematiek geeft ook aanleiding om wat dieper te graven. Hoe kon het gebeuren dat de processen zolang konden doorgaan? Dat wekt bevreemding in een land waarin we, zeker op het gebeid van opsporing en veiligheid, alles zeer nauwkeurig hebben georganiseerd. Denk aan de toedeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden aan de verschillende diensten zoals belastingdienst, douane, politie, veiligheidsregio’s, gemeenten en provincies. En binnen al die organisaties hebben we taken gesplitst en toegedeeld aan afzonderlijke eenheden. Ook de relaties tussen al die organisaties zijn nauwkeurig vastgelegd in protocollen en regels. Een buitenstaander zal gemakkelijk het beeld kunnen krijgen dat een en ander met uiterste zorgvuldigheid en doordachtheid is geregeld. En misschien is dat juist het probleem. Het heeft geleid tot een complex van instituties die elkaar gemakkelijk het bewegen kunnen belemmeren. Het opzetten van een gezamenlijk plan zal binnen al die organisaties moeten worden goedgekeurd. Het kan zo maar zo zijn dat de vastgestelde prioriteiten in een organisatie het onmogelijk maken capaciteit beschikbaar te stellen. Of de opvattingen over een plan van aanpak kunnen verschillen. Kortom, voorbereiding van plannen vraagt allemachtig veel inzet, tijd en geld. In de organisatieleer spreekt men wel eens van “sufgelulde organisaties” wanneer uitvoerige discussies worden gevoerd over de procedure om tot een procedure te komen. Aanpak van de drugscriminaliteit betekent in wezen een confrontatie tussen een overgeordende overheid en een drugsmilieu waarin men niet gehinderd wordt door welke regel dan ook. Een statische overheid tegenover een dynamische drugswereld.

Een tweede punt is dat we het overheidsoptreden zelf aan strenge regels hebben gebonden. Overtreders moeten worden aangepakt maar we mogen daarbij geen privacyregels overtreden. Het strafecht stelt strenge regels aan veroordeling van personen. Het bewijs moet op een deugdelijke en toegestane wijze worden verzameld. Wie de wet overtreedt en een alibi verzint dwingt het Openbaar Ministerie te bewijzen dat het alibi niet klopt of erg ongeloofwaardig is. Zo belemmert de overheid zichzelf in het voortgaan. We stellen zo hoge eisen aan ons eigen handelen dat de effectiviteit en efficiency er de prijs voor betalen.

Nu kan men tegenwerpen dat het soepeler omgaan met interne regels onaanvaardbaar is omdat juist de overheid voorbeeldig moet zijn in zijn optreden. Maar is het wel aanvaardbaar dat als gevolg daarvan drugscriminelen min of meer de vrije hand hebben? Hoelang blijven we strak vasthouden aan onze eigen organisatieschema’s en regels en sterven we liever in genuanceerdheid en correctheid dan in plaats daarvan de drugscriminaliteit hard aan te pakken?

De vermenging tussen onder- en bovenwereld roept de vraag op of de wijze waarop we zijn georganiseerd niet aan een fundamentele herziening toe is. Anders gezegd, zitten we onszelf niet daverend in de weg? Wat dragen we bij wanneer het handelen van een politiemedewerker telkens weer onderwerp kan worden van uitvoerige debatten? Moeten we niet naar snelle interventieteams met ruime bevoegdheden die primair worden afgerekend op de vraag welke bijdrage ze hebben geleverd aan het oplossen van het probleem? Toegegeven, dat is wellicht te veel gevraagd van een politieorganisatie waarin reorganiseren corebusiness is geworden.


Thieu Wagemans is Raadslid voor Ronduit Open in Leudal   

       

*******************************************


Een samenleving in verwarring


Hoe tolerantie kan overgaan in onverschilligheid


Een van de grootste uitdagingen c.q. vraagstukken is de omvorming van de traditionele maatschappij naar een multiculturele samenleving. De onderliggende krachten zullen zich in de toekomst versterkt doorzetten. Globalisering betekent dat geografische grenzen aan betekenis verliezen. Daar liggen economische redenen aan ten grondslag. Bij het zoeken naar werk achten steeds meer mensen zich niet gebonden aan de landsgrenzen. De wereld vormt het werkterrein. De economische ontwikkeling wordt steeds minder bepaald door nationaal beleid en steeds meer krachten op internationaal niveau. Men concurreert op wereldniveau. Daarnaast zoeken mensen vanuit het Midden-Oosten en Afrika hun toevlucht naar landen waar men werk en een betere toekomst verwacht. Veiligheidsproblemen zetten mensen ertoe aan het eigen land te verlaten. De samenstelling van de bevolking in een land krijgt daardoor globale trekken.

De omslag naar een multiculturele samenleving loopt echter verre van gemakkelijk. De identiteit van een natie kon men vroeger wellicht eenvoudig uitlijnen maar die tijd is voorbij. Nieuwkomers, zeker wanneer het om grote aantallen gaat, brengen een eigen cultuur mee, eigen praktijken en vanzelfsprekendheden. Die zijn bovendien religieus verankerd. Dat belemmert het vinden van compromissen en het creëren van een cultuur van acceptatie.

Velen zijn van mening dat tolerantie een kenmerk is van de Nederlandse cultuur en dat dit ook zo hoort te blijven. Men verwijst dan naar de historie. Zo was Nederland in het verleden een toevluchtsoord voor hugenoten. In de vijftiger jaren zetten we de landsgrenzen open voor Hongaren die een veilig heenkomen zochten voor geweld en onderdrukking in eigen land. De afgelopen twintig jaar werden grote aantallen vluchtelingen opgenomen. Maar die houding van gastvrijheid kan niet verbloemen dat er sprake is van spanningen. Daarbij staat de vraag centraal in hoeverre we ruimte willen bieden aan mensen met andere opvattingen en overtuigingen, ook als die haaks staan op onze cultuur. In welke mate dienen nieuwkomers zich te houden aan de cultuur zoals we die in Nederland kennen? Welke ruimte willen we geven om nieuwkomers hun eigen cultuur voort te zetten?

Velen bepleiten dat we als open samenleving maximaal ruimte moeten bieden aan nieuwkomers om hun levenswijze voort te zetten. Waarom zouden we anderen het recht ontzeggen te leven op de manier die ze gewoon zijn? Die houding heeft echter een keerzijde, hoe sympathiek die op het eerste gezicht ook lijkt. Accepteren we die ruime blik ook wanner praktijken in strijd zijn met waarden die we van oudsher als fundamenteel hebben ervaren? Of met veranderende opvattingen binnen onze samenleving? Denk bijvoorbeeld aan het belang van dierenwelzijn en de in veel culturen religieus beleefde praktijk van ritueel slachten. Kan tolerantie zo ver gaan dat we alles accepteren en dus bereid zijn anderen niet te verplichten zich te houden aan wat wij van waarde vinden? Dat zou betekenen dat we alles prima vinden. Het maakt niet meer uit. We gunnen elkaar de ruimte. Dat houdt echter ook in dat we niet meer met elkaar in discussie gaan over wat wel en niet mag. Het maakt niet meer uit hoe anderen wensen te leven. Op enig moment kan tolerantie dan overgaan in onverschilligheid.

Een houding van onverschilligheid heeft als uiterste consequentie dat van een identiteit geen sprake meer is. Er is niet langer gezamenlijkheid. Men kan ook zeggen dat het enige dat men nog gezamenlijk heeft de houding en overtuiging dat gezamenlijkheid als waarde heeft afgedaan. We worden een samenleving die de optelsom is van individuen en van deelculturen. Mensen met gelijkgestemde (vaak religieus gebaseerde) overtuigingen en praktijken leven naast elkaar heen. Samen leven betekent het naast elkaar leven van groepen met ieder een eigen cultuur. Bindingen tussen groepen bestaan niet en communicatie tussen culturen is lastig vanwege volstrekt tegengestelde denkbeelden. Maar communicatie is dan ook niet meer nodig, juist vanwege de acceptatie van verschillen. De samenleving is georganiseerd langs de lijnen van culturele verschillen. Verschillen doen er niet meer toe omdat we ze “weg hebben georganiseerd”. We hoeven er bijgevolg ook geen aandacht meer aan te besteden. Dat is wel zo gemakkelijk.

Die neiging om zo om te gaan met verschillen zien we ook breder terug in onze maatschappij. Kijk bijvoorbeeld naar de wijze waarop we omgaan met tegenstrijdige belangen. We baseren er onze structuren op. Denk aan werkgevers- en werknemersorganisaties, aan landbouw- en natuurorganisaties. En ook in ons politieke systeem zien we de behartiging van deelbelangen terug. We leggen tegenstellingen institutionele vast waarna iedere organisatie probeert de belangen waar men voor staat zo goed mogelijk te behartigen, ook als dat ten koste gaat van het eindresultaat. De Franse filosoof Gilles Deleuze heeft stevige kritiek op die houding. Hij bepleit juist om aandacht te geven aan wat ons onderscheidt van anderen. Sterker nog, hij is van mening dat juist die verschillen een belangrijke bron kunnen zijn voor ontwikkeling van een samenleving. Respecteren van die verschillen betekent niet het naast elkaar heen leven maar juist de communicatie aangaan met elkaar over wat ons scheidt.

Hoe komen we tot die nieuwe samenleving? Kan een nieuwe samenleving meer zijn dan een optelsom van deelculturen? Kan er een nieuwe cultuur ontstaan waarin samenleven met respect voor de ander basis vormt? Kunnen we leren van elkaars culturen? De geschiedenis toont dat nieuwkomers vaak voor vooruitgang en modernisering hebben gezorgd. Dat vraagt een verlichte houding en de ruimte om lerend te verkennen. En tegelijkertijd de dwang en noodzaak om telkens de vraag te stellen wat het gemeenschappelijke is van onze samenleving. Welke ruimte wensen we te geven voor het afwijkende en hoe regelen we die opvatting? Wensen we zelf in te schikken ten gunste van ruimte voor de ander? We kunnen vaststellen dat er in de politiek niet eens een begin is van een dergelijk debat.

Tolereren is een werkwoord en geen uitnodiging tot passiviteit

Tolerantie ontslaat je van de opgave de verschillen te onderzoeken op hun betekenis en je ertoe te verhouden. Zo opgevat is tolerantie een werkwoord in plaats van een uitnodiging tot passiviteit. Juist om te voorkomen dat tolerantie over gaat in onverschilligheid is er een noodzaak ons opnieuw te verhouden tot vragen rond gezamenlijkheid. Die vraag gaat men gemakkelijk uit de weg. Men komt er niet eens aan toe, bijvoorbeeld omdat ieder poging tot thematisering van vragen rond gezamenlijkheid en problemen die we ervaren al gauw het stempel krijgt van totalitair, discriminatie en bekrompenheid. Onze fatsoensregels omtrent woordgebruik krijgen overwicht ten opzichte van de vraagstukken waar we voor staan. Ze vormen een dekmantel zodat we ons niet met lastige vragen hoeven bezig te houden die steeds indringender om een antwoord vragen. Er is geen discours waarin we in onderlinge dialoog vraagstukken kunnen verkennen die aan de orde zijn. We gaan vragen van fundamentele aard “systematisch” uit de weg. We maken ze onschadelijk. We detecteren ze zodat ze niet langer uitdagen tot politieke stellingname.

Het leidt tot problemen en wegkijken. Het ideaal van een multiculturele samenleving staat niet ter discussie maar het ideaal telkens weer in woorden bevestigen mag ons niet ontslaan van de noodzaak te werken aan realisering ervan. Zolang het benoemen van verschillen worden opgevat als uiting van discriminatie kom je aan een waardering van verschillen niet toe.

Het zijn deze patronen van etikettering die het discours bepalen over tolerantie en de omslag naar een multiculturele samenleving. En die dus voorkomen dat er een politiek debat ontstaat over onderliggende waarden in een multiculturele samenleving. Ook moet de neiging worden onderdrukt om tot compromissen te komen binnen een partijpolitieke context. Fundamentele waarden kunnen niet worden gereduceerd tot compromissen over procedures, maanden en aantallen. Aan de orde is de vraag wat we van burgers verwachten en wat we burgers wensen te bieden, ongeacht hun geloofs- en levensovertuiging. Vinden we bijvoorbeeld dat ieder moet worden gefaciliteerd zijn of haar talenten te ontwikkelen? Vinden we als “tegenwaarde” dat vrijblijvendheid niet wordt geaccepteerd en dat ieder gehouden is bij te dragen aan de samenleving. Respecteren we elkaars anders zijn maar vinden we tegelijkertijd dat er gemeenschappelijke codes zijn voor de omgang met elkaar? Denk aan het beheersen van de Nederlandse taal en gemeenschappelijke omgangsvormen.

Het gaat om de collectieve identiteit, het gemeenschappelijke en het kenmerkende dat daaruit voortvloeit in de dagelijkse omgang met elkaar. Nu lijkt het nogal eenzijdig om de verwarring over het gezamenlijke uitsluitend toe te schrijven aan de komst van nieuwkomers en de vormgeving van een multiculturele samenleving. Ook zonder nieuwkomers is er sprake van fundamentele vragen. Twee voorbeelden van hoe de uitwerking van waarden op gespannen voet kan staan met andere aarden. We hechten aan de vrijheid van meningsuiting en vinden dat die moet worden beschermd. Maar welk gevaar loopt de vrijheid van meningsuiting wanneer het ons niet meer vrij staat om staatshoofden van andere landen te mogen beledigen en kwetsen. Een ander voorbeeld. Opsporing van misdrijven wordt ondergeschikt gemaakt aan onze opvattingen over privacy. Die privacy vinden we zo belangrijk dat veiligheid ervoor moet wijken. We komen niet eens aan een politiek debat toe omdat iedere poging daartoe smoort in de dwang die we elkaar opleggen om bovenal netjes en correct onze woorden te kiezen.

Mathieu Wagemans

12/09/2018

www.ontganiseren.nl   


***********************************************


Spelbreker van de Leukigheid

Interview door Ron Buitenhuis met Thieu Wagemans

(volledige versie die iets ingekort is gepubliceerd in de Limburger van 22 augustus 2018)

Ik word wel eens dwarsligger genoemd en spelbreker. Omdat ik niet meebeweeg met het systeem, met de opgelegde normen en codes van onze maatschappij. Ze doen maar, dergelijke etiketten glijden van me af. Natuurlijk heb ook ik gevoelens, maar ik ben een rationele denker. Daar past ook spot en zelfspot bij. Ze zeggen wel eens: ‘mensen uit Neer zijn zo ‘waers’, als je ze in de Maas gooit dan drijven ze stroomopwaarts weg’. Ik erger me daar niet aan, vind het eerder een geuzentitel. Ik ben liever tegendraads dan een meeloper of ja-knikker, daar zijn er al genoeg van in de politiek.

Verwacht van mij geen ontboezemingen over m’n privéleven, die deel ik alleen in intieme kring, maar ik wil je wel vertellen wat mij drijft in het leven. Kwetsbaarheid is de bron van mijn inspiratie. Ik wil me inzetten voor alles dat kwetsbaar is, of waar onrechtvaardigheid speelt: de natuur, het milieu, de samenleving en vooral voor medemensen. Ik heb hier stapels dossiers liggen van mensen die ik heb proberen te helpen in hun strijd tegen de instituties. Ik las ooit een interview met de Zuid-Afrikaanse dominee Beyers Naudé dat me raakte. Hij zei, het gaat in je leven niet om succes, bijval, medailles of status. Het gaat er om dat je ergens iets aan gedaan hebt. Dat je stelling genomen hebt, dat je staat voor wat je denkt en vindt, ongeacht de consequenties. Ik had tot 1980 een mooie functie op het Ministerie van Landbouw en Visserij in Den Haag met prima vooruitzichten. We woonden in Haarlem en later in Leiderdorp. Maar mijn vrouw Els en ik zijn bewust teruggekeerd naar Limburg. Enerzijds omdat we onze kinderen hier wilden laten opgroeien, maar ook omdat de carrière, het salaris, het materiële en alle internationale reisjes niet de voldoening gaven die we zochten. We wilden minder oppervlakkigheid, meer diepgang. We wilden op onze manier de wereld verbeteren. En dat ideaal is er nog steeds. Praat ik te snel? Dat komt omdat ik besef dat ik steeds ouder word, terwijl ik nog zó veel veranderen wil. In m’n ongeduld trek ik verbaal soms fel van leer. Daar schaam ik me niet echt voor. Om je doel te bereiken moet je soms shockeren, de boel wakker schudden. Er zijn veel te veel ‘wegkijkers’. Mensen, zeker in hoge posities, die hun verantwoordelijkheid niet nemen. Die zich overal met een Jantje van Leiden vanaf maken. Die hun wettelijke maar vooral ook humane plicht verzaken. Neem alle chaos binnen zorginstellingen, of die rotzooi binnen het vmbo in Maastricht. Waar zijn al die duurbetaalde bestuurders en inspecties? Of dichterbij, in mijn eigen gemeente Leudal waar ik raadslid ben. Door de buitenwacht worden we spottend ‘Sneudal’ genoemd. Het gaat de laatste tijd gelukkig beter, maar zo’n titel krijg je niet voor niks. Nog steeds raken er poststukken weg en toont de dienstverlening gebreken. Het hele gemeentelijke apparaat heeft sinds de herindeling tien jaar zonder sturing voortgemodderd, terwijl er genoeg mensen waren die wisten dat het niet klopte, maar ze keken liever weg. Bestuurders, managers, ambtenaren, raadsleden. De oppervlakkigheid regeert. Vragen van principiële aard worden toegedekt door gemakkelijke compromissen om zo de lieve vrede te bewaren. Alsof je als compromis kunt afspreken dat je elkaar voortaan voor 70% vertrouwt. Dat werkt niet. Ik zit wat anders in elkaar. Eerst gerechtigheid en dan komt de vrede vanzelf wel.

Helaas houdt een systeem zich vaak zelf in stand. Ik kan best begrijpen dat mensen gemakkelijk meebewegen, bijvoorbeeld omdat ze bij reorganisaties bang zijn hun baan te verliezen. Niet iedereen zit in een positie waarin je je risico’s kunt permitteren. Maar als je dat wel kunt heb je de dure plicht je in te zetten voor verandering. Ik noem mijn leven niet succesvol als ik bijval, applaus of lintjes heb gekregen. De vraag is ook niet wat ik bereikt heb, maar uiteindelijk telt slechts wat ik eraan gedaan heb. Dat veronderstelt enige tegendraadsheid. En die is hard nodig.

Onze systemen zijn vastgelopen en niet meer in staat de grote vraagstukken van onze (post)moderne samenleving (politiek, milieu, economie, techniek, wetenschap, vervreemding) op te pakken. Maar de politiek heeft niet de moed om haar onmacht te erkennen uit angst voor stemmenverlies. Het is de hoogste tijd dat we deze vanzelfsprekendheden doorbreken. Trying to change the system from within, zoals Leonard Cohen zingt in ‘First we take Manhattan’. Zoiets levert uiteraard verzet op. Dan ben je al gauw een onruststoker, want je past niet in de context van aangeleerde volgzaamheid, braafheid en fatsoen. Veel mensen voelen zich het meest senang als we alles bij het oude laten. Daarom doe ik ook minimaal mee aan bestuurdersbijeenkomsten waar de leukigheid regeert en excursies naar de plaatselijke bierbrouwerij meestal als eerste zijn volgeboekt. Ik ben ook geen politicus die bij verkiezingen met oppervlakkigheid en flauwe vrolijkheid stemmen probeert te winnen. Je moet je in de politiek laten leiden door principes, door wat je van waarde vindt en als er dan weinig mensen op je stemmen is dat nog geen reden om je vaandel te veranderen. Mensen kunnen prima redenen hebben om niet op mij te stemmen, maar ik hoop dat zij die het wel doen betere redenen hebben dan wat leukigheid.

Ik heb van m’n twaalfde tot m’n achttiende intern gezeten op het klein seminarie Rolduc in Kerkrade, maar priester was niet mijn roeping. Daar heb ik voor het eerst gezien hoe je de strenge discipline kunt overleven en toch ruimte kunt vinden voor jezelf. Je zoekt naar vrijheid in een systeem waarin macht vanzelfsprekend en dus onbespreekbaar is. Dat mechanisme om je te onttrekken aan tucht, codes en ingesleten tradities, vormde later de aanleiding voor mijn proefschrift over ‘ambtelijke oppositie’ binnen het Ministerie van Landbouw. Om veranderingen tot stand te brengen heb je in iedere organisatie barricadevechters nodig, vervolgens komt de groep die niet meevecht, maar wel het doel sponsort en gedoogt en tot slot zijn er de RIVD’ers: de remmers in vaste dienst. Dat zijn de typen die altijd ‘ja maar’ roepen en ‘dat lukt ons toch nooit’. Ik voel me geregeld barricadevechter.

De laatste jaren ben ik me steeds meer gaan verdiepen in de Franse filosofie en besef dat we als mensen worden geboren in een mentaal voorgeprogrammeerde wereld. We leven vaak als robots binnen normen, codes en verwachtingen, zonder aan onszelf toe te komen. We produceren vervreemding en houden die in stand door weg te kijken. We hebben inspiratie kapot georganiseerd. Dat is het meest zichtbaar in de politiek en in het openbaar bestuur. Het gaat over belangen, procedures en regeltjes, in plaats van onderliggende waarden. De landbouw en de zorg als voorbeeld. De manier waarop ons voedsel wordt geproduceerd en geconsumeerd en hoe we omgaan met ouderen, zieken en vluchtelingen is een maatstaf voor ons niveau van beschaving. Of kijk hoe we rechtvaardigheid hebben georganiseerd. Bij de rechtbank wordt vaak niet de waarheid beloond, maar de slinksheid van slimme advocaten. 

De filosofie heeft me ook geleerd dat het leven zich niet afspeelt op de eilanden met al onze instituties, dogma’s en conventies, maar op de oceaan tussen de eilanden. Die spanning tussen de gemaakte orde van de eilanden en de wanorde van het dagelijks leven is mijn speelveld. Vandaar dat ik altijd kritisch zal blijven tegenover instituties. Neem de kerk, waar de inspiratie ondergeschikt wordt gemaakt aan de door prelaten gemaakte regeltjes. En zo zijn er talloze voorbeelden. De Franse theoloog Marcel Legaut stelde eens: we worden geboren als origineel en sterven vaak als kopie. Ik ben op weg naar het origineel in mezelf.   


****************************************



Een vernieuwend voorstel voor een aanpak van de spanning tussen intensieve veehouderij en omgeving, gebaseerd op de nieuwe Omgevingswet


Mathieu Wagemans, Raadslid Ronduit Open, Leudal


Inleiding


Met grote regelmaat worden we als Gemeenteraad geconfronteerd met situaties op planologisch terrein waarin we graag verandering willen maar waarbij de ervaring leert dat plannen voor verandering vaak niet tot uitvoering (kunnen) komen omdat geldende regels verandering en vernieuwing in de weg staan. Ons planologisch beleid is in de ogen van velen vastgelopen. Formeel berust de verantwoordelijkheid en bevoegdheid voor het vaststellen en wijzigen van bestemmingsplannen bij de Raad maar in de praktijk blijkt de bewegingsruimte voor de Gemeenteraad alsmaar beperkter te worden. Politieke discussies lopen vast in vragen wat juridisch mag en wat juridisch niet is toegestaan. Het politieke domein wordt als ware overklast door het juridisch domein. Dat kan in de uitvoering niet worden hersteld. Die situatie staat haaks op het beginsel van de scheiding der machten (de wetgevende, macht, de rechtsprekende macht en de uitvoerende macht) dat de grondslag vormt voor ons staatsbestel. De onafhankelijkheid die de Trias Politica bepleit lijkt aangetast. Het juridisch domein wordt dominanter. Gewenste beleidsveranderingen blijken steeds moeilijker inpasbaar binnen strakke juridische kaders.

Ook de Rijksoverheid is die ontwikkeling niet ontgaan. Het huidige stelsel van regels en procedures laat weinig ruimte om in te spelen op de dynamiek van een moderne samenleving. De vraag hoe burgers situaties beleven is gaandeweg vervangen door formele definities zoals die in wetten en verordeningen zijn vastgelegd. Het besef dat we zijn vastgelopen in een dicht en gedetailleerd stelsel van regels wordt breed gedeeld. Ondernemers moeten ingewikkelde en kostbare procedures doorlopen wanneer zij bedrijfsactiviteiten willen wijzigen. Omwonenden hebben juridische bijstand nodig omdat regels steeds ingewikkelder worden en voor burgers vaak lastig zijn te doorgronden. Voor gemeenten is het vaak lastig regels te handhaven omdat dit grote inspanningen vergt. Bovendien blijkt dat genomen besluiten in juridische procedures vaak geen stand houden. Beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het motiveringsbeginsel, bieden volop mogelijkheden om een genomen besluit met succes aan te vechten.          

Dergelijke overwegingen waren een belangrijke aanleiding om te komen tot een nieuwe Omgevingswet. Over de onderliggende redenen om tot een nieuwe Omgevingswet te komen bestaat niet zoveel misverstand en de ambities van de Omgevingswet worden dan ook breed gedeeld. Die houden in dat er meer flexibiliteit komt, dat er minder centraal wordt geregeld, dat er meer ruimte komt voor initiatieven op decentraal niveau en dat de verantwoordelijkheid niet alleen wordt verlegd van de centrale overheid naar de lokale overheid maar ook dat op lokaal niveau betrokkenen zelf, ondernemers en burgers, meer ruimte krijgen om zelf plannen te ontwikkelen. Het initiatief om met een nieuwe Omgevingswet te komen was mede gebaseerd op de wens om meer ruimte te scheppen zodat kan worden ingespeeld op ontwikkelingen in de prakrijk. De ambitie van de Omgevingswet is om situaties vlot te trekken waarin velen veranderingen willen die thans op formele beperkingen stuiten. Het planologisch beleid zoals dat juridisch is vastgelegd heeft een statisch karakter en is niet meer in staat mee te bewegen met de dynamiek van een (post)moderne samenleving.   

In 2016 besloten Eerste en Tweede Kamer tot de nieuwe Omgevingswet, Deze wet zal in de plaats treden van tal van bestaande regelingen die betrekking hebben op het buitengebied. Zo hebben we nu te maken met bestemmingsplannen, met structuurvisies, met welstandsnota’s, met kapvergunningen enz. Na invoering van de nieuwe Omgevingswet wordt de situatie overzichtelijker. Gemeenten dienen dan een Omgevingsvisie vast te stellen en aansluitend een Omgevingsplan te maken om die visie in praktijk te brengen. Dat kan beleid en regelgeving een stuk overzichtelijker maken. Maar de invoering van de Omgevingswet houdt veel meer in. Ingrijpend is de overdracht van bevoegdheden naar gemeenten. Er ontstaat meer beleidsruimte op gemeentelijk niveau. Maar ook binnen gemeenten is er sprake van verandering. Terwijl Raad en College tot nu toe een centrale plaats innemen in de ruimtelijke ordening komen er met de Omgevingswet meer mogelijkheden voor burgers om invloed te hebben op hun eigen leefomgeving. Er komt meer ruimte voor eigen initiatieven. De impact van deze veranderingen kan nauwelijks worden overschat. In wezen worden verantwoordelijkheden overgeheveld naar burgers. Die zitten niet langer in een passieve positie waarin ze moeten afwachten wat er over hen wordt beslist en wat de uitkomst is van complexe juridische procedures maar ze kunnen, uiteraard binnen door overheden aangegeven kaders, zelf een actieve rol spelen. Ten diepste gaat het om een nieuwe vorm van burgerschap.        

Ook in Leudal hebben we te maken met situaties waarin ondernemers en burgers tegenover elkaar staan en waarin (vrijwel) ieder besluit van de Raad c.q. College het startpunt vormt voor juridische procedures. Dat betreft in het bijzonder vergunningen op het terrein van de intensieve veehouderij. Voortdurend vormen genomen besluiten met betrekking tot bestemmingsplannen en individuele vergunningen aanleiding tot juridische procedures. Dat kost zowel betrokkenen als de gemeente zelf veel tijd, geld en energie en leidt slechts zelden tot uitspraken van Rechtbanken en/of Raad van State waarin ieder zich kan vinden. Zodra sprake is van een wijziging van regels c.q. vergunningen wordt wederom geprocedeerd.

Dat leidt tot de vraag op welke wijze de nieuwe Omgevingswet kan bijdragen aan oplossingen in situaties waarin sprake is van gespannen verhoudingen en waarin partijen vaak tegenover elkaar staan. We zullen eerst inhoudelijk ingaan op de problematiek binnen de landbouwsector zelf en op de relatie tussen de landbouw en de omgeving. Vervolgens zullen we nagaan op welke wijze de mogelijkheden die de nieuwe Omgevingswet biedt kunnen worden benut om knel- en probleemsituaties geheel of gedeeltelijk op te lossen. We zullen zien dat dit allerminst vanzelfsprekend is. Zo bestaat het risico dat de verhoudingen tussen partijen oplossingen belemmeren en verhinderen dat aan vernieuwende initiatieven wordt gewerkt. Om die reden zal aansluitend een voorstel worden gedaan dat het huidige stelsel van rechten en plichten ingrijpend verandert met als doel oplossingen mogelijk te maken die thans niet kunnen worden gerealiseerd. Ook gaan we in op de vraag welke processen een vernieuwende aanpak faciliteren en voorkomen dat initiatieven vastlopen in oude tegenstellingen.   

  • De ontwikkeling van de landbouw

De ontwikkeling die de landbouw, vooral vanaf de vijftiger jaren, ook in onze regio heeft doorgemaakt is indrukwekkend geweest. Schaalvergroting en specialisatie maakten het mogelijk de productiviteit enorm te laten stijgen. Daardoor kon de kostprijs in de hand worden gehouden. De nadruk op economische aspecten kwam centraal te staan. Dat hield nauw verband met de fase van wederopbouw waarin Nederland verkeerde na de Tweede Wereldoorlog. Goedkoop voedsel was belangrijk omdat mede daardoor de lonen in de industrie laag konden blijven. Dat stelde de industrie in staat om een krachtige exportpositie op te bouwen.

Ondernemers hebben van deze enorme stijging van de arbeidsproductiviteit slechts in beperkte mate geprofiteerd. De voordelen van een lage kostprijs werden voor een belangrijk deel doorgegeven aan consumenten. Daarbij speelt een belangrijke rol dat de positie van producent in de keten traditioneel zwak is. Er is een voortdurende druk tot verdere schaalvergroting en specialisatie zonder dat de verhoudingen in de keten wezenlijk veranderen. Een relatief beperkt aantal verwerkingsbedrijven en supermarkten heeft een relatief dominante positie in de voedselketen en vormt de verbindende schakel tussen veel producenten en veel consumenten. Er zijn weliswaar tal van initiatieven met als doel ketenverkorting door directe aan- en verkoop tussen producent en consument maar de omvang hiervan blijft vooralsnog relatief beperkt.

De producent ziet zich daardoor geplaatst voor de voortdurende noodzaak tot beheersing en verlaging van de kostprijs. Tegelijkertijd worden de eisen aan voedselproductie steeds strenger wat extra investeringen en inspanningen noodzakelijk maakt. Denk aan toepassing van nieuwe technologie om de negatieve gevolgen van de intensieve veehouderij op te vangen. Bedrijven worden verplicht ammoniakwassers te installeren om de uitstoot van ammoniak te verminderen. De groei van de intensieve veehouderij heeft tot een groot mestoverschot geleid. Om dat probleem op te lossen kunnen bedrijven met een mestoverschot worden verplicht een gedeelte van de mestproductie te verwerken wat aanmerkelijke investeringen vraagt. Die investeringen dwingen vervolgens tot verdere schaalvergroting en specialisatie om zo de kostprijs in de hand te houden door de kosten over een grotere productie te spreiden.   

Nu zijn we ons ook steeds meer gaan realiseren dat aan dat succes van voortdurende verhoging van de productiviteit ook nadelen zitten. De snelle ontwikkeling en voortdurende modernisering had ook minder positieve gevolgen. Veel bedrijven moesten hun activiteiten stoppen, deels vanwege gebrek aan een opvolger maar ook om economische redenen. Schaalvergroting en specialisatie betekenden een sterke toename van de kapitaalintensiteit. Ondernemers werden steeds afhankelijker van banken. Specialisatie betekende ook dat de risico-gevoeligheid toenam vergeleken met de gemengde bedrijven in de vijftiger jaren van de vorige eeuw. Maar er ontstonden ook problemen in de relatie tussen intensieve veehouderij en omgeving. Vanaf het midden van de zeventiger jaren waren er de eerste geluiden dat de ontwikkeling van de intensieve veehouderij tot onoplosbare problemen zou gaan leiden. Gewezen werd op een steeds groter mestoverschot en op negatieve effecten op de omgeving. Denk aan de effecten van ammoniakemissie en aan overbelasting van oppervlakte- en grondwater. Vooral de laatste tien jaar is er ook meer aandacht gekomen voor gezondheidsklachten van omwonenden. Naast de gevolgen van ammoniakuitstoot wordt gewezen op de risico’s van fijnstof.

Het succes werd gaandeweg tot probleem. Lange tijd, en in de ogen van velen nog steeds, was de overtuiging dat die problemen oplosbaar waren door nieuwe technologie. Mestoverschotten kunnen worden weggewerkt door moderne methoden van mestverwerking. Ammoniakemissies kunnen worden teruggedrongen door gebruik van ammoniakwassers. Maar er bestaan ook toenemende twijfels over deze ontwikkeling. Vragen ontstaan wat het eindpunt van deze ontwikkeling zal zijn. Zijn problemen rond mestverwerking op duurzame wijze oplosbaar? Hoeveel bedrijven zullen uiteindelijk overblijven? Het proces van schaalvergroting lijkt eindeloos voort te gaan. Een eindpunt is niet in zicht. En hoe verhoudt zich de situatie van een zeer gering aan supergrote bedrijven tot de door vele gedeelde wens dat gezinsbedrijven de basis van de Nederlandse landbouw zijn en ook moeten blijven? De modernisering heeft nieuwe afhankelijkheden geschapen. We noemde reeds de alsmaar hogere kapitaalintensiteit van bedrijven. Bovendien is het proces moeilijk omkeerbaar. Sterker nog, er is eerder sprake van een tredmolen. De individuele ondernemer heeft daarbij nauwelijks een keuze. Het is meedoen aan het proces van schaalvergroting of op termijn het bedrijf beëindigen. Stilstand is achteruitgang.

Wanneer modernisering problemen oplevert is er een, zeker in landbouwkringen, breed gedeelde overtuiging dat technologie die problemen kan en zal oplossen. Modernisering is een door technologie gedreven proces. De Franse filosoof Latour heeft er aandacht voor gevraagd dat de technologie allerminst een neutraal instrument is. We zijn steeds afhankelijker geworden van nieuwe technologie. We kunnen de voordelen van technologie benutten maar we hebben ons vaak onvoldoende gerealiseerd dat nieuwe technologie ook eisen stelt aan de toepassing ervan. Toepassing van nieuwe technologie maakte het noodzakelijk dat we eerst de werkelijkheid aanpasten aan de eisen die de technologie stelt. Het instrument van de technologie kreeg zo gaandeweg de regie in handen. Het middel werd regisseur.

Het centraal stellen van economische overwegingen had als consequentie dat andere waarden, bijvoorbeeld ecologische, kwetsbaar werden. Er was in toenemende mate sprake van afwenteling. De rekening voor economisch profijt had de vorm van achteruitgang van waarden als natuur, landschap, van negatieve effecten op de gezondheid door emissies van ammoniak en fijnstof, van nitraat- en fosfaatverzadiging van de bodem en van verontreiniging van grond- en oppervlaktewater. Deze negatieve effecten vormden geen bestanddeel van de kostprijs op bedrijfsniveau. Zou dat alles worden doorberekend naar de consument dan zou het economische plaatje van de veehouderij er ingrijpend anders uitzien. Het komt erop neer dat de intensieve veehouderij slechts een beperkte economische basis heeft. Zouden alle negatieve effecten worden doorberekend, dan zou de kostprijs aanmerkelijk hoger zijn. Uit een recent onderzoek (“De echte prijs van vlees”, maart 2018, CE Delft in opdracht van Natuur en Milieu) ) blijkt dat de externe kosten van vlees substantieel zijn. Als alle externe kosten zouden worden verdisconteerd in de prijs en er geen subsidies zouden worden verstrekt, dan zou de prijs van een stukje varkensvlees 53% boven de huidige supermarktprijs moeten liggen. Voor rundvlees is de echte prijs 40% hoger, en voor kippenvlees zouden de kosten 26% hoger zijn. Uit de analyse blijkt ook dat milieuschade in de intensieve veehouderij de grootste schadepost vormt. Het gaat dan met name om emissies van ammoniak (NH3) die gezondheidseffecten geeft voor boeren zelf en omwonenden en de luchtkwaliteit in Nederland flink slechter maakt. De studie stelt ook dat de totale netto maatschappelijke schade van de Nederlandse consumptie van vlees op dit moment ongeveer 4,5 miljard euro per jaar bedraagt (inclusief subsidies).

Maar niet alleen economische en ecologische aspecten spelen een rol. Landbouw had van oudsher een krachtige verbindende functie op het platteland. Die functie is als gevolg van de modernisering aanzienlijk ingeperkt. Terwijl de landbouw oorspronkelijk een belangrijke maatschappelijke functie vervulde, is de nadruk steeds meer op het economisch belang komen te liggen. Bedrijven verdwenen uit de dorpskernen en werden verplaatst naar het buitengebied. Dat had ook gevolgen voor de positie van de landbouw binnen de maatschappij. De landbouw vormde steeds minder een verbindende schakel en een bron van cohesie. De modernisering speelde zich af op bedrijven en werd onttrokken aan het gezichtsveld van burgers. Gevolg is dat burgers thans nauwelijks een beeld hebben van hoe een moderne bedrijfsvoering eruit ziet en hoe ons voedsel wordt geproduceerd. De maatschappelijke functie van de landbouw heeft door de nadruk op economische belangen aan betekenis ingeboet.

Bij de toenemende spanning tussen intensieve veehouderij en omgeving speelt zeker ook mee dat de functies van het buitengebied zijn verbreed. Er kwamen nieuwe inkomensbronnen die speciale eisen stellen aan de omgeving. Zo heeft zorglandbouw juist profijt van een duurzaam beheer van het buitengebied. Voor functies als recreatie en toerisme geldt dat nog sterker. Dat betekent dat er ook vanuit andere economische bedrijfstakken een tegengeluid komt tegen aantasting van de kwaliteiten van het buitengebied. Ook speelt zeker mee dat burgers mondiger zijn geworden. Men vindt het niet meer vanzelfsprekend dat men als bewoners van het buitengebied de nadelen van een steeds intensievere landbouw moet accepteren.

Dat alles heeft de afgelopen decennia tot toenemende polarisatie geleid in het buitengebied. Ook Leudal kent meerdere probleemsituaties die in de huidige omstandigheden niet of nauwelijks oplosbaar zijn. Aanvragen voor vergunningen voor aanpassing en vergroting van bedrijven stuiten steeds vaker op weerstand met een opeenvolging van juridische procedures. Pogingen om via mediation tot voor ieder aanvaardbare oplossingen te komen blijken vaak geen succes te hebben. De verhoudingen zijn vaak te zeer verstoord. Enerzijds is er voor ondernemers de noodzaak van voortdurende vernieuwing en anderzijds wensen omwonenden en bijvoorbeeld natuur- en milieuorganisaties de gevolgen daarvan niet langer te accepteren. Dat betekent vertraging van plannen, ergernis bij alle betrokkenen en de mogelijkheden om tot oplossingen te komen zijn gering. De regels die met betrekking tot rechtsbescherming gelden geven volop gelegenheid tot verzet tegen onwelgevallige overheidsbesluiten.

De conclusie van het bovenstaande is dat de maatschappelijke positie van de landbouw tot probleem geworden. De eisen vanuit de maatschappij nemen toe en de ruimte op daarop in te spelen is voor de individuele ondernemers beperkt. We zitten vast aan de wijze waarop we alles hebben georganiseerd en geregeld. We houden de problemen als het ware georganiseerd in stand. We hebben de problemen beter georganiseerd dan de uitdagingen voor de toekomst. Daarbij moeten we ons realiseren dat ingrijpende veranderingen weliswaar nodig zijn maar dat de invloed van de gemeenten beperkt is. We kunnen als gemeente incidentele innovatieve initiatieven ondersteunen maar voor structurele oplossingen zijn we afhankelijk van de provinciale en (vooral) de landelijke overheid en natuurlijk van betrokken partijen zelf. De nieuwe Omgevingswet geeft blijk van een andere benadering en heeft de ambitie meer ruimte te bieden aan dynamiek. Alle aanleiding dus om de mogelijkheden van de Omgevingswet op het terrein van de spanning tussen intensieve veehouderij en omgeving nader te verkennen.    

  • De Omgevingswet

De toenemende bemoeienis van de overheid met de intensieve veehouderij heeft geleid tot een dicht net van juridisch verankerde regels. Het juridisch systeem waarin rechten en plichten zijn vastgelegd is gebaseerd op individuele bedrijven. Weliswaar gelden er op landelijk, provinciaal en lokaal niveau algemeen geldende regels voor het recht om dieren te houden maar dergelijke rechten zijn toegewezen aan individuele bedrijven en gebonden aan specifieke locaties. Wie dieren houdt dient over een vergunning te beschikken om dat op een bepaalde locatie te doen. De vraag is aan de orde of en op welke wijze de mogelijkheden van de nieuwe Omgevingswet kunnen bijdragen aan structurele en duurzame oplossingen. Dat geldt in het bijzonder omdat deze Wet meer flexibiliteit toelaat en meer ruimte schept voor initiatieven vanuit de praktijk. Dat biedt mogelijkheden ten opzichte van de huidige situatie waarin sprake is van een strak en complex juridisch kader.

Er zijn kortom veel redenen om positief te staan tegenover de ambities van de nieuwe Omgevingswet. Maar de vraag blijft of het ook gaat lukken die ambities in de praktijk handen en voeten te geven. We noemden reeds het grote aantal nota’s, rapporten en plannen die als strekking hadden dat ingrijpende veranderingen nodig waren met betrekking tot de intensieve veehouderij. Maar ook stellen we vast dat deze niet of zeer onvoldoende zijn opgepakt en dat met aanbevelingen weinig is gebeurd. Plannen kwamen slechts moeizaam tot uitvoering en werden onder politieke druk vaak verzacht. Of oplossingen werden naar de toekomst verschoven. Het gaat kennelijk om een weerbarstig vraagstuk. Veel pleidooien voor noodzakelijke veranderingen met betrekking tot de intensieve veehouderij hebben geen vertaling gekregen in de praktijk. Er is dus meer nodig om te voorkomen dat ook de ambities van de Omgevingswet vastlopen in intenties die niet kunnen worden gerealiseerd. Er blijkt een spanning te bestaan tussen theorie en praktijk. Succes is niet vanzelfsprekend. Zo kunnen we bestaande rechten niet zomaar opzij zetten. Die zijn juridisch stevig verankerd. Maar ook is het lang niet vanzelfsprekend dat partijen met elkaar draagvlak bereiken voor plannen. Zo is er regelmatig sprake van vijandbeelden tussen betrokkenen. Verhoudingen zijn vaak verstoord na lange juridische procedures waarin partijen tegenover elkaar zijn komen te staan. Dat maakt het niet gemakkelijk om in die context vervolgens met elkaar plannen uit te gaan werken.

Om tot werkelijke vernieuwing te komen is er meer ruimte nodig zodat er oplossingen in zicht komen die thans niet mogelijk zijn. Om die reden is een voorstel uitgewerkt dat het huidige systeem van rechten en plichten vervangt door een stelsel dat meer ruimte biedt om tot oplossingen te komen.

De vraag in hoeverre de ambities en mogelijkheden van de nieuwe Omgevingswet zullen worden benut is, vanwege de uitgangspunten en principes van de nieuwe Omgevingswet, primair een vraag voor de Gemeenteraad. Dat geldt ook voor Leudal. Gaan we de geboden ruimte benutten? Welke voorwaarden gelden daarbij? Staan we open voor initiatieven of blijven we vasthouden aan het bestaande rigide kader en accepteren we bewust of onbewust de bezwaren die daaraan vastzitten? In het laatste geval accepteren we ook het voortbestaan van overlast- en knelsituaties. Dat is dus eerst en vooral een politieke keuze.  

Tegelijkertijd zijn er ook omstandigheden die de geesten wellicht rijp maken voor een nieuwe aanpak waarbij gebruik wordt gemaakt van de opties van de Omgevingswet. Allereerst zullen weinigen gelukkig zijn met de huidige situatie. Ondernemers worden thans belemmerd in de uitvoering van hun bedrijfsplannen en tegelijkertijd zijn eenmaal vergunde rechten vrijwel onaantastbaar waardoor omwonenden de zekerheid hebben dat problemen nog lange tijd blijven voortbestaan. Een tweede gunstige omstandigheid is dat ondernemers als gevolg van nieuwe regels de overstap moeten maken naar nieuwe en milieuvriendelijker stalsystemen. Dat vraag aanzienlijke investeringen en velen zullen die stap niet zetten en hun activiteiten beëindigen. Dat betekent dat er dynamiek komt in de sector en dat is een gunstig moment om die zodanig te sturen dat ook in planologisch opzicht een duurzamere structuur ontstaat. Die kan worden bereikt door dierrechten te verplaatsen van locaties die overlast geven naar activiteiten waar die overlast niet bestaat of aanzienlijk minder is. De uitdaging is om die herstructurering zodanig te laten plaatsvinden dat in de eindsituatie zowel ondernemers als omwonenden er maximaal op vooruit zijn gegaan. Zonder regie over de te verwachten dynamiek zullen rechten kunnen worden verplaatst naar minder optimale locaties en zal er mogelijk worden geïnvesteerd op locaties die op termijn weinig duurzaam zijn. De komende periode van dynamiek lijkt uit te nodigen om de daaraan verbonden kansen te benutten door investeringen te doen op locaties die toekomstbestendig zijn. Zo kan worden voorkomen dat dieren worden verplaatst naar locaties die nu reeds als problematisch worden ervaren en die zich niet goed lenen voor uitbreiding of nieuwvestiging. Die situatie zou voor alle betrokkenen nadelen hebben. In plaats daarvan zou de ambitie moeten zijn om dieren te verplaatsen van locaties die thans overlast geven naar locaties waar betere mogelijkheden zijn voor bedrijfsontwikkeling. Zoals aangegeven kunnen bestaande regels verhinderen dat deze ontwikkeling zal optreden. Dat roept de vraag op of een aanpak denkbaar is die de gewenste structuurverbetering wel mogelijk maakt.

4. Een voorstel op basis van de nieuwe Omgevingswet

Wij menen dat verandering en vernieuwing niet zijn gediend met een systeem waarin rechten aan individuele bedrijven zijn toegekend en iedere wijziging onderwerp zal zijn van lange juridische procedures. Binnen het huidige systeem worden probleemsituaties niet wezenlijk opgelost omdat eenmaal verleende rechten moeilijk kunnen worden aangetast. Het voorstel is om een systeemsprong te maken door over te stappen van individuele beoordeling van bedrijfsplannen en wijziging van vergunningen naar een meer gebiedsgerichte benadering. Dat is meer dan een schaalsprong. Het voorstel houdt ook in dat gekozen wordt voor een andere benadering waarbij de verantwoordelijkheid voor oplossingen deels verschuift van de overheid naar private partijen. Ondernemers, burgers en natuur- en milieuorganisaties komen centraal te staan en krijgen de mogelijkheid om voor het “eigen” gebied met oplossingen te komen die duurzaam en houdbaar zijn. Dat houdt concreet in dat knelsituaties onderwerp worden van onderling overleg en dat van overheidszijde de mogelijkheid wordt geboden en ook ondersteund om een plan op te stellen waarin alle betrokkenen zich kunnen vinden. Die benadering betekent dat regionale differentiatie uitgangspunt is. Wat aanvaardbaar is in de ene regio kan worden afgewezen in een andere regio. Centraal staat dat gekozen wordt voor een beoordelings- en afwegingskader dat zich niet beperkt tot afzonderlijke bedrijven maar een regionaal karakter heeft. Een op te stellen plan houdt in dat wordt vastgelegd op welke locaties verdere bedrijfsontwikkeling mogelijk is, welke voorwaarden daarbij gelden en ook op welke locaties veehouderijactiviteiten binnen een af te spreken termijn worden beëindigd. Dat betekent niet dat een streep wordt gehaald door regels van de landelijke, provinciale en gemeentelijke overheid maar dat sprake is van een algemener kader waarbij de concrete invulling van regels aan de partijen in een gebied wordt overgelaten.

Natuurlijk kan men oordelen dat een dergelijke aanpak niet van de grond zal komen, zeker wanneer sprake is van verstoorde verhoudingen. Echter, voor beide partijen valt er winst te behalen. Voortzetting van de huidige situatie betekent dat er in veel gevallen een rem is op bedrijfsontwikkeling en dat overlast voor omwonenden blijft voortduren. Partijen hebben er dus belang bij dat men tot overeenstemming komt. Zonder onderlinge overeenstemming blijven bestaande rechten inclusief de daaraan verbonden consequenties van kracht. Die verliezen pas en slechts hun geldigheid zodra er overeenstemming is over een nieuw en door betrokkenen gedragen plan.

De betekenis van de Omgevingswet is vooral dat daardoor mogelijkheden in beeld komen die thans juridisch niet mogelijk zijn. De overheid zit vast aan eenmaal verleende rechten. Wijziging daarvan is enkel mogelijk wanneer daarbij betrokken partijen daarover overeenstemming bereiken. We kunnen dus slechts in beperkte mate erop vertrouwen dat wijziging c.q. aanscherping van regels zal helpen. Verandering kan niet worden afgedwongen. Tegelijkertijd hebben partijen er belang bij tot overeenstemming te komen, wetend dat men anders gevangen zit in een strak juridisch kader.   

De Omgevingswet kan flexibiliteit bieden doordat rechten uitwisselbaar worden tussen locaties. Daardoor ontstaan meer mogelijkheden tot structuurverbetering van de sector en voorts kan worden bijgedragen aan een gewenste oplossing van probleemsituaties. Een dergelijke benadering kan niet worden opgelegd door de gemeente. Het gaat immers om private belangen die juridisch zijn verankerd. Uitgangspunt dient te zijn dat voor realisering van deze benadering alle betrokkenen (ondernemers, burgers, milieu- en natuurorganisaties) een centrale rol krijgen toebedeeld. Dat houdt in dat betrokken partijen in probleemsituaties op basis van thans verleende vergunningen gezamenlijk een plan uitwerken waarbij na een overgangsperiode een situatie wordt bereikt waarin dieren op zodanige locaties worden gehouden dat dit leidt tot verbetering van de structuur van de sector. Die benadering maakt bedrijfsontwikkeling mogelijk waarbij tevens bestaande overlast wordt teruggedrongen. Dat kan bijvoorbeeld inhouden dat op locaties waar thans intensieve veehouderij plaatsvindt en waar een ondernemer overweegt te stoppen, de activiteiten op wellicht grotere schaal worden voortgezet terwijl tegelijkertijd bedrijfsactiviteiten op locaties die problemen opleveren op termijn worden beëindigd of sterk worden verminderd.

Ook is helder dat realisering van een dergelijk plan aanzienlijke financiële inspanningen zal vragen. Het aantal dieren per bedrijf is thans aanzienlijk groter dan in de negentiger jaren toen een veelomvattend plan dat de gehele intensieve veehouderij in de concentratiegebieden zoals Noord-Brabant, Limburg, Gelderland en Overijssel omvatte, niet van de grond kwam en politiek op wezenlijke punten werd “uitgekleed” waardoor de uitkomst veel minder ingrijpend werd en de problemen niet werden opgelost maar, integendeel, eerder werden versterkt en verdiept. Dat plan hield een onderscheid in tussen landbouwontwikkelingsgebieden en varkensvrije zones. Het huidige plan is kleinschaliger en is gebaseerd op een lokale aanpak waarbij binnen een gemeente ook nog eens de inspanningen zijn gericht op oplossing van knelsituaties.

Een verschil is ook dat indertijd sprake bij het plan voor varkensvrije zones sprake was van een landelijk kader terwijl in het huidige voorstel is gekozen voor een aanpak vanuit de praktijk. De overheid heeft in het voorstel een andere positie en rol. Bovendien ligt minder de nadruk op regelgeving en wordt deels het uitgangspunt losgelaten dat aanscherping van regels de gewenste eindsituatie zal doen ontstaan. Niet de overheid is leidend en voorschrijvend in de voorgestelde aanpak maar aangesloten wordt bij wat betrokkenen in een bepaald beperkt gebied zelf wensen.

Natuurlijk kan men twijfels hebben of partijen die in procedures lijnrecht tegenover elkaar hebben gestaan bereid en in staat zijn tot het opstellen van een gezamenlijk plan te komen. Echter, wanneer men besluit niet mee te werken betekent dan voor ondernemers dat bedrijfsontwikkeling lastig zal blijven en dat de structuur van de sector niet wezenlijk verbetert. Voor omwonenden zou dat inhouden dat in dat men nog zeer lange tijd de bestaande overlast zal moeten accepteren. De uitdaging is om een moment van dynamiek in de sector aan te grijpen om ook beweging te krijgen in situaties die in juridisch opzicht zijn dichtgetimmerd.

5. Verdere uitwerking van het voorstel

5.1 Algemeen

Voor de nadere uitwerking en concretisering zullen we op een aantal aspecten van het voorstel nader ingaan. Het onderstaande is niet geschreven vanuit de stelling dat dit de enige uitwerking is maar vooral om de gedachten te bepalen en besluitvorming voor te bereiden over de vraag of we deze kant op willen. De uiteindelijke uitwerking kan dus afwijken. Bovendien is belangrijk dat het uitgangspunt is dat plannen zullen worden opgesteld door betrokkenen. Dat pleit eveneens voor ruimte ten opzichte van de huidige situatie. Een gedetailleerd voorgeschreven procedure met tal van regels staat haaks op het bieden van beleidsruimte aan betrokkenen en kan gemakkelijk belemmeren dat initiatieven van de grond komen. Wel zal er politieke helderheid moeten worden verschaft over het beoordelingskader waar op te stellen plannen aan zullen worden getoetst. Met het wekken van verwachtingen die later niet worden bevestigd is niemand gediend. Dan verkeert vernieuwing in zijn tegendeel, namelijk nog verder verlies aan vertrouwen in overheden. Ook zal de ruimte die wordt geboden op planologisch terrein nooit zover gaan dat harde uitgangspunten zoals die in overheidsbeleid vastliggen en wezenlijke waarden in het gebied worden aangetast.

5.2 Omvang gebied

Bij de selectie van gebieden dient uitgangspunt te zijn of er sprake is van een door betrokkenen intens beleefd probleem. Er moet sprake zijn van een zich voortslepende problematiek die binnen geldende beleidskaders niet oplosbaar lijkt. Voor ondernemers kan dat het gebrek aan noodzakelijk ontwikkelingsmogelijkheden voor hun bedrijf zijn. Voor burgers de ondervonden overlast en voor natuur- en milieuorganisaties de bescherming van kwetsbare waarden. Enkel om de gedachten te bepalen: het zou kunnen gaan om een gebied van 100 tot 500 hectaren waarin 5 bedrijven zijn gevestigd, twintig tot dertig burgers wonen en al of niet sprake is van natuurwaarden. Een te selecteren gebied moet groot genoeg zijn om tot flexibiliteit te komen en klein genoeg om tot een directe onderlinge communicatie te komen tussen alle betrokkenen.

5.3 Fasering

Het spreekt vanzelf dat een dergelijk plan niet van de ene op de andere dag kan worden verwezenlijkt. Het vraagt tijd. Het lijkt dan ook logisch dat een dergelijk plan een overgangsperiode bevat waarin fasen worden onderscheiden in het realiseren van de eindsituatie en waarbij per fase wordt aangegeven welke stappen in die fase worden gezet. Dat kan beëindiging van veehouderijactiviteiten op een locatie inhouden, nieuwe vergunningen voor andere locaties met meer ruimte dan thans is toegestaan, afspraken over maatregelen tijdens een bepaalde fase, afspraken over handhaving van geldende regels enz.       

5.4 Het resultaat

De uitkomst kan het karakter hebben van een kaart waarop staat aangegeven wat de eindsituatie is die men wil bereiken maar ook afspraken over de weg waarlangs en het tijdstip waarop deze moet worden bereikt. Ook kunnen afspraken er onderdeel van zijn waarin verdere ontwikkelingsruimte wordt geboden, gekoppeld aan voorwaarden. Er kunnen ook afspraken met een tijdelijk karakter worden gemaakt die slechts tijdens een overgangsperiode gelden.   

5.5 De financiering

Juist vanwege de aanzienlijke bedrijfsontwikkeling en schaalvergroting in de afgelopen twintig jaar zullen maatregelen die structuur verbeterend werken aanzienlijke investeringen vragen. Het is onze overtuiging dat met name de landelijke en provinciale overheid aanspreekbaar zullen zijn op medefinanciering aangezien te maken plannen die op de steun van alle betrokkenen kunnen rekenen beleidsdoelen realiseren die binnen het huidige systeem al jarenlang niet van de grond zijn gekomen. Immers, de wens tot verbetering van de structuur van de intensieve veehouderij ligt vast in beleidsnota’s van provincie en rijk en niemand zal tevreden terugkijken op de resultaten die op dat terrein de afgelopen periode zijn bereikt. Zeer integendeel!

Het vertrekpunt dat inzet van overheidsmiddelen noodzakelijk zal zijn heeft overigens nooit ter discussie gestaan. Ook in de negentiger jaren toen een ingrijpende herstructurering van de veehouderij onderwerp van overleg vormde was overheidsbudget beschikbaar. Recent is door Minister Schouten aangegeven dat er overheidsmiddelen beschikbaar zijn om het proces van herstructurering te begeleiden en te realiseren. Aangezien een tot stand gekomen plan een duurzame en houdbare oplossing betreft waar alle betrokkenen mee kunnen leven en voor alle partijen aanmerkelijke voordelen heeft, niet in de laatste plaats voor overheden, zijn er krachtige argumenten een beroep te doen op voor de herstructurering van de intensieve veehouderij beschikbare gelden. Overigens zal een door betrokken partijen geaccepteerd plan ook grote voordelen en kostenbesparingen betekenen voor de gemeente. Voortduring van knelpuntsituaties vraagt aanzienlijke ambtelijke en bestuurlijke inzet, zowel bij de voorbereiding van te nemen besluiten als met betrekking tot de inbreng bij juridische procedures (bezwaar en beroep).

5.6 Rol en positie overheid

De positie en rol van de gemeente veranderen ingrijpend. Terwijl de gemeente binnen het huidige planologisch beleidskader een centrale plaats inneemt, vindt planvorming nu primair plaats door betrokken partijen zelf. Daarmee is de rol van de gemeente overigens allerminst uitgespeeld. Op de volgende punten is die rol zelfs cruciaal.

Allereerst zal de gemeente de keuze moeten maken om het voorstel verder uit te werken, daarover te besluiten en het voorstel te communiceren naar betrokkenen. Ook heeft de gemeente een belangrijke opdracht om met provincie en rijksoverheid te communiceren en te verkennen of deze vernieuwende aanpak wordt geaccepteerd. Er moet een kader worden geconstrueerd waarbinnen eenmaal uitgewerkte plannen onderwerp van overleg en beoordeling kunnen zijn. Op de derde plaats zal procesbegeleiding moeten worden georganiseerd. De ervaring leert dat betrokken partijen, wanneer die een periode van juridische processen hebben doorgemaakt, niet automatisch de overstap zullen maken naar het gezamenlijk opstellen van een plan. Dat vraagt over en weer vertrouwen dat in de huidige situatie vaak ontbreekt. Tot slot zullen eenmaal opgestelde en goedgekeurde plannen planologisch moeten worden vastgelegd, bijvoorbeeld als component in een Bestemmingsplan Buitengebied.

5.7 Het proces

Realisering van een dergelijk plan wijkt ingrijpend af van de bestaande praktijk. Partijen die tot nu toe in juridische procedures vaak tegenover elkaar hebben gestaan, moeten gezamenlijk plannen uitwerken waarbij belangen tegengesteld zijn. Anderzijds beschikken ze zelf in de nieuwe situatie over meer vrijheidsgraden en krijgen ze ruimte om tot oplossingen te komen die binnen thans geldende regels niet mogelijk zijn. Ze zijn minder afhankelijk van gemeentelijke regels waar men geen invloed op heeft.

De ervaring leert dat in dergelijke situaties de kans vrij groot is dat gedurende het proces deelnemers zich laten leiden door de beelden die men gedurende een lange periode van elkaar heeft opgebouwd. Het creëren van gezamenlijkheid vraagt bij de start dan ook veel aandacht. Een beproefde aanpak is dat deelnemers als start opschrijven wat voor hun wezenlijke waarden en uitgangspunten zijn. Die kunnen onderling zeer verschillen maar belangrijk is dat deze expliciet worden benoemd, gedeeld en over en weer gerespecteerd. Waar dient het op te stellen plan minimaal aan te voldoen? Wanneer heeft een plan meerwaarde boven de bestaande context? Dat kan voor burgers zijn dat men een aantrekkelijke leefomgeving wenst en voor ondernemers dat continuïteit is verzekerd. Het is belangrijk dat aan het begin van het proces die zaken worden gedeeld en dat er over en weer respect daarvoor bestaat, gevolgd door de afspraak dat wat er aan ideeën en oplossingen op tafel komt, zal worden getoetst aan dergelijke ambities en zorgen. Dat kan meer ontwerpruimte scheppen om met voorstellen te komen zonder het risico te lopen dat men daarop wordt vastgepind. Men treedt dan uit de onderhandelingscontext en er ontstaat ruimte opties te verkennen zonder die reeds vooraf direct af te wijzen omdat men er de gevolgen niet van kan overzien. Een context van onderhandeling kan zo worden vervangen door een context van gezamenlijke constructie. Distributief onderhandelen waarbij winst van de een verlies betekent voor de ander wordt vervangen door een meer integrale overlegcontext. Het resultaat vormt een set van gedeelde waarden en intenties die schriftelijk wordt vastgelegd. Dat document vormt de toetssteen gedurende het te doorlopen proces. Voorspelbaar is dat tijdens het proces regelmatig sprake is van terugvallen in de oude context van belangentegenstelingen. Het bij de aanvang op te stellen document heeft het karakter van een intentieovereenkomst en kan goede diensten bewijzen wanneer verhoudingen tussen deelnemers gespannen raken en voortgang belemmeren. Op dergelijke momenten kan het helpen om te herinneren aan wat bij de aanvang van het proces als intenties is vastgelegd. Een dergelijk document kan zo dienen als baken en kompas voor het proces wanneer zich onderweg strubbelingen voordoen. Waarden inspireren, belangen doen dat zelden of nooit.

Gelet op de aard van de problematiek lijkt het noodzakelijk, althans zeer gewenst, dat het proces plaatsvindt onder begeleiding. Dat kan een persoon uit de eigen omgeving zijn die het vertrouwen geniet van deelnemers of er kan gekozen worden voor externe begeleiding.       

Belangrijk is ook dat vooraf geen concrete stellingen worden betrokken over concrete situaties, bijvoorbeeld de eis dat de geurnorm hoe dan ook moet worden verlaagd of dat op een bepaalde locatie uitbreiding van de veestapel hoe dan ook mogelijk moet zijn. Dus geen voorwaarden vooraf omdat die de ontwerpruimte inperken. Ambities en zorgen zijn belangrijk maar die moeten zodanig worden geformuleerd dat de weg waarlangs daaraan kan worden tegemoet gekomen breed is. Vervolgens blijkt of de bereidheid aanwezig is om een traject te verkennen waarin locatie-specifieke oplossingen worden gezocht.

Men kan het maken van een dergelijk plan opvatten als een mogelijkheid tot oplossingen te komen waar men mee kan leven. Tegelijkertijd heeft men de zekerheid dat als men niet in beweging komt men vast blijft zitten aan problemen die aan de huidige situatie zijn verbonden. Dat betekent voor ondernemers dat men bij ieder plan voor bedrijfsaanpassing de zekerheid heeft dat men in juridische procedures belandt. Het betekent voor omwonenden dat men moet accepteren dat eenmaal vereende rechten vrijwel onaantastbaar zijn en dat ondervonden overlast zal voortduren.

6. Een procedurevoorstel

Stap 1

Het beschreven voorstel is ingrijpend. Het betekent een andere aanpak. Het raakt de beginselen van de toedeling van verantwoordelijkheden. De overheid treedt terug en er wordt ruimte geboden aan betrokken partijen in een gebied. Dit is in hoge mate een politieke aangelegenheid. De eerste stap dient dan ook te zijn om te verkennen of deze aanpak op steun kan rekenen binnen de Gemeenteraad. Wil de Raad actief inspelen op de mogelijkheden die de Omgevingswet biedt, beschouwt men het onderhavige voorstel als een wenselijke benadering en welke opvattingen en aandachtspunten vindt men daarbij belangrijk?

Stap 2

Een volgende stap dient te zijn dat het College bij gebleken steun van de Raad de aanpak verkent bij de provinciale en landelijke overheid, inclusief voorwaarden die aan het proces worden gesteld. Het betreft ook de vraag of overheden zowel beleidsmatig als financieel aanspreekbaar zijn met betrekking tot plannen die door partijen worden opgesteld . Het feit dat meer ruimte wordt geboden aan partijen zal voorspelbaar niet inhouden dat de provinciale en rijksoverheid beleidsmatig geheel zullen terugtreden. Er zal een toetsingskader moeten worden opgesteld dat weliswaar ruimer is dan het huidige complexe en gedetailleerde stelsel van regels maar dat recht doet aan verplichtingen waar bijvoorbeeld de landelijke overheid internationaal aan is gehouden. Belangrijk is dat van meet af aan helderheid bestaat wat het kader is dat op rijks- en provinciaal niveau geldt. Wat zijn de absolute voorwaarden waar oplossingen aan moeten voldoen?

Stap 3

Vervolgens wordt door het College een Raadsvoorstel waarin de aanpak zodanig concreet is uitgewerkt dat hiermee in de praktijk aan de slag kan worden gegaan. Dat voorstel zal ook de gebieden benoemen die bij voorrang worden benaderd. Natuurlijk is denkbaar dat ook spontaan initiatieven van de grond komen.     


Heythuysen, 19 augustus 2018

***********************************************



Opiniebijdrage 9 mei, Dagblad De Limburger

Door Orde scheppen we Chaos

Wie als buitenlander Nederland bezoekt zal vaak onder de indruk zijn van hoe we ons land hebben ingericht. We hebben alles keurig op orde, de tuintjes zijn aangeharkt. Alles is geregeld. Dat mag op het eerste gezicht mooi en indrukwekkend lijken maar wijzelf kennen ook de nadelen ervan. De manier waarop we alles hebben geordend kan ook een belangrijke hinderpaal zijn, bijvoorbeeld wanneer we vernieuwingen willen doorvoeren. Dan staan al die regels ons vaak in de weg. Neem als voorbeeld de ruimtelijke ordening waarin we alles tot in detail hebben geregeld. Als we iets willen veranderen zijn er ingewikkelde, tijdrovende en kostbare procedures nodig. Nog erger is dat het systeem nauwelijks veranderbaar is. We hebben alles in definities vastgelegd. En voortdurend worden we gedwongen onze regels nog verder te verfijnen. Is een verzameling stenen een bouwwerk? Wat valt er onder een aan huis gebonden beroep? Bovendien worden we in een moderne samenleving voortdurend geconfronteerd met nieuwe ontwikkelingen en situaties. Het is een wereld waar de politiek de greep op heeft verloren. Het is een walhalla voor juristen, tot groot ongenoegen van burgers en ondernemers die er de last van ondervinden.

Nu is kenmerk van een definitie dat die een onderscheid maakt tussen wat de definitie omvat en wat er buiten valt. Definities sluiten uit. En door definities verder aan te punten valt er steeds meer buiten. Steeds vaker krijgen burgers te maken met de reactie dat die plannen in strijd zijn met de definities zoals we die in onze regels hebben vastgelegd. En regels moeten nu eenmaal worden gerespecteerd. Juist door uit te sluiten wordt de wereld buiten onze systemen steeds groter. De overheid wordt steeds minder ontvankelijk voor wat er leeft onder burgers. Alles wat niet binnen de definities en binnen het beleid valt, bestaat niet voor de overheid. Het is betekenisloos, althans voor de overheid. Het valt buiten onze ordeningen. We beschouwen het als chaos. We hebben daarbij niet in de gaten dat we zelf, door te bepalen wat buiten de regels valt, de constructeurs zijn van die chaos. We willen orde en juist daardoor scheppen we chaos.

Voor die chaos hebben we geen belangstelling. De Franse filosoof Michel Serres stelt dat die chaos waardevol is. Juist datgene wat we hebben buitengesloten bevat de kiemen voor vernieuwing. Gaandeweg is onze aandacht zo gefocust op de regels dat we niet in de gaten hebben dat we daardoor het zicht hebben verloren op wat van waarde is. We hebben als het ware eilanden geconstrueerd waarop we alles keurig hebben geregeld maar het echte leven speelt zich steeds meer af op de oceaan. Serres pleit ervoor onze eilanden te verlaten en expedities te ondernemen om het leven op de oceaan te leren kennen. Dat vraagt lef. Het is veel veiliger in onze papieren werkelijkheid te blijven functioneren en de illusie in stand te houden dat we alles op orde hebben. Juist door naar duidelijkheid en zekerheid te streven hebben we nieuwe onzekerheden geconstrueerd. Nodig is dat we die illusies ontmaskeren. Van rechters hoeven we die ruimte niet te verwachten. Die dienen immers te toetsen aan geldende regels. De werkelijke opdracht ligt bij politici, bij parlementsleden, leden van Provinciale Staten en Raadseden. Die bepleiten weliswaar telkens weer de noodzaak van vernieuwing maar laten zich maar al te vaak leiden door juridische discussies over regels. Daardoor houden ze het verleden in stand in plaats van de toekomst te ontwerpen. Men blijft op de eilanden de dijken verhogen maar is op de duur niet bestand tegen het wassende water. Het feit dat in veel gemeenten nauwelijks nog 50% van de burgers gaat stemmen voor een nieuwe gemeenteraad is een teken aan de wand. Burgers herkennen zich niet meer in het formele leven op de eilanden en gaan hun eigen weg. Men heeft geen aandacht meer voor bestuurders en politici die het belang van onze democratie benadrukken maar tegelijkertijd gaandeweg hun belangstelling hebben verloren voor wat burgers bezighoudt.

Thieu Wagemans is Raadslid voor Ronduit Open in Leudal

**********************************************


De Robotisering van Raadsleden

Een pleidooi voor vernieuwing van de lokale politiek

Mathieu Wagemans, Raadslid Ronduit Open, gemeente Leudal

Januari 2018

(nadere info: www.ontganiseren.nl Mail:Thieuwagemans@gmail.com tel: 0648131102 Linked in)


Inhoud

Inleiding

Vier essenties

Orde en overzichtelijkheid

Uitsluiting en chaos

Twee werelden

Vertegenwoordiging

Wat is nodig voor verandering?

Hoe zijn die omslagen te realiseren?

Wat betekent dat voor raadsleden?

Literatuur


Inleiding

Na de gemeenteraadsverkiezingen in 2014 was er veel aandacht voor de lage opkomst. In veel gemeenten lag het opkomstpercentage rond de 50%. Dat is op het eerste gezicht merkwaardig. Immers, op gemeentelijk niveau is de relatie tussen gekozenen en kiezers het meest concreet. Het gaat minder over abstracte vraagstukken maar over de verkeersveiligheid in de eigen buurt, over de vraag waar, hoeveel en welke soort woningen worden gebouwd, hoe het openbaar groen wordt onderhouden, of er iets gedaan wordt aan armoedebestrijding en of de huishoudelijke hulp goed is geregeld. Je zou verwachten dat burgers de mogelijkheid aangrijpen om te oordelen over het gevoerde beleid en over de plannen die partijen hebben. Natuurlijk kan men aanvoeren dat de pers nu eenmaal minder aandacht besteedt aan lokale vraagstukken en zich concentreert op wat er rond het Binnenhof gebeurt. Maar de vraag blijft hoe op lokaal niveau de ontmoeting tussen raadsleden en burgers het meest direct is en de politiek niettemin toch zo weinig aanspreekt.

Er lijkt alle aanleiding te zijn voor een verdiepende analyse in plaats van de gemeenplaatsen over oppervlakkigheid van het debat, kerktoren denken en andere etiketten die met groot gemak op de lokale politiek worden gedrukt. De relatie tussen kiezer en gekozene staat centraal in onze democratie. Als die om welke reden dan ook is verstoord, dan gaat onze democratie mank. Vertrouwen is cruciaal in een systeem van vertegenwoordiging. Toch laat dat juist te wensen over. Velen gaan niet eens stemmen, daarmee aangevend dat ze geen relatie hebben met de politiek, niet eens een slechte. Niettemin prijzen we internationaal ons democratisch systeem aan en proberen we invoering van een democratisch stelsel af te dwingen door eisen te stellen aan te verlenen gunsten zoals het sluiten van handelsverdragen.

Nu lijkt er geen aanleiding te zijn om de principes en kerngedachten van de democratie tegen het licht te houden. Die vinden brede steun, zo blijkt telkens weer uit onderzoek. Met de democratische beginselen lijkt niets mis. Het lijkt eerder zo dat de wijze waarop we die beginselen hebben uitgewerkt en er in de praktijk vorm aan hebben gegeven, een kritische beschouwing vraagt.

Vier essenties

In die verdieping zullen we ingaan op een viertal vraagstukken en we zullen op grond daarvan conclusies trekken die als confronterend kunnen worden ervaren. Aansluitend zullen we de veranderingsopgaven benoemen en daarbij ingaan op de rol van raadsleden en de eisen die dat stelt aan het raadslidmaatschap. Er is nadrukkelijk niet gekozen voor gladde verhalen omdat het onze overtuiging is dat politieke correctheid geen oplossing biedt maar juist mede oorzaak is van de situatie waarin we verkeren.

Orde en overzichtelijkheid

De eerste essentie betreft de zucht naar orde en ordelijkheid. We stellen hoge eisen aan de overheid. Die hebben we vastgelegd in beginselen van behoorlijk bestuur. Wij wensen niet dat de overheid zich schuldig maakt aan willekeur. Wij vinden dat de overheid gemaakte afspraken moet nakomen en besluiten deugdelijk moet motiveren. Wij wensen dat de overheid alle burgers gelijk behandelt. Voor de wet is immers iedereen gelijk.

Nu is het nog niet zo eenvoudig voor de overheid om alle besluiten te laten voldoen aan de hoge eisen die we stellen. Dat vraagt grote zorgvuldigheid. Dat leidt ertoe dat bij beleidsmaatregelen heel precies wordt aangegeven wat die inhouden, voor wie die gelden en welke procedures daarbij horen. Een wet of verordening begint doorgaans met een aantal definities waarin begrippen worden omschreven. Met veel gevoel voor detail omschrijven we wat moet worden verstaan onder een motorvoertuig, belastbare inkomsten, een bouwwerk of wanneer er sprake is van armoede. We definiëren de maatschappelijke werkelijkheid zodat we bij de toepassing van onze regels aan de hoge eisen kunnen voldoen. Wat plaatsvindt is dat we ons een beeld van de maatschappelijke werkelijkheid vormen dat ons in staat stelt te handelen conform de eisen die we aan overheidshandelen stellen. Natuurlijk weten we dat de maatschappij niet zo ordelijk is, veelkleurig is, alsmaar verandert en dat er geheel uiteenlopende opvattingen kunnen bestaan rond problemen en oplossingen. Maar recht doen aan die veelkleurigheid is lastig. We kunnen moeilijk beleidsmaatregelen treffen waarbij we de geldigheid afhankelijk maken van veranderende omstandigheden. Er is ook weinig of geen ruimte om af te wijken van de regels en rekening te houden met persoonlijke opvattingen. Regels horen nu eenmaal voor iedereen te gelden.

Dat betekent dat de voorbereiding en vaststelling van beleidsnota’s gaandeweg erg ingewikkeld is geworden. Een beleidsmaatregel moet juridisch houdbaar zijn. Beleid moet eenduidig zijn en geen ruimte bieden voor uiteenlopende interpretaties. We vinden verder dat nieuwe beleidsmaatregelen logisch moeten passen in reeds eerder vastgesteld beleid. De eis van motivering leidt er verder toe dat we helder aangeven wat de oorzaken zijn van een maatschappelijk probleem dat we willen oplossen. Ook moet het verwachte resultaat heel nauwkeurig worden geduid want we willen weten waar het beleid toe dient te leiden. Wanneer verslaving mede veroorzaakt wordt door eenzaamheid, dan nemen we maatregelen om de eenzaamheid te bestrijden. Wanneer de kwaliteit van de natuur afneemt als gevolg van de ammoniakuitstoot van veehouderijbedrijven, dan schrijven we luchtwassers voor die de ammoniakemissie beperken. Wanneer de verkeerssnelheid naar onze overtuiging een oorzaak is van ongelukken, dan plaatsen we borden met een maximumsnelheid. Kortom, we willen helderheid en zijn gaandeweg helderheid met gedetailleerdheid gaan verwarren.

Casus ruimtelijke ordening

Ons verlangen naar ordening komt treffend tot uitdrukking op het terrein van de ruimtelijke ordening. Het ruimtelijk beleid is een complex van zeer gedetailleerde kaarten en regels waarin ieder willekeurig perceel of iedere bebouwing uiterst gedetailleerd een plaats heeft gekregen. Een perceel grond is bestemd als agrarisch, er is nauwkeurig aangegeven welke activiteiten er mogen plaatsvinden, of mestverwerking wel of niet een agrarische activiteit is, wat we verstaan onder een bouwwerk, of een perceel ook landschappelijk belangrijk is en welke consequenties daar dan aan zijn verbonden. Een weg is wel of niet provinciaal, het is wel of niet een ontsluitingsweg. Een verzameling betonblokken moet wel of niet als een erfafscheiding worden beschouwd. Er was ooit een langdurige discussie of een populierenweiland moest worden beschouwd als een agrarisch perceel zij het dat er bomen in het gras stonden, dan wel als een bosgebied, zij het dat er gras tussen de bomen groeide. De definitie bepaalde of de Boswet van toepassing was, dan wel of de boer in aanmerking kwam voor Brusselse bergboerensubsidies. Maar niet alleen is in wetten en bestemmingsplannen alles nauwkeurig vastgelegd, er is ook een stroom aan jurisprudentie die kracht van wet heeft. Er kan zich geen situatie voordoen of via rechterlijke uitspraken wordt vastgesteld of een vergunning wel of niet kan worden verleend en of de daaraan verbonden voorwaarden wel of niet terecht zijn. Alles is nauwkeurig geordend en situaties en gebeurtenissen die niet in onze ordeningen passen zijn betekenisloos. Chaos is uitgesloten. Ook kunnen burgers met succes een beroep doen op uitspraken die rechters eerder hebben gedaan in min of meer vergelijkbare gevallen. De consequentie van dat alles is dat de formele bevoegdheid van gemeenteraden om bestemmingsplannen vast te stellen beperkt is. Al gauw stuiten wensen op juridische bezwaren. De voorgeschreven orde met zijn uiterst gedetailleerde regels en processen is de maatstaf.

Nu leert de ervaring ook dat de maatschappelijke werkelijkheid heel wat minder geordend is. We hebben voortdurend te maken met onverwachte gebeurtenissen. De werkelijkheid houdt zich niet aan onze schema’s en modellen. Steeds weer moeten we accepteren dat we in ons beleid een keurig aangeharkt beeld van de werkelijkheid hebben geschapen dat in de praktijk echter niet is terug te vinden. We hebben een schijnwereld gecreëerd die perfect oogt en juist daardoor niet overeenstemt met de maatschappelijke werkelijkheid. We scheppen een wereld die letterlijk en figuurlijk te mooi is om waar te zijn of ooit waar te worden. We doen dat omdat we zo de illusie overeind kunnen houden van een consistent en allesomvattend beleidskader. We hebben de lat voor onszelf zo hoog gelegd dat we er nauwelijks meer overheen kunnen.

Uitsluiting en chaos

De tweede essentie die nauw met de eerste samenhangt is de uitsluiting. De zucht naar orde en gelijkheid heeft als gevolg dat alles wat zich niet laat ordenen, alles wat niet in onze ordeningen past, wordt buitengesloten. Het verdwijnt buiten beeld. We persen een zeer gevarieerde werkelijkheid binnen een nauwsluitend beleidskader en wat daar niet in past valt buitenboord. Alles wat niet kan worden ingepast, is er wel maar heeft geen betekenis binnen onze schema’s en structuren. De ordening bepaalt wat binnen de ordening past. Beleid is bedoeld en beleidsmaatregelen zijn een middel om de maatschappelijke werkelijkheid te veranderen maar daarvoor is nodig dat we de maatschappelijke werkelijkheid eerst aanpassen zodat die in overeenstemming is met ons beleidskader en de daarin opgenomen definities. De relatie tussen doel en middel wordt omgekeerd. We willen door middel van beleid de maatschappelijke werkelijkheid veranderen maar daartoe moeten we die werkelijkheid eerst geschikt maken voor onze beleidsinstrumenten. Het maatschappelijk doel moet voldoen aan onze instrumenten. Dat is een merkwaardige paradox. We streven naar ordelijkheid en juist daardoor creëren we chaos. Onder chaos verstaan we dan alles wat niet kan worden geordend. Die chaos bestaat wel maar is betekenisloos binnen ons beleid en de daarin opgenomen ordeningen. Het vreemde is dat die chaos het logische gevolg is van onze wens tot ordening. Ordening en uitsluiting hangen onverbrekelijk samen. Wij wensen orde en overzichtelijkheid en juist dat streven wordt de bron van chaos. We formuleren definities en hebben geen oog voor de wereld die buiten onze definities valt. Zo beschouwd is chaos in wezen door onszelf gecreëerde chaos. Die chaos dringt niet tot ons door. De chaos heeft geen betekenis, simpelweg omdat we die hebben buitengesloten.

Maar de ervaring leert dat we weliswaar de maatschappelijke werkelijkheid die niet in onze systemen past kunnen uitsluiten en ontkennen maar daarmee zijn we er niet van af. Permanent worden we geconfronteerd met de werkelijkheid die binnen onze systemen geen plek vindt. Het uit zich in gebeurtenissen, initiatieven en protesten waar we geen goed antwoord op hebben. We ervaren het als lastig. En als ontkenning niet helpt proberen we met bezweringsformules en symboolpolitiek de spanning te verminderen. We zijn erg vindingrijk om het onvermogen van onze systemen te verbloemen.        

Wat irrationeel is, past niet in onze op rationaliteit gebaseerde wereld. Er is in ons systeem geen ruimte voor wat inconsistent is want beleidsregels moeten tot in de kleinste details logisch samenhangen. Niemand neemt het op voor wat inconsistent is, voor het niet-beredeneerbare, voor wat niet meetbaar is. We kunnen ermee leven, juist door het niet serieus te nemen.     

Gevolg is ook dat de wereld van beleving en betekenisgeving weliswaar bestaat en voor burgers wezenlijk is, maar die kan binnen onze ordeningen niet aan bod komen. We hebben die wereld buitengesloten. Dat is niet het bewuste doel maar wel het feitelijk effect van ons streven naar ordening. Wanneer het nu om relatief onbelangrijke, betekenisloze zaken ging, zou dat op zichzelf geen probleem hoeven te zijn. Dat ligt anders wanneer we wezenlijke aspecten buitensluiten. Dat is precies wat er aan de hand is. Sterker nog, de wereld buiten onze ordeningen is in de ogen van menigeen de “echte” werkelijkheid waarin burgers leven, in menig opzicht dankzij en desnoods ondanks de overheid. De wereld van politiek en beleid is de schijnwereld waarin politici en bestuurders telkens weer zichzelf bevestigen en zich dat ook kunnen permitteren.

Nog een stap verder is dat deze schijnwereld niet slechts onmachtig is om verwachtingen waar te maken maar in zijn tegendeel gaat verkeren. Het is een zo complex geheel van regels en procedures dat het moeilijk doordringbaar en begrijpelijk is voor burgers. Communiceren met de overheid vraagt specialistische kennis van bevoegdheden en regels. Rechtvaardigheid verwordt zo tot vaardigheid in het recht. We hebben gelijkheid zo ingewikkeld en gedetailleerd uitgewerkt dat het bron wordt van ongelijkheid. Het middel gaat gaandeweg het realiseren van doelen frustreren.

Twee werelden

De derde essentie hangt samen met de processen van uitsluiting. Er zijn als het ware twee werelden ontstaan: de formele wereld waarin alles keurig is beredeneerd, geordend en aangeharkt enerzijds en anderzijds de wereld van alles wat als gevolg van onze ordeningsbehoefte is buitengesloten omdat het niet paste. Zo wordt een groot deel van de werkelijkheid buitengesloten en de overheid kan zich dat ook permitteren. Immers, de macht van de overheid is definitiemacht. De overheid kan de eigen definities van situaties en gebeurtenissen dwingend opleggen aan de maatschappij. Wat daarin niet past, bestaat formeel niet. Maatschappelijke gebeurtenissen hebben slechts betekenis voor zover die vallen binnen de definities van onze wetten en verordeningen. Ontoelaatbaar gedrag is toegestaan zolang het buiten de definitie van strafbare feiten valt. Zo beschouwd is de macht van de overheid in wezen definitiemacht. Wat niet binnen die definities past bestaat niet.

Dat is voor de overheid een uiterst aantrekkelijke positie. De overheid kijkt met een geordend perspectief en ziet enkel wat in onze ordeningen past. De rest is chaos. Maar alles heeft zijn prijs. De prijs is dat de overheid steeds minder ontvankelijk wordt voor wat burgers bezig houdt en voor wat er in de maatschappij speelt. Die leefwereld van burgers bestaat wel maar kan niet doordringen tot de formele wereld van de overheid. De relatie tussen beide werelden is gespannen omdat ze fundamenteel van elkaar verschillen. Ze bestaan juist vanwege de onverenigbaarheid. Tegelijkertijd kunnen ze elkaar niet ontkennen. Burgers stellen eisen aan het functioneren van de overheid en omgekeerd worden ze geconfronteerd met regels die door de overheid dwingend worden opgelegd.

Het lijkt erop dat die spanning alsmaar toeneemt. Juridische procedures dwingen telkens weer om begrippen nog preciezer te formuleren. Evaluaties van overheidshandelen bij ongelukken leiden tot nog nauwkeuriger protocollen. Binnen de beleidswereld verwarren we helderheid met gedetailleerdheid. Maar dergelijke inspanningen helpen niet wezenlijk. Het lijkt op wat in het schaakspel bekend staat als een herhaling van zetten: veel beweging op het bord maar geen wezenlijke verandering. Ook speelt mee dat de dynamiek in de maatschappij alsmaar toeneemt. De structuren en instituties uit het verleden passen steeds minder in een moderne samenleving. Ze zijn statisch en hebben geen vat op de dynamiek van een netwerksamenleving die een zekere vluchtigheid kent. Oude structuren verliezen aan betekenis maar behouden niettemin hun positie en geldigheid. Overheid en politiek raken het vertrouwen van burgers kwijt. Men pleit voor vernieuwing maar houdt in wezen het verleden in stand. We zijn geformeerd rond gedateerde problemen en belangentegenstellingen. Het is de confrontatie tussen een geordend beleidskader en een steeds dynamischer maatschappelijke werkelijkheid. Er vinden weliswaar voortdurend aanpassingen plaats maar het zijn veranderingen binnen het formele systeem van bevoegdheden, regels en procedures. Dergelijke aanpassingen verschaffen de illusie van oplossingen maar de echte modernisering blijft uit. Het is alsof je denkt dat je door de tafelschikking te veranderen ook de kwaliteit van het eten kunt verbeteren. De snelheid van de maatschappij is niet bij te benen door steeds gedetailleerder en daardoor tijdrovender procedures. Vernieuwende initiatieven komen niet van de grond omdat de ”Verordening Vernieuwende Initiatieven” dat verhindert.    

Maar niet alleen de snelheid is een probleem. Ook de aard van de maatschappelijke vraagstukken verandert. We maken analyses op basis van te eenvoudige schema’s met causale relaties maar daarmee doen we geen recht aan de maatschappelijke werkelijkheid. De probleemformulering moet hoe dan ook uitmonden in maatregelen en die maatregelen moeten op hun beurt daadkracht uitstralen. De dynamiek van een moderne samenleving is echter te complex en resistent tegen ons redeneren. Maatschappelijke ontwikkelingen zijn vaak niet rationeel en houden zich niet aan onze gedachtenconstructies. De onderliggende krachten laten zich nog niet zo gemakkelijk ontleden in simpele afhankelijkheden en oorzaak-gevolgrelaties. Bovendien veranderen relaties voortdurend. Veel krachten werken op elkaar in en de uitkomst van maatregelen laat zich lastig voorspellen. Zekerheden vallen weg. Het lijkt meer op zijn plaats om niet langer te spreken over het probleem van een complexe werkelijkheid maar te erkennen dat onze beleidsmodellen te simpel zijn.   


Casus Veiligheid

In vroeger tijden was het betrekkelijk eenvoudig te vijand te benoemen. De ene stam trok ten strijde tegen de ander. Later waren het doorgaans staten die met elkaar een conflict uitvochten. Maar thans hebben we te maken met aanslagen die ons volkomen onverwacht kunnen treffen. Als er al sprake is van een strategie, dan wordt die uitgevoerd door aparte cellen die vaak geen of slechts een dunne verbinding met elkaar hebben. Het is het beeld van een guerrilla waardoor het niet meer mogelijk is de vijand in een keer uit te roeien of krachteloos te maken. Georganiseerde criminaliteit roept een vergelijkbaar beeld op. Versterken van de veiligheid roept ook nieuwe en stevige tegenkrachten op. We wensen niet dat de overheid te zeer binnendringt in onze private leefwereld. Dat beperkt de mogelijkheden van de overheid om tijdig over voldoende informatie te beschikken en daarop gebaseerde maatregelen te nemen.           

Onze wens tot beïnvloeding met behulp van beschikbare beleidsinstrumenten doet geen recht aan de veelkleurige werkelijkheid. Voortdurend worden we gedwongen nieuwe definities te formuleren voor situaties die vroeger niet bestonden. Of we moeten bestaande definities zoals die in het beleid vastliggen nog verder specificeren. Zie de belastingwetgeving waar de overheid voortdurend reparaties moet uitvoeren om schijnconstructies, bedoeld om belasting te ontwijken, hun werking te ontnemen. Ons regelsysteem wordt daardoor alsmaar specifieker terwijl maatschappelijke ontwikkelingen steeds complexer worden. Misschien is het meer op zijn plaats om de toenemende complexiteit voor een deel toe te schrijven aan de eenvoud van onze beleidsschema’s. We zijn zo beschouwd zelf de constructeurs van complexiteit. Hoe dan ook, om met Deleuze te spreken: we worden geconfronteerd met vraagstukken die het karakter hebben van een rizoom, met een wortelstelsel dat zich ondergronds onvoorspelbaar en ongeordend vertakt. Door enkel te verwijderen wat zich bovengronds toont laat het zich niet uitroeien. Dan bestrijden we op zijn best symptomen en vaak dat niet eens. Misschien ligt hier ook een verklaring voor de problemen die we ervaren bij de overgang naar een participatiemaatschappij. We kunnen vaak moeilijk omgaan met particuliere initiatieven omdat die niet goed kunnen worden ingepast binnen onze beleidskaders. We willen vernieuwing maar we blijven toetsen aan regels uit het verleden. We houden eraan vast, hoe graag we ook anders zouden willen.

Hoe heeft dit zolang kunnen doorgaan ondanks alle analyses, oproepen en voorstellen? Het eerste punt is dat de overheid, zoals we zagen, het betekeniskader dwingend oplegt. De overheid kan het zich permitteren de ogen en oren te sluiten en buiten beeld te laten wat niet past binnen het stelsel van wetten en daarvan afgeleide regels. Het tweede punt is dat ons juridisch systeem functioneert als slot op de deur. Rechters toetsen aan regels en mogen niet anders. Het systeem, hoewel gedateerd, wordt daardoor steeds weer bevestigd. Het betekeniskader van de overheid mag gebreken vertonen, maar het is juridisch wel stevig verankerd. Wat buiten de context van de regels valt is betekenisloos en kan en mag bij de afweging hooguit een marginale rol spelen. Een derde factor heeft te maken met maatschappelijke structuren. De maatschappij is splitsend georganiseerd rond tegenstellingen uit het verleden en niet rond uitdagingen voor de toekomst. We kennen werkgevers- en werknemersorganisaties, landbouw- en natuurorganisaties. Dergelijke structuren nodigen uit tot distributief onderhandelen, touwtrekkerij en in het ergste geval loogravengevechten. Ook speelt mee dat organisaties hun vertegenwoordiging en bescherming vinden binnen politieke partijen met als gevolg dat de onderliggende belangentegenstellingen ook politieke debatten beheersen. Politieke partijen worden dan al gauw behartiger van deelbelangen. In een recente toespraak wijst Tjeenk Willink op de neiging tot zelfreferentie: hoe onze systemen zichzelf telkens weer bevestigen en juist daardoor het zicht op de buitenwereld verliezen.  

Dat alles leidt ertoe dat de bouwwerken van onze rechtsstaat weliswaar stevig zijn gegrondvest maar gaandeweg hun greep verliezen op de dynamiek van een moderne samenleving. Ze dienen niet meer. Maar vergunningen voor ingrijpende verbouwingen zijn lastig te krijgen. Velen hebben er belang bij de oude structuren in stand te laten en te blijven wonen in verouderde gebouwen. Het zijn symbolen van een verleden. Veel adviseurs in gemeenteland verdienen een boterham als permanente reparateurs van symptomen.    

De gevolgen nemen we dagelijks waar. De spanning tussen de formele en de maatschappelijke werkelijkheid uit zich in hoge transactiekosten. Steeds vaker worden politieke besluiten onderwerp van juridische procedures. Dan gaat het om de vraag of een besluit juridisch stand kan houden. Of een gemeenteraad bevoegd is. Of er sprake is van procedurefouten. De discussie verplaatst zich van de raadszaal naar de rechtszaal en de politieke context wordt vervangen door een juridische. De wilsvraag, die politiek van aard is, wordt overvleugeld door vragen over bevoegdheden en procedures. Het zijn uitingen van een gemankeerd systeem dat steeds verder in zichzelf verstrikt raakt. Gunstige condities voor een implosie dus.  

Vertegenwoordiging

De beide werelden bestaan naast elkaar maar tegelijkertijd kunnen ze elkaar niet ontkennen. Dat maakt de vraag interessant wat er gebeurt op het raakvlak. Hoe groot de verschillen ook zijn, er moet niettemin tussen beide werelden worden gecommuniceerd. Op de eerste plaats moeten de spelers binnen het formele domein eens in de vier jaar het recht vragen opnieuw het spel te mogen spelen. Men is bij verkiezingen afhankelijk van de steun van burgers aan wie nauwelijks is uit te leggen hoe complex het veld is waarbinnen de politiek functioneert. Dat geldt voor het spel zelf maar zeker ook voor de complexiteit van de vraagstukken die op de politieke agenda staan. Dat maakt het lastig verantwoording af te leggen. Verantwoording veronderstelt transparantie maar die is nog niet zo eenvoudig te realiseren wanneer dat kennis van en inzicht in de formele werkelijkheid vraagt. Dat vraagt de bereidheid van burgers zich in het formele domein te verdiepen een aandacht te geven aan wat door velen als betekenisloos zal worden ervaren. Het is een andere planeet. Dat leidt voor politici tot de keuze voor vereenvoudiging. Men moet de sympathie verwerven van burgers en beperkt zich tot aansprekende oneliners of toezeggingen waarvan men zich heel goed realiseert dat het nog niet zo gemakkelijk is om die binnen het complexe beleidsveld te realiseren. Campagnes worden gekenmerkt door manipulatie van beeldvorming. Het gaat niet om de vraag of men staatsman is maar of men de gelijkenis kan oproepen. Profilering van partij en kandidaten staat voorop. Met gewiekste reclamecampagnes wordt geprobeerd een beeld op te roepen dat burgers aanspreekt. Dat is primair verwijtbaar aan de politiek die in verkiezingstijd burgers benadert als manipuleerbare objecten en niet als zelfstandige burgers.

Die manipulatie is overigens tweezijdig. Voor burgers roept het bestaan van twee werelden de vraag op hoe men betekenisvol kan communiceren met de overheid wanneer binnen het overheidsdomein een heel andere taal wordt gesproken. Wat plaatsvindt is dat datgene wat burgers beroert zodanig wordt geherformuleerd dat dit betekenis heeft voor de overheid. Wie zich tot de rechter wendt met de klacht dat men zich onrechtvaardig behandeld voelt door de overheid, zal zijn klacht moeten herformuleren. We hebben nu eenmaal geen “Verordening Gevoelens” waar de rechter aan kan toetsen. Hij maakt meer kans bij de rechter wanneer hij kan aantonen dat de overheid bij het bestreden besluit heeft gehandeld in strijd met de geldende regels. Die herformulering veronderstelt bekendheid met de regels zoals die gelden en vraagt de nodige creativiteit en behendigheid. Dat is het werk van advocaten en adviseurs. Daarbij wordt er dankbaar gebruik gemaakt van het feit dat de overheid bij de uitvoering van beleid is gebonden aan steeds strakkere en gedetailleerdere regels. Dat biedt volop ruimte om een overheidsorgaan te verwijten niet te hebben gehandeld in overeenstemming met die eigen regels. Relatief onbelangrijke vormfouten worden aangevoerd om daarmee onwelgevallige besluiten onderuit te halen. Er worden argumenten aangevoerd die voor burgers betekenisloos zijn maar die binnen de overheidssfeer uiterst relevant zijn. Is de juiste procedure gevolgd? Was het overheidsorgaan wel bevoegd? Was het besluit voldoende gemotiveerd? Waren alle aspecten wel uitputtend onderzocht? Wat plaatsvindt heeft vaak het karakter van een spiegelgevecht dat zelfs voor de betreffende burger nauwelijks is te volgen. In formele procedures wordt het betekeniskader van de overheid met al zijn definities en regels als uitgangspunt genomen met als doel diezelfde overheid op overtreding van regels te betrappen of op handelen in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur. Er wordt dankbaar gebruik gemaakt van het feit dat de lat voor de overheid hoog is gelegd. Het uit zich in een toenemend aantal procedures en overbelasting van de organen van bestuursrechtspraak. De overheidsregels worden als uitgangspunt genomen in de wetenschap dat rechters slechts aan die regels mogen en zullen toetsen. Vervolgens dienen diezelfde regels om het optreden van de overheid op correctheid te beoordelen. Los van de vraag wat me van die regels vindt, ze bieden in ieder geval volop gelegenheid de overheid verwijten te maken. De stortvloed aan juridische procedures en de ruime faciliteiten op het terrein van rechtsbescherming maken de overheid kwetsbaar omdat het alsmaar lastiger wordt eraan te voldoen. Verwijzend naar Serres zou je in zekere zin kunnen spreken van parasitair gedrag. De burger respecteert de regels van de overheid en benut die tegelijkertijd om overheidshandelen te ondergraven. De overheid wordt geconfronteerd met zichzelf. De parasiet respecteert de waardplant en holt die gelijktijdig uit.   

Wat is nodig voor verandering?

De noodzakelijke veranderingen zijn ingrijpend. Aanpassingen binnen het bestaande systeem zullen geen uitkomst bieden. Die kunnen de kloof met wat burgers betekenisvol vinden niet overbruggen. De overgang is aan de orde naar een ander systeem dat voor burgers transparant is en dat tevens in staat stelt de vraagstukken van een moderne samenleving op te lossen . Dat is nog niet zo eenvoudig, alleen al omdat het bestaande systeem met al zijn regels, bevoegdheidsverdeling en procedures zo stevig is verankerd. De noodzakelijke systeemvernieuwing vraagt primair omslagen in denken en het ter discussie stellen wat thans vanzelfsprekend is. De definities in onze wetten en verordeningen bepalen vaak heel precies wat binnen de definitie valt maar de uitdaging is om niet enkel te kijken naar wat de definitie omvat maar juist naar wat ze uitsluit. Om met Michel Serres te spreken: juist de chaos, juist datgene wat niet in onze ordeningen past, bevat de kiemen voor vernieuwing. Dat betekent een totale omkering in ons denken. De volgende omslagen zijn daarbij aan de orde.

De eerste omslag is dat we ruimte maken voor beleving van burgers en ons niet langer beperken tot wat we rationeel achten, tot wat kan worden beredeneerd. Dus niet een kruispunt als veilig beschouwen nadat we eerst “veiligheid” aan de hand van objectieve maatstaven (het aantal dodelijke aanrijdingen, het aantal meters uitzicht) hebben gedefinieerd om vervolgens inbreng van burgers dat ze de situatie als onveilig beleven terzijde te schuiven. We moeten emoties toelaten als uitingen van hoe burgers situaties beleven. Thans lopen emoties voortdurend het risico rationeel te worden benaderd. Juist daardoor worden ze ontdaan van hun kern en voelen burgers zich miskend. De leefwereld van burgers toelaten en er betekenis aan geven houdt ook in dat we niet langer uniformiteit dwingend opleggen maar variatie toelaten. Dat betekent dat er aardig moet worden huisgehouden in het woud aan regels en daarop gebaseerde jurisprudentie. En ook dat gelijkheid en uniformiteit als illusies moeten worden ontmaskerd. We moeten het Huis van Thorbecke ontdoen van mythes en ficties. Zoals de fictie dat een minister op de hoogte kan zijn van alle besluiten die op een willekeurige dag op een ministerie worden genomen en daarvoor verantwoordelijk kan worden gehouden. Of het uitgangspunt dat iedere burger de wet dient te kennen. Dat is natuurlijk onmogelijk maar die fictie is nodig omdat zonder die fictie een burger zich bij overtreding van regels zou kunnen verschonen door zich er met succes op te beroepen dat de regel hem niet bekend was. Het zijn ficties maar die ficties zijn uiterst functioneel omdat zonder deze hoekstenen het gebouw van Thorbecke kan instorten.

De tweede omslag heeft betrekking op ons concept van burgerschap. Meer ruimte geven voor wat burgers bezighoudt is een kant van de medaille. Er is ook een andere kant. Burgers zijn dragers van de democratische rechtsstaat. De relatie tussen kiezer en gekozene is de centraal en dragende relatie in een democratische rechtsstaat. Dat besef is zoek. Thans is sprake van een context van vrijblijvendheid. Een burger kan zich uitputten in kritiek op overheid en politiek en tegelijkertijd zich onttrekken aan iedere verantwoordelijkheid. Die vrijblijvendheid moet worden vervangen door een context van verantwoordelijkheid. Aanspreken op verantwoordelijkheid gebeurt echter vanuit de politiek, zeker in verkiezingstijd, nauwelijks. Dan is de burger minder belangrijk maar zijn stem des te meer. Burgers worden thans niet benaderd als drager van verantwoordelijkheid maar ze moeten gunstig worden gestemd. Het raakt de kern van een democratie.

De derde omslag is dat we de drang tot ordening opzij moeten zetten. Ordening betekent het zoeken naar uniformiteit. Organiseren betekent dat die uniformiteit vervolgens dwingend wordt opgelegd. We leven daardoor in een mentaal voorgeprogrammeerde werkelijkheid. In plaats daarvan is de uitdaging aan de orde het onverwachte en het oncontroleerbare onder ogen te zien.

Gevolg is ook, en dat is de vierde omslag, dat we niet meer vanzelfsprekend kunnen vertrouwen op bestaande instituties. Onze organisaties zijn gebaseerd op vanzelfsprekendheden en als die onderwerp van discussie worden valt de basis onder onze organisaties weg. Ze waren bedoeld als instrument en middel om zaken beter te laten verlopen maar worden een steeds grotere hinderpaal voor noodzakelijke vernieuwing. Onze belangenstructuren houden de problemen uit het verleden in stand en belemmeren de aanpak van de vraagstukken van een moderne samenleving. De ruiven van de overheid nodigen daar ook vaak toe uit. Geld wat bedoeld is om tot systeemdoorbraken te komen wordt vanuit kennisinstellingen vaak primair gezien als een middel om de continuïteit van de eigen instituties te zekeren. Gevestigde belangen en structuren leiden in een poldercultuur tot het elkaar de bal toespelen. Onder het mom van het ontwerpen van de toekomst reproduceren we zo het verleden. Ook onze gezagsstructuren werken belemmerend. Hiërarchie verliest aan betekenis en we moeten op zoek naar andere organisatieprincipes. Wederkerigheid bijvoorbeeld als basis om burgers zowel naar elkaar als naar de overheid te verplichten.

De vijfde omslag hangt hiermee samen en heeft betrekking op vervanging van de context van belangen naar de context van waarden. Bestaande instituties zijn uitdrukking van en georganiseerd rond belangentegenstellingen die de stap naar echte vernieuwing blokkeren. Probleemformuleringen op het niveau van belangen nodigen uit tot compromissen over regels, tot uitzonderingen en tot vertragingstactieken. De onderliggende problemen worden zo in stand gehouden. De vraagstukken van onze moderne samenleving vragen om thematisering op het niveau van waarden. Echter, debatten op ideologisch niveau vinden in de politiek steeds minder plaats. Een voorbeeld vormt de landbouw. Het beleid met betrekking tot de productie van voedsel raakt steeds verder verstrikt in complexe regelgeving. Handhaving van regels vraagt buitengewoon grote inspanningen. Steeds weer is sprake van spanningen tussen een economisch georiënteerde landbouw en een ecologisch verantwoord beheer van de omgeving. Schaalvergroting in de landbouw wordt door velen gezien als oorzaak van problemen en tegelijkertijd wordt schaalvergroting vanuit de landbouw gepresenteerd als oplossing om zo op internationaal vlak te kunnen blijven concurreren. Het politieke debat wordt gekenmerkt door conflicterende belangen in plaats van inspiratie te vinden in waarden zoals rentmeesterschap. Waarden inspireren, belangen doen dat zelden of nooit.

De zesde omslag betreft het schaalniveau. Schaalvergroting wordt ook binnen de overheid gezien als een vanzelfsprekende noodzaak. Dat raakt ook het gemeentelijk niveau. Kleine gemeenten zijn niet toekomstbestendig, zo is de overheersende overtuiging. Gemeentelijke herindelingen zijn onontkoombaar. Vaak wordt daarbij als argument gebruikt dat kleine gemeenten de deskundigheid missen om beleidsvragen goed aan te pakken. Slechts zelden wordt daarbij de vraag gesteld hoe het komt dat het formuleren en uitvoeren van beleid zo ingewikkeld is geworden dat kleinere gemeenten daar niet goed toe in staat zijn. Wat zijn de onderliggende redenen dat beleidswerk in toenemende mate een kwestie is geworden van juristen? Is dat niet een gevolg van het feit dat we onze beleidskaders steeds complexer maken waardoor die steeds verder en steeds vaker vastlopen? Is de roep om schaalvergroting niet een vlucht voor ons eigen onvermogen? In gelijke zin worden bevoegdheden van gemeenteraden steeds verder uitgehold door samenwerkingsverbanden waar individuele raadsleden, partijen en gemeenten steeds minder invloed op hebben. In plaats daarvan is de omslag aan de orde naar schaalverkleining. We moeten naar de burgers toe organiseren en niet van de burgers vandaan. Problemen oplossen op het laagste niveau. De druk naar harmonisatie weerstaan en differentiatie ruimte geven. Inrichting en beheer van straten en wijken decentraliseren en ruimte geven aan burgers om eigen oplossingen aan te dragen en daarvoor de verantwoordelijkheid te dragen. Kort en goed, de nieuwe beleidskaders moeten variatie toestaan in plaats van te dwingen tot uniformiteit.       

De zevende omslag betreft de overgang van een statisch beleidskader naar dynamiek. De veelgeprezen stabiliteit die van de overheid zou mogen worden verwacht is te absoluut en te ver doorgevoerd en werkt hinderend bij de overgang naar een moderne netwerksamenleving. Dynamiek zal permanent zijn en we moeten de verleiding weerstaan de ene statische structuur te vervangen door een andere. Dat helpt niet om antwoorden te vinden op toenemende vluchtigheid van relaties en een voortdurende stroom van nieuwe technologie. Kritisch wordt of de instituties van de toekomst kunnen meebewegen en in staat zijn tot zelfcorrectie.       

Al met al is sprake van een ingrijpende verandering van perspectief. Dat is lastig want het betekent het opgeven van zekerheden c.q. het ontmaskeren van zekerheden als schijnzekerheden. Denken we werkelijk dat we de afstand tot burgers kunnen overbruggen door intern de procedures te veranderen? Of andere vergaderstructuren? Of nog meer twitteren? Nodig is dat we onze kijk op de werkelijkheid veranderen. Dat zal leiden tot andere handelingspraktijken, tot nieuwe mogelijkheden om te interveniëren, tot inzicht waarom gebruikelijke interventies niet werken. Nu bekijken we de wereld vanuit het perspectief van onze ordeningen, vanuit de toedeling van bevoegdheden. Verandering van perspectief biedt nieuwe vergezichten, experimenten en creativiteit. Er moet een houding zijn van ontwerpen van wat nodig is in plaats van behouden wat we hebben. Het bestaande als vijand van het toekomstige.

Hoe zijn die omslagen te realiseren?

Een eerste opmerking is dat het niet terecht zou zijn te stellen dat we vanaf een nulpunt moeten beginnen. Er zijn al veel kiemen van verandering. Velen zijn overtuigd van de noodzaak en er zijn al tal van voorbeelden waarbij mensen initiatieven hebben genomen om tot ingrijpende vernieuwing te komen. Er wordt hier en daar ervaring opgedaan met nieuwe organisatievormen. Buurderijen bijvoorbeeld in plaats van boerderijen. De nieuwe Omgevingswet is ook bedoeld om meer ruimte te scheppen en los te komen van een veel te ver doorgevoerd en star systeem. Maar het is tekenend dat de invoering ervan jaren moest worden uitgesteld, juist omdat bestaande regels een krachtige belemmering vormen.

De aangegeven veranderingen zijn dus ingrijpend. We kunnen daarbij niet terugvallen op gebruikelijke regels en processen. Die hebben immers de problemen veroorzaakt en/of houden ze in stand. We moeten ook de illusie loslaten dat er sprake kan zijn van een min of meer geordend en gepland proces. Het is eerder een zoektocht in het onbekende die grote inzet, lef en creativiteit vraagt. Het roept het beeld op van een ongebaand pad of, zoals Serres stelt, van expedities op de oceaan, nieuwe passages vinden in een zoektocht naar nieuwe landen. Je weet niet wat je onderweg tegenkomt en welke ervaringen je gaat opdoen. Er is ook geen nauw omschreven einddoel. We zijn op zoek naar vernieuwing en kunnen ons daar pas een voorstelling van vormen wanneer we die hebben geconstrueerd. Voorstellingsvermogen is belangrijk en we moeten de verleiding weerstaan om het nieuwe al vooraf te definiëren. De instrumenten uit het verleden helpen niet omdat die telkens terug leiden naar bestaande paden. Ook is er geen garantie van succes. Slechts de gedeelde noodzaak van verandering en de bereidheid de tocht te ondernemen zijn wezenlijk. Kortom, je kunt deze transformatie niet regelen in traditionele zin door het proces te plannen en te faseren. Het proces is inspiratie-gedreven in plaats van hiërarchisch gestuurd.

Consequentie is ook dat er vrije zoek- en experimenteerruimte nodig is die niet binnen het bestaande beleidssysteem kan worden gevonden. Dat stelt eisen aan de positionering van het proces. Het pleit voor een bypass-constructie, een positie buiten de geldende kaders met als opdracht nieuwe instituties te ontwerpen, daarmee ervaring op te doen en ervan te leren.

Dergelijke processen kunnen niet worden overgelaten aan bestaande politieke partijen. Dat zijn relicten uit het verleden die het spel beheersen waardoor het systeem juist is vastgelopen. Het ligt meer voor de hand vrijdenkers in te schakelen die gemotiveerd zijn. Het doet een groot beroep op voorstellingsvermogen, op denken en ontwerpen buiten bestaande kaders. Kunstenaars op institutioneel terrein dus.

Wat betekent dat voor raadsleden?

De politiek is aan zet maar het is allerminst vanzelfsprekend dat die de noodzakelijke stappen zet. De wereld van de gemeentepolitiek wordt in het algemeen gekenmerkt door braafheid. Er wordt groot gewicht toegekend aan de vraag of de juiste procedures op een correcte wijze worden doorlopen. Veel nadruk wordt gelegd op vragen rond bevoegdheden. Uitgebreide discussies over onderwerpen zoals vergaderstructuren en vergadertechniek. Scherpslijperij over verschillen tussen moties en amendementen. Daar weten we veel van. Of neem het dualisme dat langzamerhand juist door de nadruk op juridische aspecten en procedures is dood gediscussieerd. Van een onafhankelijker positie van de Raad ten opzichte van het College, wat toch centraal stond bij de invoering van het dualisme, is nauwelijks sprake. Vaste patronen laten zich maar moeilijk veranderen.     


Tegelijkertijd is het mijn vaste overtuiging dat de voorgestelde veranderingen nergens beter kunnen beginnen dan op gemeentelijk en lokaal niveau. Daar zijn de kansen het beste om in betekenisvol overleg met burgers tot nieuwe praktijken te komen, die op hun uitvoerbaarheid te testen en vooral te leren van ervaringen. Aandacht voor wat voor burgers betekenisvol is kan enkel plaatsvinden in voortdurende dialoog met die burgers zelf.  


De noodzakelijke verandering gaat ten diepste om het nemen van verantwoordelijkheid voor verandering. Wil je als raadslid aan die verandering werken of kies je de rol het spel te spelen dat de afgelopen decennia tot het vastlopen van het systeem heeft geleid? Wil je, als het om verandering gaat, een plek op de barricade of kies je de positie van remmer-in-vaste-dienst? Leg je de nadruk op je rol om beleidskaders vast te stellen of geef je meer gewicht aan je rol als volksvertegenwoordiger? Beperk je je tot het uitleggen aan burgers waarom de gemeentepolitiek functioneert zoals die functioneert of ben je aanspreekbaar op het doorvoeren van verandering en vernieuwing? Hecht je eraan binnen de formele lijntjes te kleuren en daarmee het systeem te bevestigen of wil je de ruimte buiten de regels verkennen om zo tot nieuwe praktijken te komen? Laat je je dresseren binnen een mentaal voorgeprogrammeerd politiek systeem en confronteer je vernieuwers telkens weer met de regeltjes uit het verleden of wil je creatief werken aan vernieuwing? Parafraserend op Marcel Legaut: velen starten hun politieke leven als origineel maar verlaten de politiek als kopie.    


Je inzetten voor ingrijpende verandering vraagt veel energie. De tegenkrachten zijn sterk. Er is sprake van cultuurbepaalde processen van disciplinering die veelal impliciet hun werk doen. Er liggen geen expliciete beslissingen aan ten grondslag. Wat vanzelfsprekend wordt geacht hoeft immers geen onderwerp van afweging te worden.  

Het betekent dat je vanzelfsprekendheden tot onderwerp van discussie maakt. Je gaat op zoek naar nieuwe vormen om te voorkomen dat een nieuwe en moderne maatschappij door oude politiek wordt gekluisterd. Het vraagt een Gideonshouding: overtuigd werken aan verandering hoe sterk de tegenkrachten ook zijn. Ten diepste gaat het daarbij niet om wat je hebt bereikt maar om wat je eraan hebt gedaan, wat jouw inzet is geweest. Dat vraagt een houding van onafhankelijkheid. En het vraagt vooral een sterke inspiratie om te doen wat nodig is en de weigering je inspiratiebronnen te laten bevlekken door politiek gedoe over procedurele regeltjes. Of door oproepen tot fatsoen terwijl de geldende normen binnen het politie domein juist zijn bedoeld om de regeltjes van een gedateerd politiek systeem na te leven. De politieke cultuur is gericht op bevestiging, niet op vernieuwing. Kortom, het is dus lang niet altijd dankbaar werk. Wat door burgers wellicht wordt gewaardeerd, zal binnen het formele domein op fors verzet stuiten. Het is de spanning tussen de kracht van inspiratie en de macht van bevoegdheden.


Van lokale partijen wordt vaak beweerd dat ze een directere band hebben met burgers, dat ze dichter bij de mensen staan. Maar aan de orde is de vraag of ze die positie ook inzetten voor verandering. De noodzakelijke veranderingen kunnen nergens beter beginnen dan op gemeentelijk niveau waar de ontmoeting tussen kiezer en gekozene het meest concreet en direct is. Lokale partijen hebben bestaansrecht voor zover ze die positie benutten om aan verandering te werken. Ze zitten niet vast aan vaak nauwsluitende kaders van landelijke partijen waarbij kleine aanpassingen van procedures worden gepresenteerd als voorbeelden van innovatie en ware creativiteit maar in wezen weinig meer zijn dan een reproductie van het verleden. Lokale partijen hebben dus de ruimte om zich in te zetten voor vernieuwing. Doen ze dat niet, dan verliezen ze voor een belangrijk deel hun bestaansrecht omdat ze de vervreemding tussen politiek en burgers dan mede in stand houden.   

Literatuur

Gilles Deleuze & Felix Guattari, Rizoom, 1998

Marcel Legaut, Devenir soi, rechercher le sens de sa propre vie, Bibliothèque du Cerf, 2000

Michel Serres and Bruno Latour, Conversations on Science, Culture and Time, Ann Arbor: University of Michigan Press, 1995

Michel Serres, The Parasite, University of Minnesota Press, 2007

Herman Tjeenk Willink, Maak mensen niet ondergeschikt aan het systeem, Toespraak Bestuurdersdag VNG, december 2017

Mathieu Wagemans, Een oceaan van betekenisloosheid, een kritische analyse van beleid, politiek en wetenschap met een verwijzing naar de filosofie van Michel Serres, Digitalis, 2016

**********************************



Boeren en burgers moeten samen werken aan gezonde leefomgeving

Mathieu Wagemans is Raadslid voor Ronduit Open in Leudal (L)

Opiniebijdrage Dagblad Trouw van 9 november 2017

Een van de meest actuele en ernstige problemen op het platteland vormt de spanning tussen intensieve veehouderij en de omgeving. Daar zijn diverse oorzaken voor aan te wijzen. Het aantal bedrijven is weliswaar fors afgenomen maar de overblijvende bedrijven zijn enorm in omvang gegroeid. Natuurlijk kan ook meespelen dat we minder dan vroeger bereid zijn overlast te aanvaarden. Op de derde plaats is de functie van het buitengebied veranderd. Landbouw is niet meer de enige functie maar toerisme, recreatie en zorg zijn belangrijke bronnen van inkomsten geworden in het buitengebied.

Veel is al geprobeerd om de spanning tussen de intensieve veehouderij en de omgeving op te lossen of in ieder geval te verminderen maar de spanning neemt eerder toe dan af. Ook de politiek is hevig verdeeld. Verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en de economische belangen van bedrijven lijken niet verenigbaar.

Bij dergelijke schijnbaar onoplosbare vraagstukken kan het lonen afstand te nemen en zich te verdiepen in de aard van het probleem. De huidige veehouderij is een sector die groot kon worden door toepassing van nieuwe technologie. De huidige bedrijven zijn niet meer vergelijkbaar met de situatie zo’n 40 jaar geleden. De stijging van de productiviteit was ongekend. Wanneer die modernisering tot problemen leidt, bijvoorbeeld door uitstoot van ammoniak en fijnstof, is er een groot vertrouwen dat nieuwe technologie die wel zal oplossen. Als we veel te veel mest produceren, dan zal nieuwe technologie ons in staat stellen die milieuvriendelijk te verwerken.

Het is een vreemde tegenstelling. De huidige problemen zijn veroorzaakt doordat nieuwe technologie schaalvergroting noodzakelijk maakte en tegelijkertijd kunnen die problemen slechts worden opgelost door nog meer schaalvergroting. Immers, enkel door schaalvergroting kunnen de kosten van nieuwe technologie zoals luchtwassers worden verdeeld over meer dieren om zo de kostprijs in de hand te houden.

We moeten groeien om te kunnen overleven. De oplossing is met zichzelf op de loop gegaan.

Dat proces waarbij schaalvergroting zowel het probleem als de oplossing vormt is wel eens vergeleken met een tredmolen. Je moet blijven rennen om de beweging in stand te houden. Stilstand is achteruitgang. De intensieve veehouderij is een typisch voorbeeld van een sector waarin nieuwe technologie geen hulpmiddel meer is maar waarin we zelf de gevangene van de vooruitgang zijn geworden. We moeten groeien om te kunnen overleven. De oplossing is met zichzelf op de loop gegaan. We willen graag anders maar we kunnen niet meer.

Om dat proces te doorbreken is een ander perspectief nodig. Uitgangspunt daarbij moet zijn dat boeren en burgers een gezamenlijk belang hebben bij een gezonde leefomgeving. Een benadering is om uit de tegenstelling te treden en de mogelijkheden van een omgevingcoöperatie of buurtschap te verkennen. Een dergelijke organisatie neemt verantwoordelijkheid voor het beheer en heeft als doel om gezamenlijk op basis van onderling gemaakte afspraken gedurende een overgangsperiode naar een voor alle betrokkenen aanvaardbare eindsituatie toe te werken. Zowel boeren als burgers zijn er lid van. Die gemaakte afspraken kunnen vervolgens door de gemeente in een Bestemmingsplan worden vastgelegd zodat er niet langer sprake is van vrijblijvende intenties. Boeren en burgers worden veroordeeld tot elkaar. De nieuwe Omgevingswet biedt ruimte voor dergelijke vernieuwing. Dat vraagt van allen de bereidheid die nieuwe weg op te gaan. De landbouw profileert zichzelf graag als een sector die buitengewoon modern is. Wat toepassing van nieuwe technologie betreft is dat inderdaad het geval Maar nu wordt gevraagd ook modern te gaan denken op een ander terrein. Dat biedt meer perspectief dan telkens weer de randen van de wet op te zoeken en met buren slechts te communiceren in de achterzaaltjes van de Raad van State.


*************************


Tot in detail uitgewerkte regels verlammen politiek en bestuurders

OPINIE Dagblad Trouw augustus 2017

Volgens Mathieu Wagemans, raadslid in Leudal, hebben bestuurders nauwelijks nog ruimte om besluiten te nemen.

Rechtswetenschapper Jan Brouwer neemt afstand van het gedrag van burgemeesters die zich niet aan de regels houden zoals die in onze rechtsstaat gelden (Trouw, 2 augustus).

Hij voelt vermoedelijk meer voor de Amersfoortse burgemeester Lucas Bolsius, die zich - zoals het een burgervader formeel betaamt - meteen bij de harde gevolgen van het Nederlandse uitzettingsbeleid neerlegde en niet meeliep in de 'Hartentocht' voor de ondergedoken kinderen van de uitgezette Armeense moeder.

Strikt juridisch gezien is Brouwers betoog heel logisch, maar hij gaat voorbij aan een dieper gelegen probleem waarmee onze rechtsstaat kampt. Dat heeft niet te maken met de beginselen van onze rechtsstaat, maar met de wijze waarop we die hebben uitgewerkt.

Geen willekeur

Basis voor onze rechtsstaat is de scheiding van wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht. Die strikte scheiding was bedoeld om willekeur uit te bannen en het overheidssysteem zelfcorrigerend te maken. Maar wat is daarvan terechtgekomen?

Gaandeweg hebben de beginselen van behoorlijk bestuur een uitwerking gekregen die letterlijk te mooi is om waar te zijn. Met veel gevoel voor detail worden regels opgesteld, die vervolgens via jurisprudentie nog verder worden genuanceerd.

Gevolg daarvan is dat de lat voor politici en bestuurders in de praktijk zo hoog gelegd is dat men er nauwelijks meer overheen kan. Nieuwe regels moeten voldoen aan zoveel eisen dat dit aanzienlijke afbreuk doet aan de effectiviteit ervan. Rechters hebben enorme ruimte bij de beoordeling van de vraag of een overheidsbesluit voldoet aan het motiveringsbeginsel. Heel gemakkelijk kan worden geoordeeld dat een besluit is gebaseerd op onvoldoende onderzoek.

Het gelijkheidsbeginsel werkt zo uit dat er altijd wel weer een uitspraak te vinden is waarop een burger zich in een juridische procedure met succes kan beroepen. Planologisch beleid is verstrikt geraakt in juridische discussies. De gemeenteraad heeft formeel de bevoegdheid om bestemmingsplannen vast te stellen, maar ieder voorstel voor verandering loopt de grote kans op juridische bezwaren te stuiten. Beleidsmatige argumenten worden opzij geschoven en overbelast door juridische afwegingen.

Rechtvaardigheid is verworden tot vaardigheid in het recht

We hebben een stelsel opgebouwd dat niet alleen de ruimte voor politieke besluitvorming beperkt, maar ook de handelingsruimte voor bestuurders. Dat is één kant van het verhaal. De andere kant is dat de verfijnde en uiterst gedetailleerde uitwerking van regels burgers aanzienlijke ruimte geeft om op te komen tegen hun onwelgevallige besluiten. Juridische spitsvondigheid loont. Het beginsel van rechtvaardigheid is verworden tot vaardigheid in het recht.

Het door Brouwer afgekeurde optreden van enkele 'sheriffburgemeesters' roept de vraag op of we in ons rechtsstelsel niet te zeer zijn doorgeschoten. Hebben we misschien een juridische schijnwereld geconstrueerd die niet alleen niet voldoet aan het maatschappelijk rechtsgevoel, maar die in zijn tegendeel gaat verkeren? Hoe rechtvaardig is het dat een misdrijf onbestraft blijft, omdat het OM een onbeduidende vormfout heeft gemaakt?

De rechterlijke macht is niet meer corrigerend maar heeft gaandeweg de wetgevende en uitvoerende macht ingeperkt. Het evenwicht binnen de trias politica raakt verstoord. De eerste stap om dit vraagstuk aan te pakken is de erkenning daarvan. Maar er rust een groot taboe op. Kritiek op de uitwerking die we aan de rechtsstaat hebben gegeven wordt telkens weer op één lijn gesteld met kritiek op de beginselen die aan de rechtsstaat ten grondslag liggen.

***********************************

Voorwoord Herman Wijffels in "Een oceaan van betekenisloosheid"

Voorwoord

Onze moderne maatschappij is niet meer te vergelijken met die van 50 of 100 jaar geleden. Op vrijwel ieder terrein is grote vooruitgang geboekt. Onze welvaart is toegenomen, we maken gebruik van nieuwe technologie, we kunnen ook veel sneller over veel meer informatie beschikken, we zijn mondiger geworden. Maar de modernisering heeft ons ook voor nieuwe problemen gesteld. Denk aan milieuvraagstukken, aan het veranderend klimaat, aan stromen vluchtelingen, aan veiligheid. We leven in een globaliserende wereld en kunnen er onze ogen niet voor sluiten. Globalisering heeft ook nieuwe afhankelijkheden met zich meegebracht. Denk aan de effecten van de financiële crisis. Bovendien, dichter bij huis, verandert de rol en positie van de burger. We worden opgeroepen tot verantwoordelijkheid in de overgang naar een participatiemaatschappij. Dat is nog niet zo eenvoudig . Het vraagt nieuwe vaardigheden en vooral de bereidheid daartoe. Gezamenlijkheid na een lange periode van individualisering.

Mathieu Wagemans heeft vele tientallen jaren deze en soortgelijke problemen ervaren, zowel beleidsmatig binnen de rijksoverheid, als op gemeentelijk niveau in de politiek als raadslid en wethouder. Al die tijd heeft hij een bijzondere belangstelling gehad voor de vraag waarom onze rationele beleids- en planningsmodellen vaak niet goed werken. Een continu proces van reflectie op zijn ervaringen heeft geleid tot dit boek. Het bevat een analyse die een stuk dieper gaat dan wat aan de oppervlakte zichtbaar is. Verdiepend ook door ruim gebruik te maken van filosofische inzichten en die te koppelen aan de praktijk.

Op grond van die analyse worden voorstellen gedaan voor verandering, zowel met betrekking tot de politiek, het overheidsbeleid als de wetenschap. Maar daarmee wordt niet volstaan. Het boek bevat ook een uitgebreid hoofdstuk over hoe die ingrijpende veranderingen zouden kunnen worden gerealiseerd.

Het resultaat van deze reflectie op vele jaren ervaring in beleid en politiek, is een publicatie die op onderdelen als confronterend kan worden ervaren maar tegelijkertijd als uitdagend en inspirerend. Veel aandacht wordt besteed aan de filosofie van de Franse filosoof Michel Serres. Die staat bekend als een buitengewoon onorthodox denker die tal van vanzelfsprekendheden onderuit haalt. Volgens hem kunnen we niet langer vertrouwen op bestaande structuren. Ik ben dat met hem eens. De structuren van de industriële maatschappij hebben ons gebracht tot waar we nu zijn, maar zijn sociaal-organisatorisch en ecologisch versleten, niet goed genoeg voor de 21e eeuw. We staan aan het begin van een nieuwe fase in de ontwikkeling van de samenleving. We moeten op ontdekkingstocht, nieuwe vormen vinden voor de manier waarop we leven, werken en ons organiseren. Dat vraagt vooral de moed op weg te gaan. En ook het besef dat krampachtig vasthouden aan oude zekerheden de zekerste manier is om ze kwijt te raken. Zoals stevig knijpen in een handvol zand je met lege hand achterlaat. Serres gebruikt daarvoor het beeld dat we onze eilanden moeten verlaten en de oceaan opgaan, want daar ligt de ruimte, nieuwe mogelijkheden. Steeds meer mensen en bedrijven beginnen dat ook te doen. Het echte leven in onze maatschappij speelt zich steeds meer af buiten onze formele systemen of, in de terminologie van Serres, buiten onze eilanden. Deze tijd vraagt er om niet langer een verdedigende houding aan te nemen en weg te kruipen achter de dijken, maar de toekomst open tegemoet te treden. Door dat laatste te doen en met nieuwe inzichten kennis en technologie vorm te geven aan de volgende ronde in de maatschappelijke ontwikkeling, ontstaat weer perspectief waarin mensen betekenis kunnen geven aan hun leven en daarvoor zelf verantwoordelijkheid nemen.

Dit boek zal aanzetten tot denken en naar ik hoop ook inspireren om de daad daaraan toe te voegen.   

Herman Wijffels

*********************************

Van confrontatie via een dialoog naar constructie

De tijd dat de overheid besluiten nam en vervolgens die naar burgers communiceerde ligt al lang achter ons. We vinden dat beleid tot stand moet komen in samenspraak met burgers. Het is belangrijk dat burgers gelegenheid hebben om in te spreken zodat met hun wensen en opvattingen rekening kan worden gehouden. Is het beleid eenmaal vastgesteld, dan vinden we evaluatie van het beleid belangrijk. Welke ervaringen hebben burgers met het nieuwe beleid? Voldoet het aan de verwachtingen? Hoe beoordelen burgers het beleid? Op basis van welke aannames, uitgangspunten, associaties, ervaringen? Kortom, communicatie rond beleidsvorming is een aparte wetenschap geworden.

De ervaring leert echter ook dat communicatie in beleidsprocessen ondanks alle goede bedoelingen in de praktijk nog niet zo eenvoudig is. Burgers kunnen tegengestelde belangen hebben. Dan bestaat het risico dat communicatie touwtrekkerij wordt tussen conflicterende belangen. Op zijn best mondt dat uit in een broos compromis maar dat werkt meestal niet, hooguit tijdelijk. Men heeft stellingen betrokken en niet zelden is sprake van vijandbeelden van elkaar.

Maar ook voor de overheid is communicatie vaak lastig. Overheidsbeleid is vastgelegd in tal van wetten en verordeningen. daarin is doorgaans heel gedetailleerd vastgelegd wat "in de zin van deze regeling moet worden verstaan onder ...." waarna een lange lijst van definities volgt. Die kunnen niet zomaar opzij worden geschoven. Dat kan ook riskant zijn omdat een enkele opmerking of suggestie van een beleidsmedewerker later uit zijn verband kan worden getrokken. Partijen kunnen er juridisch verwachtingen aan koppelen. Of, nog sterker, het bieden van een opening kan grond vormen voor planschadeclaims.

Een voorbeeld van een beleidsterrein waarbinnen sprake is van een dicht gedefinieerd systeem vormt de ruimtelijke ordening. Heel nauwkeurig is bepaald wat een bouwwerk is, een erfafscheiding, wanneer sprake is van een industriële activiteit of van aanwezige natuurwaarden. Om tot een creatieve en betekenisvolle dialoog te komen kunnen al die definities een belangrijke sta-in-de-weg vormen. Ze beperken de ontwerp- en communicatieruimte voor beleidsambtenaren. Dan is het lastig betekenis te geven aan wat burgers betekenisvol vinden maar wat buiten de definities valt zoals die vastliggen in wetten en regelingen. Toch is dat nodig wanneer we vernieuwing willen. Bestaande definities helpen dan niet maar nodigen juist uit tot een herhaling van zetten.

De Franse filosoof Michel Serres (in Nederland vrij onbekend maar in Frankrijk gezaghebbend) benadrukt in zijn boeken dat de betekenis van een definitie niet is wat die definitie omvat maar juist wat wordt buitengesloten. Serres vraagt aandacht voor wat buiten de definities van het beleid valt maar wat niettemin voor burgers betekenisvol kan zijn. Hij roept het beeld op van eilanden waarop overheden en wetenschappers geweldig druk zijn met zichzelf terwijl het werkelijke leven zich afspeelt in de oceaan tussen de eilanden. Hij pleit ervoor expedities te ondernemen om de werkelijkheid te leren kennen zoals burgers die beleven. Dat betekent bijvoorbeeld aandacht voor gevoelens die we in ons beleid vaak weg definiëren. Oog krijgen voor wat buiten beeld blijft. Definities bieden de overheid zekerheid maar voor burgers kunnen ze een bron zijn van onzekerheid. Hoe worden nieuwe regels geïnterpreteerd? Kan ik mijn activiteiten wel voortzetten als het nieuwe bestemmingsplan van kracht wordt?

Een goede dialoog geeft juist aandacht aan wat buiten beeld blijft. Wat is de wereld achter de belangen zoals die worden gearticuleerd? Wat is betekenisvol voor burgers en hoe kan daarmee rekening worden gehouden binnen nieuw beleid? En hoe kunnen we voorkomen dat bestaande beleidsregels de zoekruimte voor nieuw beleid zodanig inperken en dat nieuw beleid niet een reproductie van bestaand beleid vormt? Hoe kunnen we gevoelens van rechtvaardigheid, gelijkheid en zekerheid aan bod laten komen zodat er een dialoog kan ontstaan die verder gaat dan een botsing van belangen en daarop gebaseerde standpunten?

Samengevat: een betekenisvolle dialoog is nog niet zo eenvoudig maar tegelijkertijd harder nodig dan ooit in een situatie waarin we in menig opzicht zijn vastgelopen in complexe regelgeving die vernieuwing vaker belemmert in plaats van faciliteert. Dat vraagt om een nieuwe communicatiecontext, om ruimte die in staat stelt tot betekenisvolle communicatie, om een basis van vertrouwen in plaats van bevoegdheden. Het vraagt bovenal om procesvernieuwing en training in vaardigheden om dergelijke processen te ontwerpen en te begeleiden. Voor de overheid vraagt het vooral het loslaten van bestaande beleidskaders en het inzicht dat die beleidskaders vaak slechts schijnzekerheid bieden. Vooral vraagt het lef om ongebaande paden te verkennen. De invoering van de nieuwe Omgevingswet die het bestaande systeem van bestemmingsplannen moet gaan vervangen en juist ruimte wil geven aan wat burgers betekenisvol vinden is een uitgelezen kans tot een waarachtige dialoog te komen en de vernieuwing te realiseren die met de nieuwe wet wordt beoogd. We volgen de processen op de voet!

****************************

Bureaucratie doodt inspiratie

We moeten de overstap maken van de systeemwereld naar de leefwereld

(geschreven op verzoek van Verkenners Limburg)

Wereldwijd staat Nederland bekend als een land waar we de zaken keurig op orde hebben. Dat geldt niet alleen voor de aangeharkte tuintjes maar vooral ook voor de wijze waarop we alles hebben georganiseerd en geordend. Regels geven aan hoe we ons hebben te gedragen. We hebben heel precies bevoegdheden verdeeld. Overheidsbesluiten komen niet via willekeur tot stand maar via zorgvuldig georganiseerde processen.  

Maar in tijden van ingrijpende veranderingen kunnen al die regels ook een hinderpaal vormen voor verandering. De omslag naar een participatiesamenleving is daar een treffend voorbeeld van. We willen de rol van de overheid terugdringen en bevorderen dat burgers zelf initiatieven nemen en zich gaan gedragen als verantwoordelijke burgers. Vaak echter blijken regels dan een lastige sta-in-de-weg.

De Franse filosoof Michel Serres staat nogal kritisch tegenover de overdreven drang naar ordening. Ieder ordening werkt uitsluitend. Wat niet binnen onze ordeningen valt raakt buiten beeld. Of anders gezegd, de waarde van een definitie is niet wat binnen de definitie valt maar juist wat wordt buitengesloten. Serres vraagt juist aandacht voor die “buitenwereld”. Hij roept het beeld op van eilanden waar overheid en wetenschappers vreselijk druk zijn met zichzelf maar het echte maatschappelijke leven speelt zich af op de oceaan tussen de eilanden.

Ik moest daaraan denken toen ik begin februari de bijeenkomst van de Verkenners bijwoonde in Heerlen. Mij viel op hoe ambtenaren en medewerkers van zorg- en welzijnsinstellingen enerzijds graag ruimte wilden bieden aan nieuwe initiatieven maar tegelijkertijd zich beperkt voelden door geldende regels en de cultuur binnen hun organisatie. Er zijn sterke krachten die steeds weer dwingen de bekende en platgetreden paden te volgen en die het betreden van ongebaande paden belemmeren. Onze cultuur van regels en protocollen staat haaks op het lopen van risico’s. We kunnen het onverwachte niet goed aan. In plaats daarvan kiezen we liever voor wat binnen onze ordeningen en regels past. We weten wat we hebben en gaan onzekerheid liever uit de weg. Maar, zo stelt Serres, de antwoorden op onze vragen moeten we juist buiten onze ordeningen, buiten onze eilanden zoeken. De zekerheid van onze ordeningen is een schijnzekerheid. Regels dwingen om het verleden te herhalen in plaats van de toekomst te ontwerpen. We moeten de systeemwereld verlaten en de leefwereld van burgers leren kennen. Dat vraagt lef maar de beloning is dat we weer de inspiratie vinden die we juist door de overdaad aan regels gaandeweg zijn kwijtgeraakt.   

******************************************

Een waardenloze economie

Fractieleider Pechtold van D66 wenst een bonus van 500 euro voor werkenden. Dat klinkt sympathiek en zal mogelijk kiezers trekken. Maar het voorstel is ook tekenend voor hoe de politiek functioneert. Op de eerste plaats is het de zoveelste uiting van hoe partijen proberen met sympathiek ogende voorstellen de gunst van de kiezer te krijgen. In al die pogingen wordt de kiezer niet aangesproken als de centrale actor in onze democratie. Hij wordt niet aangesproken om verantwoorde en mogelijk pijnlijke keuzes te maken maar wordt gezien als klant van de politiek die gunstig moet worden gestemd en die een rijk gevulde ruif wordt voorgehouden. Partijen richten zich op deelbelangen en nodigen burgers uit hun eigen voordeel als maatstaf te nemen. Aan de AOW mag niet worden getornd, de pensioengerechtigde leeftijd moet omlaag, het salaris van onderwijzers moet omhoog. Er zijn kortom weinig partijen die zich aan die tendens onttrekken. Zalvende uitspraken en bevestiging van het eigenbelang bepalen de campagnes. Daarmee wordt de burger niet erkend in zijn centrale en dragende rol van de democratie maar wordt de kiezer naar de mond gepraat en geschreven. Zo wordt de democratie uitgehold. Is het vreemd dat burgers de politiek de rug toekeren omdat die slechts in verkiezingstijd de weg naar de burger weet te vinden om daarna weer op te gaan in een voor burgers ondoorzichtig spel?

De tweede overweging is inhoudelijk van aard. Het voorstel geeft blijk van een eng-economische kijk op de samenleving. Wie werkt moet worden beloond omdat werkenden volgens Pechtold "de kern van de samenleving vormen". Het is een pleidooi tot nog verdere verzakelijking van de samenleving zonder oog te hebben voor maatschappelijke gevolgen. Zie de zorg waar juist het economisch denken ervoor heeft gezorgd dat vrijwilligers en mantelzorgers dergelijke uitwassen van het economisch denken moeten compenseren. Ziekenhuizen en zorginstellingen krijgen de exploitatie nauwelijks rond. Vrijwilligers nemen taken over die voorheen door betaalde krachten werden uitgevoerd. Die nadruk op economie heeft ervoor gezorgd dat er zich vormen van hulpverlening hebben ontwikkeld die vanuit een economische bril geen waarde hebben, enkel en alleen omdat vrijwilligerswerk binnen ons economisch systeem waardeloos is. Het vraagt lef om die situatie nog te verergeren door slechts diegenen die binnen ons economisch systeem actief zijn extra te waarderen en gemakshalve te veronderstellen dat vrijwilligers toch wel hun werk blijven doen. Het werkt verdere ontwrichting in de hand. Nog ernstiger is dat vrijwilligerswerk niet zelden wordt misbruikt doordat men er geld aan verdient. Zie de integratie van vluchtelingen waarbij vrijwilligers een onmisbare rol spelen en formele organisaties via projecten geld binnenhalen voor werk dat geheel of vrijwel geheel door vrijwilligers wordt uitgevoerd. Die laatsten moeten het doen met een aai over de bol of een vrijwilligersspeld terwijl zij met hun inzet niet zelden professionele organisaties in stand houden.

De tweedeling in onze samenleving zal nog scherper worden wanneer we doorgaan ons economisch systeem en vooral de enge waardebasis ervan als gegeven en als onvermijdelijk te accepteren. Dat systeem werkt splitsend en zou door politici moeten worden gerepareerd in plaats van bevestigd. Voor een partij, zoals D66, die vernieuwing predikt is er werk aan de winkel. De krachten die uit zijn op eigenbelang zijn immers al sterk genoeg en hoeven niet te worden versterkt.

Thieu Wagemans is raadslid in Leudal en publiceerde recent ”Een Oceaan van Betekenisloosheid, een kritische analyse van politiek, beleid en wetenschap met een verwijzing naar de filosofie van Michel Serres”

Zie: www.ontganiseren.nl

****************************************

Onderstaande bijdrage verscheen 19 januari 2017 in Dagblad Trouw

We moeten ongemakkelijke waarheden niet uit de weg gaan

Mathieu Wagemans

Het valt met verschillen in onze samenleving wel mee, stelt onderzoeker Tiemeijer (WRR). Trouw benadrukt in een commentaar hoe belangrijk het is dat we verschillen niet uitvergroten door feiten verkeerd te interpreteren en steekt ook de hand in eigen boezem (Opinie, 14 januari). We moeten vertrouwen kunnen hebben en houden in de wetenschap en in objectieve journalistiek.

Ik meen dat beide analyses kenmerken hebben van oppervlakkigheid. Ze gaan uit van de veronderstelling dat er sprake is van een eenduidige werkelijkheid. Feiten zijn in die opvatting onomstreden, in tegenstelling tot meningen en standpunten die persoonlijk gekleurd zijn. Filosoof Immanuel Kant stelde al forse vraagtekens bij dat uitgangspunt. Volgens hem kunnen we de werkelijkheid slechts benaderen aan de hand van de categorieën van het verstand. Wij geven betekenis aan de werkelijkheid en vormen ons een beeld. De werkelijkheid krijgt voor ons betekenis door de betekenis die we er zelf aan toekennen. Die betekenissen zijn geen onderdeel van de werkelijkheid maar we zijn er zelf de constructeurs van.

Er is nauwelijks een domein waarin dat sterker naar voren komt dan in de politiek. Partijen nemen op basis van hun onderliggende waarden en uitgangspunten de werkelijkheid gekleurd waar. Men vindt inkomensverschillen ontoelaatbaar of juist verdedigbaar. Onze samenleving is duurzamer geworden terwijl anderen vinden dat de milieuproblemen juist zijn toegenomen. Statistieken geven aan dat de criminaliteit afneemt terwijl veel burgers zich onveiliger voelen.

In debatten probeert men het eigen beeld van de werkelijkheid dominant te maken. Discussies krijgen het karakter van manipulatie om zo het eigen beeld van de werkelijkheid door de meerderheid geaccepteerd te krijgen. Dat beeld leggen we vervolgens vast in regelingen. Die beginnen doorgaans met een artikel waarin nauwkeurig wordt omschreven “wat in de zin van deze regeling moet worden verstaan onder …”. Zo reduceren we de maatschappelijke werkelijkheid tot een regelbare en juridisch houdbare werkelijkheid. Wat buiten de definities valt is juridisch niet relevant.

Wat burgers bezig houdt loopt het risico te worden genegeerd omdat het binnen ons formele domein betekenisloos is. Dat probleem wordt terzijde geschoven door er het etiket “onderbuikgevoelens” op te plakken.

Je moet er niet aan denken dat Wilders de macht krijgt maar zijn functie om te benoemen wat burgers van betekenis vinden moet niet worden onderschat. Ieder volwassen systeem, zeker een politiek systeem moet ruimte bieden aan ongemakkelijke waarheden die dat systeem met de eigen grenzen confronteert. Gebeurt dat niet dan zijn onze systemen niet meer zelfcorrigerend, omdat ze het zich kunnen permitteren het eigen gemankeerde wereldbeeld op te leggen aan de buitenwereld.

De Franse filosoof Michel Serres vergelijkt onze systemen (wetenschap, politiek, kunst) met eilanden die ieder hun eigen waarheid hebben en nauwelijks in verbinding staan. Men is vreselijk druk met zichzelf terwijl het echte leven zich op de oceaan afspeelt. We kunnen slechts noodzakelijke veranderingen bereiken door onze eilanden te verlaten en de oceaan op te gaan. Dat vraagt bereidheid onze vanzelfsprekendheden ter discussie te stellen en schijnzekerheden te ontmaskeren. Doen we dat niet, dan blijven we onszelf reproduceren. Pogingen om vervreemding tussen overheid en burgers tegen te gaan hebben dan geen effect. Door te stellen dat het met de verschillen in onze maatschappij wel meevalt, verschaffen we onszelf de legitimatie voor tevredenheid. De wereld staat in brand maar het rampenteam constateert met voldoening dat de ramp zich keurig volgens het draaiboek voltrekt.

Mathieu Wagemans is Raadslid in Leudal

******************************************




Calculeren met Integriteit

De Limburgse kranten publiceerden op 21 september 2016 onderstaande opinie.

De Limburger bericht op 14 september jl. uitvoerig over de opvattingen van gouverneur Bovens naar aanleiding van de affaire Tilman Schreurs. Dat dhr Bovens van zich laat horen is nodig en logisch aangezien ook door hem steeds weer het belang van een integere overheid wordt benadrukt en zijn functie verantwoordelijkheid met zich meebrengt.

Over zijn inbreng valt het nodige te zeggen. Hij pleit voor een soort strafbankje voor bestuurders en politici die hebben gehandeld in strijd met de integriteit. Hij maakt een kritische opmerking over de commissarissen van OML die hebben ingestemd met voortzetting van het dienstverband van Tilan Schreuers en hebben verzuimd welke consequentie dan ook te verbinden aan overtreding van de integriteitscode binnen OML.

Wat Bovens doet is een onderscheid voorstellen. Lichte overtredingen mogen een bestuurder niet al te zwaar worden aangerekend. Hij vermijdt zorgvuldig een uitspraak te doen over de vraag die aan de orde is, namelijk welke gevolgen moeten worden verbonden aan een strafrechtelijke veroordeling wegens ambtelijke corruptie. Zijn idee van een strafbankje suggereert dat hij zich wel kan vinden in het aanblijven van Tilman Schreurs. Los van de inhoud van zijn opvatting stelt het teleur dat iemand die zichzelf zware verantwoordelijkheid toekent op het vlak van integriteit om de hete brei heen danst en geen grenzen wenst te trekken. Dat zie je vaak in het openbaar bestuur. Men stelt dat men niet aan zet is maar dat de besluitvorming bij anderen ligt. Formeel klopt dat maar het zijn formele redeneringen die ertoe strekken de eigen verantwoordelijkheid uit de weg te gaan. Ik acht een dergelijke opstelling niet in overeenstemming met zijn eigen verantwoordelijkheid op het vlak van integriteit die hij wel telkens claimt maar niet wenst in te vullen.

Een tweede opmerking is dat de idee van een strafbank heel goed past in het procedureel oplossen van inhoudelijke vragen. Je mag, zoals in de sport, enkele minuten niet meespelen en daarna is alles weer in orde. Dat kan bij overtredingen in de sport maar is dat ook de oplossing voor vragen op het vlak van integriteit? Het nodig tuit tot calculerend gedrag. Je weet wat de straf is bij overtredingen en als je die straf aanvaardbaar vindt staat de deur open voor losjes omgaan met integriteit. De boete iis ingecalculeerd. Je maakt integriteit een kwestie van afweging. Integriteit leent zich niet voor dergelijke procedurele oplossingen. Handelen in strijd met de integriteit biedt geen basis voor vergoelijking.

Een derde opmerking is dat men zich graag verschuilt achter de rechtspraak. Of men stelt allerlei regels op. Zolang je niet kunt worden betrapt op overtreding ervan ben je integer. De regels bieden zo een dekmantel. Het is tekenend dat bestuurders klagen dat ze niet meer kunnen besturen omdat ze anders het risico lopen niet-integer te hebben gehandeld. Dat zegt iets over de bestaande bestuurspraktijk en bestuurscultuur binnen de overheid en het zegt ook iets over een volstrekt gebrek aan helderheid over wat de handelingsruimte is voor bestuurders en politici. Om die helderheid te krijgen zijn debatten en besluiten nodig in de volle openbaarheid. Integriteit is een van de weinige onderwerpen in het openbaar bestuur waar burgers een mening over hebben, vaak heel uitgesproken. Het is treurig dat dergelijke discussies vaak niet in volle openbaarheid mogen worden gevoerd en dat diegenen die eerst verantwoordelijk zijn voor een goede bestuurscultuur zich bij het scheppen van helderheid en het aangeven van grenzen inhoudelijk op de oppervlakte wensen te houden en zich beperken tot opmerkingen van procedurele aard. Zo zijn ze medeschuldig aan een cultuur waarin integriteit telkens weer gedoe oplevert.

Thieu Wagemans, is raadslid in Leudal

*************************************

Niet-integer omgaan met integriteit

De Limburgse kranten publiceerden op 25 augustus onderstaande opiniebijdrage

De Limburger van 24 augustus jl. bericht dat de Raad van Commissarissen van OML (Ontwikkelingsmaatschappij Midden Limburg) heeft besloten dat Directeur Tilman Schreurs mag blijven ondanks zijn veroordeling door de rechter vanwege ambtelijke corruptie. De Rechtbank sprak uit dat er sprake was van strafbaar gedrag van de Directeur OML. Het ging dus niet om de vraag of het gedrag niet netjes was en ongewenst was maar er was volgens de Rechtbank sprake van handelen in strijd met de regels. Dat er vanwege de negatieve effecten van de zaak voor dhr Tilman Schreurs, zoals langdurige publiciteit, geen strafoplegging volgde doet aan de vastgestelde overtreding van regels niet af. De Raad van Commissarissen van OML baseerde het besluit om dhr Tilman Schreurs in functie te laten op het argument, zo lezen we, dat hij moeilijk kon worden gemist en goed had gefunctioneerd. Met name dat argument geeft te denken.

De laatste jaren worden raadsleden overstelpt met verhalen van ministers, Commissarissen van de koning en burgemeesters over het belang van integriteit. Er worden cursussen aangeboden. Er wordt heel wat over afgepraat. Dikke rapporten en beleidsnota’s worden geschreven Met veel gevoel voor detail worden criteria geformuleerd waar overheidsdienaren aan moeten voldoen. Uitgangspunt daarbij is wat oud-minister Dales ooit sprak: “Een beetje integer bestaat niet”. Integriteit is uitzonderlijk belangrijk, dat moge duidelijk zijn.

Maar als het erop aankomt is de oude cultuur blijkbaar moeilijk uit te roeien. Wanneer het ons niet goed uitkomt zetten we al die mooie verhalen over integriteit even in de koelkast en regeren de belangen en het geld. Integriteit wordt een kwestie van afweging waarbij integriteit niet meer zelfstandig wordt beoordeeld maar wordt afgewogen tegen andere belangen. En als het ons even niet goed uitkomt, dan moet integriteit even wijken. Het is zo beschouwd een typische demonstratie van de oude Limburgse cultuur dat er altijd redenen zijn te verzinnen om wat van waarde is (integriteit in het openbaar bestuur) even niet waardevol te vinden. Men had met betrekking tot de handelwijze van Tilman Schreurs kunnen stellen dat men het helemaal geen probleem vindt wanneer medewerkers van OML zich laten fêteren door projectontwikkelaars. Men had kunnen redeneren dat dit gebruikelijk is in het bedrijfsleven. Men had kunnen overwegen dat men mogelijk zelf ook niet altijd brandschoon is geweest. Of dat integriteit minder belangrijk is dan men wel eens beweert. Dat had allemaal gemogen en het zou de commissarissen hebben gesierd wanneer ze dat alles ronduit en open hadden verteld. Maar dat was kennelijk teveel gevraagd. De zaak werd op de ouderwetse manier afgedaan. Men zocht een redenering om een inhoudelijk afgewogen besluit op het vlak van integriteit uit de weg te gaan. Daarmee verspelen commissarissen en allen die mede verantwoordelijkheid dragen voor dit besluit ieder recht anderen op het belang van integriteit te wijzen. Wie zelf door zijn handelen integriteit als basiswaarde geen absolute betekenis toekent maar andere belangen zwaarder laat wegen geeft daarmee aan op niet integere wijze om te gaan met integriteit. Het is het oude verhaal. De praktijk is altijd sterker dan de leer.

Thieu Wagemans is raadslid in Leudal

*******************************

Vriendjespolitiek mag      

Opiniebijdrage, gepubliceerd in de Limburgse kranten op 2 augustus 2016

Het vonnis in de zaak van Rey heeft veel reacties opgeleverd. Veel reacties wekten de indruk dat men reeds vooraf een uitgesproken mening had over de vraag of de handelwijze van van Rey wel of niet toelaatbaar was. Dat is logisch maar helpt ons niet veel verder bij de vraag wanneer er sprake is van strafbare ambtelijke corruptie. De Rechtbank kreeg waardering voor het “genuanceerde” vonnis maar het is de vraag of dat vonnis de helderheid heeft gebracht waar velen naar uitkeken. Want wat was de redenering van de Rechtbank? De Rechtbank maakte een onderscheid tussen gedrag waarvan moest worden aangenomen dat het vooral door de vriendschappelijke relatie tussen van Rey en van Pol werd bepaald en gedrag waarin de zakelijke relatie tussen wethouder en projectontwikkelaar domineerde. Dat is op het eerste gezicht merkwaardig. Het onderhouden van vriendschappelijke relaties wordt zo grond voor schulduitsluiting. Als je maar vriendschappelijke banden onderhoudt met zakelijke relaties kun je van overtreding van regels worden vrijgepleit. In zijn uiterste vorm wordt dat een premie op vriendjespolitiek. Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn. Bovendien, wanneer domineert de vriendschapsrelatie en wanneer staan zakelijke aspecten voorop? Waarom mag in de villa van van Pol in Zuid Frankrijk over zakelijke onderwerpen worden gesproken omdat de vriendschapsrelatie overheerste en waarom is een uitnodiging voor een interlandwedstrijd vooral zakelijk? Wie het weet mag het zeggen. Een dergelijk vonnis nodig uit tot gekissebis over definities. Mag een wethouder naar een nieuwjaarsreceptie van een bedrijf? Of een bedrijfsjubileum met een aangekleed feestprogramma over de grens? Of enkel wanneer hij zelf de reiskosten betaalt? Nu is ambtelijke corruptie natuurlijk moeilijk aantoonbaar. Het zal zelden voorkomen dat een bestuurder een bedrag krijgt overgemaakt met als vermelding “beloning voor bewezen vriendendienst”.

Er is een andere insteek denkbaar die naar mijn mening een betere opstap vormt voor strafbaarheid van corruptie. Ik herinner aan het oordeel van de Commissie van Drie die in de zeventiger jaren het handelen van Prins Bernhard onderzocht in de Lockheedaffaire. De Commissie oordeelde dat prins Bernhard “zich had begeven in situaties die de indruk konden wekken dat hij gevoelig was voor het aannemen van geschenken”. Vanuit dat perspectief is de aandacht en dus de strafbaarheid niet gebaseerd op het daadwerkelijk aantonen van corruptie maar wordt het verboden zakelijke en niet-zakelijke banden door elkaar te laten lopen. Dat zou betekenen dat iedere minister, wethouder, of politicus situaties dient te vermijden waarin hij de schijn van belangenverstrengeling kan oproepen. Een dergelijke omschrijving van strafbare feiten kan betrokkenen weerhouden van dubieus gedrag. In wezen is dat in het belang van zowel samenleving als betrokkenen. De samenleving is zo verzekerd van een hoge drempel om corruptief gedrag te vermijden maar ook voor bestuurders en raadsleden is dat positief. In situaties waarin zowel sprake is van vriendschaps- als zakelijke banden kan de betrokkene zich niet verweren tegen aantijgingen en kan hij geen verantwoording afleggen voor zijn gedrag. Hij is ervan afhankelijk of zijn verhaal wel of niet wordt geloofd. Dat maakt hem kwetsbaar. Beter is het om situaties te voorkomen waarin men zich niet meer overtuigend kan verdedigen of verantwoorden.

In de zaak van Rey zou deze opvatting tot de dubbele conclusie leiden dat zijn gedrag voor zover corruptie aan de orde was, niet strafbaar was maar dat het in de toekomst door wetsaanpassing wel strafbaar moet worden.   

Thieu Wagemans is raadslid in Leudal

************************************************

Waardigheid boven waarde

(Opiniebijdrage in de Limburger en Limburgs Dagblad, 13 juli 2016)

Het kort geleden gepresenteerde onderzoek van het RIVM heeft overtuigend aangetoond dat de intensieve veehouderij een negatieve invloed heeft op de gezondheid van omwonenden. Die omwonenden wisten dat al lang maar politieke partijen, het CDA voorop, bleven halsstarrig het argument gebruiken dat er geen probleem was zolang het verband niet overtuigend was aangetoond. Tietallen jaren lang vond men de snelle groei van het aantal varkens en kippen belangrijker dan de gezondheid van mensen. Steeds weer werd gewezen op het belang van de veehouderij voor de export. Dat is een eenzijdig verhaal. Op de eerste plaats werd het veevoer voor al die miljoenen dieren voor een belangrijk deel geïmporteerd. Ook accepteerde men lange tijd de negatieve invloed van de veehouderij op de omgeving. Natuurwaarden moesten wijken voor economisch gewin. Er ontstond een enorm mestoverschot met negatieve invloed op bodem , grond- en oppervlaktewater. Vele jaren lang werden overheidsmaatregelen tegengehouden of vertraagd. En vervolgens werden telkens weer uitzonderingen in regels opgenomen om het effect ervan te verminderen. Het resultaat is een uiterst ingewikkeld stelsel van regels dat zowel overheid als ondernemers handenvol geld kost. Wanneer al die externe effecten van de intensieve veehouderij zouden worden meegerekend zou het heel goed kunnen zijn dat de intensieve veehouderij geen groot economisch belang voorstelt maar zelfs verliesgevend is. Dat er winst wordt gemaakt komt voor een belangrijk deel omdat negatieve gevolgen ervan worden afgewenteld. Daar komt bij dat men de gevangene is geworden van een proces van schaalvergroting dat geen einde kent. Al vele jaren lang moeten kleine bedrijven stoppen en blijven een steeds geringer aantal zeer grote bedrijven over die vervolgens genoodzaakt zijn nog verder te groeien. Het is een ratrace.


Ontelbaar zijn de waarschuwingen tegen deze ontwikkeling maar beleidsmakers en politici toonden zich doof en blind. Ruim tweehonderd jaar geleden stelde de filosoof Kant dat we een onderscheid moeten maken tussen goederen die een prijs hebben (en die dus verhandeld kunnen worden) en zaken die waardigheid hebben en die dus van een hogere orde zijn. Natuur, milieu en gezondheid zijn er voorbeelden van. Wat er is gebeurd is dat de waardigheid moest wijken voor economisch gewin. Problemen die door schaalvergroting werden veroorzaakt zouden, zo wilde men ons doen geloven, worden opgelost door nieuwe technologie. Telkens weer leidde dat tot verdere schaalvergroting en nieuwe problemen. Technologie was de oplossing en de problemen die toepassing van nieuwe technologie met zich meebracht zouden door nieuwe technologie worden opgelost. Enz. Men rent in cirkels rond en heeft geen tijd signalen serieus te nemen omdat men te druk is met rennen.


Natuurlijk is de klacht van veehouders terecht dat burgers weliswaar kritiek hebben op de intensieve veehouderij maar dat ze tegelijkertijd als consumenten goedkoop vlees kopen en zo mede het probleem in stand houden. Burgers dwingen zo tot verdere kostenverlaging en dus tot grootschalige productie. Dat proces moet worden doorbroken. Nodig is dat we het houden van dieren en de productie van voedsel niet langer als een economische activiteit zien maar dat we kleinschalige verdienmodellen ontwikkelen waarin boeren en burgers met elkaar zaken doen. Een pleidooi dus voor verdienmodellen waarin burgers en boeren elkaar kennen en waarin de anonimiteit wordt doorbroken die nu kenmerkend is. Dan kan het gesleep met dieren ophouden en krijgen we regionale en lokale voedselmodellen. Voedselproductie en daaraan verbonden zorg voor milieu, natuur en landschap leent zich niet voor een strikt economische benadering. Kant wist dat al. Nu de politici nog.


Mathieu Wagemans is Raadslid in Leudal          



Een gemankeerd politiek systeem


Het recente referendum heeft de tongen losgemaakt over de vraag hoe we ons politiek systeem kunnen verbeteren. Er worden tal van voorstellen gedaan over het minimum aantal vereiste stemmen, over welke vragen aan burgers worden voorgelegd enz. Maar naar mijn overtuiging zijn de problemen dieper en omvangrijker dan verondersteld. Een eerste probleem is dat we een beleidssysteem hebben opgetuigd waarin we de wereld hebben gereduceerd tot een beïnvloedbare wereld. Ongeacht welke problemen zich voordoen, we verwachten van de overheid die die met enkele welgemikte interventies voor oplossingen zorgt. Dat is weliswaar een illusie maar die houden we liever in stand dan onvermogen onder ogen te zien. Een tweede vraagstuk is dat we beleid hebben vastgesnoerd in een juridische context die nauwelijks nog dynamiek en vernieuwing toelaat. Innovatieve voorstellen belanden al gauw in de prullenmand omdat de juridisch niet haalbaar zijn. Ons beleidssysteem laat slechts verandering toe wanneer die binnen het beleidssysteem past. In plaats van de toekomst te ontwerpen reproduceren we telkens weer het verleden. De problemen van onze moderne samenleving zijn simpelweg groot en te complex om binnen onze beleidscontext effectief aan te pakken. Globalisering vraagt om een wereldwijde aanpak maar zelfs als er afspraken tot stand komen blijkt de uitvoering gebrekkig. Het internationale karakter van de economie neemt alsmaar toe en daarmee de mogelijkheden tot afwenteling van zowel milieu- als sociale problemen. Door ons consumptiegedrag maken we kinderarbeid elders winstgevend. Dat kan doorgaan omdat een gezaghebbende internationale autoriteit ontbreekt. De Panama papers illustreren dat de praktijk van belastingheffing aanzienlijk afwijkt van wat we op papier zo goed dachten te hebben geregeld.

Het drama van onze democratie is dat we een systeem hebben opgebouwd waar we zo hoge eisen aan stellen dat het gedoemd is tot teleurstelling te leiden. We zijn niet meer ontvankelijk voor wat burgers bezighoudt, simpelweg omdat we niet in staat zijn om daar serieus op te reageren. Ons regelcomplex en de fijnmazige toedeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden maakt het onmogelijk problemen in te passen. We definiëren de werkelijkheid zodanig dat die in onze regelingen past. Daardoor blijft er steeds meer werkelijkheid buiten beeld. De politiek is alleen geïnteresseerd in problemen die met beleidsinstrumenten kunnen worden opgelost. Andere problemen bestaan niet, althans niet voor politici en beleidsmakers. Burgers worden echter dagelijks met de praktijk geconfronteerd met als gevolg dat het vertrouwen in de politiek afneemt. De vraagstukken van een moderne samenleving passen niet meer in onze schema’s en beleidscategorieën. We hebben de democratische lat zo hoog leggen dat we niet meer in staat zijn eroverheen te springen.

Wat nodig is dat de uitgangspunten van ons democratisch systeem kritisch tegen het licht worden gehouden en worden getoetst aan de praktijk van een moderne samenleving. Het is mijn overtuiging dat dit leidt tot een systeem waarin we minder hoge eisen stellen gaan stellen aan onze democratie. Doorslaggevend is de vraag of politieke partijen de moed hebben een dergelijke analyse te maken en burgers duidelijk te maken dat wat ze van de politiek verwachten irrealistisch is. Dat vraagt temeer moed omdat die illusies juist door politici zijn geconstrueerd met als dieptepunt de periode voorafgaand aan verkiezingen. Helaas beschikken politici over aanzienlijke vaardigheden om dergelijke vragen uit de weg te gaan en ze te detecteren. Men denkt een fundamenteel probleem in onze democratie op te lossen door een iets andere procedure of door weer een nieuwe organisatie. Zolang echte moed ontbreekt kunnen nieuwe partijen enorme successen boeken, enkel en alleen omdat ze verwoorden wat in onze beleidssysteem buiten beeld blijft. Daarmee zijn dergelijke partijen zelf de illustratie van een gemankeerd politiek systeem.

Thieu Wagemans is Raadslid in Leudal en werkt aan een publicatie over de gebreken van ons beleids- en politieke systeem

Opiniebijdrage n.a.v. Bonnetjesaffaire op Ministerie van Justitie

Gepubliceerd op 4 februari 2016 in Limburgse kranten

Ambtelijke loyaliteit heeft een keerzijde

Het bericht dat  op het Ministerie van Justitie opdracht is gegeven te verhinderen dat een document op tafel zou komen dat de Minister in de problemen zou kunnen brengen levert een stroom van kritiek op. Dat is begrijpelijk. Maar het lijkt wat gemakkelijk zich te beperken tot voor de hand liggende kritiek dat de openheid geweld is aangedaan. Iedereen die bekend is met de gang van zaken binnen een Ministerie weet dat alles erop is gericht de Minister uit de wind te ouden. Kamervragen worden zodanig beantwoord dat kritische informatie wordt vermeden. Men beschikt over grote vaardigheden om rond de waarheid  heen te draaien zonder deze geweld aan te doen. Dat is vaak ook nodig. De Minister is formeel voor alles verantwoordelijk wat duizenden ambtenaren dag in dag uit regelen en besluiten. Natuurlijk is dat een fictie. Het is een mens nu eenmaal niet gegeven van alles op de hoogte te zijn, laat staan zich met alle beslissingen te moeten bezighouden. Dat is een illusie die echter niet ter discussie mag worden gesteld. Anders stort het kaartenhuis van het openbaar bestuur in elkaar. En dus wordt er alles aan gedaan de Minister niet in problemen te brengen.

Maar ambtelijke loyaliteit heeft ook een keerzijde. Het betekent dat een organisatie niet meer ontvankelijk is voor informatie die het Ministerie slecht uitkomt. Het is een belangrijke kwaliteit van ambtenaren vooraf in te schatten of informatie de Minister in problemen kan brengen. Die eigenschap staat bekend als “beleidsgevoeligheid”. Nog een stap verder is wanneer nieuwe medewerkers worden geselecteerd op het vermogen om problemen buiten de ministeriele tent te houden. Dat leidt tot een cultuur waarin de top van een Ministerie voortdurend wordt bevestigd in de opvatting dat alles naar wens verloopt en dat alle besluiten verstandig zijn. Dan is er voor kritiek geen plaats meer. Dan verliest een overheid de relatie met wat er in de maatschappij speelt. De wereld staat in brand maar binnen de Haagse kaasstolp is alles in orde. Het is de keerzijde van ambtelijke loyaliteit. Resultaat is een organisatie die zich rondwentelt in het eigen gelijk en zich dat ook kan permitteren.

Een dergelijke cultuur is niet typisch voor Ministeries maar zal binnen vrijwel elke willekeurige grote organisatie herkenbaar zijn. Medewerkers worden geselecteerd op zelfbevestiging van de managers. Er ontstaat geestelijke inteelt. In dergelijke situaties is nodig dat er ruimte komt voor afwijkende geluiden, dat mensen worden gestimuleerd voorstellen op tafel te leggen, ook als die niet passen binnen het beleid. Dat geldt zeker wanneer er sprake is van ingrijpende problemen die om een oplossing vragen. Dan kom je er niet met de zoveelste reorganisatie of het zoveelste verhaal over een nieuwe strategie. Dat vraagt om leiders die kritisch vermogen om zich heen verzamelen. Dergelijke leiders zijn helaas nog te zeldzaam. Zie de ervaringen van klokkenluiders die met informatie komen die de top van de organisatie onwelgevallig is. Nog steeds lopen klokkenluiders het risico dat ze door de klepel van het management zodanig hard geraakt worden dat ze aan de zijlijn belanden of, zoals dat heet, naar de uitgang worden begeleid. Er is geen plaats meer voor hen. Het zou heel goed zijn wanneer het incident binnen het Ministerie van Justitie wordt aangegrepen om de bredere vraag te stellen hoe dit soort incidenten kon gebeuren.

Thieu Wagemans is Raadslid in Leudal en schreef een proefschrift over ambtelijke oppositie binnen een Ministerie   

Gelijkheid als illusie

Onderstaande opiniebijdrage verscheen 5 januari in de Limburgse kranten


Wilders vaart er wel bij

Op 21 oktober 2015 verscheen de volgende bijdrage in de Limburgse kranten

Wilders vaart er wel bij


Politiek beseft niet dat ingrijpende vernieuwing nodig is


Het optreden van Wilders heeft zoals gebruikelijk weer veel reacties opgeroepen. Los van het woordgebruik wordt hem ook verweten dat het ongepast en ontoelaatbaar is kritiek te uiten op de organen van onze democratische rechtstaat. Daarbij gaat men voorbij aan het onderscheid tussen de beginselen van onze rechtstaat en hoe we die beginselen in de praktijk hebben uitgewerkt. De kritiek op instituties wordt gelijk gesteld met kritiek op beginselen van rechtsstaat.

Een dergelijke opstelling laat echter geen ruimte voor een kritische blik op hoe de rechtstaat functioneert terwijl daar toch alle aanleiding voor is. Want hoe democratisch is ons politiek systeem? Hoeveel burgers zijn lid van een partij en hoeveel procent van de leden bepaalt het partijprogramma? En hoe groot is de invloed van diverse belangengroepen waar partijen nauwe banden mee wensen te onderhouden om verlies van stemmen te voorkomen?
In plaats van kritiek te uiten op uitspraken van Wilders zou men ook de vraag kunnen stellen hoe het komt dat zijn populariteit de laatste tijd zo sterk is toegenomen. We zijn kennelijk niet goed in staat om te agenderen wat er onder burgers leeft en dat te vertalen in politieke vraagstellingen. En we verbloemen dat onvermogen door er het etiket van “onderbuikgevoelens” op te plakken. Zo verschaffen we onszelf een legitimatie ze niet serieus te hoeven te nemen. Maar zo maak je je er wel erg gemakkelijk van af. Bovendien is dat in strijd met de open samenleving die we zo graag willen. Een tweede punt betreft de tendens  dat burgers in verkiezingstijd steeds meer als klanten worden beschouwd. Burgers worden benaderd als manipuleerbare objecten. Hun sympathie moet worden gewonnen door slim opgezette campagnes. Die zijn steeds minder op de inhoud gericht maar steeds meer bepaald door de profilering ten opzichte van andere partijen. Politiek is partijpolitiek geworden. Men reageert niet op maatschappelijke problemen maar primair op elkaar. Op dat punt wijkt de strategie van Wilders nauwelijks af van wat binnen ons politieke domein gebruikelijk is. Populisme is bepaald niet het exclusieve kenmerk van Wilders. Helaas. En kan de toenemende juridisering van onze samenleving, zich uitend in alsmaar langere procedures en vertraging van projecten, eveneens niet worden opgevat als een symptoom van een gemankeerd politiek systeem? Steeds vaker wordt een beroep gedaan op rechters om uit te spreken of politieke besluiten wel juridisch houdbaar zijn. 

In plaats van de wijze waarop ons democratisch systeem functioneert kritisch tegen het licht te houden is, is de energie vooral gericht op instandhouding ervan en niet op vernieuwing. Voor zover er sprake is van veranderingen dragen die nauwelijks bij aan versteviging van onze democratie. Onderliggende problemen worden niet opgelost door een gekozen burgemeester of een referendum over een associatieverdrag. We veranderen de tafelschikking en denken daarmee de kwaliteit van het eten te verbeteren.     

Zo beschouwd zijn het de politieke partijen zelf die Wilders de kans bieden handig gebruik te maken van de gebreken van ons politieke systeem. Dat zal doorgaan zolang het besef ontbreekt dat ingrijpende vernieuwing nodig is. Dan houden we de problemen in stand, juist omdat we die zo goed hebben georganiseerd. Wanneer er geen ruimte is voor scepsis en vanzelfsprekendheden geen onderwerp van discussie mogen worden, herhalen we het verleden. Dat mag maar dan moeten we geen kritiek hebben op personen die ons telkens weer met ons onvermogen confronteren. Dan past een misplaatste oproep tot fatsoen niet. Dergelijke fatsoensnormen verhinderen juist dat verandering tot stand komt en worden zo een dekmantel voor instandhouding ven problemen.  Wilders vaart er wel bij. 


Thieu Wagemans is raadslid voor Ronduit Open in Leudal en werkt aan een studie over vernieuwing van het politieke systeem

*********************************************************************************************************************


Op 13 oktober 2015 verscheen de volgende opiniebijdrage in de Limburgse kranten.

Debat opvang vluchtelingen doet geen recht aan problematiek

Discussie is polariserend

De vluchtelingenproblematiek staat thans centraal op de politieke en maatschappelijke agenda. En terecht. Een discussie daarover zou in een open en democratische samenleving idealiter moeten resulteren in een beleid dat recht doet aan wat de meerderheid denkt en rekening houdt met opvattingen en zorgen van de minderheid. Daarvan is nauwelijks sprake Integendeel. De discussie is in wezen een confrontatie tussen twee uiterste en onverenigbare posities. Aan de ene kant een moreel gefundeerde opvatting dat we in een samenleving wensen te leven waarin niemand gedwongen wordt de nacht op de straat door te brengen en waarin ieder recht heeft op elementaire zorg zoals onderdak, voeding en medische zorg. Aan de andere kant het standpunt dat veel mensen die zich als vluchteling melden gelukzoekers zijn en dat het zowel onmogelijk als ongewenst is om een onbeperkt aantal asielzoekers op te vangen. Een dergelijke discussie is polariserend, doet geen recht aan de onderliggende problematiek en getuigt van onzindelijke communicatie. In plaats van verschillen te zoeken lijkt het op zijn plaats de punten van overeenstemming te zoeken. Welke zijn dat?

Op de eerste plaats is het volkomen in strijd met een minimumniveau aan beschaving wanneer in ons land bijvoorbeeld gezinnen met kinderen de nacht op straat moeten doorbrengen. Wie daar anders over denkt hoort niet in Nederland thuis. Tegelijkertijd is voor ieder helder dat ons land niet miljoenen mensen van elders kan opvangen, nog los van de redenen waarom men zijn toevlucht zoekt in Nederland. Op de tweede plaats wordt eventuele overlast van grootschalige opvang van asielzoekers zeer ongelijk verdeeld. Dat geldt voor de “grote” overlast wanneer bijvoorbeeld vestiging van een zeer grootschalig AZC aan de orde is. Dat geldt ook in het klein. Mensen die in een straat wonen met veel sociale huurwoningen en die het niet prettig vinden wanneer gaandeweg 40 % van de woningen door mensen uit andere culturen wordt bewoond, krijgen niet de ruimte hun bedenkingen te uiten omdat ze anders wordt verweten inhumaan te zijn. Dat is een gemakkelijk standpunt voor wie in een bungalowwijk woont. Het is ongepast wanneer een open discussie over de opvang van vluchtelingen onmogelijk wordt gemaakt door mensen die zichzelf een hoge morele maatstaf aanmeten en zich dat ook gemakkelijk kunnen permitteren omdat ze geen enkele overlast ondervinden van een ruimhartige opvang van asielzoekers. En waarom mag er geen kritiek zijn wanneer een gemeente, zoals in Leudal, het beleid verandert waardoor het inrichtingskrediet dat nieuwkomers krijgen voortaan niet meer hoeft te worden terugbetaald en dit ten koste gaat van het geld dat beschikbaar is voor armoedebestrijding in de gemeente?

Ik meen dat maatschappelijk draagvlak voor opvang van asielzoekers begint met een houding van openheid waarbij het voor ieder mogelijk is opvattingen te uiten maar waarin amorele uitingen ten strengste worden veroordeeld omdat ze niet passen binnen onze samenleving. Nodig is ook dat mensen die worden geconfronteerd met de gevolgen van een ruimhartig beleid een stem krijgen. Verder is nodig dat mensen die een verblijfstatus krijgen zo snel mogelijk in de gelegenheid worden gesteld om als volwaardige burgers te functioneren en ook daarop worden aangesproken. Dat betekent taalbeheersing. Dat betekent ook dat men niet langer afhankelijk is van sociale voorzieningen maar in de gelegenheid wordt gesteld eigen inkomen te verwerven zoals dat van alle burgers in ons land mag worden verwacht. Daarbij passen geen bureaucratische regels die nieuwkomers belemmeren of onder het mom van integratie hen dwingen kosteloos arbeid te verrichten waar anderen een beloning voor krijgen.


Thieu Wagemans is raadslid voor Ronduit Open in Leudal

*******************************************************************************************************

Op 29 september 2015 verscheen deze opiniebijdrage in de Limburgse kranten

“Politieke partijen moeten zich ontworstelen aan deelbelangen”

Een kapot geregeld land

Thieu Wagemans

Op 26 september jl. plaatste Tof Thissen een column waarin twee constateringen centraal stonden. Op de eerste plaats dat ons parlementair stelsel de afgelopen 100 jaar nauwelijks is veranderd en verder dat ons politieke systeem de band met de burger gaandeweg kwijtraakt. Hij wil daar graag iets aan veranderen. Dat valt te prijzen maar ik meen dat het probleem te ingewikkeld is om te denken dat dit met een paar simpele acties kan worden opgelost.

Wat is er aan de hand? Op technisch en economisch terrein hebben we de afgelopen 200 jaar enorme vooruitgang geboekt. We waren in staat de wereld naar onze hand te zetten dankzij nieuwe technologie. Schaalvergroting stelde in staat volop gebruik te maken van deze technologie. We gingen steeds slimmer organiseren. Gevolg was dat onze samenleving verzakelijkte.  Mensen werden gereduceerd tot regelbare objecten. Onderlinge relaties werden minder door gevoelens bepaald en steeds meer gebaseerd op berekening en bevoegdheden. Anonimiteit ging regeren. Alles werd geregeld door een juridisch systeem dat gaandeweg hopeloos ingewikkeld is geworden. De rechtspraak moet zorgen voor rechtvaardigheid maar de praktijk toont dat het voor vermogende burgers heel wat gemakkelijker is hun gelijk te halen dan voor mensen met een smalle beurs. Rechtvaardigheid is een kwestie geworden van vaardigheid in het recht. We hebben gelijkheid zo ingewikkeld geregeld dat het tot ongelijkheid leidt. We hebben waarden als het ware kapot geregeld. We stellen lange lijsten met regels op voor integer gedrag van politici. Zolang je je aan de regels houdt word je geacht integer te zijn. Regels kunnen zo een dekmantel worden voor onfatsoen. 

De consequentie is dat vragen rond moraliteit gaandeweg op de achtergrond zijn geraakt. Ideologische debatten in de politiek zijn zeldzaam geworden. Sterker nog, partijen laten zich erop voorstaan dat ze niet-ideologisch zijn. Gewiekstheid wint het van morele overwegingen.  En, wat nog erger is, partijen die claimen betekenis te geven aan waarden, handelen in de praktijk voortdurend in strijd met eigen beginselen. Men sluit compromissen. Echter, waarden en gevoelens lenen zich niet voor compromissen of handjeklap. Je kunt een ruzie niet beëindigen met als compromis dat je elkaar voortaan voor 55% vertrouwt.

Natuurlijk wordt het probleem van een grote afstand met burgers ook door de politiek ervaren. Men probeert er ook iets aan te doen. Men verandert procedures, men draagt bevoegdheden over van het rijk naar provincies en gemeenten. Dat alles is zonder twijfel goedbedoeld maar het lost het onderliggende probleem niet op. Sterker nog, het houdt de illusie van een oplossing in stand en neemt de noodzaak weg de echte problemen aan te pakken.

Nodig is dat politieke partijen zich ontworstelen aan deelbelangen. Juist daardoor blijven oplossingen uit en worden problemen in stand gehouden. Men is bang achterban te verliezen wanneer men besluiten neemt die door een deel van de achterban niet op prijs worden gesteld. Door die houding raken politici hun zelfstandigheid kwijt. Met gewiekste oneliners worden mensen naar de mond gepraat. Komen bestuurders in problemen dan kunnen ze op de vanzelfsprekende bescherming rekenen van hun partijgenoten. Nieuwe partijen die verandering willen lopen maar al te vaak vast in dezelfde bureaucratische loopgraven die het politieke bedrijf verzieken. Is het vreemd dat veel burgers niet eens meer de moeite nemen te gaan stemmen, daarmee aangevend dat ze geen enkele relatie met de politiek meer wensen?   

Laten politieke partijen eens beginnen met een analyse van de rol die ze zelf de afgelopen tijd hebben gespeeld, met de erkenning dat we zijn vastgelopen en dat we voor echte vernieuwing niet kunnen volstaan met het verhangen van bordjes of met weer een nieuwe commissie. Wie vragen rond moraliteit heeft weggemoffeld verspeelt ieder recht burgers op moraliteit aan te sopreken.  

Thieu Wagemans is raadslid en werkt aan een studie over transformatie van het politieke systeem

********************************************************************************************************************

In augustus 2015 verscheen onderstaande opiniebijdrage in de Limburgse kranten

De Spagaat van de Landbouw

De Redactie van de Limburger plaatste op 4 augustus jl. een kritisch commentaar over de landbouw.  Hoge prijzen stimuleren ondernemers hun productie uit te breiden met als gevolg overproductie en lagere prijzen.  In plaats van hogere inkomens te bereiken raakt men in de problemen. Volgens het commentaar is dat nu eenmaal het gevolg van de wet van vraag en aanbod. Boeren zijn ondernemers en moeten niet  steeds de hand ophouden bij de overheid als het tegenzit.

Strikt economisch klopt die redenering en dat is nu juist het probleem. Er valt nogal wat af te dingen op het uitgangspunt dat voedselproductie een strikt economische activiteit is. Op de eerste plaats is van een gelijk speelveld geen sprake. Er zijn veel ondernemers en veel consumenten. Maar de werkelijke macht  ligt noch bij de producenten, noch bij de consumenten maar bij een steeds kleiner aantal handelaren  en supermarkten die producenten onder druk kunnen zetten. Van de prijs die de consument betaalt komt een steeds kleiner deel bij de producent terecht. Daar komt bij dat kenmerkend voor landbouwproducten is dat een geringe overproductie reeds tot aanzienlijke prijsdalingen  kan leiden. Een tweede punt betreft het feit dat een boer niet alleen voedsel produceert maar ook het buitengebied onderhoudt. Echter, voor natuur en landschap bestaat er geen markt in traditionele zin. Het buitengebied is te beschouwen als een zogenaamd gemeenschappelijk goed dat je niet in stukjes kunt knippen en op de markt kunt verkopen. Maar het meest wezenlijke bezwaar is dat die beide functies, voedselproductie en beheer van natuur en landschap, onderling vaak op gespannen voet staan.  Grote en rechthoekige percelen zijn nodig om efficiënt gebruik te kunnen maken van moderne machines maar natuur en landschap zijn juist gebaat met kleinschaligheid en afwisseling. Burgers hebben een voorkeur voor koeien in de wei maar bedrijfseconomisch kan het gunstiger zijn koeien het hele jaar in de stal te laten.

Tegen die achtergrond kunnen  dikke vraagtekens worden geplaatst bij het uitgangspunt dat voedselproductie een economische activiteit is en dat boeren ondernemers zijn en als zodanig moeten worden behandeld. Juist de spanning tussen efficiënte voedselproductie  en duurzaam beheer van het platteland leidt ertoe dat de boer steeds weer en steeds meer in een spagaat terechtkomt. Economische redenen dwingen tot rationalisatie en schaalvergroting en tegelijkertijd leiden maatschappelijke overwegingen tot steeds meer regels en beperkingen. Die spanning is niet oplosbaar door iets meer ruimte te geven aan economische belangen of, integendeel, de overheidsregels strakker aan te halen. Toch is dat juist wat er al jarenlang gebeurt. Landbouwbeleid wordt gekenmerkt door compromissen. En door steeds ingewikkelder regels met telkens weer uitzonderingen om aan belangen vanuit de landbouw tegemoet te komen. Landbouwbeleid is voer geworden voor juristen die daar overigens ook een dikke boterham aan verdienen. In plaats van door te gaan op deze heilloze weg dient te verantwoordelijkheid voor goed en voldoende voedsel en tegelijkertijd een goed beheer van het buitengebied veel sterker bij de burger te worden gelegd. Want ook bij veel burger s is sprake van een spagaat. Men dringt aan op duurzaam geproduceerd voedsel maar laat zich in de supermarkt vaak leiden door de laagste prijzen. Zo houden producenten en consumenten een probleem in stand waar slechts de supermarkten van profiteren.  De landbouw heeft dringend behoefte aan een nieuw verdienmodel.  Er zijn reeds tal van initiatieven op dat terrein maar de omslag komt niet tot stand zolang die wordt tegengehouden door partijen die belang hebben bij instandhouding van het probleem.   

Thieu Wagemans is Raadslid voor Ronduit Open in de gemeente Leudal


****************************************************************************************************************

Op 30 juni 2015 werd deze opiniebijdrage over de nieuwe encycliek Laudato si gepubliceerd in de Limburgse kranten.

De Thuiskomst van de Kerk


Hoewel slechts enkele dagen oud heeft de nieuwe pauselijke Encycliek Laudato si al veel losgemaakt. Terecht. Hoewel velen intussen overtuigd zijn van het belang van duurzaamheid en verantwoord omgaan met de aarde blijkt het lastig om ons dagelijks gedrag daaraan ook aan te passen. Ons economisch systeem is daar ook niet op ingericht. Veel van wat van waarde is heeft in economisch opzicht geen of slechts weinig betekenis. Tegelijkertijd ondervinden we niet direct de nadelen wanneer we ons onduurzaam gedragen.

De nieuwe encycliek roept in essentie op om niet langer de aarde uit te buiten maar te beschermen wat kwetsbaar is. Dat is overigens niet nieuw binnen het christelijk geloof. Al zo’n 600 jaar voor Christus verweet de profeet Ezechiël de herders van Israël dat ze de melk van de schapen dronken, de wol gebruikten voor kleding en het vlees opaten maar zich tegelijkertijd niet om de zieke dieren bekommerden. Ze waren herders, zo schreef hij, die vooral zichzelf weidden in plaats van de schapen. De oproep van de paus betekent in wezen dat we weer oog moeten krijgen voor wat binnen ons economisch systeem geen waarde heeft. Wat economisch kwetsbaar is moet bron van inspiratie worden. Dat betekent een totale omwenteling. Het is de omgekeerde wereld.

Maar de betekenis van de encycliek kan veel verder gaan dan enkel een oproep tot duurzaamheid. De katholieke kerk heeft een periode achter de rug waarin regels en gehoorzaamheid belangrijker werden geacht dan de bronnen van het geloof. De kerk als organisatie was niet meer dienend naar gelovigen maar voorschrijvend en heersend. Zoals zo vaak gaat het mis zodra datgene wat mensen inspireert onderwerp wordt van organisatie, van regels, van procedures. Dat geldt voor willekeurig welke organisatie en dus ook voor de kerk. De eigen verantwoordelijkheid waar de paus toe oproept kan een periode inluiden waarin de regels niet langer “zaligmakend” zijn maar waarin de kerk zelf weer waarden belangrijker gaat vinden dan regels. Dat is ook de enige weg waarin de kerk weer betekenisvol kan zijn. Natuurlijk zal moeten blijken welk vervolg door de kerk wordt gegeven aan de encycliek. Uiteindelijk zijn het immers niet meer dan woorden. Maar het is een moedige eerste stap die tot nieuw elan kan leiden. De weg zal niet eenvoudig zijn en kan ook tot interne tegenstellingen leiden. Hard bidden in de kerk en zich buiten de kerk onduurzaam gedragen wordt lastig. Er zullen fouten worden gemaakt zoals altijd bij ingrijpende vernieuwingen. Maar beter fouten gemaakt op het juiste pad dan met volharding de verkeerde richting kiezen. Beter zich herbronnen dan blijven kiezen voor vanzelfsprekendheden en achterhaalde routines waarmee we slechts het verleden herhalen maar niet een nieuwe toekomst scheppen. De encycliek biedt de kerk een kans om weer in woord en daad het kwetsbare centraal te stellen en dus weer “thuis” te komen.

Ook in het politieke domein kan de encycliek betekenisvol zijn. De opgaven op het vlak van duurzaamheid zijn niet oplosbaar door slimme compromissen, door een procentje meer of minder of door ingewikkelde juridische procedures. Daar zijn we weliswaar handig in maar ze brengen ons niet verder. Ze creëren de illusie van oplossingen waarna we telkens weer

tot de conclusie komen dat de echte problemen blijven voortbestaan. Veel maatschappelijke problemen schreeuwen als het ware om een thematisering en analyse op niveau van waarden in plaats van belangen. Waarden inspireren, regels doen dat zelden of nooit. Ook in dat opzicht is de nieuwe visie van de paus patroondoorbrekend. Menige politieke partij kan er een voorbeeld aan nemen. Al te vaak is het enthousiasme van het eerste uur verdrongen door interne partijregels. Politieke debatten zijn nauwelijks meer ideologisch van aard. Politiek is afgegleden tot partijpolitiek. In die zin is de encycliek ook een verrijkend en ver rijkend document voor iedere politicus die zegt zich door christelijke beginselen te laten leiden. Woorden, waar de politiek zo rijk aan is, tellen niet maar het gaat om de consequenties die je eraan verbindt.

Mathieu Wagemans is raadslid in Leudal

**********************************************************************************************


Een pleidooi voor vernieuwing van het psychiatrisch zorgsysteem


Mathieu Wagemans
(Belenbroeklaan 22 6093BT Heythuysen mchwagemans@hotmail.com www.ontganiseren.nl)


· Een situatieschets

Over het functioneren van de psychiatrische zorg bestaan veel klachten. Dat geldt niet enkel voor bijvoorbeeld familieleden van patiënten maar ook intern vallen regelmatig kritische geluiden te horen. Daarbij gaat het niet enkel om operationele vragen maar ook over fundamentele vraagstukken bestaat verschil van opvatting. Voor een belangrijk deel is dat toe te schrijven aan het feit dat onze kennis over het ontstaan van psychiatrische aandoeningen en effectieve behandelingen nog beperkt is. We weten nog betrekkelijk weinig over hoe mentale, fysische en omgevingsfactoren bij een psychiatrische aandoening op elkaar inwerken. Tegelijkertijd wordt ook de psychiatrische zorg geconfronteerd met bezuinigingen. De psychiatrie bevindt zich daarbij in een afhankelijke positie. Zonder de nodige middelen is goede zorg niet mogelijk maar besluitvorming over middelen vindt plaats door overheid en verzekeringsmaatschappijen. Daarnaast oefent de farmaceutische industrie invloed uit waarbij ook andere overwegingen meespelen dan goede psychiatrische zorg. Een derde factor is dat tegelijkertijd het belang van goede psychiatrische zorg steeds belangrijker wordt. Het aantal mensen met een psychiatrische aandoening neemt toe. De combinatie van deze factoren leidt ertoe dat een verwachtingspatroon wordt opgebouwd waar niet aan kan worden voldaan. Dat is een lastige situatie. Men wil verbetering maar wordt beperkt daarin beperkt door gebrek aan kennis, inzicht en middelen. Niettemin wordt binnen de psychiatrische zorg door velen naar verbetering gestreefd. Maar met alle waardering voor dergelijke initiatieven blijft de vraag of daarmee de noodzakelijke veranderingen kunnen worden bereikt. Kunnen we vertrouwen op bestaande processen of is er een noodzaak voor ingrijpender veranderingen? Waar moeten die dan op betrekking hebben? En hoe kunnen die worden gerealiseerd?

· Aanleiding tot verdieping

Iedere organisatie en ieder systeem ontwikkelt routines. Dat geldt ook voor de psychiatrische zorg. Routines ontstaan min of meer automatisch. Binnen een organisatie ontwikkelen zich opvattingen over problemen, over oplossingen en onderlinge omgangsvormen. Dat gebeurt vaak impliciet. Op enig moment worden ze ook niet meer ter discussie gesteld, juist omdat ze vanzelf spreken. Er bestaat de gedeelde overtuiging dat het beste via bepaalde praktijken kan worden gehandeld. Deels liggen die vast in voorschriften en protocollen maar voor een belangrijk bepalen ze onbewust het gedrag en kunnen ze niettemin nog krachtiger werken dan formele regels. Ze zijn doorgaans lastig te veranderen. En uiteraard moet er een stevige noodzaak tot verandering zijn. Waarom zou je ingrijpen in routines die vast verankerd zijn in een organisatie? Om die vraag naar de noodzaak van verandering binnen het psychiatrisch zorgsysteem te beantwoorden lijkt een verdiepende analyse gewenst. Een dergelijke analyse is nodig om de duiden of er sprake is van systeemproblemen. Gaan er zaken “systematisch” mis? Hoe komt het dat verbeteringen niet het gewenste effect hebben? Waarom komen pogingen tot verandering lastig van de grond? We zullen ten behoeve van een dergelijke analyse achtereenvolgens ingaan op de aard van een psychiatrische aandoening en de plaats van betekenisgeving binnen de psychiatrie. Vervolgens komt de relatie met de buitenwereld aan de orde en zullen we conclusies trekken over de noodzaak van systeemveranderingen. We sluiten af met de vraag hoe noodzakelijke veranderingen kunnen worden gerealiseerd en wat daarbij kritische condities zijn.

· Wat is de kern van een psychiatrische aandoening?

Kort gezegd zouden we kunnen stellen dat wetenschap en praktijk van de psychiatrie met betekenisverlening heeft te maken. Een psychiatrisch patiënt geeft op een andere wijze betekenis dan wij “normaal” vinden. Betekenisgeving wordt dan ook wel aangeduid als het centrale vraagstuk van de psychiatrie. Immers, in wezen vormt de wijze waarop wij mensen betekenis geven aan onszelf, aan onze omgeving en aan onszelf in relatie tot die omgeving niet alleen het wezen van de mens maar ook het centrale kenobject van de psychiatrie. Eenzelfde situatie wordt door een depressief persoon heel anders beoordeeld dan door anderen. Een situatie die de een als normaal beschouwt kan een ander als angstaanjagend beleven. De situatie is hetzelfde maar de betekenisgeving kan erg verschillen. Een mens kan waanbeelden als werkelijkheid, als “waar” zien. Iemand kan het zicht verliezen op zichzelf, geen perspectief meer zien of “overmensd” worden door angstbeelden. Nu heeft iedereen wel eens mindere dagen of periodes. Element van een psychiatrische aandoening is echter ook dat men het vermogen mist op eigen kracht een dergelijke periode te boven te komen en het leven weer aan te kunnen.


· Betekenisgeving binnen de psychiatrie

Wat betekent het uitgangspunt dat betekenisverlening centraal staat binnen de psychiatrie voor het functioneren van het psychiatrisch zorgsysteem? We gaan achtereenvolgens in op de diagnostische fase, de behandelfase en op wetenschappelijk onderzoek binnen de psychiatrie.

1. Betekenisgeving en diagnose

Doel van een diagnose is vast te stellen of er sprake is van een psychiatrische aandoening. De psychiater zal daartoe moeten trachten zich te verplaatsen in de persoon van de patiënt om te weten te komen hoe hij in het leven staat, hoe hij functioneert in zijn werkomgeving en zijn thuissituatie, welke sociale relaties hij onderhoudt, wat hij als problematisch of onoplosbaar ervaart en bovenal wat het zelfbeeld is van de patiënt.

Daartoe interpreteert een psychiater gedrag van een patiënt om zo betekenisgeving door een patiënt te leren kennen met een diagnose als uiteindelijke uitkomst. Welke beelden heeft een patiënt en wat valt er te zeggen over processen van betekenisgeving? Dat is niet eenvoudig. Zingeving op zichzelf is niet waarneembaar. Wat we kunnen waarnemen is gedrag van een patiënt, maar dat is een afgeleide indicator. Gedrag vormt een expressie van onderliggende zingeving. Via observatie van gedrag en reacties op vragen proberen we de wereld te leren zien zoals een patiënt die ziet om vervolgens op basis daarvan tot een diagnose te komen.

Uiteindelijk resulteert een goede diagnose in een beeld dat door zowel patiënt als psychiater wordt gedeeld. Een diagnose vormt idealiter een gezamenlijk gedeelde constructie die vervolgens door de psychiater wordt geherformuleerd in professionele termen. Dat is het ideale beeld maar de praktijk kan geheel anders zijn. Allereerst is het buitengewoon lastig om eigen betekenisverlening opzij te zetten. Dat geldt ok voor de psychiater. Waarneming en interpretatie van gedrag brengen onvermijdelijk reductie met zich mee. Persoonlijke overtuigingen, opleiding, ervaringen met andere patiënten, nieuwe inzichten uit de vakliteratuur enz. oefenen invloed uit. Verder zal een psychiater zijn conclusie moeten herformuleren volgens de classificaties van het DSM. Ook dat is een bron van reductie die bovendien vrijwel onvermijdelijk is, alleen al vanwege de stevige relatie tussen de DSM-classificatie en het vergoedingensysteem. Sterker nog, in zijn uiterste consequentie kan een diagnose van meet af aan worden gedomineerd door de DSM-definities van mogelijke psychiatrische aandoeningen. In dat geval wordt de patiënt niet benaderd als betekenisgevend mens maar als te classificeren object van onderzoek. Risico daarvan is dat alles wat voor een patiënt betekenisvol is maar niet kan worden geordend volgens het DSM, als betekenisloos terzijde wordt geschoven. Dat betekent dat bij iedere diagnostisering elementen buiten beeld zullen blijven. Die reductie is, gezien vanuit een constructivistisch perspectief dat aan gedrag betekenisverlening voorafgaat, niet te vermijden. Gevolg is wel dat iedere diagnose een veronderstellend karakter heeft. Het is een beeld van de werkelijke situatie waarin een patiënt verkeert maar het is niet het enige beeld, noch een beeld waarvan de juistheid onomstotelijk kan worden bewezen.

Betekenisgeving en behandeling


Een patiënt die wordt opgenomen in een psychiatrisch afdeling krijgt te maken met tal van intern geldende regels. Die regels zijn deels bedoeld om een omgeving van structuur en rust te scheppen die heilzaam is voor behandeling van patiënten Ook overwegingen op het vlak van persoonlijke veiligheid maken regels noodzakelijk. Op de derde plaats vraagt de organisatie van operationele zaken om enige ordening. Zo ontstaat er een doordacht complex van regels en protocollen die nuttig en nodig worden geacht voor een optimale behandeling en herstel van patiënten. Veel minder aandacht krijgt de vraag hoe die combinatie van regels en protocollen wordt beleefd door de patiënt. Welke betekenis geven patiënten eraan? Hoe wordt een situatie ervaren wanneer voor ogenschijnlijk volstrekt onbeduidende punten toestemming moet worden gevraagd aan de dienstdoende medewerkers? Of wanneer blijkt dat de beslissingsruimte van medewerkers zeer beperkt is en telkens weer moet worden opgezocht of de behandelend psychiater wel of niet ergens toestemming voor heeft verleend? Het kan door een depressieve patiënt worden ervaren als een aanduiding dat men zelf tot niets meer in staat is, als een situatie van volkomen afhankelijkheid en als een bevestiging dat men in een uitzichtloze situatie terecht is gekomen. Daarmee is geenszins gezegd dat dergelijke regels niet noodzakelijk zouden zijn. Het gaat echter om de betekenis die eraan wordt gegeven. Voor iemand die depressief is en een negatief beeld heeft omtrent zichzelf en de omgeving werkt dat niet helend en bouwend aan zelfvertrouwen maar leidt het eerder tot nog meer uitzichtloosheid. Men wordt gedomineerd door een systeem dat bedoeld is te genezen maar dat zo in zijn tegendeel kan verkeren. Wat bedoeld is als zorg kan worden ervaren als bewijs van eigen onvermogen en als uitdrukking van totale afhankelijkheid hetgeen bepaald niet bijdraagt aan het opbouwen van een positief zelfbeeld. Hier is het onderscheid aan de orde tussen de motieven die aan regels ten grondslag liggen en de wijze waarop deze worden ervaren door een patiënt. Het is allerminst vanzelfsprekend dat een patiënt, zeker in de fase van verwardheid na eerste opname, deze regels en de ratio erachter begrijpt. Sterker nog, dat lijkt erg onwaarschijnlijk.

Een stap verder is wanneer patiënten het systeem met al zijn regels doorgronden en hun gedrag aanpassen aan wat voorgeschreven is, niet omdat ze de regels aanvaarden en respecteren maar slechts om door symbolische bevestiging van de regels de ruimte voor zichzelf te scheppen de eigen gang te gaan. Dergelijk gedrag staat bekend als “playing the system”. Men weet hoe men zich moet gedragen om medewerkers op basis van een positieve inschatting ertoe te bewegen ergens toestemming voor te geven. Zo bleken daklozen in Chicago heel nauwkeurig de opnamecriteria te kennen van psychiatrische instellingen en de bijbehorende gedragspatronen zodat men de winter niet op straat hoefde door te brengen.

3. Betekenisgeving en onderzoek


De noodzaak van onderzoek staat binnen de psychiatrie niet ter discussie. Er zijn tal van leemten in onze kennis, ook ten aanzien van zeer centrale vraagstukken. We weten nog weinig van hoe processen van betekenisverlening verlopen en ook niet over de vraag hoe dergelijke processen worden beïnvloed en soms vrij plotseling ingrijpend kunnen veranderen. En als veranderingen optreden missen we onderbouwde kennis over de relatie tussen oorzaak en gevolg. De kennisvragen zijn bovendien buitengewoon complex. Er spelen fysische, mentale en omgevingsfactoren een rol die op een vooralsnog zeer ondoorzichtige wijze onderling verweven zijn. Een disciplinaire benadering kan zicht bieden op kennis binnen een discipline maar veel lastiger is om te komen tot inter- en multidisciplinaire kennis. De methodologie voor dergelijk onderzoek is ook veel minder ontwikkeld dan voor disciplinair onderzoek. Dat maakt het accepteren door het wetenschappelijk forum van kennisclaims een stuk lastiger, vergeleken met onderzoek dat met gebruik van een breed aanvaarde methodologie tot stand is gekomen.


Het vertrekpunt van het constructivisme heeft ook gevolgen voor het psychiatrisch onderzoek. Om aan de eisen van wetenschappelijk verantwoord onderzoek te doen wordt de wereld gereduceerd tot een kenbare en onderzoekbare wereld. Wetenschapsbeoefening veronderstelt precisie en systematiek. Precisie houdt in dat heel nauwkeurig wordt aangegeven welke begrippen worden gehanteerd en hoe die zijn gedefinieerd. Hoe nauwkeuriger de definitie, des te groter de reductie. We kunnen vervolgens met behulp van de waarschijnlijkheidsleer uitspraken doen over de relatie tussen twee of meer parameters. Een eerste gevolg daarvan is dat het toepassingsgebied van verworven kennis kleiner wordt naarmate de condities waarbinnen het onderzoek is uitgevoerd nauwkeuriger zijn geformuleerd. Vertaling naar en toepassing in de praktijk is dan lastiger.


Een tweede punt is dat een statistisch betrouwbare relatie nog niet betekent dat ons inzicht is toegenomen. Een relatie betekent niet noodzakelijkerwijs dat er sprake is van een causaal verband en geeft ook geen inzicht in de vraag op welke wijze beide parameters samenhangen. De hypothese en de onderliggende redenering is strikt genomen slechts een mentale constructie over een mogelijke relatie. Wordt de in de hypothese veronderstelde relatie bevestigd, dan wil dat nog niet zeggen dat ook de daaraan ten grondslag liggende redenering wordt bevestigd. Feitelijke uitkomsten uit onderzoek zijn nog geen garantie dat ons inzicht is toegenomen.


Natuurlijk hoeft dat niet noodzakelijkerwijs een probleem te zijn. Een probleem ontstaat pas wanneer relevante aspecten en verschijnselen buiten beeld blijven en binnen gemaakte afspraken niet kunnen worden gethematiseerd. In het bijzonder binnen de psychiatrie is deze vraag aan de orde. Het gaat er immers om betekenisgeving door een patiënt en de processen van betekenisgeving te leren kennen. Het risico bestaat dat als gevolg van de voorgeschreven onderzoekaanpak de werkelijkheid (in dit geval het beeld dat de patiënt zich daarvan heeft gevormd) slechts voor een deel aandacht krijgt, namelijk voor zover die past binnen het vooraf geconstrueerde onderzoekkader. In wezen is men dan niet geïnteresseerd in het perspectief van de patiënt maar stelt men de eigen onderzoekbenadering voorop. Dat laatste fungeert als toetssteen en aambeeld. De wereld dient samen te vallen met het betekeniskader dat men zelf vooraf heeft samengesteld. Hoenders e.a. (2006) stellen dat onderzoek in de reguliere geneeswijzen grotendeels is gebaseerd op positivisme, reductionisme, objectivisme

en determinisme. Er wordt gestreefd naar standaardisatie en generalisatie. Voor subjectieve beleving is doorgaans weinig ruimte. Een rationeel-analytische benadering kan zo gemakkelijk op gespannen voet staan met onderzoek naar gevoel en beleving. Door aspecten te onderkennen aan boosheid ontneem je het wezen aan boosheid. Argumenten, hoe rationeel ook, hebben geen werking wanneer men depressief is. Door te redeneren over angst doe je geen recht aan het wezen van angst. Anders gezegd, er bestaat spanning tussen een rationeel-klinische benadering en het kenobject van de psychiatrie.


Een andere factor binnen psychiatrisch onderzoek vormt het begrippenapparaat. Binnen iedere wetenschappelijke discipline is er de noodzaak van algemeen aanvaarde, heldere en communiceerbare begrippen en definities. Een gedeeld en aanvaard begrippenapparaat stelt in staat tot betekenisvolle communicatie en voorkomt permanent misverstaan. Met de vaststelling van (opeenvolgende edities van) het DSM is op dat terrein een belangrijke stap gezet. Maar tegelijkertijd is er ook een keerzijde. De definitiefase wordt doorgaans beschouwd als de eerste fase van ontwikkeling van een wetenschappelijke discipline. Het gaat dan om duiding van het aandachtsgebied, de vragen die centraal staan en daaraan gekoppeld de terreinafbakening ten opzichte van andere disciplines. Maar een gedeelde set van definities houdt ook een risico in. Definities zijn bepalend voor de wijze waarop vanuit het wetenschapsterrein naar de werkelijkheid wordt gekeken. Wat binnen de definities past is relevant en verschijnselen die daarin niet passen blijven buiten beeld. De nieuwe discipline is er niet ontvankelijk voor. Dit probleem is extra relevant wanneer een wetenschapsterrein nog volop in ontwikkeling is en er sprake is van een nog onontgonnen onderzoeksveld. Dan bestaat het gevaar dat men probeert inzicht te verwerven met behulp van begrippen die "per definitie" daartoe niet in staat stellen. Voor de psychiatrie is in dit verband van belang dat de begrippen zoals verwoord in het DSM slechts deels zijn gebaseerd op verworven inzicht en voor een groot deel het resultaat vormen van aanvaarde definities op basis van waarneembare kenmerken. Onze kennis van de onderliggende processen van psychiatrische aandoeningen is nog beperkt. Dat houdt het risico in dat bij onderzoek niet het mensbeeld van de patiënt voorop staat maar een extern geconstrueerd betekeniskader met de daarbij behorende schemata. Aanvaarde definities zijn slechts in beperkte mate dragers van kennis en inzicht. Verdere detaillering van definities betekent niet automatisch verdieping van inzicht.

Wat opvalt is verder dat er binnen de psychiatrie veel waarde wordt toegekend aan formeel-wetenschappelijke kennis en veel minder aan ervaringskennis. Mensen in de omgeving van patiënten beschikken over veel kennis maar vervullen binnen het kennissysteem (nog steeds) een zeer ondergeschikte rol. De psychiatrische zorg functioneert als een professioneel systeem dat weinig toegankelijk is voor derden. Ervaringskennis, bijvoorbeeld van familie van een patiënt, heeft een lage status. Het is lastig om van buiten uit door te dringen tot het professionele systeem. De toegankelijkheid is laag. De merkwaardige situatie doet zich voor dat kennis binnen de psychiatrische zorg gebrekkig is terwijl tegelijkertijd slechts matig gebruik wordt gemaakt van beschikbare kennis rond patiënten.

· De relatie met de buitenwereld

Hoe een systeem functioneert is niet enkel afhankelijk van de interne dynamiek maar ook van de relaties met de buitenwereld. Dat geldt ook voor het psychiatrisch zorgsysteem. Om de invloed van externe systemen te kennen en begrijpen moeten we ons verdiepen in de vraag wat er gebeurt op het breukvlak tussen systemen. We gaan achtereenvolgens in op het breukvlak tussen psychiatrisch zorgsysteem en de overheid en het psychiatrisch zorgsysteem en de omgeving van de patiënt.

1. De relatie met de overheid

Er is nauwelijks een betekeniskader zo gedetailleerd uitgewerkt als dat binnen de overheid. Iedere wet of verordening begint doorgaans met een artikel waarin met veel gevoel voor detail begrippen worden omschreven. Wat wordt verstaan onder “verplichte zorg”, een “crisismaatregel”, een “zorgverantwoordelijke” enz. Die definities vormen samen het perspectief, de bril, waarmee de maatschappelijke werkelijkheid voor de overheid betekenis krijgt. Binnen het betekeniskader van de overheid is er geen plaats voor onzekerheid. Situaties waarin sprake is van gebrek aan kennis of onvermogen passen niet goed in dat model. De wereld wordt gereduceerd tot een kenbare en beïnvloedbare wereld. Terwijl voor burgers onvermijdelijk het moment kan komen dat men de werkelijkheid onder ogen moet zien, geldt dat niet voor de overheid. De overheid verkeert in een positie dat de eigen definities dwingend aan de maatschappij kunnen worden opgelegd. De macht van de overheid is in wezen definitiemacht. De maatschappelijke werkelijkheid wordt zodanig gereduceerd dat deze past binnen het overheidsperspectief. Op papier is alles in orde. Situaties, problemen enz. die buiten het overheidsperspectief vallen zijn voor de overheid “per definitie” betekenisloos. Risico daarvan is dat de overheid contact verliest met de buitenwereld en geen oog meer heeft voor wat burgers bezig houdt. Er is teveel werkelijkheid die niet binnen het beleidskader valt. Zo kan de overheid een situatie als verkeersveilig benoemen terwijl er in de beleving van burgers sprake is van een extreem onveilige situatie. Situaties worden gereduceerd en zodanig gedefinieerd dat ze oplosbaar zijn. Problemen worden als het ware “weggedefinieerd”. Problemen die niet oplosbaar zijn vallen buiten het perspectief en bestaan als het ware niet. Voor de overheid is dat een buitengewoon comfortabele positie. De buitenwereld wordt aangepast aan de wereld van de overheid.

Overheid en psychiatrie krijgen steeds meer met elkaar te maken. Er is sprake van onderlinge afhankelijkheden. Hoewel er voorbeelden zijn van het omgekeerde (denk aan psychiatrisch onderzoek van verdachten in strafrechtzaken) kan in het algemeen worden gesteld dat het psychiatrisch systeem zich ten opzichte van de overheid in een afhankelijk positie bevindt. Voor zover belangen gelijk oplopen hoeft afhankelijkheid niet noodzakelijkerwijs problemen op te leveren. Dat ligt anders wanneer belangen verschillen. De afhankelijke partij verkeert dan in een ongunstige positie.

Wat is het gevolg wanneer twee domeinen met onderling afwijkende betekeniskaders met elkaar communiceren en het ene domein systeem het eigen betekeniskader kan opleggen aan het andere domein? Het risico bestaat dat problemen zoals ze binnen een domein worden beleefd niet aan bod komen. Zo kan de problematiek binnen de psychiatrische zorg worden gereduceerd tot een financieel vraagstuk. Dat biedt de mogelijkheid voor het sluiten van compromissen over vraagstukken, bijvoorbeeld maatwerk voor psychiatrische patiënten, die zich niet lenen voor compromissen. Compromissen, bijvoorbeeld over financiële middelen, zijn dan een armoedige oplossing van een in wezen uitdagend en inspirerend probleem.

2. De relatie met de omgeving van de patiënt

Wie met het psychiatrisch zorgsysteem in aanraking komt, bijvoorbeeld omdat een naaste relatie met psychiatrische aandoening te maken krijgt, ervaart doorgaans een gesloten systeem dat weinig informatie prijsgeeft. Men verkeert in een afhankelijke positie. Er is niet zelden sprake van grote terughoudendheid om naasten van patiënten te informeren. Er wordt zeer nadrukkelijk afstand bewaard waarbij het lastig is te constateren of dat uit gebrek aan interesse is of omdat protocollen mogelijk voorschrijven om afstand te houden. Voor zover naasten worden geïnformeerd gebeurt dat vaak in algemene of in lastig te doorgronden termen. Men wordt er niet erg wijzer van wanneer men verneemt dat een naaste kenmerken vertoont van “een depressie met kenmerken van een psychose”. Men wil de beste zorg voor iemand die je dierbaar is maar wordt geconfronteerd met een systeem dat gekenmerkt wordt door onafhankelijkheid en afstandelijkheid.

· De noodzaak van systeemveranderingen

Iedere vorm van organisatie betekent reductie. Iedere organisatorische regel kan worden opgevat als een uiting van zingeving/betekenisverlening. Het is gestolde betekenisgeving, het resultaat van processen van betekenisgeving. De werkelijkheid wordt gereduceerd tot een organiseerbare werkelijkheid. Wat niet organiseerbaar is, wordt als betekenisloos terzijde geschoven, niet met opzet maar als feitelijk effect. Gaandeweg gaan we een set van betekenissen opvatten als de werkelijkheid en gaan we eraan voorbij dat we functioneren binnen een geconstrueerd beeld van de werkelijkheid die we ook op geheel andere wijze betekenis kan worden gegeven. Die reductie kan zo ver gaan dat er veel werkelijkheid, preciezer geformuleerd constructies van de werkelijkheid, buiten beeld blijven. Dat betekent ook dat veel van wat betekenisvol kan zijn voor mensen buiten beeld blijft. Dat geldt zeker wanneer er binnen een systeem sprake is van zeer ver doorgevoerde organisatie. Denk bijvoorbeeld aan gedetailleerde protocollen die niet zozeer zijn verankerd in kennis en inzichten maar voor een belangrijk deel het karakter hebben van afspraken. Gevolg kan zijn dat een systeem een eigen wereld, een eigen werkelijkheid, creëert waarbinnen men zich bezighoudt met vraagstukken die binnen het intern geldend betekeniskader zeer gewichtig worden geacht maar die in de wereld buiten het systeem weinig relevantie hebben. Of omgekeerd: er zijn vraagstukken aan de orde waarvoor een systeem niet ontvankelijk is omdat ze niet betekenisvol kunnen worden gethematiseerd. Ook wanneer mensen binnen een systeem daar oog voor hebben betekent dat allerminst dat hier aandacht voor is. Een betekeniskader, een frame, kan binnen een organisatie zo krachtig zijn dat het “not done” is er buiten te treden. Voor wie kritisch is resteert dan vaak slechts geldende routines te volgen, ook al zijn die voor betrokkenen betekenisloos. Men bevestigt in zijn gedrag symbolisch de voorschriften; activiteiten krijgen een ritueel karakter. Het omgekeerde kan ook, namelijk dat buiten het eigen domein problemen worden ervaren die betekenisloos zijn binnen het systeem.


Zowel voor het psychiatrisch zorgsysteem als voor de overheid geldt dat er in termen van betekenisverlening sprake is van ferme reductie. In beide systemen is sprake van perspectieven die het waarnemingsvermogen beperken. Structuren, routines en vooronderstellingen maken het niet eenvoudig om het dominante perspectief te verbreden. Nemen we de overheid als voorbeeld. In plaats van perspectiefverbreding is het eerder zo dat het overheidsperspectief steeds nauwer wordt. Nieuwe regels moeten worden ingepast binnen bestaand beleid. Maar ook voor verandering van beleid gelden strakke regels. Bovendien moet iedere maatregel voldoen aan beginselen van behoorlijk bestuur. Verder vormt jurisprudentie dagelijks bron voor nieuwe interpretaties van beleidsregels. Ook speelt mee dat het formele zingevingskader sterk geïnstitutionaliseerd is. Kortom, de reductie wordt steeds groter en verandering steeds lastiger. Gaandeweg raakt de overheid verstrikt in het eigen beleid en wordt de overheid de gevangene van zichzelf. Het beleidsnetwerk raakt in zichzelf gekeerd. Het is voorgeprogrammeerd op instandhouding en zelfs vergroting van problemen in plaats van gericht te zijn op het zoeken naar en werken aan oplossingen.


Gevolg van lastig veranderbare perspectieven is dat er weliswaar ruimte is voor veranderingen binnen het systeem maar niet voor veranderingen van het systeem. Dat houdt het risico in dat de werkelijke problemen onzichtbaar blijven en dat slechts de gevolgen ervan als symptomen aan de oppervlakte komen. Zo helpen wijzigingen binnen een gedetailleerd uitgewerkt protocol niet wanneer het protocol is gebaseerd op veronderstellingen en uitgangspunten die een deugdelijke onderbouwing missen. Systeemproblemen worden afgewikkeld dan alsof het om operationele problemen handelt. De echte problemen worden zo “georganiseerd” in stand gehouden. Het gaat “systematisch” fout. Oplossingen hebben geen werking maar creëren slechts de illusie van een oplossing. Dat laatste is een probleem omdat men geen verdere aanleiding ziet de onderliggende systeemvragen onder ogen te zien. Wat plaatsvindt heeft het karakter van wat in het schaakspel bekend staat als een herhaling van zetten: veel beweging op het bord maar geen wezenlijke verandering.


Nu onze kennis omtrent het functioneren van de psyche beperkt is en de aard van de kennisvragen multidisciplinair van karakter is, is er reden om het kennissysteem binnen de psychiatrie fundamenteel tegen het licht te houden. Herwaardering van ervaringskennis lijkt daarbij aan de orde alsmede vernieuwende vormen van discipline-overstijgende onderzoekprogramma’s. dat vereist een open functionerend kennisnetwerk, geen starre kaders en geen claims van professionaliteit die niet deugdelijk zijn of kunnen worden onderbouwd.

Er is een dringende behoefte aan een systeemanalyse waarbij zowel de functies binnen het psychiatrisch zorgsysteem zelf onderwerp van analyse vormt als de wijze waarop het psychiatrisch systeem externe relaties onderhoudt.


· Condities voor systeemverandering


Een dergelijke analyse vereist als eerste stap dat het betekeniskader binnen een domein expliciet wordt benoemd en dat zekerheden en veronderstellingen worden geuit en tot onderwerp van gesprek worden. Wat is de ratio onder ons gedrag? Dat stelt in staat het functioneren van het eigen systeem en het eigen gedrag te begrijpen. In het verlengde daarvan is nodig dat gelijksoortige exercities worden gedaan in relatie met externe partijen.


Er is behoefte aan een gedegen systeemanalyse die kan uitmonden in een conceptueel “systeemakkoord” waarin deelnemende partijen veranderingsopgaven benoemen, een veranderingsstrategie formuleren en de intentie uitspreken daaraan te gaan werken. Een dergelijke systeemanalyse is slechts nuttig wanneer daarbij volop de ruimte bestaat om onderling verschillende en zelfs tegengestelde probleemdefinities op tafel te krijgen. Vanuit een constructivistisch perspectief gaat het immers niet om de problemen zoals ze zijn, maar hoe ze worden beleefd en betekenis krijgen. Voor een dergelijke analyse is nodig dat alle betrokken partijen bereid zijn tot perspectiefwijziging en vanzelfsprekendheden op te geven. Op het vlak van onderlinge communicatie houdt dat in dat men zich in elkaars betekeniskaders verdiept en op basis daarvan tot een constructieve dialoog komt. (Lems e.a.) Met name voor de overheid is dat een lastige opgave omdat definities zoals die in het beleid vastliggen dat verhinderen. Er is als het ware een by-pass-constructie nodig waarbij ruimte wordt gecreëerd om naar oplossingen te zoeken, ook als die haaks staan op geldend beleid. (Wagemans, 2012). In plaats van de werkelijkheid te dwingen in nauwsluitende beleidskaders is een pluriforme benadering nodig waarin tegelijkertijd meerdere “werkelijkheden” naast elkaar kunnen bestaan. Een ingrijpender verandering is nauwelijks denkbaar. Deze benadering staat haaks op de neiging tot standaardisatie en ordening die thans het paradigma vormt voor zowel de psychiatrische zorg als de overheid en die problemen eerder koestert dan oplost. Een systeemanalyse veronderstelt bereidheid en ruimte voor kritische inbreng waarbij kritiek op een bestaand systeem geen doel is maar opstap moet zijn naar nieuwe perspectieven die tot nieuwe probleemopvattingen leiden.


Vanuit de psychiatrie zal de bereidheid tot transparantie nodig zijn en zal een realistisch beeld moeten worden geschapen, ook met betrekking tot eigen onvermogen. Ook zal de houding van professionaliteit ten opzichte van de buitenwereld moeten worden afgelegd omdat deze verhindert dat bestaande overtuigingen, perspectieven, analyses en handelingspatronen onderwerp van kritische reflectie worden. Dat vraagt een verkennende en belangstellende houding binnen de beroepsgroep.

Een open houding zonder vooringenomenheid is, zo leert de ervaring in andere sectoren, enkel mogelijk wanneer die plaatsvindt buiten de belangenstructuur zoals die thans functioneert. Belangen en posities vormen uitdrukking van de bestaande context en belemmeren doorbraken. Ze leiden hooguit tot marginale veranderingen die het werkelijke probleem onaangetast laten. Men reproduceert het verleden in plaats van de toekomst te ontwerpen. Om dat te voorkomen is belangrijk dat bij de aanvang van een veranderingstraject deelnemers met elkaar delen wat hen inspireert tot deelname maar ook hoe groot de ontwerpruimte voor een nieuw psychiatrisch zorgsysteem mag zijn. Wat mag onderwerp van discussie worden en wat niet? Een systeeminnovatief proces wordt voortbewogen door energie en inspiratie van deelnemers en niet door bestaande belangen en bevoegdheden. Dat kan uitmonden in een inspirerend document waarin ambitie en aanpak worden vastgelegd. Een dergelijk startdocument is belangrijk als baken in het verder proces en kan diensten bewijzen wanneer het proces stokt of bijvoorbeeld de inspiratie uit een proces wegvloeit als gevolg van bijvoorbeeld belangentegenstellingen.

Belangrijk is ook dat maximaal de ruimte wordt geboden voor inbreng van alle betrokkenen. Wat zijn de ervaringen die men heeft? Tegen welke problemen loopt men aan? Dat pleit voor een proces met volop actieve deelname van zowel hoogleraar als praktisch hulpverlener, van beleidsambtenaren en financiers, van zowel patiënten als mensen uit hun omgeving. Een proces waarin men tegelijkertijd met de laarzen in de modder staat en met het hoofd in de hemel denkt. Een dergelijk traject zou niet alleen de psychiatrie vooruit kunnen helpen maar ook een buitengewoon spannend experiment zijn voor de overheid met een andere wijze van beleidsvorming. De belangrijkste voorwaarde voor een goede start is of er voldoende inspiratie aanwezig is om ongebaande paden te verkennen.

De ervaring toont dat ook een proces van systeemvernieuwing kan vastlopen in een woud van regels en structuren die weliswaar bedoeld zijn om vernieuwing te faciliteren maar die tegelijkertijd heel gemakkelijk een remmende uitwerking kunnen krijgen. In plaats daarvan is nodig dat er niet alleen ruimte is voor uiteenlopende en zelfs tegengestelde visies maar ook de bereidheid dergelijke visies op hun consequenties en werking te onderzoeken. Dat vraagt een lerende in plaats van een (ver)oordelende houding zodat een traject niet vastloopt in tegenstellend denken dat splitsend werkt in plaats van verbindend.

***********************************************




In de Limburgse kranten verscheen op 15 januari 2014 onderstaande opiniebijdrage over vrijheid van meningsuiting.


Geen vrijbrief om te kwetsen


Wereldwijd is met afschuw en verachting gereageerd op de gebeurtenissen in Parijs. Ook in tal van Limburgse gemeenten is daar uitdrukking aan gegeven. Dat is een goed teken. Het geeft aan dat wij vrijheid van meningsuiting een groot goed vinden. We komen in actie wanneer die vrijheid plotseling niet meer vanzelfsprekend blijkt te zijn. We vinden dat in een open samenleving ieder de ruimte moet hebben opvattingen naar voren te kunnen brengen, ook als die organisaties, bestuurders of andere burgers onwelgevallig zijn. Dat is een grote verworvenheid ten opzichte van vroegere situaties waarin men gevaar liep wanneer men zich bijvoorbeeld kritisch uitte tegenover machthebbers. Helaas is dat nog in veel landen dagelijkse praktijk. Graag profileren we ons naar andere landen met onze verworvenheden.

Wat de afgelopen dagen onderbelicht is gebleven is de vraag of ook de vrijheid van meningsuiting zijn grenzen kent of zou moeten kennen. In het strafrecht zijn er regels omtrent strafbare belediging. We mogen discussiëren op het scherpst van de snede maar er is geen ruimte om anderen te beledigen, bijvoorbeeld door onwaarheden over iemand te vertellen. Ook vinden we dat er ruimte moet zijn voor satire. In onze regio hebben we daar goede ervaringen mee. Zie het Carnaval wat van oudsher een gelegenheid is om bijvoorbeeld uiting te geven aan kritiek op autoriteiten. Overigens is ook daarbij sprake van grenzen. Zo komt het regelmatig voor dat deelnemers worden geweerd uit de optocht omdat men onnodig en overdreven kwetsend is.

Actueel is thans de vraag hoe vrijheid van meningsuiting zich verhoudt tot godsdiensten en de uitoefening ervan. Naast vrijheid van meningsuiting hebben we vrijheid van godsdienst. Dat betekent dat ieder zijn eigen geloof mag aanhangen en uiten. Vrijheid van meningsuiting houdt tegelijkertijd in dat we ook de ruimte hebben onze opvattingen over andermans godsdienst te uiten. We mogen kritiek hebben op de wijze waarop die is georganiseerd en functioneert. Zie het misbruikschandaal in de katholieke kerk in Nederland. Of de kritiek op Islamitische Staat. We staan niet toe dat onder de vlag van een godsdienst misdrijven worden gepleegd. Maar ook hierbij is de vraag aan de orde of die uitingsvrijheid beperkingen kent of zou moeten kennen. Mogen we ook zover gaan dat we instituties, geloofsuitingen en godsbeelden belachelijk maken? Mogen we gelovigen intens kwetsen door de draak te steken met wat betekenisvol is voor hen? En waarom zouden we dat moeten willen? Welk doel is daarmee gediend, anders dan het kwetsen van mensen? Wat heeft kwetsen en beledigen met vrijheid van meningsuiting te maken? Zijn we minder vrij wanneer we anderen niet mogen kwetsen door hun godsdienst te beledigen? Vrijheid van meningsuiting kan geen legitimatie zijn om iedere vorm van respect terzijde te schuiven.

Er bestaat een merkwaardige spanning tussen vrijheid van meningsuiting en verdraagzaamheid. Onvoorwaardelijk kiezen voor vrijheid van meningsuiting betekent dat de verdraagzaamheid tot het uiterste wordt opgerekt. Dan kunnen we ons onbeperkt permitteren anderen te schande te maken omdat zij zich immers verdraagzaam dienen op te stellen. Verdraagzaamheid wordt dan merkwaardig en eenzijdig ingekleurd. Wie gekwetst wordt dient verdraagzaam te zijn. Voor wie anderen kwetst geldt dat dan blijkbaar niet.


Thieu Wagemans is Raadslid in Leudal

*********************************************************************************************************************

Op 26 november 2014 plaatste Dagblad Trouw onderstaande opiniebijdrage over de spanning tussen rechtspraktijk en rechtsgevoel.

Ophef over Taakstraf is Signaal aan de Politiek


De recente veroordeling van een Poolse chauffeur in verband met het aanrijden van drie personen met dodelijke afloop heeft tot veel reacties geleid. Velen vinden dat hun rechtsgevoel is beschaamd. De Rechtbank stelt daarentegen dat niet het wettelijk en overtuigend bewijs is geleverd dat de chauffeur te hard reed. Als gevolg daarvan wordt een taakstraf van 120 uur als een juiste strafmaat gezien.


Los van de feitelijke toedracht geven de reacties ook iets anders aan. Dat heeft te maken met het feit dat ook in deze zaak het feitelijk handelen van rechters niet blijkt aan te sluiten bij wat burgers rechtvaardig vinden. Op zichzelf is het logisch en correct dat rechters zich niet mogen laten leiden door gevoelens van burgers. Rechters dienen immers te toetsen aan de wet en we hebben nu eenmaal geen “Verordening Rechtsgevoel van Burgers” waarmee besluiten van rechters in overeenstemming moeten zijn. Maar er valt meer over te zeggen. In alle objectiviteit kunnen we ook stellen dat ons juridisch systeem is losgezongen van de praktijk zoals die door burgers wordt beleefd. Binnen het rechtssysteem is gaandeweg een eigen wereld ontstaan waarin feiten en situaties geheel anders worden geinterpreteerd dan wat burgers voor “normaal” houden. De juridische werkelijkheid wijkt aanzienlijk af van de alledaagse werkelijkheid waarin burgers leven.


Bovendien is de juridische werkelijkheid buitengewoon ingewikkeld. Zonder juridsiche bijstand krijgt men nauwelijks een voet aan de grond. Wat juridisch van doorslaggevend belang is, kan geheel betekenisloos zijn voor burgers. Men heeft daarom specialisten nodig die de eigen rationaliteit van het juridisch systeem doorgronden en die bijgevolg weten hoe het juridisch spel moet worden gespeeld: welke feiten doen ertoe, welke feiten kunnen beter worden verzwegen en welke beweringen kunnen juridisch gewicht in de schaal leggen? De wijze waarop we binnen ons rechtssysteem het beginsel van gerechtigheid hebben uitgewerkt kan ertoe leiden dat de rechtspraktijk geen recht meer doet aan het rechtsgevoel. Rechtvaardigheid is een kwestie geworden van vaardigheid in het recht. Er wordt op weinig plaatsen zoveel gelogen en gezwegen als in rechtszalen.


Aan rechters is het vervolgens om te oordelen. Daarbij zijn zij gehouden aan nauwe regels die deels voorkomen uit de rechtspraktijk zelf. Het domein van de rechtspraak is een wereld op zichzelf geworden. Basis voor onze rechtspraak is de scheiding der machten. Politici hebben zich niet te bemoeien met hoe rechters oordelen. Binnen de politiek betekent het feit dat “een zaak onder de rechter is” dat men zich van ieder oordeel dient te onthouden. Tegelijkertijd zijn politici diegenen die regels vatstellen. Zij bepalen aan welke regels rechters moeten toetsen. Zij kunnen dus ook regels aanpassen wanneer zij constateren dat de rechtspraktijk te ver is komen af te staan van wat maatschappelijk als rechtvaardig wordt beoordeeld. Dat geldt niet enkel voor het strafrecht. Ook het bestuursrecht geeft tal van voorbeelden waarbij een burger die zich dure juridische bijstand kan permitteren een vergunning krijgt die andere burgers wordt onthouden. Of een overheidsbesluit wordt vernietigd omdat een ogenschijnlijk onbeduidend detail naar het oordeel van een rechter tot verrassing van velen doorslaggevend wordt geacht.


Een situatie waarin rechtspraak niet meer aansluit bij wat in de samenleving als rechtvaardig wordt beoordeeld is bij uitstek een politiek vraagstuk. Scheiding van de rechtsprekende, wetgevende en uitvoerende macht wordt te makkelijk door politici aangegrepen om zich niet met een zaak bezig te houden. Sterker nog, het is hoog tijd voor een maatschapelijk debat over de vraag of ons rechtssysteem nog wel aansluit bij beleving door burgers. Het vraagt lef van politici om zich intensiever met het functioneren van ons rechtssysteem te gaan bemoeien en niet te volstaan met enkel wat gemorrel in de kantlijn door een of andere procedure iets aan te passen. Lef is bij uitstek een kwaliteit die politici dienen te hebben, in tegenstelling tot rechters die zich aan de regels hebben te houden.


Thieu Wagemans is raadslid in Leudal voor de politieke partij Ronduit Open



***********************************************************************************************************

Op 12 november 2014 verscheen de onderstaande opiniebijdrage in de Limburgse kranten over de functie van kleine politieke partijen. Ze houden grote partijen wakker door de gebreken in ons politieke systeem bloot te leggen.


Kleine politieke partijen verwoorden wat onder kiezers leeft

Ze hebben een belangrijke functie als luis in de pels

Vanuit het CDA is het voorstel gedaan kleine partijen voortaan te weren uit de Tweede Kamer. Als argument wordt aangevoerd dat kleine partijen de besluitvorming belemmeren, dat men aan goedkoop populisme doet enz. Zeker zal ook meespelen dat men het lastig vindt wanneer nieuwe partijen met nieuwe gezichtspunten tot het parlement doordringen. Wanneer zij voldoende steun krijgen betekent dit dat een belangrijk aantal kiezers zich niet (goed) meer vertegenwoordigd voelt door bestaande partijen. Maar er valt meer over te zeggen.

We hebben een politiek systeem dat in menig opzicht grote gebreken vertoont. Velen hebben het vertrouwen in de politiek verloren. Burgers worden niet meer gehoord of worden in verkiezingstijd met zalvende oproepen tot stemmen verleid waarna het spel na de verkiezingen weer gewoon doorgaat. Een van de problemen is dat het politieke systeem onvoldoende ontvankelijk is voor wat burgers bezighoudt. Problemen zoals burgers die ervaren krijgen geen echte aandacht. Regelgeving is zo ingewikkeld gemaakt dat verandering nauwelijks mogelijk is. De overheid is de gevangene van zichzelf geworden. Steeds weer worden juridische en andere redenen opgeworpen waarom niet tegemoet kan worden gekomen aan wensen van burgers. Wie bezwaar wil maken moet zich verzekeren van juridische bijstand omdat je anders als burger geen voet aan de grond krijgt of al gauw op het verkeerde been wordt gezet. Je bent niet ontvankelijk of je argumenten zijn ongegrond. Het leidt tot toenemende frustratie bij burgers en velen keren de politiek de rug toe.

Nu het politieke systeem in menig opzicht ziende blind en horende doof is voor wat burgers bezig houdt, zijn kleine en nieuwe partijen belangrijk omdat die verwoorden wat onder burgers leeft maar waarvoor de grote partijen doof zijn. Dat kunnen ook partijen zijn die slechts een enkel aandachtspunt hebben. De Partij voor de Dieren heeft dierenwelzijn onder de aandacht gebracht. De Ouderenpartij doet datzelfde met betrekking tot de problemen van ouderen. Zo zou ook een partij kunnen wordt opgericht die zich sterk maakt voor veiligheid op straat en een stevige aanpak van criminaliteit. Natuurlijk kan een land niet worden bestuurd door partijen die slechts aandacht hebben voor een enkel probleem. Maar de betekenis van kleine partijen is heel anders. Ze zetten problemen op de agenda die door de grote partijen niet serieus worden genomen. Of ze maken duidelijk dat zogenaamde oplossingen geen enkel effect hebben, ook al zijn politici in staat dat met mooie woorden toe te dekken. Een tweede bestaansrecht van kleine partijen is dat ze kunnen dwingen tot verdieping en doorbreking van oppervlakkigheid. Een voorbeeld vormt de overgang naar een zelfverantwoordelijke participatiemaatschappij. De illusie overheerst dat dit mogelijk is door te korten op overheidsbijdragen en veel communicatie. In wezen is aan de orde dat een zelfverantwoordelijke samenleving dwingt tot vormen van verplichtend burgerschap. Dat is een ingrijpende verandering. Immers, vele decennia zij burgers door politieke partijen bevestigd in vrijblijvendheid en calculerend gedrag. Te gemakkelijk en te kritiekloos namen politieke partijen wensen over zonder burgers op eigen verantwoordelijkheid aan te spreken. Dat verander je niet door regels aan te passen maar vraagt een fundamentele heroverweging van burgerschap.

Kleine partijen hebben een functie om duidelijk te maken wat de grote partijen laten liggen, hun onvermogen te illustreren en duidelijk te maken dat bestaande routines noodzakelijke veranderingen in de weg staan. Het kan lastig en vervelend zijn wanneer de werkelijkheid doordringt tot de vergadertafels. Systemen zijn er doorgaans op gericht zichzelf in stand te houden. Het politieke systeem kan zich dat ook heel goed permitteren. Men bepaalt immers zelf of wetten en regels wel of niet worden aangepast. Dat is een luxepositie. Macht is vanzelfsprekend en er is geen reden, laat staan een dwang, om tegengeluiden serieus te nemen.

Het CDA-voorstel illustreert treffend het grote drama van de Nederlandse politiek. In plaats van het probleem serieus te nemen dat men gaandeweg het vertrouwen verliest van burgers, kiest men ervoor het probleem uit de weg te gaan. De houding is dat wat niet op de vergadertafel komt, niet bestaat. Men creëert een eigen wereld en overtuigt elkaar van het eigen gelijk. Het is in wezen een houding van arrogantie. Men kan blijven doorgaan op de oude weg en de oude belangenstructuren in stand houden. In plaats van problemen op te lossen worden de problemen zo georganiseerd in stand gehouden. Velen hebben er belang bij en danken er hun loopbaan aan.

******************************************************************************************************************

Op 24 juni 2014 plaatsten de Limburger en Limburgs Dagblad een opiniebijdrage met als titel: NIEMAN VERANTWOORDELIJK, de samenleving heeft zijn eigen onmacht uitstekend georganiseerd

NIEMAND VERANTWOORDELIJK, de samenleving heeft zijn eigen onmacht uitstekend georganiseerd

Na het uitbreken van de Franse Revolutie moest er een besluit worden genomen over het lot van de afgezette Koning Lodewijk XVI. Een van de jonge leden van de Nationale Conventie, Saint-Juste, oordeelde dat Lodewijk als koning had geregeerd en alleen al daarom schuldig was. Lodewijk eindigde op het schavot. De redenering was dat als je hebt geregeerd je dus ook verantwoordelijk bent. Dat was nogal kort door de bocht.

Hoe anders is dat in de huidige samenleving. Bestuurders van zorgorganisaties, onderwijsinstellingen en woningcorporaties ontvangen enorme salarissen, zelfs wanneer ze de eigen organisatie aan de rand van de afgrond hebben gebracht. Velen zijn van mening dat het moreel volstrekt verwerpelijk is wat er gebeurt. Mensen worden ontslagen om de kosten te drukken en de bestuurders verhogen hun toch al zeer riante salarissen. Hoe is zoiets mogelijk? Er is immers een Raad van Toezicht, er zijn commissarissen, er zijn inspecteurs en procedures. Medewerkers houden vaak hun mond omdat ze, zeker in onzekere tijden, niet het risico willen lopen van represailles. Vaak verdedigen bestuurders zich met het argument dat formeel alles in orde is omdat besluiten langs de aangewezen weg tot stand zijn gekomen. De bankwereld laat eenzelfde beeld zien. Met overheidsgeld moesten banken worden gered nadat te grote risico’s waren genomen. Men sprak er schande van. Nauwelijks enkele jaren later blijkt men niets te hebben geleerd. Het gebruik om zeer aanzienlijke bonussen te verstrekken aan bestuurders boven op de toch al zeer hoge salarissen is weer staande praktijk. Men kan het zich permitteren door te gaan op een weg die alom wordt afgekeurd.

De vraag is hoe deze praktijken kunnen voortduren terwijl ze toch in brede kring worden afgekeurd. Hoe komt het dat velen worden betaald om controle uit te oefenen maar kennelijk niet bereid of in staat zijn om in te grijpen? Het antwoord is dat we onze maatschappij zodanig hebben georganiseerd dat we niet meer in staat zijn tot verandering. Zo verschuilen politici zich vaak achter het argument dat organisaties een eigen verantwoordelijkheid hebben en dat ingrijpen in strijd is met geldende regels. Hard ingrijpen om die regels en verantwoordelijkheden te veranderen gaat men uit de weg. Of men wenst liever niet partijgenoten voor de voeten te lopen die na een politieke loopbaan de overstap hebben gemaakt naar goedbetaalde functies in zorg, onderwijs en woningbouw. Ingrijpende veranderingen lopen vast in partijpolitieke loopgraven. Parlementaire enquêtes geven een schrijnende praktijk aan maar echte verandering blijft uit. Het systeem houdt zichzelf in stand. Steeds weer vullen voormalige politici hun doorgaans toch al aanzienlijke pensioen aan met allerlei opdrachten die ze krijgen van partijgenoten. Er is sprake van een netwerk waarin men elkaar de bal toespeelt in de hoop en verwachting ook zelf eens de geneugten ervan te mogen ervaren. Ook van rechters hoeft men geen verandering te verwachten. Zij mogen immers besluiten slechts toetsen aan geldende regels en zolang die niet worden gewijzigd zal er niets veranderen. Het komt erop neer dat niemand meer aanspreekbaar is op verantwoordelijkheid. Zolang je netjes het spel meespeelt kun je iedere verantwoordelijkheid uit de weg gaan. We hebben de eigen onmacht uitstekend georganiseerd. En wie zich daartegen verzet kan erop rekenen vermanend te worden toegesproken omdat men zich niet aan de afgesproken regels houdt. Men dient zich immers netjes te gedragen. De vlag van fatsoen dekt heel wat onfatsoen toe. Overigens, Saint-Just eindigde eveneens op het schavot. Dat is vaker het lot van veranderaars of klokkenluiders al hebben we tegenwoordig meer verfijnde en “fatsoenlijke” methodes om mensen (mond)dood te maken.

*******************************************************************************************************************************

Op 14 mei 2014 plaatste Dagblad Trouw een reactie op de vraag of we iets hebben geleerd van de recente economische crisis

We hebben niets geleerd van de crisis


Adam Smith stelde dat op de markt de “invisible hand” zijn werk deed. De recente economische crisis heeft aangetoond dat die hand vastzit aan partijen die er belang bij hebben niet naar evenwicht te zoeken maar juist onbalans te veroorzaken. Men zet zijn kaarten op een komende crisis en hoopt er rendement uit te halen. Men investeert als het ware in het ontstaan van problemen in plaats van in de oplossing ervan. We hebben onze problemen uitstekend georganiseerd. Gevolg is dat ons economisch systeem niet meer zelfcorrigerend is. Verantwoordelijkheid heeft geen gezicht meer. Door ons feitelijk handelen houden we de problemen in stand maar we zijn niet als persoon aanspreekbaar. Iedereen is formeel verantwoordelijk maar niemand heeft het gedaan. De onzichtbaarheid waar Adam Smith over schreef heeft zo zijn voordelen. In plaats van te werken aan systeemverandering zijn we blij wanneer we de symptomen ervan iets kunnen indammen. We hebben onszelf voorgeprogrammeerd op de volgende crisis.

****************************************************************************************************************
Op 6 mei 2014 verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over de Europese verkiezingen:

Europa is toe aan een Opschoonbeurt

De politieke discussies in het kader van de komende Europese verkiezingen verlopen voorspelbaar. Wie zich een kritische opmerking veroorlooft over de EU kan steevast rekenen op het verwijt dat men tegen Europese samenwerking is. Voorstanders gebruiken grote maar holle leuzen. Men geeft hoog op over het belang van een democratisch Europa. Maar hoeveel reden is er voor trots? Vanzelfsprekend heb de stichters in de vijftiger jaren een verstandig besluit genomen. Men koos voor samenwerking wat heel wijs en ook begrijpelijk was na twee allesvernietigende wereldoorlogen. Ook het afbreken van handelsbarrières tussen landen was verstandig. Het vergemakkelijkte de onderlinge handel en (oneerlijke) concurrentievervalsing werd tegengegaan. En, niet onbelangrijk, Nederland heeft er fors van geprofiteerd.

Maar wat hebben diegenen die hoog opgeven over Europa er de afgelopen decennia van gemaakt? Onder het mom van verdere integratie is Brussel zich zeer gedetailleerd met van alles en nog wat gaan bemoeien. Waarom moest er een in detail uitgewerkt Europees natuurbeleid komen? Waarom konden buurlanden niet onderling afspraken maken over beheer van grensoverschrijdende natuurgebieden? Waarom moet een fietspad tussen twee plattelandskernen worden gesubsidieerd met Europees geld? Een lidstaat betaalt eerst een bedrag aan Brussel en via een ingewikkelde en geldverslindende procedure probeert men vervolgens een gedeelte van het bedrag weer terug te krijgen. Waarom moet het aanbestedingsbeleid zo ingewikkeld worden geregeld dat enkel zeer grote bedrijven in staat zijn in te schrijven? Verder gaat zeer veel energie verloren aan aanhoudende discussies over bevoegdheidsvragen. Er is een voor burgers onbegrijpelijk juridisch systeem opgebouwd dat telkens weer inhoudelijke vraagstukken overschaduwt. De vroegere concurrentievervalsing tussen landen is vervangen door enorme subsidiestromen die zich niet meer laten indammen. Al tientallen jaren pleiten kandidaten voor het Europese Parlement voor terugdringing van de bureaucratie maar in de praktijk komt daar nauwelijks iets van terecht. Eerder integendeel. Niet minder dan 28 Eurocommissarissen proberen ieder tekens weer hun eigen terrein uit te breiden. Gaan de komende verkiezingen daar verandering in brengen. Dat valt te betwijfelen. De bureaucratie houdt zichzelf in stand. Het is nooit anders geweest. Van het Parlement valt die verandering ook niet te verwachten. Men heeft teveel belang bij het in stand houden ervan. Nergens zijn de vergoedingen en salarissen, vaak belastingvrij, zo hoog als binnen de EU. Het is een uitdijend bolwerk.

Een tweede, nog veel fundamenteler, probleem is dat de EU in wezen antidemocratisch functioneert. Men is al decennia lang bezig zaken steeds verder van de burger af te organiseren. Steeds weer wordt het principe van subsidiariteit bepleit. Dat houdt in dat zaken zo dicht mogelijk bij de burger moeten worden geregeld. De werkelijkheid is helaas anders. Er zijn om maar weinig burgers die de gang van zaken zullen begrijpen. Zij lezen slechts met regelmaat over de gigantische verspilling van overheidsmiddelen en vragen zich af wie de toenemende bemoeienis van Brussel met hun eigen leefomgeving zal stoppen. Bovendien, van een parlement met 766 met een totaal verschillende achtergrond valt een daadkrachtig beleid ook niet te verwachten. Bovendien kan het Parlement voorstellen van de Europese Commissie of van de Raad van Ministers slechts goed- of afkeuren. Met heeft niet het recht om zelf met initiatieven te komen. Misschien is dat maar goed ook.

Dat politieke onvermogen wordt, zeker in verkiezingstijd, graag verbloemd door beloften dat het voortaan anders zal gaan. Sterker nog, enkele weken geleden riepen enkele Europarlementariërs in Kiev in emotionele betogen de burgers van de Oekraïne op toch vooral voor democratie te stemmen. Zij spraken met geen woord erover hoezeer juist binnen de EU het politieke systeem wordt beheerst door een bestuurlijke elite die op enorme afstand van de burgers functioneert. Men roept van oudsher totalitair geleide landen (tsaren, communistische regimes) op hun oude systeem in te wisselen voor een systeem waarin een kleine hooggeschoolde elite op grote afstand van de burgers via uiterst complexe procedures de dienst uit maakt. Europa heeft geen verkiezingen nodig maar een grondige opschoonbeurt.




*****************************************************************************************************************************

Op 25 februari verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over de bemoeienis van landelijke politici met de gemeenteraadsverkiezingen van 19 maart:


Misbruik van Gemeenteraadsverkiezingen



Wanneer verkiezingen naderen is dat voor politici vaak aanleiding om te ontwaken. Men wordt zeldzaam actief omdat ook in een nieuwe periode de zetel zeker moet worden gesteld. Natuurlijk is het prima dat men verantwoording aflegt over verleden en helder maakt wat men van plan is. Maar niet alleen lokale politici worden actief. Kamerleden haasten zich naar vergaderzaaltjes “in de Provincie” om lokale partijgenoten bij te staan. Zo probeert men de gemeenteraadsverkiezingen steeds meer te misbruiken als een populariteitsmaatstaf voor landelijke politiek.

Dat is om meerdere redenen kwalijk. Op de eerste plaats is de gemeente het niveau waar de democratie het meest direct tot uitdrukking komt. Daar ontmoeten kiezers en gekozenen elkaar rechtstreeks. Het is de basis van onze democratie. Op de tweede plaats kampen gemeenten met problemen die juist veroorzaakt zijn door landelijke politici. Tegelijkertijd worden oplossingen vaak gefrustreerd door landelijke regels. De beleidsruimte van gemeenten wordt steeds verder ingeperkt. Er is een stortvloed aan regels waardoor de gemeentelijke politiek steeds meer een kwestie wordt van juristerij. De invloed van raadsleden neemt af en rechters krijgen het steeds meer voor het zeggen. Telkens weer verzandt besluitvorming in juridische procedures. Zo werken landelijke politici eraan mee om de taak en rol van raadsleden uit te hollen. Op de derde plaats worden gemeenten op kosten gejaagd omdat men dure adviesbureaus moet inschakelen om uit te leggen hoe de landelijke regels in elkaar zitten. Op de vierde plaats hevelt men taken over naar gemeenten zonder er voldoende geld bij te leveren. De decentralisatie van jeugdzorg, zorg voor zieken en ouderen en werk en inkomen wordt misbruikt om de rijksbegroting rond te maken. De rekening stuurt men door naar de gemeenten. En dan te bedenken dat landelijke partijen ieder jaar subsidies krijgen voor hun politieke werk terwijl afgelopen jaar opnieuw is besloten dat lokale partijen daar niet voor in aanmerking komen. Het is het bekende beeld. Hoe hoger men zit, hoe beter men zichzelf zegent.  

Dat alles is des te ernstiger omdat er dringend behoefte is aan bestuurlijke en politieke vernieuwing. Die vernieuwing komt echter nauwelijks van de grond omdat landelijke regels dat verhinderen. Men maakt zich geweldig druk over de vraag of burgemeester voortaan door de Raad of door burgers moeten worden gekozen alsof daardoor het vertrouwen van burgers in de politiek toeneemt.

Overigens is er geen enkele garantie dat lokale partijen daar per definitie verandering in zullen brengen. Te vaak spelen lokale politici het spel mee in plaats van veranderingen af te dwingen. Te velen geven er de voorkeur aan en hebben er belang bij hun positie te handhaven. Verandering bereik je niet door er mooie woorden over op te nemen in het verkiezingsprogramma. Voor echte verandering is nodig dat je je onafhankelijk opstelt. Die onafhankelijkheid werkt naar twee kanten. Naar de gemeente toe betekent het dat je niet vanzelfsprekend onderdeel wordt van het formele regelsysteem of slaafs achter eigen wethouders aanloopt. Dat je als raadslid zelf met voorstellen komt, ook als die dwars ingaan tegen landelijk beleid. Het is juist op lokaal niveau waar de relatie tussen burger en politiek moet worden hersteld. Je kunt je niet beperken tot het vaststellen dan dikke beleidsnota’s zonder je te interesseren hoe die voor burgers uitwerken. Op papier is vaak alles in orde maar de praktijk toont vaak een ander beeld. Maar onafhankelijkheid is ook nodig naar burgers toe. Dat is niet vanzelfsprekend. Wanneer verkiezingen naderen bestaat de neiging bij velen om burgers naar de mond te praten om zo hun sympathie te winnen. Na de verkiezingen blijkt dan dat mooie verhalen en beloften niet worden bewaarheid. Dat is juist een belangrijke reden waarom mensen hun vertrouwen verliezen in politiek en politici.

Thieu Wagemans is raadslid in Leudal 




********************************************************************************************************************************

Op 21 januari 2014 verscheen er een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over robotisering van de samenleving.

Worden robots mensen of worden mensen steeds meer robots?


De ramp in de kerncentrale in Fukushima (Japan) toonde aan dat mensen slechts beperkt in staat zijn om problemen op te lossen die door moderne technologie kunnen worden veroorzaakt. Het stralingsniveau in de centrale was zo hoog dat het voor mensen niet mogelijk was van binnen uit een goed beeld te krijgen van de situatie in de centrale. Het leidde tot een pleidooi om harder te werken aan de ontwikkeling van robots. Die zouden bij toekomstige rampen de situatie in kaart kunnen brengen en zelfs de noodzakelijke maatregelen kunnen nemen. Een droombeeld? Niet voor iedereen. De laatste tijd verschijnen weer berichten over technologische voortgang bij ontwikkeling van robots. Zozeer zelfs dat de overtuiging groeit dat men robots kan ontwikkelen met menselijke trekken. Robots met zintuigen, die bijvoorbeeld reukgevoel hebben. De Amerikaanse filosoof Denett stelt dat robots in de toekomst zelfs bewustzijn kunnen ontwikkelen zoals wij mensen dat ook hebben.   

Velen beschouwen dat als een flinke stap vooruit en dagdromen over wat er niet allemaal mogelijk wordt. Robots die mensen worden. Maar we kunnen er ook vanuit een heel ander perspectief naar kijken. Dan nemen we niet de robot als uitgangspunt maar de mens. Dan is de vraag niet of robots mensen kunnen worden maar of mensen niet steeds meer op robots gaan lijken.  

Nemen we het overheidsbeleid als vertrekpunt. Een willekeurige wet of verordening begint doorgaans met een artikel met een aantal definities. Daarin wordt nauwkeurig omschreven wat “in de zin van deze regeling wordt verstaan onder ….”. Daarin legt de overheid vast hoe de wereld wordt bezien vanuit die regeling. Wat niet aan de definities voldoet is voor de overheid betekenisloos. Burgers die met plannen komen krijgen vaak te horen dat het een uitstekend plan is maar dat dit helaas niet past binnen de regeling. Men komt niet in aanmerking voor subsidie of men krijgt geen vergunning. Dat betekent vaak einde oefening. Want wat in regels is vastgelegd is wet, hoe briljant plannen ook zijn. Niet wat burgers bezighoudt is bepalend maar wat er ooit is besloten. Maar het gaat nog een stap verder. Niet alleen plannen van burgers moeten aan regels voldoen maar dat geldt ook voor de burgers zelf. We zijn er trots op dat we in een vrij land leven met volop ruimte voor eigen initiatief. Maar wie die ruimte wil benutten loopt vaak tegen de grenzen aan van regels.

Burgers zijn voor de overheid vooral van betekenis voor zover ze passen binnen de regels. Ze worden vaak niet tegemoet getreden als mensen met ideeën, gevoelens en een eigen bewustzijn maar ondergeschiktheid aan de regels staat voorop. En wanneer ze die regels overtreden krijgen ze te maken met de regels van het strafrecht. Wat we graag presenteren als een vrije en open samenleving is in menig opzicht strak gereguleerd kader. Reeds voordat je geboren wordt is al geregeld op welke leeftijd je alcohol mag kopen en waar je wel en niet mag roken. We zijn in wezen al voorgeprogrammeerd nog voordat we tot bewustzijn komen. We leven in een nauw gereguleerd kader met tal van geschreven en ongeschreven regels. Men heeft zich conform te gedragen en afwijkend gedrag wordt niet op prijs gesteld. Inspirerende voorstellen en plannen worden in ingewikkelde procedures van hun inspiratie ontdaan omdat ooit opgestelde regels het uiteindelijk altijd winnen. We herhalen liever het verleden in plaats van de toekomst te ontwerpen. Of we er ooit in slagen om van robots mensen te maken is niet zeker maar om van mensen robots te maken zijn we al een aardig stuk op weg.                 

Thieu Wagemans is Raadslid in de gemeente Leudal

*********************************************************************************

Op 26 november verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over integriteit in het openbaar bestuur. 

Juridisch is alles in orde

*******************************************************************************************************************


Op 12 november diende Ronduit Open een voorstel in voor een nieuw beleid met betrekking tot gemeenschapshuizen.

Gemeenschapshuizen als gemeentehuizen van de burgers 
*********************************************************************************

Op 5 november verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over de vraag of de overheid zelf wel in staat is om mee te werken aan het ontstaan van een participatiemaatschappij.

Kan de overheid wel participeren?
********************************************************************************
Op 17 september 2013 verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over burgerschap:

Sociale leegte

De afgelopen dagen is wederom de discussie actueel geworden over de vraag in hoeverre werklozen kunnen of moeten worden verplicht om arbeid te verrichten. Vaak wordt dan als voorbeeld genoemd dat het merkwaardig en onaanvaardbaar is dat mensen uit Oost-Europa hier komen werken terwijl tegelijkertijd veel mensen in ons eigen land zonder werk thuis zitten. In de tachtiger jaren werden uitgebreide discussies gevoerd over de vraag wat passende arbeid was en of iemand zomaar tot geheel ander werk kon worden verplicht. Overigens betrof dat niet enkel mensen zonder baan. Ook binnen organisaties werden taken met veel gevoel voor detail toegedeeld. Zelfs geringe wijzigingen vormden aanleiding voor juridische procedures omdat men op basis van bestaande rechten meende dat men niet zomaar tot ander werk kon worden verplicht. Er ontstond een uitgebreide jurisprudentie over de vraag wat passend was waarbij uiterst gedetailleerd en met veel gevoel voor nuance werd geredeneerd. Die tijd van uiterst nauwkeurige functiebeschrijvingen en daaraan verbonden rechten is voorbij. De houding is nu veel meer dat je moet doen wat aan de orde is. Flexibiliteit is uitgangspunt.

Wat opvalt is dat de discussie over inzet van mensen zonder baan doorgaans wordt gevoerd in een context van rechten en plichten. De Leuvense filosoof Antoon Vandevelde onderzocht jaren geleden het Nederlandse sociale stelsel en kwam tot de conclusie dat dit systeem nooit houdbaar kon zijn. Daarbij baseerde hij zich niet op financiële aspecten of juridische vragen rond rechten en plichten maar hij nam de sociale relatie tussen burger en overheid als uitgangspunt.  Hij stelde dat in het Nederlandse systeem van enige relatie tussen overheid en burger geen sprake is. Wie werkloos is heeft recht op een uitkering en wanneer betrokkene overlijdt stopt de uitkering. Het zal de overheid een zorg zijn. Sterker nog, door het overlijden nemen de overheidsuitgaven af. Je wordt als burger langs de meetlat van verordeningen en regels gelegd en krijgt te horen of je aan de regels voldoet of niet.  Anders gezegd, mensen worden door de overheid tegemoet getreden als regelbare objecten die wel of niet ergens recht op hebben en niet als burgers die onderdeel zijn van de samenleving en met wie je dus een betekenisvolle relatie moet onderhouden. Het systeem werkt splitsend. Voldoe je niet aan de criteria van de overheidsregelingen, dan besta je simpelweg niet. Voldoe je er wel aan dan krijg je een tegemoetkoming of een vergunning en daarmee is de zaak afgedaan.

Om daar verandering is te brengen is een andere vorm van burgerschap nodig waarin burgers primair worden beschouwd als dragers van de gemeenschap. Dat heeft ingrijpende gevolgen voor de overheid omdat die niet langer burgers regelend benadert maar oog en oor heeft voor wat mensen bezighoudt. Voor burgers betekent dit dat men het vanzelfsprekend gaan vinden dat men wordt geroepen om verantwoordelijkheid te dragen, ieder naar kennis, kunde en vermogen. Voor vrijblijvendheid is geen plaats meer. In dat opzicht zijn vrijwilligers die zich belangeloos inzetten voor de gemeenschap hun tijd reeds vooruit. 

Die ingrijpende verandering bereik je niet met warme Kerst- en Nieuwjaarstoespraken, hoe goedbedoeld ook. De eerste opgave ligt bij politieke partijen. Hebben die het lef kiezers te benaderen als verantwoordelijke burgers of  kiezen zij ervoor kiezers valse toekomstbeelden voor te houden in de hoop op stemmen, macht en aanzien? De tweede opgave ligt bij burgers. Hoe gemakkelijk laten die zich leiden door verhalen die mooi klinken maar die letterlijk te mooi zijn om ooit waar te worden? Verklaart dat niet waarom er al zolang veel zwevende kiezers zijn die zich teleurgesteld tonen omdat illusies niet worden gerealiseerd en daarom kiezen voor een andere partij en een nieuwe illusie?    

Thieu Wagemans is Raadslid voor Ronduit Open in Leudal 



Op 19 augustus 2013 verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over de spanning tussen Europese ambities en Europese illusies.

In augustus 2013 plaatste dagblad Trouw een opiniebijdrage onder de kop: Ook beschaafd land kent overheidsgeweld. Het is een reactie op een kritisch verhaal van Sebastien Valkenberg over de betekenis van de Franse filosoof Michel Foucault dat een week eerder, op 30 juli, in Trouw stond. 

Op 19 juni 2012 verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over hoe ons politieke systeem werkt onder de kop: De Politiek holt zichzelf uit.

Op 7 mei 2013 verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over de spanning tussen groei en duurzame ontwikkeling onder de grond onder de kop:

"Groeien naar de Afgrond".

In april 2013 verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over sociale verbanden in het netwerktijdperk onder de kop:

"Vluchtige Samenleving".


Op 19 februari 2013 verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over de nadelen van efficiency. De kop luidde: "Slecht beleid wordt niet beter door het efficient uit te voeren".

Op 11 januari 2013 verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over het functioneen van ons strafrechtsysteem:

Begin november 2012 verscheen een opiniebijdrage in de Limburger en Limburgs Dagblad

over het zelfreinigend (on)vermogen van systemen en organisaties: Meedenkers en Tegendenkers.


Begin oktober verscheen een opiniebijdrage in de Limburger en Limburgs Dagblad met als kop: Slachtoffers en Daders.

















-