Naar een nieuw wereldbeeld
Deel 3: Wereldbeeld en overheid

Civis Mundi Digitaal #127

door Mathieu Wagemans

Inleiding

In Deel 1 en 2 schetsten we de uitgangspunten en contouren van een nieuw wereldbeeld. De aanleiding is, dat we met tal van crises te maken hebben die de vraag oproepen of die problemen niet samenhangen met een gedateerd wereldbeeld. Het wereldbeeld van de moderniteit heeft ons vooruit geholpen, maar lijkt uitgewerkt.

Wat moeten we ons bij een nieuw wereldbeeld voorstellen? We schetsten een wereldbeeld op basis van het constructivisme. We benaderen de werkelijkheid door er betekenis aan te geven. Dat houdt in dat we de werkelijkheid slechts kunnen begrijpen, door er betekenis aan te geven. Om de werkelijkheid te begrijpen, moeten we ons bijgevolg verdiepen in de processen van betekenisgeving. Hoe verlopen die? Welke krachten zijn erop van invloed?

Het is een wereldbeeld waarin betekende objecten door en langs elkaar heen bewegen. Waarin objecten van betekenis kunnen veranderen. Ze kunnen meer of minder gewicht krijgen. Ze kunnen hun betekenis verliezen en ijl worden. Ze kunnen ook zo sterk met betekenis worden beladen, dat ze de status van waarheid krijgen en dus niet langer onderwerp van discussie zijn. We stelden ook dat begrippen zich kunnen samenvoegen of dat verbonden begrippen juist hun verbindingen verliezen. En verbonden begrippen kunnen zich samenvoegen en een discours vormen, een betekeniskader.

Consistentie

In dit Deel 3 willen we vanuit het gepresenteerde perspectief de aandacht richten op het overheidsdomein. Aan de orde is dan de vraag, hoe processen van betekenisverlening binnen de overheid verlopen. Een eerste opmerking is dan, dat een beeld van door elkaar schietende beelden van de werkelijkheid zich lastig laat ordenen. Tegelijkertijd is die ordening binnen het overheidsbeleid noodzakelijk. Overheidsbeleid dient immers helder te zijn. En helderheid stellen we op een lijn met eenduidigheid. We stellen eisen aan het functioneren van de overheid. Er gelden beginselen van bestuur. We verwachten van de overheid, dat beleidsmaatregelen consistent zijn. De ene regel mag niet haaks staat op andere regels. Verder moeten burgers erop kunnen rekenen dat de overheid betrouwbaar is. Permanent veranderen van beleidsregels is daarmee in strijd.

Dergelijke eisen hebben als gevolg, dat het geschetste wereldbeeld van continue verandering vanuit het perspectief van overheidsbeleid niet hanteerbaar is. Sterker nog, het overheidsbeleid dwingt tot een statisch beeld van de werkelijkheid. Wetten en verordeningen dienen exact en gedetailleerd te definiëren wat er onder begrippen wordt verstaan. Vermeden moet worden, dat regels op uiteenlopende wijze kunnen worden geïnterpreteerd. Iemand heeft wel of niet recht op subsidie. In komsten zijn wel of niet onderworpen aan belastingheffing. Een bepaalde handeling is wel of niet strafbaar.

Tegelijkertijd toont de werkelijkheid zich als een permanent veranderende werkelijkheid. Opvattingen veranderen. Datzelfde geldt voor probleemformuleringen. Er is bovendien sprake van meervoudigheid. De overheid heeft te maken met een maatschappelijk veld waarin meerdere “waarheden” naast elkaar bestaan. Gevolg daarvan is, dat de overheid bron is van reductie. Een veelkleurige en meervoudige werkelijkheid moet in een juridisch eenduidig kader worden geperst.

Daardoor is er sprake van een permanente spanning. De systeemwereld en de leefwereld van de burger kennen een eigen wereldbeeld. Wat voor burgers van betekenis is, hoeft dat voor de overheid niet te zijn. Het omgekeerde geldt ook. Dat kan gemakkelijk het beeld oproepen van een permanente en intense spanning tussen overheid en burgers. En inderdaad, er is sprake van een onoverzienbaar aantal procedures, waarin burgers proberen hun gelijk te krijgen langs juridische weg. Een belangrijk aspect daarbij is, dat er geen sprake is van nevenschikking.

Het gaat in dergelijke procedures niet over een geheel onafhankelijke beoordeling van bezwaren. Immers, we kenen het systeem van de Trias Politica, de scheiding van de wetgevende, de uitvoerende en de rechtsprekende macht. Consequentie daarvan is dat rechters gehouden zijn, te toetsen aan wetten en daarvan afgeleide regelingen. Bij verschillen is het wereldbeeld van de overheid dominant. Wetten en daarvan afgeleide regels geven de doorslag. Bij verschil van opvatting vormen de formele regels het aambeeld.

Dat zou de indruk kunnen wekken dat burgers “per definitie” het onderspit delven bij verschil van opvatting. Dat beeld behoeft echter nuancering. De praktijk toont dagelijks voorbeelden, waarbij burgers met succes in verzet kunnen komen tegen overheidsbesluiten. Daarbij gaat het vaak niet zozeer om voorbeelden, waarbij burgers inhoudelijk met betere argumenten komen dan waarop het overheidsbeleid is gebaseerd. Minstens zo belangrijk bij procedures van bezwaar en beroep is de vraag of de overheid zich formeel heeft gehouden aan de regels, die gelden bij beleidsvorming. De beginselen van behoorlijk bestuur zijn in brede stromen van jurisprudentie verbijzonderd. Ze zijn bron van recht, wat inhoudt dat er met succes een beroep op kan worden gedaan.

Conflicten worden in de overheidsarena beslecht

Wat plaatsvindt, is dat het conflict tussen overheid en burger zich niet uitkristalliseert in de ruimte tussen overheid en burger, maar het conflict wordt verplaatst naar de formele werkelijkheid van de overheid. De overheid wordt in de eigen arena bestreden. Men tracht aan te tonen dat de overheid bij besluitvorming niet heeft gehandeld in overeenstemming met de geldende regels.

Een partij is bijvoorbeeld onterecht niet of onvoldoende betrokken bij de besluitvorming. De uitnodigingen voor inspraakavonden zijn maar beperkt verspreid of te laat verzonden. Een besluit is gebrekkig, omdat het uitgevoerde onderzoek was gebaseerd op een eenzijdige probleemformulering. Of het besluit is in strijd met gewekte verwachtingen. Of er is sprake van strijdigheid met reeds geldende regels. Dat leidt ertoe, dat wanneer burgers kunnen onderbouwen dat een overheidsorgaan niet heeft gehandeld conform geldende regels, er een goede kans is op een succesvolle afloop.

Parasitair

In zekere zin wordt de overheid bestreden op basis van de eigen regels. Wanneer burgers het niet eens zijn met overheidsbesluiten, is allereerst de vraag aan de orde of hun bewaren ook betekenis hebben voor de overheid. De kloof tussen overheid en burgers maakt dat niet vanzelfsprekend. Wat voor burgers betekenis heeft, hoeft juridisch geen gewicht in de schaal te leggen. Het gaat erom dat bezwaren ook betekenisvol zijn binnen het formele domein van de overheid. Wanneer de overheid niet heeft gehandeld in overeenstemming met de eigen regels, telt dat juridisch zwaar.

Consequentie is, dat bezwaren van burgers vaak worden geherdefinieerd en wel zodanig, dat genomen besluiten niet conform geldende regels tot stand zijn gekomen. Dat vraagt juridische deskundigheid. Er komen in dergelijke procedures argumenten op tafel die voor de betreffende burger betekenisloos zijn, maar die wel werking hebben in juridisch opzicht. Je zou kunnen stellen, dat de overheid op eigen regels wordt aangevallen. Het systeem wordt van binnenuit bestreden. (Wagemans, 2016)

Dat is een merkwaardige situatie. Het systeem wordt enerzijds gerespecteerd doordat regels serieus worden genomen en als toetssteen dienen, maar dat gebeurt enkel in de hoop dat kan worden aangetoond dat de overheid heeft verzaakt met betrekking tot het eigen beleid. Zelfs ogenschijnlijk geringe afwijkingen van het geldend beleid kunnen kansrijk zijn om rechters te doen besluiten tot vernietiging van genomen besluiten.

Dat leidt dan vervolgens tot wijziging van beleid, bijvoorbeeld door definities en/of regels nog verder te detailleren. De regels worden als vertrekpunt genomen, niet omdat burgers ze inhoudelijk belangrijk vinden, maar omdat ze een krachtige opstap zijn om het systeem te ontkrachten en de werking ervan aan te tasten. De regels worden slechts symbolisch bevestigd. Ze dienen in juridische procedures voornamelijk, omdat overtreding ervan door overheden gewicht in de schaal leegt.

Wat gebeurt kan in wezen worden opgevat als manipulatie van betekenisgeving. De bezwaren van burgers tegen een overheidsbesluit krijgen geen inhoudelijke betekenis maar zodanig dat overheden zich niet aan de geldende regels hebben gehouden.

De overheid als betekenisgever

Vanuit een constructivistisch perspectief is belangrijk, dat ook de overheid betekenis geeft. De begripsomschrijvingen en definities zoals die in wetten en regels zijn opgenomen, kunnen worden opgevat als het formele betekeniskader van de overheid. Betekenisgeving als uitgangspunt houdt in, dat we de realiteit niet kunnen waarnemen zonder er betekenis aan te geven. We kunnen waarneming dus onderscheiden van betekenisgeving maar in de praktijk zijn die niet te scheiden. Het gebeurt op hetzelfde moment. Dat geldt voor burgers, maar dat geldt ook voor de overheid. We vormen ons beelden van wat we waarnemen. Gevolg daarvan is ook dat we subjectiviteit en objectiviteit kunnen onderscheiden, maar we kunnen ze niet scheiden. Betekenis geven houdt impliciet in, dat er sprake is van subjectiviteit.

Dat de overheid betekenis geeft, houdt dus ook bij de overheid waarneming en betekenisgeving in elkaar zijn verstrengeld. De waarneming door de overheid wordt gedomineerd door het betekeniskader zoals dat in overheidsbeleid is vastgelegd. Van een zuiver objectieve waarneming van de werkelijkheid zoals die “is”, is dus geen sprake. Dat roept de vraag op wat de kenmerken zijn van het perspectief van de overheid. Wat valt er te zeggen over het formele betekeniskader van de overheid? Wat is binnen dat betekeniskader belangrijk en waar heeft de overheid geen of minder aandacht voor?

We noemden reeds de beginselen van behoorlijk bestuur. We verwachten van de overheid helderheid. We wensen dat er in het beleid geen sprake is van onderlinge tegenstrijdigheden. Wat conform de ene regeling is verboden, mag op basis van andere regels niet zijn toegestaan. Er moet sprake zijn van een logisch geheel.

Habermas

Nemen we nu het ruimtelijk wereldbeeld in gedachte dat we in Deel 1 en Deel 2 schetsten, dan kunnen we met betrekking tot betekenisgeving door de overheid een onderscheid maken tussen 1. de door de overheid betekende ruimte en 2. de ruimte die door burgers wordt ervaren, de leefwereld van de burgers dus in de terminologie van Habermas. Beide ruimtes overlappen elkaar maar er is ook sprake van ingrijpende verschillen.

Op de derde plaats is er de ruimte die niet betekend wordt. Dat is de ruimte die betekenisloos is. Die ruimte ontstaat niet door betekening, door actief handelen, maar het is de ruimte die overblijft na betekening. Door te betekenen ontstaat de ruimte die niet wordt betekend.

Het is de werkelijkheid die weliswaar bestaat, maar die niet wordt betekend omdat ze niet kan worden omvat door onze begrippen en definities. We scheppen deze ruimte zelf, weliswaar niet bewust, maar die ruimte ontstaat doordat die zich aan ons perspectief onttrekt. Er is doorgaans geen sprake van een expliciet besluit. De niet-betekende ruimte is het impliciete gevolg van betekening. Het is een restpost die automatisch ontstaat als gevolg van onze processen van betekening.

Vergelijk de passage in Deel 1 waarin we de chaos als bestaansvoorwaarde voor de ordening noemden. We kunnen als overheid het formele beeld van de werkelijkheid slechts overeind houden dankzij het uitgangspunt, dat we datgene wat niet in orde ordeningen past buitensluiten. De niet-betekende ruimte maakt een logisch geordende betekende ruimte mogelijk. De betekende en de niet-betekende ruimte kunnen worden opgevat als communicerende vaten. Ze zijn aan en met elkaar verbonden. Het is een dynamisch evenwicht. De niet-betekende ruimte als bestaansvoorwaarde voor de betekende ruimte.

Leefwereld en systeemwereld

Er is sprake van een breed beleefd en erkend besef van aanmerkelijke verschillen tussen het formele betekeniskader van de overheid en de leefwereld van burgers. Er worden ook al decennialang pogingen ondernomen om die kloof te overbruggen, althans te verminderen. Probleem daarbij is, dat wezenlijke verschillen tussen betekeniskaders moeilijk oplosbaar zijn vanuit bestaande kaders. Dergelijke verschillen moeten worden overstegen door nieuwe begrippen. Ze lenen zich niet voor compromissen in gebruikelijke zin. We kunnen verschillen weliswaar benoemen, maar we kunnen ze niet begrijpen en niet tot de kern ervan doordringen, zonder dat we tot nieuwe begrippen komen.

Datzelfde geldt voor het verkennen van de niet-betekende ruimte. Die doen we geweld aan door die ruimte te betreden met behulp van de geldende betekeniskaders. De wegwijzers van de bekende c.q. betekende wereld kunnen ons niet helpen om ongekend gebied te ontdekken. Dan koloniseren we. De overheid heeft daarbij een dubbele positie. Enerzijds geeft de overheid zelf betekenis, anderzijds wordt de overheid betekend door burgers en maakt ze zo deel uit van het wereldbeeld. De overheid is dus zelf betekenaar en wordt tegelijkertijd betekend door burgers.

We stelden dat een wereldbeeld, waarin betekende objecten door elkaar bewegen en objecten inhoudelijk verschillend kunnen worden betekend, zich lastig ordenen. Of beter is het te stellen, dat iedere ordening een vereenvoudiging inhoudt van een constructivistisch wereldbeeld. Iedere definitie maakt een onderscheid tussen wat tot de definitie behoort en wat erbuiten valt. Dat laatste is betekenisloos. Het betekenisloze bestaat weliswaar in de vorm van opvattingen van (groepen van) burgers, maar wordt niet betekend door de overheid. Het doet er niet toe.

Latour

Ook Latour (2007) neemt afstand van het geldende wereldbeeld, waarin we de werkelijkheid hebben versimpeld door ons lineaire en causale denken. Hij schetst een beeld waarin subjectiviteit en objectiviteit onderling verstrengeld voorkomen. In de Nieuwe Actor Theorie zijn objecten, processen, verschijnselen en dieren evengoed actor als mensen. Ze zijn in staat werking te hebben. Om de werkelijkheid te kunnen begrijpen, althans respecteren, moeten we aandacht geven aan de complexe verbindingen tussen actoren. Dat is een beeld dat zich lastig laat voegen in de ordeningen die we gewoonlijk maken van de werkelijkheid. De werkelijkheid is te complex, c.q. onze ordeningen zijn te eenvoudig. Er is dus niet enkel een tegenstelling tussen een dynamisch beeld van de werkelijkheid en een statisch beeld dat in onze beleidsdocumenten vastligt, maar er is tevens sprake van oppervlakkigheid binnen ons beleid tegenover de gelaagdheid en complexiteit van de werkelijkheid.

Op ratio gebaseerde ordeningen bieden geen ruimte aan subjectiviteit, noch aan de onderliggende waarden. Gerechtigheid als waarde krijgt een uitwerking op niveau van regels en procedures. Verantwoordelijkheid wordt omgezet in protocollen. Integriteit wordt meetbaar gemaakt. Politici mogen bijvoorbeeld slechts cadeaus aannemen wanneer die een lagere waarde dan 50 euro vertegenwoordigen. Respecteer je die regels, dan wordt je geacht integer te zijn. Juist het ordenen en regelen is toe aan problematisering en vernieuwing. We hebben een zo complex en gedetailleerd juridisch beeld van de werkelijkheid geconstrueerd, dat we de werkelijkheid zelf geweld hebben aangedaan. We stellen eisen aan overheidshandelen die nauwelijks nog hanteerbaar zijn. We leggen de lat zo hoog, dat we er niet meer overheen komen.

We maken de werkelijkheid onderdanig aan onze illusies

We komen er dus niet door een complex door elkaar bewegen van actoren te benaderen door lineaire relaties te veronderstellen en daarop gebaseerde conclusies voor waar en reëel te houden. Het kan, denkend vanuit traditionele beleidsmodellen, gemakkelijk een gevoel van moedeloosheid oproepen. Hoe kunnen we een complex van onderling zeer verschillende en telkens veranderende processen doorgronden en vervolgens de loop ervan proberen te beïnvloeden?

De vereenvoudiging die als kenmerk van ons moderne wereldbeeld kan worden opgevat, kan worden opgevat als bron van ficties en illusies. We hebben de werkelijkheid onderdanig gemaakt aan onze wens tot inzicht. We plooien de werkelijkheid naar de eenvoud van ons denken. Het oneindige maken we eindig, het onmeetbare meetbaar, het onvoorstelbare voorstelbaar en het ondoorzichtige transparant. Het resultaat is dat we een schijnwereld hebben geconstrueerd. Die was en is nodig, omdat we binnen die schijnwereld onze ambities kunnen realiseren. Het is de omgekeerde wereld. Om de wereld te veranderen, moet de wereld zich eerst aanpassen aan onze opvattingen en systemen.

Identiteitsbegrip

We stelden dat de niet-betekende ruimte kan worden opgevat als de bestaansvoorwaarde voor de betekende ruimte. Nog een stap verder is, wanneer we de betekende en geordende ruimte niet beschrijven vanuit de begrippen die drager zijn van de ordening, maar dat we de identiteit van de ordening afleiden uit wat er wordt buitengesloten. Dat kan op het eerste gezicht weliswaar een merkwaardig perspectief lijken, maar het is wel een boeiend perspectief om de relatie tussen overheid en burgers te schetsen. Het eigene van het overheidsperspectief is dan niet zozeer datgene, dat wordt betekend vanuit dat perspectief maar juist wat betekenisloos blijft binnen het perspectief van de overheid. De betekenis van een definitie kan worden ontdekt door de aandacht te richten op wat er niet door de definitie wordt omvat.

We kunnen ons verlangen naar perfectie kenmerkend noemen voor ons formeel betekeniskader. We wensen een rationeel en allesomvattend systeem. Dat kunnen we slechts bereiken door werkelijkheid buiten te sluiten, die zich niet laat plooien naar onze ambities. Die buitensluitende werking wordt steeds groter als gevolg van de verenging van ons formele perspectief dat we noemden. Dat pleit voor een omslag in ons denken. Dat houdt in dat we de kenmerken en het wezen van ons formeel betekeniskader niet zoeken binnen dat betekeniskader maar juist de buitensluitende werking ervan centraal stellen. Het afwijkende komt centraal te staan. De chaos die door een ordening wordt veroorzaakt, wordt kenmerkend voor de ordening. Het buitengeslotene verschaft ons meer inzicht in de werking van een ordening dan de kenmerken van de ordening zelf. Om de logica van ons regelsysteem te begrijpen, moeten we ons begrip van logica kritisch bezien. Dat is mogelijk door de aandacht te richten op het buitensluitend vermogen van dat begrip. Wat beschouwen we als onlogisch? Het onlogische als contramal van ons logica-begrip.

In gelijke zin kan datgene wat we als irrationeel beschouwen, ons inzicht verschaffen in ons rationaliteitsbegrip. Hoe wij gevoelens rationeel hebben benaderd en daardoor vanuit onze formele begrippen niet meer in staat zijn tot wezenlijke communicatie te komen met burgers. Het recente pleidooi van de Nationale Ombudsman Reinier van Zutphen (van Zutphen, 2022) op de Wereldarmoededag voor een nieuw mensbeeld binnen het overheidsdomein past daarin. Onvermogen bespreekbaar maken kan ons doen inzien hoezeer ficties en illusies zich hebben meester gemaakt van ons logisch redeneren.

Een dergelijke omslag is herkenbaar wanneer we de identiteit van personen benoemen. Wanneer ons wordt gevraagd een persoon te duiden, zijn we geneigd kenmerken te noemen waarin die persoon zich onderscheidt van anderen. Het afwijkende wordt tot kenmerk verheven en wordt bepalend voor de identiteit van iemand. Diezelfde benadering zou ons op weg kunnen helpen om inzicht te krijgen in de werking van ons beleids- en regelsysteem.

Een historische analyse bijvoorbeeld waarin het proces van totstandkoming wordt geanalyseerd. Wat waren de momenten en overwegingen waardoor werkelijkheid werd buitengesloten? Vergelijk het natuurbeleid waarin het wezen van natuur is verdrongen door een regelsysteem waarin vele tientallen natuurdoeltypen onderscheiden, de condities hebben benoemd die nodig zijn voor het voortbestaan en daar vervolgens regels aan hebben verbonden. Het is gaandeweg een ordening geworden die nog slechts voor deskundigen toegankelijk is en die tegelijkertijd een dankbaar domein is geworden voor juristen.

In Deel 2 (Wagemans, 2022) stelden we, dat we niet slechts nieuwe begrippen nodig hebben om de buitengesloten werkelijkheid te verkennen, maar dat ook ons voorstellingsvermogen een rol speelt. De niet-betekende ruimte kunnen we opvatten als oneindig. Dat geldt in theorie ook voor ons voorstellingsvermogen. De praktijk is echter anders. We kunnen ons moeilijk losmaken van het geldend begrippenkader. Het bestaande wereldbeeld dringt zich overal en stevig op. Het is geïnstitutionaliseerd en voor een belangrijk deel ook voorgeschreven. Er is vrijheid van meningsuiting maar in onze communicatie met de overheid zijn we gehouden de formele begrippen te gebruiken om aandacht te krijgen.

Het verlangen naar perfectie

Vanuit een positivistisch perspectief is het denkbaar ons een voorstelling te maken van de ideale werkelijkheid en te handelen vanuit de overtuiging dat we die ook kunnen realiseren. We formuleren vastomlijnde doelstellingen, kiezen een combinatie van instrumenten en beslissen langs welke weg die moeten worden aangewend. Maar steeds weer confronteert de praktijk ons met tegenslagen.

Processen verlopen niet zoals verondersteld en gepland. Bovendien kunnen opvattingen over doelen veranderen. De ideale horizon wijkt steeds terug. Maar de conclusie en de erkenning dat we wellicht tot minder in staat zijn dan verondersteld, is lastig. Evaluaties leiden vaak tot conclusies en aanbevelingen die niet het onvermogen bespreekbaar maken, maar ze houden de pretentie overeind. De doelen blijven haalbaar, mits de inzet van instrumenten wordt geïntensiveerd, de beschikbare capaciteit wordt uitgebreid, de toedeling van bevoegdheden iets wordt veranderd of procedures nauwkeuriger worden uitgewerkt.

Een analyse op het niveau van gekozen uitgangspunten en veelal impliciete veronderstellingen blijft doorgaans uit. Wie daar aandacht voor vraagt, kan gemakkelijk als lastig worden ervaren. Onvermogen is moeilijk bespreekbaar. Wie toch als klokkenluider, zijn stem verheft, loopt risico’s. Ervaringen van en zelfs binnen het “Huis voor de Klokkenluiders” vertonen bijvoorbeeld geen fraai beeld, zo blijkt uit evaluaties.

De niet-betekende ruimte heeft werking

Gevolg van dat verengd formele perspectief houdt in, dat de niet-betekende ruimte alsmaar toeneemt. Die is betekenisloos, althans bezien vanuit het formele perspectief. Maar dat betekent niet dat het buitengeslotene geen werking zou hebben. Echter, we hebben daar geen oog voor, juist omdat we die vanuit een formeel perspectief niet kunnen betekenen. We ervaren die werking wanneer blijkt dat onze ordeningsmodellen en planningsbenaderingen niet goed werken. Er is sprake van tegenwind of onverwachte belemmeringen. Maar die betekenen we niet als signalen, dat ons denken gebrekkig is omdat we werkelijkheid buitensluiten. We beschouwen het als gebruikelijke problemen die hooguit aanleiding zijn onze plannen nog verder te perfectioneren. Verstoringen vatten we niet op als uitingen van onderliggende systeemgebreken. Zouden we dat wel doen, dan zal blijken dat de noodzakelijke veranderingen nog niet zo eenvoudig zijn door te voeren.

Zoals gesteld, kunnen we niet de werking ontnemen aan wat we als betekenisloos terzijde schuiven. De niet-betekende ruimte, het buitengeslotene dus, roert zich. Het uit zich in problemen die we hebben door toepassing van onze beleidsmodellen en ordeningen. Het buitengeslotene werkt verstorend. We krijgen er geen vat op door wijzigingen aan te brengen binnen ons formeel betekeniskader. Dan beperken we ons tot wijzigingen binnen ons geldend betekeniskader.

Aan de orde is echter dat we tot systeemwijzigingen moeten komen, tot een ander betekensikader. Dat houdt in dat we tot nieuwe begrippen komen, die ons in staat stellen tot nieuwe beelden van de werkelijkheid te komen. De wereld vertoont zich anders aan ons. We kunnen daardoor inzicht krijgen in de problemen die we ontmoeten en tevens kunnen we zicht krijgen op nieuwe oplossingsrichtingen. Dat is een lastige stap. Op de eerste plaats heeft de overheid zichzelf vastgezet door het formele betekeniskader. Afwijken ervan houdt in dat we in strijd handelen met wetten en regels waarin we het formele betekeniskader hebben vastgezet. We moeten dus ruimte scheppen om buiten wettelijke kaders te treden.

De ingrijpendheid van de voorgestelde omslagen kan nauwelijks worden overschat. Dat geldt zeker wanneer we zouden proberen deze veranderingen en de ruimte daarvoor te zoeken binnen bestaande instituties. Dat pleit ervoor bewust de ruimte te scheppen voor denkbeelden en daaraan gekoppelde nieuwe praktijken die fundamenteel afwijken van bestaande structuren. Immers, de ervaring leert dat binnen bestaande instituties sterke krachten werkzaam kunnen zijn, die gericht zijn op instandhouding en niet op opheffing of destructie. Dat pleit voor het creëren van een bypass. Het gaat om veranderingen die eerder ondanks dan dankzij bestaande instituties tot stand kunnen komen. Een tekening ter illustratie.

Binnen die bypassconstructie is de ruimte aanwezig om vernieuwingen te bedenken en op praktijkwaarde te onderzoeken, die fundamenteel afwijken van de bestaande context. Het gaat om nieuwe begrippen, nieuwe analyses, nieuwe ideeën en daaraan gekoppeld experimenten om voorstellen op toepasbaarheid te onderzoeken en de kritische condities daarvoor expliciet te maken. Het gaat dan niet langer om wijzigingen binnen het geldend systeem maar om systeemwijzigingen. Bijvoorbeeld andere modellen voor toedeling van verantwoordelijkheden. Nieuwe vormen van burgerschap die de vrijblijvendheid doorbreken die thans vaak waarneembaar is.

Die overstap naar een nieuw betekeniskader is lastig, omdat we het geldend betekeniskader ervaren als vanzelfsprekend. De buitensluitende werking vloeit voort uit vanzelfsprekendheden en uitgangspunten die niet ter discussie staan. Juist omdat ze vanzelfsprekend zijn, kunnen ze niet gemakkelijk worden bevraagd. Ze spreken immers vanzelf. Ze werken zelfbevestigend en bieden geen ruimte voor twijfel of voor kritische beschouwing.

Derrida

Vanzelfsprekendheden en uitgangspunten kunnen worden opgevat als de bronnen van en bergplaatsen voor het buitengeslotene. Om die helder in beeld te krijgen kan het helpen aandacht te geven aan het deconstructivisme bij Derrida. Dat is de opvatting dat we teksten als basis moeten gebruiken om de vanzelfsprekendheden op het spoor te komen die worden verborgen door de tekst. Er is niets buiten de tekst, zo stelt Derrida. De tekst verbergt het buitengeslotene c.q. de buitensluitende werking. De tekst zelf is de bergplaats van vanzelfsprekendheden en dus heeft ook de tekst buitensluitende werking. De tekst, zo zou je kunnen stellen, drukt niet alleen uit, maar is tegelijkertijd bron van betekenisloosheid.

Dat nodigt uit teksten te benaderen vanuit de vraag wat de buitensluitende werking ervan is. Wat komt niet aan bod? Wat zijn de boodschappen die we niet in de tekst aantreffen maar slechts tussen de regels? Wie in de beleidspraktijk enigszins thuis is, zal met gemak voorbeelden in herinnering kunnen halen, waarbij rond de feiten wordt heen gedanst. Kamervragen bijvoorbeeld die zodanig worden beantwoord, dat het betreffende Kamerlid niet kan ontkennen dat hij/zij een antwoord heeft gekregen, maar tegelijkertijd in het duister tast over hoe het antwoord moet worden geïnterpreteerd. De antwoorden zijn multi-interpretabel waardoor de betreffende Minister maximaal bewegingsruimte houdt.

Die versluierende werking is in overheidsland herkenbaar, zeker als complexe zaken aan de orde zijn. De inhoud treffen we dan vaak eerder tussen dan in de regels aan. De tekst drukt uit en verbergt en versluiert tegelijkertijd. Pas door een diepgravende en kritische houding kunnen de vanzelfsprekendheden in een tekst worden opgespoord en benoemd. Vergelijk beleidsdocumenten die aardig ogen maar in wezen uitdrukking van onderliggende tegenstellingen zijn en die dus het karakter hebben van compromissen. Wat krachtig oogt als uitdrukking van een slagvaardige overheid, blijkt na kritische beschouwing een uitdrukking van onmacht te zijn en van een gebrek aan bereidheid de problemen aan te pakken. De tekst is dan eerder toedekkend dan uitdrukkend.

Verenging van perspectief

We zitten door ons streven naar alsmaar verdere perfectie in een trend, waarin we tegelijkertijd het perspectief van de overheid verengen. Oppervlakkigheid leidt ertoe dat we symptomen bestrijden. We preciseren definities en ruimen inconsistenties uit de weg, wanneer een rechterlijke uitspraak daartoe noodzaakt. De spanning tussen systeemwereld en leefwereld wordt daardoor groter in plaats van het verschil te overbruggen.

Verandering is ook lastig omdat de overheid problemen lange tijd kan negeren door de dominantie van het formele wereldbeeld. Het formele perspectief is weliswaar gebrekkig, maar dat doet aan de dominantie ervan niet af. Beleidsmaatregelen worden alsmaar perfecter maar de impact ervan wordt alsmaar geringer doordat we werkelijkheid buitensluiten. De toeslagenaffaire kan worden opgevat als een treffende illustratie van een tot in detail uitgewerkt beleidskader, dat zo perfect is bedacht dat het lastig tot een perfecte uitvoering leidt.

Gevolg van dat streven naar perfectie is dat we gaandeweg illusies hebben geconstrueerd. Die houden we echter liever in stand dan dat we het illusoire karakter ervan onderkennen en ter discussie stellen. Maatregelen zijn lastig uitvoerbaar omdat ze hopeloos ingewikkeld zijn. De impact van beleid wordt kleiner maar wat de overheid doet wordt alsmaar perfecter, althans volgens de geldende criteria van perfectie. Wat we bedenken is te mooi om werkelijkheid te worden. Een omslag is lastig omdat het juridisch systeem van de rechtspraak het formele betekeniskader als toetssteen gebruikt en ook geen andere keuze heeft vanwege het stelsel van de Trias Politica, de scheiding der machten.

Nodig is dat we beleidsvorming aan zien als een continu proces dat voortdurende bijstelling vraagt. Dus geen statische beeld van beleidsvorming waarbij we taken vatstsellen en bepalen dat die langs een bepaalde weg op een bepaald tijdstip moeten zijn bereikt. In de politiek moet het voortdurend falen en de noodzaak van bijsturing centraal koen te staan. Bijsturing en herijking worden dan niet langer geframed als mislukking en falen, maar het falen wordt eerder een voortdurende metgezel die aandacht vraagt en die ook krijgt.

De boodschap van het irrationele

Voor die ingrijpende verandering is nodig en die kan beginnen door in beeld te brengen wat we thans buitensluiten. Dat vraagt van ons dat we de signalen oppikken en problemen niet betekenen als verstoringen, maar als signalen van onderliggende systeemfouten. Wat moeten we ons daarbij voorstellen?

Een paar voorbeelden. Overheidsbeleid is gebaseerd op de aanname dat we in staat zijn de maatschappelijke werkelijkheid te beïnvloeden in de door ons gewenste richting. Dat veronderstelt dat we weten wat de juiste doelstellingen zijn, dat we beschikken over het vermogen tot beïnvloeding en dat we weten langs welke weg we ons doel kunnen bereiken. Dat lijkt allemaal vanzelfsprekend. Maar het vanzelfsprekende houdt tegelijkertijd risico’s in. Wat vanzelf spreekt, is niet langer onderwerp van kritische beschouwing. Het wordt niet langer bevraagd, juist omdat het vanzelfsprekend is. We hebben daardoor geen aandacht voor de buitensluitende werking van vanzelfsprekendheden. De overheid is er om problemen op te lossen. Het oplossend vermogen is voorondersteld met als gevolg dat we doorgaans minder geneigd zijn ons onvermogen onder ogen te zien.

Bij de aanpak van problemen kiezen we voor rationele planningsbenaderingen. Gevolg daarvan is dat we minder geneigd zijn oog te hebben voor het irrationele, voor invloeden die we niet goed kunnen beredeneren. Kortom, het rationele drukt het irrationele opzij. Dat lijkt logisch. Immers, wanneer we voor de keuze staan, te kiezen voor een rationele benadering of een irrationele, ligt de keuze voor de hand.

We gaan liever weloverwogen te werk maar die keuze voor wat we als weloverwogen beschouwen is gebaseerd op ons verondersteld vermogen dat we tot allesomvattende waarnemingen, overwegingen en keuzes kunnen komen. Telkens weer blijkt echter dat onze uitgangspunten en veronderstellingen mank gaan. De gewenste werkelijkheid laat zich niet zo gemakkelijk boetseren.

Aan de orde is dat we de maatschappelijke werkelijkheid ordenend benaderen in de veronderstelling dat de door ons gekozen ordening een getrouw beeld vormt van de werkelijkheid. De door ons gekozen ordening kan in wezen worden opgevat als een gedachtenconstructie waarvan we veronderstellen dat die ordening een getrouwe afbeelding vormt van de werkelijkheid.

In het bijzonder David Bohm heeft de nodige kritische kanttekeningen geplaatst bij dit perspectief. Hij introduceerde het onderscheid tussen de expliciete orde en de impliciete orde. De expliciete orde heeft dan betrekking op wat we waarnemen. De impliciete orde verwijst dan naar diepere lagen in de werkelijkheid. Er kan sprake zijn van krachten en bewegingen die we niet kunnen bevatten met ons begrippenkader. Consequentie is dat we ons bij beleidsvorming beperken tot de expliciete orde en bijgevolg een gemankeerd wereldbeeld als vertrekpunt nemen. Bohm (2019) pleit voor een verhoging of verruiming van ons bewustzijn, waardoor de ruimte ontstaat voor nieuwe begrippen. Hij maakt daarbij een onderscheid tussen de individuele ruimte, de collectieve ruimte en de kosmische ruimte.

Het komt erop neer dat we ons een gemankeerd beeld vormen van de werkelijkheid en dat de werkelijkheid zich moet voegen naar het beeld dat we ons ervan hebben gevormd. Een dynamische en meervoudige werkelijkheid wordt in een eenduidige en statische ordening gedrongen. Daardoor wordt de werkelijkheid zijn plooibaarheid ontnomen. Een gelaagde en plooibare werkelijkheid wordt verminkt door die vast te zetten.

In de terminologie van Deleuze: de maatschappelijke werkelijkheid als gas wordt gereduceerd tot vaste stof. Maar dat proces verloopt moeizaam. Er ontstaan lekkages in de statische constructies van de overheid. De overheid kan in een open samenleving niet voorkomen, dat betekenisgeving van burgers zich in allerlei en onderling tegengestelde richtingen kan bewegen.

Ficties, mythes en illusies

Zo ontstaat een wereldbeeld waarvan we denken dat het geen geheimen meer heeft voor ons. Maar het is een wereldbeeld dat slechts in stand kan blijven door ficties, mythes en illusies voor “echt” te houden. Neem de toedeling van verantwoordelijkheden. Die hebben we binnen het formele wereldbeeld nauwkeurig uitgetekend. Er is geen overheidsbesluit, zonder dat we met gevoel voor detail hebben geregeld, wie daartoe bevoegd is en wie daarvoor verantwoordelijkheid draagt.

Binnen het gebruikelijke hiërarchische model koms het erop neer, dat een minister formeel verantwoordelijk is voor ieder besluit dat binnen het betreffende ministerie wordt genomen. In gelijke zin kan het uitgangspunt binnen ons regelsysteem, dat burgers verondersteld worden de wet te kennen, als een illusie worden opgevat. Dergelijke ficties en illusies vormen een wezenlijk onderdeel van ons juridisch systeem. Ze zijn als het are de sluitstenen ervan. Zonder dergelijke uitgangspunten zou het systeem niet sluitend zijn.

Zo beschouwd kan onze zucht naar perfectie en blindheid voor de complexiteit van de werkelijkheid worden opgevat als bron van verstoringen. De werkelijkheid protesteert tegen deze vereenvoudigingen. Maar erkenning van de werkelijkheid betekent dat we ons onvermogen onder ogen moeten zien. Dat het bijvoorbeeld een illusie is dat we volledige consistentie kunnen bereiken in ons regelsysteem. Maar we wensen vast te houden aan onze illusies.

De prijs die we daarvoor betalen is, dat het in stand houden van ons regelsysteem veel inzet en energie vraagt. De transactiekosten zijn hoog. We overvragen ons juridisch systeem met als gevolg alsmaar meer en langere procedures. De creativiteit wordt niet aangewend voor verbreding van ons perspectief, maar is nodig om onze systemen overeind te houden. Op belastingterrein moeten telkens weer gaten worden gedicht als gevolg van nieuwe constructies die tot doel hebben belastingheffing te ontgaan. Planologisch zijn we vastgelopen in een wirwar van regels en procedures. De ervaringen met de Omgevingswet illustreren dat verandering, vereenvoudiging en stroomlijning van ons regelsysteem buitengewoon ingewikkeld is. We zijn er nauwelijks toe in staat. Het pijnlijke is, dat we die complexiteit zelf hebben geconstrueerd.

We hebben gaandeweg regelsystemen opgebouwd die niet alleen ingewikkeld zijn maar die tevens bron van vervreemding vormen en oorzaak kunnen zijn van psychisch lijden. Niet langer ontmoeten mensen elkaar in het formele systeem maar formele actoren. Desmet (2022) benoemt het absurdisch karakter ervan. Het menselijke en het subjectieve moeten plaats maken voor objectieve begrippen.

Kolakowski

De Pools-Britse filosoof Leszek Kolakowski heeft buitengewoon scherp deze essenties van het westers en moderne denken heeft gekritiseerd, is. In de persconferentie die hij de Duivel liet houden in Warschau in 1963, wees hij op het verloren gaan van waardeoriëntaties in de moderne westerse samenleving. De duivel die zich beklaagt dat hij geen aandacht meer krijgt. Het was een pleidooi om de uitgangspunten en vanzelfsprekendheden van ons moderne wereldbeeld te benoemen en onderzoeken en zo aan de oppervlakte te brengen wat veelal impliciet blijft, maar niettemin grote invloed heeft op ons denken en handelen. Vergelijk ook van der Wal (De Omkering van de wereld, achtergronden van de milieucrisis en het zinloosheidsbesef, 1996).

Verlangen en vervulling

Het leidt tot een perspectief op sturing en beleid waarin we allereerst kritisch ons instrumenteel denken in termen van doelen en middelen beschouwen. De illusie dus dat we de werkelijkheid begrijpen en doorzien en tevens in staat zijn die te plooien naar onze idealen. En ook dat we die processen nauwkeurig kunnen plannen. Voor de gedachte van een fundamenteel onvermogen is dan geen plaats. Verlopen onze processen niet zoals gepland, dan houden we de betreffende instantie of persoon verantwoordelijk.

We wensen onze illusies te koesteren in plaats van die op te geven. We houden vast aan ons wereldbeeld. In plaats daarvan moeten we ruimte zoeken om imperfecties verdiepend te onderzoeken. Voorwaarde daarvoor is dat we ons niet lager laten leiden door het gevestigd wereldbeeld maar de complexiteit ervan erkennen. En bijvoorbeeld ruimte bieden aan pluriformiteit en dynamiek in plaats van die uit te bannen door een eenduidig en statisch wereldbeeld.

Literatuur

Bohm, David, Over Dialoog, Helder denken en communiceren, Ten Have, 2019

Derrida, Jacques, Kracht van wet het mystieke fundament van het gezag, Maklu, Apeldoorn, 2013

Desmet. Mattias, De psychologie van Totalitarisme, Pelckmans Uitgevers, Kalmpthout, 2022.

Kleinherenbrink, Arjen, De constructie van de wereld, Boom, Amsterdam, 2022

Latour, Bruno, Reassembling the social, an introduction to New Actor Theory, Oxford University Press, 2007

Wagemans, Mathieu, Op weg naar een nieuw wereldbeeld, Deel 1, in: Civis Mundi, nr. 125, augustus 2022

Wagemans, Mathieu, Op weg naar een nieuw wereldbeeld, Deel 2, in: Civis Mundi, nr 126, september 2022

Wagemans, M., Een Oceaan van Betekenisloosheid, een kritische analyse van beleid, politiek en wetenschap met een verwijzing naar de filosofie van Michel Serres, Digitalis, Utrecht, 2016

van der Wal, G.A. De Omkering van de wereld, achtergronden van de milieucrisis en het zinloosheidsbesef, Ambo, 1996

van Zutphen, Reinier, Sociale minima in de knel, oktober 2022

omhoog


*******

De constructie van de wereld volgens Bruno Latour

Civis Mundi Digitaal #127

door Mathieu Wagemans

Bespreking van: Arjen Kleinherenbrink, De constructie van de wereld: De filosofie van Bruno Latour. Boom, 2022.


De onlangs overleden Bruno Latour (1947-2022) wordt wel geduid als een van de grootste denkers van de laatste honderd jaar. En inderdaad, zijn denkbeelden tasten tal van vanzelfsprekendheden aan. Maar daarmee is zijn filosofie voor velen allerminst vanzelfsprekend. Sterker nog, zijn opvattingen zijn in brede kring ervaren als een ongewenste en ongepaste aantasting van bijvoorbeeld de wetenschap. Dat maakt nieuwsgierig naar het denken van Latour. Wat onderscheidt hem? En waarom is zijn filosofie zowel aansprekend als afkeurenswaardig?

Actoren

Een antwoord op dergelijke vragen kan beginnen met de opmerking dat Latour in wezen een nieuw wereldbeeld schept. Zijn denken is allesomvattend. Het is een wereldbeeld dat grondig afwijkt van gebruikelijke en vanzelfsprekende beelden. In zijn Nieuwe Actor Theorie zijn niet langer mensen actor, maar moet ook dode materie worden opgevat als een actor. Een machine heeft evengoed werking als een steen of een landschap of een fiets of een willekeurige opvatting of een stoel. Het is het samenspel tussen actoren waar we de aandacht op moeten richten en dat on s in staat stelt tot inzicht te komen. Actoren kunnen verbindingen met elkaar aangaan, waardoor zich stevige krachten kunnen ontwikkelen. Die verbindingen kunnen ook verzwakken of zelfs geheel verdwijnen.

Consequentie is, dat we de werkelijkheid moeten opvatten als netwerken van actoren. Er is sprake van voortdurende dynamiek. Krachten kunnen verhevigen en intensiveren, wanneer meer actoren verbindingen met elkaar aangaan, die allemaal dezelfde richting uitwerken. Om die krachten te leren kennen, kunnen we niet vertrouwen op lineaire en eenduidige benaderingen. Dat zijn menselijke constructies die niet noodzakelijkerwijs overeenstemmen met hoe processen tussen actoren “feitelijk” verlopen. De werkelijkheid is te veelvoudig om zich in de modellen te laten stoppen die ons denken bepalen.

Verbindingen

Een dergelijk beeld van de werkelijkheid kan moedeloosheid veroorzaken. De wereld verschijnt als een kluwen van actoren die onvoorspelbaar onderlinge relaties aangaan. Het zijn processen die zich lastig laten ontleden. Sterker nog, analyseren betekent dat we de verbindingen doorbreken en de samenstellende delen uit elkaar halen en afzonderlijk beschouwen. Daarmee doen we geen recht aan de essentie van het wereldbeeld van Latour, namelijk de verbindingen tussen actoren. Bovendien, hoe kan wetenschappelijke kennis bijdragen aan vooruitgang wanneer we de onderliggende mechanismen maar moeilijk kunnen begrijpen, laat staan dat we vervolgens in staat zouden zijn die te manipuleren?

Antropoloog

Latour kwam tot zijn wereldbeeld na intensief als antropoloog op een laboratorium scherp waar te nemen wat er gebeurde. Hij kwam tot de conclusie dat het beeld alsof wetenschap tot stand komt door onderzoek te doen op basis van een breed aanvaarde methodologie, misplaatst was. Althans, dat bleek een erg versimpelde voorstelling van zaken. Wetenschapsbeoefening is een ingewikkeld proces, waarbij naast onderzoekers, methoden en instrumenten, tal van andere factoren c.q. actoren een rol spelen. Dan gaat het bijvoorbeeld over de onderliggende relaties tussen onderzoekers, de behoefte aan profilering, het acceptatiebeleid van artikelen bij uitgevers van wetenschappelijke tijdschriften. Maar evenzeer spelen triviale omstandigheden en objecten een rol. De verlichting in het laboratorium of het meubilair is evengoed actor als de gezinssituatie van onderzoekers. Met name de waarneming krijgt aandacht bij Latour. Instrumenten stellen in staat tot nauwkeurige meting van eigenschappen, maar de waarneming kan evengoed vertroebeld zijn of vertroebeld worden door de interpretatie van de metingen. We kunnen statistisch betrouwbare relaties leggen tussen parameters, maar welke zekerheid hebben we dat de processen verlopen conform de vooraf opgestelde hypothese? Anders gezegd, de kennis die we eruit afleiden is veronderstelde kennis. Het beeld alsof de wetenschap feiten produceert, wordt bijgevolg door Latour verworpen.

Kritiek op de moderniteit

Die visie van Latour kan worden opgevat als een fundamentele kritiek op het denken in de moderniteit. Het is een illusie te pretenderen dat we tot definitieve kennis kunnen komen door steeds verder door te dringen in de werkelijkheid. Die werkelijkheid is daarvoor te complex of, anders gezegd, ons denken is te eenvoudig. De werkelijkheid kan zich heel anders gedragen dan het beeld dat we ons ervan hebben gevormd.

Deze kritische blik van Latour op de moderniteit kan gemakkelijk het beeld oproepen, dat Latour een relativistische kijk heeft op de betekenis van wetenschappelijke kennis en in het bijzonder op het waarheidsgehalte ervan. Dat zou aardig overeenstemmen met de kritiek van postmodernisten die afstand nemen van de mogelijkheid om eenduidige en ware kennis te verwerven. Echter, Latour neemt met kracht afstand van een dergelijke etikettering. Hij neemt ook afstand van het constructivisme dat stelt dat ieder beeld van de werkelijkheid kan worden opgevat als een constructie, die onder invloed van sociale en culturele krachten tot stand komt. Zijn aandacht is gericht op de processen van wetenschapsbeoefening en de krachten die actoren en verzamelingen van actoren erop uitoefenen. Het gaat om “werkelijke” processen, niet om constructies die we daarvan maken vanuit een sociaal-constructivistisch perspectief. We moeten de actoren centraal stellen en de werking die ervan uitgaat

Redeneerlijnen

Interessant is ook het onderscheid dat Latour maakt tussen de “sociologie van het sociale” en de “sociologie van associaties”. Dat onderscheid is terug te voeren tot de redeneerlijnen die in de wetenschap worden gebruikt. Eenvoudig uitgedrukt neemt Latour afstand van de neiging in de wetenschappen om rechtstreekse verbanden tussen factoren te identificeren. Die benadering doet volgens Latour geen recht aan de complexiteit van de werkelijkheid. Liever spreekt hij over associaties. Dat zijn verbanden die niet de hardheid hoeven te hebben van relaties die geen ruimte laten voor twijfel. We definiëren begrippen en relaties. We zetten ze vast vanwege onze drang tot zekere kennis te komen.

In plaats van te definiëren kiest Latour ervoor te associëren. Het gaat dan om verbanden die niet relaties vastzetten, maar die ruimte laten voor uiteenlopende processen en krachten. Dat betekent, dat we het verlangen moeten onderdrukken te gemakkelijk tot eenduidige verbanden en daarop gebaseerde verklaringen te komen. Er kan sprake zijn van relaties zonder dat we die nauwkeurig kunnen benoemen. We leggen dan verbanden zonder dat we onszelf ertoe dwingen die uit te tekenen. Als we dat zouden doen, dan “overeisen” we onszelf, omdat we doorgaans niet in staat zijn een veelheid van relaties tussen een groot aantal actoren eenduidig vast te leggen, nog los van de dynamiek die dergelijke relaties kenmerkt. De wereld bestaat uit “kwetsbare ketens van associaties, beproevingen en vertalingen”.

Ecologie

In zijn laatste jaren heeft Latour de aandacht verlegd van de wetenschapsfilosofie naar ecologische vraagstukken. Hij heeft fundamenteel nagedacht over het ontstaan en het functioneren van samenlevingen. Het beeld is te eenvoudig, dat een samenleving is gebouwd op afspraken die in structuren en overeenkomsten vastliggen. Er is ook sprake van tal van objecten, die ordenende werking hebben. Denk aan de werking van een mobieltje. Dergelijke “niet-menselijke” objecten stellen in staat onze (deel)systemen te laten functioneren en om verbindingen tussen deelsystemen te leggen.

Opmerkelijk is dat Latour ondanks zijn kritiek op de moderniteit een positief beeld heeft van technologie. Dat komt voort uit zijn actoren-benadering. Een willekeurig technologisch instrument moet worden opgevat als het resultaat van een verenigde inzet van actoren. Actoren zijn dan een ervaren probleem, een wens tot oplossingen te komen, ideeën, belangen, patenten, praktische vaardigheden, afspraken, de prijs van een instrument, gebruiksregels enz. Het is een in gezamenlijkheid tot stand gekomen construct.

Het leidt tot een relativering van de positie van de mens. De mens is weliswaar actor, maar hij functioneert te midden van ander actoren, zowel menselijke, natuurlijke als materiele. Dat houdt in dat de mens verkeert in een complex van afhankelijkheden. Andere actoren oefenen werking uit. Hij heeft zich ertoe te verhouden.

Politiek van de dingen

In een afrondend hoofdstuk word ingegaan op de visie van Latour op het functioneren van de politiek en van politici. Hij neemt, heel logisch vanuit het voorgaande, afstand van het instrumentele denken waarin politici als vertegenwoordigers van burgers de wensen van burgers vertalen in concrete activiteiten. Dat beeld is een versimpeling. Er is in een maatschappij sprake van een veelheid aan actoren: menselijke, natuurlijke en materiële. Er is bovendien sprake van allerlei systemen en verbanden die positieve en negatieve invloed uitoefenen, afhankelijk van de ambities van een politicus of politieke partij. Latour toont zich kritisch met betrekking tot de scheiding tussen wetenschap en politiek.

Tot slot

Het boek van Kleinherenbrink heb ik ervaren als een verhelderende inkijk in het denken van Latour. Daar dragen zeker de concrete voorbeelden en voorstellingen aan bij, die het denken van Latour illustreren. Ze stellen in staat door te dringen tot de verdieping die kenmerkend is voor de filosofie van Latour. Daarmee is niet gezegd dat na lezing een allesomvattend en intern consistent beeld is ontstaan over zijn filosofie. Dat zou overigens op zichzelf al vreemd zijn voor een filosofisch werk. Alsof we filosofisch op een bepaald terrein zijn “uitgedacht”.

Vragen rond het onderscheid tussen verschillende categorieën actoren blijven bij mij opspelen. Over de mensen bijvoorbeeld ten opzichte van actoren die enkel materieel zijn. Mensen die in staat zijn tot reflectie en tot betekenisgeving, welke capaciteiten stenen of stoelen ontberen. Zijn mensen niet in staat is materie te betekenen, terwijl actoren zoals stenen en stoelen daar niet toe in staat zijn? Of, nog een stap verder, kan de filosofie van Latour met zijn actoren en netwerken van actoren ook zelf niet worden opgevat als het resultaat van processen van betekenisgeving? Is zijn theorie of theoretisch perspectief in wezen ook niet een sociale constructie?

*************

Kiezen voor het afwijkende (opiniebijdrage de Limburger 20 okt 2022)

Mathieu Wagemans


Er verschijnen de laatste jaren steeds meer berichten over crises. Een crisis kan worden beschouwd als een probleem dat niet gemakkelijk oplosbaar is. Gebruikelijke interventies helpen niet meer. Er is meer nodig. Denk aan de stikstofcrisis, de crisis op de woningmarkt of de energiecrisis. Maar ook het alsmaar afbrokkelend vertrouwen in overheid en politiek kan als een crisis worden opgevat.


Dat roept de vraag op of er niet iets fundamenteel mis is. We beschikken over alsmaar meer onderzoek, steeds meer mensen werken aan innovaties en we leren van onze ervaringen. We richten nieuwe organisaties op met als opdracht oplossingen te bedenken En als het mis gaat, proberen we via evaluaties en parlementaire enquêtes de onderste steen boven te halen. En vervolgens trekken we conclusies en doen voorstellen voor verbetering. Maar die helpen lang niet altijd. Mogelijk zijn die oplossingen te eenvoudig of, anders gezegd, zijn de problemen te ingewikkeld.


Om daar zicht op te krijgen is belangrijk dat we onze wijze van organiseren nader te bezien. Organiseren houdt in dat we orde scheppen. We formuleren doelen en opdrachten. We kennen bevoegdheden toe en maken afspraken over hoe we aan het werk gaan. Organiseren betekent dat we precies definiëren wat er moet gebeuren en wat iemand moet doen. Maar kenmerk van een definitie is, dat die een onderscheid maakt tussen wat de definitie omvat en wat niet onder de definitie valt. Dat laatste wordt buitengesloten. Het is betekenisloos. Het krijgt geen aandacht. Per definitie niet. En dan gaat het fout. De aandacht in een organisatie gaat immers enkel uit naar wat we formeel hebben vastgelegd in regels. Organisaties creëren zo hun eigen wereld. Maar telkens weer blijkt dat die wereld beperkt is. We hebben geen aandacht voor de buitenwereld. We dwingen de werkelijkheid binnen onze organisatorische kaders.


Maar juist die buitengesloten wereld heeft ons een boodschap te vertellen. Sterker nog, je zou kunnen stellen, dat kenmerkend voor een organisatie of een systeem datgene is wat geen aandacht krijgt. De belangrijkste eigenschap van een organisatie is dan niet, wat die organisatie of systeem omvat, maar juist datgene waarvoor er binnen die organisatie geen plaats is. Vergelijk het met het begrip identiteit. Wanneer we de vraag krijgen wie of wat een bepaalde persoon eigenlijk is, zijn we geneigd eigenschappen te benoemen die die persoon onderscheiden van anderen. We benoemen het afwijkende ten opzichte van wat gebruikelijk is. Bijvoorbeeld hoe iemand zich kleedt of een zeldzame ziekte heeft. Het afwijkende bepaalde het eigene van een persoon.


Zou het niet helpen wanneer we met betrekking tot en binnen onze organisaties diezelfde houding zouden aannemen? Dat we de aandacht verleggen van onze regels en wetten naar wat we daardoor buitensluiten. Dat we de vervreemding tussen overheid en burger kenmerkend noemen voor ons overheidssysteem. Dat kenmerkend voor ons landbouwsysteem is, dat het ecologische en sociale waarden onder druk zet. Dat kenmerkend voor het overheidsbeleid is, dat het centraal stellen van regels de gevoelens van burgers opzij drukt. Dat in het politieke systeem het centraal stellen van partijbelangen de bron is van doofheid en blindheid.


Dat houdt een ingrijpende omslag in. Het vraagt bovenal lef, vooral binnen ons bestuurlijke en politieke systeem. Daarin is de aandacht thans vooral gericht op wat succesvol is en op de vraag hoe men zich kan profileren. In de politiek zou dat inhouden dat de rol en positie van de oppositie wordt versterkt. Die heeft dan de verantwoordelijkheid datgene te benoemen dat men liever buiten beeld houdt. Datgene op tafel leggen wat men liever geheim wil houden. Opkomen voor wat kwetsbaar is binnen onze regelsystemen. Benoemen waar men liever doof en blind voor is.     


Thieu Wagemans is Raadslid voor Ronduit Open in Leudal

************

Op weg naar een nieuw wereldbeeld
Deel 2

Civis Mundi Digitaal #126

door Mathieu Wagemans


Inleiding

In Deel 1 schetsten we de contouren van een nieuw perspectief. Dat willen we gebruiken voor een systeemanalyse van domeinen zoals overheid, wetenschap en rechtspraak. In dit Deel 2 willen we dit perspectief op een aantal punten verdiepen. We gaan in op het nieuwe materialisme, op het splitsend en onderscheidend denken, op de tussenruimte tussen de polariteiten en de noodzaak van meervoudigheid in ons denken.

Constructivisme en materialisme

Als we het constructivisme als vertrekpunt nemen, houdt dat in dat we de werkelijkheid proberen te begrijpen door er betekenis aan te geven. De afbeeldingen van de werkelijkheid die we construeren, zijn dus het resultaat van betekeningsprocessen van onszelf. Dus kunnen we de vraag hoe de werkelijkheid in elkaar zit, vervangen door de vraag op welke wijze we betekenis geven. Hoe verlopen die processen? En vooral natuurlijk, hoe verloopt de buitensluiting. Wat wordt er niet betekend?

Die opvatting is onderwerp van kritiek geweest. In zijn meest consequent doorgedachte vorm zou het constructivisme inhouden dat we de werkelijkheid geen eigen status geven, maar dat betekenisgeving een absolute positie heeft. De werkelijkheid zou dan een kwestie zijn van constructies van de mens. De werkelijkheid is, zoals we de werkelijkheid betekenen. De werkelijkheid zou dan slechts bestaan en bestaansrecht hebben voor zover wij er betekenis aan geven. Zonder onze constructies zou de werkelijkheid niet bestaan.

Op die opvatting is de nodige kritiek gekomen. De werkelijkheid ontnemen we dan een eigen identiteit. In plaats daarvan zouden we als uitgangspunt moeten nemen dat het constructivisme teveel invloed toekent aan ons als betekenaars van de werkelijkheid. We schuiven dan terzijde dat we zelf niet in staat zijn, ons perfecte en allesomvattende afbeeldingen van de werkelijkheid te vormen. Onze afbeeldingen zijn per definitie gemankeerd.

Nieuw materialisme

Dat leidde vervolgens tot de overtuiging dat het centraal stellen van een constructivistisch perspectief correctie behoeft. We zouden de werkelijkheid en de materie een eigen plaats moeten geven binnen ons perspectief. Die denkwijze heeft geleid tot wat wordt geduid als het nieuwe materialisme. We moeten daarbij niet zozeer de keuze maken tussen materialisme of constructivisme, maar we moeten beide perspectieven met elkaar verbinden.

De vraag is dan aan de orde wat we ons bij materiele elementen en beelden moeten voorstellen. Het aan de orde stellen van de relatie tussen materialisme en constructivisme houdt in dat we iets moeten zeggen over de verhouding tussen objectiviteit en subjectiviteit. Objectiviteit verwijst naar een externe positie waarin we ons onafhankelijk van de werkelijkheid opstellen en we tot zekere kennis kunnen komen van de werkelijkheid. Het is de grondgedachte van de Verlichting. We zien de wereld als een geheel van relaties die we kunnen waarnemen en die we door onderzoek kunnen leren kennen. We ontleden de werkelijkheid en op basis van de verworven kennis zijn we in staat de werkelijkheid naar onze hand te zetten. De werkelijkheid is intervenieerbaar en maakbaar. The sky is the limit. Maakbaarheid is vanzelfsprekend.

Antropocentrisch

Die opvatting is onderwerp van kritiek geworden. Het is gebaseerd op een mensbeeld, waarin de mens zichzelf positioneert als heerser waar de werkelijkheid aan ondergeschikt is. We plaatsen de aarde in het centrum van het universum. En vervolgens plaatsen we onszelf in het centrum alsof we de aarde kunnen beheersen en sturen. De werkelijkheid zou geheel ondergeschikt worden gemaakt aan onze wijze van betekening. De kritiek houdt in dat we daardoor de positie van de mens een al te centrale plaats geven. Dat mensbeeld staat ter discussie. Het is de basis voor het antropocentrisch denken. We stellen de mens centraal en juist dat vertrekpunt wordt beschouwd als een belangrijke oorzaak voor problemen, zoals op het vlak van duurzaamheid. We dachten alles in de hand te hebben en de werkelijkheid te kunnen beheersen. Dat getuigt echter van een gebrek aan respect voor de werkelijkheid en vooral voor wat kwetsbaar is onder economische druk. Wat niet werd betekend als economisch waardevol, kwam onder druk te staan. Het moest wijken voor ons verlangen naar economisch succes.

We plaatsen onszelf in het midden van het universum en denken lineair, omdat we niet kunnen omgaan met oneindigheid en afhankelijkheid. We wensen zekerheid en het vermogen tot beïnvloeding en vormen ons een beeld waarbinnen dat mogelijk is en waarin we onze illusies zoals het bereiken van onbetwistbare waarheid, overeind kunnen houden. Ligt daar niet de bron van de hardnekkigheid waarmee problemen zich aan ons voordoen? Telkens weer stelt de werkelijkheid ons teleur omdat die zich niet laat vouwen op basis van onze verwachtingen en overtuigingen. De mens is in het beeld van de moderniteit tegelijkertijd heerser en ondergeschikte. We stelden in Deel 1 dat het wereldbeeld van de moderniteit instrumentalistisch is. We kunnen de werkelijkheid kneden naar onze verlangens. We streven naar perfectie. We vormen ons een beeld van een perfecte wereld. In het Deel over het politieke systeem zullen we aangeven hoe ons verlangen naar perfectie kan worden opgevat als een belangrijke verklaring voor de problemen waar we thans mee worden geconfronteerd. En hoe we problemen op het vlak van sturing niet kunnen oplossen door inhoudelijke beleidswijzigingen. Onze verlangens overheersen ons beeld van de werkelijkheid. We denken de wereld naar onze hand te kunnen zetten. Maar telkens weer stelt de werkelijkheid ons teleur. We vormen ons een beeld van een perfecte werkelijkheid maar die blijkt telkens weer onbereikbaar. De horizon verschuift telkens. We moeten onder ogen zien dat we moeten omgaan met het onvolmaakte. Met de spanning tussen onze verlangens en de weerbarstige realiteit. We zijn geneigd het onmetelijke meetbaar te maken, het oneindige grijpbaar en het onvoorspelbare planbaar.

Een nieuw mensbeeld

Er is intussen een brede overtuiging dat dit antropocentrisch denken te ver is doorgeschoten. We moeten tot een herwaardering komen van de wereld waarin we leven. Dat betekent dat we de werkelijkheid een eigen positie geven in plaats van de mens te zien als de heerser, die de werkelijkheid kan kneden naar zijn verlangens. Dat houdt in dat het nieuwe mensbeeld ervan uitgaat, dat de mens zelf onderdeel is van de werkelijkheid en zich ertoe moet verhouden. Dus niet langer een onafhankelijke positie veronderstellen, maar erkennen dat de mens zich in een afhankelijke positie bevindt. Daar vloeit een herwaardering uit voort van bijvoorbeeld natuur en milieu. Dat worden zelfstandige waarden die niet langer ondergeschikt worden gemaakt aan het economisch denken.

Die houding van afhankelijkheid houdt een erkenning in van de eigenwaarde en identiteit van de werkelijkheid. Dat betekent een doorbreking van het centraal stellen van de subjectiviteit, zoals centraal staat in het constructivisme. Het verandert dus de verhouding tussen constructivisme en het materialisme als tegenpool.

Subjectiviteit en objectiviteit

We moeten tot een andere verhouding komen tussen subjectiviteit en objectiviteit. Erkennen dus dat er een werkelijkheid is met een eigen status die zich niet passief laat veranderen doordat we die anders betekenen. Het vraagt een heroriëntatie op de werkelijkheid als zelfstandig bestaand. We kunnen niet langer denken in termen van lineaire relaties en oorzaak-gevolg-relaties. We hebben te maken met een werkelijkheid waarin subjectiviteit en objectiviteit onderling vervlochten zijn. We moeten uit de tegenstelling treden en tot een nieuw perspectief komen.

Wanneer de mens zichzelf positioneert als onderdeel van de werkelijkheid, houdt dat erkenning van afhankelijkheden in. Hij heeft zich te verhouden tot zijn omgeving. Dat betekent een relativering, ook van de kennis die we van de werkelijkheid verwerven. Die zal altijd persoonlijk gekleurd zijn. Absolute kennis is niet bereikbaar. Kennis zal altijd een subjectief element bevatten.

Die houding van afhankelijkheid houdt een erkenning in van de eigenwaarde en de identiteit van de werkelijkheid. Dat betekent een doorbreking van het centraal stellen van de subjectiviteit. Erkennen dus dat er een werkelijkheid is met een eigen status die zich niet passief laat veranderen doordat we die anders betekenen.

Het is opmerkelijk dat juist kwantumtheoretici , die toch als streven hadden steeds dieper in de werkelijkheid door te dringen, zich heel goed bewust waren van processen van betekening en dat ons perspectief op de werkelijkheid bepalend is voor wat we zien. Door van perspectief te veranderen kan een geheel ander beeld ontstaan waardoor we ons inzicht in de werkelijkheid ingrijpend kunnen vergroten. Dat houdt in dat we het beeld van een definitieve en alles bepalende objectiviteit moeten opgeven. De waarneming is bepalend voor wat we zien. We kunnen ons niet losmaken van subjectieve invloeden wanneer we de werkelijkheid benaderen. Dat werd helder tot uitdrukking gebracht door Nicolescu (2010), die stelde dat we eerst de subjectiviteit moeten doden om tot objectieve kennis in staat te zijn. Dat is de mens echter niet gegeven. We kunnen onze voorgeprogrammeerdheid in ons denken moeilijk uitschakelen en tot een geheel vrije en onafhankelijke waarneming komen van de werkelijkheid. Ook Serres (2016) was zich daarvan bewust. Hij problematiseerde de waarneming van de mens. We kunnen niet onbeperkt vertrouwen op de werking van onze zintuigen.

Splitsend denken

Kenmerk voor het westers denken is dat we de werkelijkheid ontleden. We onderscheiden aspecten, kenmerken en deelfuncties. We denken splitsend. Daardoor doen we geen recht aan het wezen van de werkelijkheid. Om met Kant te spreken: de categorieën van het verstand vormen het kader waar de werkelijkheid in wordt geperst. We denken binair en wensen eenduidigheid. We definiëren rijkdom en armoede. We stellen meetbare criteria op aan de hand waarvan we bepalen of iemand recht heeft op een toeslag. We vinken lijstjes af, maar die stellen niet in staat het begrip armoede te omvatten. Daar is meer voor nodig, zoals aandacht voor kansloosheid. En aandacht voor externe omstandigheden zoals cultuur en sfeer, die anders zijn in een bungalowwijk dan in een historisch bepaalde arbeiderswijk. Kinderen van hoog opgeleide ouders hebben een grotere kans succesvol te zijn in verdere studies dan kinderen van ouders die in armoede leven. Kortom, er zijn tal van omgevingsfactoren die een rol spelen waarbij meer factoren van invloed zijn dan de hoogte van het inkomen. We moeten oog krijgen voor de context.

Onze behoefte aan inzicht is zo groot, dat we ons een beeld vormen van de werkelijkheid dat aan die behoefte tegemoet komt. We vormen een beeld dat ons in staat stelt de werkelijkheid te begrijpen. Daarmee doen we geen recht aan de werkelijkheid. We plooien de werkelijkheid naar ons kenvermogen. Daarmee sluiten we kennis buiten. En daardoor sluiten we complexiteit buiten. En door complexiteit buiten te sluiten, zijn we zelf de constructeurs van complexiteit. In het Deel over wetenschap komen we hierop terug.

Tussenruimte

Om dat splitsend denken te doorbreken is een nieuwe benadering nodig met betrekking tot de begrippen objectiviteit en subjectiviteit. We doen dat in het besef dat iedere theoretische benadering van de materiele werkelijkheid ordenend is. We bedienen ons van begrippen en definities die in staat stellen ons een geordend beeld van de materiele werkelijkheid te vormen. Vergelijk de ontologie bij Aristoteles die de werkelijkheid benadert vanuit categorieën zoals kwaliteit, kwantiteit, relatie enz.

Kenmerkend voor de huidige denkwijze is, zoals aangegeven, dat we ons denken en daarop gebaseerd handelen onderscheiden in objectief en subjectief. We construeren een continuüm waarbij er sprake is van een tussenruimte tussen twee uiterste posities, tussen twee polariteiten. Door ons binaire denken en daarop gebaseerd handelen hebben we geen oog voor de ruimte tussen beide uiterste posities. Die ruimte hebben we weggeordend. Het is een restpost die we slechts kunnen betekenen met behulp van de begrippen die aan beide polaire posities zijn verbonden. Maar dat lukt niet. De betekeniskaders van de beide polaire posities veroorzaken verschillen maar zijn niet geschikt om tot die verschillen door te dringen. Sterker nog, het streven naar eenduidigheid kan worden opgevat als de bron van buitensluiten en dus de bestaansbasis van de niet-betekende ruimte. Het is de werkelijkheid die niet in onze ordeningen en systemen past.

Maar het feit dat we die ruimte niet kunnen betekenen, houdt niet in dat die niet bestaat. Het buitengeslotene heeft een eigen identiteit, zo stelt Serres. Om die te leren kennen moeten we afstand nemen van het continuüm-denken. We beschouwen dan de ruimte tussen beide polariteiten als een tussenruimte, waarop we ieder punt benoemen in de verhouding tussen beide polen. Op het middelpunt is sprake van een 50/50-verdeling tussen de polariteiten. We betekenen daarmee de tussenruimte met behulp van de begrippen die de polaire posities kenmerken. Maar dan doen we geen recht aan de verschillen. Dan is er geen ruimte om die tussenruimte een eigen betekenis en een eigen identiteit te geven.

De tussenruimte moeten we opvatten als de ruimte, die niet door beide polariteiten kan worden betekend. We hebben daarvoor andere begrippen nodig. Het onderscheid tussen polariteiten is de oorzaak van de tussenruimte maar schiet tekort om die ruimte te begrijpen. De tussenruimte kan worden opgevat als de ruimte die juist niet kan worden betekend door de beide polariteiten. Als kilogrammen en meters als meetinstrument worden gebruikt, kunnen we de werkelijkheid die zich niet laat meten met behulp van kilogrammen en meters niet benoemen. Die ruimte ontstaat juist als gevolg van dat onvermogen. We moeten dan op zoek naar de ruimte die zich niet laat meten met behulp van gangbare maten. Het is de niet-meetbare en niet betekenbare ruimte. Voor zover we die niettemin proberen te betekenen komen we vaak niet verder dan de definitie van de niet-meetbare werkelijkheid.

De tussenruimte laat zich niet weg definiëren. Toch is dat precies wat er gebeurt door ons denkkader. Daarin wensen we eenduidigheid. Iets is waar of onwaar, iemand heeft ergens recht op of niet, een handeling is strafbaar of niet. Dat biedt ons overzichtelijkheid en duidelijkheid. Maar we beseffen niet dat het een geconstrueerde overzichtelijkheid is en een geconstrueerde duidelijkheid. Die kan slechts ontstaan doordat we het tussengebied buitensluiten. Het heeft geen bestaansrecht.

Differentiefilosofie

Het denken van Deleuze is interessant vanwege zijn benadering, waarin hij aandacht vraagt voor verschillen. We ordenen de werkelijkheid in categorieën. We formeren daartoe onderscheidende eigenschappen en kenmerken. Deleuze stelt dat we daardoor te achteloos voorbijgaan aan de aard van de verschillen. Je zou kunnen zeggen dat we de verschillen zelf construeren, doordat we de werkelijkheid vanuit een set van onderling afwijkende kenmerken benaderen. We ordenen de verschillen weg en in plaats daarvan, zo stelt Deleuze, moeten we de verschillen onderzoeken. Door de verschillen weg te ordenen, vormen we ons een beeld van de werkelijkheid dat overzicht en inzicht biedt. Maar het verwerven van dat inzicht vraagt een prijs. We moeten accepteren dat inzicht in een gebrekkig afgebeelde werkelijkheid ook slechts gebrekkig kan zijn. De werkelijkheid moet het hoofd buigen voor onze zucht naar ordelijkheid en inzicht.

We doen daarmee de werkelijkheid geweld aan. Er is in dat verband nog ene ander gezichtspunt. Dat heeft ermee te maken dat de eigenheid, het wezen en de identiteit van objecten niet wordt bepaald door de inhoudelijke kenmerken van een object, maar juist door de relaties die worden onderhouden met de buitenwereld. Het gaat er dus om hoe een object zich verhoudt tot andere objecten. Vergelijk de benadering van het begrip identiteit. De identiteit van een mens wordt bepaald door hoe iemand zich onderscheidt ten opzichte van andere mensen. Identiteit is zo beschouwd een “ relatief” of relationeel begrip. Hoe we ons verhouden tot medemensen, is bepalend voor onze identiteit. De verbinding die we maken met anderen tekent onze identiteit.

Deleuze stelt dat dus we ons te makkelijk afmaken van verschillen. Onze behoefte aan ordening is de bron van verschillen. Zo komen we tot ordeningen maar die vormen een gemankeerd beeld van de werkelijkheid. Ordenen houdt in dat we een onderscheid maken tussen wat tot de ordening behoort en datgene wat niet kan worden ondergebracht in de ordening. Dat laatste is de chaos. Het is wat overschiet bij het ordenen. Je zou kunnen zeggen dat juist de verschillen, het buitengeslotene dus, bepalend is voor de aard van de ordening. De ordening kan slechts bestaan dankzij het buitengeslotene. We moeten dus, zo stelt Deleuze, de verschillen onderzoeken. We kunnen niet volstaan met een continuüm waarop we iedere positie zien als een verhouding tussen de polariteiten. Wanneer we een eigen betekenis willen geven aan de tussenruimte en die als een zelfstandige entiteit willen benoemen, hebben we andere begrippen nodig. Het verschil is enkel het resultaat van het afwijkende tussen twee polariteiten. Maar daarmee is de ruimte niet betekend. Integendeel. Vergelijk ons onderwijssysteem waarin lange tijd de grondgedachte was dat we leerlingen disciplinaire kennis moesten bijbrengen. We ontleedden de werkelijkheid in vakken zoals taal, rekenen en geschiedenis. Maar de werkelijkheid is een combinatie tussen disciplines en juist de onderlinge verbindingen zijn kenmerkend voor die werkelijkheid. Het is juist de ruimte tussen de disciplines die het onderzoeken waard is. Het is, zoals Serres stelt, het gebied “entre”. In het Deel over wetenschap werken we dit verder uit.

Een betekende en een niet-betekende ruimte

Aldus kunnen we de werkelijkheid opvatten als een ruimte die deels is betekend en deels niet is betekend en ook niet kan worden betekend met behulp van gangbare begrippen. Die niet-betekende ruimte kan worden opgevat als een verborgen potentie. Die ruimte kan met betekenis en dus, verwijzend naar Deel 1, met energie worden geladen en werking krijgen. De betekening ervan wordt niet beperkt door die ruimte zelf maar eerder door ons eigen voorstellingsvermogen. We hebben nieuwe begrippen nodig om te betekenen wat niet kan worden omvat door het geldend betekeniskader. Het is de werkelijkheid die buiten ons voorstellingsvermogen ligt. Om die te verkennen hebben we een hoger niveau van bewustzijn nodig. Verbindingen bijvoorbeeld tussen het rationele en het irrationele.

Meervoudigheid

Je zou het splitsend denken kenmerkend kunnen noemen voor het betekeniskader van de moderniteit en ook als oorzaak van de problemen waar we voor staan. We hebben afzonderlijke functies onderscheiden, die we hebben geperfectioneerd en waarvan we de effectiviteit vergroot. Dat was mogelijk door het andere buiten te sluiten. Vergelijk het economisch systeem dat dominant werd en dus andere waarden opzij kon drukken, omdat die geen economische waarde hadden. De landbouw als voorbeeld. We konden de productiviteit enorm opvoeren door geen betekenis toe te kennen aan waarden als natuur en landschap.

De nadruk op eenduidigheid komt voort uit ons verlangen naar helderheid. We ervaren het als verwarrend wanneer er sprake is van onderling tegengestelde interpretaties. Regels dienen helder te zijn en dus eenduidig. Het is immers lastig om samen te werken wanneer eenzelfde situatie op basis van onderling afwijkende betekenisgeving tot andere handelingen zou leiden. Onze behoefte aan ordening leidt tot een geordend beeld van de werkelijkheid.

Meervoudigheid houdt een wereldbeeld in waarin de werkelijkheid zich tegelijkertijd meervoudig laat ontvouwen en waarin iedere afbeelding c.q. constructie beperkingen kent. Het is een wereldbeeld waarin we niet toegeven aan ons verlangen naar helderheid. We moeten erkennen dat een steeds verdere aanscherping en precisering van onze definities en begrippen juist een omgekeerd effect heeft. Hoe nauwkeuriger onze definities zijn, des te meer werkelijkheid sluiten we buiten. Het toepassingsgebied en de werking van onze kennis wordt alsmaar beperkter. We weten steeds meer over een alsmaar beperkter beeld van de werkelijkheid. Het gaat niet om aanscherping van definities, niet om alsmaar meer gedetailleerde kennis binnen een bepaald perspectief, maar om aanvaarding van de consequenties, dat tegelijkertijd meerdere perspectieven aanwezig zijn. Dat maakt communicatie lastig. We zijn niet gewend ons telkens de beperkingen van een bepaald perspectief te realiseren. Integendeel, dat zou de pretentie van ware kennis belemmeren. Kennis is dan perspectief gebonden. Het wezen van de werkelijkheid is dat die tegelijkertijd zich heel verschillend kan vertonen.

Het wereldbeeld van een meervoudige werkelijkheid kan logisch worden verbonden met het begrip plooi, zoals dat is geïntroduceerd door de filosoof Leibniz en later is opgepakt en gethematiseerd door Deleuze. De grondgedachte is dat de werkelijkheid niet eenduidig is maar meervoudig. De werkelijkheid laat zich op verschillende wijze ontvouwen en we kunnen ons dus meerdere beelden vormen van eenzelfde werkelijkheid. (van Tuinen, 2012). We plooien de werkelijkheid naar het betekeniskader van onze systemen. Daardoor doen we geen recht aan de meervoudigheid van de werkelijkheid.

Denkhoeden

De Bono (2016) borduurt voort op meervoudigheid en introduceert het begrip “denkhoeden”. Hij onderscheidt zes verschillende benaderingen c.q. perspectieven c.q. denkwijzen, zoals het overall beschouwend perspectief (de regiefunctie) , het objectieve, analytisch perspectief (cijfers), het emotionele perspectief, het positieve en het kritische c.q. negatieve perspectief, en het creatieve perspectief. Daar kunnen functies aan worden gekoppeld die in een organisatie allemaal van betekenis kunnen zijn, zij het dat afhankelijk van de situatie en de aard van de problematiek, afzonderlijke functies een belangrijke, dan wel een ondergeschikte rol spelen. Een juiste mix van perspectieven op het juiste moment kan aanmerkelijk bijdragen aan het goed functioneren van een team of organisatie. Enkel ruimte bieden aan emoties of alleen maar focussen op cijfers kan daarentegen het functioneren negatief beïnvloeden. Door ruimte te bieden aan alle perspectieven wordt bevorderd, dat situaties en vraagstukken vanuit meerdere perspectieven worden bekeken. Dat kan worden opgevat als een basisvoorwaarde voor creativiteit. Er worden verbindingen gelegd tussen onderling afwijkende perspectieven. Het vraagt een zijwaartse c.q. laterale denkhouding waarbij er ruimte is voor nieuwe gedachten en voorstellingen. Er worden wegen en verbindingen bedacht tussen verschillende systemen. Het vraagt van deelnemers de eigen wereld te verlaten en afstand te nemen van de daarin geldende vanzelfsprekendheden. Die belemmeren de denk- en voorstellingsruimte en bevorderen reproductie in plaats van systeemvernieuwing.

We kunnen ook verwijzen naar Latour die het begrip “translatie” introduceerde. De werkelijkheid toont zich telkens anders aan ons. In de Nieuwe Actor Theorie wordt de werkelijkheid c.q. de waarheid opgevat als een complex van verbindingen tussen elementen. Die elementen hebben betrekking op personen, functies, instrumenten, culturele factoren, machtsverhoudingen enz. Ook materiele objecten kunnen binnen zo’n complex werking hebben. Dat leidt niet tot vaststaande ordeningen maar het verschaft inzicht in de processen van ordening. Het is juist die dynamiek die ons inzicht in de werkelijkheid kan vergroten. Je zou kunnen zeggen, dat waarheid bij Latour geen definitie van een situatie is, maar dat waarheid een proces is van waarwording.

Het komt er dus op neer dat we de grenzen van onze geldende systemen overschrijden en de ruimte erbuiten betreden. Om die ruimte te betreden hebben we dus nieuwe begrippen nodig. Daartoe is nodig dat we het streven naar definitieve kennis opzij zetten en niet langer streven naar nog meer kennis binnen een bestaand betekeniskader. Het gaat er dan juist om dat we ons denken verleggen en tot nieuwe begrippen en daarop gebaseerde perspectieven komen. en voorbeeld betreft de kwantumtheorie. Met behulp van nieuwe begrippen (fotonen, kwantumsprongen, golftheorie) kwamen nieuwe processen in beeld die tot nieuwe inzichten leidden. De werkelijkheid kon met behulp van deze nieuwe begrippen heel anders worden betekend dan tot dan toe gebruikelijk was.

Plooien

Dat streven om de werkelijkheid op heel uiteenlopende wijze te betekenen, staat haaks op het streven naar eenduidigheid, dat thans bijvoorbeeld in beleid en rechtspraak dominant is. Wetten en daarvan afgeleide regels bevatten doorgaans een aantal definities waarin nauwkeurig en gedetailleerd wordt omschreven wat we onder begrippen verstaan. In plaats daarvan is aan de orde dat we de werkelijkheid opvatten als een werkelijkheid die op uiteenlopende wijze kan worden betekend. Een meervoudige werkelijkheid dus. Die gedachte treffen we aan bij Deleuze. Die spreekt in navolging van Leibniz van “plooien”. De werkelijkheid laat zich oneindig plooien. Maar Deleuze stelt ook dat we van die plooibaarheid maar een beperkt gebruik maken. In onze instituties en systemen hebben we de werkelijkheid reeds voorgeplooid. Daar kunnen we ons moeilijk aan onttrekken, omdat we daarmee onze geldende systemen terzijde zouden schuiven. We plooien de werkelijkheid naar onze systemen. Wat er niet in past, schuiven we terzijde. Het is betekenisloos, althans binnen onze systemen. Dat brengt Deleuze tot het pleidooi dat we ons los moeten maken van de geplooide werkelijkheid die we in onze systemen vooronderstellen. In plaats daarvan moeten we juist de nog niet geordende werkelijkheid verkennen en onderzoeken. Het buitengeslotene kunnen we echter slechts in beeld brengen met behulp van andere begrippen.

Verbinding

We stelden met betrekking tot subjectiviteit en objectiviteit dat we het verschil en het splitsend denken moeten overstijgen en tot verbinding moeten komen. Die noodzaak tot verbinding staat centraal in de filosofie van Michel Serres. Serres stelt dat onze systemen in zichzelf zijn gekeerd. Ze onderhouden geen relaties met de andere systemen. Ze functioneren als zelfstandige entiteiten. Ze hebben een eigen jurisdictie en kunnen zich dus permitteren als zelfstandige eenheid te functioneren. Ze erkennen geen afhankelijkheden. Gevolg is dat we te maken hebben met een verbrokkelde werkelijkheid.

Zijn kritiek is dat we zelfstandig bestaande systemen hebben opgebouwd die geen onderlinge relaties meer hebben. Neem bijvoorbeeld het overheidssysteem of de wetenschap of de gezondheidszorg. Het zijn eigen domeinen die betrekkelijk onafhankelijk van elkaar functioneren en een eigen regime kennen met eigen begrippen en regels. Nodig is, zo stelt Serres, dat we verbindingen maken tussen deze werelden. Het zijn nu eilanden. Die verbinding moet worden gelegd door communicatie. Dat centraal stellen van verbinding is terug te vinden bij Deleuze. Het is juist de externe relatie die bepalend is voor de identiteit. Om de werkelijkheid te begrijpen moeten we dus de relaties van objecten met de omgeving bestuderen. Het gaat dan niet zozeer om wat een systeem omvat maar juist wat een systeem buitensluit. Het buitengeslotene, datgene wat niet past binnen onze ordeningen en systemen, is bepalend voor de identiteit van de ordening en van het systeem.

De systemen kunnen niet buiten zichzelf treden. Er bestaat daardoor een tussenruimte. Die tussenruimte, zo zou je kunnen stellen, is het werkterrein van Hermes. Serres voert Hermes op als boodschapper van de goden. Hermes bemiddelt tussen de systemen, tussen wetenschap en kunst, tussen wetenschap en de wet.

Serres pleit voor verbinding tussen onze systemen. Die is nodig om tot een effectieve aanpak te komen van vraagstukken die nu hardnekkig zijn. Denk aan de transitie naar een duurzame samenleving. Onze belangenstructuren hebben geleid tot tegenstellingen en tot tegenstellend denken waardoor noodzakelijke veranderingen worden gefrustreerd. We hebben de problemen stevig georganiseerd. Voor een effectieve aanpak zijn institutionele veranderingen nodig.

Dat betekent dat we de eenduidigheid van elk systeem niet langer bepalend laten zijn maar de ruimte tussen de systemen van een eigen betekening voorzien. We moeten bruggen slaan tussen de eenduidigheden van de afzonderlijke systemen. Serres pleit voor passages door de tussenruimte om zo tot verbindingen te komen tussen gescheiden werelden. We moeten onze eilanden met de daarop geldende systemen en ordeningen verlaten en expedities ondernemen op de oceaan. We moeten de “aangeharktheid” van onze systemen verlaten en de niet-aangeharkte werkelijkheid verkennen. Op de oceaan treffen we aan wat niet kan worden betekend binnen de geldende formele betekeniskaders. Het zijn pleidooien om ruimte te scheppen waarin we vrij kunnen denken en betekenen. Daardoor kunnen we de werkelijkheid heel anders plooien dan we in onze formele kaders als gegeven veronderstellen. We ontdekken dan andere werkelijkheden. Om met Nietzsche te spreken: we ontdekken een wereld waarin paarden vlees eten. Het onvoorstelbare blijkt te bestaan.

Ruis

Het tussengebied is de werkelijkheid die zich bevindt tussen werkelijkheid an sich en de constructies die we er ons van maken. Die constructies hebben enkel bestaansrecht vanwege het bestaansrecht van het tussengebied. Het tussengebied kan overkomen als chaos, als bron van verstoring, maar dan doen we geen recht aan het tussengebied. In de communicatie kan het “tussen” als probleem worden ervaren maar in wezen biedt het verrijking van de communicatieruimte. We denken dan minder gauw in vast gebeitelde tegenstellingen en daarop gebaseerde posities. Het tussengebied maakt het mogelijk onze stellingen te verlaten. Door het buitensluiten van de tussenruimte kunnen stellingen zich verharden en kunnen tegenstellingen tot een tegenstelling tussen twee waarheden worden. Het tussengebied maakt het mogelijk stellingen te bevragen en ogenschijnlijk het onverbindende en tegengestelde te verbinden.

In de filosofie van Serres neemt het begrip “ruis” een belangrijke plaats in. Je zou ruis kunnen opvatten als een uiting van de werkelijkheid die we hebben buitengesloten. Ruis is van invloed op de wijze waarop we communiceren. We communiceren op basis van begrippen die de basis vormen voor onze ordeningen. We sluiten werkelijkheid buiten. Maar die buitengesloten werkelijkheid laat zich niet passief terzijde schuiven. Die werkelijkheid heeft werking. Het buitengeslotene protesteert ertegen dat het wordt betekend als betekenisloos, ook al gebeurt dat veelal impliciet.

Ruis is niet geordend geluid. Voor Serres (2016) is dat aanleiding te pleiten voor het gebruik van alle zintuigen. We moeten onze oren spitsen zodat we iets horen wat vooralsnog niet in woorden is uit te drukken. Wanorde kan ons onzeker maken. Dan is aan de orde, dat we de bronnen van onzekerheid opsporen. Het kunnen beelden zijn die ons onzeker maken of angstig. Zolang we dergelijke ruis enkel als lastig en ongewenst zien, zijn we geneigd die ruis te betekenen binnen het geldend betekeniskader. We kunnen dan vervolgens onze begrippen aanpassen, definities aanscherpen enz. Dat helpt echter niet. We blijven dan geloven dat het formele perspectief werkzaam is en we houden eraan vast. We corrigeren een perspectief maar we houden het daardoor tegelijkertijd in stand. Reparatie betekent vaak dat we ons perspectief versmallen waardoor we nog meer werkelijkheid buitensluiten. Dan doen we geen recht aan het wezen van de ruis.

In plaats daarvan gaat het erom dat we de ruis zelfstandig betekenen. Ruis wordt dan een uitnodiging onszelf kritisch te bevragen. Wat sluiten we buiten en wat zijn daarbij de onderliggende krachten? Dan is aan de orde dat we onze aandacht verleggen van het formele perspectief naar het buitengeslotene. Dat buitengeslotene brengt ons weliswaar in verwarring, maar die verwarring is functioneel. Die verwarring is de existentiële voorwaarde voor ons perspectief. Onze ordelijkheid is de bron van de verwarring. Datgene wat kwetsbaar is en niet wordt betekend, kan ons op weg helpen. We moeten dus de ruimte tussen werkelijkheid en de afbeelding ervan onderzoeken. Het buitengeslotene leert ons wat de essentie is van ons formele perspectief. Anders geformuleerd: kenmerk van het overheidsbeleidskader is wat er niet in past, wat betekenisloos is binnen ons perspectief. De systemen worden niet zozeer gekenmerkt door wat ze omvatten, maar door wat ze buitensluiten.

Het komt erop neer dat het verlangen naar consistentie prioriteit heeft boven de wens de gehele werkelijkheid te respecteren. De werkelijkheid dient zich te plooien naar ons verlangen. De afbeelding die we ons vormen heeft het karakter van een illusie. Die prefereren we boven erkenning van de werkelijkheid. Onze waarneming wordt overheerst door ons verlangen naar ordening. We leggen verbanden die we logisch vinden, maar we hebben daardoor geen aandacht voor het onlogische. We dwingen de werkelijkheid in onze eigen geordende kaders. De werkelijkheid moet zich plooien naar onze opvattingen en daarop gebaseerde systemen.

Molair, moleculair en vluchtwegen

In de benadering van de werkelijkheid staan bij Deleuze drie begrippen centraal, namelijk: molair, moleculair, vluchtwegen. We zijn geneigd deze begrippen analytisch, dus onderscheidend en scheidend te benaderen. Echter, dan missen we de essentie van wat Deleuze hieronder verstaat. In de visie van Deleuze gaat het om begrippen die onderling verbonden zijn. Het molaire heeft dan betrekking op het macroniveau. In de politiek gaat het dan om stromingen, abstracties en structuren. Het moleculaire heeft dan betrekking op de praktijken. Binnen het politieke domein heeft het onderscheid betrekking op de macropolitiek, waarin enerzijds richtingen en fundamenteel verschillende visies aan de orde zijn en anderzijds de micropolitiek, waarin het politieke spel van alledag plaats vindt. Beide begrippen zijn door Schuilenburg uitgewerkt met betrekking tot het veiligheidsbeleid. (Schuilenburg, 2010)

Kenmerkend is niet enkel dat beide begrippen niet statisch moeten worden opgevat als onderling tegengesteld en elkaar uitsluitend maar als dynamische begrippen. Ze hebben betrekking op processen en zijn bepalend voor het verloop ervan. Ze zijn niet statisch maar richten zich op het “worden” in de terminologie van Deleuze.


Interessant is het derde kernbegrip van Deleuze, namelijk vluchtwegen. Die kunnen worden opgevat als mogelijkheden om los te raken van knellende structuren. Structuren belemmeren ons in onze betekenisgeving. Ze reduceren de werkelijkheid tot een werkelijkheid die betekenisvol is binnen de betekenisstructuren die dominant zijn binnen onze instituties. Sterker nog, het betekeniskader en de daarin geldende definities kunnen zelf worden opgevat als instituties. Er is behoefte ons te onttrekken aan geldende structuren en de ruimte te zoeken die ons in staat stelt betekenisvol te leven. Dat vraagt van ons, zo stelt Deleuze, dat we ons onttrekken aan deze structuren en systemen. We moeten de vrije ruimte zoeken die nog niet betekend is en die dus vol betekenispotentie is. Vergelijk het beeld van de maatschappij als een gas dat telkens weer ontsnapt aan de instituties en aan de bouwwerken die we in onze maatschappij hebben gebouwd.

Samenvattend

Op basis van het bovenstaande ontstaat een analysekader, waarin vanuit het perspectief van betekenisgeving de volgende begrippen centraal staan:

- Ordening

- Buitensluiten

- Dynamiek

- Verbinding

Dat perspectief heeft zowel betrekking op de basisbegrippen ruimte en tijd, maar stelt ook in staat zicht te krijgen op de meervoudigheid van de werkelijkheid. Binnen het betekeniskader van de moderniteit denken we versimpeld over de basisbegrippen ruimte en tijd. In de terminologie van Heidegger zijn het “zijnden” geworden. We operationaliseren deze begrippen. We ontdoen ze van hun diepere betekenis. We maken ze meetbaar. In de terminologie van Deleuze: we “territorialiseren” de werkelijkheid. Dat zijn processen die doorgaans onbewust en impliciet plaatsvinden.

Het wereldbeeld van de moderniteit neemt oplosbaarheid en maakbaarheid als vertrekpunt. Het in Deel 1 gepresenteerde betekeniskader kan niet worden opgevat als “de” oplossing, maar stelt wel in staat de crises waar we thans mee te maken hebben, op een andere wijze te betekenen en ons aan het denken te zetten over de vanzelfsprekendheden waar onze sturingsmodellen en instituties op zijn gebaseerd.

We denken dus versimpeld over de dimensies van ruimte en tijd. We vormen er ons beelden van, omdat dit de enige manier is om er grip op te krijgen. We hebben simpelweg geen alternatief wanneer we ons laten overheersen door het verlangen tot kennen en beïnvloeden. We gaan daarbij niet alleen voorbij aan het Dasein zoals Heidegger aangeeft, aan tijd en ruimte als existentiële begrippen. Maar ook maken we een keuze uit de denkbare verschijningsvormen. We plooien de werkelijkheid naar onze verlangens. We bouwen een verondersteld beeld op van de werkelijkheid. We willen de werkelijkheid begrijpen en aan dit verlangen maken we de werkelijkheid onderdanig. We vormen ons een afbeelding, die het mogelijk maakt onze verlangens te realiseren. De wereld heeft zich te voegen naar onze verlangens.

Door de werkelijkheid te kneden naar onze verlangens, vormen we ons afbeeldingen die ons verhinderen door te dringen tot de werkelijkheid. In onze verlangens en daarvan afgeleide doelstellingen operationaliseren we basisbegrippen als tijd en ruimte. De werkelijkheid is te groot en te diep om te omvatten met ons op rationaliteit gebaseerd betekeniskader. We denken dus versimpeld

Ruimte

Het in Deel 1 geschetste beeld van een werkelijkheid, waarin betekende en niet-betekende elementen door elkaar bewegen heeft aspecten van de grondbegrippen van ruimte en tijd. De werkelijkheid als een onmetelijke ruimte die alsmaar kan uitdijen. De grenzen ervan worden beperkt door ons voorstellingsvermogen. Die ruimte is dus in principe grenzeloos. Beperkingen vloeien voort uit de beperkingen in ons voorstellingsvermogen. Het is een werkelijkheid zonder horizon. Of nauwkeuriger gezegd, de horizon wijkt alsmaar terug. Wanneer we die dachten te hebben bereikt, ontstaan er nieuwe vertes.

Ruimte heeft dan associaties met het onderscheid tussen de betekende en de (nog) niet betekende ruimte. We vormen ons een beperkt ruimtebeeld dat instrumentalistisch is en waarbinnen we volop kunnen interveniëren in de overtuiging, dat we de ruimte naar onze hand kunnen zetten. Het is een ruimtebeeld dat geen plaats biedt aan het buitengeslotene, aan wat we niet kunnen betekenen. We hebben geen begrippen om onvermogen te betekenen.

Territorialisering en Deterritorialisering

Het ruimtebegrip bij Deleuze cirkelt rond de begrippen territorialisering en deterritorialisering. Territorialisering kan worden opgevat als het verschijnsel dat we vastigheid zoeken. We hebben behoefte aan ordeningen, aan structuren. Niemandsland moet bewoonbaar worden gemaakt. Een meervoudige werkelijkheid moet eenduidig worden zodat we weten waar we aan toe zijn en onze omgeving kennen. Dat schept duidelijkheid maar die duidelijkheid houdt tegelijkertijd territorialisering in. We brengen orde aan in een meervoudige ruimte. We leven voortaan in een voorgeprogrammeerde werkelijkheid. Dat beperkt ons gezichtsveld. Deleuze pleit voor deterritorialisering. We moeten ons bevrijden van onze kaders en het onbekende tegemoet gaan. En vervolgens de neiging weerstaan om het onbekende te domesticeren en te territorialiseren. Dan komen we niet toe aan het onbekende en dan maken we er een reproductie van het bestaande van. We leggen ons betekeniskader dan op aan het onbekende. Dan lopen we in cirkels rond. We herhalen onszelf. We moeten juist oog hebben voor de verschillen tussen het bestaande en het nieuwe en onbekende. Dan domesticeren we ons eigen voorstellingsvermogen. Dan doen we geen recht aan het menselijk vermogen tot reflectie. We herhalen dan in plaats van te vernieuwen.

Vluchtwegen kunnen worden opgevat als mogelijkheden om te ontsnappen aan een te sterk inperkend systeem. Ze stellen in staat je te onttrekken aan de krachten van territorialisering. Ze zoeken de vrije ruimte.

Op de tweede plaats is het wereldbeeld van de moderniteit statisch. Dat lijkt een tegenstelling. Zijn we niet als moderne mensen gefocust op steeds meer en steeds beter? Wat bedoeld wordt, is dat we in onze sturingsmodellen uitgaan van vaststaande definities. Dat komt nergens zo goed tot uitdrukking dan in ons juridisch systeem, waarin we definities alsmaar verder detailleren en daarmee de werkelijkheid vastzetten. Het gepresenteerde wereldbeeld stelt juist processen van betekening centraal. Het gaat dan om de dynamiek. Dat geldt zowel individueel als collectief. Zie in dit verband de recente publicatie “Totalitarisme” van Mattias Desmet (2022) waarin processen van collectieve betekenisvorming vanuit een psychologisch perspectief worden benaderd en verduidelijkt.

Tijd

De factor tijd kan worden gerelateerd aan de processen van betekenisgeving. Het tijdsbegrip is binnen onze systemen lineair, maar de werkelijkheid buiten onze systemen kent geen tijdsbegrip dat onvoorspelbaar is en dus lastig te ordenen. Hoe situatiedefinities ontstaan, hoe ze veranderen en hoe ze samenklonteren tot een betekeniskader of juist weer ontbinden, kan niet lineair worden begrepen. Hooguit kunnen we ex post proberen te ordenen. Het is het onderscheid tussen de context of discovery en de context of justification die in het deel over het wetenschapssysteem aan de orde komt.

Het betekeniskader van de moderniteit is gebaseerd op rationaliteit. Daarin is tijd geld. Tijd is een productiefactor binnen ons economisch systeem. Hoeveel tijd we nodig hebben voor het produceren, werkt door in de kostprijs. Hoeveel tijd moeten we inrekenen voor de aanleg van 100 vierkante meter trottoir, wanneer we deelnemen aan een aanbesteding voor een wegenbouwproject? Tijd wordt zo meetbaar binnen een instrumenteel kader. Bovendien denken we in de moderniteit dat de toekomst beter zal zijn dan het verleden. We worden steeds slimmer, steeds beter en onze welvaart neemt toe. Maar die vooruitgang blijkt relatief te zijn. Onderweg naar een steeds betere toekomst sluiten we werkelijkheid buiten. We ontdoen ons van alles wat hindert. Dat laten we achter in de bermen van de wegen naar vooruitgang. De milieucrisis als voorbeeld.

He tijdsaspect komt tot uitdrukking in de dynamiek van betekenisverlening. We kunnen van opvatting veranderen met als gevolg dat we situaties anders betekenen. We kunnen tot nieuwe probleemformuleringen komen of problemen minder ernstig vinden of juist ernstiger. We kunnen tot de conclusie komen dat oplossingen niet werken maar we kunnen ook tot nieuwe oplossingen komen. Kortom, ons perspectief is object van permanente verandering. Wat we gisteren belangrijk vonden, kan zijn betekenis verliezen. Het bestaande perspectief kunnen we slechts begrijpen door oog te hebben voor de totstandkoming ervan.

Dat tijdaspect is ook terug te vinden bij Serres. Die stelt dat een uitvinding niet op een bepaald tijdstip kan worden gefixeerd, maar de uitkomst is van een proces van uitvindingen op onderdelen. De uitvinding van de auto maakte gebruik van de uitvinding van het wiel die zo’n 3500 jaar v. Chr. plaatsvond. De tijdsdimensie is dus wezenlijk om de werkelijkheid te begrijpen. Het is het proces van totstandkoming dat bepalend is voor het geldend betekeniskader. We moeten de krachten kennen en de veranderingen in het krachtenspel die hebben plaatsgevonden om ons geldend perspectief te begrijpen en dus ook om de werkelijkheid te begrijpen.

Afronding

We hebben in dit Deel 2 het perspectief om bestaande domeinen en systemen nader te gaan bezien nader verdiept. We hebben een aantal begrippen geduid, die ons kunnen helpen tot een diepere analyse te komen van praktijken die in de verschillende (deel)systemen binnen onze maatschappij gangbaar zijn. Bewust hebben we die begrippen niet in detail uitgewerkt. Het gaat er immers om een nieuw perspectief te ontwerpen voor de benadering van de werkelijkheid. Daarvoor hebben we nieuwe perspectieven nodig. Het gaat om een andere manier van kijken die ruimte moet bieden. Een gedetailleerde duiding van de genoemde begrippen zou daarbij hinderen. Immers, dat zou het risico inhouden dat we de werkelijkheid binnen een strak gedefinieerd kader drukken en van een dergelijke benadering willen we nu juist afstand nemen. Er is een benadering nodig waarin er volop ruimte is om praktijken te benoemen. Het gaat dus niet om toetsen en bewijzen, maar om het construeren van een nieuw perspectief, dat ons in staat stelt onze praktijken in een nieuw licht te plaatsen. Dat stelt wellicht in staat wat het verleden betreft tot andere analyses te komen en naar de toekomst toe het zicht kan openen op nieuwe probleemformuleringen, nieuwe thematiseringen en daaraan gekoppeld nieuwe oplossingsrichtingen.

Literatuur

Bono, Edward de, Lateral thinking, Penguin-books, 2016

Deleuze, Gilles Guattari, Felix, Thousand Plateaus, Bloombury Publishing Plc, 2013

Desmet, Mattias, De psychologie van Totalitarisme, Pelckmans Uitgevers, Kalmpthout, 2022

Nicolescu, Basarab, Methodology of Transdisciplinarity – Levels of Reality, Logic of the Included Middle and Complexity, in: Transdisciplinary Journal of Engineering & Science Vol: 1, No:1, (December, 2010), pp.19-38

Schuilenburg, M.B. Van Calster, P. Molair en moleculair onderzoek in veiligheidsstudies, Panopticon, (4) p.59-66 2010

Serres, Michel,, The five senses, Bloomsbury Publishing Plc, 2016

Tuinen van, Sjoerd, Le Pli, in: Deleuze Compendium, Boom, Amsterdam, 2012

Wagemans, Mathieu, Naar een nieuw wereldbeeld, Deel 1, Civis Mundi, nr 125, augustus 2022

Williams, James, Gilles Deleuze’s Difference and Repetition A Critical Introduction and Guide, Edinburgh University Press, 2013


*************

Naar een nieuw wereldbeeld
Deel 1


Civis Mundi Digitaal #125

door Mathieu Wagemans               www.ontganiseren.nl


Inleiding en aanleiding

Er is een toenemend besef dat de vraagstukken waar we voor staan, het karakter hebben van een crisis. Of het nu gaat om de milieu- en klimaatcrisis met de stikstofcrisis als onderdeel daarvan, de woningbouw die de vraag niet aankan, de toeslagenaffaire, het afbrokkelend vertrouwen van burgers in de overheid of de problemen in de zorgsector, ze mogen inhoudelijk verschillend zijn, maar ze hebben gemeenschappelijk, dat ze niet zo eenvoudig zijn aan te pakken en op te lossen. Gebruikelijke interventies werken niet en hebben eerder het karakter van symptoombestrijding. Gewenste of noodzakelijke veranderingen roepen problemen op van tegenstrijdigheid met regels of leiden tot forse maatschappelijke protesten. Er is sprake van een systeemcrisis, zo valt dan te horen. Of, zoals met betrekking tot duurzaamheid wel wordt gesteld, er is een verruiming van ons bewustzijn nodig en een meer bewuste, waardegedragen levenswijze.

In dit artikel wordt als insteek genomen, dat we eraan toe zijn de overstap te maken naar een nieuw wereldbeeld. Dat roept vragen op. Wat verstaan we onder een wereldbeeld? Wat schort er aan het bestaande wereldbeeld? Welke veranderingen zijn nodig en hoe kun je die doorvoeren?

Wereldbeeld

Een wereldbeeld beschouwen we als een perspectief van waaruit we de werkelijkheid tegemoet treden. In meer wetenschappelijke termen wordt het ook wel een paradigma of denkkader genoemd. Het veronderstelt, dat we de wereld op nogal uiteenlopende wijze kunnen inkleuren. We kunnen een dramatisch beeld schetsen van de problemen waar we voor staan, maar we kunnen ook een hoopvol perspectief schetsen, bijvoorbeeld omdat we een groot vertrouwen hebben in de creativiteit van mensen. We vestigen dan misschien onze hoop op nieuwe technologie. Technologie kan weliswaar oorzaak zijn van ongewenste neveneffecten, maar we vertrouwen erop dat nieuwe technologie in staat zal stellen daarvoor oplossingen aan te reiken.

Uitgangspunt daarbij is dat we de werkelijkheid op heel uiteenlopende wijze kunnen ‘betekenen’, betekenis kunne geven. De werkelijkheid is zoals die “is”, maar de betekenis die we eraan geven kan nogal verschillen. We nemen dat als uitgangspunt en zullen beginnen met een korte introductie van het constructivisme.

Constructivisme

Het constructivisme kan worden opgevat als een kennistheorie. Uitgangspunt daarbij is dat de werkelijkheid zoals die “is”, niet kenbaar is en dat we die slechts kunnen benaderen door er ons een afbeelding van te vormen. We geven betekenis aan de werkelijkheid en de afbeelding die we ons ervan vormen, beschouwen we in ons dagelijks functioneren als de werkelijkheid. Afbeelding en werkelijkheid vallen dan samen. Dergelijke afbeeldingen komen tot stand in interactie met anderen. Het construeren wordt opgevat als een sociale activiteit, zoals Peter Berger en Thomas Luckman stellen (Berger, 1966).

De wijze waarop we de werkelijkheid ‘betekenen’ is dus afhankelijk van ons perspectief, dat op zijn beurt het resultaat is van ervaringen en overtuigingen die we ons eigen hebben gemaakt. Dat zijn complexe processen waarvan we ons slechts deels bewust zijn. Nu lijkt het een vrijwel onmogelijke opgave, om dag in dag uit je telkens af te vragen hoe je nieuwe gebeurtenissen, ervaringen, waarnemingen of ontmoetingen met anderen betekenis moet geven. Dat zou onoverzienbaar veelaandacht en energie vragen.

In de praktijk is betekenisgeving niet het resultaat van afwegingen, maar doen we dat routinematig. We hebben ons in opvoeding, onderwijs, in interactie met anderen en op basis van ervaringen beelden gevormd van hoe we de werkelijkheid moeten betekenen. Dat leidt tot min of meer vaststaande en breed gedeelde beelden die we niet meer ter discussie stellen. Dat vergemakkelijkt ons leven aanzienlijk. Het perspectief c.q. betekeniskader dat we hebben geconstrueerd, kan worden opgevat als een uitdrukking van onderliggende overtuigingen en vanzelfsprekendheden. Die hoeven niet meer te worden bevraagd, maar we nemen ze voor “waar” aan. Waarnemen wordt dan “voor waar aannemen”. Betekenisgeving wordt dan een impliciet proces. We zijn er ons niet mee van bewust.

Dergelijke processen vinden niet alleen individueel plaats maar ook in groepen. Wanneer mensen in een nieuwe samenstelling bij elkaar komen, ontwikkelen ze gezamenlijkheid op het vlak van betekenisgeving. Die is ook nodig omdat de onderlinge communicatie anders lastig zou worden. Er ontstaan gedeelde en geaccepteerde definities van situaties en daarop gebaseerde normen. Wat worden de omgangsvormen? Wat hoor je te doen en te laten? Er ontstaan een cultuur die berust op gezamenlijk gedeelde uitgangspunten en vanzelfsprekendheden. Die kunnen worden opgevat als constructies. We zijn er ons na enige tijd niet meer van bewust. Nieuwkomers kunnen zich aanvankelijk erover verbazen, maar gauw genoeg maken ze zich het geldend betekeniskader eigen en worden ze zelf deel van de cultuur en gedragen ze zich conform wat in de groep gebruikelijk wordt geacht. Ze worden gedresseerd, vaak zonder dat men zich dat zelf realiseert.

Vanzelfsprekendheden vergemakkelijken ons functioneren. Ze bieden houvast. Ze nemen de noodzaak weg ons vragen te stellen. Ze bieden zekerheid. Juist de zucht naar ordening en overzicht maakt, dat we niet gauw geneigd zijn die zekerheden op te geven. We kiezen liever voor schijnzekerheden dan voor chaos. Er zijn vaak ingrijpende ervaringen nodig om onze zekerheden aan het wankelen te brengen. We zijn geneigd te ontkennen wat niet binnen onze mentale voorprogrammring past. We sluiten dergelijke ervaringen liever buiten of betekenen ze als onbelangrijk of zelfs als niet-bestaand. We zijn er blind en doof voor. Daardoor hoeven we ons niet op te zadelen met de noodzaak ons betekeniskader kritisch te beschouwen.

Te vergelijken met de discussie over duurzaamheidsproblemen. We kunnen de verhoging van de zeespiegel betekenen als patronen die zich nu eenmaal altijd al hebben voorgedaan en die passen in ontwikkelingen van duizenden eeuwen. Zelfs in de hogere delen van Nederland kunnen we schelpen aantreffen als indicatie dat ze in vroeger tijden onder de zeespiegel lagen. Dus waarom zoveel ophef maken over enkele centimeters? Zo ontwijken we de noodzaak om onze maatschappij duurzamer te laten functioneren. We legitimeren bestaande praktijken. Er is dan geen noodzaak voor verandering.

Wanneer we met nieuwe gebeurtenissen te maken krijgen, die ons aan het denken zouden kunnen zetten, zijn we geneigd die te rationaliseren en wel zodanig dat ze passen in ons dominant denkkader. Ze geven dan geen aanleiding tot verontrusting meer. We sluiten de verbazing buiten omdat we er de grond aan ontnemen. Het nieuwe wordt dan betekend als meer van hetzelfde.

Positivisme en constructivisme

Een keuze voor het (sociaal) constructivisme heeft ingrijpende gevolgen. We kunnen de werkelijkheid slechts benaderen door er betekenis aan te geven. We kunnen ons afbeeldingen vormen van de werkelijkheid, maar we hebben niet de zekerheid dat de afbeelding een correcte en getrouwe voorstelling is van de werkelijkheid. Dat uit zich ook in de dagelijkse praktijk. Wat de een ervaart als een ernstig probleem, daar gaat de ander achteloos aan voorbij. De werkelijkheid zelf is niet bereikbaar en doordringbaar voor ons. Die gedachte is reeds aan te treffen bij Kant.

Daarmee staat het constructivisme tegenover het positivisme, waarbij we tot vrijwel zekere en onbetwistbare feitelijke kennis kunnen komen van de werkelijkheid. In het constructivisme heeft alle verworven kennis over de werkelijkheid het karakter van een constructie. De werkelijkheid zou ook op heel andere wijze kunnen worden betekend met als gevolg dat we tot andere conclusies kunnen komen. Niet de werkelijkheid is daardoor veranderd, maar onze constructie van de werkelijkheid.

Behoefte aan ordening

Die gevestigde afbeeldingen van de werkelijkheid vergemakkelijken dus ons dagelijks functioneren. Ze bieden orde en structuur. We hoeven ons niet meer telkens af te vragen, hoe we situaties moeten betekenen. Er is sprake van een mentale voorprogrammering. Vanzelfsprekendheden spreken nu eenmaal vanzelf. We zijn er ons niet meer van bewust dat het resultaten van betekenisgeving zijn. Maar gevolg is ook dat we de werkelijkheid buitensluiten, die niet vanuit het door ons gekozen perspectief zichtbaar is. Die werkelijkheid is er wel, maar kan niet worden betekend, wanneer we ons gevestigd perspectief centraal stellen. Die werkelijkheid blijft buiten beeld.

De behoefte aan ordening beheerst de wijze waarop we de werkelijkheid betekenen. De afkeer van chaos en de behoefte tot kennen en begrijpen bepaalt onze waarneming. Daardoor nemen we de werkelijkheid selectief waar. We trachten ordeningen in de werkelijkheid te zoeken of, en dat is een stuk gemakkelijker, de werkelijkheid waar te nemen vanuit het perspectief van bekende ordeningen. Wat zich niet laat ordenen, heeft niet onze belangstelling. We betekenen die werkelijkheid als chaos. Dat doen we grotendeels onbewust. Het centraal stellen van onze behoefte aan ordening gebeurt eveneens grotendeels onbewust. We benutten de ordeningen die we gaandeweg, ook in onszelf, hebben opgebouwd, als perspectief.

Positief gesteld zoeken we naar ordening. Negatief gesteld kunnen we zeggen dat we een afkeer hebben van chaos. We proberen dus ons een geordend beeld van de werkelijkheid te vormen. Logischerwijze ligt het dan voor de hand om daarbij gebruik te maken van bestaande ordeningen, dat wil zeggen van ordeningen die we voor een belangrijk deel op basis van opvoeding, opleiding en ervaring hebben aangereikt gekregen en die algemeen gangbaar zijn.

We nemen dus de werkelijkheid waar als geordend, althans we zoeken naar ordeningen. Ordenen helpt ons tot inzicht te komen en inzicht stelt ons in staat tot beïnvloeding van de werkelijkheid, zo menen we. Afhankelijkheid daarentegen vinden we onwenselijk. Afhankelijkheid betekent erkenning van ons onvermogen. Liever plaatsen we ons in een positie waarin we in staat zijn de werkelijkheid te begrijpen en te beïnvloeden. Het is een externe positie van waaruit we de werkelijkheid objectief waarnemen. Het is de positie die kenmerkend is voor het Verlichtingsdenken.

Een heel ander beeld is dat we onszelf in een positie plaatsen in de werkelijkheid zelf. Dan zien we onszelf als een element binnen de werkelijkheid. We plaatsen ons dan in een positie van afhankelijkheid. Het is de mens gegeven tot verwondering en verbazing. We kunnen ons bewust zijn van onze afhankelijkheden en die kunnen aanleiding geven ons vragen te stellen. Waar berusten die afhankelijkheden op? Waar zijn we van afhankelijk? Welke krachten zijn er werkzaam die de grond vormen voor onze afhankelijkheden?

De wijze waarop we de werkelijkheid betekenen is afhankelijk van ons perspectief dat op zijn beurt het resultaat is van ervaringen en overtuigingen die we ons eigen hebben gemaakt. Dat zijn complexe processen waarvan we ons slechts deels bewust zijn. Het vanzelfsprekende kan ook worden opgevat als een constructie.

Orde en chaos

We kunnen dus een onderscheid maken tussen datgene wat betekend wordt en de werkelijkheid die geen betekenis krijgt, dus betekenisloos blijft. Die laatste werkelijkheid heeft als kenmerk dat die niet kan worden ingepast in onze ordeningen. De definities die onderdeel zijn van onze ordening hebben een splitsende werking. Ze maken onderscheid tussen wat tot de definitie behoort en wat erbuiten valt. Door te definiëren sluiten we dus datgene buiten, wat niet kan worden omvat door de definitie. Dat blijft betekenisloos. We hebben er geen aandacht voor. Het is ongeordend, chaos dus. We richten onze aandacht enkel op wat tot de definitie behoort. Voor het buitengeslotene hebben we geen oog, omdat de aandacht is gericht op wat binnen de definitie valt.

Het onderscheid tussen orde en chaos kan ons helpen om nieuwe perspectieven te construeren, waardoor de werkelijkheid anders aan ons verschijnt. We zullen daartoe eerst de relatie tussen orde en chaos verkennen. Beide begrippen zijn tegengesteld, maar tegelijkertijd is er sprake, zoals we zullen zien, van onderlinge afhankelijkheden.

Orde en chaos zijn existentieel met elkaar verbonden

We zijn geneigd om orde en chaos te beschouwen als onderling tegengestelde begrippen. Het zijn twee werelden, twee polariteiten. Verdiepen we ons echter in het ontstaan ervan vanuit het perspectief van betekenisgeving, dan zijn beide aan elkaar gekoppeld. Wat we chaos noemen, is in wezen de niet-betekende werkelijkheid, de werkelijkheid die niet in onze ordeningen past.

Zo beschouwd is chaos de logische consequentie van onze ordeningsdwang. We zijn zelf de constructeurs van de chaos. De chaos kan slechts bestaan dankzij de ordening. Zonder ordening geen chaos. Anders gezegd, de chaos kunnen we opvatten als de bestaansvoorwaarde voor de ordening. Het omgekeerde geldt ook. Zonder chaos geen ordening. De chaos is het restproduct van de ordeningsactiviteit. Dat staat haaks op het splitsend denken. We kunnen ze onderscheiden maar niet scheiden. Orde en chaos veronderstellen elkaar.

De werkelijkheid bestaat bijgevolg uit een betekend deel en een niet-betekend deel. Dat laatste bestaat weliswaar, maar we hebben er geen oog voor. Het blijft voor ons betekenisloos. Maar het bestaan ervan kunnen we niet ontkennen. We kunnen de werkelijkheid niet voor een deel “wegbetekenen”. De niet-betekende werkelijkheid bestaat en oefent ook invloed uit. Die kan zich uiten, bijvoorbeeld doordat onze planning wordt verstoord. De werkelijkheid blijkt minder voorspelbaar dan verondersteld. Dat onze beelden van de werkelijkheid onvolledig zijn, kan daarbij een rol spelen.

De chaos heeft een eigen identiteit

Het loont om chaos van naderbij te bezien. Wat verstaan we onder chaos? Een logische vraag die echter niet logisch te beantwoorden is. Althans niet volgens de gebruikelijke opvatting van logica. Volgens die opvatting zoeken we naar beredeneerbare verbanden. Onze ordeningen zijn op die logica gebaseerd. Chaos is dan de werkelijkheid die we niet kunnen inpassen in onze verbanden. Het is de werkelijkheid die we niet kunnen verklaren met onze begrippen. Maar met die benadering doen we chaos geen recht. Dan miskennen we een deel van de werkelijkheid.

Er is ook een ander beeld van chaos mogelijk. Dan is aan de orde dat we de chaos niet opvatten als “slechts” een restproduct maar erkennen we dat de chaos een eigen identiteit heeft. We hebben het dan over de chaos zoals die “is”. De chaos heeft een zelfstandigheid. Dat vraagt erkenning van chaos als een niet te doorgronden en dus te accepteren werkelijkheid. Als voorbeeld: iedere definitie van het begrip oneindigheid gaat mank omdat een dergelijke definitie fundamenteel mank gaat. Oneindigheid is niet te omvatten, omdat deze ons bevattingsvermogen te boven gaat.

Er is dus sprake van een fundamenteel verschil tussen de werkelijkheid en de afbeelding die we ervan vormen. We vormen ons een geordende afbeelding van de werkelijkheid, omdat we orde verkiezen boven chaos. Maar we moeten er rekening mee houden, dat de werkelijkheid anders is geordend dan verondersteld in de afbeelding die we construeren. De werkelijkheid kan een andere ordening hebben dan de patronen in ons denken. David Bohm (2019) maakt een treffend onderscheid tussen de orde in ons denken en wat hij noemt de impliciete orde van de werkelijkheid. We hebben dus geen zekerheid dat de ordening die we in ons betekeniskader aanbrengen, overeenstemt met de ordening van de werkelijkheid. Dat is zelfs hoogst onwaarschijnlijk. We leggen als het ware ons betekeniskader over de werkelijkheid heen en richten onze aandacht op datgene wat opicht.

Institutionalisering

Dergelijke veranderingen in ons denken hebben ingrijpende gevolgen. Onze denkpatronen zijn namelijk bepalend voor de ordeningen die we in ons leven aanbrengen. We hebben ons betekeniskader geïnstitutionaliseerd. We kunnen onze organisaties, procedures en regels opvatten als een uitdrukking van ons betekeniskader. Ze zijn de dragers van een onderliggend betekeniskader, ook al zijn we ons van dat onderliggend kader lang niet altijd bewust. Instituties kunnen we opvatten als stolsels van ons betekeniskader. Dat houdt in, dat ze aan betekenis kunnen verliezen wanneer ons denken verandert. Tegelijkertijd kunnen nieuwe instituties ontstaan, omdat we de werkelijkheid anders betekenen. Heel concreet: door verandering van perspectief kunnen organisaties hun werkveld zien verkleinen of zelfs geheel verdwijnen. Tegelijkertijd kan er nieuwe bedrijvigheid ontstaan.

Dynamisch versus statisch

We hebben de neiging te stellen dat de wereld verandert, terwijl die verandering kan worden herleid tot veranderingen in de betekenis die we aan de werkelijkheid toekennen. Het voorgestelde wereldbeeld maakt het mogelijk en ook noodzakelijk om aandacht te schenken aan de dynamiek in ons denken.

Het vertrekpunt dat we de werkelijkheid zoals die “is” niet kunnen doorgronden en ons tevreden moeten stellen met afbeeldingen, houdt in dat ons wereldbeeld, zoals de naam aangeeft, eveneens een afbeelding is. Het is een afbeelding van een werkelijkheid waarin betekende objecten door elkaar bewegen waarin clusteringen van elementen plaatsvinden en, omgekeerd, bestaande clusteringen hun betekenis kunnen verliezen. Waarin de afbeeldingen van objecten lange tijd als vaststaand worden beschouwd, maar ook voortdurend kunnen veranderen. En welke krachten daarbij een rol spelen.

Als voorbeeld de vraag hoe gebeurtenissen tot nieuws kunnen worden verheven. Wat nieuws is, is het resultaat van processen van betekenisverlening. Uit de veelheid van gebeurtenissen worden sommige gebeurtenissen met betekenis beladen en andere niet. Wat vandaag nieuws is, kan over een week aan betekenis hebben verloren. Maar niet alleen de vraag of een gebeurtenis wordt betekend, is van belang. Dat geldt vooral ook voor de vraag hoe een gebeurtenis wordt betekend. Dan gaat het om de inhoud van de betekening. Bij een conflict speelt niet enkel de gebeurtenissen zelf een rol, maar is vooral ook belangrijk waar het conflict inhoudelijk over gaat, wie het conflict heeft veroorzaakt, of dat terecht is gebeurd, wat mogelijke oplossingen zijn en hoe die kunnen worden bereikt. Hoe een redactie ook zijn best doet, een willekeurige reportage kan worden opgevat als het resultaat van processen van betekenisgeving.

De niet-betekende ruimte kan worden opgevat als chaos, maar ook als niet-betekende werkelijkheid. De werkelijkheid als een oneindige ruimte die onoverzienbaar veel mogelijkheden biedt om er betekenis aan toe te kennen. De werkelijkheid als een werkplaats voor betekening en dus vol opties voor nieuwe betekening, voor vernieuwing dus. Maar die ruimte kan ook bron zijn van verstoringen. We kunnen de werkelijkheid niet onbeperkt geweld aan doen door die in de door ons geconstrueerde kaders te stoppen. We kunnen die werkelijkheid niet ongestraft weg definiëren. Ze bestaat niet enkel, maar laat zich ook horen doordat ze ons toont dat onze planningsstructuren zijn gebaseerd op een al te ingesnoerd en gemankeerd beeld van de werkelijkheid.

Belangrijk is ook het besef dat we de niet-betekende werkelijkheid niet kunnen betekenen met behulp van de woorden en begrippen die ons discours vormen. Sterker nog, het dominante discours c.q. betekeniskader kan juist worden opgevat als de bron van het buitengeslotene, van de chaos dus. We missen de betekenaars om tot die werkelijkheid door te dringen. Dat buitensluiten gebeurt bijvoorbeeld, wanneer we in een onderzoek de onderzoekopdracht vaststellen.

We herformuleren dan een vraagstuk op een zodanige wijze dat we het met behulp van geaccepteerde methoden kunnen onderzoeken en zo tot nieuwe kennis kunnen komen. We realiseren ons daarbij doorgaans niet goed, dat we de werkelijkheid daarmee geweld aandoen. We herdefiniëren de werkelijkheid, opdat die kan worden onderzocht. We willen via onderzoek de werkelijkheid beter leren kennen, maar daartoe moet de werkelijkheid zich eerst aanpassen aan wat we geschikte en geaccepteerde onderzoekmethoden vinden. Een vreemde paradox. De kennis die we vervolgens verwerven heeft betrekking op een ingesnoerd beeld van de werkelijkheid. Dat zal doorgaans gevolgen hebben voor de toepassing van die kennis. In een artikel over het wetenschapsdomein zullen we hier uitvoeriger op terugkomen.

Wereldbeeld op basis van het constructivisme

Wat moeten we ons nu voorstellen bij een aldus geconstrueerd wereldbeeld? Het is een beeld van de werkelijkheid als een ruimte waarin betekende elementen door elkaar schieten. Het zijn afbeeldingen van elementen. Die elementen zelf kunnen we niet doorgronden. We kunnen wel proberen ons er een zo goed mogelijk beeld van te vormen. Maar wat is een goed beeld? De kwaliteit daarvan kunnen we niet toetsen aan de elementen zelf. Die zijn immers ondoorgrondelijk. We zijn slechts in staat kritisch te kijken naar ons eigen perspectief, naar onze eigen betekening van elementen. En bijgevolg zijn we afhankelijk van onze eigen logica. Die kunnen we aanscherpen door niet alleen zelf kritisch te zijn, maar vooral door kritisch commentaar van anderen. Aldus vormen we ons een zo goed mogelijk beeld van een element.

Een element of object kan bijv. bestaan uit materie of uit verschijnselen die zich voordoen. Maar naast materie kan een object ook betrekking hebben op opvattingen. Een element kan het karakter hebben van een opvatting van iemand anders. De mening van een ander verschijnt aan ons als een object, als gestolde betekenis. Het is een opvatting van iemand die door de betrokkene als “waar” of “waarschijnlijk” wordt gehouden. Bij objecten kunnen we dus een onderscheid maken tussen materie zoals een stoel of een landschap of een medicijn en opvattingen of argumenten. We vormen ons een eigen opvatting over de mening van een ander. We geven er betekenis aan. Een standpunt van een ander kan ons diepgaand aan het denken zetten, waardoor we dat standpunt met energie beladen. We maken ons dan dat standpunt eigen. We kunnen het echter ook achteloos en zonder er verder aandacht aan te besteden, terzijde schuiven. We beschouwen het dan als oninteressant en kennen er geen of nauwelijks betekenis aan toe.

Een derde opmerking betreft de afbeeldingen die we ons over onszelf hebben gevormd. De mens beschikt over het vermogen tot reflectie. Hij kan kritisch zijn over zijn eigen handelen en denken. Hij kan eerdere opvattingen als object beschouwen en hij kan zich een beeld vormen over zijn eigen eerder geconstrueerde opvattingen. Hij kan worden geconfronteerd met gebeurtenissen of zienswijzen van anderen die hem ertoe aanzetten de eigen afbeeldingen van de werkelijkheid kritisch tegen het licht te houden.

Die elementen kunnen elkaar aantrekken of afstoten. Er kunnen zich clusters van elementen vormen die het karakter hebben van begrippen. Ze kunnen ook weer aan betekenis verliezen en “oplossen” doordat de bindingen wegvallen. Een cluster c.q. een begrip kan worden opgevat als een min of meer logisch geordende combinatie van elementen. Ze kennen een structuur en hebben iets gemeenschappelijks.

Als illustratie de Chinese taal. Die is opgebouwd op basis van tekens. Toen in de tachtiger jaren een project werd uitgevoerd met als doel een voorlichtingsdienst op te zetten om zo de landbouwproductie te verbeteren, bleek dat er in de Chinese taal geen begrip was dat vergelijkbaar was met wat wij onder voorlichting verstaan. In een totalitaire command-structuur tellen bevelen, geen adviezen. Dat begrip van voorlichting moest nog worden gevormd door een nieuwe combinatie van tekens. Het had iets te maken met kennis, hulp, relaties enz. Er werd een combinatie van tekens gevormd die ons begrip van landbouwvoorlichting benaderde. Toen in een andere regio hetzelfde project werd uitgevoerd, bleek de combinatie van tekens er iets anders uit te zien. Er was sprake van een andere constructie.

Elementen, begrippen en perspectieven kunnen ook zelf veranderen. Ze kunnen met meer betekenis worden beladen of juist betekenis verliezen. We kunnen een probleemopvatting zo sterk betekenen dat het als waarheid wordt beschouwd. We kunnen de begrippen uit de chemie benutten die een onderscheid maakt tussen gas, vloeistof en vaste stof. De moleculen in een vast stof zijn strak geordend in een vaste structuur, terwijl in een gas de moleculen door elkaar bewegen zonder dat vaste patronen herkenbaar zijn. Een willekeurige opvatting van iemand kan worden beschouwd als gas, ook al is de persoon zelf overtuigd van de waarheid ervan. Wat voor de een vaste stof is, is gas voor een ander. Omgekeerd kunnen bepaalde definities zo algemeen en zo intens worden gedeeld, dat ze tot vaste stof zijn geworden. Dat alles (vast, vloeibaar, gas) tolt door elkaar heen, vertoont zich in telkens andere vormen aan ons, vervluchtigt of verdicht met als tussenvorm de vloeistof.

Nog een stap verder is, wanneer begrippen opgaan in een perspectief, een manier van kijken en betekenisgeving. Een perspectief kan dan worden opgevat als een min of meer consistente combinatie van clusters. Enigszins schematisch zouden we ons dan een beeld kunnen vormen van een werkelijkheid waarin elementen, begrippen en perspectieven door elkaar bewegen en waarbij er sprake is van binding en afstoting, waarin elementen, begrippen en perspectieven kunnen ontstaan, aan kracht en werking kunnen winnen maar ook inboeten.

De chaos onderzoeken

Chaos is het ongedachte, datgene dat nog moet worden betekend, datgene wat zich niet in onze ordeningen laat persen. Chaos kan dus ook worden opgevat als de zoekruimte voor innovatie, voor nieuwe perspectieven. Bestaande perspectieven schieten daarbij te kort. Sterker nog, die kunnen juist worden opgevat als de oorzaak van de chaos. Zolang we het geldende perspectief centraal stellen, blijven we het verleden reproduceren. We komen dan niet los van het bestaande betekeniskader (Wagemans, 2016). Slechts door de werkelijkheid anders te betekenen, verschijnt de wereld anders aan ons en kunnen probleemdefinities worden vervangen door afbeeldingen van de werkelijkheid die ons inzicht vergroten, overtuigingen doen wankelen en nieuwe mogelijkheden binnen ons gezichtsveld brengen. We kunnen de werkelijkheid niet doorgronden zonder dat we de niet-betekende en dus buitengesloten werkelijkheid leren kennen.

Onderzoeken van de chaos moet dus beginnen met de erkenning dat de chaos deel uitmaakt van de werkelijkheid. Binnen ons wereldbeeld kunnen en moeten we dus een onderscheid maken tussen de betekende ruimte en de niet-betekende ruimte. Die laatste ruimte is er wel maar kan zich niet aan ons vertonen, omdat die binnen ons betekeniskader niet kan worden betekend. Dat biedt een andere kijk op het onderscheid tussen orde en chaos. Dat onderscheid is niet strak maar vloeiend. De niet-betekende ruimte kan onderdeel worden van onze ordeningen door onze begrippen en definities te verruimen. Tegelijkertijd kunnen onderdelen van onze ordeningen aan betekenis verliezen. We kunnen van gedachte veranderen. Wat we jarenlang als vanzelfsprekend beschouwden, kan zijn betekenis verliezen. Of we ontwikkelen een heel andere kijk op de wereld waardoor we oog krijgen voor wat voorheen buiten ons gezichtsveld viel.

Een dergelijk wereldbeeld nodigt uit tot ontdekking, tot expedities in de terminologie van Michel Serres (Latour, Serres, 1995). Dergelijke expedities dienen te beginnen bij de deelnemers zelf. Om het onontdekte te verkennen is een kritische beschouwing nodig van het heersend betekeniskader en van het dominante wereldbeeld dat we ons hebben gevormd. Dat wereldbeeld doet zijn werk veelal zonder dat we ons daarvan bewust zijn. We handelen op basis van en denken vanuit een bestaand betekeniskader, dat we ons in de loop van ons leven hebben eigen gemaakt en dat voor ons vanzelfsprekend is geworden. Dat is handig en begrijpelijk in de praktijk van alledag omdat we ons daardoor niet meer telkens met vragen rond betekening. We kunnen voor een belangrijk deel routinematig functioneren.

Daarbij helpt het dat het geldend betekeniskader in sterke mate is geïnstitutionaliseerd. Onze organisaties, regels en procedures kunnen worden opgevat als gestolde betekenisgeving, als resultaat van processen van betekenisgeving. Dat is weliswaar gemakkelijk maar tegelijkertijd staat het verandering in de weg. Een betekeniskader heeft doordringende werking en uit zich op tal van manieren en op tal van terreinen. Gevolg is dat wanneer verandering ervan aan de orde is, we ons voor een complexe opdracht gesteld zien. Verandering betekent verandering van perspectief en houdt in dat we onze vanzelfsprekendheden kritisch beschouwen. Iedere definitie van een situatie of object heeft buitensluitende werking. Een definitie maakt een onderscheid tussen wat tot de definitie behoort en datgene wat niet door de definitie wordt omvat. Dat laatste beschouwen we impliciet als betekenisloos.

Aan de orde zijn dan twee vragen. Allereerst wat we als gevolg van onze vanzelfsprekendheden hebben buitengesloten en, een slag dieper, wat de onderliggende processen van betekenisgeving zijn die tot de vanzelfsprekendheden hebben geleid. Denk bijvoorbeeld aan het betekeniskader van de moderniteit waarin de werkelijkheid wordt beschouwd als een entiteit die onafhankelijk is van de mens als waarnemer en onderzoeker. Hoe dit, gecombineerd met rationalisatie, leidde tot standaardisering en uniformering. Hoe we bijgevolg een wereldbeeld hebben vastgezet dat dwingt tot reproductie en er slechts moeizaam verandering in kunnen aanbrengen. Of beter gezegd, hoe onze pogingen tot verandering vaak beperkt blijven tot herschikkingen binnen dat gevestigde wereldbeeld maar waarbij we nauwelijks toekomen aan een overstap naar een nieuw wereldbeeld dat ons in staat stelt tot andere betekening en tot een dieper inzicht, zowel in onszelf als in de werkelijkheid waar we onderdeel van zijn.

Uitgangspunten in ons denken en vanzelfsprekendheden kunnen worden opgevat als de bergplaatsen van het buitengeslotene. Ze hebben als werking dat ze ons het zich ontnemen op een deel van de werkelijkheid. Ze worden als vaststaand beschouwd. Ze bieden geen ruimte mee voor twijfel. De mogelijkheid dat een andere betekening denkbaar is, is buitengesloten. En vormen blokkades om de niet-betekende ruimte, de chaos dus, te onderzoeken. Serres stelt dat we de rivier zoals die zich stroomafwaarts toont, slechts kunnen begrijpen door stroomopwaarts te gaan, op weg naar de bron van de rivier. Dat kan ons inzicht verschaffen in de momenten waarop we werkelijkheid hebben buitengesloten als gevolg van al of niet expliciet gemaakte keuzes.

Een energetisch wereldbeeld

We stelden dat elementen kunnen overgaan van gas via vloeistof naar vaste stof en omgekeerd. We legden ook de relatie met betekenisgeving. Dat biedt een opstap om het wereldbeeld energetisch te beschouwen. Wanneer een willekeurige opvatting door veel mensen en met veel overtuiging wordt bevestigd, kunnen we stellen dat een dergelijke opvatting meer werking heeft. We voegen betekenis toe en naarmate we meer betekenis toekennen, krijgt een opvatting meer werking. Door betekenis te geven beladen we een element met energie.

Wanneer een opvatting breder wordt gedeeld, ook door personen en instanties die binnen onze structuur een belangrijke plaats innemen, wordt de werking ervan groter. Gaandeweg ontwikkelen zich praktijken die we vanzelfsprekend vinden. We vinden ze normaal en handelen ernaar. We zijn ons niet meer bewust van de onderliggende betekening. We houden gevestigde praktijken in stand en bevestigen daarmee het onderliggend betekeniskader. En dus hebben we geen oog voor mogelijk negatieve effecten van ons handelen. We voeren simpelweg opdrachten uit van instanties die we bevoegdheden hebben toegedeeld. Wat kan daarmee mis zijn? We bevragen onszelf niet meer. Dat is ook niet nodig omdat we ons hebben gemodelleerd c.q. ons hebben laten modelleren in een systeem dat we als geldend en geldig ervaren.

Hannah Arendt (2017) doorzag hoe patronen die we als normaal en geaccepteerd beschouwen, de basis kunnen gaan vormen voor “het kwaad”. In een recent boek (Desmet, 2022) belicht Mattias Desmet vanuit een psychologisch perspectief hoe processen van massavorming met zichzelf aan de haal kunnen gaan en we de grip erop kunnen kwijtraken. Het totalitaire kan ontstaan zonder dat er sprake is van weloverwogen besluitvorming. Er is binnen een maatschappij c.q. massa sprake van onderliggende krachten die niettemin grote invloed kunnen hebben. Hoe bijvoorbeeld een onbestemde angst zich kan hechten aan objecten waardoor de voorheen onzichtbare vijand een gezicht krijgt. Dat heeft als voordeel dat we voortaan weten wie of wat er moet worden bestreden. Hoe gezamenlijkheid kan ontstaan op basis van valse beelden. Eerder thematiseerde Le Bon (1895, 2022) de vraag wie het eigenlijk in een maatschappij voor het zeggen heeft: de leiders of het volk. En hoe het volk door de leiders kan worden bespeeld en zich laat bespelen, waardoor de roep om krachtig leiderschap in brede kring en krachtig klinkt.

Tot slot

We hebben in dit artikel in grote lijnen een wereldbeeld geschetst met als aanleiding dat het bestaande wereldbeeld eerder problemen in stand houdt dan oplost. Alvorens vanuit het perspectief van dat voorgestelde wereldbeeld de stap te zetten naar de werkelijkheid van alledag en de daarin bestaande denkwijzen en handelingspraktijken, zullen we in een volgend artikel dit wereldbeeld eerst verdiepen. Dan gaat het om een nader bezien van processen van betekening. Immers, als we de werkelijkheid zoals die zich aan ons toont, beschouwen als een betekende werkelijkheid , is inzicht in de processen van betekening en de daarbij spelende krachten een onmisbaar aandachtspunt. Het wereldbeeld komt daar immers uit voort. We moeten de totstandkoming ervan bezien om het uiteindelijk resultaat te begrijpen. We zullen daarbij dankbaar gebruik maken van de inzichten van o.a. Foucault, Deleuze en Latour. Daarna zullen we de aandacht richten op bestaande domeinen zoals het overheidsbeleid, de wetenschap, de rechtspraak en voorts enkele inhoudelijk georiënteerde systemen zoals de psychiatrie en de landbouw.

Literatuur

Arendt, Hannah, De menselijke conditie, Boom, Amsterdam, 2017

Berger, Peter en Luckman, Thomas, The social construction of reality, 1966

Bohm, David, Over Dialoog, Helder denken en communiceren, Ten Have, 2019.

Latour, Bruno, Serres, Michel, Conversations on Science, Culture and Time, University of Michigan Press, 1995

Desmet, Mattias, De psychologie van Totalitarisme, Pelckmans Uitgevers, Kalmpthout, 2022

Le Bon, Gustave, De psychologie van de massa, Uitgeverij Succesboeken, 2022

Van der Wal, G.A., De Omkering van de wereld; achtergronden van de milieucrisis en het zinloosheidsbesef, Ambo, 1996

Wagemans, Mathieu, Een oceaan van betekenisloosheid, een kritische beschouwing van beleid, politiek en wetenschap met een verwijzing naar de filosofie van Michel Serres, Digitalis, Utrecht,2016

Wagemans, Mathieu, Orde en chaos, Deel I: Splitsend denken, in: Civis Mundi, nr 97, april 2020



********************

Naar een nieuw landbouwsysteem


Civis Mundi Digitaal #123

door Mathieu Wagemans                      www.ontganiseren.nl

Inleiding

De stikstofcrisis heeft de landbouw in het centrum van de aandacht gebracht. Dat wil niet zeggen dat de politiek de landbouw vroeger links liet liggen. Maar voorheen waren de deelnemers aan het debat vooral mensen uit de landbouw zelf. Het was een betrekkelijk zelfstandig domein dat intern was gericht en waarbij het ongenoegen nu en dan zichtbaar was, bijvoorbeeld bij boerendemonstraties. Door de stikstofcrisis is een groeiend besef ontstaan, dat de wijze waarop we ons voedsel produceren aan ingrijpende verandering en vernieuwing toe is.

Dat geluid is overigens niet nieuw. Al vanaf de zeventiger en tachtiger jaren was menigeen ervan overtuigd dat een proces van alsmaar meer, alsmaar intensiever en alsmaar groter op termijn niet houdbaar zou zijn. Dat besef was vanaf de tachtiger jaren ook bij de overheid aanwezig. Diverse pogingen werden ondernomen om een andere weg in te slaan. Maar die werden, als ze al overeind bleven, doorgaans uitgekleed, bijvoorbeeld door uitzonderingen in te bouwen, normen te versoepelen of ingangsdata verder naar de toekomst te verschuiven. Het leidde tot een in juridisch opzicht uiterst ingewikkeld regelcomplex. Ook was er een groot vertrouwen dat als nieuwe technologie al tot problemen zou leiden, nieuwere technologie die zeker zou kunnen oplossen.

Daarbij werd telkens gewezen op de enorme economische betekenis van de landbouw. We zijn na de VS het land met de hoogste exportwaarde van landbouwproducten. Dat daar aanzienlijke importen tegenover stonden en negatieve effecten naar de omgeving, kreeg doorgaans minder aandacht. De stikstofcrisis heeft ervoor gezorgd dat de context waarin wordt nagedacht over de toekomst van de landbouw is verbreed. Er is sprake van een maatschappelijk debat in plaats van traditionele patronen van sectorale belangenbehartiging. Dat maakt zowel een verbreding als een verdieping mogelijk van de landbouwproblematiek, die anders niet of vertraagd tot stand zou zijn gekomen.

Kenmerkend voor de huidige context van het stikstofdebat is dat de door het kabinet voorgestelde maatregelen vanuit de landbouw worden ervaren als beperkend. Het beeld van een doodssteek voor de landbouw wordt opgeroepen. Talloos zijn de klachten dat er geen perspectief wordt geboden. Bedrijven in kwetsbare regio’s dienen te verdwijnen. Acceptatie van de maatregelen betekent het einde van de landbouw in grote delen van het platteland. Die uiterst kritische opstelling is begrijpelijk, althans wanneer men redeneert vanuit de bestaande landbouwpraktijken. Men heeft de laatste decennia toch al een opeenvolging van beperkende maatregelen op tal van terreinen moeten ervaren. Denk bijvoorbeeld aan het tegengaan van mestoverschotten, de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater, emissies van ammoniak en fijnstof, bescherming van natuurgebieden en landschapselementen, de zorg voor een gezonde bodem en beperking van het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Het stikstofbeleid betekent een nog veel verder strekkende ingreep. Niet langer gaat het om beperking van landbouwpraktijken maar om het verdwijnen van bedrijven.

Een belangrijk element in de discussies is het verwijt aan de overheid dat er geen perspectief wordt geboden. Het beleid leidt tot een kaalslag zonder zicht op wederopbouw. Dat roept de vraag op, of er een ander perspectief denkbaar is en wat dat dan zou moeten zijn. Die vraag is belangrijk. We moeten ons realiseren dat maatschappelijke betekenis van de landbouw veel verder gaat dan enkel het produceren van veel goedkoop voedsel. De bron voor die ontwikkeling was in de vijftiger jaren vooral het streven tijdens de wederopbouw na WOII om goedkoop voedsel te produceren. Dat stelde in staat de lonen laag te houden, zodat de internationale concurrentiepositie van Nederland zou worden versterkt.

Er volgde een indrukwekkend proces van rationalisatie met als gevolg een enorme stijging van de productiviteit. Het platteland werd heringericht op basis van de eisen die de modernisering van de landbouw stelde. Dat betekende het einde van een landbouwsysteem dat maatschappelijk was geïntegreerd, kleinschalig was en gedifferentieerd. Bedrijven werden vanuit de kern verplaatst naar het buitengebied. Het gemengde bedrijfstype werd vervangen door gespecialiseerde bedrijven van grote omvang. Alles wat de landbouw had gekenmerkt maar wat economisch niet profijtelijk was, verdween. Daarmee verdween ook een landbouwpraktijk die zowel op bedrijfsniveau als regionaal circulair was. Er was sprake van gesloten kringlopen. Juist die economisch ingegeven reductie van de betekenis van de landbouw kan het startpunt vormen voor een proces van systeemvernieuwing, voor het ontwerpen van een nieuw landbouwsysteem.

Wat zijn we in het proces van modernisering kwijtgeraakt? Wat waren de onderliggende krachten die ertoe dwongen door te blijven gaan op een pad zonder einde? Immers, het proces van schaalvergroting is een proces zonder einde. Nieuwe technologie stelt voortdurend in staat tot een nog verdere verhoging van de productiviteit maar vraagt wel aanzienlijke investeringen. Die kunnen slechts worden terugverdiend door schaalvergroting waardoor de kosten over een grotere productie kunnen worden uitgesmeerd en de kostprijs in de hand kan worden gehouden. Inzicht in die processen kan verhelderen wat we zijn kwijtgeraakt in opvolgende processen van modernisering. En daarop volgend de vraag wat de landbouw nog meer kan betekenen dan goedkoop voedsel produceren.


Bredere betekenis van de landbouw

Dat roept drie vragen op. Allereerst de vraag wat de maatschappelijke betekenis van de landbouw kan zijn in een postmoderne samenleving. De ontwikkelingen in de landbouw illustreren treffend hoe het inzetten op steeds meer en steeds sneller zijn einde kent. Die problematiek is veel breder en veel dieper en is niet beperkt tot de landbouw. De moderniteit neemt als vertrekpunt dat de werkelijkheid kenbaar en beïnvloedbaar is. Maar door die eenzijdige nadruk op rationalisatie hebben we geen oog meer gehad voor het irrationele. Gaandeweg zijn we tot het inzicht gekomen dat we door het eenzijdig streven naar rationaliteit het zicht hebben verloren op wat we zien als irrationeel, maar dat het irrationele maatschappelijk van grote waarde kan zijn.

Er is nauwelijks een sector denkbaar dat indringender die onderliggende problematiek demonstreert dan de landbouw. We hebben natuurlijkheid gerationaliseerd. De uitdaging is een nieuw landbouwsysteem te ontwerpen, dat maatschappelijk is gegrondvest en voorbeeldig kan zijn voor omslagen die in een veel breder maatschappelijk verband aan de orde zijn. Hoe het streven naar efficiency bron is geworden van maatschappelijke armoede. Denk aan vervreemding doordat het menselijke moest wijken voor het rationele. De pijn die gedwongen bedrijfsbeëindiging met zich meebracht in nu eenmaal geen onderdeel van de kostprijs van aardappelen, melk en varkensvlees.

Een dergelijke omslag begint met het in beeld brengen van wat de maatschappelijke betekenis van de landbouw kan zijn in een postmoderne samenleving. In plaats van eenzijdige nadruk op het economische, is de uitdaging in beeld te brengen wat landbouw als ontmoeting met het natuurlijke kan betekenen. Het is primair een ontwerpopgave.

Op de tweede plaats is nodig dat de hieruit voortvloeiende veranderingsopgaven scherp worden benoemd. Noodzakelijke vernieuwingen vragen focus. Daarvoor is nodig dat we de ontwikkeling van de bestaande landbouw analyseren. Waar is het systematisch mis gegaan en wat waren de vanzelfsprekendheden die zelfcorrectie in de weg stonden? Om een systeem te veranderen is nodig, het bestaande systeem te begrijpen en te doorzien. Wat zijn de systeemgebreken van de huidige landbouw? Bijvoorbeeld de noodzaak van grootschalige uniformering en standaardisering. De landbouw vervreemdde van de samenleving. We weten niet meer hoe ons voedsel wordt geproduceerd. De vooruitgang ging gepaard met vervreemding. Het zijn de processen die Max Weber al in het begin van de vorige eeuw beschreef. De mens die niet meer heerste over de toekomst maar een passief element werd in processen die met zichzelf aan de haal waren gegaan. Er stond geen maat meer op.

Op de derde plaats is aan de orde om de transitie van de bestaande landbouw naar nieuwe landbouwpraktijken te accommoderen. Kunnen we volstaan met wijzigingen binnen bestaande systemen en structuren of is de overstap naar nieuwe systemen aan de orde?


Veranderingsopgaven

Ik noem er enkele die onderling samenhangen. De eerste innovatieopgave betreft het uitgangspunt dat landbouw wordt beschouwd als een economische activiteit. De boer is ondernemer en dieren zijn productiemiddel. Belangrijk daarbij is dat ons economisch systeem groei veronderstelt. Zonder groei geen continuïteit. De steeds grotere nadruk op technologie speelt daarbij een grote rol.

Die economisering van de landbouw was weliswaar begrijpelijk, maar leidde ook tot een verdere technologisering en objectivering van de voedselproductie.

Dat had op minstens twee punten belangrijke gevolgen. Allereerst werd landbouw niet langer als een natuurlijk proces opgevat maar als een economische activiteit. Dat is een wezenlijk verschil. Natuurlijke processen bekommeren zich niet om criteria als efficiencyverhoging en kostprijs. Het toenemend vermogen om natuurlijke processen te manipuleren drukte overwegingen rond natuurlijkheid naar de achtergrond. Moderne landbouw stelt manipulatie van natuurlijke processen centraal. Hoe beter we daartoe in staat zijn, des te minder is respect voor natuurlijkheid noodzakelijk. Op de tweede plaats ging die ontwikkeling ten koste van culturele aspecten. Van de plattelandscultuur waarbinnen de landbouw van oudsher een verbindend vermogen had, is weinig meer over. Dat geldt ook voor de maatschappelijke inbedding. De landbouwontwikkeling werd vooral een aangelegenheid van de landbouwsector zelf. Het werd een eigen domein met liefst zo weinig mogelijk inbreng van de buitenwereld. Dat klemt wanneer thans het belang toeneemt van maatschappelijk verantwoord ondernemen.

Het komt erop neer dat de eenzijdige focus op rationaliteit alles buitensloot wat irrationeel was. En irrationeel was al datgene dat net kon worden ingepast binnen onze op rationaliteit gebaseerde ordeningen. Het werd beschouwd als chaos. Die chaos was en is functioneel. Slechts dankzij het buitensluiten van het irrationele konden we onze ordeningen en daarop gebaseerde structuren overeind houden. Dat werpt een merkwaardig licht op chaos. Chaos kunnen we opvatten als een bestaansvoorwaarde voor onze ordeningen. Het omgekeerde geldt ook. Zonder chaos geen ordening en zonder ordening geen chaos. De uitnodiging is om onze ordeningen te ontrafelen en de chaos te onderzoeken.

Zowel die processen van buitensluiten als het verlies van verbinding met andere maatschappelijke domeinen zijn treffend en scherp beschreven door de Franse filosoof Michel Serres. Hij roept het beeld op van eilanden waarop de bewoners (politici, beleidsmakers, bestuurders) vreselijk druk zijn met hun eigen ordeningen maar, zo stelt hij, het werkelijke leven speelt zich af op de oceaan. Vergelijk het onderscheid van Habermas tussen systeemwereld en leefwereld. Om het echte leven te ontdekken moeten de eilandbewoners expedities ondernemen en de oceaan verkennen. Het nodigt uit om het buitengeslotene te verkennen. De chaos heeft ons een boodschap te vertellen.

Dat is een lastige opgave. Het betekent het opgeven van vanzelfsprekendheden en de daarop gebaseerde ordeningen. De behoefte aan ordening even terzijde schuiven door verbreding van ons perspectief waardoor we oog krijgen voor de prijs die we hebben betaald voor de vooruitgang. Dat vraagt een verandering waarvan de noodzaak vanaf de vijftiger jaren reeds op tal van manieren is onderbouwd binnen de filosofie, maar die niet is doorgedrongen tot de praktijk en de politiek van alledag. Daar bleef het economisch denken dominant.

Voor de landbouw houdt dat een ingrijpende perspectiefwijziging in. Het dwingt dat we onderzoeken wat we door het centraal stellen van het economisch denkkader als kwetsbaar terzijde hebben geschoven. Het besef bijvoorbeeld dat de landbouw vervreemd is geraakt van de maatschappij. Nodig is dat die relatie wordt hersteld. Dat heeft consequenties voor de landbouw maar zeker ook voor burgers. Die kunnen zich in een nieuw landbouwsysteem niet langer enkel meer opstellen als consument, die zoveel mogelijk waar voor zo weinig mogelijk geld eist. Want dat is het andere effect van de economisering van de landbouw. De burger wordt als consument tegemoet getreden. We kunnen de omslag benoemen als de overgang van landbouw als een strikt economische activiteit naar verbindingslandbouw, naar een systeem van voedselvoorziening in een context van gezamenlijkheid. Dat vraagt inschikkelijkheid van alle partijen. We missen er nog grotendeels de organisatievormen voor. Het lijkt helder dat hier een krachtig pleidooi voor regionalisering en schaalverkleining uit voortvloeit.


Landbouw als bron van betekenis

Daarmee hangt een andere omslag samen. Een systeem van voedselproductie dat maatschappelijk is ingebed, stelt ook de vraag wat de betekenis ervan kan zijn in een breder maatschappelijk verband. Zorglandbouw is een voor de hand liggend voorbeeld. Maar denk ook aan onderwijs en bijvoorbeeld aan managementsystemen. Hoe kunnen die worden gebaseerd op natuurlijkheid met aandacht voor de mens in plaats van een instrumentele benadering waarin mensen worden beschouwd als manipuleerbare productiefactoren met vervreemding als uitkomst.

Een dergelijk nieuw concept voor onze voedselproductie vraagt systeemveranderingen op meerdere terreinen. Ik noem er enkele. Er is verbreding nodig met betrekking tot de functies van de landbouw. We moeten de spanning overstijgen tussen strikt economisch verantwoord voedsel produceren en de beheerfunctie van het platteland. Die staan onderling thans op gespannen voet. Een duurzaam beheer van het platteland vraagt respect voor bodem, water en lucht in plaats van aantasting ervan. Integratie is nodig van voedselproductie en het respectvol omgaan met publieke waarden. Een omgaan met de “common goods” zoals natuur, landschap en het milieu lukt niet wanneer die economisch worden opgevat als kosten of oorzaken van opbrengstverlaging.

Thans is er sprake van twee onderling vaak tegengestelde betekeniskaders: de economisch georiënteerde productie en het respect voor wat kwetsbaar is onder economische druk. Aan de orde is de constructie van een nieuw betekeniskader waarin sprake is van integratie zodat de tegenstellingen wegvallen. In het huidige systeem worden boeren beloond voor natuurbeschermende maatregelen, die ze niet zouden nemen, wanneer ze zich uitsluitend door eng-economische overwegingen zouden laten leiden. Aandacht voor natuur werkt in economisch opzicht immers kostenverhogend en opbrengstverlagend. Dat economisch nadeel dient te worden gecompenseerd, zo is dan de logische gedachte.

We hebben dus te maken met een landbouwsysteem dat niet zelfcorrigerend is. Het is uit zijn evenwicht. Er zijn voortdurend corrigerende maatregelen van de overheid nodig die telkens weer door agrariërs als beperkend worden ervaren. We corrigeren telkens, maar laten de onderliggende spanning voortbestaan. We betalen compensatie en daarmee drukken we uit dat het binnen ons economisch systeem niet loont om rekening te houden met publieke waarden zoals natuur, landschap, beheer van de bodem, water enz. Komt die compensatie er niet, dan wordt er geprotesteerd omdat men economische schade lijdt.


Eigendoms- en gebruiksrechten

Daarmee hangt een tweede innovatieopgave samen. Die betreft ons juridisch vastgelegd systeem van rechten en plichten. Eigendom van grond hebben we geregeld in een privaatrechtelijke setting. Dat levert spanning op met betrekking tot gebruiksrechten. In economisch opzicht winstgevend gebruik staat haaks op respectering en versterking van publieke waarden. Plannen ter bescherming van publieke waarden leveren dan economisch nadeel op. Objectief gezien leidt dat tot de vraag of we niet toe zijn aan een herschikking van eigendoms- en daaruit voortvloeiende gebruiksrechten.

Echter, dat is een in politiek opzicht uiterst gevoelig onderwerp. In 1977 viel het Kabinet Den Uyl over de grondpolitiek. Een belangrijk punt daarbij was de vraag of de overheid vanwege publieke belangen een voorkeursrecht moest krijgen bij aankoop van de grond en, daarmee samenhangend, of de waarde van de grond moest worden vastgesteld op basis van de waarde in het vrije economische verkeer, dan wel op basis van bestaand gebruik. In het laatste geval zou er geen ruimte zijn voor grondspeculatie en daarmee gepaard gaande prijsopdrijving van bijvoorbeeld toekomstige bouwgrond.

Ondanks die politieke gevoeligheid zijn er krachtige argumenten aanwezig om tot een nieuw systeem van gebruiksrechten te komen waarin er sprake is van een logischer verhouding tussen private en publieke belangen. Dat zou, bijvoorbeeld op regionale schaal, in staat moeten stellen tot een onderlinge verrekening van winstgevende en verliesgevende gebruikswisselingen. Er zijn immers, even afgezien van private belangen, weinig redenen te bedenken waarom een particulier enorm voordeel zou moeten genieten wanneer de grond die zijn eigendom is als gevolg van een te verwachten overheidsbesluit in waarde verveelvoudigt.

De eigenaar beurt een forse waardestijging zonder dat hij daar iets voor heeft hoeven te doen. Weliswaar zal hij bij verkoop niet langer de inkomsten hebben van agrarisch grondgebruik, maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door de waardestijging. Menig boer is multimiljonair geworden, doordat de overheid koos voor een andere bestemming. De boer ontving dan als eigenaar meer dan hij ooit met de productie van voedsel had kunnen verdienen. Omgekeerd dient de eigenaar een faire vergoeding te ontvangen, wanneer er sprake is van een verliesgevende gebruiksovergang, bijvoorbeeld wanneer een agrarisch bestemd perceel een natuurbestemming krijgt.

Onderlinge verrekening van plussen en minnen bij bestemmingswijzigingen lijkt een interessante en relevante ontwerpopdracht. Een voorbeeld ter illustratie betreft de relatie tussen landbouw en woningbouw. De bestaande praktijk is dat de eigenaar van landbouwgrond een hoge premie ontvangt wanneer landbouwgebruik plaats moet maken voor woningbouw. Die premie drijft vervolgens de kosten van de bouwgrond op waardoor de bouw van betaalbare woningen voor mensen met een smalle beurs wordt belemmerd. Er is nog ene ander voorbeeld waarbij de landbouw profijt heeft van woningbouw. Da betreft de zogenaamde Ruimte-voor Ruimte Regeling. Die maakte het mogelijk voor vermogende burgers kapitale huizen te bouwen op percelen waar woningbouw voorheen was uitgesloten. Daarvoor moest een stevige premie worden betaald Dat geld werd overgedragen naar de landbouwsector en ingezet voor de sloop van stallen.

Daarbij is ook aan de orde dat de landbouw verstrikt is geraakt in een dicht regelcomplex. De klachten vanuit de landbouw dat de ruimte om te ondernemen aanzienlijk is ingeperkt door tal van regels, die ook nog eens een zware administratieve belasting met zich meebrengen, is algemeen. Maar die regelgeving heeft niet enkel nadelen. Eenmaal verkregen vergunningen geven een juridisch krachtig recht om landbouwpraktijken voort te zetten, ook als die belangrijke nadelen hebben voor de omgeving. In grote delen in het zuiden en oosten van Nederland is het buitengebied bedekt met milieucirkels als gevolg van verleende vergunningen. Die hebben als uitwerking, dat ze ontwikkelingen en initiatieven die maatschappelijk gewenst zijn, kunnen blokkeren wanneer nadelige effecten kunnen hebben voor die voor de landbouw. Het is een statisch en juridisch stevig verankerd kader dat voortzetting van bestaande praktijken mogelijk maakt en maatschappelijk gewenste vernieuwing kan tegenhouden.


De relatie tussen boer en burger

Een derde systeemomslag heeft betrekking op de relatie tussen boer en burger. De landbouw was van oudsher een verbindende factor op het platteland. Bedrijven waren vaak gevestigd in de dorpskernen. De modernisering maakte een eind aan die situatie. Bedrijven werden in het kader van ruilverkavelingen verplaatst naar het buitengebied. De landbouw ontwikkelde zich als een zelfstandige sector, als een wereld op zich waar de buitenwereld nauwelijks nog kennis van droeg.

Die ontwikkeling werd bron van vervreemding. Hoe het voedsel wordt geproduceerd onttrekt zich aan het oog van de burger. Dat had onder andere tot gevolg dat er interne spanning ontstond bij burgers. Men heeft steeds uitgesprokener opvattingen over hoe ons voedsel moet worden geproduceerd maar tegelijkertijd gedraagt men zich in de supermarkt als een prijsbewuste consument. Er is sprake van spanning tussen overtuigingen en gedragingen. Rekening houden met overwegingen op het vlak van duurzaamheid leidt nu eenmaal vaak tot hogere kosten. De consument is duurder uit.

Nodig is dat er een nieuw en stabiel evenwicht op het vlak van verantwoordelijkheden ontstaat. Dat betekent een voedselketen zie zelfcorrigerend is. Burgers krijgen invloed op de wijze waarop hun voedsel wordt geproduceerd en dragen daarvan ook de consequenties. Voor ondernemers houdt dat inschikkelijkheid in met betrekking tot de bedrijfsvoering waar een faire beloning tegenover staat. Dat vraagt om stevige verbindingen tussen boeren en burgers en nieuwe organisatievormen. Buurderijen in plaats van boerderijen. Verbinding tussen stad en platteland, tussen stedelijke dynamiek en traagheid van het platteland als kostbare elementen.


Verbindingslandbouw

Dat verbindend karakter heeft niet enkel betrekking op relaties tussen boeren en burgers. Het is ook een pleidooi om, Michel Serres volgend, verbinding te zoeken tussen de landbouwsector en andere maatschappelijke sectoren zoals zorg, onderwijs en cultuur. Daarvoor is nodig dat wat we hebben buitengesloten door eenzijdige aandacht voor rationaliteit, op zijn waarde wordt verkend. Wat kan het uitgangspunt van natuurlijkheid betekenen in een breder maatschappelijk verband? De landbouw demonstreert de gebreken van een systeem dat op regelgeving is gericht. Die problemen doen zich echter op tal van andere gebieden voor. Talloos zijn voorbeelden dat onze regelsystemen zijn vastgelopen. Hoe bureaucratische perspectieven het zicht ontnemen op wat er maatschappelijk speelt. En hoe vernieuwing van sturingsvormen en regelsystemen wordt geblokkeerd door geldende regels.

In de politieke, wetenschaps- en milieufilosofie zijn tal van analyses en beschouwingen te vinden die pleiten voor nadere verkenning van wat niet past in onze op rationaliteit gebaseerde systemen. Het besef dat we in ons rationele denken en handelen zijn doorgeschoten. En ook het besef dat het irrationele ons een boodschap heeft te vertellen. Dat geeft aan dat een economische benadering gebrekkig is omdat economisch denken nu eenmaal onverbrekelijk is verbonden met rationaliteit.

Verbinding houdt dus ook in verbinding tussen de drie dimensies van duurzaamheid: het economische, het ecologische en het sociaal-culturele. Daarvan is thans nauwelijks sprake. Het economische is dominant en het ecologische en het sociaal-culturele is kwetsbaar onder economische druk. Bovendien hebben we een economisch systeem dat groei vooronderstelt. Zonder groei geen continuïteit. De economie ontwikkelt zich daardoor als een kankergezwel. Er is geen sprake van tegenwicht. De moderne landbouw demonstreert sprekend en indringend dit onderliggend probleem. Voortdurend moet de overheid optreden om het kwetsbare te beschermen omdat de het landbouwsysteem niet zelfcorrigerend is. Integendeel, aantasting van het kwetsbare levert economisch voordeel op. Er is sprake van wat wel wordt geduid als perverse koppelingen.



De aanpak

Gebruikelijke processen schieten tekort wanneer het gaat om systeeminnovaties. Dan is ontwerpruimte nodig en vrijheid van denken. Dat lukt niet goed binnen bestaande belangenstructuren. Die houden tegenstelingen in stand en ontlenen er hun bestaansrecht aan. Bestaande instituties zoals landbouw- en natuurorganisaties zijn geformeerd en gepositioneerd rond gedateerde tegenstellingen. Ze dwingen telkens weer vraagstukken in oude kaders te plaatsen met als gevolg dat op zijn best compromissen worden gesloten die de onderliggende problemen in stand laten.

De uitdaging is de tussenruimte, de ruimte tussen de loopgraven, te verkennen. Dat lukt niet met de overtuigingen en onderliggende vanzelfsprekendheden die in de loopgraven over en weer als waarheid worden gezien. Dat vraagt als opgave het construeren van een nieuw verbindend betekeniskader waarbinnen huidige tegenstellingen hun relevantie verliezen. Daarvoor is nodig dat we de gebaande paden verlaten en onbekend gebied betreden waar de wegwijzers van de moderne wereld eerder hinderen dan faciliteren. Ze dwingen telkens terug te keren naar waar we vandaan kwamen. Ze nodigen uit tot cirkelredeneringen en tot wat in het schaakspel bekend staat als een herhaling van zetten.

Processen van systeemvernieuwing zijn gebaat bij institutionele vernieuwing. Dan gaat het om nieuwe coalities en nieuwe collectieven. Het zijn energie-gedreven processen. Die energie zit niet in organisaties, maar in personen binnen en buiten organisaties, die overtuigd zijn van de noodzaak van verandering en geïnspireerd zijn zich ervoor in te zetten.

Die noodzakelijke ruimte vraagt om een setting buiten bestaande kaders, een bypass-constructie dus waarin het mogelijk is vernieuwingen te bedenken en vervolgens door middel van experimenten op hun praktijkwaarde te onderzoeken.




Positief is dat de laatste jaren overal voorbeelden zijn van initiatieven die al vorm geven aan vernieuwing. Maar op systeemniveau is meer nodig. De overheid heeft daarbij een belangrijke rol door condities te scheppen om de noodzakelijke veranderingen te faciliteren. Helaas beperkt diezelfde overheid zich tot op heden voornamelijk tot beperkende regelgeving zonder de regie te nemen in het proces van verandering.

In dat opzicht getuigt het voorgestelde stikstofbeleid van beleidsarmoede. Enkel regelgeving is weliswaar een bekende en traditionele reflex, maar zal de noodzakelijke transitie niet realiseren. Het beeld dat de overheid de maatschappij naar de geldende regels kan laten dansen is achterhaald. Aan de orde is een nieuwe maatschappij te ontwerpen in plaats van het verleden te herhalen. Dat vraagt voorstellingsvermogen en een actieve op vernieuwing ingestelde overheid. En van de landbouwsector vraagt dat het niet langer verdedigen van een gemankeerd systeem maar een open oog voor de knelpunten ervan.

Niet langer klagen over de zwakke positie van de producenten in de keten maar nieuwe ketens ontwerpen die een fair inkomen mogelijk maken in ruil voor ruimte om maatschappelijke overwegingen te integreren in nieuwe landbouwpraktijken. Dat vraagt een nieuw perspectief, niet alleen op de landbouw maar vooral ook op het zelfbeeld van agrarisch ondernemers. Het eigen eiland waar de efficiency regeert, verlaten en in het beeld van Serres de maatschappelijke oceaan verkennen. Dat lukt niet met trekkers.


Tot slot

De landbouwproblematiek kan worden opgevat als een geweldige kans om voorbeeldig te zijn met betrekking tot de ingrijpende vernieuwingen, waar we in een veel breder kader als maatschappij voor staan. Hoe de landbouw als oorspronkelijk primaire sector weer centraal kan komen te staan en een functie gaat vervullen die veel wezenlijker is dan het goedkoop produceren van voedsel. Hoe de landbouw daardoor een treffend voorbeeld kan zijn van een sector die als een van de eerste de overstap maakt van het tijdperk van modernisering en daarmee gepaard gaande verzakelijking en objectivering naar een maatschappij waarin het betekenisvolle niet langer ondergeschikt is aan het rationele.

Om die kansen te grijpen is nodig dat de overheid vanuit een bredere kijk de bestaande stikstofproblematiek benadert. Dat betekent niet primair en uitsluitend inzetten op sluiting van bedrijven, maar juist een nieuw toekomstperspectief te ontwerpen voor bedrijven, gericht op het beschermen en stimuleren van ecologische en sociaal-culturele waarden, die de laatste zeventig jaar zijn weggerationaliseerd. Dat vraagt ingrijpende vernieuwing op tal van terreinen. Het vraagt herwaardering van wat we zijn kwijtgeraakt door eigen toedoen. Het vraagt moderniseren naar het verleden toe.

Dat geldt natuurlijk in het bijzonder voor landbouw in regio’s waar spanning bestaat met niet-agrarische functies. In plaats van die spanning te ontkennen of zich te verzetten, kan die ook worden aangegrepen om tot nieuwe verbindingen te komen. De landbouwproblematiek als opstap voor en voorbeeld van maatschappelijke vernieuwing. Een landbouw op maat van de mens en de natuur.

Dat laatste betekent overigens ook een grondige herijking van het natuurbeleid. Dat is de laatste decennia vooral een kwestie geworden van door deskundigen geformuleerde definities, die vaak ver afstaan van de belevingswaarde door burgers. De uitdaging en opdracht is wat dat betreft voor zowel vertegenwoordigers van de landbouw als van de natuur vergelijkbaar. Een nieuw ontwerp voor het beheer van het platteland betekent op de eerste plaats zichzelf opnieuw ontwerpen. Zonder blikverruiming gaat het niet lukken.

******************************

Recensie Totalitarisme (Mattias Desmet)

Civis Mundi februari 2022


door Mathieu Wagemans

Bespreking van: Mattias Desmet, De psychologie van Totalitarisme, Pelckmans Uitgevers, Kalmpthout, 2022


Over de problemen die we zelf hebben veroorzaakt door ons neo-liberale en positivistische denkmodel is al veel nagedacht en geschreven. Denk aan vragen rond de eindigheid van de groei en problemen op het vlak van duurzaamheid. Denk aan de jachtigheid en de concurrentie die voortkomen uit economisch en dus rationeel handelen.

Mechanistisch materialisme

De omslag waar we voor staan is qua ingrijpendheid vergelijkbaar met de omslag als gevolg van de Verlichting, waardoor traditionele denkpatronen hun vanzelfsprekendheid verloren. In de filosofisch georiënteerde literatuur zijn daar tal van analyses over. Desmet benadert deze vraagstukken vanuit de psychologie. Hoe de Verlichting subjectiviteit terzijde schoof en koos voor objectieve zekerheid. Desmet en anderen noemen het een “mechanistisch materialisme”. De mens was in staat de werkelijkheid objectief te onderzoeken en zo tot zekere kennis te komen. We veronderstellen dat onze meetmethoden in staat stellen de werkelijkheid helder in beeld te brengen. Juist dat uitgangspunt wordt geproblematiseerd door het perspectief van de menselijke psyche als invalshoek te kiezen.

Hoe objectief zijn bijvoorbeeld onze meetmethoden? In gelijke zin komt de vraag aan de orde of we wel in staat zijn tot objectieve communicatie. Dat leidt tot een kritische beschouwing van bijvoorbeeld de digitalisering die alles buitensluit wat niet objectiveerbaar is. Ook de rol van de wetenschap komt uitgebreid aan de orde. Wetenschappelijke kennis maakte grote vooruitgang mogelijk op tal van terreinen maar had tegelijkertijd een prijs. De wereld moest worden aangepast aan de eisen die de nieuwe technologie stelde. De technologie nam de regie over.

Zo bouwden we een maatschappij op die is gebaseerd op gebrekkige aannames. We reduceren de werkelijkheid, opdat en zodat we die kunnen beheersen en manipuleren. Aan de hand van inzichten uit de psychologie en psychiatrie wordt geïllustreerd hoe onze wens tot systematisering, standaardisatie en beïnvloeding tot een gebrekkig en armoedig mensbeeld heeft geleid, niet zozeer als doel maar des te meer als feitelijke uitkomst.

Juist dergelijke processen staan in het boek centraal. Hoe we in de greep kunnen komen van processen die ingrijpende invloed hebben, waar we ons niet goed van bewust zijn. Dat maakt het boek betekenisvol, omdat de onderliggende processen van betekenisgeving aandacht krijgen en in het bijzonder de kaders die leidend zijn bij die betekenisgeving. We hebben ons denkmodel geïnstitutionaliseerd. We hebben structuren opgebouwd die verandering in de weg staan. De krachten van zelfbevestiging zijn sterk. Met als gevolg dat de systemen niet meer zelfcorrigerend zijn en geen correctie van buiten toelaten.

De Verlichting heeft ons blind gemaakt en zijn verlichtende werking verloren. We hebben onze successen kunnen behalen binnen een gereduceerd beeld van de werkelijkheid. Maar we hebben onszelf zo afhankelijk gemaakt van dat gereduceerd beeld dat we geen oog hebben voor wat we hebben buitengesloten. Dat zijn processen die impliciet hun werking hebben en waar we ons dus niet of nauwelijks van bewust zijn. Er zijn krachten werkzaam die ons verplichten het beeld overeind te houden. We blijven het schilderij alsmaar boetseren en denken daardoor het mooier te maken. Echter, het kost alsmaar meer verf en het beeld vertekent steeds meer.

Oplappen van dominante denkmodellen

Qua diepgang vergelijkbare vraagstukken vormen de basis voor dit boek over totalitarisme. Maar de benadering is betrekkelijk nieuw en hoogst relevant. Het boek volstaat niet met het wijzen op de gebrekkigheid van ons denken maar op de context waarin dat denkmodel kon ontstaan en specifiek op de krachten die deze modellen in stand houden. Vanuit het perspectief van de psychologie wordt ingegaan op de processen die aan ons handelen ten grondslag liggen. De nadruk ligt daarbij op het collectieve: hoe kunnen denkmodellen dominant worden en blijven? Waarom laten ze zich zo lastig corrigeren? De uitwerking van dergelijke gedachten is breed. Er wordt ingegaan op de consequenties ervan met betrekking tot politieke en beleidssystemen, maar evenzeer met betrekking tot het wetenschappelijk systeem.

We proberen weliswaar ons wereldbeeld bij te stellen, maar dat lukt niet. We bestrijden symptomen van een wereldbeeld dat intrinsiek gebrekkig is. Die gebreken worden niet opgelost, maar we proberen in de praktijk van alledag door knip- en plakwerk de naden en barsten dicht te strijken en aan het oog te onttrekken. We blijven volharden in een benadering en een perspectief waardoor we het wereldbeeld alsmaar verder preciseren en vastzetten. We verengen het, terwijl juist aan de orde is dat we het verbreden.

Door verbreding en verdieping krijgen we oog voor wat thans niet in ons beeld van de werkelijkheid past. Dat is het meest manifest binnen het overheidsbeleid. We streven naar een ideale maatschappij. We gaan er daarbij van uit dat we tot perfectie in staat zijn, dat de wereld kenbaar en manipuleerbaar is. De voorbeelden liggen voor het grijpen. We zijn verzeild geraakt in een juridische context. Neem het belastingsysteem als voorbeeld. Steeds weer worden nieuwe vluchtroutes gevonden en nieuwe constructies bedacht om belastingheffing te ontwijken. En steeds weer spant de overheid zich in om vluchtwegen te blokkeren door nieuwe regels of door regels en definities aan te scherpen.

Dwingende regelgeving

We zijn als het ware de gevangene geworden van ons eigen oplossend denken. De processen van rationalisatie en standaardisatie zijn met ons op de loop gegaan. Het verraderlijke daarvan is dat we ons er niet van bewust zijn. We blijven volhardend voortgaan op een pad dat uiteindelijk geen perspectief biedt. En daarmee komen we bij het totalitarisme en de onderliggende processen.

Het regelsysteem dwingt zelf tot meer regels. Het stelt zichzelf niet ter discussie en kan dat ook niet doen omdat het dan in strijd handelt met de eigen regels. Het hoeft dat ook niet te doen omdat de dominantie ervan is voorondersteld. Ik moest bij lezing denken aan een ervaring in de militaire diensttijd, waar een bekend gezegde was dat de krijgstucht was gebaseerd op twee artikelen. Volgens artikel 1 had de sergeant altijd gelijk en volgens artikel 2 trad automatisch artikel 1 in werking als de sergeant geen gelijk had.

We moeten ons wereldbeeld dat rationeel en instrumenteel is kritisch onderzoeken. Het boek helpt daarbij, onder meer door een prettige leesstijl en vooral door de vele verwijzingen naar praktijken en ervaringen die herkenbaar worden neergezet. Juist die herkenbaarheid maakt het lastig om de ernst en de noodzaak van veranderingen te relativeren of zelfs te ontkennen.

Gezamenlijkheid

Om tot verandering te komen hebben we inzicht nodig in processen van massavorming. Die processen vormen een centraal thema in het boek. Desmet noemt vier condities voor massavorming.

1. De eerste conditie is de behoefte aan sociale relaties. Massavorming om daarmee eenzaamheid te doorbeken.

2. De tweede conditie heeft te maken met de wens een zinvol leven te leiden. We krijgen betekenis in relatie met de ander.

3. De derde conditie is gerelateerd aan angst. De behoefte angst te delen.

4. De vierde conditie heeft te maken met de onbestemdheid van de angst. Het gaat dan om een algemeen gevoel van onbehagen dat zich niet goed laat omschrijven. Er is behoefte aan een object waardoor de onbestemde angst concreet, zichtbaar en tastbaar wordt. Het object maakt het mogelijk zich tegen de voorheen onbestemde angst te verzetten. Zo kan een algemeen gevoeld gebrek aan vertrouwen in de overheid tot een gebundelde actie leiden tegen een door de overheid veroorzaakt probleem. Dat probleem vormt dan een kristallisatiepunt voor het ongenoegen dat veel breder is dan kritiek op een onjuist overheidsbesluit.

De vierde conditie hangt daarmee samen. Die heeft ermee te maken dat de angst zich hecht aan objecten. Het onbestemde onbehagen heeft objecten nodig en zoekt een bestemming. Dan wordt de angst tastbaar en kan de energie van het onbehagen zich richten en concrete vorm aannemen. De angst krijgt een drager. De vrij vlottende angst krijgt een gezicht en wordt benoembaar. Er ontstaat gezamenlijkheid, ook als is het vooral een gezamenlijkheid op het vlak van onvrede en onbestemdheid. En dat leidt vervolgens tot onzekerheid bij de overheid. Er ontstaat angst omdat men wellicht de grip op de samenleving gaat verliezen. Ook al kan de onvrede niet worden opgelost, men kan wel proberen die te ordenen en aansluitend proberen die te beheersen. Maar dat helpt niet. Integendeel, het risico bestaat dat men de onvrede nog versterkt.

Coronacrisis

De aandacht richten op processen van massavorming is hoogst actueel. Ervaringen rond de coronacrisis geven volop stof tot nadenken en thematiseren. Die ervaringen kunnen gemakkelijk van etiketten worden voorzien die diepgang missen. Desmet graaft dieper en benoemt niet enkel processen, maar betrekt in zijn analyses ook de krachten die daarbij een rol spelen. Hoe processen van massavorming hun gang gaan, zonder dat we ons er zelf van bewust zijn. Dat is het verraderlijke van totalitarisme. Dan is sprake van processen die ongezien werking hebben. De dynamiek hiervan is benoemd door Hannah Arendt naar wie Desmet uitvoerig verwijst. Hoe het banale en schandelijke zich aan ons oog onttrekt, omdat de processen van planning en sturing legitimatie bieden. We voeren slechts opdrachten uit. Dus hoe kan ons iets worden verweten? Het geweten moet wijken voor het rationeel uitvoeren van taken.

Het is een krachtig perspectief wanneer we ons verdiepen in het functioneren van overheden. Hoe we al decennia bezig zijn met bestuurlijke en politieke vernieuwing, tal van experimenten uitvoeren, maar weinig voortgang boeken. Dat lijkt voor een belangrijk deel te kunnen worden verklaard door het feit dat de uitgangspunten en veronderstellingen die de basis vormen voor onze plannings- en beleidsmodellen, niet ter discussie worden gesteld. We stellen ons daardoor tevreden met oppervlakkige veranderingen die de onderliggende problemen laten voortbestaan. Het is geen onwil, maar het ontbreekt ons aan een voldoende scherpe blik. We komen daardoor niet toe aan een kritisch doordenken van ons op ratio gebouwd systeem. De keuze tussen ratio en het irrationele komt niet aan de orde omdat het rationele vanzelfsprekend is en het irrationele overklast.

Complottheorieën

De coronacrisis blijkt ook een vruchtbare bodem voor het ontstaan van complottheorieën. Het boek bevat een interessante verhandeling hierover. Desmet noemt drie kenmerken van een complottheorie, namelijk:

1. Er is een bewust intentioneel en planmatig streven,

2. Dat streven moet een verborgen, geheim streven zijn en

3. Het streven moet gericht zijn op het toebrengen van schade.

Kijken we vanuit dit perspectief naar de coronacrisis, dan is echter terughoudendheid nodig om afwijkende visies al te makkelijk van het predicaat “complottheorie” te voorzien. Dat geldt zowel met betrekking tot het gevoerde beleid als met betrekking tot de kritiek op dit beleid. Zijn beleidsmakers bewust bezig de maatschappij te ontwrichten? Ligt er een geheime overtuiging aan hun handelen ten grondslag? Is er sprake van bewuste en weloverwogen samenspanning om de maatschappij aan zich te onderwerpen? Dat lijkt erg onwaarschijnlijk. Het is eerder zo dat men in volle overtuiging handelt om de crisis te beheersen en ongedaan te maken. Bij de aanvang van de coronacrisis was het premier Rutte die als probleem aangaf, dat er beslissingen moesten worden genomen zonder dat een valide kennisbasis aanwezig was. Maar ook met betrekking tot tegenstanders van het gevoerde beleid is terughoudendheid nodig om ze als complotdenkers te definiëren. Er kan sprake zijn van een diep doorleefde overtuiging dat de getroffen maatregelen niet nodig zijn en op zijn minst disproportioneel. Dan is het niet correct opvattingen als elementen van een complot te duiden. Er is dan immers geen sprake van een geheime gerichtheid op het toebrengen van schade.

Waarheidsbegrip

Die opvatting van een complottheorie kan vanuit een waarheidsperspectief aanleiding geven tot bijstelling. Complottheorieën roepen vaak een beeld op van redeneringen die onwaar zijn. Ze zijn verzonnen en doen geen recht aan de werkelijkheid. Maar wat verstaan we onder waarheid? Kan een complottheorie ook niet door aanhangers worden beschouwd als “waar”? Kunnen we het ook zo zien, dat een theorie, hoe onwaarschijnlijk ook, door aanhangers kan worden beladen met zoveel waarheid dat ze als “waar” wordt beschouwd? Moeten we het waarheidsbegrip niet koppelen aan betekenisgeving?

Een redenering of een beeld is dan meer waar dan een andere redenering of beeld naarmate ze door meer mensen met meer waarheid wordt betekend. En, nog een stap verder, kunnen we politieke debatten niet opvatten als een strijd om betekenisgeving? Hoe kunnen we een eigen standpunt met waarheid betekenis geven en tegelijkertijd andere waarheden onderuit proberen te halen? Het duiden van een theorie als een complottheorie zou dan ook slechts een kwestie van betekenisgeving zijn. Het betekenis geven van een opvatting als een complottheorie ontslaat je van de noodzaak kritiek te onderbouwen. De term zelf houdt reeds de veroordeling in. Het zijn dergelijke gezichtspunten die zich heel goed laten begrijpen door de ingang van de psychologie te kiezen. Dat geeft diepgang aan (sub)disciplines als bestuurskunde en politicologie.

Manipulatie

Vanuit een dergelijk perspectief ontstaat ook een ander beeld van de politieke praktijk. Een veelkleurige werkelijkheid moet in een strak kader worden geperst. Er moet stem worden gegeven aan belevingen en ervaringen van burgers binnen een gereduceerd en dus reducerend betekeniskader. Lastig is ook dat er sprake is van sterke tegenstellingen. Als gevolg daarvan conflicteren ook de probleemopvattingen en noodzakelijke en gewenste maatregelen. Die verschillen vragen diepgaande analyses, waartoe het politieke discours en de politieke praktijken nauwelijks ruimte bieden. De verschillen zijn ideologisch van aard maar worden in een context van praktisch handelen benaderd. Dat leidt tot oppervlakkigheid. Ideologie is “uit”.

Consequentie is dat het politieke handelen vooral symbolisch is geworden. Dat stelt politici in een lastige positie. Het vraagt een permanent laveren tussen een enerzijds formeel geldend betekeniskader en anderzijds ervaringen en opvattingen van burgers die niet of slechts gebrekkig een betekenis kan worden gegeven binnen het formele discours. Die spanning wordt “opgelost” doordat we ons vaardig tonen in het manipuleren de werkelijkheid. We geven die een zodanige betekenis dat er een logisch verband ontstaat tussen problemen en oplossingen. Maar die logica dient niet meer. Voor verandering is nodig dat we onderkennen en erkennen dat ons redeneren niet tot oplossingen leidt die stand houden.

Onvrede

Desmet signaleert dat er sprake kan zijn van een dieper gelegen algemene onvrede over de overheid, een fundamenteel gebrek aan vertrouwen. Dan kan een crisis zoals de coronacrisis een voertuig worden om een veel breder en dieper levende onvrede tot uitdrukking te brengen. De coronacrisis wordt dan een object, waar een algemeen levende onvrede zich aan kan hechten. Die onvrede zoekt een uitweg, heeft behoefte aan uiting.

Op dit punt is een verwijzing naar Michel Serres interessant. Die stelt dat datgene wat mensen betekenisvol vinden, maar waar een systeem, in dit geval het overheidssysteem, niet ontvankelijk voor is, andere wegen zoekt. Het buitengeslotene toont zich niet passief, maar heeft werking. Het laat zich niet weg definiëren. Dat brengt de uitdaging met zich mee uitingen van onvrede op hun wezen te onderzoeken. Waar is die onvrede op terug te voeren? Is een protestdemonstratie een ware uitdrukking van de door de deelnemers beleefde onvrede of is er sprake van een diepere laag? Met daaraan gekoppeld de noodzaak alert te zijn bij pogingen de angel uit het protest te halen. Interventies kunnen, ook wanneer ze voortkomen uit waarachtige pogingen tegemoet te komen aan geuite bezwaren, het doel missen en mogelijk zelfs de onvrede vergroten.

Maar dat buitengeslotene lat zich niet opzij drukken. Het heeft werking en toont telkens weer en op allerlei manieren dat het bestaat. Het eist zijn bestaansrecht op.

Ik moest denken aan het beeld van Deleuze die de samenleving ziet als een gas. We kunnen de gaten in onze instituties proberen te dichten en het beleidssysteem sluitend maken, maar dat lukt niet. Het buitengeslotene zoekt en vindt telkens openingen. Onze instituties blijven lek. We kunnen de protesten tegen het coronabeleid opvatten als meer dan een kritiek op het gevoerde beleid. De onvrede verbergt een breder en dieper ongenoegen. Vergelijk de protestbeweging van de gele hesjes in Frankrijk. Het zijn uitingen van een gebrek aan vertrouwen in het overheidsbeleid en in de overheid zelf.

Afrondend

Het is een boek dat gedachten genereert. Het is ook een onthutsend boek. Dat onthutsende zit erin, dat we onder ogen zien wat we altijd wel wisten, maar wat niet tot ons doordrong.

De noodzakelijke verandering houdt in wezen in dat we ons bewust worden van de automatismen in ons denken. Het boek is een uitnodiging onze vanzelfsprekendheden te onderzoeken en dat we onze veronderstelde zekerheden ontmaskeren als schijnzekerheden. De consequenties ervan zijn ingrijpend, vergelijkbaar zoals eerde gesteld, met de Verlichting.

Desmet presenteert een perspectief dat op wezenlijke punten verdiepend is en ons aan het denken zet. Die verdieping levert nog niet de oplossing maar demonstreert overtuigend dat we te eenvoudig denken en ons vastklampen aan vanzelfsprekendheden, die we liever in stand houden dan kritisch bevragen. De pilaren van de bouwwerken die we hebben geconstrueerd blijken soms rietstengels te zijn, zij het dat ze star zijn en niet kunnen meebewegen met wat maatschappelijk aan de orde is.

Het boek presenteert geen oplossingen. Dat zou ook niet passen binnen de aard van de analyse. De noodzakelijke verandering kan niet worden gerealiseerd door simpelweg een mix van instrumenten te kiezen om een vooraf bepaald einddoel te realiseren. Juist dat instrumentele denken en handelen wordt in het boek neergesabeld. De veranderingsopgaven zijn ingewikkelder. Anders gezegd, onze denkmodellen zijn te eenvoudig. Maar we kunnen wel vragen formuleren die ons op weg kunnen helpen naar de toekomst. Bijvoorbeeld de vraag wat de contouren zijn van het nieuwe tijdperk. Wat moeten we ons voorstellen bij nieuwe en zelfcorrigerende instituties van gemeenschappelijkheid? We hebben daar de begrippen niet eens voor. Er is een noodzaak voor een nieuwe logica en een nieuw bewustzijn.

******************

De politiek lijdt aan zichzelf  

(Opinie Dagblad de Limburger, 17 februari 2022)

Vorig jaar verscheen het boek ‘Democratie op wankele bodem” van Donald Loose. De titel kan op het eerste gezicht vreemd aandoen. Immers, we zijn er trots op te leven in een democratische rechtsstaat. Van de voordelen ervan zijn we zo overtuigd dat we deze staatsvorm wereldwijd aanprijzen. Loose plaatst kanttekeningen bij dat beeld door te wijzen op enkele fundamentele gebreken van de democratie.
Hij wijst bijvoorbeeld op het marktdenken dat tot spanningen leidt. Een overheid die telkens moet corrigeren omdat door de zucht naar steeds meer winst het sociale en ecologische moet wijken. Dat leidt tot alsmaar meer regels. De uitdaging voor de politiek is om tot vernieuwing te komen en tegenstellingen te doorbreken. Maar de praktijk toont een beeld waarin politieke partijen die tegenstelling juist georganiseerd in stand houden in plaats van die te overstijgen. Denk aan de tegenstelling tussen rechts en links, die ook bij de laatste kabinetsformatie zo herkenbaar was.

Leefwereld
Een tweede punt betreft de scheiding tussen de formele wereld en de leefwereld van burgers. Die is nergens zo goed waarneembaar als in de gemeentepolitiek. Daar is de ontmoeting tussen kiezer en gekozene het meest concreet. De taal en de formele en juridische begrippen zijn voor burgers nauwelijks te volgen. Beginnende raadsleden voelen zich vaak overrompeld door het complex van regels en procedures. Als je vol enthousiasme aan het raadswerk begint, merk je al gauw dat er telkens weer regels zijn die vernieuwing en verandering blokkeren.
Een derde punt heeft te maken met de politiek zelf. Pas wanneer verkiezingen naderen, haalt men allerlei capriolen uit om de sympathie van de burgers te wekken. Dat wekt de indruk dat men het stembiljet van de burger belangrijker vindt dan de burger zelf. Partijen worden dan via slimme reclamecampagnes aan de man gebracht. En burgers keren zich juist daardoor van de politiek af. Het vertrouwen in de politiek neemt af. In veel gemeenten maakt nauwelijks de helft van de burgers gebruik van het stemrecht.
Een vierde punt betreft een gebrek aan openheid. Coalitiepartijen kunnen de neiging hebben problemen te ontkennen of bagatelliseren. Met als gevolg dat burgers een andere overheid ervaren dan het beeld dat ervan wordt geschetst, met als gevolg dat problemen niet worden aangepakt maar door kunnen etteren.

Bubbel
Over plaatselijke partijen wordt wel gezegd dat die meer aandacht hebben voor wat burgers bezighoudt omdat ze niet gebonden zijn aan landelijke kaders. Nog los van de vraag of dit klopt, is het op zichzelf geen verdienste om vooral lokaal actief te zijn. Veel belangrijker is de vraag of die positie ook wordt aangewend om de formele bubbel te verlaten en stem geven aan wat burgers bezighoudt, aan wat kwetsbaar is.
Dat is geen eenvoudige opgave. Er zijn sterke krachten die raadsleden proberen te dwingen bestaande paden te bewandelen. Stem geven aan wat betekenisvol is voor burgers houdt ook in dat je als raadslid soms tegen de stroom in moet roeien. Dat vraagt lef. Het vraagt doorbreking van de braafheid die de lokale politiek vaak typeert. Bijvoorbeeld geen kritiek uiten omdat die de ‘eigen’ wethouder in problemen kan brengen en problemen vooral in achterkamertjes bespreken.
Plaatselijke partijen hebben vooral een nuttige functie wanneer ze door bestaande structuren heen weten te breken en op alle mogelijke manieren vernieuwing proberen te realiseren. Die noodzakelijke verandering bereik je niet met oppervlakkige en symbolische ingrepen zoals gekozen burgemeesters of procedurele scherpslijperij. Dan blijft het spel hetzelfde. De energie die nodig is voor zulke veranderingen moet in de raadsleden zelf zitten. Dat vraagt vastbeslotenheid en niet wijken voor iedere tegenstand van diegenen die er belang bij hebben dat het politieke systeem blijft zoals het is.


Thieu Wagemans is raadslid voor Ronduit Open in de gemeente Leudal

*******************************************


Het psychiatrisch zorgsysteem. Deel VII: De praktijk van het veranderingsproces


Civis Mundi Digitaal #118

door Mathieu Wagemans


Inleiding

In Deel V hebben we de Veranderingsopgaven benoemd voor het psychiatrisch zorgsysteem. In Deel VI hebben we een kader uitgewerkt voor veranderingsprocessen. In dit Deel VII gaan we op basis daarvan een aanpak concreter uitwerken met als doel tot een transitie of systeemverandering te komen in de psychiatrische zorg. We nemen het perspectief van het constructivisme als vertrekpunt, tzoals dat ook het geval was in voorgaande delen van deze serie.

We gaan in op de vraag hoe je dergelijke processen op gang brengt en op gang houdt. Dat wijkt nogal af van een instrumentele benadering, waarin op basis van een probleemanalyse doelen worden gesteld en vervolgens een plan wordt opgesteld om die doelen met inzet van een mix van instrumenten te realiseren. Een overgang naar een nieuw betekeniskader vraagt een andere benadering. Dat is niet eenvoudig. Het onderscheid tussen veranderingsprocessen binnen een systeem en verandering van een systeem is daarbij relevant.

In het eerste geval kun je grofweg stellen dat het betekeniskader als gegeven wordt verondersteld. Het maakt geen deel uit van het veranderingsproces maar is er eerder de regisseur van. Men kan procedures veranderen, bevoegdheden herschikken, communicatie verbeteren enz. Maar dat zijn allemaal veranderingen die mogelijk zijn binnen een geldend betekeniskader. Heel anders ligt dat, wanneer het betekeniskader zelf onderwerp van verandering is. Dan is aan de orde dat een nieuw betekeniskader moet worden geconstrueerd. Geconstrueerd inderdaad, het is geen keuze voor iets wat klaar ligt, maar het nieuwe moet worden gecreëerd.

Als ingang kunnen we daarbij gebruik maken van ons verlangen naar rationaliteit en de behoefte aan overzicht, die aan de tendens tot ordelijkheid ten grondslag ligt. We willen een complexe werkelijkheid reduceren tot een overzichtelijke werkelijkheid die we al redenerend kunnen leren kennen en vervolgens beïnvloeden. Organiseren is doorgaans gebaseerd op het verlangen naar overzicht en inzicht. We ordenen een complexe werkelijkheid, omdat we liever niet met wanorde worden geconfronteerd. Chaos gaan we liever uit de weg.

We ordenen meestal op een logische wijze. Maar die logica kan afwijken van de logica van de werkelijkheid. Onze denkmodellen kunnen anders zijn dan de modellen van de werkelijkheid. Ordenen betekent dat we een onderscheid maken tussen wat in de ordening past en wat zich niet ervoor leent om te worden geordend. In serie over orde en chaos hebben we dat verder uitgediept (Wagemans, 2020). De ordening was slechts mogelijk doordat we buiten sloten wat niet kon worden ingepast in de ordening.


Chaos in de orde.nl


Dat betekent dat orde en chaos niet tegenover elkaar moeten worden gesteld als onderling verschillende eenheden, maar dat er sprake is van een complementaire relatie. De ordening kan slechts bestaan dankzij het buitengeslotene, dankzij de chaos. En omgekeerd, zonder ordening zou de chaos geen bestaansrecht hebben. Ze veronderstellen elkaar. Ordening betekent zowel ordening van de chaos als tegelijkertijd het construeren van nieuwe chaos.

Dat levert de vraag op, wat de prijs is die we betalen voor die ordening. Hoe weten we of kunnen we weten dat onze ordening niet belangrijke aspecten van de werkelijkheid over het hoofd ziet? Hoe weten we of het door ons gekozen perspectief belangrijke aspecten van de werkelijkheid onbelicht laat? We stelden in Deel V dat verandering van het psychiatrisch zorgsysteem inhoudt, dat we de overstap moeten maken naar een ander betekeniskader. Verandering van betekeniskader veronderstelt dat we het bestaande betekeniskader kennen. Wat valt er te zeggen over hoe we betekenis geven binnen de psychiatrische zorg en welke krachten daar op van invloed zijn?


Betekenis geven en buiten sluiten in het psychiatrisch systeem

We verwezen in Deel VI van deze serie naar Verhaeghe (2012) die stelt dat we de identiteit niet moeten zoeken in een persoon zelf, maar in de relaties die hij onderhoudt met de ander. Vergelijk ook met Michel Serres die aandacht vraagt voor het buitengeslotene, voor de chaos. Het buitengeslotene heeft ons een boodschap te vertellen. Datgene wat we buitensluiten is kenmerkend voor een systeem. Juist het buitengeslotene kan ons inzicht geven in een systeem. De identiteit van een systeem kan worden opgespoord door de aandacht te richten op wat binnen het systeem betekenisloos is. Dat vraagt een omkering in denken. We concentreren ons dan niet op de definities zoals die binnen een systeem gelden, maar juist op wat niet past binnen de geldende definities. Daarmee is de vraag aan de orde wat er door het psychiatrisch zorgsysteem wordt buitengesloten. In wezen zijn we dan bezig niet langer blind te vertrouwen op het bestaande systeem, maar het te confronteren met de chaos, met dat wat betekenisloos is binnen het systeem. We gaan als het ware de ordening chaotiseren. Vergelijk initiatieven waarbij kunstenaars worden ingeschakeld bij veranderingsprocessen. Die hebben dan als functie bij te dragen aan vergroting van het voorstellingsvermogen in een strak geordende organisatie. Er zijn nieuwe begrippen nodig om het buitengeslotene te betekenen.

We stelden eerder dat het bestaande psychiatrisch zorgsysteem een strakke ordening kent. Er is sprake van tal van regels. Bevoegdheden zijn in detail toegedeeld. Er gelden protocollen en richtlijnen. Het is een dichtgeregeld systeem. Kijken we naar de praktijk van de psychiatrische zorg, dan is herkenbaar hoe de categorieën en begrippen van het systeem nogal verschillen van wat een patiënt met een psychiatrische aandoening ervaart. Aandoeningen worden geordend conform de ordeningsschema’s die binnen het systeem gelden met het DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) als treffend voorbeeld. Het zijn categorieën en definities die niet als zodanig worden beleefd door patiënten maar die wel een werking hebben.

Maar zoals we zagen, kent iedere ordening, ieder systeem, ook een contramal. Een ordening brengt een onderscheid aan tussen wat binnen de ordening past en wat er buiten valt. Voor het psychiatrisch zorgsysteem is dat niet anders. Dat stelt de vraag naar wat we hebben buitengesloten. Wat beschouwen we als betekenisloos? Hoe verlopen processen van buitensluiting? En wat zijn daarbij de onderliggende krachten?

Dat is een logische vraag die echter moeilijk te beantwoorden is. Een eerste stap kan zijn ons te verdiepen in de vraag waar onze behoefte naar ordening vandaan komt. Algemeen geformuleerd zouden we dan het verlangen naar overzichtelijkheid en beheersing kunnen noemen. We worden liever niet geconfronteerd met een wanordelijke werkelijkheid. Die kan ons gemakkelijk onzeker maken. We wensen daarentegen overzicht, ordelijkheid en inzicht. En dus vormen we ons een geordend beeld van de werkelijkheid. We sluiten daarbij buiten wat zich niet laat ordenen. Dat buitengeslotene vormt een restpost van de ordening. En juist dat buitengeslotene bevat de sleutel op de deur naar inzicht. Het buitengeslotene en de krachten die daarbij werkzaam zijn, wijst ons de weg naar inzicht in het systeem.


Wat wordt buitengesloten?Wat krijgt geen betekenis?

Binnen het psychiatrisch zorgsysteem is dan de vraag aan de orde wat door het systeem niet wordt betekend, wat betekenisloos blijft. Dat is een lastige opgave. De aandacht binnen een systeem gaat immers uit naar wat tot het systeem behoort. We maken ons druk om wijzigingen van procedures, om herverdeling van taken en verantwoordelijkheden, om aanpassing van definities. Maar wat betekenisloos blijft, zien we gemakkelijk over het hoofd. Dat krijgt binnen een functionerend systeem geen aandacht, bijvoorbeeld omdat we er niet de juiste begrippen voor hebben.

Dat heeft ook gevolgen voor pogingen om het functioneren van een systeem te verbeteren. Doen zich problemen voor, dan zijn we geneigd die te thematiseren met behulp van binnen het systeem geldende concepten en begrippen. Het geldende betekeniskader is dominant en is ook van invloed op pogingen tot verandering. Het nieuwe wordt gezocht binnen wat betekenis heeft binnen het geldende systeem. Het bestaande wordt zo de maatlat voor pogingen tot vernieuwing. Systemen hebben daardoor de neiging zichzelf te reproduceren. Maar bij systeemwijzigingen is die benadering ongeschikt.

Systeemwijziging houdt juist in dat we de werkelijkheid, in casu de psychiatrische zorg, vanuit een ander perspectief bezien. We vormen ons een ander beeld van de werkelijkheid waardoor die anders aan ons verschijnt. Een ander perspectief stelt ons in staat anders naar de werkelijkheid te kijken. Om het betekenisloze te betekenen hebben we andere begrippen nodig. Het geldend discours stelt niet in staat zicht te krijgen op het buitengeslotene. Per definitie niet. Dat discours is immers de bron van buitensluiting.

Aan de orde is dus de vraag hoe we kunnen doordringen tot het buitengeslotene en hoe we tegelijkertijd de aannames die de basis vormen van het huidige zorgsysteem op hun hardheid kunnen onderzoeken. Grofweg kunnen we daartoe twee wegen volgen. De eerste weg is dat we ons verdiepen in de totstandkoming van het bestaande psychiatrisch zorgsysteem. Wat zijn retrospectief belangrijke beslismomenten geweest bij de opbouw ervan? Welke overwegingen, aannames en overtuigingen gaven daarbij de doorslag? En, als contramal, waar was de aandacht niet of minder op gericht? Welke gevolgen had dat voor het functioneren van het zorgsysteem? Dat zijn allemaal vragen die als doel hebben zicht te krijgen op wat er in de loop der tijden werd buitengesloten. Deze benadering sluit aan bij het beeld van Serres dat we ons stroomopwaarts moeten begeven om de rivier stroomafwaarts te begrijpen.


Betrokkenen uitnodigen tot reflectie

Een tweede benadering richt zich op het heden. Onderdeel van dat proces kan zijn dat betrokkenen binnen het psychiatrisch zorgsysteem c.q. binnen instituties in dat systeem worden uitgenodigd tot reflectie. Dan gaat het niet om argumenten waarom iemand handelt zoals hij handelt, maar om de vraag wat iemand ten diepste beweegt. Dat gaat verder dan klachten over bureaucratie en protocollen. Dan is nodig dat de wereld daaronder wordt verkend. Wat zijn bijvoorbeeld de bronnen van ongenoegen? Wat zijn de bronnen van vervreemding waardoor men activiteiten moet uitvoeren waarvan men de zin niet onderkent en ook niet kan onderkennen, omdat die niet zozeer voortkomen uit een behoefte aan goede zorg maar eerder uit een behoefte aan beheersing en inkadering. Het gaat daarbij niet om abstracties maar om de persoonlijke beleving van werkenden in de zorg.

Om zicht te krijgen op dat buitengeslotene binnen het psychiatrisch zorgsysteem kunnen we ook te rade gaan bij patiënten en mensen in hun omgeving. Wat valt hen op wanneer ze met het psychiatrisch zorgsysteem in aanraking komen? Ze worden geconfronteerd met een rationeel geordend systeem dat helend moet werken voor aandoeningen die juist het irrationele als kenmerk hebben. Wat zijn hun ervaringen? Wat verwachten zij van psychiatrische zorg en worden die verwachtingen ook bevestigd? Ervaren zij afstandelijkheid en waar hebben die ervaringen dan concreet op betrekking?

In wezen zijn we dan langs twee wegen op zoek naar het collectief onderbewustzijn van een systeem of organisatie. Daarin bevinden zich de vanzelfsprekendheden en aannames die zich onder de praktijken bevinden. Bij dergelijke processen is het nodig dat die aan de oppervlakte worden gebracht. Het zijn de antwoorden op de waarom-vragen. Men stelt ter discussie wat nooit onderwerp van discussie was en ook niet hoefde te zijn omdat het vanzelf sprak. Het is de cultuur van een organisatie die bepalend is voor wat als normaal en als afwijkend wordt beschouwd.

Naast medewerkers daarover te ondervragen kan het dienstbaar zijn buitenstaanders erbij te betrekken. Of patiënten die voor het eerst worden opgenomen in een kliniek. Hen valt op wat men binnen een organisatie of systeem als normaal beschouwt. De normaliteit van de ordening ontneemt het zicht op wat er niet in past. Er zijn binnen een systeem of organisatie krachten werkzaam van zelfbevestiging. Die houden hun werking en kunnen hun werking behouden omdat datgene wat conflicteert en aan het denken zou kunnen zetten, is buitengesloten. Het wordt niet meer betekend, simpelweg omdat het geldend betekeniskader of discours buitensluitende werking heeft. Per definitie.


Bewustworden van collectief onderbewuste gegevenheden

Om tot dat inzicht te komen helpt het een onderscheid te maken tussen bewustzijn en onderbewustzijn. Kenmerk van het onderbewuste is, dat het niet aan de oppervlakte komt. Maar, zoals Serres stelt, het buitengeslotene heeft wel werking, ook al realiseren we ons dat niet. Het laat zich niet weg definiëren, ook al zijn we ons er niet van bewust. Een vergelijking dringt zich op met het onderbewuste. We zijn er ons niet van bewust maar dat betekent nog niet dat het onderbewuste niet ons denken en handelen zou beïnvloeden. Aan de orde is dan die werking te onderzoeken. Dat kan slechts via verhoging van ons bewustzijn. We moeten ontvankelijk worden voor de krachten van het onderbewuste. In de psychotherapie staat dat centraal Zie Lacan die als vertrekpunt had dat het onderbewuste een taalstructuur kent. Voor het collectief onderbewuste geldt hetzelfde. We moeten datgene wat onbewust plaatsvindt in een organisatie of een systeem betekenen, onder woorden brengen. In ieder geval hebben we de taal nodig om ertoe door te dringen.

We kunnen dan beter gaan begrijpen hoe een organisatie werkt en waarom dat die functioneert zoals die functioneert. Daarmee is de vraag aan de orde wat binnen een systeem onderdeel vormt van dat collectief onderbewustzijn en, daarmee samenhangend, hoe we tot dat onderbewustzijn kunnen doordringen. Wat is van invloed op ons denken en handelen zonder dat we ons daarvan bewust zijn. Het gaat er dan om de aandacht te richten op de vanzelfsprekendheden binnen een systeem of organisatie. Wat is zo vanzelfsprekend dat het geen onderwerp van discussie vormt? Daarmee komen we bij de aannames die de basis vormen voor een systeem. Die kunnen ingrijpende invloed hebben zonder dat we ons dat realiseren. Het vanzelfsprekende doet zijn werk stilzwijgend maar de werking ervan valt niet te onderschatten. Het logische wordt niet ondervraagd omdat het logisch is. Het verklaart en legitimeert zichzelf. Ze kunnen daardoor worden opgevat als bergplaats van mythes en ficties.


Mythes en ficties

Mythes en ficties kunnen worden opgevat als onrealistische afbeeldingen van de werkelijkheid. De afbeeldingen worden niet bevestigd door de werkelijkheid. Ze zijn imaginair. Mythes en ficties hebben een sterk beschermingscordon rond zichzelf opgebouwd, juist doordat ze niet worden bevraagd. Mythes en ficties worden niet ontmaskerd omdat er geen aanleiding voor is. Ze worden met zoveel betekenis beladen dat ze kunnen doorgaan voor waarheden. Er is daardoor geen aanleiding ze ter discussie te stellen. Mythes en ficties kunnen zo niet als kenmerk van een afbeelding van de werkelijkheid worden beschouwd, maar ze vallen samen met de werkelijkheid zelf.

Zo kunnen mythes een belangrijke functie hebben bij de instandhouding van systemen. Sterker nog, ze hebben niet zelden de functie van hoeksteen binnen de systemen die we hebben opgebouwd. Neem als voorbeeld het uitgangspunt dat iedere burger de wet dient te kennen. Dat lijkt nauwelijks realistisch. Maar het uitgangspunt moet overeind blijven omdat burgers zich anders bij overtreding zouden kunnen beroepen op onwetendheid. Onwetendheid als grond voor verschoning.

Of neem in het openbaar bestuur de regel dat een minister verantwoordelijk is voor elk besluit dat er op zijn departement wordt genomen. In de praktijk van alledag is dat volslagen onmogelijk. Het is een mens niet gegeven alle besluiten te beïnvloeden en te kennen die er op een willekeurige dag worden genomen. Maar voor het afleggen van verantwoordelijkheid is dat uitgangspunt onmisbaar om tot een sluitend systeem van verantwoordelijkheden te komen.

Een mythe drukt een verlangen uit. Het is een beeld of een verhaal dat te mooi is om waar te zijn of waar te worden. De schoonheid ervan verleidt ons en overvleugelt vragen op het vlak van realisme. We streven naar het volmaakte en verdringen vragen omtrent de bereikbaarheid ervan. Het geloof in de mythe en het aannemen van de mythe als waarheid en het beschouwen van de droom als werkelijk maakt het mogelijk het verlangen gelijk te laten vallen met het heden, met de werkelijkheid waarin we ons bevinden.

De mythes stellen in staat te leven met het onvolmaakte. Het onvolmaakte wordt overklast door het verlangen naar volmaaktheid. Bestaansvoorwaarde voor de mythe is ons geloof erin. We moeten de mythe ervaren en accepteren als werkelijk. We betekenen de mythe als waar. Twijfel daarentegen doet het bouwwerk instorten. De mythe doet ons geloven dat het onwerkelijke werkelijk bestaat, dat ons verlangen kan worden gestild.

Dat roept de vraag op wat de hoek en sluitstenen zijn van het psychiatrisch zorgsysteem. Denk bijvoorbeeld aan de veronderstelde deskundigheid. Het systeem is gebouwd op deskundigheid. Althans, deskundigheid is voorondersteld. Maar tegelijkertijd is er een breed beleefd besef dat onze kennis van wat er zich in onze geest afspeelt en omtrent lichaam-geest relaties nog erg onvolkomen is.

Aan de orde is dan de vraag, wat het betekent wanneer we als basis van een zorgsysteem kennis veronderstellen die er in de praktijk niet blijkt te zijn en waar we dus geen beroep op kunnen doen. Waaraan zou het psychiatrisch zorgsysteem dan zijn status aan kunnen ontlenen wanneer de veronderstelde kennis minder zeker is dan we graag zouden willen. Wanneer we dus onvermogen als zodanig moeten betekenen. Zie het recent verschenen boek Wij zijn God niet (van Spronsen en van Os, 2021), waarin de formele kennisbasis onderwerp van discussie wordt en ervoor wordt gepleit om meer ruimte te bieden aan ervaringskennis.


De stap naar ontwerpen

De volgende stap, nadat we enig zicht hebben gekregen op het bestaande systeem, de stap naar een nieuw systeem. Wanneer er sprake is van systeemwijzigingen, kunnen we daarbij niet terugvallen op bestaande denkbeelden en begrippen. Die zijn juist de dragers van het bestaande systeem. Systeemvernieuwing vraagt juist andere perspectieven, die vervolgens op hun betekenis en werking moeten worden onderzocht. Het is een in hoge mate creatief proces waarin volop ruimte moet zijn voor nieuwe ideeën, ook wanneer die in eerste instantie weinig relevant lijken.

Je zou het kunnen beschouwen als een ontdekkingstocht naar het onbekende. Serres spreekt van een expeditie (Latour, Serres, 1995). Hij gebruikt het beeld van het zoeken naar een Noord-West-passage als verbinding tussen de Atlantische en de Stille Oceaan. Een expeditie roept het beeld op van reis naar het onbekende. Je weet niet wat je onderweg tegenkomt en of je zult vinden waar je naar op zoek bent. Het is een reis in het onbekende.

Een dergelijke reis vraagt voorbereiding maar gebruikelijke planningsbenaderingen zijn niet geschikt. Er is geen einddoel dat je op geplande wijze denkt te kunnen bereiken. Er zijn geen vooraf uit te tekenen tussendoelen en er is ook geen tijdschema voor het bereiken van resultaten. Je weet eenvoudig niet of je al reizende het einddoel naderbij komt en of je op de goede weg bent. Het is een reis in het onbekende. De wegwijzers van de bewoonde wereld kunne je niet helpen. Ze zijn betekenisloos. Het ondernemen van een dergelijke reis vraagt een nomadische houding.

Dat vraagt, Deleuze volgend, een je fundamenteel ontdoen van alles wat je denken en handelen beheerst. Het vraagt een totaal losmaken, je ontdoen van je denkmodellen. Je zet je niet af tegen het bestaande. Je hoeft bestaande structuren niet eens te verachten. Het bestaande is betekenisloos, te onbelangrijk om je ertegen af te zetten.

Er zijn geen zekerheden. Er is geen nauw omschreven doel. De eindsituatie is niet bekend maar moet worden geconstrueerd. Het is zoeken. Er is geen zekerheid dat we vinden waar we naar op zoek zijn. Dat vraagt ruimte om te experimenteren. Onbetreden paden inslaan.

Dat zou het beeld kunnen oproepen dat een dergelijk proces geen voorbereiding vraagt. Immers, de zoekruimte is onbeperkt. Creativiteit kun je niet goed plannen, zeker niet via gebruikelijke planningsbenaderingen. Echter, deelnemers aan de expeditie naar het onbekende kunnen zelf een belangrijke bron van problemen worden. Het is allerminst vanzelfsprekend dat een tocht die geïnspireerd begint, onderweg vastloopt. De tocht vraagt voorbereiding. We gaan op een aantal aspecten in.


Formeren van een team

Centraal staat een sterke behoefte aan verandering. Gedrevenheid die zich niet opzij laat zetten door tegenslag. Tegenslag is de vaste metgezel. Ervaringen onderweg kunnen gemakkelijk bron zijn van spanning. Er is dus gezamenlijkheid nodig. Die gezamenlijkheid heeft niet enkel een inhoudelijke component. Het gaat niet primair om ratio, om argumenten en opvattingen die worden gedeeld. Gezamenlijkheid heeft eerder betrekking op het onderling toestaan van de ruimte. Je hoeft het niet met inspanningen en zoeken van een ander eens te zijn, maar deelnemers bieden elkaar de ruimte eigen wegen in te slaan. Deelnemers delen wel dezelfde inspiratie en de overtuiging dat verandering nodig is en ook enig besef waar die verandering op betrekking moet hebben i.c. het psychiatrisch zorgsysteem.

Een belangrijke bron van conflicten vormen de deelnemers zelf. Eenmaal onderweg kan blijken dat de te volgen koers niet meer de instemming heeft van alle deelnemers. Er ontstaan spanningen die energie opslurpen en wegnemen. Argumenten en tegenargumenten over de te volgen koers. Het leiderschap wordt onderwerp van discussie. Kleine onenigheden worden uitvergroot. Dat werkt verstorend bij de constructie van een nieuw betekeniskader.

Gezamenlijkheid kan niet op inhoudelijk niveau worden gezocht. Een concreet doel ontbreekt en ook de weg waarlangs een doel kan worden geformuleerd kan niet vooraf worden uitgetekend. Er zijn hooguit vage contouren van een nieuw betekeniskader en zeker nog niet een beeld van hoe een nieuw zorgsysteem eruit zal zien. Wel de overtuiging dat er vernieuwing nodig is en er zal doorgaans ook een gedeelde overtuiging zijn met betrekking tot wezenlijke gebreken binnen het bestaande systeem. Wat overblijft is de sterke overtuiging op weg te gaan en op weg te blijven. Het verlangen onderdrukken tot vestiging. Steeds weer op reis gaan. De weg als herberg.

Dat houdt ook in het ruimte bieden aan elkaar. De ruimte om van gebaande paden af te wijken, ook wanneer we twijfel hebben of een zijweg perspectief zou kunnen bieden. Dat betekent een grote mate van acceptatie van het afwijkende, ook tussen de deelnemers aan de expeditie. Een dergelijk proces houdt risico’s in. Bijvoorbeeld discussies over koers en richting. Vandaar het belang dat bij de aanvang deelnemers met elkaar delen wat hen inspireert om deel te nemen, wat hun bronnen van inspiratie zijn. Het is het onderscheid tussen waarden en belangen. Wat zijn ten diepste de bronnen van inspiratie om op weg te gaan?

Onderdeel van de voorbereiding is dan dat deelnemers dat tegen elkaar uitspreken. Het gaat niet om de argumenten om deel te nemen aan de expeditie maar om de dieper gelegen drijfveren. Dat kan resulteren in een document waarin die basisoriëntaties worden verwoord. Het is een kompas op niveau van waarden dat kan worden geraadpleegd wanneer zich spanningen voordoen, bijvoorbeeld op niveau van belangen. Waarom zijn we aan de expeditie begonnen? Wat inspireerde ons? Gedeelde waarden doen tegenstellingen op het niveau van belangen verbleken.


Ontwerpruimte

Hoe overtuigd men ook kan zijn van de noodzaak van verandering, uiteindelijk zal de zoekruimte beperkingen kennen. De vraag hoe spannend de tocht mag worden, kan door deelnemers verschillend worden beantwoord. Waar de één alle zekerheden wil opgeven, zal een ander zich mogelijk tevreden stellen met minder ingrijpende veranderingen. Daaruit vloeit de vraag voort hoe groot de ruimte is die deelnemers elkaar willen toestaan. Hoe groot mag de ontwerpruimte zijn, de zoekruimte voor vernieuwing? Ook dat is een belangrijk punt dat vooraf bespreking en explicitering vraagt opdat men onderweg niet verrast wordt. Bovendien kan er gaandeweg sprake zijn van muiterij. De gedrevenheid die voorwaarde is voor deelname, kan ook gemakkelijk bron van intense conflicten worden. De bereidheid tot compromissen lijkt omgekeerd evenredig aan de mate van gedrevenheid.

Daarmee verband houdt het risico op het vlak van objectivering, de neiging tot objectivering. De neiging ons te snel tevreden te stellen met oplossingen. Om vondsten en ideeën te omarmen als systeemwijzigingen en deze vast te zetten in structuren en procedures zonder dat de kern van de noodzakelijke veranderingsopgaven wordt geraakt. Dan wordt te snel de stap naar objectivering gezet. We zetten vast opdat en zodat we een oplossing (denken te) hebben gevonden. Dan vervangen we de ene statische toestand door een nieuwe statische toestand. Dat is niet wat de beoogde dynamiek zou moeten inhouden.

De uitdaging is juist structuren te bedenken die in staat stellen maximaal mee te bewegen met het proces dat een patiënt doormaakt. De ruimte voor subjectivering bepaalt of de veranderingen succesvol zijn. Het is de omslag van een regelend en heersend systeem naar een dienend en faciliterend systeem. Niet langer staat het systeem centraal maar het helen van aandoeningen. Dat staat haaks op de bestaande praktijk, waarin systemen zichzelf voortdurend reproduceren en slechts beperkt geneigd en in staat zijn zichzelf kritisch te beschouwen.

Objectivering leidt tot afstandelijkheid en vormt een hinderpaal om door te dringen tot het subjectieve. Die neiging tot objectivering is niettemin sterk. Objectivering maakt ordening mogelijk en vormt een krachtig instrument om tot overzicht te komen. De aard van de noodzakelijke verandering is dat een nieuw betekeniskader wordt geconstrueerd.


Verandering vraagt ruimte

De ruimte om van gebaande paden af te wijken, ook wanneer we twijfel hebben of een zijweg perspectief zou kunnen bieden, is wezenlijk om tot verandering te komen. Dat betekent een grote bereidheid tussen de deelnemers aan een expeditie tot acceptatie van het afwijkende. Een dergelijk proces houdt risico’s in. Bijvoorbeeld bij discussies over koers en richting.

Vandaar het belang dat bij de aanvang deelnemers met elkaar delen wat ieder inspireert om deel te nemen, wat ieders bronnen van inspiratie zijn. Het is het onderscheid tussen waarden en belangen. Zodra er sprake is van conflicten van deelnemers op het niveau van belangen, is aan de orde dat het waardenkompas wordt geraadpleegd. Waarom zijn we aan de expeditie begonnen? Wat inspireerde ons? Gedeelde waarden doen tegenstellingen op het niveau van belangen verbleken.

Een tweede risico heeft betrekking op de neiging tot objectivering. De neiging dus ons te snel tevreden te stellen met oplossingen. Om vondsten en ideeën te omarmen als systeemwijzigingen en deze vast te zetten in structuren en procedures, zonder dat de kern van de veranderingsopgaven wordt geraakt. Dan wordt te snel de stap naar objectivering gezet. We zetten vast opdat en zodat we denken een oplossing te hebben gevonden. Dat is niet wat de beoogde dynamiek zou moeten inhouden. Die moet betrekking hebben op maximale mogelijkheden om mee te bewegen met het proces dat een patiënt doormaakt. Ruimte bieden aan het subjectieve dus.

Objectivering leidt tot afstandelijkheid en vormt een hinderpaal om door te dringen tot het subjectieve. Een kritische conditie voor succes daarbij is om onderweg de drang naar uniformering te weerstaan. Niet te gauw een vondst als “de” vondst beschouwen. De verleiding weerstaan dus om nieuwe structuren te bouwen rond nieuwe ideeën en de vernieuwing vast te zetten. Of te blijven denken langs lineaire lijnen. Die neiging tot objectivering is niettemin sterk.

Objectivering maakt ordening mogelijk en vormt een krachtig instrument om tot overzicht te komen. Die verleiding is groot voor wie hecht aan een overzichtelijke en geordende structuur. Maar, zoals we zagen, leidt ordening tot buitensluiting. We moeten de aandoening in het gezicht kijken. Toegepast op het zorgsysteem houdt dat in, dat we ontmaskeren in plaats van de ene ordening door een andere te vervangen. Het gaat erom het wezen van de aandoening van het zorgsysteem helder te zien en voor ogen te houden.

Centraal stellen van betekenisgeving houdt in respect voor het afwijkende, voor complexiteit. Het is juist de drang naar objectivering die als oorzaak kan worden beschouwd voor processen van buitensluiting. Gaandeweg is ons denken het slachtoffer geworden van de wens tot meetbaarheid en uniformering. Het geldend betekeniskader kan zo gemakkelijk totalitaire trekken krijgen. Zoals de definities en begrippen van het DSM die daardoor almachtig zijn geworden. Ze beheersen het zorgsysteem. Ze zijn bron van afhankelijkheden die op de mens gerichte zorg gemakkelijk in de weg kunnen staan. Ze ontnemen ruimte omdat definities en begrippen nu eenmaal buitensluitende werking hebben.


Het proces onderweg

Vervolgens is de creativiteitsslag aan de orde: de antwoorden zoeken die we niet vinden binnen het bestaande systeem. We moeten de buitenruimte opzoeken, de ruimte buiten het bestaande systeem. Datgene dus wat we niet vinden binnen bestaande structuren vanwege hun buitensluitende werking. Dat betekent een tocht in het onbekende. Het nieuwe systeem heeft een kader nodig maar dat zal minder voorschrijvend moeten zijn dan thans het geval is en zal meer ruimte en respect voor het individuele en het afwijkende moeten inhouden. Ze moeten minimaal het individuele karakter van patiëntgerichte processen verstoren.

Het is de paradox dat wat we als vooruitgang zagen, ons in zijn greep heeft gekregen. Er ligt een verlangen aan ten grondslag dat we niet konden weerstaan. Maar het streven naar bevrediging van dat verlangen leidde ertoe dat we in een maalstroom terecht kwamen. We dachten te beheersen maar werden meegesleurd. We dachten ons eigen leven te kunnen regisseren, maar we leverden ons over aan krachten die ongemerkt hun werk deden maar die wel allesoverheersend werden. Vooruitgang werd een geloof dat zichzelf niet hoefde te legitimeren. Er lagen geen expliciete keuzes aan ten grondslag. We beschouwden bijeffecten als externe gebeurtenissen, als iets wat ons overkomt. Vergelijk de filosofie van Foucault waarin structuren disciplinerende macht krijgen en kunnen krijgen, juist omdat we er ons niet of onvoldoende van bewust zijn (Foucault, 2018).


Bypass

Naast aandacht voor interne processen tussen deelnemers tijdens de transformatie zijn er ook vragen aan de orde omtrent de verhouding tussen het werken aan een nieuw systeem en het functioneren van het bestaande systeem. Hoe kun je maximaal condities scheppen voor systeemvernieuwing terwijl tegelijkertijd het bestaande systeem moet blijven functioneren? Er kan sprake zijn van voortdurende discussie binnen een organisatie over de noodzaak van vernieuwing en over de vraag hoe ingrijpend die moet zijn. Dat kan op verandering gerichte initiatieven van meet af aan terzijde drukken en belemmeren.

Die spanning is deels terug te voeren tot de overweging dat bestaande structuren weliswaar gebreken mogen hebben, maar wel zekerheid bieden. Het nieuwe daarentegen is nog niet beschikbaar maar moet nog worden bedacht en geconstrueerd. Onzekerheid neemt veel energie weg. Berichten rond een op handen zijnde reorganisatie leiden de aandacht af van het gewone werk. Wat gaat de reorganisatie inhouden? Wat betekent het voor mijn werk? Houd ik mijn baan en positie?

Verandering creëert onzekerheid. Het is nog niet bekend wat het nieuwe gaat opleveren en dus bestaat er onzekerheid over hoe iemand zichzelf terug zal vinden binnen een nieuw systeem. Wat betekent dat voor het werk en bestaande praktijken? Dergelijke onzekerheden leiden gemakkelijk tot een lagere inzet. Men is, in uiterste consequentie, meer bezig met zichzelf en de eigen positie dan met actieve deelname aan processen van verandering. Onzekerheid kan energie opslurpen die ten koste gaat van het werk. Bovendien zal niet iedereen overtuigd zijn van de noodzaak van verandering. Is het wel allemaal nodig? Wie heeft bedacht dat de organisatie op de schop moet?

Er zijn dus overtuigende redenen om stil te staan bij de positionering van het proces van vernieuwing. Het is een pleidooi om de start van het proces, waarin het zoeken naar vernieuwing centraal staat, in betrekkelijke afzondering te laten plaatsvinden. Een beschermde omgeving dus, een positie buiten het systeem, een soort bypass. De tekening illustreert zo’n constructie, toegepast op het beleidssysteem (Wagemans, 2016).

Relatie naar bestaand systeem

Natuurlijk betekent een bypass-constructie slechts een tijdelijk arrangement. Uiteindelijk zal de verandering vorm en inhoud moeten krijgen binnen het zorgsysteem zelf. Dat zou de indruk kunnen wekken dat verandering een kwestie is van wat in een bypass-setting, dus in afzondering, is bedacht en geconstrueerd, vervolgens wordt getransplanteerd naar het overall systeem. Dat werkt echter niet. Aansluitend bij wat over de samenstelling van het expeditie-team is gesteld, geldt ook voor de systeemverandering dat die niet van buitenaf kan worden opgelegd. Vanuit een constructivistisch perspectief kun je niet datgene wat extern is bedacht, als een kant en klaar pakket overbrengen, laat staan voorschrijven.

Ook hier geldt dat de verandering door betrokkenen moet worden doorleefd. Men moet dezelfde processen doormaken als het expeditie-team heeft gedaan. Dat proces kan beginnen met alle betrokkenen, zowel patiënten, verzorgenden als management en bestuurders, vragen voor te leggen over bestaande praktijken en routines.

Je kunt daartoe een methodologie uitwerken die gebaseerd is op de gefundeerde theoriebenadering die in Deel V ter sprake kwam. Door experimenteel een traject te doorlopen in een beperkt aantal casussen, kunnen mogelijk patronen worden onderkend en betekend. Het komt erop neer dat langs deze weg het collectief onderbewustzijn expliciet wordt gemaakt. Het systeem c.q. de organisatie leert zichzelf kennen en begrijpen. Wat beschouwt men als vanzelfsprekend? Is er sprake van ficties en mythes? In welke mate zijn die bespreekbaar en wat ervaart men als belemmeringen om die tot onderwerp van gesprek te maken? Men kan bijvoorbeeld het uiting geven aan dergelijke ervaringen als riskant beleven. Kan er sprake zijn van ongewenste reacties wanneer wordt benoemd wat iedereen al lang weet, maar wat niet mag worden gezegd?

Het gaat erom expliciet te maken wat van betekenis is maar niet wordt betekend, althans niet bewust. Het collectief onderbewuste verkennen dus, het buitengeslotene dat niettemin werking heeft. Dat graaft een laag dieper dan het benoemen van algemene kenmerken van het psychiatrisch zorgsysteem, zoals lange wachttijden, formele processen en bureaucratie. Een dergelijke analyse kan verklaren waarom we een systeem overeind houden dat we tegelijkertijd als gemankeerd ervaren.

Een dergelijk proces kent drie fasen: individuele reflectie, verzamelen van deze ervaringen en vervolgens een verdiepingsslag. Men spreekt uit wat men als vanzelfsprekend ervaart maar wat in het dagelijks functioneren moeilijk of niet op tafel komt. Het zoeken naar antwoorden op de vraag waarom we ons gedragen zoals we ons gedragen, ondanks alle vraagtekens en twijfels over ons eigen denken en handelen. Waarom blijven we praktijken in stand houden waarin we het geloof hebben verloren? Waarom zijn we niet onszelf?

De vergelijking dringt zich op met het genezingsproces van een patiënt in de psychiatrische zorg. Vergelijk de vier vragen die van Os aan patiënten stelt (van Os, 2014):

  • Wat is er met je gebeurd?
  • Wat is je kwetsbaarheid en weerbaarheid?
  • Waar wil je naar toe?
  • Wat heb je nodig?

Bij een dergelijke op het systeem toegepaste benadering wordt de patiënt niet primair als drager van problemen opgevat, maar als belangrijke bron van informatie. De patiënt die betekenisvolle informatie heeft om het collectief onderbewustzijn van de organisatie aan de oppervlakte te brengen. Het is de paradox rond de vraag wie geneest wie binnen de psychiatrische zorg.

Bij systeemveranderingen is aan de orde dat je bezig bent de vanzelfsprekendheden te doorbreken die je in jezelf hebt opgebouwd en die het bestaande systeem overeind houden. Dat vraagt ruimte om ficties en aannames expliciet te benoemen. Dat betekent dat schijnzekerheden worden ontmaskerd. Wie dat doet, veroorzaakt doorgaans onrust. Dat geldt zeker omdat er in de beginfase nog geen alternatief op tafel ligt. Er valt nog niets te bestrijden, behalve dan de noodzaak van vernieuwing. Je weet wat je hebt en het alternatief moet nog worden bedacht. Het is het beeld van woelig water en stroomversnellingen. Je moet er doorheen en de verwarring accepteren als onvermijdelijk, zonder enige garantie vooraf dat je vindt waar je naar op zoek bent. Het vraagt moed de ordening te verlaten en de chaos op te zoeken als vindplaats van elementen die nieuwe ordeningen kunnen schragen.

Belangrijk daarbij is ook dat er aandacht is voor het onderscheiden van domeinen. Niet zelden blijkt, in het bijzonder in dienstenorganisaties, dat er niet zozeer sprake is van eenzelfde betekeniskader maar dat er sprake is van deelsystemen (Kouzes en Mico, 1979). Denk aan het domein van de uitvoerende zorg, van het managementdomein, of het domein van bestuur en financiering. Er kan sprake zijn van onderling verschillende en tegenstrijdige opvattingen en waarden.

Dat roept dan vervolgens de vraag op, hoe met die spanningen wordt omgegaan. Hoe kun je overleven in een organisatie waarin tegengestelde waarden gelden? Dat kan de indruk wekken van permanente conflicten. Maar er kan ook sprake van fijnzinniger processen die erop zijn gericht conflicten niet aan de oppervlakte te laten komen. Machtsconflicten zijn in een bureaucratische georiënteerde omgeving nu eenmaal lastig bespreekbaar (Wagemans, 1987). De “oplossing” kan dan zijn dat men de formele structuur enkel symbolisch bevestigt waardoor er vanuit management en bestuur geen aanleiding is te interveniëren. En zo ontstaat de ruimte aan de basis op uitvoerend niveau zijn eigen gang te gaan, ook als die afwijkt van formele kaders.


Experimenteerruimte

In gelijke zin is experimenteerruimte nodig. Het gaat niet om uniforme toepassing van een uitgewerkt model. Een nieuw psychiatrisch zorgsysteem zal juist differentiatie als kenmerk hebben. Bovendien zal er ruimte moeten zijn voor permanente dynamiek. Er is sprake van voortdurende verandering en aanpassing. Er is sprake van een lerende context, een voortdurend openstaan voor nieuwe ervaringen. Een nomadische houding dus. Grote terughoudendheid om nieuwe, allesomvattende systemen op te bouwen. De psychiatrische zorg is simpelweg niet toe aan zekerheden, aan een onbetwistbaar fundament.

Zo kunnen we het bouwen aan een ideaal psychiatrisch zorgsysteem ook opvatten als stillen van een verlangen dat wezenlijk niet kan worden gestild. Het besef dat we het ideale niet kunnen realiseren. Tegelijkertijd drijft dat verlangen ons voort. Het maakt ons ervan bewust dat het construeren van een ideaal psychiatrisch zorgsysteem een permanent onderweg zijn betekent. Dat besef moet ons terughoudend maken. Beseffen dus dat we het ideale niet kunnen bereiken. Maar het verlangen ernaar moet ons voortdrijven. Zonder verlangen is er geen reden om op weg te gaan en onderweg te blijven.

Juist dat maakt de psychiatrische zorg een spannend en uitdagend werkterrein: volop ruimte voor vernieuwing, nooit in tevredenheid achteroverleunend, geen genoegen nemend met schijnzekerheden. En dus de managementdrang tot controle en beheersing weerstaan. Alert zijn op nieuwe ervaringen in plaats van bestaande routines kwantitatief vast te leggen en voor te schrijven. Accepteren dat de horizon van perfectie altijd weer verschuift. Een werkterrein dat uitdagend is, vermoeiend dus maar bovenal boeiend.


Slot

De in deze serie bepleite omslag houdt in wezen een pleidooi in om betekenisverlening door patiënten een centrale positie te geven. Dat vraagt andere ordeningsprincipes van het zorgsysteem, die vervolgens moeten worden geoperationaliseerd in passende praktijken. Hoe kan een geobjectiveerd systeem dienend zijn aan subjectiviteit? Het betekent dat de schaal van de zorgpraktijk maximale ruimte laat voor subjectiviteit en dat er tegelijkertijd condities moeten zijn die de continuïteit van het zorgsysteem ondersteunen en garanderen.

De voorgestelde veranderingsopgave richt zich op een vijftal spanningsvelden die het bestaande systeem kenmerken:

  • Het subjectieve conflicteert met het objectieve c.q. met de wens tot objectivering.
  • Het statische conflicteert met het dynamische van zorgprocessen.
  • Het geordende conflicteert met het chaotische.
  • Op managementniveau conflicteert het hiërarchische met het faciliterende.
  • De neiging tot beheersing conflicteert met het dienende.

Het nieuwe systeem is nooit af, simpelweg omdat betekenisgeving als proces de werkelijkheid vormt. Betekenisgeving kunnen we niet stopzetten. Die is permanent. We kunnen weliswaar jarenlang de werkelijkheid op eenzelfde wijze betekenen, maar dan zijn we zelf oorzaak van problemen. Dan tonen we ons doof en blind voor dynamiek, voor een permanente mogelijkheid om te leren van ervaringen. Dan blijven we ons voortbewegen binnen gevestigde structuren en doen we geen recht aan de werkelijkheid.

De noodzakelijke veranderingen vragen ruimte. Het gaat dus niet om het beeld van een reorganisatie, waarmee we structuren weer jarenlang vastzetten. Alertheid is nodig en de bereidheid het nieuwe voortdurend te doordenken. De noodzaak van verandering is permanent. Dat betekent een geheel andere kijk op organiseren.

Je zou kunnen zeggen dat veranderingen binnen het psychiatrisch zorgsysteem in dit opzicht voorbeeldig zouden kunnen zijn voor andere domeinen. Het aandachtsgebied van de psychiatrie zou je kunnen duiden als betekenisgeving. Nieuwe kaders daarvoor bedenken en ze in praktijk brengen zou leerzaam kunnen zijn voor bijvoorbeeld het beleidsdomein, een domein dat eveneens vastzit in strakke kaders en regels. Een domein dat wordt geacht mee te bewegen met en in te spelen op maatschappelijke veranderingen, maar dat zichzelf daarbij vaak in de weg zit door juridische kaders en een beheersingsdenken. Hoe kun je daarin de noodzakelijke ruimte vinden? Wat sluiten we buiten door de wijze waarop we beleid en beleidsprocessen hebben gestructureerd? Wat zijn de vanzelfsprekendheden, ficties en mythes die het beleidssysteem kenmerken? En hoe kom je tot verandering en hoe kun je de kloof tussen overheid en burger overbruggen? Door de burger centraal te stellen, zoals binnen het psychiatrisch zorgsysteem de patiënt centraal komt te staan? Zijn we ook in het beleidsdomein niet de gevangene geworden van wat we zelf aan structuren hebben geconstrueerd? Is de heelmeester niet patiënt geworden? Dynamiek laat zich nu eenmaal lastig beheersen door statische kaders.


Literatuur

Deleuze, Gilles, Anti-Oedipus Capitalism and Schizophrenia, Penguin Putnam Inc, 2009

Foucault, Michel, Discipline, toezicht en straf De geboorte van de gevangenis, Historische Uitgeverij, Groningen, 2018

Kouzes, J.M. en Mico, P.R., Domain Theory: an introduction to organizational behavior in human service organizations, in: Journal of Applied Behavioral Science, vol. 15, no 4, p.449-469, 1979

Latour, Bruno en Serres, Michel, Conversations on Science, Culture and Time, University of Michigan Press, 1995

Van Os, Jim, De DSM-5 voorbij! Persoonlijke diagnostiek in een nieuwe GGZ, Diagnosis Uitgevers, 2014

Van Spronsen, Myrrhe en van Os, Jim, Wij zijn God niet, Pleidooi voor een nieuwe psychiatrie van samenwerking, Uitgeverij Lannoocampus, Amsterdam, 2021

Verhaeghe, Paul, Identiteit, Bezige Bij, Amsterdam, 2012

Wagemans, Mathieu, Voor de verandering, een op ervaringen gebaseerde studie naar de spanning tussen de theorie en praktijk van het besturen, Dissertatie, Wageningen, 1987

Wagemans, Mathieu, Orde en chaos, Deel 1: Splitsend denken, in: Civis Mundi Digitaal #97, april 2020

Wagemans, Mathieu, Een Oceaan van Betekenisloosheid, een kritische analyse van beleid, politiek en wetenschap met een verwijzing naar de filosofie van Michel Serres, Digitalis, Utrecht, 2016


**************

Het psychiatrisch zorgsysteem. Deel VI. Processen van verandering: op zoek naar het buitengeslotene


Civis Mundi Digitaal #117

door Mathieu Wagemans

Inleiding

In Deel V hebben we de veranderingsopgaven benoemd die binnen het psychiatrisch zorgsysteem aan de orde zijn. Die vloeiden voort uit de wens en het pleidooi voor een op de mens afgesteld zorgsysteem. Dat betekent het doorbreken van het bestaande zorgsysteem met al zijn regels, protocollen, bevoegdheidsstructuren. Die dragen er toe bij dat het zorgsysteem door patiënten vaak als vervreemdend wordt ervaren, zoals uit inmiddels tal van publicaties blijkt. Al die regels waren oorspronkelijk bedoeld om het systeem beter te laten functioneren in het belang van de kwaliteit van de zorg maar ze verkeren in hun tegendeel.

De omslag die in vorige Delen van deze serie is bepleit, houdt in de kern de overstap in van een strak geregeld systeem naar een systeem dat dienend is naar de patiënt c.q. gericht is op heling van psychiatrische aandoeningen. Dat vraagt ingrijpende veranderingen ten opzichte van het huidige systeem. Dat is lastig omdat het bestaande systeem door regels strak is ingesnoerd. Het roept een dichtgeregeld beeld op. Alles is tot in detail geregeld, zowel de diagnose, de behandeling, de financiering, de sturing enz.

Dat roept de vraag op hoe we tot verandering kunnen komen. We doen dat langs twee wegen. In dit Deel VI zullen we ingaan op de kenmerken van processen van systeemverandering en vragen rond complexiteit aan de orde stellen. Op basis daarvan zullen we vanuit verdiepende beschouwingen uitgangspunten en kaders benoemen voor processen van systeemverandering met betrekking tot de psychiatrische zorg. In Deel VII zullen we vervolgens op basis hiervan een concrete aanpak voor een veranderingsproces uitwerken.

Systeemveranderingen en veranderingen binnen een systeem

We kunnen zeker niet stellen dat de noodzaak van verandering binnen de psychiatrische zorg niet wordt onderkend. Integendeel, er is sprake van een breed gedeelde kritiek, zowel intern als buiten het systeem. Er zijn ook voortdurende discussies over noodzakelijke veranderingen en pogingen om die te realiseren.

Het is daarbij nuttig een onderscheid te maken tussen wijzigingen binnen een systeem en wijzingen van het systeem zelf, systeemwijzigingen dus. Bij systeemwijzigingen gaat het niet om min of meer gebruikelijke veranderingen. Denk bijvoorbeeld aan maatregelen, zoals verbetering van de interne coördinatie, zuiniger omspringen met kosten, verkorting van wachtlijsten door meer personeel enz.

Dergelijke interventies kunnen allemaal bijdragen aan oplossing van problemen, maar ze hebben als kenmerken dat ze inspelen op de problemen zoals ze zich uiten en op gebruikelijke wijze worden betekend. Voor systeemwijzigingen is een verdiepingsslag nodig. De problematiek binnen het psychiatrisch zorgsysteem wordt dan in een ander perspectief geplaatst. Aanleiding kan zijn dat het besef groeit dat gebruikelijke oplossingen niet werken en dat problemen zich telkens herhalen.

Dat kan dan de vraag oproepen of we in onze analyses niet dieper moeten graven. De vraag dus waarom het systematisch verkeerd gaat. Of er niet sprake is van fundamentele onevenwichtigheden. Deugt het systeem wel? Dan kan blijken dat wat we voor probleem houden, in wezen een symptoom is van dieper gelegen problemen.

Dergelijke systeemgebreken worden aan het oog onttrokken, doordat ze zich niet als zodanig tonen, althans niet als zodanig worden aangeduid. Ze zijn tegelijkertijd verraderlijk. Ze nodigen uit tot ingrepen die de onderliggende problemen laten voortbestaan en niet zelden zelfs verhevigen. Dergelijke interventies geven ons dan de illusie, dat we aan oplossingen werken. We denken problemen te hebben opgelost. Ze nemen de noodzaak weg van diepere analyses, omdat we vertrouwen op het effect van genomen maatregelen. Waarom moeilijk doen als het ook makkelijk kan. Daarin schuilt het verraderlijke. Ze zijn tegelijkertijd verleidelijk vanwege hun eenvoud. Pas later blijkt dan, dat de genomen maatregelen de problemen laten voortbestaan.

We maken dit onderscheid tussen veranderingen binnen een systeem en systeemwijzigingen, omdat de aanpak van systeemproblemen andere processen vraagt dan veranderingen binnen een bestaand systeem. Alvorens op die verschillen in te gaan zulle we eerst stilstaan bij de systeembenadering op zichzelf. Waar komt de behoefte aan systeembenaderingen vandaan?

Waarom maken we systemen?

Er lijkt sprake te zijn van een diepmenselijk verlangen naar ordening. We hechten aan helderheid en overzichtelijkheid. We willen eenduidigheid. We willen weten waar we aan toe zijn. Verschillende waarheden die naast elkaar bestaan, kunnen ons gemakkelijk in verwarring brengen. We willen die ene ondubbelzinnige waarheid kennen.

Dat verlangen heeft gevolgen. Om die toe te lichten nemen we, zoals ook in de vorige Delen van deze serie het geval was, het perspectief van het constructivisme als vertrekpunt. Dat houdt kort gezegd in, dat we de werkelijkheid slechts kunnen leren kennen door er ons een afbeelding van te maken. We kunnen niet doordringen tot de werkelijkheid zoals die “is”, maar we moeten ons tevreden stellen met het uitgangspunt dat we, Kant volgend, de werkelijkheid vormen naar de categorieën van het verstand.

Dat houdt in dat de constructies die we van de werkelijkheid maken, onderling nogal kunnen verschillen. Met als gevolg dat we telkens voor keuzes worden gesteld. Welke afbeelding prefereren we boven andere afbeeldingen? Dat maakt het leven lastig. We moeten ons voortdurend vragen stellen. Dat is verwarrend en vermoeiend. Het heeft dan wel zijn voordelen wanneer we tot een breed gedeelde een eenduidige afbeelding van de werkelijkheid komen.

Wezenlijk daarbij is, dat iedere afbeelding van de werkelijkheid zijn beperkingen heeft. De afbeelding die we construeren, is altijd reducerend. Een eenduidige afbeelding van de werkelijkheid met behulp van de categorieën van het verstand is altijd beperkt, vanwege de beperkingen die aan ons verstand eigen zijn. Ons verlangen naar helderheid is echter zo groot en sterk, dat we liever genoegen nemen met een gemankeerde voorstelling van de werkelijkheid dan dat we ons voortdurend die beperktheid moeten realiseren. We stellen ons tevreden met eenduidige afbeeldingen van een werkelijkheid die meerduidig is. Liever de illusie van ware kennis dan permanent ons onvermogen tot perfectie onder ogen zien.

Dat houdt tegelijkertijd een forse relativering in wanneer het gaat om het realiseren van definitieve oplossingen voor problemen. Vanuit een constructivistisch perspectief is realisering van definitieve oplossingen onbereikbaar. Of nauwkeuriger gezegd, de werking van interventies is beperkt tot het gekozen perspectief van waaruit de oplossingen zijn geconstrueerd. Iedere verandering is, hoe belangrijk ook, een verandering binnen een bepaalde afbeelding van de werkelijkheid. Definitieve en alles omvattende oplossingen zijn dus niet bereikbaar. Wel kunnen we stellen dat, de mogelijkheid onder ogen moet worden gezien om van perspectief te veranderen, wanneer herhaalde interventies niet werken, waardoor de werkelijkheid anders aan ons verschijnt.

Het bovenstaande leidt ons tot de conclusie dat we het systeem van de psychiatrische zorg niet als een objectief bestaand systeem kunnen beschouwen. Het is een constructie die tot stand is gekomen als resultaat van processen van betekenisgeving, die al of niet bewust zijn doorlopen. Wanneer is er sprake van een psychiatrische aandoening? Wat zijn de oorzaken ervan? Hoe kijken we naar heling? Wat verstaan we eronder? Wat is de beste wijze om de zorg te organiseren? Welke deskundigheid is daarvoor nodig? Het zijn allemaal vragen die we bij de constructie van een bestaand systeem hebben beantwoord, impliciet of expliciet.

Het systeem presenteert zich aan ons weliswaar als objectief bestaand systeem maar het is een door onszelf geconstrueerd systeem. Het is dus gesubjectiveerde objectiviteit. We kunnen weliswaar een onderscheid maken tussen onszelf en het systeem, maar dat is een vereenvoudiging, die geen recht doet aan de werkelijkheid. We zijn zelf onlosmakelijk via processen van betekenisgeving verbonden aan het systeem. Als constructeurs maken we er zelf deel van uit.

Dissipatieve systemen

Het perspectief van betekenisgeving heeft nog een andere consequentie. Die heeft betrekking op het systeem en zijn omgeving. Systemen staan niet op zichzelf. Er is sprake van een continue uitwisseling tussen systeem en omgeving. Het systeem staat niet op zichzelf, maar is deel van onszelf, althans een construct van onszelf. Dat roept een associatie op met een begrip dat door Prigogine werd geïntroduceerd, namelijk dissipatieve systemen (Prigogine, 1973).

Een dissipatief systeem heeft als kenmerk dat het systeem energie en materie uitwisselt met de omgeving. Hoewel het begrip bij Prigogine betrekking had op natuurlijke systemen, lijkt het ook verhelderend te kunnen werken en dus relevantie te hebben in een sociologische context. Hoe wij de werkelijkheid c.q. de buitenwereld verzwaren met betekenis, met energie, en wel in de mate waarin we er betekenis aan toekennen. Door de werkelijkheid niet te betekenen, blijft die betekenisloos. Dat deel van de werkelijkheid bestaat als het ware niet. Ook is het mogelijk dat we energie aan de werkelijkheid ontnemen zodat die betekenisloos wordt.

Waar het om gaat is dat er sprake is van een uitwisseling. Die uitwisseling voltrekt zich door processen van betekenisverlening. Persoon en werkelijkheid c.q. omgeving zijn aan elkaar gekoppeld; ze zijn complementair. De werkelijkheid blijft betekenisloos, wanneer die niet wordt betekend. En omgekeerd kan de omgeving binnen het systeem worden getrokken, doordat die wordt betekend met behulp van begrippen, die binnen het systeem gelden of door de constructie van nieuwe begrippen.

Daarmee hebben we de elementen beschikbaar om tot inzicht te komen in het bestaande psychiatrisch systeem. Dat is op zijn beurt nodig om een scherp oog te krijgen voor de ontstaansgeschiedenis ervan en, aansluitend, voor processen van verandering. Het houdt allereerst in, dat we het huidige systeem niet objectief moeten beschouwen, maar primair moeten zien als een systeem, dat door onszelf is geconstrueerd. Bijgevolg zijn we zelf onderdeel van het systeem. De afbeelding die we van de werkelijkheid maken is een door onszelf gemaakte afbeelding of een afbeelding die weliswaar door anderen kan zijn gemaakt, maar die we hebben overgenomen en die we ons eigen hebben gemaakt.

Om dat systeem te kunnen begrijpen moeten we dus bij onszelf te rade gaan, zowel bij de wijze van betekening als, nog een slag dieper, bij de processen van betekenisgeving. Welke krachten hebben daarbij invloed gehad? We kunnen processen van betekenisgeving opvatten als keuzes: wat beschouwen we als betekenisvol encontrair, wat werd door ons niet betekend bij de constructie van het huidige zorgsysteem?

Mensbeeld en rationaliteit

Wanneer we het huidige zorgsysteem bezien, dan valt op dat het bovenal een beredeneerd geheel is. Het systeem is tot stand gekomen op basis van rationaliteit. Vergelijk de categorieën van het verstand zoals Kant die heeft geduid. Op de tweede plaats is aan de orde, dat rationaliteit geen objectief begrip is, maar ook als een constructie moet worden beschouwd. Wat we als rationeel beschouwen is subjectief bepaald. De mens is meer dan een verzameling categorieën van het verstand, maar kent ook zintuigen, gevoelens en driften.

In plaats daarvan is een mensbeeld nodig, waarin het vermogen tot betekenisverlening de kern vormt. We stelden dat de mens een sterke drang heeft tot kennen en begrijpen. En zich laat leiden door een verlangen naar perfectie. In eerdere delen kwam aan de orde dat die perfectie onbereikbaar is en dat juist de spanning tussen de werkelijkheid zoals we die beleven en de werkelijkheid zoals we die wensen het wezen is van het leven. Dat heeft gevolgen voor het proces van verandering. Traditionele planning waarin vooraf een eindsituatie wordt beschreven, werkt dan niet. Het is eerder zo dat juist die spanning tussen willen en kunnen leidraad moet zijn voor het veranderingsproces. Of, nog een stap verder, we moeten ons niet richten op het vooraf gedetailleerd beschrijven van het volmaakte eindplaatje alvorens op weg te gaan, maar de reis zelf staat centraal. Wegen zoeken om anders om te gaan met de spanning die permanent is.

Valkuilen

Een dergelijke benadering heeft valkuilen. Bijvoorbeeld de valkuil dat we vastlopen in tegenstellingen zoals de spanning tussen het uniforme van een systeem en het individuele van een aandoening. De spanning is gegeven en vraagt acceptatie. Sterker nog, die spanning moet als bron voor creativiteit worden beschouwd in plaats van te worden gedramatiseerd. Ieder systeem, iedere maatregel, vraagt ordening en tegelijkertijd heeft iedere ordening buitensluitende werking. Die spanning is niet oplosbaar door een tussenpositie te kiezen als eindpunt.

Met compromissen ontnemen we onterecht de energie aan veranderingsprocessen. De spanning dus als een voortdurende metgezel. Nemen we als voorbeeld een willekeurige overheidsmaatregel. Die kunnen we opvatten als een uitdrukking van gezamenlijkheid, maar ook betekenen als totalitair. Dat leidt gemakkelijk tot ideologische discussies, die de stap naar de praktijk belemmert. Men kan gemakkelijk in dergelijke discussies blijven hangen, waardoor men aan de praktijk niet toekomt. Dan blijven we afwegingen maken zonder dat er sprake is van voortgang. Hoe je het ook wendt, het verlangen om helend te werken vraagt uiteindelijk praktisch handelen. In Deel VII zullen we aangeven dat dergelijke vragen van principiële aard bij de aanvang van een veranderingsproces aandacht vragen en hoe kan worden vermeden dat die de voortgang van het proces belemmeren.

Differentiefilosofie

Die gedachte is ook terug te vinden in de differentiefilosofie die vooral in Frankrijk veel bijval heeft gekregen. Zie Deel IV van deze serie. Zoals bij Deleuze, die stelt, dat we de verschillen niet moeten aanvaarden zoals ze zich aan ons vertonen maar we moeten het wezen ervan onderzoeken. Niet door doortastende keuzes te maken met als risico dat we de onderliggende problemen in stand laten en wellicht zelfs verscherpen. Kortom. De flinkheidscultus van daadkracht even weerstaan en onszelf kritisch ondervragen over de basis en bron van onze vanzelfsprekendheden. Hoe zeker zijn onze zekerheden? Is de basis ervan niet vooral onze behoefte eraan? Is het probleem niet de erkenning van ons onvermogen en onze onwil die we liever opzij schuiven door ze niet te betekenen?

Dat zijn interessante gedachten, die haaks staan op ons moderne denken. We zijn geneigd tegenstellend te denken en vervolgens te handelen op basis van het tegenstellend denken. We zijn voorstander van het één en dus tegenstander van het ander. Dat lijkt logisch, maar werkt verarmend. De tegenstelling beheerst ons denken. Zie de benadering van de dialectiek, waarin we op basis van de tegenstelling naar de synthese werken. Daardoor sluiten we werkelijkheid en mogelijkheden voor interventie buiten. De werkelijkheid is veelzijdiger dan de afbeelding die we ervan maken en die we voor “echt” houden. Door die inperking doen we onszelf tekort. We beperken het zicht op oplossingen en dus op ons vermogen tot oplossingen te komen. We verfijnen en detailleren. Het proces versterkt zichzelf maar blokkeert steeds meer kansrijke mogelijkheden.

Complexiteit

Het huidige psychiatrisch zorgsysteem wordt door velen ervaren als complex. Er is sprake van een veelheid aan gedetailleerd uitgewerkte regelingen. Om tot ingrijpende veranderingen te komen, heeft het voordelen om stil te staan bij complexiteit als begrip. Wat verstaan we eronder, hoe is die complexiteit ontstaan en hoe kunnen we die vermijden.

In Deel V stelden we dat de prijs voor de overzichtelijkheid en ordening is, dat we alles buiten hebben gesloten wat niet in de ordening kan worden ingepast. past. Onze ordening kan bestaan dankzij het buitengeslotene, dankzij het creëren van chaos. We stelden ook, Serres volgend, dat we onze aandacht moeten verleggen van de ordening naar het buitengeslotene. Het buitengeslotene stelt ons in staat het wezenlijke en de identiteit van een systeem op te sporen. Dat sluit aan bij het denken over het begrip identiteit zoals we dat aantreffen bij Verhaeghe. Die stelt dat we ons in het ontwikkelingsproces van onze eigen identiteit sterk spiegelen aan de ander, aan onze omgeving (Verhaeghe, 2012).

Diezelfde benadering biedt een ander perspectief op complexiteit. We moeten complexiteit bijgevolg benaderen vanuit onze wens tot ordening. Door te ordenen modelleren we de werkelijkheid zodanig dat deze een consistent geheel vormt. Daardoor sluiten we werkelijkheid buiten. Complexiteit is dus geen kenmerk van de werkelijkheid, maar complexiteit is kenmerk en gevolg van ons eigen denken en van onze processen van betekenisgeving.

Om een complex systeem te onderzoeken moeten we, logisch redenerend, dus eigenlijk onszelf onderzoeken. Wat zijn de krachten die ons tot ordening en dus tot uitsluiting dwingen? Daarmee zijn we zelf onderdeel van het probleem. Dat is de negatieve kant van betekenisgeving. Tegelijkertijd beschikt de mens over het vermogen de werkelijkheid en zijn relatie met de werkelijkheid anders te betekenen.

Voor het veranderingsproces houdt dit in, dat deelnemers bij processen van ingrijpende verandering vanuit zichzelf in het proces moeten staan. Deelnemen dus vanuit een persoonlijke betrokkenheid. Het vermogen tot redeneren is weliswaar nodig, maar het is onvoldoende. Afstandelijkheid helpt niet. We hebben onszelf als persoon ertoe te verhouden. Anders gezegd, we moeten ook zelf het transformatieproces doormaken. Dat betekent dat we onszelf onderdeel maken van het veranderingsproces. Zonder een persoonlijk commitment en zonder persoonlijke passie is het twijfelachtig, of een systeemverandering kan worden gerealiseerd en stand zal houden. Zoals we in Deel VII zullen zien, heeft dat consequenties voor zowel de start van het veranderingsproces, als voor het verdere verloop ervan.

De ruimte tussen twee polenWezenlijk is dat we niet in tegenstellingen blijven hangen. Het gaat dus niet om een andere positie te kiezen op de lijn tussen twee polen. Dan houden we de tegenstellingen in stand. Compromissen helpen niet. Het gaat erom de tegenstelling zelf te onderzoeken in plaats van die “systematisch” in stand te houden. Dat vraagt zelfonderzoek. Wat zijn de krachten die de tegenstelling met betekenis en dus met energie hebben beladen, waardoor het lastig is die te doorbreken. Zit onze behoefte aan ordening ons niet in de weg?

Het kan immers aantrekkelijk zijn de werkelijkheid in te delen in goed en slecht, in oplossingen en problemen, in wat betekenis heeft en wat betekenisloos blijft, in ordelijkheid en chaos. Maar daarmee doen we geen recht aan het wezen van de tegenstelling. Het zijn polen in ons hoofd, die we vervolgens projecteren op de werkelijkheid. We hebben de polen niet slechts onderscheiden, maar ook gescheiden. Ze liggen aan de basis van onze ordeningen. En door die scheiding hebben we zelf de tussenruimte tussen de polen gecreëerd. De tussenruimte is ontstaan als gevolg van het feit dat we de beide polen verzelfstandigde positie hebben gegeven.

Door het onderscheidend denken, denken we scheidend, splitsend. Dat roept de vraag op, of het denken in polariteiten ons vooruit helpt, wanneer er sprake is van een noodzaak van ingrijpende veranderingen. We vereenvoudigen dan teveel, waardoor we de kern van de problematiek niet kunnen omvatten. We maken er ons dan wat gemakkelijk vanaf, doordat de behoefte aan overzicht de noodzaak van erkenning van de complexiteit overklast. Niet de werkelijkheid is te ingewikkeld, maar ons denken is te eenvoudig. Of nog een stap verder, de werkelijkheid is ingewikkeld, OMDAT we te eenvoudig denken. Daar ligt aan ten grondslag onze behoefte aan allesomvattendheid en aan uniformiteit. Dat streven zit ons in de weg. De werkelijkheid moet zich aanpassen aan onze behoefte aan ordelijkheid. De werkelijkheid wordt in een allesomvattend en uniform kader geperst. We willen een totaal inzicht verwerven. Dat verlangen is zowel een krachtige motivatie voor onderzoek als een sta-in-de-weg voor goed onderzoek.

Elders beschreven we, hoe de toepassing van geldende regels op methodologisch en methodisch vlak de werkelijkheid reduceert tot een afbeelding van de werkelijkheid waarbinnen we onze opvattingen over ware kennis overeind kunnen houden (Wagemans, augustus 2020). Daarmee reduceren we de werkelijkheid. De prijs die we daarvoor betalen is, dat de aldus verworven kennis in de praktijk minder werking heeft.

Het loont om juist dat gescheiden denken ter discussie te stellen. Tegenstellend denken ontneemt ons het zicht op de onderlinge afhankelijkheid van beide polen. De ene pool ontleent zijn betekenis aan het bestaan van de andere pool. Er is, zo beschouwd, sprake van onderlinge afhankelijkheid, van een complementaire relatie. Zoals de chaos niet kan bestaan zonder de ordening. Het omgekeerde geldt ook (Wagemans, 2020). Beide polen zijn nodig om de tegenstelling overeind te houden. De uitdaging is vervolgens om het gezamenlijke te benoemen in plaats de tegenstelling overeind te houden.

De polen kunnen worden opgevat als een model in ons denken waarmee we de werkelijkheid benaderen. Ze vormen in onderling verband een betekeniskader. Met betrekking tot het psychiatrisch zorgsysteem stelden we dat er sprake is van twee onderling sterk verschillende betekeniskaders, namelijk het betekeniskader van de patiënt en het op ratio gebaseerde betekeniskader van het zorgsysteem. We kunnen beide betekeniskaders onderscheiden, maar niet scheiden. Ze bestaan beide tegelijkertijd. Dat verklaart de spanning die er bestaat tussen de formele en institutionele systeemwereld enerzijds en de werkelijkheid zoals de patiënt die ervaart anderzijds.

De uitdaging is om beide betekeniskaders aan elkaar te koppelen, juist omdat ze complementair zijn en zich tot elkaar verhouden. We hebben het op rationele basis opgebouwde psychiatrisch zorgsysteem kunnen scheppen door het menselijke buiten te sluiten. De oplossing kan dan niet zijn, dat we kiezen tussen het rationele ne het irrationele. We moeten de spanning thematiseren als een spanning tussen ratio en menselijkheid. Datgene wat thans in het huidige zorgsysteem kwetsbaar blijkt te zijn en dus is buitengesloten, namelijk datgene wat betekenisvol is voor de patiënt, is verdrongen door een op ratio gebaseerd betekeniskader dat dominant is. Het menselijke, de beleving van aandoeningen, is betekenisloos binnen het rationele denken. Het kan niet worden betekend met behulp van rationele begrippen.

Bewustwording en kritiek op het dualisme bij Lupasco

Het was de filosoof Lupasco die, voortbordurend op Einstein, dergelijke tegenstellingen heeft doordacht en ook een oplossingsrichting aangeeft. Centraal in het denken van Lupasco staat de kritiek op het dualisme (Brenner, 2010). Om tegenstellingen op te lossen, is het nodig tegenstellingen te overstijgen. Oplossingen bereik je niet door duale conflicten duaal op te lossen. We moeten dus niet een ander evenwicht zoeken tussen de beide polen van de tegenstelling. Het evenwicht iets verschuiven helpt niet. Toegepast op de psychiatrische zorg: iets minder nadruk op efficiency lost het onderliggend conflict niet op. We

We kunnen ons volgens Lupasco niet beperken tot het onderscheid tussen het ware en onware. De onderliggende logica van dat onderscheid is te beperkt. Lupasco stelt, dat we ons aan dat onderscheid moeten onttrekken en het moeten overstijgen. Lupasco pleit voor een derde realiteit. Hij vindt die in de dimensie van het bewustzijn. Verandering vraagt bewustwording van de beperktheid van denken in termen van ratio en het tegendeel ervan.

Bewustwording en betekenisgeving zijn nauw verbonden begrippen. Door de werkelijkheid vanuit een ander perspectief te belichten, verschijnt de werkelijkheid anders aan ons. Door bewustwording kunnen we gaan zien, dat wat we als oplossingen beschouwen geen oplossende werking hebben, maar problemen mogelijk zelfs verergeren. Door detaillering en verdere specificatie van begrippen zetten we een gebrekkig functionerend systeem nog verder vast en maken we het steeds lastiger het systeem te veranderen.

Om de beide polen met elkaar in verbinding te brengen, zijn andere begrippen nodig. En dat houdt weer in dat we de patronen in ons denken moeten identificeren. Lupasco stelt in dat verband “that every phenomenon, element or event is always associated with an anti-phenomenon, anti-element or anti-event non-e, such that the actualization of e entails the potentialization of non-e and vice versa, alternatively, without either disappearing completely” (Nicolescu, 2014). We hebben dus een ander perspectief nodig, waardoor de werkelijkheid zich anders aan ons toont en van waaruit we de werkelijkheid anders betekenen.

Dat houdt in dat we ons bewustzijn uitbreiden. Daardoor zijn we in staat om onderling tegengestelde begrippen met elkaar te verbinden. Bijvoorbeeld door het streven naar eenduidigheid los te laten en de mogelijkheid open te laten dat eenzelfde werkelijkheid pluriform wordt benaderd. Vergelijk in dit verband het pleidooi van Feddema voor een eenheidsbewustzijn dat ons in staat stelt ons te verheffen boven het dualistisch denken in tegenstellingen (Feddema, Civis Mundi, 2013). Een historische beschouwing over het bewustzijnsbegrip in de filosofie is te vinden in de artikelserie van Komen (Komen, Civis Mundi, 2016).

Tegenstellingen verliezen dan hun betekenis. Op dat hoger niveau van bewustzijn is er geen dualiteit, maar het bewustzijn maakt een derde dimensie mogelijk, een derde realiteit. Binnen die realiteit vormen conflicten geen probleem, maar zijn het logische en wezenlijke elementen van de realiteit. We moeten ze als zodanig waarderen in plaats van ze te vermijden. Die gedachte is reeds 500 jaar voor Christus terug te vinden in de filosofie van Heraclitus en in het taoïsme.

Een overstijgende dimensie

Dat vraagt om een nieuwe dimensie. We kunnen de noodzakelijke omslag niet denken in termen van het rationele en het irrationele. Die begrippen zijn te beperkt. We kunnen dus niet vertrouwen op wezenlijke verandering zolang we ons concentreren op begrippen als rendement, kostprijs of rendement. We moeten datgene betekenen, dat vanuit een economisch perspectief niet van waarde is en mogelijk zelfs het streven naar verbetering in economisch opzicht blokkeert. Dat is een fundamentele en ver strekkende verandering.

Wat kwetsbaar is in economisch opzicht komt centraal te staan. Het kwetsbare wordt niet langer buitengesloten maar wordt gepromoveerd tot ordeningsprincipe van het nieuwe systeem. Economische overwegingen nemen dan niet langer een centrale plaats in, maar worden een conditie voor het functioneren van het systeem. Het niet of onvoldoende beschikbaar stellen van economische middelen kan dan worden opgevat en betekend als een daad tegen de menselijkheid. Vergelijk dit met de opvatting dat de wijze waarop een samenleving omgaat met wat kwetsbaar is, een indicatie is voor het niveau van beschaving.

Dat heeft gevolgen voor het proces van systeemverandering. Het betekent een fundamentele ommekeer. Wat kwetsbaar is, i.c. het menselijke, moet centraal komen te staan. Het buitengeslotene moet de hoeksteen worden van het nieuwe zorgsysteem. Aan de orde is dan, dat we een scherp inzicht verwerven in het wezen van die tegenstelling. We bereiken de noodzakelijke verandering dus niet door het huidige zorgsysteem exclusief te benaderen vanuit het thans dominante rationele denken, noch vanuit een perspectief van individuele humaniteit.

Toegepast op het psychiatrisch zorgsysteem is dan het besef aan de orde dat we de noodzakelijke verandering niet kunnen bereiken door middel van interventies om het zorgsysteem efficiënter te maken. We kunnen dus bij verandering en verbetering van het psychiatrisch zorgsysteem niet volstaan met voorstellen om kosten te besparen of procedures te verkorten. En zeker niet door het systeem nog verder te detailleren. Integendeel, dan vergroten we het onderliggend probleem. Dan blijven we denken en werken binnen een gemankeerde context.

We moeten ons bewust worden van de noodzaak, dat we tot verbinding moeten komen tussen beide betekeniskaders en dat we de tegenstelling moeten overstijgen. Vergelijk het vaker gebruikte beeld dat we de zon nodig hebben om de tegenstelling tussen licht en schaduw te begrijpen. We moeten koppelingen creëren tussen het zorgsysteem en het buitengeslotene. Het normale en het afwijkende dus verbinden. Zouden we psychiatrische aandoeningen ook als normaal kunnen beschouwen binnen gebrekkig functionerende maatschappelijke systemen?

Een verbindend betekeniskader

Om tot een nieuw verbindend betekeniskader te komen en op basis daarvan een nieuw zorgsysteem te ontwerpen, hebben we andere begrippen nodig. We kunnen dus niet volstaan met het bijschaven van beide betekeniskaders. De verandering die noodzakelijk is, vraagt om een geheel nieuw betekeniskader.

De noodzakelijke vernieuwing vraagt nieuwe ontwerpprincipes, omdat de bestaande instituties juist oorzaak zijn van de spanning en de tegenstellingen. Voor het veranderingsproces houdt dat de ruimte in, om buiten bestaande kaders te denken, de ruimte dus voor creativiteit. De consequentie daarvan is, dat we de noodzakelijke vernieuwing niet kunnen realiseren vanuit het bestaande systeem. Dat stelt eisen aan het vernieuwingsproces, waarbij moet worden vermeden dat we weer terugvallen in bestaande routines. Dan bestaat het risico dat een proces dat vernieuwend begint, uiteindelijk uitmondt in meer van hetzelfde.

Tot slot

We hebben in dit Deel VI geprobeerd het wezen van de noodzakelijke systeemveranderingen enigszins te verdiepen. Dat heeft gevolgen voor veranderingsprocessen binnen de psychiatrische zorg. De conclusie kan zijn, dat we niet kunnen volstaan met gebruikelijke en lineaire benaderingen. Het is allemaal wat ingewikkelder. In VII zullen we een veranderingsproces verder uitwerken op basis van genoemde uitgangspunten met als doel de geschetste valkuilen te vermijden. We gaan in op dat afsluitend Deel VII in fasen, condities en de institutionele setting van het proces.

Literatuur

Brenner, Joseph, E., The philosophical logic of Stphane Lupasco (1900 – 1988), in: Logic and Logical Philosophy, September 2010

Feddema, Hans,Hoe valide is het materialistische paradigma nog?, in: Civis Mundi Digitaal, nr 18, 2013

Van der Heijden, Jim, Over onze niet-stoffelijke essentie en de weg door het stof, Plassant boeken, 2019

Komen, Hans, Wat is bewustzijn? Het bewustzijnsbegrip door de eeuwen heen in filosofie en psychologie, in: Civis Mundi Digitaal, nr. 40, oktober 2016)

Nicolescu, Basarab en Ertas Atila, Transdisciplinary Education, Philosophy, & Applications, The Academy of Transdisciplinary Learning & Advanced Studies, The ATLAS Publishing Company, 2014

Prigogine, I. & Lefever, R., Theory of Dissipative Structures, in: Synergetics, Cooperative Phenomena in Multi-Component Systems, p. 124 – 135, 1973

Verhaeghe, Paul, Identiteit, Bezige Bij, Amsterdam, 2012

Wagemans, Mathieu, Orde en chaos als complementaire relatie, Deel 2 in de Serie Orde en Chaos, in: Civis Mundi digitaal, nr. april 2020

Wagemans, Mathieu, Het domein van de wetenschap, Deel 6 in de Serie over Orde en Chaos, in: Civis Mundi Digitaal, nr. 101, augustus 2020

Wagemans, Mathieu, Een analyse op drie niveaus, Deel 4 in de Serie over het Psychiatrisch Zorgsysteem, in: Civis Mundi Digitaal, nr. 113, 2021

Wagemans, Mathieu, De Veranderingsopgaven, Deel 5 in de Serie over het Psychiatrisch Zorgsysteem, in: Civis Mundi Digitaal, nr. 115, oktober 2021


omhoog


*****************

Een suf gepraat land          

Opiniebijdrage De Limburger, 30 november 2021

Thieu Wagemans                                                                         www.ontganiseren.nl

Je kunt geen tv of radio aanzetten en geen krant lezen, of het wemelt van discussies over het te voeren coronabeleid. Logisch ook, want het virus heeft ingrijpende consequenties, natuurlijk op de eerste plaats voor wie geïnfecteerd raakt. Maar ook capaciteitsproblemen in de zorg vragen om aandacht en niet te vergeten de effecten op economisch gebied. Ondernemers in allerlei sectoren worden hevig geraakt door de coronacrisis.

Wat opvalt is dat wij allemaal uitgesproken opvattingen hebben over oorzaken, gevolgen en de vraag welke maatregelen wenselijk en nodig zijn. Het is een kenmerk van een open samenleving dat er volop ruimte is voor debat. We hechten terecht zeer aan de vrijheid van meningsuiting. Tegelijkertijd worden we met problemen geconfronteerd die niet worden opgelost door er enkel over te discussiëren. Die zijn ook niet individueel op te lossen maar vragen een gezamenlijke aanpak zodat wordt voorkomen dat de inspanningen van velen door enkelingen kunnen worden gefrustreerd.

Onzekerheid

Uiteindelijk moet een land worden bestuurd. Dat betekent dat er keuzes moeten worden gemaakt. Die gaan altijd gepaard met onzekerheid. Vraagstukken zijn zo ingewikkeld dat lastig te voorspellen valt wat de juiste besluiten zijn. Met die onzekerheid kunnen we niet zo goed omgaan. We vinden dat besluiten aan een uiterste perfectie moeten voldoen en hebben de neiging discussies tot in de kleinste details voort te zetten in plaats van in actie te komen. En als er besluiten worden genomen, vallen we over elkaar heen met bakken kritiek. Daarmee frustreren we de voortgang en uitvoering en bevestigen we vervolgens ons eigen (on)gelijk.

We houden ons niet aan de regels en verwijten de overheid vervolgens dat de maatregelen niet werken. Dubbelheid regeert. Dat geldt niet enkel met betrekking tot het coronabeleid. Het onderliggende probleem is dat velen niet langer gezag erkennen of er onmogelijke eisen aan stellen. De overheid is tot die perfectie niet in staat, wijzelf overigens ook niet. Niettemin geven wij vaak voorrang aan onze eigen opvattingen. Het individuele dient, zo vinden velen, voorrang te hebben boven het gezamenlijke. De individuele levenssfeer dient tot in de kleinste details te worden gerespecteerd.

Ingewikkeld

Bij het negatieve beeld van de overheid werkt natuurlijk ook mee dat de overheid er herhaaldelijk zelf een rotzooitje van maakt. Denk aan de ellende rond toeslagen. Maar geldt ook daar niet, dat de regelingen zo verfijnd en dus zo ingewikkeld in elkaar zitten dat ze nauwelijks meer uitvoerbaar zijn? Altijd weer uitzonderingen bedenken met daarbij in detail uitgewerkte criteria, werkt niet. Iedere regeling wordt zo een walhalla voor juristen.
Zie het planologisch beleid met zijn onnavolgbare definities en procedures. Wie over juridische kennis beschikt of over de centen om die aan te trekken, krijgt gedaan wat anderen niet lukt. De verfijnde opvattingen over gelijkheid en het uitsluiten van discriminatie verkeren zo in hun tegendeel. In het streven naar een rechtvaardige samenleving construeren we soms tegelijkertijd onrecht. Dat was nooit de bedoeling, maar is wel een feitelijk bijeffect.

Een ander voorbeeld. Het politie-optreden bij rellen wordt vaak zo genuanceerd gefileerd – was het wel volgens de regels? – dat het de slagkracht van de politie geen goed doet. Overtreders van regels worden daarentegen meer dan eens met begrip tegemoet getreden.

Kortom, is het streven naar irrealistische volmaaktheid niet een van de oorzaken dat we gaandeweg onze eigen onmacht stevig hebben georganiseerd? Leggen we de lat voor de overheid niet op een onbereikbare hoogte? Verwachten we niet van de overheid resultaten waartoe we zelf ook niet in staat zijn?
Hoe dan ook, blijven discussiëren over daadkracht leidt op zichzelf niet tot daadkracht. Een kritische houding is onmisbaar maar uiteindelijk komt verandering slechts tot stand door in actie te komen. Een oorlog win je nu eenmaal niet door te blijven overleggen over het eerste schot. Dat geldt ook voor het bestrijden van een aanval van een virus.

Thieu Wagemans is Raadslid voor de plaatselijke partij Ronduit Open in Leudal

*******************************

Het psychiatrisch zorgsysteem. Deel V: De veranderingsopgaven

Civis Mundi Digitaal #115

door Mathieu Wagemans    www.ontganiseren.nl



Inleiding

In voorgaande delen hebben we het psychiatrisch zorgsysteem verkend en op onderdelen een analyse uitgevoerd. De uitdaging was de analyse niet te beperken tot de problemen, als ze zich aan de oppervlakte vertonen, maar een slag dieper te zoeken. Wat gaat er systematisch mis en welke oorzaken en omstandigheden spelen daarbij een rol? In dit Deel willen we komen tot een samenvattend overzicht van veranderingsopgaven.

Beschouwingen over oorzaken van psychiatrische aandoeningen tonen een breed palet van factoren en omstandigheden. Die hebben deels een zelfstandig karakter en deels hangen ze samen met de systemen, zoals deze in een moderne maatschappij functioneren. Voorbeelden van de eerste groep van oorzaken zijn erfelijk bepaalde aandoeningen. Er kan sprake zijn van gemankeerd functioneren van hersencellen en van imperfecties die bijvoorbeeld door overerving worden doorgegeven. Daarnaast kan de omgeving waarin iemand functioneert, oorzaak zijn van aandoeningen.

We richten ons in wat volgt op psychiatrische aandoeningen, die hun oorzaak vinden en tot uitdrukking komen in de relatie tussen patiënten en systemen, waarin ze functioneren c.q. waarmee ze een relatie hebben. Het gaat dus niet om ernstige aangeboren aandoeningen.

Analyses hebben weinig zin, wanneer ze in de analyse blijven steken en geen vervolg krijgen in termen van verandering en vernieuwing. Ook met betrekking tot het benoemen van veranderingsopgaven nemen we logischerwijze een constructivistisch perspectief als uitgangspunt. Betekenisgeving vormt de basis. We gaan daarbij in op de onderliggende oorzaken van systeemfouten. Hoe kunnen we voorkomen dat problemen zich blijven herhalen en dat interventies het karakter hebben van symptoombestrijding? Vervolgens gaan we in op veranderingen in de diagnose en behandeling. Aansluitend komt het mensbeeld binnen het psychiatrisch zorgsysteem aan de orde. We sluiten af met het kennissysteem binnen de psychiatrie. In een volgend deel komen de veranderingsprocessen aan de orde. Hoe krijg je noodzakelijke veranderingen gerealiseerd?


Oorzaken

De relatie tussen gangbare systemen en psychiatrische aandoeningen is tweezijdig. Mensen kunnen klachten krijgen van psychiatrische aard, omdat ze de relatie met bijvoorbeeld de werkomgeving als problematisch gaan ervaren. Er kan sprake zijn van een te hoge werkdruk of verhoudingen kunnen verslechteren. Er ontstaan spanningen, die niet incidenteel zijn, maar iemand gaandeweg in beslag gaan nemen en overheersen. Men vindt het steeds lastiger ze een betekenis te geven als normale ups en downs, die nu eenmaal in iedere relatie voorkomen, maar ze gaan verlammend werken. En juist daardoor, en dat is de andere kant van het probleem, is men niet meer in staat goed te functioneren.

We kunnen dergelijke problemen in psychiatrische termen benoemen als verstoorde betekenisgeving. Betekenisgeving wijkt af van wat we normaal vinden. Aan de wijze waarop we denken en handelen, ligt een betekeniskader ten grondslag, dat we als vanzelfsprekend beschouwen. In ons denken en handelen reproduceren we dat betekeniskader voortdurend. Denken en handelen gebeurt routinematig. De onderliggende processen van betekenisgeving vinden veelal onbewust plaats. Betekenisgeving als zodanig is niet waarneembaar maar uit zich in onze opvattingen en in ons handelen.

Als betekenisgeving afwijkt van wat we normaal vinden,roept dat de vraag op wat we onder normaal verstaan, hoe we normaliteit benoemen. Normaal heeft als referentie het abnormale. Het normale kan worden opgevat als een maatstaf voor het identificeren van het abnormale, van het afwijkende. Het abnormale ontleent zijn betekenis aan wat we normaal vinden. En omgekeerd. Beide begrippen interacteren dus. Ze zijn aan elkaar gerelateerd. Ze ontlenen hun betekenis aan elkaar. Beide begrippen zijn de consequentie van betekenisgeving. De vraag is vervolgens hoe normaliteit tot stand komt en hoe het de status van maatstaf krijgt.


Veranderingsopgave

De veranderingsopgave die daaruit voortvloeit is, dat we de krachten onderkennen en expliciet maken die praktijken tot normale praktijken maken. Binnen de moderniteit vormt het streven naar rationaliteit een centraal punt. Daarmee hangt samen de centrale en dominante positie van het economisch systeem. Denk aan de jachtigheid, de onderlinge concurrentie als drijvende kracht, het streven naar steeds meer en steeds sneller. En daarmee hangt samen het buitensluiten en de afwenteling van alles wat economisch niet van waarde is en/of processen van rationalisatie hinderen.

Het economisch systeem is niet zelfcorrigerend en hoeft dat ook niet te zijn, zolang wordt geaccepteerd dat de gevolgen kosteloos kunnen worden door- en afgeschoven. Bij het verwerven van inzicht in oorzaken vragen dan de criteria aandacht, die aan de economische ordeningen ten grondslag liggen. Zoals het bestaan van een beperkte waardenbasis. De mens wordt object binnen een systeem dat met zichzelf aan de haal gaat. De mens wordt binnen een economisch systeem een betekenis gegeven als productiemiddel. Dat kan deels worden gecorrigeerd door sociaal beleid en aandacht voor het welbevinden van de mens, maar dergelijke maatregelen kunnen gemakkelijk het karakter krijgen van symptoombestrijding. Ze nemen de onderliggende oorzaken niet weg. Die aandacht voor de mens achter de arbeidskracht kan zuiver en integer zijn, maar kan ook de uitkomst zijn van rationeel denken. Arbeidsverzuim door uitval is immers economisch ongewenst. De bronnen voor burn-outs blijven dan hun werking behouden, ook al kan die, vaak slechts tijdelijk, worden onderdrukt. Nu is het nogal pretentieus te veronderstellen dat we in staat zouden zijn het economisch systeem ingrijpend te veranderen door middel van enkele interventies. Maar tegelijkertijd ontkracht de psychiatrie zichzelf, wanneer ze niet harder en helderder de consequenties benoemt van een steeds verder doorgevoerde rationalisatie en niet aanzet tot het verantwoordelijk stellen van actoren voor de kosten die het economisch systeem veroorzaakt. Dat zou inhouden dat de mens en dus de beleving van de mens centraal komt te staan en basiswaarde wordt.

Enkel vrijblijvende aandacht voor burn-outs en de gevolgen van een economisch systeem voor de menselijke psyche heeft onvoldoende impact. Dat roept de vraag op hoe die impact wel kan worden vergroot. Een belangrijke invalshoek daarbij kan zijn het economisch systeem door interventies juist economisch te raken. Dat kan bijvoorbeeld door de kosten van burn-outs volledig door te rekenen. In het volgende deel over processen van systeemverandering komen we hier op terug.


Afhankelijke positie

Zo beschouwd plaatste het psychiatrisch zorgsysteem zich in een afhankelijke positie ten opzichte van systemen van politiek, beleid en economie. Het accepteert een normaliteit die is gebaseerd op objectivering, economisch voordeel en efficiency. Het zorgsysteem is bereid, weliswaar niet expliciet maar niettemin, als reparateur te functioneren van symptomen van een economisch systeem dat intrinsiek ziek is en dat ook ziek kan blijven door een vanzelfsprekende dominantie.

De veranderingsslag houdt in dat er verbindingen worden gesmeed tussen systemen die nu betrekkelijk zelfstandig en onafhankelijk van elkaar functioneren. Dat gebrek aan onderlinge verbinding is in de filosofie terug te vinden, in het bijzonder bij Michel Serres. In een uitgebreid interview met Latour wijst Serres erop dat we gesplitst zijn georganiseerd (Latour, 1995).

Onze zucht naar ordening leidt tot afzonderlijke systemen, die weinig of geen onderlinge verbindingen kennen. Het zijn op zichzelf staande deelsystemen. Ieder deelsysteem ordent en sluit buiten. Het is daarom gebrekkig doordat het niet de werkelijkheid allesomvattend kan beschrijven. Dat zou ervoor pleiten om systemen tegelijkertijd en naast elkaar te laten bestaan. Maar dat is onvoldoende. Serres spreekt van het begrip “entre”, waarmee hij doelt op de ruimte tussen deelsystemen. Het is de werkelijkheid die niet kan worden belicht vanuit de perspectieven van de bestaande systemen. Dat betekent dat het samenvoegen en optellen van perspectieven niet helpt. Het gebied “entre” blijft daardoor duister. Het leidt tot een pleidooi om dat gebied te verkennen. Wat wordt buitengesloten door onze systemen is niet per definitie betekenisloos. In de woorden van Serres: de chaos heeft ons een boodschap te vertellen. Het is echter een boodschap die we geen betekenis kunnen geven met behulp van bestaande begrippen en definities. Er zijn andere begrippen nodig.


Ordeningsprincipes

Een tweede veranderingsslag heeft betrekking op het feit dat het psychiatrisch systeem zelf is geordend op basis van de principes en begrippen van hetzelfde systeem, dat bron is van psychiatrische aandoeningen. Het zorgsysteem wordt gedomineerd door krachten van rationalisatie. Zorgactiviteiten worden nauwkeurig gedefinieerd en gepland. Er zijn systemen van verantwoording die tot op minuten nauwkeurig zijn gedefinieerd. Steeds sterker wordt de druk om resultaten van psychiatrische zorg te presenteren. Financiers willen waar voor hun geld.

Kortom, de psychiatrische zorg wordt meetbaar gemaakt. Zorg wordt een product. De leidt tot de conclusie dat er andere organisatieprincipes nodig zijn. Veranderingen die slechts het karakter hebben van aanpassingen binnen het geldende systeem, houden het risico in dat ze enkel symptomen bestrijden. Aan de orde is dat het systeem zelf onderwerp wordt van verandering. Dat vraagt een nieuw systeem dat is gebaseerd op ruimte voor subjectiviteit, een systeem dat rond de patiënt wordt opgebouwd. Een systeem dat is gebaseerd op menselijkheid. Op rationaliteit gebaseerde uitgangspunten en overwegingen worden dan randvoorwaarden. Die veranderslag vraagt om andere ontwerpprincipes.


Het gebied “entre”

Om die veranderingen te bereiken, zijn andere begrippen nodig. Het gebied “entre” kan worden opgevat als het buitengeslotene. Dat is het gebied dat niet kan worden verkend met behulp van geldende begrippen. Dat gebied is juist het resultaat van het onvermogen van bestaande begrippen om dat gebied te omvatten. We kunnen dat algemener formuleren door te stellen, dat iedere ordening buitensluitende werking heeft. Ordeningen kunnen worden opgevat als constructies van de menselijke geest, die tegemoet komen aan ons verlangen naar orde en overzicht. Maar tegelijkertijd doen we de werkelijkheid geweld aan door deze te ordenen.

Het is allerminst logisch, laat staan vanzelfsprekend, dat de werkelijkheid de ordening kent van deelsystemen, die ook nog eens onafhankelijk van elkaar functioneren. Die deelsystemen zijn constructies van de menselijke geest. We denken in patronen waaraan het verlangen en de pretentie ten grondslag liggen om de werkelijkheid te begrijpen. Maar wat we bedenken, hoeft niet overeen te stemmen met de ordening van de werkelijkheid. Bohm schrijft over de impliciete orde van de werkelijkheid (Bohm, 1985). Er is een ordening die we ons proberen voor te stellen, maar we hebben geen enkel overtuigend bewijs dat de door ons geconstrueerde ordeningen zijn terug te vinden in de werkelijkheid of zelfs die werkelijkheid l kunnen omvatten.

Om niettemin ons inzicht te vergroten, verdient het aanbeveling om onze ordeningen te onderzoeken op hun criteria en op de bron van die criteria. Zo kent een economisch systeem economische criteria. Het systeem bevestigt daardoor zichzelf, althans heeft die neiging. Het niet-economische wordt buitengesloten. Per definitie. Systemen houden zo zichzelf in stand en werken zelfbevestigend. Ze laten geen verstorende invloeden van buiten toe. Een ordening heeft zijn eigen rationaliteit en kan niet omgaan met het afwijkende. Het afwijkende kan niet worden betekend. Daar is ook geen noodzaak toe vanwege de zelfstandigheid van de ordening. De buitenwereld heeft vanwege die zelfstandigheid van het systeem geen vermogen tot correctie.

Paradox

Het is de paradox dat we het wezen van een ordening niet kunnen leren kennen door de aandacht te richten op de ordening, maar op het buitensluitend vermogen. De chaos die ontstaat door de daad van ordening, kan worden opgevat als kenmerk, als wezen van iedere ordening. Dat sluit aan bij de filosofie van Serres. Die stelt dat de chaos weliswaar werking heeft, maar we hebben daar geen aandacht voor, juist omdat het als chaos betekenis wordt gegeven .

De chaos kan worden opgevat als een product van de ordening. De identiteit van een systeem uit zich in de relatie met de buitenwereld. Vergelijk de opvattingen rond het begrip identiteit en de benadering dat we die niet leren kennen en begrijpen door kenmerken van een identiteit te formuleren. In plaats daarvan moeten we de identiteit van een gemeenschap zoeken in de relatie met de buitenwereld. De identiteit van een systeem ligt dus niet in wat het systeem omvat, maar juist in wat het buitensluit, in wat buiten het systeem valt, in het afwijkende.

Tussenconclusie

De noodzakelijke veranderingsslag is in de kern een creativiteitsslag, De uitdaging is organisatorische principes te formuleren die menselijkheid en subjectiviteit als vertrekpunt hebben. Namelijk een zorgsysteem dat aandacht geeft aan het onvolmaakte, het kwetsbare en het buitengeslotene. Het komt erop neer dat die begrippen met betekenis worden beladen en uitgangspunt worden voor een nieuw zorgsysteem. Een dergelijke veranderslag vraagt ruimte voor vrij associëren in plaats van rationeel redeneren.

De impact van een dergelijk traject kan overigens veel verder gaan dan de psychiatrische zorg zelf. In wezen is aan de orde dat het kwetsbare bron van inspiratie wordt. Een dergelijke omslag roept associaties op met vraagstukken op het vlak van duurzaamheid. Hoe kunnen we een economisch systeem ontwerpen waarin datgene wat thans kwetsbaar is onder economische druk maatstaf wordt voor economische ontwikkeling. Maar er is geen discipline die het afwijkende beter op zijn betekenis kan verkennen dan de psychiatrie.

Rationaliteit en Normaliteit

Daarmee is ook de vraag aan de orde, hoe een psychiatrisch systeem dat is geconstrueerd op basis van formele begrippen, in staat zou stellen betekenisgeving door een patiënt te leren kennen. Er is sprake van fundamentele verschillen. De behoefte aan ordening vormt de basis voor het betekeniskader van het formele zorgsysteem. Dat betekeniskader kan nogal afwijken van het betekeniskader van de patiënt. Een psychiatrische aandoening kenmerkt zich immers door gebrek aan ordening c.q. door patronen van betekenisgeving die bron zijn van verwarring.

De psychiater staat voor de opgave in die verwardheid systematische verbanden te ontdekken, die oorzaak zijn van ontstaan en in stand houden van verwarring. Het gaat er dan om te achterhalen of er sprake is van enige systematiek. Met als vervolgstap te proberen de achterliggende logica ervan te ontdekken. Die logica zal logischerwijze een geheel andere basis (kunnen) hebben dan wat we als rationeel beoordelen. Het irrationele laat zich immers niet begrijpen en doorgronden met behulp van rationele begrippen. Dan zouden we slechts het verschil in kaart kunnen brengen tussen rationaliteit en irrationaliteit, maar niet kunnen doordringen tot de krachten onder het irrationele, tot het wezen van het irrationele. In gelijke zin kunnen we het abnormale niet leren kennen door het normale als vetrekpunt te nemen.

Dat heeft gevolgen voor het diagnosticeren van psychiatrische aandoeningen. Idealiter houdt een diagnose in, dat men tracht zicht te krijgen op hoe een patiënt betekenis geeft aan zijn omgeving en aan zichzelf in relatie tot die omgeving. Is er sprake van patronen in processen van betekenisgeving door een patiënt? Welke ervaringen en omstandigheden kunnen worden geïdentificeerd, die daarbij mogelijk een rol spelen, en hoe zien eventuele verbanden er dan uit?

Vanuit een dergelijk perspectief laat de breed gedeele kritiek op het DSM zich gemakkelijk verklaren. Het DSM is tot stand gekomen vanuit de behoefte aan ordening en systematisering van psychiatrische aandoeningen, zonder dat sprake was van overtuigende en inhoudelijke kennis rond het ontstaan van psychiatrische aandoeningen, laat staan dat de beleving door patiënten daarbij een grote rol heeft gespeeld. Basis voor die kritiek op het DSM is dat de begrippen en definities die in het DSM zijn opgenomen, bijgevolg nogal kunnen en doorgaans zullen afwijken van wat betekenisvol is voor de patiënt. Die begrippen en definities ontberen een kennisbasis. Ze zijn geen drager of uitdrukking van kennis.

Kenmerk van verwardheid is nu juist het gebrek aan ordening waardoor het betekeniskader van het op rationaliteit gebaseerd systeem van het DSM gemakkelijk haaks kan staan op betekenisverlening door een patiënt en als betekenisloos en zelfs als hinderlijk kan worden ervaren. Wat gebeurt is, dat men een raster legt over de patiënt c.q. over de betekenisgeving door de patiënt, dat weinig vermogen heeft om de individuele beleving van een patiënt te leren kennen.

Psychiatrische aandoeningen zijn intrinsiek subjectief van aard. Tegelijkertijd is binnen het psychiatrisch zorgsysteem sprake van een op objectiviteit gebaseerde betekeniskader. De diagnose brengt dat het meest helder tot uitdrukking. Wat subjectief wordt beleefd, wordt geobjectiveerd en ingepast binnen een objectief kader van begrippen en definities, het DSM. Daarmee wordt “per definitie” geen recht gedaan aan de aard van psychiatrische aandoeningen. Een aandoening vraagt erom subjectief te worden geduid in termen van betekenisverlening. De aandoening houdt dan in de kern in dat deze wordt opgevat als een van normaal afwijkende betekenisgeving. De definities van het DSM hebben normaliteit als referentiekader. Het afwijkende wordt geduid als afwijkend van het normale. De begrippen van de normaliteit stellen ons echter niet in staat door te dringen tot het wezen van het afwijkende.

Het alternatief, en daarmee komen we bij de veranderingsopgave, is dat de diagnostisering niet langer beperkt blijft tot het categoriseren van aandoeningen conform het DSM, maar dat vanuit een vrije positie wordt geprobeerd om betekenisgeving van een patiënt te leren begrijpen. In dat proces is de patiënt leidend en gids in het proces, niet het DSM-kader, noch de psychiater. Een dergelijke ambitie pleit voor ruimte in de communicatie tussen patiënt en psychiater. Het vraagt van de psychiater het onderdrukken van de neiging om (te) snel tot diagnoses te komen. Het vraagt ook de houding van onderdrukken van het eigen betekeniskader. Dat betekent ruimte voor het duiden van woorden en gedrag van een patiënt, ook als dat inhoudt dat men andere begrippen moet construeren om betekenisgeving door een patiënt te duiden.

Een dergelijke benadering is methodologisch en methodisch uitgewerkt in de zogenaamde gefundeerde theoriebenadering. Glaser en Strauss ontwikkelden, de “grounded theory” als een voorbeeld van kwalitatief sociologisch onderzoek (Glaser en Strauss, 2000). Die benadering komt erop neer dat men de werkelijkheid niet benadert vanuit een vooraf opgesteld theoretisch kader, maar dat men begrippen als het ware laat oprijzen vanuit de empirie. Het vraagt een waardevrije en een niet-vooringenomen houding en ook het onderdrukken van de wens om al te snel causale relaties te onderkennen in hoe een patiënt betekenis geeft en op basis daarvan handelt.

Consequenties van de DSM-systematiek

De kritiek op de systematiek van het DSM is niet alleen methodisch van aard. De categorieën van het DSM en daarmee de diagnose hebben ingrijpende gevolgen, zowel op het terrein van de behandeling als op het terrein van de financiering. Behandelingen zijn gebaseerd op de categorieën van het DSM en dat geldt ook voor de financiering. Alleen al om die reden zal het lastig zijn de betekenis van het DSM een veel minder centrale plaats te geven binnen het zorgsysteem omdat dit aanmerkelijke consequenties kan hebben. Het DSM is omgeven door een structuur van belangen zoals op het vlak van de financiering. De betekenis van de belangen neemt eerder toe dan af, doordat financiers steeds vaker en steeds meer koppelingen aanbrengen tussen de kosten van een behandeling en de resultaten ervan. Wanneer de omschrijvingen van het DSM gebrekkig zijn, betekent dat bijgevolg dat die gebreken het gehele systeem besmetten. Dat leidt ertoe de geschetste conclusies rond het DSM bij veranderingen van het psychiatrisch zorgsysteem een centrale plaats te geven.

Vloeibaarheid

Nodig is dat het statisch karakter van het zorgsysteem wordt doorbroken. Het systeem wordt nu gekenmerkt door definities en regels, terwijl de ambitie is psychiatrische aandoeningen van patiënten te helen. Het systeem heeft zichzelf in institutioneel opzicht vastgekluisterd. De spanning kan worden omschreven als een dicht gedefinieerd en strak geregeld systeem, dat wordt geacht dienstbaar te zijn aan heling van aandoeningen, die in hoge mate individueel van karakter zijn. Om flexibiliteit te krijgen is deregulering nodig. Dat betekent niet enkel minder regels, maar ook doorbreking van structuren die de regels in stand houden. Er is een behoefte aan ontganiseren. Patiënten moeten niet tegemoet worden getreden vanuit de definities van het DSM. Dan wordt er als het ware een deken van formele begrippen over de patiënt uitgespreid. Die begrippen stellen inhoudelijk niet in staat inzicht te krijgen in betekenisgeving door patiënten. Ze ontlenen hun betekenis aan overwegingen van institutionele aard. Ze gelden omdat ze gelden. Ze legitimeren zichzelf.

Om die omslag te begrijpen is inzicht nodig in de krachten die de grondslag vormen voor de huidige structuren en regels. Er is behoefte aan ontleding, aan deconstructie van bestaande structuren zoals door Derrida bepleit. Allereerst is de wens aanwezig om zicht te hebben op de praktijk van de psychiatrische zorg. De traditionele en nog steeds dominante managementopvatting is, dat we wensen te beschikken over kennis op uitvoerend niveau. We willen precies weten hoe de psychiatrische zorg wordt verleend. Ontbreekt die kennis, dan is er geen basis om te managen. Dat vertrekpunt leidt vervolgens tot standaardisatie. We construeren protocollen, waardoor er een referentiekader aanwezig is, waar we de kwaliteit en kwantiteit van verleende psychiatrische zorg aan kunnen spiegelen. Protocollen krijgen zo de status van instrument voor het management. Gecombineerd met kennis over de praktijk van zorgverlening stelt dat ons in staat te managen, zo menen we. We kunnen daardoor de illusie overeind houden, dat psychiatrische zorg zich op een traditionele wijze laat managen. We kunnen ingrijpen wanneer de praktijk blijkt af te wijken van een nauwkeurig en gedetailleerd uitgewerkt referentiekader.

Standaardisatie

Daarnaast speelt de noodzaak mee om verantwoording af te leggen. Psychiatrische zorg is vaak langdurig en duur. Geldelijke middelen dienen efficiënt en effectief te worden besteed. Objectieve en neutrale systemen helpen daarbij om de zorg meetbaar te maken. Financiers willen weten hoe de ingezette middelen worden besteed. Is er sprake van onnodige inspanningen? En vooral ook de vraag wat het uiteindelijk effect is van alle inspanningen. Is er sprake van herstel bij de patiënt? Ook die noodzaak van afleggen verantwoording is een belangrijke bron van standaardisatie. We willen weten wat er gebeurt en ook of de verleende zorg het gewenste resultaat heeft. We willen bijvoorbeeld de kwaliteit van de zorg meten en instellingen onderling vergelijken. Dat vraagt objectieve criteria.

Dat alles leidt ertoe dat we vanuit vooraf opgestelde en in detail gedefinieerde kaders en ordeningen psychiatrische aandoeningen denken te kunnen helen, terwijl die aandoeningen in hoge mate een individueel karakter hebben. Die kaders en ordeningen zijn bovendien statisch en stellen beperkt in staat mee te bewegen met individueel beleefde aandoeningen. Aan de institutionele structuren ligt het verlangen naar objectivering ten grondslag. Men wil de psychiatrische zorg degelijk organiseren en juist dat uitgangspunt werkt hinderlijk bij het verlenen van psychiatrische zorg. Objectivering staat aandacht voor subjectieve beleving in de weg. Overwegingen van institutionele aard die bedoeld zijn om psychiatrische zorg goed te organiseren, krijgen zo gemakkelijk een hinderende werking bij het leveren van de zorg. Het instrument wordt belangrijker geacht dan het doel en het resultaat. Ook dat kan worden opgevat als een paradox.

De veranderingsslag die hieruit volgt kan worden benoemd als een overgang van een statisch naar een vloeibaar kader. Die benadering is in een breder maatschappelijk kader uitgewerkt door Bauman (2018). De structuren van de moderniteit dienen ons niet meer, wanneer er sprake is van permanente verandering. Die kaders bieden dan geen houvast meer, maar dwingen tot veranderingen in structuren, die vervolgens hinderend werken om mee te bewegen met de stroom. Nieuwe ontwikkelingen laten zich niet inkaderen in vaste structuren.

Mensbeeld

De noodzakelijke veranderingen hebben in de kern te maken met een ander mensbeeld. Daarin vormt het vermogen tot betekenisgeving de kern van het menszijn. Hierin onderscheidt de mens zich van andere levensvormen en van dode materie. Juist dat vermogen tot betekenisgeving stelt de mens in staat zich aan te passen aan veranderende omstandigheden. Hij kan open staan voor signalen, die hem vervolgens aanzetten zijn opvattingen en zijn gedrag te veranderen. Hij kan de wereld onderzoeken en zijn kennis en inzichten vergroten. Dat hij die mogelijkheden door allerlei invloeden slechts beperkt benut, doet aan dat fundamentele vermogen niet af.

De mens kan zich daardoor ook zelf ontwikkelen. De mens, zo stelt Serres in Temps de crises, is een mens in wording. De geschiedenis toont een reeks van ingrijpende veranderingen die als een crisis werden beleefd. Maar, zo stelt Serres, kenmerk van de tegenwoordige tijd is dat die crises zich steeds frequenter voordoen. Een crisis wordt niet meer afgewisseld door een lange periode van stabiliteit en orde (Serres, 2009). Verandering is een continu proces. Dat vraagt van de mens, dat hij zich steeds weer moet positioneren en herpositioneren ten opzichte van steeds veranderende omstandigheden. Routines bieden niet altijd houvast en kunnen hun werking verliezen. Juist het vermogen tot verandering kenmerkt de mens. Hij kan zich bewust worden van veranderingen en nieuwe situaties betekenen. Dat vermogen tot meebewegen of juist een andere positie kiezen ten opzichte van de werkelijkheid vormt het wezen van de mens.

In Hominescence werkt Serres dat beeld verder uit (Serres, 2019). Mensen wordt continu geconfronteerd met onzekerheid maar beschikken over het vermogen daarmee om te gaan. Dat is een proces van vallen en opstaan. We verlangen naar een duurzaam evenwicht, maar het bereiken daarvan is de mens niet gegeven. De horizon van de perfectie wijkt tekens terug. Daardoor worden we voortdurend uitgedaagd. Het is het beeld van de mens die niet is geboren om zichzelf te herhalen, maar die is geplaatst in een context van voortdurende ontwikkeling. Dat is een ontwikkeling die niet wordt gerepresenteerd door een continu opgaande lijn, maar die ook fasen van verval kent.

Je zou de nadruk op het economische en het reduceren van de mens tot regelbaar object binnen systemen kunnen opvatten als een, hopelijk tijdelijke, terugval. Die systemen hebben weliswaar een gebrekkige basis, maar zijn niettemin dominant geworden,. Onze opvatting van en het verlangen naar succes ontnam ons het zicht op de negatieve effecten ervan. Juist de indringendheid van ontwikkelingen in de laatste decennia stelt ons vermogen om ons opnieuw te ontwerpen danig op de proef. Serres is niettemin hoopvol, juist vanwege dat vermogen van de mens te groeien, zichzelf te vernieuwen en aan te passen, ook al zijn de uitdagingen thans ingewikkelder en uitgebreider.


Mythes en ficties

Zo zou je het mensbeeld dat binnen het psychiatrisch zorgsysteem dominant is, kunnen beschrijven als het resultaat van het verlangen naar ordening, naar overzichtelijkheid, naar objectief inzicht. Dat verlangen is zo sterk, dat we gebrekkige ordeningen verkiezen boven chaos. Desnoods nemen we genoegen met mythes en ficties, die we voor “echt” houden. Het wezen van het mens-zijn, zo stelt Nusselder, is gemis en het daaruit voortvloeiende verlangen naar vervulling (Nusselder, 2021). Dat roept het beeld op van een nieuw psychiatrisch zorgsysteem dat permanent in verandering is, over aanpassingsvermogen beschikt en in staat is zichzelf voortdurend te vernieuwen. Dat vraagt het terugdringen van institutionalisering en het creëren van ruimte voor vernieuwing en ontwikkeling. Niet een strak voorgeprogrammeerde zorg, maar ruimte voor de individuele beleving van een patiënt.

Normaliteit is dan niet langer vastgelegd in opvattingen en praktijken, maar normaliteit is een voortdurend zoeken naar en construeren van een betekeniskader, dat in ons staat stelt mee te bewegen met veranderende omstandigheden c.q. daarin te interveniëren. In een dergelijk systeem is er ruimte om permanent de spanning tussen orde en chaos te onderzoeken. Oog hebben dus voor het buitensluitend karakter van ordeningen en tevens openstaan voor de mogelijkheid dat de chaos ons een boodschap heeft te vertellen. Steeds weer alert zijn op vanzelfsprekendheden en bereid zijn die te onderzoeken op hun werking.

Dat vraagt van ons de neiging te weerstaan psychiatrische zorg in te kaderen vanwege onze behoefte aan houvast, zekerheid en helderheid. Het beeld dus van een ongebaand pad, waarin de richtingwijzers van de bekende wereld ons niet verder kunnen helpen. We zijn op onszelf aangewezen. Dat vraagt een denk- en handelingsruimte, die we in bestaande structuren binnen de psychiatrische zorg juist hebben uitgebannen.


Het lijden aan perfectie

We kunnen het psychiatrisch systeem, zoals het thans functioneert, opvatten als een typisch product van het denken in de moderniteit. De werkelijkheid is kenbaar, meetbaar en kneedbaar. Perfectie is bereikbaar. En juist dat vertrekpunt kan worden opgevat als ontstaansbron van psychisch lijden. Dat geldt voor de jachtigheid en de objectivering die anonimiserend werkt wat betreft relaties en personen, maar het geldt ook voor het psychiatrisch zorgsysteem zelf.

We zijn zelf de veroorzakers van psychiatrisch lijden. We zijn telkens zoekende naar verdere perfectionering en verfijning van een op objectivering gebouwd systeem. En juist daardoor met een steeds groter risico dat we verwijderd raken van wat het wezen zou moeten zijn van psychiatrische zorg, namelijk heling van individueel beleefd en doorleefd psychisch lijden. Maar de drang naar perfectie is dominant, zelfs als die ten koste gaat van de kwaliteit van de psychiatrische zorg.

We hebben in ons streven naar perfectie een systeem opgebouwd en koesteren een verwachtingspatroon dat intrinsiek niet haalbaar is. We verplaatsen ons onvermogen en kwetsbaarheid naar een materiele werkelijkheid die ons in staat stelt illusies overeind te houden. De materie laat zich nog plooien naar onze verlangens maar de menselijke psyche weigert zich onderdanig te maken aan onze verlangens. Dat onvermogen wordt niet opgevat als eigen aan het leven maar als een imperfectie, een stoornis, een falen, een aandoening. We ontkennen onszelf en laten ons beheersen door niet-realistische beelden en beeldvorming. Het zijn beelden die we zelf construeren of die ons dwingend worden aangereikt.

Als we een systeem willen begrijpen, moeten we de redeneerlijnen deconstrueren. Dat proces van deconstrueren staat centraal in de filosofie van de Franse filosoof Jacques Derrida. Hij pleit ervoor teksten te ontrafelen en op zoek te gaan naar wat ze verbergen. Redeneerlijnen herbergen vanzelfsprekendheden en leren ons de krachten op het spoor te komen die uitsluitende werking hebben (Derrida, 2013).

Het verraderlijke is dat we ons van die krachten doorgaans niet goed bewust zijn. De heersende logica scheidt het logische van wat onlogisch wordt geacht, het rationele van het irrationele. Zo beschouwd is het onlogische en het irrationele een product, een construct, van onszelf. Dat maakt het noodzakelijk de redeneerlijnen binnen het psychiatrisch zorgsysteem te deconstrueren en hoe die zich laten overheersen door het verlangen naar ordening. Hoe wij er de voorkeur aangeven illusies overeind te houden, die ons in staat stellen het wanordelijke te ontvluchten.

Dat wanordelijke kan worden geduid als het wezen van psychiatrische aandoeningen. In de psychiatrie behandelen we het abnormale zonder op zoek te gaan naar het wezen van het abnormale. We maken het abnormale, het afwijkende, niet tot object van kritische beschouwing. Nodig is dat we het abnormale aandacht geven. Dat betekent doordringen tot de onderliggende patronen en de krachten blootleggen die die patronen vormen en in stand houden.


De patiënt centraal

Het centraal stellen van de patiënt in het psychiatrisch zorgsysteem vraagt explicitering van een mensbeeld, waarin de mens als mens wordt ontmoet, als iemand met gevoelens, overtuigingen, vanzelfsprekendheden en beperktheden. Het zijn de beperktheden die aan ieder mens kleven, zowel aan patiënten als aan zorgverleners. De mens als een wezen dat zoekend op weg is naar een evenwicht in zichzelf en bijgevolg in relatie met de hem omringende werkelijkheid. De mens als onvoltooid wezen, een onvoltooidheid die nooit geheel en definitief oplosbaar is. Die mens die telkens wordt beproefd. Wat vandaag als evenwicht wordt beleefd wordt morgen weer door nieuwe ervaringen op de proef gesteld.

Een mensbeeld waarin tegelijkertijd het vermogen aanwezig is zichzelf te herpositioneren ten opzichte van zijn omgeving, ten opzichte van de ander. Leven als het zoeken naar een onbereikbare perfectie. Zoeken naar een eindpunt dat voor de mens onbereikbaar is. Zoals Denys het uitdrukt: “Zingeving en geluk zijn een levenslange opdracht” (Denys, 2020). Dat kan worden opgevat als een weinig perspectief biedende visie. Maar juist het vermogen tot betekenisgeving, dat de mens is gegeven als een uniek vermogen, biedt de kans stappen te zetten om dichterbij een betekenisvol leven te komen, ook al is het uiterste geluk voor de mens onbereikbaar. Die benadering is ook aan te treffen bij Deleuze. In Verschil en herhaling (1968) pleit hij voor een mensbeeld waarin leven een permanent worden is. De mens die telkens weer een ondergronds wortelstelsel, een rizoom, probeert te ontwarren op zoek naar definitieve kennis (Deleuze, 1988).

De veranderslag die hieruit voortvloeit, houdt in dat het psychiatrisch systeem de beleving van patiënten als vertrekpunt neemt en respecteert als uitgangspunt. Dat betekent het onderdrukken van de neiging de mens een betekenis ge geven vanuit een objectief betekeniskader. De werking daarvan is dat de mens niet wordt ontmoet in zijn wezen, maar wordt gereduceerd tot een regelbaar object binnen een zorgsysteem, dat door de patiënt vaak wordt ervaren als afstandelijk en vervreemdend. En waarin sprake is van krachten die leiden tot steeds verdere detaillering en verfijning.

Het systeem is in wezen opgebouwd vanuit een positivistisch perspectief. Kenbaarheid en beheersing zijn voorondersteld. De veranderslag die daaruit voortkomt houdt in dat de uitgangspunten en vanzelfsprekendheden van het zorgsysteem zelf onderwerp van reflectie worden. En dus niet langer ernaar streven ons op ratio gebaseerd systeem te verfijnen met als gevolg, dat we daardoor het perspectief versmallen en buitensluitend vermogen juist vergroten in plaats van verkleinen. Hoe ons streven naar volmaaktheid zich tegen zichzelf keert.

Nodig is dat we de wenst tot ordening weerstaan. Die ontneemt ons het zicht op het wezen van de mens, op hoe de mens zichzelf beleeft. We zijn te snel geneigd oorzakelijke verbindingen te leggen tussen elementen. Die behoefte aan resultaat moet worden onderdrukt, omdat die het risico inhoudt dat ons eigen betekeniskader als het ware als een net over de patiënt wordt gelegd. We benaderen dan betekenisgeving door een patiënt als een reflectie, als een uitdrukking van ons eigen betekeniskader.

Het proces van verkenning van het betekeniskader van de patiënt is een proces van vallen en opstaan. Je associeert en denkt voorlopige regulariteiten en relaties te onderkennen en vervolgens een verklaringskader te hebben gevonden, maar dat zijn slechts voorlopige resultaten, die vanaf het moment dat ze in onze gedachten ontstaan, weer onderwerp van kritiek moeten zijn. Dat betekent het opschorten van conclusies. Voorlopigheid als uitgangspunt. Kennis is veronderstelde kennis. Twijfel als leidraad. Een dergelijke houding vraagt doorgaans tijd en vrijheid van denken en associëren, voordat men tot noties komt die een enigszins stabiel karakter hebben.

Het vraagt ook een openstaan voor andere begrippen. Er is geen enkele garantie dat ons eigen begrippenapparaat ons in staat stelt te achterhalen en begrijpen, hoe een patiënt betekenis geeft aan zichzelf en de werkelijkheid waarin hij zich bevindt. Om het thans dominante betekeniskader van het psychiatrisch zorgsysteem te onderzoeken, is lef en creativiteit nodig. Lef om vanzelfsprekendheden ter discussie te stellen en zicht te krijgen op het buitensluitend karakter van dat formele betekeniskader.

Creativiteit is nodig om de bouwstenen en de hoekstenen voor een alternatief zorgsysteem te vinden. Wat zijn de basiswaarden, die het fundament van een nieuw mensgericht zorgsysteem kunnen vormen? Een systeem waarin de ratio wordt buitengesloten en het irrationele een plaats krijgt, dat binnen het bestaande systeem rationeel het risico loopt als betekenisloos te worden buitengesloten. Misschien is dat de kern van de omslag die aan de orde is. Een psychiatrisch zorgsysteem helen dat vooral aan zichzelf lijdt.


Samenvattend

De gewenste veranderingen betreffen zowel allereerst het zorgsysteem als zodanig en in het bijzonder de onderliggende ordenings- en organisatieprincipes. Die stellen ons niet in staat de beleving van een aandoening door een patiënt te leren kennen. Ze dwingen tot objectivering van aandoeningen die in hoge mate subjectief van karakter zijn.

Het zorgsysteem verkeert verder in een afhankelijkheidsrelatie van management-en financieringssystemen. Die verhinderen de mens centraal te stellen. De veronderstellingen van objectieve standaarden en doelstellingen werken verlammend, zowel voor patiënten als voor zorgverleners. Controlemechanismen veronderstellen dat de zorg op traditionele wijze beheersbaar kan worden gemaakt, maar zijn juist daardoor bron van onvrede. Bovendien werken ze hinderend en verhinderend bij doorvoeren van noodzakelijke vernieuwingen.

De gebreken van het huidige systeem zijn niet oplosbaar door verdere verfijning en detaillering van regels, noch door aanpassingen op operationeel niveau. Ordening langs rationele weg kan worden opgevat als een basisprobleem.

Dat leidt tot de wens een nieuw zorgsysteem te ontwerpen dat de mens centraal stelt. Dat vraagt een creativiteitsslag. Er zijn nieuwe begrippen nodig om een dergelijk zorgsysteem te structureren. Een nieuw systeem moet worden opgebouwd rond de patiënt zelf en de subjectieve beleving van de patiënt aandacht geven. Organisatieprincipes moeten die subjectiviteit ondersteunen en niet verdringen. Dat vraagt een deconstructie van begrippen die thans dominant zijn. Dat impliceert ook het identificeren va mythes en ficties die het huidige systeem overeind houden. Het betekent een keuze voor een ander mensbeeld: de mens als betekenisgevend wezen in plaats van de mens als organiseerbaar object. Aandoeningen opvatten als subjectief ervaren leed in plaats van het weg definiëren van subjectiviteit door het construeren van objectieve definities. Het vraagt de noodzaak te ontganiseren of, in de terminologie van van Os, te ontkokeren (Van Os, 2014).

In Deel VI gaan we in op processen van systeemverandering. Hoe krijgen we de noodzakelijke systeemveranderingen van de grond?


Literatuur

Bauman, Zygmunt, Vloeibare tijden, leven in een eeuw van onzekerheid, Uitgeverij Klement, 2018

Bohm, David, Heelheid en de impliciete orde, Lemniscaat, 1985

Deleuze, Gilles, Verschil en herhaling, Boom Uitgevers, Amsterdam, 1968

Deleuze, Gilles en Guattari, Félix, Rizoom, Uitgever Rizoom, 1988


Denys, Damiaan, Het tekort van het teveel, De paradox van de mentale zorg, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 2020.

Derrida, Jacques, Kracht van wet, het “mystieke fundament van het gezag, Garant, Antwerpen, 2013

Glaser, G. Barney & Strauss, Anselm L., The Discovery of Grounded Theory: strategies for qualitative research, Taylor & Francis Inc, Londen, 2000

Latour, Bruno en Serres, Michel, Conversations on Science, Culture and Time, University of Michigan Press, 1995

Van Os, Jim, De DSM-5 voorbij! Persoonlijke diagnostiek in een nieuwe GGZ, Diagnosis Uitgevers, Leusden, 2014

Praag, van H.M. Zinverlies; een verwaarloosd onderwerp in de psychiatrie, in: Tijdschrift voor Psychiatrie 52 (2010) 10, 705 - 714

Serres, Michel, Hominescence, Bloomsbury Publishing, 2019

Serres, Michel, Temps de crises, Le Pommier, 2009

omhoog


**************************


Kijk niet alleen naar de regels

Thieu Wagemans                                                                    www.ontganiseren.nl

Opiniebijdrage in De Limburger van 14 oktober 2021

De Limburger berichtte onlangs dat bij het door gouverneur Johan Remkes ingestelde Meldpunt Integriteitsschendingen in totaal 150 meldingen zijn binnengekomen. De drie deskundigen die de meldingen moeten beoordelen hebben een lastige opgave. Beoordeling veronderstelt criteria: wanneer is er sprake van een schending van de integriteit? Grofweg kunnen twee criteria worden onderscheiden. Het eerste criterium is of er sprake is van het overtreden van regels. In uiterste zin: is er sprake van een strafbaar feit? Die vraag kan op basis van wetten en daarvan afgeleide regels vaak nog wel worden beantwoord.

Veel lastiger is het om een niveau dieper te graven. Integriteit gaat verder dan het handelen conform geldende regels. Binnen een overheidsorganisatie, hoe strak georganiseerd ook, kan er sprake zijn van ongewenste praktijken die intern normaal worden gevonden. Stel bijvoorbeeld dat een medewerker vaststelt dat er binnen zijn organisatie nogal luchtig met regels wordt omgesprongen, dat er bijvoorbeeld sprake is van bevoordeling van bepaalde personen of dat men nogal eens de ogen en oren sluit bij gedrag dat eigenlijk niet is toegestaan. En stel nu eens dat een medewerker dat signaleert en dat expliciet op tafel legt.

Dergelijk prijzenswaardig gedrag wordt lang niet altijd op prijs gesteld. Men wordt geacht met de hoofdstroom mee te bewegen en vuile was niet naar buiten te brengen. Er zijn veel voorbeelden van mensen die de vinger op zere plekken legden en daarvan nadeel ondervonden. Een organisatie heeft tal van technieken en methoden om iemand die op misstanden wijst de gevolgen van dergelijk handelen te laten merken. Zo iemand wordt bijvoorbeeld plotseling niet meer uitgenodigd voor een overleg. Dat lijkt aanvankelijk een toevallige vergissing die zich echter vervolgens met enige regelmaat blijft voordoen. Men wordt gepasseerd en buitenspel gezet. Er doen zich kleine pesterijen voor. Men hoort er niet meer bij.

Verhoudingen verslechteren wat vervolgens kan worden aangegrepen om iemands functioneren tot onderwerp van discussie te maken. Meer dan eens wordt zo iemand heel zorgvuldig naar de uitgang begeleid, op weg naar een ‘functie elders’. Dat zijn processen waarin doorgaans geen formele regels worden geschonden. Het spel is fijnzinniger en tegelijkertijd doortrapter.

Of neem het politieke domein. Daarbinnen is er vaak druk om mee te bewegen, bijvoorbeeld door geen kritiek te uiten op de ‘eigen’ wethouder zodat het beeld van eensgezindheid niet wordt doorbroken. Dat wordt wel opgevat als een kwestie van politiek fatsoen. Een gevolg van deze cultuur is dat ons systeem van overheidsorganisaties te weinig zelfcorrigerend is. Zelfbevestiging als norm. Worden daarbij regels overtreden? Welnee! Men houdt zich enkel keurig aan ongeschreven regels. Worden problemen toch op tafel gelegd dan kan dat worden opgevat als het doorbreken van fatsoensnormen. Het leidt tot situaties waarin een beroep op fatsoensnormen tot doel heeft om onfatsoen te verbergen. Wat scheef is mag kennelijk niet aan de oppervlakte komen. Dat wordt dan als het bevuilen van het eigen nest gezien.

Commissies die moeten nagaan of sprake is van integriteitsschendingen zouden daarom niet alleen moeten kijken naar daadwerkelijke schending van regels maar ook oog en oor moeten hebben voor informele praktijken, hoe verfijnd ook, die het zelfreinigende vermogen van de overheid onderuit halen. Dat laatste is nodig omdat men anders langs de ware problemen heen kijkt.

De uitdaging voor onderzoekers die op pad worden gestuurd om vast te stellen of in het openbaar bestuur integer is gehandeld, is de nette maar verhullende taal waar overheidsorganisaties zo bedreven in zijn te doorzien en van de vernislaag te ontdoen. Als ze hun werk goed willen doen, moeten ze dwars door de schoonheid van de woorden heen kijken dus en de praktijken benoemen die erdoor worden bedekt. Over onrecht kun je nu eenmaal geen compromissen sluiten. Zonder aandacht voor de interne ambtelijke cultuur en de bestuurscultuur zal ieder integriteitsonderzoek gebrekkig zijn.

Thieu Wagemans is raadslid voor Ronduit Open in Leudal

....................

Kan de politiek zichzelf redden?

Opinie Thieu Wagemans in de Limburger van 15 september 2021

De kabinetsformatie is gaandeweg een lijdensweg geworden. Terwijl partijen zich voor de verkiezingen van maart jl. presenteerden met begrippen als daadkracht, aanpakken, doorpakken, vernieuwing enzovoort toont de gang van zaken van het laatste half jaar een beeld waarin men demonstreert lak te hebben aan de beloftes die aan de kiezers zijn gedaan. De burgers moeten wijken voor partijpolitieke belangen. Dat is ernstig. Daardoor is het de politiek zelf die ons politieke proces om zeep helpt. Partijen zijn bezig een politiek systeem uit te hollen waar ze zelf hun bestaansrecht aan ontlenen. De vraagstukken die om oplossingen vragen zijn naar de achtergrond gedrongen omdat men het partijpolitieke spel kennelijk belangrijker vindt. De gedane beloftes zijn vergeten.

Vastgelopen
Je kunt daar begrijpelijk kritiek op hebben maar de onderliggende vraag is hoe het komt dat we zijn vastgelopen. We presenteren onze democratische rechtstaat in het buitenland graag als ideaal en als noodzakelijk maar wat hebben we er zelf van terechtgebracht? Om daar inzicht in te krijgen zijn twee vragen belangrijk. De eerste heeft betrekking op het functioneren van politieke partijen. Die partijen waren oorspronkelijk bedoeld om de democratie te dragen maar verkeren in hun tegendeel. Ze hebben democratische belangen opzij gedrongen. De belangen van het land zijn ondergeschikt aan het overeind houden van partijen. Burgers zijn enkel belangrijk in de maanden voorafgaand aan de verkiezingen. Dan halen politici allerlei capriolen uit om kiezers te verleiden. Eenmaal gekozen zijn de burgers en hun opvattingen niet meer zo belangrijk. Politici zijn dan te druk bezig met zichzelf, met profilering ten opzichte van andere partijen. De angst regeert dat andere partijen er garen bij zouden kunnen spinnen wanneer men keuzes maakt voor een bepaalde coalitie. Daadkracht moet dan vaak wijken voor partijpolitieke linkigheid. Het gevolg daarvan is dat de problemen waar Nederland iets aan moet doen niet worden aangepakt en de politiek wordt uitgehold. De politiek was bedoeld om lijnen uit te zetten en daar ook naar te handelen. Daar is weinig van over.

Regels
De tweede vraag heeft ermee te maken dat we onszelf totaal hebben geblokkeerd door een onontwarbare kluwen van regels en procedures waardoor ieder poging tot vernieuwing vastloopt. Innovatie wordt gefrustreerd door geldende regels. Die regels zijn echter niet spontaan ontstaan maar de uitkomst van politieke besluitvorming in een cultuur waarin de neiging bestaat om alles tot in de kleinste details te regelen. Hoeveel roetvegen mag een zwartepiet hebben? Of denk aan de uiterste fijngevoeligheid waarmee we het recht op privacy willen beschermen, met als gevolg dat een beroep op gemeenschappelijkheid moet wijken. Het opsporen van misdrijven vinden we kennelijk minder belangrijk dan de bescherming van de eigen ruimte van het individu.
De Franse filosoof Claude Lefort bepleitte ooit dat de plaats van de politiek leeg moet blijven. Daarmee bedoelde hij niet dat er geen politiek nodig is, maar juist dat er altijd ruimte moet zijn voor nieuwe politieke denkbeelden, voor een open debat. Wat is daarvan over als we naar de praktijk kijken? Het is nodig dat die ruimte wordt heroverd, bij voorkeur door de inzet van politieke partijen zelf. Geen enkele politieke partij heeft het recht de politiek dood te maken en partijen moeten daartoe ook niet de ruimte krijgen.
Toch maar eens een kabinet formeren van onafhankelijke en gezaghebbende mensen die hun sporen hebben verdiend en doen wat er gedaan moet worden? En die politieke partijen de ruimte geven eens vier jaar in de spiegel te kijken en de vraag te beantwoorden hoe men het zo uit de hand heeft kunnen laten lopen. Dat zou overigens ook op provinciaal en gemeentelijk niveau aan de orde kunnen zijn wanneer partijen zich bezondigen aan dezelfde praktijken die nu landelijk spelen.


Thieu Wagemans is raadslid voor Ronduit Open in Leudal

************************

Het psychiatrisch zorgsysteem. Deel IV: Een analyse op drie niveaus


Civis Mundi Digitaal #113

door Mathieu Wagemans                www.ontganiseren.nl


Inleiding

In de voorgaande Delen hebben wij het psychiatrisch zorgsysteem verkend en elementen ervan op een aantal punten vanuit een filosofisch perspectief verdiept. In dit Deel IV staat een samenvatting centraal waarbij we een drietal niveaus onderscheiden, namelijk het praktijkniveau, het systeemniveau en de positie van het psychiatrisch systeem in een groter maatschappelijk verband. Vervolgens zal in volgende delen de stap naar verandering en verbetering worden gezet, zowel op inhoudelijk vlak als met betrekking tot processen van verandering.


1. Het praktijkniveau

Wie de berichtgeving over het psychiatrisch zorgsysteem volgt kan vaststellen dat er sprake is van een breed gedeeld ongenoegen over het functioneren ervan. Deels gaat het daarbij om oppervlakkige kritiek die eerder is gericht op symptomen van onderliggende problemen dan op de problemen zelf. Denk bijvoorbeeld aan lange wachttijden voordat een behandeltraject voor een patiënt kan beginnen. Of aan de steeds weer herhaalde noodzaak dat er meer middelen beschikbaar moeten komen. Ook bestaat er onvrede over de resultaten van behandeltrajecten. De psychiatrische zorg zou onvoldoende resultaat boeken en claims niet waarmaken.

Een situatieschets

Een systeem beschrijven over psychiatrische zorg veronderstelt helderheid over wat we onder een psychiatrische aandoening verstaan. Merkwaardig is dat daar nogal verschillend over wordt gedacht binnen de psychiatrische zorg zelf. Meynen en Ralston schetsen zeven visies op een psychiatrische aandoening. (2011) Zij verwijzen naar Szasz die stelt dat er geen harde relatie is tussen geestesziekten en pathofysiologische afwijkingen. Niettemin worden aandoeningen tegemoet getreden in een pathofysiologische context. De benadering is dan dat psychiatrische aandoeningen kunnen worden behandeld alsof het gaat om beenbreuken. Er is een oorzaak, er is een probleem en we hebben de instrumenten om het probleem op te lossen. Het getuigt van een positivistische insteek met de neurofysiologische benadering als voorbeeld.

Dat zou dan samenhangen met de artsenopleiding die voorafgaat aan psychiatrische studies. Wanneer wij het patroon van hersencellen kunnen doorgronden en het functioneren ervan kunnen herleiden tot fysiologische processen zouden we tot zekere kennis in staat zijn, zo is dan de redenering. Maar daar is vooralsnog geen sprake van. Het beeld is eerder dat we nog in een beginfase van onderzoek zitten. Los daarvan is er stevige kritiek op het neurofysiologisch perspectief omdat het functioneren van de menselijke geest niet in termen van biologische en chemische kan worden uitgedrukt. Dan zouden we, zo menen velen, tekort doen aan wat we als het wezen van de mens beschouwen.

Overigens kunnen vergelijkbare twijfels worden opgeroepen met betrekking tot gedragsmatig onderzoek. Aandoeningen kunnen zich op nogal uiteenlopende wijzen uiten. We kunnen proberen gemeenschappelijke kenmerken te identificeren en op basis daarvan patronen ontdekken. Maar kenmerken kunnen weliswaar een opstap zijn voor onderzoek naar aandoeningen, maar ze kunnen en mogen niet worden opgevat als het wezen van een aandoening. Het wezen van een aandoening hoeft niet noodzakelijkerwijs samen te hangen met de wijze waarop een aandoening zich uit.

In plaats daarvan lijkt de psychotherapeutische benadering meer gericht te zijn op hoe de menselijke geest functioneert. Die grijpt in op processen van betekenisgeving en probeert krachten op te sporen die via het onderbewustzijn hun invloed uitoefenen. We zijn ons lang niet altijd bewust van ons handelen, laat staan van de invloeden die daarbij een rol spelen.

Er zijn ook pogingen tot integratie, zoals het biopsychosociale model waarvan Delleman stelt dat er van een uitwerking nog geen sprake is. Een integrale uitwerking veronderstelt verbindingen tussen de drie domeinen. Wellicht zijn verbindingen nog mogelijk en denkbaar tussen het psychiatrische en het sociale, maar de verbinding met het neurofysiologische is complexer. Dan gaat het om de lichaam-geestrelaties. Er is dan sprake van paragdigma’s die zich lastig laten combineren, laat staan integreren (Delleman, 2008).

Die verschillen komen ook tot uitdrukking op behandelingsniveau. Enerzijds is er de opvatting dat aandoeningen kunnen worden opgevat als neurofysiologische verstoringen en anderzijds is sprake van een sociaal georiënteerde benadering die de mens centraal stelt. Dan gaat het er in bijzonder om hoe mensen zichzelf zien en zijn relatie tot zijn omgeving. Psychiatrische aandoeningen worden dan opgevat als het niet in evenwicht zijn met zichzelf en, deels als gevolg daarvan, met zijn omgeving. De beelden die de patiënt heeft van zichzelf en van zichzelf in relatie tot de omgeving worden beschouwd als irrealistisch, als abnormaal. Afhankelijk van het perspectief dat men kiest zal de behandeling vervolgens sterk kunnen verschillen.

Er is ook verschil van opvatting over de vraag of de psychiatrie wel kan worden beschouwd als een wetenschap. Kunnen we wel tot zekere kennis komen over hoe onze geest functioneert en hoe lichaam en geest zich onderling verhouden? En als we ervan uitgaan dat het een wetenschap is rijst de vraag of het een fundamentele dan wel een toegepaste wetenschap betreft. De keuze voor een toegepaste wetenschap lijkt eerder een benadering die de psychiatrie ontslaat van de verplichting tot het verkrijgen van fundamenteel inzicht in de onderliggende processen. Psychiatrische zorg zou dan moeten worden opgevat als een inspanning waarbij een psychiater in een complex van persoonlijke en omgevingsfactoren een naar zijn overtuiging goed pad kiest waarlangs heling kan plaatsvinden, althans een pad dat eraan kan bijdragen een aandoening draagbaar en leefbaar te maken. Zie een discussie hierover tussen Milders en Swinkels in Tijdschrift voor Psychiatrie in 2008.

Diezelfde verschillen van opvatting zijn aan de orde met betrekking tot het ontstaan van psychiatrische aandoeningen. Voor behandeling zou het helpen wanneer gedegen kennis aanwezig zou zijn over de oorzaken van aandoeningen. Er is echter een breed gedeeld besef dat die kennis vooralsnog ontbreekt. We zijn in staat condities te benoemen die het ontstaan van aandoeningen bevorderen. Er is ook veel onderzoek beschikbaar waarin relaties worden gelegd tussen aandoeningen en afzonderlijke factoren. Maat zelfs wanneer sprake is van betrouwbare relaties, betekent dat nog niet dat we zicht hebben op de onderliggende processen.


2. Het systeem van de psychiatrische zorg

Wanneer we spreken over het psychiatrisch zorgsysteem is de eerste vraag wat we onder een systeem verstaan. Daarvan hangt af of we kunnen spreken van een systeem. Algemeen gezegd zijn er dan twee kenmerken aan de orde. Het eerste kenmerk is dat er sprake is van interne samenhang tussen elementen. Daarmee hangt het tweede kenmerk samen, namelijk dat er een wereld is buiten het systeem. Die wereld omvat dan alles wat niet in het systeem past. Er is dus sprake van een onderscheid tussen systeem en buitenwereld. Binnen het systeem is er dan een betekenis gegeven werkelijkheid. Daarnaast is er een werkelijkheid buiten het systeem die al of niet is betekend. Voor zover die is betekend wijkt die af van het betekeniskader dat typerend is voor het systeem.

Professionele en bureaucratische organisaties

Kijken we met deze ogen dan lijkt het logisch de psychiatrische zorg te duiden in systeemtermen. Er is sprake van een geheel aan relaties in termen van verantwoordelijkheden, bevoegdheden, regels, normen en afspraken. Die vormen een min of meer samenhangend verband, een systeem dus. Er is sprake van gezamenlijkheid over wat onder psychiatrische zorg wordt verstaan en er zijn opvattingen over hoe die zorg moet worden verleend. Van belang is ook dat de psychiatrische zorg door de overheid als zelfstandig domein wordt erkend.

Het is verder een min of meer zelfstandig geheel met een beperkte toegang. Voor zorgverleners gelden toelatingscriteria zoals opleidingseisen. Wat onder goede psychiatrische zorg wordt verstaan vereist specifieke deskundigheid waar de buitenwereld niet over beschikt. Dergelijke organisaties worden wel geduid als professionele organisaties. Medewerkers claimen ruimte om hun werk naar eigen inzichten te kunnen uitvoeren. Deskundigheid is voorondersteld.

Naast professionele organisaties zijn er bureaucratische organisaties die hiërarchisch zijn geordend. Daarin is de ruimte voor handelen naar eigen inzicht beperkt. Regels schrijven voor wat er moet worden gedaan. Doelen staan vast en ook de wijze waarop die moeten worden gerealiseerd. De leiding van de organisatie wordt via verslaglegging geïnformeerd over de uitvoering van het werk en gemaakte vorderingen. Er kan worden ingegrepen wanneer de resultaten dat noodzakelijk maken.

Kijken we naar het psychiatrisch zorgsysteem dan vertoont dat zowel professionele als bureaucratische kenmerken. Je zou kunnen spreken van een professioneel systeem dat moet functioneren binnen een bureaucratisch vormgegeven omgeving. Medewerkers zijn mens georiënteerd maar tegelijk gebonden door tal van regels en voorschriften die moeten worden nageleefd. Dat veroorzaakt spanning die ook regelmatig tot uitdrukking komt.

We stelden in Deel I betekenisgeving centraal als perspectief bij de benadering van de psychiatrische zorg. In Deel II stelden we dat er in wezen sprake is van twee onderscheiden betekeniskaders, een rationeel betekeniskader dat kenmerken heeft van de moderniteit en een mensgericht betekeniskader. Aan de hand daarvan kan de genoemde spanning binnen het zorgsysteem worden benoemd. Rationeel creëren we een beeld van de werkelijkheid dat in staat stelt tot kennen en beheersen. We hebben moeite dat beeld los te laten. Doen zich problemen voor dan passen we structuren, organisaties en procedures aan om die problemen op te lossen. Oplosbaarheid is vooraf verondersteld. We zijn in staat het systeem perfect te organiseren zodat het vervolgens efficiënt goede zorg kan verlenen.

Zoals we zagen betekent een rationeel perspectief dat we werkelijkheid buitensluiten. Er is sprake van een verengd blikveld en dat is van invloed op het functioneren. Het nodigt uit symptomen als werkelijke problemen te zien en verhindert om de uitgangspunten en aannames ter discussie te stellen. Voor zover er sprake is van illusies zijn we geneigd die te koesteren en dus in stand te houden.

De dominantie van het betekeniskader van de moderniteit is binnen het psychiatrisch zorgsysteem gemakkelijk herkenbaar. De in detail uitgewerkte organisatiestructuur vormt daar uitdrukking van en vloeit er logisch uit voort. Er is sprake van een toewijzing van verantwoordelijkheden en bevoegdheden Er gelden richtlijnen en protocollen. Het DSM heeft de aandoeningen geordend met behulp van ver uitgewerkte definities. Er gelden regels omtrent verslaglegging enz. Dat alles kan gemakkelijk op het eerste gezicht het beeld oproepen van grote zorgvuldigheid. Over alles is nagedacht en de uitkomst ervan is in regels vastgelegd. Er wordt weinig aan de fantasie overgelaten. Het is een regel-geleid systeem.

Maar dat alles kan niet verbloemen dat juist dat streven naar perfectie en zorgvuldigheid zelf een probleem kan vormen. Aan dat verlangen naar perfectie ligt de overtuiging ten grondslag dat we de werkelijkheid naar onze hand kunnen zetten, dat perfectie ook bereikbaar is. En dat vormt nu juist het probleem. De kritiek op het betekeniskader van de moderniteit is nu juist dat ons verlangen ons in de weg kan zitten.

We modelleren de werkelijkheid tot een meetbare en beïnvloedbare werkelijkheid en juist dat streven naar rationalisatie is er oorzaak van dat we veel van wat van waarde en betekenis is buitensluiten. Wat irrationeel is kan niet worden betekend met op ratio gebaseerde begrippen. Maar, zo is er een groeiend besef, daarmee sluiten we ook buiten wat bij nadere beschouwing wezenlijk is. Wanneer ordenen op rationele basis uitgangspunt is, is er geen plaats voor het irrationele. Het wordt weggedrukt omdat ons streven naar rationalisatie en efficiency alles overheersend is. Die krachten zijn zo sterk dat ze als het ware zichzelf legitimeren. Het vanzelfsprekende heeft geen verdere legitimatie nodig.

Meetbaarheid en standaardisatie

Aan de orde is dat iedere ordening een uitdrukking vormt van de gekozen indelingscriteria. Binnen het moderniteitsdenken neemt meetbaarheid en standaardisatie een belangrijke plaats in. Maar meetbaarheid en standaardisatie veronderstellen dat de werkelijkheid waarneembaar en objectiveerbaar is. Met betrekking tot het functioneren van de menselijke geest klemt dat uitgangspunt. Betekenisgeving als zodanig is niet waarneembaar. De menselijke geest worstelt voortdurend zelf met de spanning tussen subjectiviteit en objectiviteit. Die spanning is bijgevolg ook aan de orde wanneer we tot een ordening willen komen. Dan betekent ordening met behulp van objectiveerbare criteria dat we juist het wezen van betekenisgeving geweld aan doen. We stellen dan de uitkomst van betekenisgeving centraal, niet de processen van betekenisgeving zelf. We maken het onszelf zo gemakkelijk maar de prijs daarvoor is dat subjectiviteit naar de buitenkant wordt gedrongen.

Voor een psychiatrisch zorgsysteem dat juist geestelijke aandoeningen als object heeft, houdt dat een onvermijdelijk risico in. We benaderen dan subjectief beleefde aandoening met behulp van objectieve begrippen. Dat biedt weliswaar een objectieve zekerheid maar het is een door onszelf geconstrueerde schijnzekerheid die we voor echt houden. In psychiatrische termen zou je van een aandoening kunnen spreken. We laten ons bedriegen door de schijn. De ordening en de begrippen, criteria en maatstaven maken weliswaar complexiteit overzichtelijk maar niet inzichtelijk. Daardoor sluiten we buiten wat als wezenlijk moet worden beschouwd. We doen geen recht aan de complexiteit doordat we ordening wensen te prefereren boven chaos. Daardoor stillen we ons verlangen naar orde en perfectie maar zijn we tegelijkertijd zelf de scheppers van imperfecties. Daar hebben we geen oog voor. Het verlangen maakt blind.

De werking van het psychiatrisch zorgsysteem

Over het functioneren van het psychiatrisch zorgsysteem bestaat in het algemeen weinig tevredenheid. Dat geldt intern binnen het systeem maar zeker ook extern. Intern zijn veel klachten terug te voeren tot de geschetste spanning tussen mensgerichte zorg en een bureaucratisch regime. Extern is er kritiek omdat de psychiatrische zorg onvoldoende helende werking heeft. Psychiatrische aandoeningen kunnen weliswaar door medicijngebruik leefbaar worden gemaakt, maar definitieve oplossingen blijken een stuk lastiger te zijn. Dat roept de vraag op of psychiatrische zorg wel voldoende resultaten boekt. Is psychiatrische zorg in staat om aandoeningen blijvend te helen? Of, nog erger, is er een risico dat psychiatrische zorg aandoeningen ook kan versterken? Kunnen antidepressiva, zeker bij een hoge dosis en bij langdurig gebruik, ook zelf oorzaak worden van aandoeningen?

De kennisbasis

Problemen met betrekking tot onvoldoende resultaten zijn zeker voor een belangrijk deel terug te voeren tot het ontbreken van gedegen kennis over het ontstaan en heling van psychiatrische aandoeningen. Er is een breed gedeeld besef dat we wat inzicht betreft in hoe de menselijke geest functioneert nog in een beginfase verkeren.

Dat gebrek aan kennis blijkt bijvoorbeeld uit onderzoek naar het effect van medicijnen. Of medicijnen werking hebben en welke werking ze hebben is vooraf niet goed in te schatten. De beschikbare kennis heeft geen zeker karakter die voorspellingen mogelijk maakt over het gebruik van een medicijn.

Dat leidt tot conclusies van onderzoeken waarin wordt aangegeven dat een bepaald medicijn goede effecten heeft bij 40% van de patiënten, enig effect heeft bij 20%, geen effect heeft bij 30 procent en een negatief effect heeft bij 10% van de patiënten. Tegelijkertijd vormt het voorschrijven van medicijnen een belangrijk onderdeel van behandelingen. Vaak is het de enige interventie en houdt behandeling niet meer in dan een patiënt instellen op een bepaalde dosering van een bepaalde combinatie van medicijnen. Slaat een behandeling niet aan dan rest er weinig anders dan doseringen en combinaties van medicijnen te veranderen in de hoop dat er dan wel sprake is van verbetering.

Gøtzsche (2021) toont zich buitengewoon kritisch over het gebruik van medicijnen. Het gebruik ervan zou beperkt moeten blijven tot acute situaties waarin sprake is van ernstige verwarring en medicijnen rust kunnen geven om zo behandeling mogelijk te maken. Hij en van Os (2014) wijzen ook op de krachtige invloed die producenten van medicijnen hebben binnen het zorgsysteem en die niet zozeer is gebaseerd op gunstige resultaten maar eerder op het behoud en versterking van de winstgevendheid. En hoe huisartsen de grootste voorschrijvers zijn van psychiatrische medicijnen en psychiaters tegelijkertijd de kennis missen om het gebruik van medicijnen af te bouwen.

Het lijkt erop dat er binnen het psychiatrisch zorgsysteem sprake is van onderliggende belangenstructuren die eerder zijn gericht op behoud van posities dan op verbetering van de psychiatrische zorg. Dat nodigt vervolgens uit tot het construeren van oorzaak-gevolg-relaties met als doel om het gebruik van medicijnen te bevorderen en afhankelijkheden te creëren zonder dat sprake is van een deugdelijke causale onderbouwing.

Zo op het eerste gezicht kan het DSM het beeld oproepen van een doorwrocht en gedetailleerd overzicht dat inzicht veronderstelt in psychiatrische aandoeningen. Bij nadere beschouwing blijkt echter dat de definities van aandoeningen zoals die in het DSM zijn opgenomen eerder het resultaat zijn van onderling gemaakte afspraken, zodat die onderlinge communicatie mogelijk maken dan dat ze zijn gebaseerd op kennis van en inzicht in deze aandoeningen.

Niettemin heeft het DSM binnen het psychiatrisch zorgsysteem een grote invloed. Van Os schetst hoe die invloed niet enkele beperkt is tot de diagnose maar de DSM-indeling bepaalt ook voor een belangrijk deel de behandeling en de daarvoor noodzakelijke financiering. Dat veronderstelt kennis maar in wezen is de verzameling van definities vooral bedoeld om de onderlinge communicatie binnen de beroepsgroep te bevorderen. Ze hebben vooral een ordenende functie. De definities veronderstellen een kennisbasis van psychiatrische aandoeningen maar zijn echter voornamelijk het resultaat van onderling gemaakte afspraken.

Tegelijkertijd stelt van Os dat de definities van het DSM weliswaar een stevige kennisbasis missen maar niettemin kunnen ze betekenis hebben voor de patiënt. De definities kunnen de patiënt het beeld geven dat er helderheid bestaat over de verwarring die zich van iemand heeft meester gemaakt. Dat kan vervolgens het beeld doen ontstaan dat er een gerichte behandeling mogelijk is. De definitie biedt dan perspectief zonder dat die verwachting gegrond is in gedegen kennis. Gøtzsche noemt als voorbeeld hoe ADHD wordt opgevat als een hersenziekte maar in wezen slechts een etiket is.

Ook wordt gesteld dat neurofysiologisch onderzoek vooralsnog weinig kennis heeft voortgebracht die toepasbaar is in behandelingstrajecten. Als voorbeeld kan de ECT (ElectroConvulsieTherapie) dienen. Of deze een positief effect heeft kan niet van tevoren wordt vastgesteld. En ook wanneer die een positieve werking heeft, kan niet helder en onderbouwd worden aangeven waar die werking op berust. De inmiddels verworven kennis heeft in hoge mate een veronderstellend karakter.

Overigens is er ook geen onomstreden kennis aanwezig met betrekking tot psychotherapeutische benaderingen. Er is sprake van een breed en weinig samenhangend complex van visies en daarop gebaseerde praktijken. Soms zijn die gebaseerd op verdiepende beschouwingen en daarop gebaseerde benaderingen (Freud, Jung, Lacan) dan weer op persoonlijk gekleurde overtuigingen van de behandelaar zelf.

Verkokering

Een weeffout is dat deze gebrekkige kennisbasis vervolgens uitgangspunt is geworden voor de wijze waarop het systeem van de psychiatrische zorg is geordend. Van Os ( 2014) wijst op de verkokering die is ontstaan doordat sprake is geweest van steeds verdere specialisatie. Terwijl psychiaters zo’n dertig jaar geleden nog vrijwel het hele veld van aandoeningen konden bedienen is er nu sprake van specialisatie rond aandoeningen. Het kennissysteem is nu eerder een optelsom van afzonderlijke kennisdomeinen rond aandoeningen.

De huidige ordening mag dan wel voor deskundigen binnen de psychiatrische zorg overzicht en orde scheppen, maar voor de patiënt is het omgekeerde het geval. Hij betreedt een systeem dat claimt goede zorg te verlenen maar verdwaalt al gauw in een huis waarin de richtingwijzers voor hem onbegrijpelijk zijn. Het kan worden opgevat als een demonstratie van hoe systemen primair een interne gerichtheid ontwikkelen, ook wanneer in hun missie een externe c.q. een zorgende instelling centraal staat.

Objectivering verdringt subjectiviteit

In wezen vormt de behoefte aan objectivering de basis voor hoe het systeem thans is opgebouwd. We willen overzicht en zekerheid. Die zijn beide lastig te bereiken binnen de psychiatrische zorg. Aandoeningen zijn complex en laten zich moeilijk objectiveren en bovendien ontbreekt het ons nog aan gegronde kennis. Objectivering is daarvoor niet de oplossing maar kan ons integendeel makkelijk doen afdrijven van het oorspronkelijk doel, namelijk heling van aandoeningen. Maar objectivering stelt ons wel in staat tot ordening, zowel met betrekking tot aandoeningen als met betrekking tot het systeem van de zorg.

Er ontstaat zo een beeld van psychiatrische zorg dat weliswaar orde schept maar het is een orde die de noodzakelijke individueel gerichte zorg juist kan belemmeren. Dat is weliswaar allerminst zo bedoeld maar kan wel die uitwerking hebben. Wat een patiënt beleeft wordt vanuit een betekeniskader tegemoet getreden dat juist belemmerend werkt om tot de patiënt door te dringen. Zo wijzen Hutschemaekers en Tiemens (2006) op het gecategoriseerd karakter van de geestelijke gezondheidszorg. Dat zou dan in het bijzonder gelden voor de tweedelijnszorg.

De aandoening wordt binnen gecategoriseerd systeem van aandoeningen betekend. De geobjectiveerde definities van aandoeningen zoals ze in het DSM staan, dienen als betekenaar voor subjectief beleefde aandoeningen. Wat niet kan worden betekend met behulp van deze definities blijft betekenisloos.

Dat kan worden geduid als een fundamenteel gebrek, maar heeft als voordeel dat de behoefte aan overzicht en objectivering wordt ingevuld. Het verlangen vanuit het systeem naar ordening en overzicht wordt bevestigd, zij het slechts symbolisch, doordat er een zorgsysteem is ontworpen dat alles wat niet kan worden betekend met behulp van een intern consistente set van betekenaars terzijde wordt geschoven, ongeacht hoe wezenlijk het is voor heling van door patiënten beleefde aandoeningen.

De ordening en de daaraan ten grondslag liggende uitgangspunten mogen weliswaar irrealistisch zijn maar zolang ze worden aanvaard hoeft dat geen probleem te zijn. Het systeem legitimeert zichzelf, inclusief de daarin opgeslagen gebreken. We kunnen daardoor onmogelijk onze verlangens als vervuld beschouwen, althans die overtuiging overeind houden doordat het systeem formeel dominant is. Het subjectieve moet wijken voor wat we objectief hebben vastgelegd. We komen zo in een schijnwereld terecht die we voor echt houden. De waan krijgt geldigheid omdat we dat zo hebben afgesproken.

Dat systeem kan niettemin overeind blijven omdat het institutioneel is verankerd. Bevoegdheden, procedures en relaties liggen vast. Consequentie is dat velen er belang bij hebben gevestigde structuren in stand te houden. Ze ontlenen er positie, aanzien en inkomen aan. De begrippen en praktijken zijn vanzelfsprekend. Toegang tot het zorgsysteem betekent onderworpenheid aan het formele betekeniskader. Als gevolg daarvan kan het psychiatrisch zorgsysteem worden opgevat als totalitair. Het is objectief en dus subject-verdringend. De patiënt heeft er geen vat op maar is er wel aan onderworpen. Het formele en institutioneel verankerde betekeniskader is dominant.

De positie van de patiënt

Er is intussen een ruime verzameling literatuur beschikbaar over hoe patiënten en hun omgeving de zorg zelf beleven. Daarin staat centraal hoe het zorgsysteem door patiënten vaak wordt beleefd als afstandelijk. Er is weinig aandacht voor de persoon. De patiënt wordt vanuit het systeem tegemoet getreden als object, als drager van een aandoening. Zo beschrijft Alblas (2021) haar leven als moeder van een gehandicapt kind. Het is een verzameling van onderling heel uiteenlopende ervaringen die elkaar onvoorspelbaar opvolgen. Meeleven en ondersteuning worden afgewisseld met afstandelijkheid en een houding van geclaimde deskundigheid, ook wanneer die claims niet worden bevestigd.

Roex (2019) beschrijft, gebaseerd op eigen ervaringen, hoe we in onze maatschappij zozeer de nadruk leggen op ordenen dat we geen begrippen hebben voor verwardheid. We ordenen verwardheid en dringen bijgevolg niet door tot het wezen ervan. Aan de hand van persoonlijk gekleurde portretten van verwarde personen illustreert van der Heide (2020) hoe we door de eeuwen heen zijn omgegaan met verwarde personen en hoe groot ons onvermogen is om verwarring vanuit onze instituties anders te betekenen dan als afwijkend, als niet passend in onze ordeningen.

Jeha (1980) beschrijft op basis van zijn ervaringen zijn gang door het psychiatrisch zorgsysteem waarbij hij begon als patiënt maar gaandeweg een ombudsfunctie binnen een instelling ging vervullen. Positief is dat ervaringsdeskundigen een steeds belangrijker positie krijgen binnen het zorgsysteem. Daaruit spreekt erkenning en het serieus nemen van de spanning tussen beleving door de patiënt en de objectieve structuren van het zorgsysteem.

Ook binnen de psychiatrie zelf leeft dus het besef dat de positie van de patiënt moet worden verstevigd. De beweging van de Antipsychiatrie die in de zestiger jaren van de vorige eeuw ontstond, was erop gericht de persoon van de patiënt een centralere positie te geven. Ook de regionale netwerkbenadering die van Os voorstaat en die o.a. als doel heeft de persoonlijk gerichte behoeften van de patiënt steviger te verbinden met het aanbod van psychiatrische zorg kan als voorbeeld dienen.

In wezen is aan de orde verbindingen te maken tussen het formele betekeniskader van het zorgsysteem en de leefwereld van de patiënt en zijn omgeving. Een op objectivering gericht systeem kan dan gemakkelijk botsen met de subjectieve beleving door de patiënt en zijn omgeving. Die spanning tussen object en subject zou centraal moeten staan bij pogingen om tot verbetering te komen. Daarbij gaat het niet om een keuze voor de ene of de andere invalshoek. Eerder is het zo dat de psychiatrische zorg moet worden benaderd vanuit het tussengebied tussen objectiviteit en subjectiviteit. Het is juist die spanning die ten diepste het fundament moet zijn voor een nieuw zorgsysteem. Dat betekent het vermijden dat subjectiviteit wordt “weg geobjectiveerd” maar ook dat objectivering niet te vermijden is. Het vraagt om een systeem waarin de patiënt centraal staat en dat betekent een grote ruimte voor zowel een persoonsgerichte diagnostisering als behandeling. Een voorbeeld van zo’n benadering schetst van Os (2014) met betrekking tot de diagnose. Daarin zouden vier vragen centraal moeten staan:

- Wat is er met je gebeurd?

- Wat is je kwetsbaarheid en weerbaarheid?

- Waar wil je naar toe?

- Wat heb je nodig?

Het is een benadering waarin het zorgsysteem een faciliterende positie inneemt. Dat heeft ingrijpende gevolgen voor de wijze waarop de psychiatrische zorg thans functioneert. Het betekent een omkering van afhankelijkheden.

Pogingen tot verbetering

Ook binnen het psychiatrisch zorgsysteem is er een breed gedeeld ongenoegen over hoe het systeem functioneert. Er is behoefte aan verandering en verbetering. Er is een voortdurende discussie over voorstellen wat heeft geleid tot veranderingen van verschillende aard. Denk bijvoorbeeld aan de Diagnosebehandelcombinaties (DBC’s) die tot doel hebben bij te dragen aan integratie tussen diagnose en behandeling. Of aan het instrument van Routine Outcome Monitoring (ROM) dat via meetinstrumenten de praktijk van de zorg inzichtelijker wil maken. Of neem pogingen om de afstemming tussen eerste- en tweedelijnszorg te verbeteren.

Veel pogingen tot verbetering hebben betrekking op veranderingen binnen het formele geobjectiveerde systeem. Zonder iets af te willen doen aan de wenselijkheid en noodzaak daarvan moet tegelijkertijd worden vastgesteld dat dergelijke ingrepen weliswaar het functioneren kunnen verbeteren maar niet noodzakelijkerwijs bijdrage aan het overbruggen of verminderen van de geschetste spanning tussen objectiviteit en subjectiviteit. Sterker nog, ze kunnen ook in hun tegendeel verkeren doordat ze tijdrovende administratieve verplichtingen met zich mee brengen die juist ten koste gaan van de tijd die aan daadwerkelijke zorg kan worden besteed. Ze dragen eerder bij aan verdere formalisering en objectivering dan dat ze ruimte scheppen voor persoonlijk gerichte zorg.


3. De relatie tussen psychiatrisch zorgsysteem en de maatschappij

Op de derde plaats is de relatie tussen het zorgsysteem van de psychiatrie en de maatschappij aan de orde. Daarvoor is nodig de psychiatrie in een breder kader te plaatsen. Het gaat dan de positie van de psychiatrie in groter maatschappelijk verband. De relaties tussen psychiatrische zorg en de maatschappij zijn meervoudig. Zo worden maatschappelijke ontwikkelingen gezien als oorzaak van psychiatrische aandoeningen. Denk aan burn-outs die hun oorzaak kunnen vinden in het overvraagd worden van medewerkers in een cultuur van prestatiegerichtheid en afrekenbaarheid. Of aan depressieve gevoelens die hun bron vinden in ontslag en baanverlies.

Er kan ook sprake zijn van een relatie doordat het psychiatrisch zorgsysteem vanuit de maatschappij onder druk wordt gezet om patiënten weer zo spoedig mogelijk in staat te stellen hun werk weer op zich te nemen. De psychiatrie wordt dan vanuit de maatschappij gezien als een correctiemiddel om problemen op te lossen die hun oorzaak vinden in hoe de maatschappij functioneert en in het bijzonder in de eisen die de maatschappij stelt. De psychiatrie krijgt dan ongewild een disciplinerende functie. Die functie is dan erop gericht de patiënt weer in staat te stellen zijn positie en rol in maatschappelijke systemen in te nemen. Dan wordt de patiënt c.q. zijn aandoening gezien als probleem zonder dat het functioneren van onze formele systemen als oorzaak wordt beschouwd. Niet de maatschappij is ziek maar de patiënt, zo is dan het vertrekpunt.

De mens wordt dan betekend in zijn functie binnen een maatschappelijk verband en niet als uniek wezen. Psychiatrische aandoeningen worden dan betekend vanuit de formeel geldende en op rationaliteit gebaseerde systemen. Aandoeningen worden dan opgevat als afwijkend denken en handelen ten opzichte van gevestigde en dus als normaal beschouwde patronen. Dat stelt de vraag naar wat als het wezen van de afwijking wordt beschouwd. Wat is de maatstaf aan de hand waarvan gedrag als abnormaal wordt geduid? En nog een stap dieper, waar is die normaliteit op gebaseerd? Hoe normaal is normaal?

In Deel II kwam reeds aan de orde dat onze opvatting van normaal kan worden gezien als een constructie die gebaseerd is op het denken in de moderniteit. Daarin spelen begrippen als maakbaarheid, beïnvloedbaarheid en beredeneerbaarheid een belangrijke rol. Perfectie is bereikbaar. Geluk is maakbaar. Dat wijkt nogal af van een opvatting dat leven plaatsvindt in de ruimte tussen wat is en wat we wensen. Leven als een permanent streven en pogen om een perfecte eindsituatie te bereiken die naar onze overtuiging ook bereikbaar is. Dat is een krachtige bron van teleurstelling.

De werkelijkheid bevestigt steeds weer dat perfectie niet bereikbaar is. De perfectie wijkt steeds terug wanneer we denken dat die zich binnen ons bereik bevindt. Leven als een permanent onderweg zijn in het besef dat de perfecte horizon zich altijd aan de einder bevindt. Het kunnen accepteren van leven met imperfecties wordt dan een noodzakelijke bestaansvoorwaarde en een kwaliteit die niet past in het denkpatroon van de moderniteit. Psychiatrische aandoeningen kunnen tegen die achtergrond dan, althans deels, heel anders worden betekend dan als abnormaal.

Dat kan vervolgens leiden tot een heel betekening en een andere positionering van de psychiatrie als zorgsysteem. De mens is dan niet langer de allesbepaler van de werkelijkheid maar in plaats daarvan is er een positionering in een context van afhankelijkheden. Zoekend en nooit vindend. Het leven als een gave en tegelijkertijd een opgave. Dat betekent geen keuze voor gelatenheid maar actief op zoek gaan naar een betekenisvol leven. Dat houdt vervolgens in dat we ruimte bieden voor de uniciteit van de mens en dus de dwingende krachten van uniformering en standaardisatie bruuskeren.

Zie in dat verband de benadering van de differentiefilosofie zoals die in het bijzonder in Frankrijk is ontstaan. De ruimte voor differentiatie scheppen omdat juist de verschillen een krachtige bron van inspiratie kunnen zijn. Die gedachte treffen we expliciet aan bij Deleuze. Door het standaardiseren en vervolgens standaards te institutionaliseren gaan we oppervlakkig om met verschillen. We komen er dan niet aan toe ze op hun wezen en betekenis te onderzoeken maar ervaren ze enkel als lastig, als afwijkend, als verstorend. We creëren een wereldbeeld op basis van ordelijkheid en sluiten het chaotische buiten omdat verstoringen ons streven naar een perfecte ordening onderuit halen. Maar door verstoringen buiten te sluiten kunnen we er niet het bestaansrecht aan ontnemen. Zie Serres die stelt dat wat buiten de ordeningen valt daarmee niet zijn werking verliest. Het buitengeslotene roert zich en laat zich niet ontkennen. We sluiten het enkel buiten omdat het ons beeld van perfectie bevuilt en vertroebelt. Maar juist die vertroebelingen kunnen betekenisvol zijn en ons inzicht vergroten en verdiepen. Anders gezegd, vanuit een ordeningsperspectief is het buitensluiten functioneel en nodig zodat en opdat we de illusie overeind kunnen houden dat de door ons geconstrueerde ordening een treffende en alles omvattende afbeelding van de werkelijkheid. Door buitensluiten creëren we chaos. Chaos als bestaansvoorwaarde voor onze ordeningen.

Vanuit dat perspectief kan de psychiatrie een heel andere en nieuwe functie vervullen in maatschappelijk verband. De psychiatrie als een kritische wetenschap die politiek en beleid steeds weer confronteert met imperfecties, met onvermogen. Een wetenschap die aandacht vraagt voor de prijs die we maatschappelijk betalen voor het overeind houden van illusies. Dat vraagt overtuiging en lef. De moed om afhankelijkheden, bijvoorbeeld van overheidsbudgetten, te overstijgen en de gebreken van deze systemen op het menselijk vlak te benoemen. Een fundamenteel doordenken van wat we als logisch en rationeel beschouwen. En in zekere zin het afwijkende, het buitengeslotene, het abnormale tot normaal promoveren. Om bij te dragen tot die verdiepingsslag is de eerste voorwaarde dat de psychiatrie bereid en in staat is een kritische houding aan te nemen ten opzichte van het eigen domeinen het daarbij horend vakgebied.

Van die kritische houding is thans nauwelijks sprake. Integendeel, de psychiatrische zorg toont zich ontvankelijk voor problemen als gevolg van jachtigheid, ver opgevoerde eisen en het ontbreken van houvast voor velen. Leidt dit tot klachten van psychiatrische aard , dan worden die met graagte van een psychiatrisch stempel voorzien om vervolgens, na erkenning van de klacht en het daarbij horend gedragspatroon, basis te vormen voor nieuwe verdienmodellen.

Zie bijvoorbeeld de kritiek van van Os op ADHD als aandoening. We identificeren een aantal gedragskenmerken in bepaalde situaties, bestempelen die als een min of meer zelfstandig bestaande aandoening, ontwikkelen een zorgpraktijk die bedoeld is te helen, krijgen die geaccepteerd en bevestigd door de financiers van de psychiatrische zorg zoals overheid en verzekeringsinstellingen en hebben zo een nieuw verdienmodel ontworpen.

Eenzelfde gedachte treffen we aan bij Gøtzsche. Daarmee bevestigt het psychiatrisch zorgsysteem eerder maatschappelijke structuren en praktijken in plaats van die kritisch te bevragen vanuit eigen ervaringen met patiënten. Voor zover er vanuit het zorgsysteem sprake is van klachten, hebben die eerder betrekking op gebrek aan financiële middelen dan dat er sprake is van kritiek op de basis van onze maatschappelijke systemen. Door die houding bevestigt men irrealistische verwachtingen vanuit de maatschappij, in plaats van die tot onderwerp van kritische beschouwing te maken. Je zou kunnen stellen dat politiek en beleid verzaken waar het het beschikbaar stellen van financiële middelen betreft, maar dat de psychiatrie verzaakt door kennis over oorzaken van psychiatrische aandoeningen niet of onvoldoende indringend op tafel te leggen.


Conclusie

We hebben in dit Deel IV de spanning tussen subjectiviteit en objectiviteit centraal gesteld en dit geduid als een kernvraagstuk binnen het functioneren van het psychiatrisch zorgsysteem. Ook hebben we aangegeven wat de onderliggende verlangens en daaruit voortkomende krachten zijn die het systeem overeind houden, hoe gebrekkig het ook is.

Voor verandering is een eerste voorwaarde dat de bereidheid aanwezig is kritisch gevestigde verhoudingen, instituties en praktijken kritisch te beschouwen. Dat vraagt eigen uitgangspunten en vanzelfsprekendheden te bevragen. Een tweede punt is dat processen van systeemverandering een eigen dynamiek hebben die nogal afwijkt van veranderingen BINNEN een systeem. In het Deel over veranderingsprocessen komt dit aan de orde.


Literatuur

Alblas, Carin, Spreken zonder woorden, Kris, de mens achter haar handicap, Uitgeverij Leon van Dorp, Heerlen, 2021

Delleman, Otto, Naar een integrale psychiatrie De psychiater als specialist van gemankeerde zingeving en de patiënt als vormgever van het herstelproces, dissertatie Universiteit voor Humanistiek, 2008

Gøtzsche, Peter, C., Overlevingspakket voor de Psychiatrie, en het afbouwen van psychiatrische medicijnen, Walburgpers, Zutphen, 2021
Van der Heiden, Henke, Elke tijd heeft zijn gekte; Portretten van geestelijke verwarring door de eeuwen heen, 1500 – 2020, Walburg Pers, Zutphen, 2020

Hutschemaekers, G.J.M., Tiemens, B.G., Het einde van een sectorale ggz.
Ontwikkelingen, trends en controverses in Nederland.
Tijdschrift voor Psychiatrie, 48, 27-38, 2006

Jeha, Frans, Getekend door ’t leven, Eigen uitgave, 1980

Meynen, G. en Ralson A., Overzichtsartikel Zeven visies op een psychiatrische stoornis, Tijdschrift voor Psychiatrie, Jaargang 53, 2011, nr. 12, p.895 - 903

Van Os, Jim, De DSM-5 voorbij!, Persoonlijke diagnostiek in een nieuwe GGZ, Diagnosis Uitgevers, 2014

Van Os, J, Berkelaar, J, Hafkenscheid, A, e.a., Benchmarken: doodlopende weg onder het mom van “ROM”, in: Tijdschrift voor Psychiatrie, Jaargang 59, april 2017

Roex, Karlijn, In verwarde staat. Kritiek op een politiek van normaliteit. Amsterdam, Lontano, 2019

Van Tilburg, W, Het hart van de psychiatrie. Afscheidscollege, Vrije Universiteit, Amsterdam, 2007




****************

Het psychiatrisch zorgsysteem. Deel III: Het betekeniskader van het psychiatrisch zorgsysteem


Civis Mundi Digitaal #112

door Mathieu Wagemans    www.ontganiseren.nl


Inleiding

Deel II ging over processen van betekenisverlening en relaties met de psychiatrie. In dit Deel gaan we in op de inhoud van het betekeniskader. Een betekeniskader vatten we daarbij op als het perspectief dat aan het denken en handelen ten grondslag ligt. Het gaat minder om een uitwerking op individueel niveau maar om het betekeniskader binnen een collectiviteit, binnen een systeem. De opzet van dit Deel is gelijk aan de beide eerdere Delen: eerst een theoretische verdieping waarna we ingaan op het psychiatrisch zorgsysteem. Eerst de elementen van het betekeniskader van de moderniteit en vervolgens per element de relatie leggen met het psychiatrisch zorgsysteem. Wat zijn die elementen? Welke aannames en uitgangspunten zijn liggen eraan ten grondslag? Wat wordt er buitengesloten en welke invloed heeft dit op het functioneren van het zorgsysteem?

Het betekeniskader van de moderniteit

Zoals we eerder stelden, houdt betekenisgeving een reductie in. We geven de wereld op een bepaalde wijze betekenis terwijl die wereld ook op tal van andere en onderling zeer verschillende manieren betekenis kan worden gegeven. Dat houdt dus in dat ook het betekeniskader van de moderniteit reducerende werking heeft. Daarover bestaat inmiddels een rijke en gevarieerde lectuur, zowel met maatschappelijke als filosofische strekking. Maatschappelijk wordt bijvoorbeeld de relatie gelegd met vragen op het vlak van duurzaamheid. Kunnen we wel doorgaan met processen die uitgaan van groei zonder oog te hebben voor gevolgen daarvan op het vlak van natuur en milieu?

Een centrale notie binnen het betekeniskader van de moderniteit is dat de werkelijkheid kenbaar en kneedbaar is. De mens hoefde na de Verlichting de werkelijkheid niet langer als gegeven te veronderstellen maar stelde zichzelf centraal. De mens was in staat door onderzoek tot de werkelijkheid door te dringen. Die kennis maakte het mogelijk de werkelijkheid te manipuleren. Dat was het startpunt voor ontwikkeling van nieuwe technologie die inderdaad de wereld ingrijpend veranderde en nog steeds verandert. Zo sterk zelfs dat de technologie de regie heeft overgenomen. Technologie stelde voorwaarden. Om technologie te kunnen toepassen moest de wereld worden aangepast aan de eisen die nieuwe technologie stelde. Technologie was in staat de werkelijkheid te veranderen maar vroeg daarvoor een prijs.

Filosofisch gaat het om de aannames en uitgangspunten van de moderniteit die de grondslag vormen voor een cultuurkritiek. Zo benoemt van der Wal drie fundamentele kritiekpunten rond het betekeniskader van de moderniteit (Van der Wal, 1996). Dat is, verwijzend naar Dijksterhuis, allereerst de mechanisering van het wereldbeeld. We zien de wereld als intervenieerbaar en hebben geen besef meer van de diepere dimensie van de werkelijkheid. We reduceren de natuur tot functies en processen en daarmee zetten we een houding van respect en afhankelijkheid overboord.

De analogie met de mens ligt voor de hand. Zie in de psychiatrie de neurobiologische benadering die de kern van het menszijn reduceert tot in biologisch opzicht causale relaties. Pico della Mirandola noemde reeds aan het eind van de vijftiende eeuw (het vermogen tot) betekenisgeving het wezen van de menselijke waardigheid. Betekenisgeving terugbrengen tot het spel van neuronen werkt reducerend en doet geen recht aan die waardigheid.

Op de tweede plaats noemt van der Wal het ontbreken van een maatbesef. De overtuiging dat de race naar steeds meer, steeds groter en steeds sneller een eindpunt kent, is niet meer aanwezig. En daarmee hebben we het ethisch besef betekenisloos gemaakt. Anders gezegd, de ratio heeft de functie van het ethisch besef buitengesloten. Op de derde plaats noemt van der Wal het antropocentrisme. Dat houdt in dat de mens zichzelf centraal stelt en geen gevoel meer heeft van afhankelijkheid ten opzichte van de werkelijkheid waarin hij leeft. Die werkelijkheid is dienstbaar aan de mens, zo is de overtuiging. De werkelijkheid wordt instrumenteel benaderd.

Je zou er nog een vierde punt aan toe kunnen voegen dat ook kan worden opgevat als een consequentie van de door van der Wal genoemde kenmerken. Dat is dan de neiging tot ordening van de werkelijkheid. We plooien de wereld zodanig dat die ons in staat stelt tot beïnvloeding. We vormen ons een manipuleerbaar beeld van de wereld. We ordenen de wereld opdat en zodat die ondergeschikt wordt gemaakt aan onze verlangens. Maar door die ordening sluiten we alles buiten wat niet in onze ordeningen past. Wat verstorend werkt wordt daardoor betekenisloos. We ontnemen aan de werkelijkheid de mogelijkheid van verstoring. En dat is op zijn beurt een prima conditie voor zelfbevestiging. Onze ordeningen en systemen missen daardoor het vermogen tot zelfcorrectie. Vragen rond ordening nemen we in het vervolg als invalshoek.

Ordening binnen het psychiatrisch zorgsysteem

De behoefte aan ordening is binnen het psychiatrisch zorgsysteem goed herkenbaar. Er is sprake van ver doorgevoerde ordeningen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de aandoeningen zelf. In het DSM staan die gedetailleerd beschreven in categorieën en subcategorieën. Er is verder sprake van een verfijnde toedeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Protocollen en richtlijnen reguleren de praktijk van de psychiatrische zorg. Die ordeningsbehoefte is verklaarbaar. De psychiatrie kan worden gerekend tot de meest complexe wetenschapsgebieden. Het betreft de relaties tussen lichaam en geest. Die relaties hebben door de eeuwen heen veel belangstelling gekregen maar we hebben er nog steeds weinig kennis van. Ze zijn ingewikkeld en tegelijkertijd zijn ze wezenlijk omdat ze de mens zelf betreffen.

In de loop van de geschiedenis zijn er onoverzienbaar veel pogingen gedaan om tot inzicht te komen. We kunnen die pogingen duiden als ordenend. Er werden voorstellingen geconstrueerd over de relatie tussen lichaam en geest. Een belangrijke notie daarbij was en is het onderscheid tussen de stoffelijkheid van het lichaam en de onstoffelijkheid van de geest. Maar het onderscheid biedt geen inzicht in de interacties tussen beide. Iedere voorstelling kan worden beschouwd als veronderstellend. De voorstelling heeft tot doel het ordenen van een vraagstuk waar we niet goed toe kunnen doordringen. Met als risico dat een ordening ons op het verkeerde spoor kan zetten.

De behoefte aan ordening van het wanordelijke kan zo sterk zijn dat we een ordening aanvaarden, enkel omdat die ons van wanorde verlost. Naarmate we meer betekenis toekennen aan een geconstrueerde ordening verliest de wanorde aan betekenis. We geven de wanorde geen betekenis en doordat die betekenisloos blijft kunnen we ons geloof in onze ordeningen overeind houden. In wezen construeren we een schijnvoorstelling die we voor echt houden. Het geloof overbrugt de spanning tussen schijn en werkelijkheid. Het geloof in een illusie biedt ons overzichtelijkheid en verheft de veronderstelling tot zekerheid.

We kunnen de ver doorgevoerde ordeningen binnen het psychiatrisch systeem opvatten als even zovele pogingen een domein te organiseren dat voor ons voor een belangrijk deel nog onbekend is. Kunnen we via het lichaam tot de geest doordringen of via de geest tot het lichaam? Of is er tussen lichaam en geest een tussengebied dat een eigen identiteit heeft die we niet kunnen begrijpen door een van beide invalshoeken? In dat geval zouden zowel neurobiologische als psychotherapeutische benaderingen tekort schieten. Dan zou ons niets anders resten dan de conclusie dat onze geldende begrippen ons niet helpen bij het verkennen van dat tussengebied en dat we tot nieuwe concepten moeten komen omdat bestaande concepten het eigene van het tussengebied niet kunnen betekenen.

In ieder geval geeft het bovenstaande aan, dat de institutionele dichtheid van het psychiatrisch zorgsysteem niet als een signaal moet worden opgevat dat we gedegen kennis hebben van het zorgsysteem en dat die kennis de basis vormt voor de ordeningen. Het is wellicht dichter bij de waarheid om te stellen dat de gedetailleerdheid en verfijndheid van het zorgsysteem voortkomt uit ons verlangen naar ordening. We verkiezen de ordening boven acceptatie van de wanorde. Die ordening biedt ons helderheid en zekerheid, ook al betreft het geconstrueerde helderheid en zekerheid. Dat is nog altijd beter dan chaos en onzekerheid te accepteren.

Wat sluiten we buiten door de ordening?

Kenmerkend voor ons ordenend denken en handelen is dat die rationeel en logisch zijn. Maar dat roept de vraag op naar het irrationele en het onlogische. We leggen een rationeel en logisch raster over het psychiatrisch onderzoek, over de diagnose en over de behandeling. Dat zou moeten manen tot voorzichtigheid en terughoudendheid. We geven dan het irrationele en het onlogische dan betekenis met rationele begrippen en vanuit onze opvattingen en overtuigingen omtrent logica. We benaderen wat afwijkt van het normale met begrippen die we als normaal beschouwen. Onze systemen en de daarbinnen geldende begrippen, regels, praktijken en routines zijn bepalend.

Een vervolgstap is dat we op basis daarvan het afwijkende psychopathologisch betekenis geven. Het afwijkende wordt beschouwd als een aandoening en de maatstaf voor genezing wordt gelijkgesteld met de mate waarin iemand weer zijn plaats binnen onze systemen kan innemen en dus weer “normaal” kan functioneren.

Het wezen en de definitie van een aandoening.

We ordenen verder aandoeningen zodanig dat een allesomvattend en intern logische classificatie ontstaat. Dat lijkt logisch maar is het niet. Een aandoening is niet-rationeel en onlogisch. Per definitie. Een aandoening laat zich echter niet definiëren. Zelfs de patiënt zal de woorden missen zijn ervaringen te uiten. Onze begrippen schieten tekort, zowel naar omvang als naar diepgang. Niettemin hebben we behoefte aan ordening. We zoeken naar helderheid, maar de vraag is of we die kunnen bereiken. Wat gebeurt is dat we vanuit het betekeniskader van het psychiatrisch zorgsysteem de mens betekenis geven. De mens geeft betekenis en krijgt ook zelf betekenis vanuit zijn omgeving en vanuit het zorgsysteem. Door de mens te betekenis te geven, veronderstellen we dat de mens samenvalt met de afbeelding die we van de mens maken. We etiketteren de mens als het ware met behulp van begrippen die voor ons betekenis hebben. We geven de mens niet vanuit zichzelf betekenis maar vanuit onszelf. De mens als object van betekenisgeving.

Dat komt nergens zo indringend naar voren als in het DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders). Dat Handboek mag weliswaar in onze ogen een logische ordening van aandoeningen omvatten, maar de definities zijn niet primair gebaseerd op inzicht in aandoeningen. Het DSM is eerder een set van afspraken over benoeming van aandoeningen opdat daarmee de onderlinge communicatie binnen de psychiatrie wordt vergemakkelijkt. De definities zijn op zichzelf geen drager van kennis. Niettemin spelen die definities binnen het zorgsysteem een belangrijke rol. Bij de diagnose wordt de mens niet alleen gereduceerd tot een drager van een aandoening, maar wordt de aandoening betekenis gegeven met behulp van overeengekomen definities. Ze hebben vooral een ordenende betekenis. De definities zijn bedoeld om bij te dragen aan helderheid maar juist dat zoeken naar helderheid is een probleem. Ons streven naar helderheid kan ons juist op een verkeerd spoor brengen. De helderheid die we zoeken en denken te vinden kan ons misleiden.

Helder maken

Een interessante gedachte treffen we aan bij de Franse filosoof François Jullien. Hij maakt gebruik van het begrip ‘decanteren’. De wijn is troebel maar door, eventueel herhaald, decanteren wordt die helder. Welnu, zo stelt Jullien, die helderheid is niet iets nieuws dat we ontdekken door decanteren maar was er al eerder en werd alleen aan ons oog onttrokken door vertroebelingen. De helderheid die we zoeken is dus geen nieuw element dat we ontdekken, maar die helderheid, althans de potentie van helderheid, was er al. Een associatie ligt voor de hand met de eerder gepresenteerde benadering van de buitensluitende werking van ordening. Wat wordt buitengesloten blijft binnen ons betekeniskader betekenisloos, maar dat wil niet zeggen dat het niet bestaat en dat het bijgevolg geen werking kan hebben. Het kan niet worden “weg” betekend. We kunnen het bestaan ervan niet verbieden en laten verdwijnen.

Instituties

Bij instituties als begrip denken we doorgaans aan organisaties. Maar er zijn ook bredere opvattingen. Dan wordt onder instituties verstaan alles wat ordenend werkt. Het gaat dan niet enkel om organisaties maar ook om elementen van een systeem zoals procedures en regels. Nog een stap verder is dat ook niet-harde elementen als institutie worden beschouwd. Denk aan begrippen, definities, normen, vanzelfsprekendheden, uitgangspunten. Onderstaand vatten we instituties in brede zin op. De definities van het DSM hebben ordenende werking en kunnen dus als instituties worden beschouwd.

Belief systems

De relatie met een betekeniskader kunnen we dan zo zien dat instituties uitdrukking zijn van een onderliggend betekeniskader. Ze zijn er de drager van. Een organisatie drukt de behoefte uit aan ordening. Definities vormen de uitdrukking van de behoefte aan zekerheid, aan houvast. Vanzelfsprekendheden drukken onderliggende overtuigingen uit. Een begrip dat annex is aan een betekeniskader is het begrip “belief system”. North beschrijft een belief system als een complex van aannames en vanzelfsprekendheden die niet ter discussie staan en die geen onderbouwing vragen (North, 2005).

In termen van het constructivisme zou je kunnen stellen dat belief systems met zoveel betekenis zijn beladen dat ze de status van waarheid krijgen. Er is geen aanleiding of noodzaak meer ze te bevragen. Ze spreken vanzelf. Ze legitimeren zichzelf. Zo opgevat is een betekeniskader of belief system eveneens een institutie die processen van betekenisgeving regisseert.

Een betekeniskader kan dan worden opgevat als de diepteprogrammatuur van een organisatie of systeem of gemeenschap. Een betekeniskader is kenmerkend voor de cultuur van een gemeenschap. In de organisatiewereld heeft het instrumentele betekenis gekregen. Als werknemers erin geloven dat de doelen moeten worden bereikt, omdat dit in hun eigen belang is, heeft het management een krachtig instrument in handen. De inspanningen zijn dan automatisch gericht op realisering van de doelen van de organisatie, omdat de overtuiging wijdverspreid en diep verankerd is binnen de organisatie dat het realiseren van die doelen voordelen heeft. De doelen zij onomstreden en dat geldt ook voor de wijze waarop die kunnen worden gerealiseerd. In uiterste consequentie is er geen management meer nodig omdat de processen hun eigen dynamiek hebben en als vanzelf in de gewenste richting werken. Het systeem houdt zichzelf in stand door zichzelf voortdurend te reproduceren.

Wanneer we stellen dat het psychiatrisch zorgsysteem sterk en strak georganiseerd is, roept dat tegen deze achtergrond de vraag op wat het onderliggend betekeniskader is. Wanneer we daar zicht op hebben kunnen we vervolgens de vraag stellen wat de buitensluitende werking ervan is. Iedere betekenisgeving, iedere definitie heeft immers uitsluitende werking zoals we eerder stelden. Dat betekent dus ook dat iedere vorm van organiseren, ieder vorm van institutionalisering een uitsluitende werking heeft.

Kijken we naar het onderliggend perspectief van het psychiatrisch zorgsysteem en in het bijzonder naar de aannames en uitgangspunten, dan valt op dat er sprake is van zowel zorg als van berekening. Binnen het perspectief van de zorg staat de patiënt centraal. Zorgverlening is gericht op heling en genezing. De wijze waarop een patiënt zichzelf, zijn omgeving en de relatie met de omgeving betekent vormt het vertrekpunt of zou althans het vertrekpunt moeten vormen. In de psychotherapie is die opstelling vanzelfsprekend.

De therapeut faciliteert de patiënt zijn (processen van) beeldvorming te benoemen en er zicht op te krijgen. Wat onbewust kracht uitoefent op betekenisgeving wordt door de patiënt zelf verwoord en zo naar de oppervlakte gebracht. Bij andere vormen van psychiatrie bestaat het uitgangspunt dat betekenisgeving kan worden opgevat als uitdrukking van onderliggende neurobiologische processen. Die probeert men in gunstige zin te beïnvloeden door bijvoorbeeld toediening van medicijnen. Helpen die niet of onvoldoende, dan wordt geprobeerd door andere medicijnen of andere combinaties van medicijnen klachten te verminderen.

Naast zorg is er sprake van overwegingen die te maken hebben met efficiency en effectiviteit. Psychiatrische zorg is duur en doorgaan is sprake van zorg en behandeling die van lange duur is. Die zorg is dus kostbaar. Financiers zoals overheid en zorgverzekeringen zien uiteraard graag resultaat, maar verwachten ook dat de zorg op een efficiënte wijze wordt besteed. Naast overheidssturing is er sprake van marktwerking die voor een goede afstemming moet zorgen tussen vraag en aanbod.

Spanning tussen zorg en rendement

Beide betekeniskaders, namelijk zorg en een rationele organisatie van de zorg, staan op gespannen voet met elkaar. Zie de constante roep vanuit de zorg om meer middelen. Lange wachttijden kunnen worden opgevat als symptoom van de verstoring tussen behoefte en aanbod. Rationele overwegingen leiden er veder toe dat aandoeningen voorrang krijgen die goed kunnen worden behandeld en die een relatief korte behandelduur kennen. Daarentegen kan er om begrijpelijke redenen vanuit een rendementsperspectief aanzienlijk minder belangstelling bestaan voor aandoeningen die complex zijn, een langere behandelduur kennen en waarbij er minder perspectief is op een positief effect.

Strikt genomen is het dus lastig en onlogisch te spreken van een enkel en eenduidig betekeniskader binnen de psychopathische zorg. Er is eerder sprake van een onderliggende permanente spanning tussen twee onderling conflicterende betekeniskaders. We kunnen die beide betekeniskaders opvatten als de polen waar het zorgsysteem mee heeft te maken. Dat roept vragen op, zoals de vraag hoe een systeem kan functioneren wanneer er sprake is van fundamentele tegenstellingen?

Dergelijke tegenstellingen zijn niet oplosbaar via compromissen. Compromissen houden de onderliggende tegenstellingen is stand en bieden op zijn best praktijken die het mogelijk maken er op een praktische wijze mee om te gaan. Het conflict wordt niet opgelost en kan ook niet worden opgelost, noch vanuit de begrippen die centraal staan in de zorg, noch vanuit begrippen die economisch van aard zijn. In dergelijke gevallen zijn er nieuwe begrippen nodig, een nieuw betekeniskader. Dat zou pleiten voor het ontwerpen van een totaal nieuw betekeniskader voor de psychiatrische zorg en een daarop gebaseerd nieuw zorgsysteem. We gaan hier later in een afzonderlijk Deel op in, als de veranderingsopgaven aan de orde komen en de processen waarlangs die veranderingen kunnen worden bereikt.

Tussengebied

Hier beperken we ons tot het tussengebied, het gebied tussen beide polen van de ratio enerzijds en de subjectieve beleving anderzijds. Het is het gebied “entre” zoals Serres dat benoemt. (Latour, Serres, 1995) Dat tussengebied kunnen we geen betekenis geven vanuit de beide polen maar het heeft een eigen identiteit. Die identiteit is lastig te betekenen. In ieder geval bieden beide polen niet de begrippen daarvoor. Die kunnen enkel de problemen en de spanning verwoorden maar ze schieten tekort om de eigen identiteit van het tussengebied te benoemen en betekenen.

De natuurlijke neiging is dat we een definitieve betekenisgeving zoeken. Nieuwe begrippen dus die ons in staat stellen die nieuwe identiteit van het tussengebied te construeren. Dat is echter geen adequate insteek. Het lijkt er eerder op dat betekenisgeving een permanent proces zal blijken te zijn. Dat houdt in dat ons streven, ons verlangen, geen eindpunt bereikt. Achter iedere horizon ontplooit zich een nieuwe horizon. Leven is betekenis geven of beter gezegd het steeds zoeken naar betekenissen. In de wetenschap vraagt dat het besef dat er geen eindsituatie is, geen definitieve betekenis, verklaring of duiding van de werkelijkheid, geen situatie waarin de wetenschap overbodig of voltooid is, omdat we de werkelijkheid geheel hebben doorgrond en ontrafeld. Er zouden dan geen spanningen meer zijn omdat we die hebben opgelost.

De spanning is daarentegen existentieel en juist ons pogen die spanning op te lossen zit ons in de weg. Wat we voor oplossingen houden, zijn statische oplossingen die de vloeiendheid van de werkelijkheid niet respecteren en die de werkelijkheid juist vastzetten. Als we vast willen houden aan de behoefte tot betekenisgeving, aan het vragen naar de identiteit van het tussengebied, dan is het juist die vloeiendheid, de voortdurend beweging, de door elkaar buiteling van betekenissen die we centraal moeten stellen. Helder zal zijn dat dit geheel andere instituties vraagt, andere organisaties en vooral ook andere opvattingen over organiseren maar daarover zoals gezegd later meer.

Domeinen

We hebben tot nu toe de term “psychiatrisch zorgsysteem” gebruikt. Die term suggereert dat er sprake is van gezamenlijkheid. Het begrip “systeem” roept het beeld op van onderlinge verbondenheid van elementen, van gezamenlijkheid dus. Maar die gezamenlijkheid is betrekkelijk wanneer er sprake is van twee onderling verschillende betekeniskaders. Dat roept de vraag op hoe een systeem kan functioneren wanneer er intern sprake is van aanzienlijke spanningen. Degelijke situaties zijn aanleiding geweest voor de ontwikkeling van de domeintheorie.

Kouzes en Mico (1979) deden onderzoek naar organisaties die zich met dienstverlening bezig hielden en vonden dat er intern binnen dergelijke organisaties sprake was van verschillende domeinen. Die domeinen onderscheiden zich van elkaar door een ander set van normen en praktijken. Ze onderscheidden een beleidsdomein, een managementdomein en een servicedomein. Domeinen kunnen worden opgevat als eigen werelden. Ze onderscheiden zich van elkaar op het gebied van principes, regels, normen en werkwijzen.

Binnen een domein is er sprake van een relatief hoog niveau van eensgezindheid en uniformiteit maar tussen de domeinen kan er sprake zijn van aanzienlijke verschillen. Oriëntaties, aannames en overtuigingen kunnen sterk uiteenlopen. Dat maakt natuurlijk nieuwsgierig naar wat er gebeurt op het breukvlak tussen domeinen. Op dat breukvlak zullen de tegenstellingen immers tot uitdrukking komen, zo mag men verwachten. Wat gebeurt daar? Hoe wordt er met de spanning omgegaan? Hoe kan een organisatie functioneren wanneer er intern sprake is van fundamentele verschillen in opvatting?

Symboliek

Die vraag vormde het startpunt voor een praktijkgeoriënteerd onderzoek binnen een onderdeel van het Ministerie van Landbouw. Dat is weliswaar een ander gebied dan de psychiatrie, maar niettemin een illustratieve eigen ervaring. Het betrof de toenmalige Landbouwvoorlichtingsdienst waarin voorlichters een heel andere opvatting hadden over hun werk dan de top van het Ministerie. De startvraag luidde hoe men in een bureaucratische en hiërarchisch gestructureerde organisatie kon overleven, terwijl men anders dacht en ook anders handelde dan de beleidsdoelen en opdrachten voorschreven. In wezen was er sprake van ambtelijke oppositie. Maar hoe kan er binnen een hiërarchische structuur ruimte worden gevonden voor ambtelijke oppositie?

Het onderzoek leidde tot de bevinding dat de spanning niet aan bod kwam. Er was op het breukvlak tussen het beleidsdomeinen en de uitvoerende dienst geen sprake van conflicten. Eerder was de sfeer vriendelijk en coöperatief. Wat gebeurde was dat medewerkers op uitvoerend niveau de hiërarchisch voorgeschreven doelen symbolisch bevestigden. Men riep een beeld op van medewerking en dat gaf de top van het Ministerie geen aanleiding om te interveniëren in het dagelijkse werk. De voorlichters hadden daardoor de ruimte om in hun dagelijks werk de kant van de ondernemers te kiezen, ook als dat inging tegen de formele opdrachten. Men bevestigde symbolisch het formele machtssysteem en kon juist daardoor in de praktijk zijn eigen gang gaan. Het was een fijnzinnig spel om de macht dat zich niet als zodanig presenteerde (Wagemans, 1987).

Het zou interessant zijn een vergelijkbare studie te ondernemen naar de praktijk van de psychiatrische zorg. Ook binnen de psychiatrische zorg kunnen domeinen worden onderscheiden. Denk aan het uitvoerend domein, aan het managementdomein, aan het wetenschappelijk domein, aan het domein van de financiering of aan het beleidsdomein. Belangrijke vraag is dan hoe de domeinen zich ten opzichte van elkaar verhouden. Is er sprake van afhankelijkheden, van onderlinge dominantie?

Dan zijn vragen aan de orde naar de ruimte op uitvoerend niveau: op het niveau waarop de zorg wordt verleend, om te handelen conform de overtuiging die zorgverleners hebben over hoe zorg moet worden verleend. In welke mate wordt die ruimte beperkt? Bijvoorbeeld omdat bureaucratische verplichtingen veel tijd in beslag nemen die men eigenlijk liever aan de zorg zou hebben besteed. Dat wordt telkens weer als een van de grote problemen benoemd binnen het zorgsysteem. Ook is dan de vraag aan de orde, hoe betrouwbaar de gevraagde informatie is. En als die betrouwbaar wordt aangeleverd, hoe wordt daarmee op managementniveau omgegaan wanneer het streven erop is gericht verwachtingen van financiers te bevestigen.

Vloeiende organisaties

Instituties zijn dus niet de dragers van stabiliteit. Ze zijn als polen en dus drager van ingebouwde tegenstellingen. Ze zijn vaste elementen en tegelijkertijd bron van een permanente dynamiek. Hooguit hebben de onderliggende conflicten een stabiele structuur. Er kunnen daardoor routines ontstaan die de tegenstellingen niet oplossen, maar die ze draaglijk maken. Er ontstaan praktijken die in staat stellen met de tegenstellingen om te gaan. De interne scheuren worden aan het oog onttrokken. Die routines kunnen onderzoekers en analisten op het verkeerde been zetten.

Een belemmering kan ook zijn dat diegenen die binnen een organisatie werkzaam zijn zich niet bewust zijn van de onderliggende krachten die tot routines hebben geleid. De routines zijn verankerd in de cultuur van de organisatie. Nieuwkomers kunnen zich aanvankelijk verbazen over bepaalde praktijken, maar zullen die doorgaans al gauw als vanzelfsprekend ervaren. Men heeft geen zicht op onderliggende processen van betekenisgeving die tot het ontstaan ervan hebben geleid.

Een zorgsysteem kan zo in termen van betekenisgeving worden opgevat als een ruimte waarbinnen aan objecten gehechte betekenissen door elkaar dwarrelen. Objecten die heel uiteenlopend en zelfs een onderling tegengestelde betekenis dragen.. Objecten bovendien waarvan de betekenis voortdurend kan veranderen. Ze kunnen aan zwaarte verliezen doordat de betekening minder overtuigend wordt of door minder mensen wordt gedeeld. Of juist zwaarder worden en met meer energie worden beladen, wanneer een betekening zoveel gewicht krijgt dat alternatieve betekeningen opzij worden gedrongen en betekenisloos worden.

Betekenis geven houdt een keuze in. Kiezen voor een betekenis heeft tot gevolg dat andere mogelijkheden tot betekenis geven worden afgewezen. Die afwijzing betekent in de kern een besluit tot betekenisloosheid, tot buitensluiting. Een eveneens mogelijke betekenis wordt afgewezen. Dat besluit wordt vaak impliciet genomen. De keuze voor een bepaalde betekenis houdt automatisch de afwijzing in van andere mogelijkheden van betekenis geven. Belangrijk is ook dat betekenis geven slechts voor een deel bewust plaatsvindt. Allereerst is het de mens niet gegeven in een proces van betekenis geven alle mogelijke betekeningen te overzien en tot een keuze te komen op basis van een weloverwogen set van criteria. Vergelijk het begrip “bounded rationality” zoals uitgewerkt door Simon (1984).

Onze instituties zijn lek

Dat uit- en buitensluitend effect van betekenisgeving verdient nadere beschouwing. Wezenlijk is dat betekenis geven “per definitie” inhoudt dat het geven van andere betekenissen daardoor wordt uitgesloten. Wanneer we organisaties en systemen vervolgens beschouwen als constructies die zin en betekenis hebben, houden die dus automatisch in dat ze buitensluitend werken. Organisaties zijn uitdrukking van een betekeniskader waarbinnen dus geen plaats is voor andere betekenissen.

Aan de werkelijkheid wordt op een bepaalde wijze betekenis gegeven. We persen een meerduidige werkelijkheid in een systeem met als gevolg dat we werkelijkheid buitensluiten. Wanneer we vervolgens een organisatie met verantwoordelijkheden en daaruit voortvloeiende bevoegdheden bekleden, geven we aan het onderliggend betekeniskader en de daarin opgenomen definities dominantie boven andere definities. We leggen dan het gekozen betekeniskader dwingend op. Wetten en daarin opgenomen definities hebben bijvoorbeeld doorslaggevende betekenis wanneer er sprake is van verschillen en die verschillen de aanleiding zijn voor conflicten. Rechters toetsen immers aan de definities die wettelijk zijn vastgelegd en mogen ook niet anders vanwege ons beginsel van de scheiding van machten.

Maar de buitengesloten werkelijkheid laat zich niet zo gemakkelijk buitensluiten. We kunnen wetten en regels vaststellen, maar daarmee kunnen we niet voorkomen dat de werkelijkheid op een heel andere wijze betekenis wordt gegeven door burgers. Anders gezegd, de organisaties kunnen niet de gehele werkelijkheid omvatten. Er ontsnapt voortdurend werkelijkheid, zelfs in totalitaire regimes, waarin afwijkende betekenissen niet zijn toegestaan en zelfs strafbaar zijn. Door instituties met hun definities maken we verder de werkelijkheid statisch. Echter, je kunt met statische begrippen niet het wezen van de dynamiek, van de beweging omvatten. Dan wordt beweging een opeenvolging van statische situaties. Maar het mechanisme dat de overgang regelt van de ene statische situatie naar een andere, kunnen we met statische begrippen niet doorgronden.

Deleuze vergelijkt treffend de maatschappij met een gas. Dat slaagt er telkens in gaten en kieren te vinden om uit de gebouwen te ontsnappen die ons systeem vormen. Dat gas is lastig te vangen. Even lastig als het betekenisvol benoemen van de leefwereld van burgers met behulp van de formele begrippen van de systeemwereld. De uniformerende werking van de systeemwereld zit ons in de weg. Vandaar het pleidooi van Deleuze om differentie als begrip centraal te stellen. We kunnen niet volstaan met het benoemen van verschillen maar we moeten ze onderzoeken op hun wezen. Waarop berust de buitensluitende werking van onze ordeningscriteria?

Terug naar de psychiatrische zorg

Wat kunnen we, de bovenstaande redenering volgend, nu zeggen over het buitengeslotene binnen het psychiatrisch zorgsysteem en wat zijn de krachten van buitensluiting? We noemden reeds de definities van het DSM waarin nauwelijks ruimte is ervaringen van patiënten een betekenis te geven, die deze voor hen of anderen hebben. Of nauwkeuriger gezegd, de begrippen van het DSM stellen niet in staat ervaringen een andere betekenis te geven dan die van de DSM. Ze zijn ook niet bedoeld om tot die ervaringen door te dringen. Ze zijn rationeel tot stand gekomen, in tegenstelling tot de beleving van patiënten die zich niet door de formele definities laat omvatten.

We kunnen het psychiatrisch systeem beschouwen als een ruimte waarin de verschillende betekeniskaders door elkaar buitelen. Van nevenschikking is echter geen sprake. De wijze waarop het zorgsysteem is georganiseerd heeft dominantie. Dat formele kader is rationeel van opzet. Het is doordacht en beredeneerd. De denkpatronen verschillen echter aanzienlijk van wat een patiënt doormaakt. Binnen het rationele formele kader is er geen plaats voor subjectiviteit. Of nauwkeuriger geformuleerd, subjectiviteit wordt met rationele begrippen benaderd en daardoor van zijn subjectiviteit ontdaan. Wanneer patiënten worden benaderd met oog en hart voor de pijn die zij doormaken, gebeurt dat eerder ondanks dan dankzij het systeem.

Willen we tot inzicht komen in het functioneren van het zorgsysteem, dan pleit dat voor een benadering waarbij we het verborgene niet moeten zoeken in de werkelijkheid, maar in ons denken, in onze betekening van de werkelijkheid. Wat onttrekt zich aan onze waarneming en betekening? Welke krachten liggen daaraan ten grondslag? Is het niet diezelfde hang naar ordelijkheid en overzicht? We zoeken zekerheid dat we op de juiste weg zijn, maar die zekerheid is een constructie die vooral tot doel heeft ons vertrouwen te schragen en houvast te bieden.

Maar die constructies leveren slechts de schijn op van vertrouwen en houvast. We geven die constructies echter een reële betekenis. We geven de schijn met zoveel zwaarte een betekenis dat die als echt moet overkomen. Maar ten diepste kunnen we dat vertrouwen en dat houvast slechts vinden in onszelf. We moeten daartoe de basis van ons vertrouwen en houvast ontmaskeren als een constructie. De constructies die we maken van de werkelijkheid kunnen ons dat vertrouwen niet bieden. Het zijn schijnvoorstellingen die de werkelijkheid niet kunnen dragen. Er is teveel werkelijkheid. De schijnvoorstelling vormt slechts een gebrekkige afbeelding van de werkelijkheid die niettemin de zwaarte van het reële krijgt, omdat we het zelf zijn die de schijnvoorstelling met betekenis beladen. De schijnvoorstelling is niet reëel maar door subjectieve betekenis geving beleven we die als reëel. De schijnvoorstelling wordt van zijn subjectiviteit ontdaan, wordt een objectieve weergave van de werkelijkheid, wordt de werkelijkheid zelf.

Echter, de werkelijkheid laat zich niet persen in de vormen en structuren die we zelf hebben gemaakt. En dus moet er werkelijkheid worden buitengesloten. Onze constructies zijn als het ware lek. Onze systemen zijn gebrekkige afbeeldingen van de werkelijkheid. Ze kunnen de werkelijkheid niet omvatten. Dat ze ons niettemin houvast bieden, vindt zijn oorzaak in de overtuiging dat ze houvast bieden, in onze betekenis geving ervan. Niettemin zijn we in staat die constructies lang overeind te houden ondanks hun lekkages. Zolang we datgene wat ontsnapt aan onze constructies geen betekenis geven en dus geen gewicht geven krijgt het geen zwaarte en blijft het betekenisloos. We concentreren ons daarbij op de resultaten van ons denken maar niet op ons denken zelf. Aan de orde is dat we het denken zelf moeten problematiseren. We kunnen niet volstaan met een kritische beschouwing van de uitkomsten ervan. Die gedachte neemt een belangrijke plaats in in de filosofie van Deleuze (Deleuze, 2011).

Onze behoefte aan ordening en helderheid is zo groot dat we het buitensluitend effect van onze ordeningen voor lief nemen. Dat levert een paradox op. We streven naar helderheid en denken die te bereiken door alles wat oorzaak is van vertroebeling buiten te sluiten. We geven dat buitengesloten deel van de werkelijkheid geen betekenis. Ons streven naar helderheid wordt zo oorzaak van gebrek aan helderheid. We construeren een gemankeerde helderheid en we zijn zo zelf de oorzaak van gebrek aan helderheid. Het zoeken naar helderheid wordt zelf bron van vertroebeling. Het buitengeslotene blijkt een werking te hebben. De vertroebeling laat zich weliswaar weg definiëren, maar verdwijnt daardoor niet.

Toegepast op de psychiatrische zorg: de menselijke beleving wordt geordend en geobjectiveerd met behulp van definities die juist “per definitie” de beleving van zijn subjectiviteit ontdoen. Dat kan gemakkelijk tot diagnoses leiden die weliswaar de psychiater helderheid verschaffen, maar die helderheid kan slechts worden bereikt door de beleving, door het menselijke opzij te schuiven. We objectiveren het menselijke en ontdoen het dus van zijn wezen.

Vergelijk ook Nicolescu (2010) die stelt dat objectivering slechts mogelijk is door het subjectieve te doden. Dat worden gemakkelijk zichzelf versterkende processen. Wanneer onze definities niet eenduidig blijken te zijn maar voor meerdere uitleg vatbaar, respecteren we niet het meerduidige maar we specificeren en detailleren onze definities zodat we de helderheid overeind kunnen houden. Het is weliswaar een gemankeerde constructie van helderheid, maar zolang we die een betekenis gevenen als objectief en reëel ervaren we geen probleem. Onze overtuiging masseert de werkelijkheid zodanig dat die in onze definities kan worden geperst.

Conclusie

We kunnen concluderen dat een doorlichting van het psychiatrisch zorgsysteem op zijn buitensluitende werking ons inzicht in het functioneren ervan kan verhelderen. Dat moet minstens inhouden dat het onderkennen en verkennen van het subjectieve, van de beleving, een centrale plaats krijgt. De thans dominante begrippen en definities zijn daarvoor ongeschikt. Die zijn oorzaak van objectivering, van buitensluiten. Objectieve begrippen zijn niet in staat door te dringen tot het wezen van subjectiviteit.

We zijn geneigd onze betekenisgeving en ons denken te benaderen via de uitkomsten ervan. Echter, het moet niet gaan om het resultaat van onze betekenisgeving en van ons denken maar om het denken zelf, om de denkprocessen. En om de processen van betekenisgeving. Welke beelden beïnvloeden het denken? Hoe mentaal voorgeprogrammeerd is ons denken? Welke begrippen vormen de bouw- en hoekstenen van onze denkconstructies? En vervolgens, welke buitensluitende werking hebben die? Welke aannames zijn er de basis van? Wat sluiten we buiten door onze vanzelfsprekendheden? Wat blijft buiten beeld en wat wordt daarentegen sterk en krachtig betekend? Die analyse van het denkproces kan niet gebeuren met behulp van de begrippen die het denken zelf hebben gedomineerd.

Een dergelijke benadering vraagt moed, de moed tot zelfrelativering. De moed om op zoek te gaan naar de aandoeningen van de psychiatrische zorg zelf. De moed om vermeende zekerheden op hun veronderstellende basis en dus op hun buitensluitende werking te onderzoeken. Het gaat erom de psyche van het psychiatrisch zorgsysteem zelf te leren kennen. Het gaat erom zich bewust te worden van het eigen territorium en van de ordeningen die we daarin hebben geconstrueerd. Met als vervolgvraag of er een noodzaak is ons daaraan te ontworstelen. Een systeemanalyse waarbij een systeem zijn eigen wortels onderzoekt. Een analyse die kan uitmonden in wat Deleuze beschrijft als deterritorialisering. (Deleuze, 2010)


Literatuur

Deleuze, Gilles en Guattari Felix, Anti-Oedipus, Kapitalisme en Schizofrenie 1, vertaling Joost Beerten, Klement, Kampen,2010

Deleuze, Gilles, Verschil en Herhaling, Boom, Amsterdam 2011

Jullien, Franois, Het leven kan anders, Lontano, Amsterdam, 2019

Kouzes, J.M. en Mico, P.R., Domain Theory: an introduction to organizational behavior in human service organizations, in: Journal of Applied Behavioral Science, vol. 15, no 4, p.449-469, 1979

Latour, Bruno en Serres, Michel, Conversations on Science, Culture and Time, University of Michigan Press, 1995

Nicolescu, Basarab, Methodology of Transdisciplinarity – Levels of Reality, Logic of the Included Middle and Complexity, in: Transdisciplinary Journal of Engineering & Science Vol: 1, No:1, (December, 2010), pp.19-38

North, Douglass Understanding the Process of Economic Change, Princeton University Press, 2005

Pico della Mirandola, Rede over de menselijke waardigheid, Boom, 2014

Simon, Herbert, Models of bounded rationality, economic analysis and public policy, volume 1, Mit Press Ltd, 1984

Wagemans, M.C.H. Voor de Verandering, een op ervaringen gebaseerde studie naar de spanning tussen de theorie en de praktijk van het besturen, Dissertatie, Wageningen, 1987

van der Wal, G.A. De Omkering van de wereld, achtergronden van de milieucrisis en het zinloosheidsbesef, Ambo, 1996


******************


*************************

De schijn van belangenverstrengeling

Opinie De Limburger 1 juli2021

Thieu Wagemans                                                                                                        www.ontganiseren.nl

Uit onderzoek naar de rol van voormalig directeur Vrehen van het IKL is gebleken dat er weliswaar sprake was van belangenverstrengeling maar niet van zelfverrijking en fraude. Ook zou er sprake zijn geweest van onnodig veel ophef. Dat levert tal van vragen op hoe we in onze maatschappij integriteit hebben geregeld.

Die beide termen nemen we als uitgangspunt: integriteit en regelen. Het belang van integriteit staat natuurlijk niet ter discussie. De zorg voor integriteit in het openbaar bestuur heeft geleid tot heel veel regels die zijn bedoeld om niet-integer gedrag te voorkomen. Zo is er een verbod om geschenken aan te nemen met een hogere waarde dan 50 euro. Als er sprake is van persoonlijke belangen dienen raadsleden een integriteitsmelding te doen en zich van stemming te onthouden. Er zijn protocollen opgesteld hoe moet worden omgegaan met meldingen omtrent mogelijke gevallen van schending van de integriteit. Die moeten met zorgvuldigheid en volledigheid worden onderzocht.

Al die regels wekken het beeld dat het met de zorg rond integriteit wel goed zit. Althans op papier. De werkelijkheid kan een heel ander beeld tonen. Een belangrijk begrip daarbij is de schijn van belangenverstrengeling. Die moet worden vermeden. Immers, wanneer er sprake is van persoonlijke belangen is het onmogelijk overtuigend verantwoording af te leggen over het eigen gedrag. De betrokkene kan bezweren dat hij zich niet heeft laten leiden door het behalen van eigen voordeel of het bevoordelen van bevriende relaties. Maar hoe overtuigend is dat? Men vraagt dan het vertrouwen maar je kunt niet bewijzen dat tussen je oren geen persoonlijk gekleurde overwegingen een rol hebben gespeeld en wellicht zelfs de doorslag hebben gegeven. Vandaar dat het ook verboden is zelfs maar de schijn van belangenverstrengeling te wekken. Een ontkenning van nastreven van eigen voordeel door de betreffende bestuurder is geen bewijs of garantie.

Bovendien is het aantonen van handelen in strijd met de regels lastig. Wanneer sprake is van onaanvaardbaar gedrag zal men in de bankafschriften van betrokkene geen overboekingen vinden onder benaming van “Omkooppremie zoals afgesproken”. Wanneer er sprake is van betalingen zal men wel zo handig zijn daar niet of lastig te identificeren wegen voor te vinden. Bovendien beschikken betrokkenen of hun adviseurs doorgaans over gedegen kennis van de regels en over een aanzienlijk voorstellingsvermogen om ontoelaatbaar gedrag in te kleuren als niet strijdig met de regels. In ons rechtssysteem is het nu eenmaal zo geregeld dat schuld moet worden bewezen. Tegelijkertijd betekent de onmogelijkheid om schuld te bewijzen niet dat daarmee ook de onschuld is bewezen. De verdediging kan een alibi schetsen dat weliswaar geheel is verzonnen maar zolang de onwaarheid ervan niet overtuigend kan worden aangetoond ligt vrijspraak voor de hand. Er wordt nergens zoveel gelogen als in rechtszalen.

In gelijke zin kan er sprake zijn van overtreding van integriteitsregels zonder dat dit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Er kunnen praktijken zijn van ontoelaatbare toe-eigening zonder dat strafbaarheid kan worden bewezen. Zolang iemand zich aan de regels houdt, althans daar niet mee in strijd handelt, althans daar niet op kan worden betrapt, is er geen probleem. Het kan leiden tot vormen van legaal stelen. De complexiteit van onze regelsystemen is lastig voor wie er geen kennis van draagt. Tegelijkertijd kan die complexiteit een rijke bron van inkomsten zijn voor wie over de deskundigheid en de fantasie beschikt om schijnconstructies op te zetten zoals op belastingterrein. Voor de wet zijn we allemaal gelijk maar wie over de middelen beschikt dure advocaten in te huren is iets gelijker dan andere burgers.

Dat is bij burgers een belangrijke bron van gevoelens van onrecht. De een kan zich iets permitteren waar een ander voor wordt gestraft. Dat kan deels worden voorkomen door strakke regels die verbieden zelfs maar de schijn van belangenverstrengeling op te roepen. En natuurlijk door scherp en onafhankelijk toezicht op het voorkomen dat dergelijke situaties ontstaan. Is dat niet het grote manco binnen de bestuurscultuur? Dat men elkaar in bescherming neemt en niet optreedt wanneer dat nodig is. Dat men elkaar de hand boven het hoofd houdt waardoor er geen zelfreinigende werking meer is. Al zo’n 2500 jaar geleden werd geschreven: “Bestuurders nemen elkaar in bescherming, tot in de hoogste kringen toe.” Is er veel veranderd?

Thieu Wagemans is Raadslid voor Ronduit Open in Leudal       

**************************

Het psychiatrisch zorgsysteem. Deel II: Betekenisgeving, normaliteit en tussenruimte


Civis Mundi Digitaal #110

door Mathieu Wagemans          www.ontganiseren.nl



Inleiding

We stelden in Deel I dat het perspectief van betekenisverlening een geschikte invalshoek vormt voor een analyse van het psychiatrisch zorgsysteem. Dat vraagt een onderbouwing, zowel in relatie tot de psychiatrische zorg als methodologisch. Wat betekent het perspectief van het constructivisme voor het wezen van de werkelijkheid? Wat is het wereldbeeld dat aan het constructivisme ten grondslag ligt? Hoe verlopen processen van betekenisgeving? In dit Deel II gaan we eerst wat dieper in op dergelijke vragen waarna we het wereldbeeld aan de orde stellen dat binnen de psychiatrie centraal staat.

Het proces van betekenisverlening

Betekenisverlening houdt in dat we ons beelden vormen van de werkelijkheid. Een eerste opmerking is dat betekenisverlening op zichzelf reeds een reductie inhoudt. We betekenen de werkelijkheid op een bepaalde wijze terwijl de werkelijkheid ook op een heel andere wijze zou kunnen worden betekend. Betekenisverlening houdt dus in dat we andere wijzen van betekening buitensluiten. We baseren onze opvattingen en ons handelen op een bepaald beeld van de werkelijkheid. Dat is onvermijdelijk. We kunnen niet tegelijkertijd op basis van verschillende en onderling tegenstrijdige beelden van de werkelijkheid handelen. Bovendien, als we daarin al zouden slagen, zouden we inconsistent zijn. We zouden zowel afbreken als opbouwen. Dat alles staat haaks op onze wens tot eenduidigheid. Ons denken is gericht op ordening en ons handelen vloeit daar logisch uit voort. Beeldvorming gaat gepaard met keuzes, ook al realiseren we ons dat niet in de praktijk.

Zo opgevat zijn betekenen en buitensluiten communicerende vaten. Het betekende krijgt slechts betekenis en kan slechts betekenis krijgen doordat we buitensluiten. Anders gezegd, dat buitensluiten is een noodzakelijke voorwaarde voor betekening. Zonder dat we buitensluiten is betekening niet mogelijk. Het buitensluiten maakt het mogelijk het betekende betekenis te geven. Je zou kunnen stellen dat we het betekende dus slechts leren kennen door het buitengeslotene te onderzoeken. Het buitengeslotene maakt het betekende betekenisvol.

Door betekenis te geven beladen we de werkelijkheid (objecten, gebeurtenissen, anderen) met betekenis. De werkelijkheid krijgt daardoor werking. We hebben opvattingen over wat we belangrijk vinden en wat wij wenselijk vinden. We handelen bijvoorbeeld om een ongewenste situatie te vermijden. Zowel het gewenste als het ongewenste kunnen we opvatten als constructies.

Deelprocessen

Processen van betekenisgeving zijn gecompliceerde processen. Er is sprake van waarnemen, denken en verbeelden. We kunnen dergelijke processen opvatten als deelprocessen maar ze zijn in de praktijk lastig te scheiden. Ze zijn in elkaar verstrengeld. We kunnen ze onderscheiden maar niet scheiden. Door ze als afzonderlijke processen te beschouwen doen we geen recht aan het wezen van betekenisverlening. Waarnemen en betekenisverlening verlopen razendsnel en pas achteraf kunnen we over dergelijke processen redeneren en ons een beeld vormen van de samenhang van deelprocessen van betekenisgeving. Maar het ontwikkelen van min of meer definitieve kennis is een stap te ver. Iedere constructie maar iedere conclusie kan slechts een constructie zijn, een beredeneerde voorstelling waarvan we aannemen dat die overeenstemt met hoe dergelijke processen verlopen. Alle kennis die we hierover verwerven is slechts veronderstelde kennis.

We nemen waar, geven er betekenis aan en vormen er ons een afbeelding van. Het is een proces waarin denkkracht, associatie- en voorstellingsvermogen in elkaar zijn verstrengeld. Het gaat om gedachten, associaties en afbeeldingen. We kunnen die stappen analytisch onderscheiden maar niet scheiden. Sterker nog, iedere analyse werkt splitsend en doet geen recht aan het intern vervlochten zijn van de processen Het gebeurt bovendien razendsnel. We kunnen die processen ex post analyseren maar daarmee doen we geen recht aan hoe die processen in de werkelijkheid van alledag verlopen.

Een complicerende factor daarbij is verder dat we weliswaar kunnen redeneren over dergelijke processen maar dat betekenisverlening voor een belangrijk deel onbewust verloopt. Dat alleen al houdt reductie in. Hoe kunnen we redeneren over wat niet-redenerend tot stand is gekomen? Zijn we in staat het irrationele rationeel te benaderen en tot de kern ervan door te dringen? Kunnen we ons bewust worden van het onderbewuste?

Kritiek op het constructivisme

Betekenisverlening mag weliswaar een goede invalshoek zijn voor het bestuderen van het psychiatrisch zorgsysteem maar dat mag ons niet blind maken voor de kritiek op het constructivisme. Die kritiek richt zich onder meer op de waarneming. We zijn niet in staat de werkelijkheid objectief waar te nemen. De werkelijkheid zoals die “is”, is benaderbaar via betekenisgeving maar niet doordringbaar. Betekenisgeving vindt altijd context-gebonden plaats. Er is sprake van overtuigingen, vanzelfsprekendheden en doelen. Bijvoorbeeld de behoefte aan overzicht, aan ordelijkheid. Betekenisgeving is bedoeld om de spanning te overbruggen; de spanning tussen enerzijds een werkelijkheid die op een onoverzienbaar aantal wijzen kan worden betekend en anderzijds de mens die in staat is de werkelijkheid vanuit een onoverzienbaar aantal perspectieven te betekenen. Wij maken daarbij een onderscheid tussen de betekenaar en het betekende. “Betekenaar” kunnen we daarbij zowel opvatten als de persoon die betekenis geeft maar ook als oriëntaties, overtuigingen en standpunten die voor die persoon drager van betekenis zijn. Door een object of element te betekenen wordt dat object of element drager van betekenis en kan het op zijn beurt functioneren als betekenaar.

Merleau-Ponty problematiseert de waarneming. Binnen zijn filosofie neemt een belangrijke plaats in dat we niet enkel op onze zintuigen moeten vertrouwen om de werkelijkheid te leren kennen. (Merleau-Ponty, 2003) We hebben allereerst de ander nodig als bemiddelaar bij onze waarneming. De sociale verbanden waar we deel van uitmaken zijn bronnen van codes en van vanzelfsprekendheden die ons helpen onze plaats in te nemen. Maar daarmee kunnen we niet volstaan. Dan leven we een leven van oppervlakkigheid volgens Merleau-Ponty. Dan dringen we niet door tot een diepere laag. Hoe belangrijk de ander ook is, Er is ook sprake van een innerlijk dat ons als individu vormt. Een actueel voorbeeld: we kunnen een begrip als integriteit in het openbaar bestuur definiëren en regelen zodat we helder kunnen duiden of iemand zich wel of niet integer gedraagt. Maar daarnaast en tegelijkertijd hebben we zelf een dieper gelegen oriëntatie die ons het gevoel kan geven dat iets niet in de haak is, ook al zijn de regels gevolgd. Dat plaatst de mens in een spanningsveld dat zich niet laat ordenen in gebruikelijke zin. Die spanning is existentieel. Die hoort bij het leven. Sterker nog, die “is” het leven. We kunnen die spanning ontgaan door een voorgeprogrammeerd leven leiden conform de codes en definities en overtuigingen die ons worden aangereikt maar dan komen we niet aan onszelf toe, dan “leven” we niet maar dan blijven we object te midden van andere objecten. De spanning dus als wezenlijk voor existentie.

Het is in wezen een pleidooi om het lichaam niet enkel als objectief te benaderen, als “ding”, als een indelen ontleedbaar geheel maar ook oog te hebben voor het lichaam als subject. We doen het lichaam tekort wanneer we het enkel als object benaderen. We kunnen het lichaam ook zien als een interactie tussen het objectieve en het subjectieve. Dat betekent een pleidooi om bij ziektebeelden zowel het lichaam-object als het lichaam-subject aandacht te geven. (ter Meulen, van Woerkom, 2009)

Het is een menselijke neiging om het onbegrijpelijke begrijpelijk te maken, het oneindige meetbaar, het wanordelijke ordelijk. Algemeen gezegd, we willen overzicht. We willen helderheid. We willen evenwichtigheid. We willen een overzienbare en transparante werkelijkheid en we willen ons vervolgens logisch positioneren ten opzichte van die werkelijkheid. Dat vraagt van ons dat we doordringen tot de werkelijkheid. We willen inzicht en overzicht verkrijgen. We willen de werkelijkheid leren kennen. We realiseren ons daarbij dat volstrekte transparantie niet bereikbaar is. We worden geconfronteerd met voortdurende veranderingen. De werkelijkheid verandert en daarnaast kunnen onze opvattingen veranderen. We veranderen zelf. Wanneer we menen een situatie van evenwicht te hebben bereikt, kunnen we niet achteroverleunen maar voortdurend worden we gedwongen ons verhouden tot nieuwe situaties en ervaringen. Leven vraagt evenwichtskunst. Die is vooral belangrijk wanneer er sprake is van schokkende gebeurtenissen zoals het overlijden van een naaste. Dan hebben we tijd nodig een nieuw evenwicht te construeren. Vaak lukt dat, soms niet. Dan dragen we een ervaring als een bron van onevenwichtigheid een leven lang met ons mee.

Wereldbeeld

Een wereldbeeld kunnen we zowel opvatten in ontologische zin als inhoudelijk. Ontologisch gaat het om de onderliggende vraag wat de basishouding is die we aannemen in relatie tot de werkelijkheid. We kunnen de werkelijkheid bijvoorbeeld zien als een fysieke werkelijkheid, als materie. Dan valt ons oog op bergen, rivieren, water, lucht en gaat onze belangstelling vooral uit naar de krachten die er werkzaam zijn, zowel op de aarde zelf als op de plaats van de aarde in het heelal. We kunnen die werkelijkheid onderzoeken door de mechanismen te beschouwen, zowel in de dode fysieke werkelijkheid als in het leven op aarde. Dan hebben we aandacht voor grondsoorten, magnetische krachten, straling, bacteriën, zonlicht, virussen, woestijnvorming enz. De werkelijkheid laat zich objectief onderzoeken en we kunnen tot definitieve kennis komen van de werkelijkheid.

In tegenstelling tot deze positivistische opstelling kunnen we de werkelijkheid ook beschouwen als een constructie. Dan is vertrekpunt dat de werkelijkheid “an sich” niet kenbaar is in absolute termen. We kunnen die slechts benaderen door er ons een voorstelling van te vormen. We kiezen dan voor een constructivistische opstelling. We vormen ons een afbeelding van de werkelijkheid.

Naast deze fundamentele positiebepaling van de mens ten opzichte van de werkelijkheid kunnen we een wereldbeeld ook opvatten als een inhoudelijk ingevuld perspectief. Dan gaat het om de inhoud van het betekeniskader waarmee we de werkelijkheid benaderen. Binnen de positivistisch georiënteerde natuurwetenschappen kunnen we tal van disciplines onderscheiden die ieder vanuit een eigen theoretisch kader met specifieke begrippen de werkelijkheid onderzoeken. Binnen het perspectief van het constructivisme kunnen we de werkelijkheid heel uiteenlopend betekenen, afhankelijk van ons onderliggend betekeniskader. Onze overtuigingen en vanzelfsprekendheden bepalen onze beeldvorming.

Objectief en subjectief

Kritiek op het constructivisme kan worden verdiept door in te gaan op de relatie tussen objectief en subjectief . Wanneer we betekenisgeving centraal stellen is daarmee de vraag aan de orde of we nog wel in staat zijn tot objectieve kennis te komen. Een keuze voor het constructivisme houdt in dat we aandacht moeten geven aan de relatie tussen objectiviteit en subjectiviteit. Immers, het centraal stellen van betekenisgeving legt een relatie met het individu. Betekenissen zijn geen onderdeel van de werkelijkheid maar zitten in onszelf. Wij zijn het zelf die de werkelijkheid met betekenis beladen. Dat betekenissen breed gedeeld kunnen worden en kunnen stollen tot “waarheid’ maakt dan niet anders.

Een belangrijke notie daarbij is het onderscheid tussen het objectieve en het subjectieve. Wanneer we betekenisgeving centraal stellen kunnen we weliswaar het onderscheid maken tussen objectiviteit en subjectiviteit maat we kunnen beide niet scheiden. Ze zijn in elkaar vervlochten. Daardoor zijn we niet in staat tot eenduidige kennis te komen. De kwantumtheorie heeft belangrijk bijgedragen aan verdieping van onze kennis op dit terrein met het begrip complementariteit. Complementariteit houdt de mogelijkheid in dat we materie opvatten als bestaande uit deeltjes maar ook als golfbewegingen en dat beide benaderingen tegelijkertijd waar kunnen zijn. (van Strien, 2006). Of wij deeltjes zien of golfbewegingen hangt af van onze waarneming. Heisenberg werkte dat later uit in het zogenaamde onzekerheidsprincipe. (Heisenberg, 2000) Zowel het beeld van materie als bestaande uit deeltjes als het beeld dat materie bestaat uit golfbewegingen zijn tegelijkertijd waar. Nicolescu werkte dit verder uit met betrekking tot het onderscheid tussen subjectiviteit en objectiviteit. (Nicolescu, 2010) We kunnen subjectiviteit en objectiviteit wel onderscheiden maar niet scheiden. Ze zijn in elkaar vervlochten. Zuivere objectiviteit is bijgevolg niet mogelijk. Dat zou inhouden dat we “het subject zouden moeten doden”. Anders gezegd, objectieve kennis is een illusie. Of weer anders uitgedrukt: ook objectiviteit is een constructie.

Een verwijzing naar Kant is daarbij op zijn plaats. Kant maakt het onderscheid tussen enerzijds de aanschouwing, de waarneming sec dus, en anderzijds het begrijpen. Om inzicht te verkrijgen hebben we ons verstand nodig. In de filosofie van Kant: we kunnen onze waarneming van de werkelijkheid niet loskoppelen van de categorieën van het verstand. (Kant, 2007). We kunnen proberen de werkelijkheid steeds beter te leren kennen door die vanuit verschillende perspectieven te beschouwen maar we kunnen nooit het eindpunt bereiken, dat wil zeggen tot eenduidige kennis komen over de werkelijkheid “an sich”. Het levert de principiële vraag op of we ons een voorstelling kunnen maken van een werkelijkheid die bestaat buiten ons voorstellingsvermogen. Of, anders geformuleerd, bestaat er geen werkelijkheid als de menselijke geest zich die niet kan voorstellen? Is de menselijke geest, inclusief zijn beperktheden, heersend ten opzichte van de werkelijkheid?

Ordenen als constructie

Met dergelijke overwegingen problematiseren we het waarnemen en, zoals we eerder stelden, processen van betekenisgeving. We beschikken niet over het vermogen tot objectieve waarneming maar in wezen leggen we ons eigen betekeniskader over de werkelijkheid heen. Maar de ordeningen van het verstand vallen niet noodzakelijkerwijs samen met de ordeningen van de werkelijkheid. Of nog preciezer geformuleerd, de werkelijkheid heeft geen bewustzijn en kan zich dus ook niet bewust zijn van eigen ordeningen. Ordenen is een constructie in zichzelf, een menselijke begripscategorie.

Vanuit het constructivisme bezien is zuivere dus objectiviteit niet bereikbaar. Toch is het betekeniskader van de moderniteit daarop gebaseerd. We gaan uit van een beïnvloedbare werkelijkheid die we naar onze hand kunnen zetten. Die werkelijkheid is bovendien meetbaar en kenbaar. We willen concrete en meetbare doelen stellen. We menen dat we door rationele planning die doeleinden kunnen bereiken. De haalbaarheid is voorondersteld. Tegelijkertijd bestaan er opvattingen die zuivere subjectiviteit ter discussie stellen. Dat we geheel vrij zouden zijn in onze subjectieve beleving wordt dan als een illusie beschouwd. We zijn voor een deel mentaal voorgeprogrammeerd. Daar kunnen we ons maar lastig van ontdoen, deels omdat ons onderbewustzijn de werking ervan niet helder demonstreert en etaleert.


Een ruimtelijk beeld

Wanneer we betekenisverlening centraal stellen moeten we er ook bij stilstaan dat het constructivisme zelf ook moet worden opgevat als een perspectief, als een betekeniskader. Wanneer we de werkelijkheid slechts kunnen benaderen door er ons een afbeelding van te vormen. houdt dat een wereldbeeld in van een onoverzienbare ruimte die op een onoverzienbaar aantal mogelijkheden kan worden betekend. We kunnen ons echter niet goed verhouden tot een dergelijk wereldbeeld. We willen overzicht. We worden voortdurend genoodzaakt te handelen en iedere handeling veronderstelt een constructie van de situatie waarin we ons bevinden. Betekenisverlening houdt dus “per definitie” een reductie in. We betekenen de werkelijkheid die ook op een heel andere wijze zou kunnen worden betekend. Die behoefte aan betekening komt voort uit ons onvermogen de werkelijkheid te aanvaarden als een werkelijkheid die op een oneindig groot aantal wijzen zou kunnen worden betekend. Een overdaad als opties ervaren we vaak niet als rijkdom of uitdaging maar als een lastige opgave. We willen overzicht en houvast. En dus kaderen we de werkelijkheid in. Betekenen houdt dus het maken van keuzes in, ook al gebeurt dat voor een belangrijk deel onbewust. Bovendien is iedere keuze gebrekkig. Er is geen sprake van een rationele keuze die inhoudt dat we alternatieven formuleren en op basis van gekozen criteria daar prioriteiten in aanbrengen. De menselijke geest is daar simpelweg niet toe in staat. Wanneer we spreken overeen rationele keuze is ook dat een gereduceerd beeld van en rationele keuze.

Het roept het beeld op van een ruimte waarin definities c.q. betekende objecten door elkaar bewegen. Soms gaan die relaties aan. Met betekenis beladen elementen kunnen samenklonteren tot min of meer consistente combinaties. Definities worden onderdeel van een overstijgend betekeniskader. Een dergelijk kader veronderstelt samenhang. Het heeft ordenende kracht zodat het de behoefte aan afweging vermindert en keuzes vergemakkelijkt of zelfs overbodig maakt. Er ontstaan routines.

Het is een wereldbeeld waarin sommige objecten door betekening drager van energie worden en werking krijgen terwijl tegelijkertijd een ander deel van de ruime niet wordt betekend en dus betekenisloos blijft. Die niet-betekende ruimte is er weliswaar maar onderscheidt zich enkel doordat die betekenisloos blijft. Een dergelijk wereldbeeld kan worden opgevat als een perspectief, als een constructie. Helder zal zijn dat daar tal van vragen uit voortkomen. Bijvoorbeeld over het wezen van betekeniskaders, hoe ze ontstaan c.q. hoe we weer betekenis c.q. werking c.q. energie kunnen verliezen. Dat stelt de vraag wat het krachtenveld is dat werkzaam is en waarbinnen processen van betekening werkzaam zijn. Hoe een opvatting c.q. een situatiedefinitie vanzelfsprekend kan worden of juist het vanzelfsprekend karakter kan verliezen. Het vanzelfsprekende is dan niet langer vanzelfsprekend. Er kunnen bijvoorbeeld andere opvattingen ontstaan waardoor de wereld en de daarin aanwezige opvattingen over problemen en oplossingen veranderen. Standpunten hebben in dat wereldbeeld het karakter van met energie beladen objecten. Breed gedeelde overtuigingen krijgen zoveel gewicht dat definities met zoveel energie worden beladen en zoveel werking kunnen krijgen dat het objecten worden. Ze verdichten waardoor het materie wordt en het zicht op het construerend karakter gaat ontbreken. Het vanzelfsprekende wordt waarheid en er is een behoefte meer waarheid iet bevragen. Het definitie-karakter ervan verdwijnt, althans in onze beleving.

Het wereldbeeld binnen het psychiatrisch zorgsysteem

Vervolgens is de vraag wat het wereldbeeld is dat binnen het psychiatrisch zorgsysteem dominant is. Die vraag is wezenlijk en zou de basis moeten vormen voor ieder willekeurig onderzoek met betrekking tot de psychiatrische zorg. Zo op het eerste gezicht is die vraag lastig te beantwoorden. Immers, psychiatrische aandoeningen zijn wezenlijk subjectief van aard. Dat zou betekenen dat het zorgsysteem zou moeten worden gebaseerd op de individuele benadering en respect voor het eigene van ieder individu. Die benadering wordt ook breed onderschreven.

Niettemin is er sprake van tal van positivistische elementen binnen het systeem. Neem bijvoorbeeld het DSM met zijn definities van aandoeningen. Of de toedeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden zoals die vastliggen in richtlijnen en protocollen. Of de criteria voor vergoeding van behandelingen. Die dragen er allemaal aan bij dat ze de psychiatrische zorg organiseerbaar maken. Er is sprake van een ordening en een ordening is “per definitie” objectiverend. We systematiseren de werkelijkheid op een wijze die ook geheel anders zou kunnen worden geordend. In een volgend Deel gaan we in op de ordeningsprincipes die aan de basis liggen van het psychiatrisch zorgsysteem en vooral ook op de krachten en uitgangspunten c.q. vanzelfsprekendheden die daaraan ten grondslag liggen. Hier is slechts aan de orde dat het wereldbeeld binnen het psychiatrisch zorgsysteem veelkleurig is als we het neutraal benoemen en uiterst complex en weinig consistent is als we het problematiseren. Hoe dan ook is de vraag dan aan de orde hoe een systeem kan functioneren dat gebaseerd is op uiteenlopende en onderling strijdige ordeningsprincipes.

Laat het subjectieve zich organiseren?


De spanning tussen objectieve en subjectieve benaderingen is terug te voeren tot de noodzaak tot ordening en anderzijds het respect behouden voor het subjectieve. We kunnen er niet omheen dat iedere ordening, van welke aard dan ook, een reductie inhoudt. We grijpen in in de werkelijkheid. We persen de werkelijkheid binnen een ordening. Daarbij is de vraag aan de orde of de ordeningen van het verstand, om in de terminologie van Kant te blijven, overeenstemmen met de impliciete ordeningen van de werkelijkheid. (Bohm, 1985) Er is in de visie van Bohm op de werkelijkheid sprake van een onverdeelde vloeiende eenheid. Om die te benaderen moeten we openstaan voor verbindingen tussen het fysieke en het bewustzijn. De werkelijkheid kent een diepere laag dan de laag het fysieke of het geestelijke. Op een dieper niveau is alles aan elkaar verbonden in ene logica die we (nog) niet kunnen begrijpen. We missen er de begrippen en het voorstellingsvermogen voor.


Desondanks streven we naar ordelijkheid en moeten we dus genoegen nemen met ordeningen die geen juiste afbeelding van de werkelijkheid zijn. We moeten dus imperfecties accepteren. Die mogen geen reden zijn om niet op weg te gaan en te proberen tot de werkelijkheid door te dringen. Beter gebrekkige ordeningen dan ongeordendheid te accepteren, mits we ons bewust zijn van die imperfecties.


Dat bewustzijn van imperfecties en van reducties is binnen het psychiatrisch zorgsysteem zo op het eerste gezicht niet erg ontwikkeld. Integendeel, er is weinig twijfel. De gedetailleerdheid van structuren, procedures en daaruit voortkomende regels kan worden opgevat als een teken van vertrouwen. Die houding is kenmerkend voor het wereldbeeld van de moderniteit. De wereld is kenbaar en beheersbaar. Er is een heilig geloof dat we de werkelijkheid kunnen kennen en regelen. Wanneer die werkelijkheid zich anders blijkt te gedragen, is dat geen aanleiding verdiepende vragen te stellen. We denken door wat aanpassingen en desnoods door wat ingrijpender reorganisaties het functioneren te verbeteren. We blijven geloven in ordeningen. Verwardheid moet worden genormaliseerd.


Het verlangen naar transparantie en perfectie


We hebben een wereldbeeld geconstrueerd dat ons in staat stelt onze uitgangspunten en aannames overeind te houden, inclusief de ficties en illusies die er onderdeel van zijn. Sterker nog, die ficties en illusies vormen een wezenlijk bestanddeel van dat moderne wereldbeeld. Algehele perfectie is weliswaar onbereikbaar maar we kunnen wel een beeld van de werkelijkheid construeren dat ons in staat stelt de illusie van perfectie overeind te houden. Liever een schijnwereld dan een imperfecte wereld.

Thys stelt de vraag hoe ons leven eruit ziet wanneer we al onze verlangens hebben gerealiseerd, wanneer we het eindpunt hebben bereikt, wanneer er geen basis meer is voor verlangen, wanneer de werkelijkheid is zoals de werkelijkheid moet zijn. Dat beschouwt hij als het eindpunt van het leven. (Thys, 2021) Er is dan geen betekenisgeving meer. Het leven heeft dan geen zin meer. Verlangen heeft geen inhoud meer. Het bestaande heft het verlangen op. En hoe moeten we dan subjectiviteit opvatten als het subject geen verlangen meer kent? Is er dan nog wel sprake van een subject? Is het verlangen, zoals in het denken van Lacan, niet de bron van subjectiviteit. Dan wordt de mens object. Er is geen verlangen meer. Het zijn de andere objecten die het verlangen overbodig maken. Dan wordt de mens element te midden van andere elementen die zichzelf in stand houden. Er is geen behoefte meer aan verandering omdat realiteit en verlangen samenvallen. De praktijk heeft het verlangen als het ware opgelost. Het verlangen is objectloos geworden en kan niet meer worden ingevuld en volgeladen. Verlangen is leeg geworden.

Anders gezegd, imperfecties en de daaruit voortkomende verlangens kunnen worden opgevat als de essentie van het leven. De spanning die voortkomt uit de confrontatie met ons onvermogen is een bron van vitaliteit, althans kan dat zijn. Onvermogen kan ons ook overweldigen en ons het vertrouwen ontnemen dat inspanning zin heeft. De essentie van levenskracht, zo zou je kunnen stellen, is gelegen in gebrekkigheden, het vertrouwen dat we er iets aan kunnen doen en de zekerheid dat we het eindpunt niet kunnen bereiken.

De spanning in de psychiatrie tussen objectiviteit en subjectiviteit

De psychiatrie kan worden opgevat als een wetenschap, respectievelijk praktijk, waarin die relatie tussen object en subject bij uitstek aan de orde is. We kunnen daarbij niet stellen dat er sprake is van een dominante en breed gedeelde positiebepaling en daarvan afgeleide helende benaderingen en praktijken. Integendeel de psychiatrische zorg toont een veelkleurig beeld of beter gezegd er is sprake van totaal uiteenlopende beelden. Er is sprake van benaderingen die objectiverend zijn en van benaderingen die het subject centraal stellen.

Op hoofdlijnen zou je kunnen stellen dat, met uitzondering van de psychotherapeutische benadering, de benadering in sterke mate positivistisch en instrumenteel is. Dat geldt bijvoorbeeld voor de diagnostisering die in wezen een indeling en inkadering inhoudt met de definities van het DSM als ordeningskader. Dat geldt ook voor de neurobiologie waarin aandoeningen worden gereduceerd tot vraagstukken die objectief-wetenschappelijk kunnen worden benaderd. We maken studies over de functie en werking van neuronen. De onderliggende gedachte is dat wanneer we inzicht krijgen in hoe neuronen werken, hoe ze ontstaan en welke condities bepalend zijn voor het functioneren ervan, we vervolgens wellicht de werking ervan kunnen manipuleren. En zolang onze kennis daarvan nog niet perfect is, zijn we wellicht via proeven in staat te ontdekken dat bepaalde medicijnen in een bepaalde dosering een gunstig effect kunnen hebben op het helen van aandoeningen, althans het leven draaglijk kunnen maken. Een dergelijke benadering is positivistisch. We beschouwen de aandoening in een instrumentele context. Een aandoening kent oorzaken en we zijn in staat die weg te nemen of op zijn minst de gevolgen ervan minder ingrijpend te maken. Neurologische problemen onderscheiden zich binnen dat perspectief niet wezenlijk van fysieke klachten zoals beenbreuken of kankergezwellen. Zowel binnen het perspectief van het DSM als bij neurobiologisch onderzoek wordt de geest als zelfstandige dimensie geobjectiveerd en dus gereduceerd.

Een ander positivistisch element heeft betrekking op het proces van heling. We willen weten of behandelingen effect hebben, althans een gerede kans op effect. Immers, is dat niet het geval dan is er geen basis voor vergoeding van dure behandelingen. Behandelingen verbijzonderen en concretiseren we in protocollen en DBC’s, Diagnose Behandel Combinaties. Een belangrijke functie van DBC’s is dat ze de kosten van een behandeling transparant maken. Zorgverzekeraars kunnen zo het functioneren van zorginstellingen onderling vergelijken. Is een instelling voldoende efficiënt? We regelen tot in de detail verantwoordelijkheden, bevoegdheden en daarop gebaseerde praktijken. Richtlijnen en protocollen bepalen hoe te handelen. Er zijn uitvoerig beschreven standaarden met daarin normen hoe er gehandeld moet worden. De patiënt wordt gestructureerd tegemoet getreden. De beleving van de patiënt krijgt daardoor slechts ruimte voor zover de gevestigde institutionele kaders dat toelaten.


Daarmee raken we aan een principieel vraagstuk. Hoe kan een psychiatrisch zorgsysteem helende werking hebben voor subjectief beleefde aandoeningen wanneer dat is geordend binnen een objectief kader? Staat objectiviteit aandacht voor het subjectieve niet in de weg?

Een analyse van het psychiatrisch zorgsysteem kan niet compleet zijn en geen voldoende diepgang hebben wanneer die vraag geen aandacht krijgt of nog sterker niet centraal komt te staan. Het is het spanningsveld tussen de individuele beleving en de behoefte aan standaardisatie c.q. objectivering.


Die behoefte aan normalisatie komt niet alleen tot uitdrukking in de structuren binnen het psychiatrisch zorgsysteem maar ook, deels daarmee samenhangend, in de benadering van psychiatrische aandoeningen. Psychiatrische aandoeningen beschouwen we als afwijkingen, als uitingen van verwardheid. De psychiatrische zorg is er dan op gericht verwardheid te normaliseren. Roex beschrijft op basis van eigen ervaringen hoe binnen het zorgsysteem de zucht naar ordening dominant is. (Roex, 2019) We zien verwardheid als een begrip dat zich leent voor ordening. We benaderen verwardheid vanuit een ordeningsperspectief. En juist dat perspectief kan tot gevolg hebben dat we niet doordringen tot het wezen van het afwijkende, tot de verwardheid zelf. Verwardheid heeft betrekking op de spanning tussen de wijze waarop de werkelijkheid subjectief wordt beleefd en hoe we die werkelijkheid hebben geordend. Aan het wezen van verwardheid komen we niet toe doordat we bestaande ordeningen als vertrekpunt nemen. We stellen de geldende structuren en praktijken dan niet ter discussie maar we beschouwen die als geldend en gegeven. We verwachten helende werking van ordeningen die niet zelden als oorzaak kunnen worden geduid van verwardheid. Dan verwachten we van de oorzaken dat die in staat zijn de problemen op te lossen.


De tussenruimte als object van verkenning en onderzoek

Een dergelijke benadering werpt een ander licht op de tegenstelling tussen objectiviteit en subjectiviteit. Wanneer we van mening zijn dat de psychiatrische zorg te zeer gedomineerd wordt door objectieve structuren waardoor het subjectieve opzij wordt gedrukt, zou een logische stap zijn de objectivering terug te dringen en zo meer ruimte te scheppen voor het subjectieve. Een dergelijke conclusie lijkt logisch maar is ook oppervlakkig. We denken dan het probleem op te lossen door een andere verhouding tussen objectiviteit en subjectiviteit. Iedere willekeurige keuze tussen het objectieve en het subjectieve helpt ons echter niet verder. Aansluitend bij de filosofie van Deleuze zouden we het wezen van de tegenstelling moeten onderzoeken. Iedere keuze, iedere positie tussen objectiviteit en subjectiviteit, doet geen recht aan het wezen van het verschil tussen beide. We hebben doorgaans weinig belangstelling voor het wezen van het afwijkende. Het afwijkende diskwalificeert zichzelf, enkel reeds omdat het afwijkt. We moeten daarentegen het verschil zelf centraal stellen. Juist in de spanning tussen objectiviteit en subjectiviteit vinden we het wezen van het verschil. Die tussenruimte, die spanning tussen objectiviteit en subjectiviteit, kunnen we niet benaderen vanuit een objectief betekeniskader, noch vanuit een subjectief betekeniskader. We missen daarvoor de begrippen. Zodra we het verschil gaan definiëren gaat het mis. Dan reduceren we het verschil zodat en opdat we het in ons bestaand betekeniskader kunnen omvatten.

Nodig is dat we ons tot die tussenruimte verhouden en dus leren omgaan met de spanning die daaruit voortvloeit. Dat vraagt het besef dat zowel dit verlangen als de spanning permanent zijn. Bij iedere vervulling presenteert zich een nieuw verlangen. Het verlangen verspringt als het ware telkens. Het is ongrijpbaar. De horizon verbergt altijd een verder liggende horizon. Het einde van de wereld laat zich niet omvatten en bereiken. Het definitieve is nooit definitief. Iedere oplossing is voorlopig en vraagt om vervanging. Het normale vraagt altijd om bevraging.

Het normale en het abnormale

In de filosofie van Hannah Arendt treffen we een verdiepende problematisering aan van het normale. Hoe, verwijzend naar de vernietigingskampen in WO II, het alledaagse bron van verschrikkelijkheid en banaliteit kan worden. (Arendt, 2016) In termen van de psychiatrie is dan de vraag aan de orde hoe het normale het abnormale kan voortbrengen, hoe het normale “producent” kan worden van abnormaliteit. Is dat in wezen ook niet het kernvraagstuk binnen de psychiatrie? Hoe het betekeniskader van de moderniteit oorzaak kan zijn van aandoeningen als burn-outs als gevolg van de georganiseerde jachtigheid en vervreemding. Daar zou je, zoals eerder aangegeven, de vraag aan kunnen koppelen hoe een systeem dat zelf is geordend en functioneert langs de lijnen van de moderniteit helend kan werken voor aandoeningen die in de moderniteit hun bron en oorzaak vinden.

En, nog een stap verder, hoe normaal is het psychiatrisch zorgsysteem zelf? Uit oogpunt van een goede besteding van geld en menskracht is gaandeweg een uiterst geordend systeem geconstrueerd. Maar de praktijk toont een heel ander beeld. Een systeem veronderstelt gezamenlijkheid en interne verbindingen. Daar ontbreekt het volgens Denys aan. (Denys, 2020) De actoren denken en werken vanuit een voor ieder heel verschillend discours. Dat geldt voor psychiaters, managers, financiers en beleidsmensen. Ze hebben allemaal een eigen perspectief. Met de mix daarvan heeft vervolgens de patiënt te maken. Die betreedt bij opname een voorgeprogrammeerd systeem dat lastig is te doorzien. Hij wordt verondersteld vertrouwen te hebben in een systeem dat buitengewoon complex is en waarin opvattingen ook nog eens sterk uiteen kunnen lopen.

Wanneer we een psychiatrische aandoening duiden als een probleem van afwijkende betekenisverlening is de eerste vraag wat de bron van het afwijkende is. Als een betekenisgeving afwijkend is stelt zich de vraag wat de toetssteen is voor het afwijkende. In een analyse is dat een belangrijke vraag. Onze opvatting van normaliteit maakt het afwijkende tot afwijkend. Zo beschouwd is het afwijkende ook een constructie hoewel we ons doorgaans niet realiseren dat we er zelf de constructeurs van zijn. Het afwijkende ontleent zijn identiteit aan de relatie met het normale.

Het normale als toetssteen

Wanneer het normale beslissend is voor het afwijkende kunnen we ook de vraag stellen wat er valt te zeggen over het normale? Wat is kenmerkend voor wat we voor normaal houden? Wat kunnen we zeggen over de constructie die we hebben gemaakt van normaliteit? En waarom beschouwen we het normale als dominant ten opzichte van het abnormale? Waar ontleent het normale zijn hogere waarde aan?

Stel nu eens dat aan ons begrip van normaliteit beperkingen kleven. Stel dat het betekeniskader van de normaliteit gebreken vertoont. Verkenning en duiding van het normale is niet eenvoudig. Wat we normaal vinden wordt doorgaans niet geëxpliciteerd. Het normale legitimeert zichzelf. Het hoeft niet bevraagd te worden. Het wezen van normaliteit toont zich niet als zodanig. De identiteit van het normale bevindt zich in veronderstellingen en uitgangspunten die juist vanwege het vanzelfsprekend karakter geen onderzoekbehoefte oproepen. Onze structuren en instituties vormen uitdrukking van wat we normaal vinden.

Normaal, zo stelt Roex, is eigenlijk een vaag begrip. Het is lastig om het te duiden. (Roex, 2019) We hebben er wel opvattingen over en in ons dagelijks denken en handelen reproduceren we telkens weer wat we ermee bedoelen. Dat we lastig kunnen aangeven wat het normale inhoudt heeft ook gevolgen voor de tegenpool van het normale, het abnormale. Het abnormale heeft daarmee geen referentiepunt en geen eigen identiteit. Abnormaal ten opzichte van wat? Het abnormale geven we in ons spraakgebruik een negatieve lading. We kunnen het abnormale ook opvatten als datgene dat niet “normaal” kan worden geordend. Het is buitengeslotene en dat buitensluiten maakt het mogelijk dat het normale kan functioneren.

Uit de archeologische benadering van Foucault volgt dat normaliteit geen constructie van de mens is maar dat de mens zelf al genormaliseerd is door het onderliggende betekeniskader. De mens is dus voorgeprogrammeerd en is niet zichzelf. In het antropogeen stellen we dat de mens zichzelf centraal heeft gesteld maar wie is die mens? Het is geen eigen schepping, geen zelfstandig subject. Maar de mens is de ander. Die gedachte is niet enkel bij Foucault aan te treffen maar nog sterker bij Lacan die dat voor het individu uitwerkt. Een volgend wereldbeeld zou met betrekking tot de positie van de mens kunnen inhouden dat de mens zichzelf niet langer centraal stelt maar zich als afhankelijk wezen ziet. De kosmos centraal dus waar de mens een onderdeel van is. De mens die ordenend optreedt omdat hij zonder ordening niet kan leven. Maar ook in het besef dat iedere ordening een constructie is en de mens de ordening en de chaos in hun onderlinge verbondenheid ziet. Ordeningen als betekende componenten te midden van een verder onbetekende kosmos. Pas door die betekening kan de mens zichzelf plaatsen in een context van overzichtelijkheid. Hij is zich permanent bewust van de reductie en waardeert het buitengeslotene als evenwaardig aan het geordende.

Dat betekent dat we onderscheid maken tussen zelf gecreëerde waarheid en verborgen waarheid. Beide waarheden bestaan. De uitdaging is dan om verbindend te denken. Niet langer de waarheid binnen een gereduceerd wereldbeeld als definitief verworven beschouwen maar als een opstap naar de echte waarheid die ook de impliciete waarheid omvat. Dat betekent dus ook een heroverweging van rationalisatie en dus van het denkkader van de moderniteit. Een houding van respect en ontzag. Een beeld van nietigheid van de mens in relatie tot de kosmos. Geen onafhankelijke positie maar de mens als onderdeel in een complex van afhankelijkheden en dus ook zelf in een afhankelijke positie.

Je zou, deze lijn volgend en de relatie leggend met de actualiteit, kunnen stellen dat vanuit het perspectief van het constructivisme de hardnekkigheid van vraagstukken van de moderniteit verklaarbaar is. De mens die zichzelf als onafhankelijk van de werkelijkheid positioneerde en zich een beeld van de werkelijkheid vormde als zijnde kenbaar en manipuleerbaar. En de mens die ook zichzelf als kenbaar en manipuleerbaar beschouwde. In de terminologie van betekenaar en betekende zou je kunnen stellen dat de mens in dubbel opzicht betekenaar is. Eerst als de persoon die betekenis geeft aan de werkelijkheid en tegelijkertijd als persoon die zichzelf betekent in relatie tot de werkelijkheid waar hij zelf een deel van is.

Het normale als probleem

Maar stel nu eens dat het normale niet deugt. Dat het is gebaseerd op uitgangspunten en aannames die niet kloppen. Dan is de maatstaf gebrekkig en is de basis niet in orde. Dan houden we praktijken en denkwijzen in stand die in zichzelf niet correct zijn. En, nog erger, dan leidt de dominantie en de vanzelfsprekendheid van het normale ertoe dat het normale niet meer wordt bevraagd. Dan is een systeem niet meer in staat kritisch te reflecteren over zichzelf. Reflectie leidt dan enkel tot herhaling, tot reproductie. Dan hebben systemen een sterke neiging tot reproductie, tot zelfbevestiging. Tevredenheid over het functioneren is dan gebaseerd op ficties, mythes en taboes. Die vormen gezamenlijk een sterke verdedigingslinie om gebreken niet aan de oppervlakte te laten komen. Ze krijgen geen verwoording omdat taboes dat belemmeren en/of omdat we de begrippen missen om ze tot uitdrukking te brengen.

Onze neiging om het normale kritisch te bevragen is in het algemeen niet groot. Waarom zouden we dat doen? Het is vanzelfsprekend. Met betrekking tot het abnormale is de behoefte aan onderzoek nog geringer. Het abnormale hoort er niet te zijn. Het buitengeslotene is immers niet voor niets buitengesloten. En als we het onderzoeken benaderen we het abnormale als een afwijking. (Slatman, 2020) In een afzonderlijk Deel zullen we ingaan op de krachten die daarbij spelen. Ook daar zullen we als vertrekpunt nemen dat het normale en het abnormale twee polen zijn van eenzelfde werkelijkheid. Beide polen ontlenen hun identiteit aan elkaar. Het is de tussenruimte tussen de polen die het onderzoeken waard is.


Tot slot

We stelden dat de tussenruimte een goede ingang is om tot inzicht te komen. Het is de ruimte waarin zich datgene bevindt dat niet past in onze ordeningen, het buitengeslotene dus. Dat afwijkende staat centraal in Deel III. Wat is onze opvatting van normaliteit waar onze ordeningen binnen het psychiatrisch zorgsysteem op zijn gebaseerd? Wat zijn de processen van buitensluiting? En laat het buitengeslotene zich passief buitensluiten? Kunnen we de werking ontnemen aan het buitengeslotene? Kunnen we het “dood” definiëren?


Literatuur

Arendt, Hannah, Eichmann, de banaliteit van het kwaad, Olympus, 2016

Bohm, David, Heelheid en de impliciete orde, Lemniscaat, 1985

Denys, Damiaan, Het tekort van het teveel, de paradox van de mentale zorg, Nijgh & van Ditmar, 2020

Heisenberg, Werner, Northrop, F.S.C., Physics and Philosophy, The Revolution in Modern Science, Penguin Books Ltd, 2000

Kant, Immanuel, Kritiek van de zuivere rede, Vert. Veenbaas, Visser, Boom, 2007

Nicolescu, Basarab, Methodology of Transdisciplinarity – Levels of Reality, Logic of the Included Middle and Complexity, in: Transdisciplinary Journal of Engineering & Science Vol: 1, No:1, (December, 2010), pp.19-38

Merleau Ponty, Maurice, De wereld waarnemen, Boom, 2003

Roex, Karlijn, In verwarde staat, Kritiek op een politiek van normaliteit, Lontano, Amsterdam, 2019

ter Meulen, C. en van Woerkom, T.C.A.M. Het verklaren van symptomen: lichaam-object en lichaam-subject, Tijdschrift voor psychiatrie, 51, 2009, 3, p. 151-160


Slatman, J. (2020), Fenomenologie van ziekte en abnormaliteit, Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte, 112(1), 1-24.

van Strien, P.J. De genese van wetenschappelijke ideeën: de biograaf als wetenschapspsycholoog, Netherlands Journal of Psychology 61, 13–22 (2006).

Thys, Michel, Op de rand van het menselijke, Gompel & Svacina, Antwerpen / ’s-Hertogenbosch, 2021

Wagemans, Mathieu, Een pleidooi voor een kwantumbenadering in wetenschap, bestuur en beleid, Civis Mundi, nr. 90, 2019





**************************

Opiniebijdrage De Limburger 19 mei 2021

Vertrouwen als hinderpaal

Thieu Wagemans, Raadslid Leudal

De toeslagenkwestie heeft veel losgemaakt. Er is een pleidooi voor een andere bestuurscultuur. Er is meer kritisch vermogen nodig van het parlement. Dat is makkelijk gezegd en moeilijk gedaan. De gemeentepolitiek als voorbeeld.

Allereerst is aan de orde dat overheidsbeleid ongelooflijk ingewikkeld is en steeds complexer wordt. Zonder juridische kennis van regels, praktijken en vonnissen staat een burger al gauw op het verkeerde been. Er gelden strakke regels en beginselen van behoorlijk bestuur. Die zijn bedoeld om het functioneren van de overheid te verbeteren en waarborgen in te bouwen tegen willekeur.

Nu zou men kunnen stellen dat het weliswaar van burgers teveel is gevraagd om tot in de haarvaten van de overheid door te dringen maar dat dit ook niet nodig is. Daar hebben we in onze democratische rechtsstaat immers volksvertegenwoordigers voor. Die moeten niet alleen beleid vaststellen maar ze moeten ook controleren. Als volksvertegenwoordiger nemen ze de controletaak over van de burgers. Zo zou het moeten zijn.

Maar de praktijk biedt een heel ander beeld. De noodzaak van gedegen controles wordt weliswaar formeel onderschreven maar in de praktijk is er sprake van aanzienlijke tegenwerking. Wanneer een raadslid zich al te zeer verdiept in allerlei besluiten die vragen oproepen valt al gauw het verwijt dat raadsleden zich niet moeten bemoeien met het dagelijkse werk. Dat is immers opgedragen aan het College. Er moet vertrouwen zijn. En dat beroep op vertrouwen krijgt dan een uitwerking dat we ervan uit moeten gaan dat alles wat het college doet welgedaan is. En daar gaat het mis. Controle wordt dan opgevat als een uiting van wantrouwen. Wie vertrouwen heeft in het College zou geen behoefte moeten hebben aan controle. Een dergelijke cultuur is dodelijk voor het serieus nemen van de controletaak die een volksvertegenwoordiger hebt en die wettelijk is verankerd.

Ook is een bekend verschijnsel dat Colleges zeer vaardig zijn om gestelde vragen zo algemeen te beantwoorden dat een raadslid weliswaar niet kan ontkennen een antwoord te hebben gekregen maar dat men zorgvuldig om lastige vragen heeft heen gecirkeld. Men heeft de lont eruit gehaald en beperkt zich tot algemeenheden, vaak van procedurele aard. Men ontwijkt een inhoudelijk antwoord. Dat is een merkwaardige tegenstelling. Woorden die vooral als doel hebben antwoorden te omzeilen en te verhullen in plaats van te onthullen. Dat geldt in het bijzonder wanneer het om kwesties gaat waarin wellicht niet helemaal volgens de regels is gehandeld.

Een derde ervaring is dat in een dergelijke cultuur een beroep op vertrouwen al gauw een dekmantel wordt waardoor lastige en omstreden besluiten aan de openbaarheid worden onttrokken. Er wordt een beroep gedaan op raadsleden de zaak buiten de openbaarheid te houden omdat de gemeente anders te negatief in het nieuws komt.

Dergelijke praktijken hebben gemeenschappelijk dat ze belemmerend werken voor raadsleden om als volksvertegenwoordigers het volk te vertegenwoordigen. Een raadslid wordt dan ingepalmd met als doel onderdeel te worden van een systeem, ook als dat gemankeerd functioneert. Dat is de beste garantie dat verbetering uitblijft en problemen in stand worden gehouden. Raadsleden worden dan raderen in bureaucratische processen. Men gaat meedraaien in plaats van repareren. Er ontstaat geestelijke inteelt.

Dergelijke praktijken hebben gemeenschappelijk dat ze drempels opwerpen tegen kritisch vermogen. Kritisch vermogen vraagt ruimte. En als die ruimte ontbreekt kan er heel gemakkelijk een cultuur ontstaan waarin problemen in stand worden gehouden en jarenlang door kunnen etteren. De enigen die daar last van hebben zijn dan de burgers die zich met verbazing en niet zelden met woede afvragen hoe gemankeerde praktijken alsmaar kunnen voortduren. Beter is het verkeerde praktijken te onderkennen in plaats van de ogen te sluiten. Erkenning als voorwaarde voor verbetering.

*********************************

Het psychiatrisch zorgsysteem. Deel I: Een probleemschets


Civis Mundi Digitaal #109

door Mathieu Wagemans          www.ontganiseren.nl


Inleiding en thematisering

Wie zich een beeld vormt van het psychiatrisch zorgsysteem en als een eerste kennismaking wat berichten in de pers leest en politieke discussies volgt krijgt niet bepaald een positieve indruk. Integendeel. Publicaties roepen een beeld op van verdeeldheid en van gebrek aan middelen terwijl tegelijkertijd de behoefte aan psychiatrische zorg sterk toeneemt. Die verdeeldheid heeft bijvoorbeeld betrekking op de vraag wat we onder goede psychiatrische zorg verstaan. Er bestaat geen eenduidig beeld over hoe psychiatrische zorg moet worden verleend.

Ook is sprake van verschillende benaderingen die onderling sterk verschillen. Globaal gezien treffen we vaak het onderscheid aan tussen medicalisering, neurobiologische en psychotherapeutische benaderingen. De grondgedachte bij medicalisering is dat een patiënt kan worden geholpen door toediening van medicijnen. Die benadering is wijdverspreid. Althans, het medicijngebruik is sterk toegenomen. De verklaringen daarvoor lopen echter nogal uiteen. Zo wordt wel gesteld dat er alle reden is om te twijfelen aan de werking van medicijnen. Wanneer je niettemin blijft geloven in medicatie leidt dat automatisch tot langdurig gebruik. Een andere verklaring is dat het aantal mensen met een psychiatrische aandoening alsmaar toeneemt wat eveneens het gebruik van medicijnen doet toenemen.

Die verschillende benaderingen van psychiatrische aandoeningen hebben uiteraard ook gevolgen voor de vraag hoe psychiatrische aandoeningen moeten worden behandeld. Aan psychotherapie liggen heel andere uitgangspunten ten grondslag dan aan bijvoorbeeld het voorschrijven van medicijnen of fysieke ingrepen zoals electroconvulsie-therapie.

Ook de vraag wat we onder een psychiatrische aandoening moeten verstaan kan niet helder worden beantwoord. Iemand kan zich een of enkele dagen depressief voelen maar dat betekent nog niet dat die persoon psychiatrisch ziek is. Anders gezegd, er moet sprake zijn van een ernstige aandoening maar wat is ernstig? Wat zijn de maatstaven aan de hand waarvan we kunnen vaststellen dat het een psychiatrische aandoening is? Bovendien is sprake van een waaier aan aandoeningen. Het DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) bevat een groot aantal aandoeningen die op hun beurt weer worden onderverdeeld in categorieën.

Een fundamenteel probleem is ook dat aandoening zich niet als zodanig toont. Anders dan bij een beenbreuk is de aandoening zelf niet te zien. Wat er in het hoofd van iemand omgaat is niet direct waarneembaar. We zijn afhankelijk van hoe een patiënt onder woorden brengt. Of we interpreteren gedrag op basis waarvan we vaststellen of er sprake is van een psychiatrische aandoening. De problematiek is complexer. Het gaat dan om lichaam-geest-relaties die, zolang als er sprake is van wetenschap, als een uiterst complex aandachtsgebied worden beschouwd.

Ook is er geen helder onderscheid tussen begrippen psychiatrisch en psychologisch. We komen niet verder dan erg algemene indelingscriteria die inhoudelijk zwak zijn, althans weinig helder. Het gaat dan om de ernst van de klachten, of opname noodzakelijk is en of een patiënt externe hulp nodig heeft voor genezing. He zijn pragmatische criteria omdat het lastig is om tot het wezen van psychiatrische aandoeningen door te dringen.


Oorzaken van psychiatrische aandoeningen

Over de vraag wat de oorzaken zijn van psychiatrische aandoeningen bestaan er geen heldere antwoorden. Hoe ontstaan ze en welke krachten zijn daarop van invloed? Daar zijn zeker gedachten en noties over maar van een overall en intern consistent beeld is geen sprake. We kunnen tal van relaties onderkennen tussen afzonderlijke factoren, maar dan nog weten we niet hoe de onderliggende oorzaak-gevolg-relaties eruit zien. We kunnen weliswaar condities benoemen die bijvoorbeeld de kans op een depressie vergroten, maar de kennis over waarom de een depressief wordt en de ander niet is nog in hoge mate veronderstellend.

Er spelen factoren die persoonsgebonden zijn, er kan sprake zijn van omgevingsfactoren of aandoeningen c.q. de gevoeligheid voor aandoeningen kan aangeboren zijn. Er kan sprake zijn van overerving. Maar een kansberekening is iets anders dan voorspellend vermogen. We missen daarvoor de hardheid van onderbouwde en bewezen lineaire relaties. En mogelijk c.q. waarschijnlijk is een positivistische benadering ook niet geschikt omdat lichaam-geest-relaties andere dimensies kennen dan de fysieke werkelijkheid.


Tussenconclusie

Begrippen als psychiatrie en psychiatrische aandoeningen hebben het karakter van een dekmantel die, positief gesteld, een rijke variatie aan opvattingen en praktijken toedekt en, negatief gesteld, een complex van tegenstellingen aan het oog onttrekt. Het is een wetenschapsgebied dat als kenmerk heeft,dat het zelfs lastig is het object van studie te benoemen, laat staan dat we beschikken over valide kennis en inzichten. Er is ook weinig overeenstemming over de vraag hoe en in welke richting we die kennis moeten zoeken. Dat maant tot bescheidenheid met betrekking tot de pretenties van een wetenschap. Er is weinig basis voor stellige uitspraken. Stellige uitspraken hebben als risico dat ze de noodzaak om te zoeken wegnemen en de zoekruimte beperken. In plaats daarvan lijkt ingebouwde twijfel een betere conditie voor vooruitgang.

Die conclusie staat nogal op gespannen voet met de wijze waarop het psychiatrisch zorgsysteem is georganiseerd en functioneert. Bij eerste aanblik ontstaat een beeld van een gedetailleerd geordend geheel van verantwoordelijkheden, bevoegdheden, protocollen en regels. Er is sprake van een overvloed aan regels die op handelingsniveau zijn uitgewerkt. Al die regels zijn er niet voor niets.

Regels ontstaan op basis van redeneringen en aan redeneringen liggen doelen en wensen ten grondslag. We willen bijvoorbeeld weten hoe de psychiatrische zorg wordt verleend. Hoeveel tijd is ermee gemoeid? Valt er iets te zeggen over het resultaat ervan? Blijkt de ene benadering effectiever te zijn dan de andere? Bovendien is er een plicht tot verantwoording. Financiers zoals overheid en zorgverzekeringen willen weten wat het effect is van inspanningen. Kan het beter en goedkoper?

Dat leidt tot rapportageverplichtingen die door zorgverleners als nodeloze bureaucratie worden ervaren. Breed gedeeld zijn de klachten dat het voldoen aan alle regels zoveel tijd opslorpen dat dit te koste gaat van de zorgverlening. Het zorgsysteem is bedoeld om helend te werken voor de patiënt maar nakoming van regels staan die zorg in de weg. Er vindt een omkering plaats van de relatie tussen middel en doel. Het middel verkeert in zijn tegendeel en gaat hinderend werken om het doel te realiseren.

Dat roept ook andere vragen op. Hoe verhoudt de precisie van de ordening zich tot de complexiteit van de psychiatrische zorg? Anders gezegd, wat is de legitimatie voor de ordening? Hoe kunnen we er zeker van zijn dat de ordening in staat stelt onze ambities te realiseren wanneer tegelijkertijd sprake is van aanzienlijke leemtes in de kennis? Daarmee zijn vragen van principiële aard aan de orde. Die vragen betreffen de spanning tussen chaos en ordening.

De wens of noodzaak tot ordening kan zo sterk zijn, dat we de eisen die we zouden moeten stellen aan ordening terzijde schuiven. We stellen ons tevreden met een ordening ondanks enig inzicht in de aard van de chaos. Ordening wordt een doel op zichzelf. Dat is een riskante houding. Want hoe we het ook wenden of keren, ieder ordening werkt uitsluitend. Een ordening brengt een onderscheid aan tussen de werkelijkheid die past binnen de ordening en de werkelijkheid die wordt buitengesloten.

Maar hoe kunnen we weten wat we buitensluiten door een ordening wanneer het ons ontbreekt aan kennis van en inzicht in de chaos? Lopen we dan niet het risico dat we door te ordenen belangrijke delen van de werkelijkheid buitensluiten? De ordening kan dan als uiterste consequentie in zijn tegendeel verkeren. De ordening ontneemt ons dan het zicht op de werkelijkheid en gaat hinderend werken om tot vooruitgang te komen.

Aan dergelijke vragen ligt een dilemma ten grondslag. We willen inzicht krijgen in chaos en tegelijkertijd beschikken we niet over criteria die ons helpen om de chaos op de beste en meest beloftevolle wijze te benaderen. Dan lijkt iedere poging tot inzicht een slag in de lucht. De vraag is vervolgens hoe we niettemin stappen vooruit kunnen zetten. Daarbij moeten we voor ogen houden dat er al veel is geprobeerd. Het functioneren van de psychiatrische zorg is aanleiding geweest voor een onoverzienbaar aantal rapporten, beleidsstudies en evaluaties. Dat maant tot bescheidenheid.

Aan een herhaling van zetten is geen behoefte. In deze serie is gekozen voor een systemisch perspectief. Wanneer veranderingen binnen het systeem niet helpen hebben we wellicht te maken met systeemproblemen. Is het systeem niet voorgeprogrammeerd op reproductie waardoor we telkens weer het verleden herhalen? Pogingen tot verbetering laten de onderliggende vraagstukken onaangetast en bestrijden op zijn best symptomen en vaak dat niet eens. Ze creëren de illusie van een oplossing en nemen daardoor de noodzaak weg nog langer te zoeken naar onderliggende oorzaken en systeemproblemen.

De vraag is vervolgens hoe we die systeemproblemen op het spoor kunnen komen. Een complicerende factor daarbij is dat een groot aantal partijen is betrokken bij de psychiatrische zorg. Denk aan overheid, zorgverzekeringen, zorgorganisaties, patiëntenorganisaties en de sociale omgeving van patiënten. Die denken en handelen elk vanuit een verschillend perspectief.

Er is sprake van uiteenlopende belangen. Er kan sprake zijn van tegenstellingen. Bijvoorbeeld wanneer de vereiste zorg kostbaar is. Of wanneer de noodzaak van nieuwe zorgpraktijken moeilijk kan worden onderbouwd omdat een harde kennisbasis ontbreekt. Er is dan geen bewijs mogelijk dat een nieuwe benadering succesvol zal zijn.

Bovendien is aan de orde wie de doorslag geeft bij de vraag of een behandeling succesvol is. Logischerwijs zou dat de patiënt moeten zijn. Ervaart de patiënt een nieuwe behandelmethode als helend, althans als probleem-verlichtend? Maar hoe kunnen we subjectieve beleving door een patiënt meten, veralgemeniseren en objectiveren? Hoe kunnen we vooruitgang bewijzen en hard maken?

Situaties en gebeurtenissen die als probleem worden ervaren maar tegelijkertijd complex zijn worden wel aangeduid als ‘wicked problems’. Kenmerk daarvan is dat ze het lastig maken tot scherpe en eenduidige analyses en conclusies te komen. Er is dan een besef dat het lastig is het echte probleem helder aan te geven. Symptomen laten zich moeilijk onderscheiden van oorzaken. Bovendien biedt het identificeren van lineaire oorzaak-gevolg-relaties geen oplossing. Daarvoor zijn oorzaken en gevolgen binnen het systeem intern te sterk in elkaar verstrengeld. Het is een kluwen waarbij je vooraf niet kunt voorspellen welke effecten een interventie heeft.

De ervaring leert dat wijziging van regels niet echt helpt de problemen op te lossen terwijl we tegelijkertijd niet goed in staat zijn aan te geven in welke richting we oplossingen moeten zoeken. Het denken in doelen en middelen helpt ons dan niet verder. Dat is te eenvoudig of, anders gezegd, de problemen zijn te ingewikkeld. Vergelijk Herman Wijffels, die benadrukt dat we het industriële tijdperk achter ons hebben gelaten en dus ook het daarbij horende denkkader terzijde moeten schuiven (Wijffels, 2021). We kunnen we niet langer vertrouwen op het positivistisch beeld van de werkelijkheid als zou er sprake zijn van causale relaties die mechanistisch van aard zijn.

Wie de veelheid, dynamiek en complexiteit van een psychiatrisch zorgsysteem op zich laat inwerken kan gemakkelijk worden overvallen door een zekere hopeloosheid wanneer je inzicht wil verwerven in de werking van het systeem. Hoe kun je daarin ordeningen aanbrengen? En hoe weet je dat de ene benadering beter is dan de andere? Je hebt niet met een eenduidige werkelijkheid te maken maar er flitsen voortdurend onderling afwijkende werkelijkheden door elkaar.

Vanuit een positivistisch perspectief bestaat dan de neiging de werkelijkheid te reduceren tot een eenduidige werkelijkheid. Je formuleert dan uitgangspunten, preciseert begrippen en vormt een afbeelding van de werkelijkheid die kan worden onderzocht met behulp van gangbare en door het wetenschappelijk forum geaccepteerde methodes. Je kunt zo via onderzoek tot ware kennis komen.

Probleem is echter dat die reductie van de werkelijkheid slechts mogelijk is door werkelijkheid buiten te sluiten. Bij de overgang van meerduidigheid naar eenduidigheid ontstaan er restposten. De werkelijkheid wordt ingeperkt. Dat heeft gevolgen voor de geldigheid en bruikbaarheid van aldus verworven kennis. Die heeft slechts werking binnen het eenduidige perspectief dat aan het onderzoek ten grondslag lag. Dat levert een spanning op tussen waarheid en bruikbaarheid. Hoe zekerder onze kennis, des te geringer is de werking ervan. Het ware staat op gespannen voet met het nuttige.

Een alternatief voor een positivistisch uitgangspunt is het constructivisme. Die houdt in dat we niet kunnen doordringen tot de werkelijkheid zoals die “is” maar dat we slechts in staat zijn ons afbeeldingen te vormen van de werkelijkheid. We geven betekenis aan de werkelijkheid en creëren een constructie van de werkelijkheid. Dat heeft gevolgen. Wanneer we veronderstellen dat de werkelijkheid een logica kent die we kunnen ontdekken is de vraag aan de orde hoe logisch onze processen van betekenisgeving zijn. Immers, als die onlogische elementen bevatten zullen we bijgevolg niet goed tot de logica van de werkelijkheid kunnen doordringen. Wanneer ons denken vervuld is met onlogische elementen zullen die elementen ook aanwezig zijn in het beeld dat we ons van de werkelijkheid vormen.


Aan de orde is dan de vraag of de werkelijkheid wel logisch in elkaar steekt. Of, nog preciezer, stemt de logica in ons denken wel overeen met de logica in de werkelijkheid? Immers, wat we onder logica verstaan kan ook worden opgevat als een constructie. In de literatuur treffen we het onderscheid aan tussen onze denkmodellen en de werkelijkheid. We veronderstellen dat de werkelijkheid zich gedraagt conform onze denkmodellen. Als die veronderstelling niet blijkt te kloppen kunnen we dat de werkelijkheid verwijten maar we kunnen ook in de spiegel kijken en ons afvragen of onze logica wel overeenkomt met de logica van de werkelijkheid. Is juist onze opvatting van logica niet de oorzaak waarom onze inspanningen vaak niet het gewenste resultaat hebben? Schort er niet iets aan ons beeld van de wereld?

Moeten we, anders gezegd, de oorzaken van mislukking niet bij onszelf zoeken? Dat is een omkering in ons denken dat aansluit bij de benadering van Kant. Die stelde dat we menen de werkelijkheid te leren kennen, maar in wezen is ons denken gebaseerd op een afbeelding van de werkelijkheid. We vormen ons op basis van ons verstand een beeld van de werkelijkheid en laten dat samenvallen met de werkelijkheid. Anders gezegd, we reorganiseren een werkelijkheid die niet bestaat, die slechts een constructie is van onszelf. Wanneer onze inspanningen geen succes hebben moeten we dat niet de werkelijkheid verwijten maar onszelf.

Daarmee hangt de vraag samen of we wel in staat zijn tot de werkelijkheid door te dringen. We kunnen vanuit ons logisch voorkomende perspectieven de werkelijkheid benaderen maar er zal altijd een restpost overblijven. Iedere ordening waarmee we de werkelijkheid benaderen zal niet in staat stellen de werkelijkheid in volle breedte en diepte te omvatten. Iedere ordening sluit werkelijkheid buiten. We kunnen vervolgens proberen ook het buitengeslotene vanuit aanvullende logisch opgebouwde perspectieven proberen te begrijpen maar ook dan zal er een restpost overblijven.

Anders gezegd, het ideale en allesomvattende perspectief is onbereikbaar. We moeten, vanuit het perspectief van betekenisgeving, volledig en absoluut inzicht als een illusie beschouwen. Dat besef was reeds bij Kant aanwezig. De werkelijkheid “an sich” is niet kenbaar. Bohm (2019) stelt dat we de werkelijkheid niet moeten leren kennen zoals de werkelijkheid “is”. Dan kiezen we voor een statische werkelijkheid. In plaats daarvan moet de werkelijkheid worden opgevat als een beweging, als een flux.

Om de werkelijkheid te begrijpen moeten we proberen de krachten op te sporen die basis vormen voor de dynamiek. En de condities waaronder krachten werkzaam zijn. Bohm stelt ook dat er altijd een spanning tussen de eenvoud van ons denken en de complexiteit van de werkelijkheid. Die complexiteit is een gevolg van de eenvoud van ons denken. We zijn, anders gezegd, zelf de constructeur van de complexiteit. De eenvoud van ons denken is bron en oorzaak van de restpost. Ons denkkader kan de werkelijkheid niet omvatten. Er schiet werkelijkheid over.


De theorie van Gurvitch

De uitdaging is tot kennis te komen over de werkelijkheid via onderzoekbenaderingen waarin meervoudigheid uitgangspunt is. Die meervoudigheid heeft zowel een breedte- als een diepte-aspect. Het breedteaspect houdt in dat we de werkelijkheid recht doen door oog te hebben voor uiteenlopende perspectieven. De werkelijkheid toont zich aan ons gevarieerd, afhankelijk van de betekenis die we eraan geven. Het diepteaspect vraagt van ons dat we ons niet beperken tot de werkelijkheid zoals we die waarnemen maar dat we ook aandacht schenken aan de onderliggende processen.

Gurvitch introduceerde het begrip “dieptelagen”. Hij onderscheidde tien lagen: de geografische, demografische en eco­logische oppervlakte, de sociale organisaties, de sociale patronen, de regelmatige collectieve gedragingen buiten die van de organisaties, het netwerk van sociale rollen, de collectieve houdingen, de sociale symbolen, de gistende, vernieuwende en scheppende collectieve stromingen, de collectieve waarden en ideeën en tot slot de collectieve mentale toestanden en psychische akten.

Gurvitch paste die benadering vooral toe op het gebied van de moraliteit en het recht. De verschijningsvorm, het gedrag, nodigt uit de onderliggende regel te ontwaren. De regel nodigt uit de onderliggende ratio te onderkennen. De ratio vormt op zijn beurt de opstap om het zingevingskader te benoemen dat er de basis van vormt (Ponsioen, 1957).


Het gaat daarbij om meer dan een optelsom van aspecten en invalshoeken. De uitdaging is om ook de interacties tussen dieptelagen op te sporen. We kunnen dus niet volstaan met een multidisciplinaire benadering. Dan zouden we veronderstellen dat we kunnen volstaan met een optelsom van kennis die we via verscheidene disciplinair georiënteerde onderzoeken hebben verworven. Maar ook een interdisciplinaire benadering, opgevat als een uitwisseling van disciplinaire kennis tussen disciplines, helpt ons niet verder.

Er is een discipline-overstijgende benadering nodig die in staat tot verbinding en integratie van disciplinaire kennis. Dat betekent een ander perspectief. En vanuit dat transdisciplinaire perspectief zijn we beter in staat door te dringen tot de dynamiek van een complex systeem. Dat laat zich illustreren door de benadering van Michel Serres die stelt dat we met behulp van disciplinaire perspectieven niet de werkelijkheid geheel kunnen omvatten. Er blijft werkelijkheid “over” die niet wordt beschenen met behulp van disciplinaire perspectieven. Het is de ruimte tussen de disciplines, de ruimte “entre” (Latour, 195).


Ook het denken van Deleuze kan ons verder helpen. Deleuze schetst een beeld van de werkelijkheid dat geheel afwijkt van het keurig geordende beeld dat binnen de overheid dominant is. Hij neemt afstand van ordeningen en structuren. Die leiden tot onvolledige en dus onjuiste representaties van de werkelijkheid. Hij schetst een beeld van de werkelijkheid waarin sprake is van onoverzienbaar veel elementen die voortdurend bewegen. Die elementen hebben niet zozeer zelfstandig betekenis maar krijgen hun betekenis in relatie met andere elementen. Er ontstaan assemblages in de terminologie van Deleuze (1987). Maar ook die assemblages bieden weinig houvast. Ze ontstaan en worden vervolgens vervangen door nieuwe assemblages (Wagemans, 2019).


Wanneer we het constructivisme als vertrekpunt nemen is de vraag aan de orde welk perspectief we kiezen om de werkelijkheid, in dit geval het psychiatrisch zorgsysteem, te benaderen. Ook, of liever gezegd juist, wanneer we de benadering van betekenisgeving kiezen is het betekeniskader belangrijk van waaruit we de werkelijkheid betekenen. Die werkelijkheid kunnen we dan opvatten als een ruimte waarin processen van betekenisgeving centraal staan. Objecten en standpunten worden betekend. Ze worden beladen met betekenis. Objecten en standpunten kunnen ook hun betekenis verliezen. Vanzelfsprekendheden kunnen aan betekenis verliezen doordat er twijfel ontstaat. Het vanzelfsprekende wordt minder vanzelfsprekend. Vanzelfsprekendheden ontstaan wanneer standpunten met zoveel betekenis worden beladen dat ze geen onderwerp meer vormen van discussie. Ze spreken vanzelf en onttrekken zich aan processen van betekenisverlening. Standpunten kunnen zodanig stollen dat ze de status van objecten krijgen. We verliezen dan het zicht op het wezen ervan, namelijk dat ze het resultaat zijn van betekenisgeving. Ze worden voor “waar” aangenomen en zijn niet langer onderwerp van twijfel. Ze zijn boven de twijfel verheven.


Die stolling tot vanzelfsprekendheden is zowel problematisch als onvermijdelijk. Problematisch omdat er sprake is van uitsluiting. Wat niet past binnen het geldend betekeniskader blijft betekenisloos. Daarmee kunnen we ook veelbelovende opties om problemen op te lossen buitensluiten, simpelweg omdat ze niet vanuit ons perspectief worden beschenen. Een dominant betekeniskader heeft de neiging zichzelf te reproduceren. Het biedt vanwege die dominantie geen ruimte de werkelijkheid op een andere wijze te betekenen. Het heeft zichzelf omgeven met een wal van ondoordringbaarheid. In het deel over instituties binnen het psychiatrisch zorgsysteem komen we hierop terug.

Ondanks die nadelen en ondanks het risico dat we buitensluiten wat niettemin van betekenis kan zijn kunnen we ons niet aan die nadelen onttrekken. Er is geen alternatief. We kunnen niet in processen van afweging blijven hangen. Er moet gehandeld worden. En handelen veronderstelt een keuze. Handelen kan worden opgevat als een expressie van onderliggend betekenisverlening. Die keuze kan nooit perfect zijn. De menselijke geest is niet in staat het handelen te baseren op een volledig inventariseren en doordenken van alle mogelijke manieren om de werkelijkheid te betekenen. Zie het begrip “bounded rationality” bij Simon (1997). Perfectie is onbereikbaar. Onvermogen moet worden aanvaard.


Tot slot


Met bovenstaande beschouwingen hebben we de grondlijnen van een perspectief aangegeven dat ons behulpzaam kan zijn het functioneren van het psychiatrisch zorgsysteem te benaderen. De gekozen benadering stelt in staat diepte aan te brengen omdat aandacht voor processen van betekenisverlening de insteek vormen. Dat heeft gevolgen voor de beschrijving van het systeem en vooral ook voor het verwerven van inzicht in de dynamiek van het systeem.


In volgende delen gaan we nader in op de ordeningen binnen het psychiatrisch zorgsysteem en de spanning tussen ordening en chaos. Wat zijn de criteria voor de ordeningen en welke uitgangspunten liggen eraan ten grondslag? Anders geformuleerd: wat zijn de kenmerken van het geldende betekeniskader binnen het psychiatrisch zorgsysteem? Is dat betekeniskader congruent of is er sprake van spanningen? Is er wellicht sprake van meerdere betekeniskaders. En, in het laatste geval, hoe wordt met verschillen omgegaan? Hoe stevig zijn processen van normalisatie? En wat verstaan we onder het normale? Wat is de werking ervan? Het normale als constructeur van het abnormale. Het abnormale als de restpost van het normale. Ook het onderscheid tussen bewuste en onbewuste betekenisgeving vraagt aandacht. Enfin, we gaan zien waar het toe gaat leiden.


Literatuur


Bohm, David, Over Dialoog, Helder denken en communiceren. Ten Have, 2019


Deleuze, Gilles en Guattari, Felix, A thousand Plateaus, University of Minnesota Press, 1987


Ten Hooven. Marcel en van de Ven, Coen, Een parlementaire ramp luidt de nieuwe tijd in, in: De Groene Amsterdammer, 7 april, 2021


Ponsioen, J, Georges Gurvitch: een bewegelijke sociologie, Sociologische Gids, vol 4, nr 7 p. 113 – 118, 1957


Latour, Bruno en Serres, Michel, Conversations on Science, Culture and Time, University of Michigan Press, 1995


Simon, Herbert, Administrative Behavior, Simon & Schuster, 1997


Wagemans, Mathieu, Over systemen, ordenen, lekkages en uitsluiten. Een beschouwing vanuit het perspectief van betekenisgeving, Civis Mundi, Digitaal, nr 88, augustus 2019

***********************

Opinie: Mooie beloftes, lelijke praktijk

Waarom het politici zo moeilijk lukt om hun mooie beloftes waar te maken


Thieu Wagemans                                          De Limburger, 18 maart 2021


De dag na de verkiezingen betekent de overgang van het doen van beloften naar de invulling ervan. Dat laatste blijkt altijd weer een lastige fase. Dat leidt tot de vaak gehoorde uitspraak dat partijen van alles beloven, maar die beloften niet nakomen.


Slap aftreksel

Natuurlijk speelt daarbij een rol dat er bij de vorming van een nieuw kabinet of college onderhandeld moet worden. De overeenkomst die uiteindelijk wordt gesloten, is vaak een slap aftreksel van wat iedere partij wenste. Maar er is ook een diepere reden waarom het lastig is om beloften in te lossen. Die heeft te maken met de veronderstelling dat we de werkelijkheid naar onze hand kunnen zetten, dat we dus in staat zijn de wereld tot in de kleinste details te manipuleren.

We formuleren strenge eisen waar de overheid zich aan heeft te houden. We willen bijvoorbeeld geen willekeur. We willen dat ieder besluit zorgvuldig wordt gemotiveerd. We vinden dat toezeggingen moeten worden nagekomen. Die eisen zijn zo strak dat de regelgeving een speeltuin is geworden voor juristen.

Misbaar

Ieder besluit van de overheid moet zich logisch verhouden tot wat de overheid ooit in een andere kwestie heeft besloten. We maken groot misbaar wanneer een doelstelling niet wordt gehaald of wanneer de planning niet blijkt te kloppen.

We denken in staat te zijn de vraagstukken van onze samenleving met regels op te lossen, ongeacht hoe ingewikkeld die vraagstukken zijn. We overschatten steeds weer waartoe we in staat zijn. We denken met ons hoofd in de hemel. Maar onze handen en voeten in de modder van de praktijk kunnen het denken niet volgen. En als het niet volgens plan verloopt putten we ons uit in verklaringen en desnoods in excuses. Maar onvermogen is in de politiek onbespreekbaar.

Dat onvermogen is deels terug te voeren tot tegenstellingen die we georganiseerd in stand houden. We zijn niet georganiseerd rond oplossingen maar rond tegenstellingen. Zie de conflicten tussen werkgevers en werknemers. Of tussen landbouw en natuur.

Vrijdenkers

Het is nodig dat we onze grote verhalen over modernisering eens even opzouten en onvermogen bespreekbaar maken. Dat vraagt voorstellingsvermogen. De fantasie om geheel nieuwe wegen in te slaan. Dat vraagt ook om vrijdenkers in plaats van politici die zich graag profileren als behartigers van deelbelangen.

We hebben mensen nodig die de moed hebben om dwars door de tegenstellingen heen te breken. Mensen die de vanzelfsprekendheden en de daaraan gekoppelde illusies en ficties en mooie praatjes doorprikken en uitspreken wat we allemaal heel goed weten en aanvoelen, maar wat niet gezegd mag worden. Mensen die in staat zijn om verbindend te denken en tegenstellingen te overbruggen door met totaal nieuwe denkbeelden te komen. Die zich niet laten beperken door wat we allemaal aan regeltjes hebben bedacht. Die afwijken van de platgetreden paden die telkens weer tot oplossingen leiden die de problemen in stand houden.

Verstikkende uitwerking

Er is buiten de politiek nauwelijks een domein te vinden waarin de spelers zo vaardig zijn in het om zeep helpen van iedere vernieuwing. Afwijken van de regeltjes is onbespreekbaar. De procedures moeten tot in detail worden gevolgd. De regelzucht heeft geleid tot enge fatsoensregels die een verstikkende uitwerking hebben.

In die houding ligt een belangrijke oorzaak waarom de echte vernieuwing niet van de grond komt en partijen de neiging hebben zich op de borst te slaan met kleine aanpassingen die als geweldige doorbraken worden gepresenteerd.

Thieu Wagemans uit Leudal is landbouwecononoom en gemeenteraadslid.

www.ontganiseren.nl


**********************

Metafysica


Civis Mundi Digitaal #107

door Mathieu Wagemans    www.ontganiseren.nl


Bespreking van: Gert-Jan van der Heijden, Metafysica. Van orde naar ontvankelijkheid, Boom, Amsterdam, 2021.


Het boek geeft een historisch overzicht van wat onder metafysica in de loop der tijden is verstaan. Het is echter meer dan een overzicht van opvattingen. Van der Heiden verdiept zich ook in het denken dat tot die opvattingen heeft geleid en ontsluiert de logica van dat denken. Wat waren de onderliggende beelden en vanzelfsprekendheden die de basis vormde voor het denken over metafysica?

Het boek heeft diepte. Een centraal begrip in het boek is de grond onder en voor de metafysica. Dan gaat het om de eenheid en de orde van de wereld. Moeten we die grond zoeken in het allesomvattende, in volmaaktheid, in goedheid? Kant benadrukte het verstand en de categorieën van het verstand als ingangen om de werkelijkheid te leren kennen. Maar ook Kant was van opvatting dat we daarmee niet konden doordringen tot de werkelijkheid “an sich”. Er is een werkelijkheid waartoe we niet kunnen doordringen via ons verstand. Het is een werkelijkheid waarover we slechts in metafysische zin iets kunnen denken en zeggen. Zoals de vraag of die niet-kenbare werkelijkheid een orde kent en wat we ons daarbij dan moeten voorstellen. Dat is een vraag die niet via de ratio kan worden benaderd. Het denken laat ons dan in de steek omdat we het niet-denkbare niet kunnen denken.

Een historische schets kan ons inzicht geven in hoe er over het metafysische is gedacht, maar het boek is ook betekenisvol voor de huidige tijd. In het deel over de moderniteit wordt ingegaan op de vraag of er in het moderne denken nog wel ruimte is voor het metafysische. Waarom zouden we nog aandacht geven aan het metafysische wanneer we, zo zou je kunnen stellen, als uitgangspunt kiezen dat we in staat zijn de werkelijkheid te kennen en te manipuleren? Wat is nog het bestaansrecht voor goden wanneer we de goden alle werk uit handen hebben genomen?

Moderniteit

Bovenstaande vragen nemen een belangrijke plaats in in de filosofie van Heidegger. Hoe we de werkelijkheid benaderen vanuit een rekenend en berekenend denken en daarmee geen recht doen aan de redelijke orde, aan het wezen, aan het zijnde van de werkelijkheid. Zijn kritiek op de technologie is daarop gebaseerd. Hoe we de werkelijkheid hebben geplooid naar de eisen die de technologie stelt. Om de mogelijkheden van de technologie te benutten, dienen we de werkelijkheid aan de passen aan de eisen die de technologie stelt. En daarmee heeft de technologie de heerschappij over de ordening van de werkelijkheid overgenomen. De technologie is van instrument tot regisseur geworden. Wat de toepassing van technologie in de weg staat wordt beroofd van zijn betekenis en wordt dus betekenisloos. En waarom zouden we het betekenisloze beschermen? Het behoeft geen bescherming omdat we het zijn erkenning hebben ontnomen.

In de filosofie van Heidegger zit ook de waarschuwing met betrekking tot het streven naar het volmaakte. Dat veroorzaakt een restpost. Ik vat die op als dat deel van de werkelijkheid dat niet door ons beeld van het volmaakte kan worden omvat. In eigen woorden, het discours van de moderniteit heeft geen woorden voor teleurstelling, falen, verdriet, angst, onvermogen. Of nauwkeuriger gezegd, die woorden zijn er wel, maar de betekenis ervan past niet binnen het discours. Het zijn begrippen die bestaan, ondanks en niet dankzij ons betekeniskader. We hebben die begrippen niet ‘betekend’ en dus kunnen ze geen rol spelen als betekenisgevend. We hebben ze buitengesloten en niet doorleefd. Ze passen niet in het wereldbeeld van de moderniteit. De moderniteit sluit ze uit en werkt dus uitsluitend.

Uitsluiting

De moderniteit is succesvol en kan dat beeld van succes slechts overeind houden, doordat we mislukking en onvermogen hebben buitengesloten. In mentale zin is er geen plek voor een faillissement. We houden ons betekeniskader in stand als vanzelfsprekend. We blijven geloven in permanente groei. Eindigheid hebben we buitengesloten. We kunnen dat beeld overeind houden, juist doordat we alles wat zich ertegen verzet buitensluiten. Onvermogen bestaat niet, omdat het niet in ons betekeniskader past. We idealiseren het ideale en maken het steeds idealer. We plaatsen mislukking buiten ons gezichtsveld. We beladen mislukking als begrip niet met betekenis waardoor mislukken geen bestaansrecht krijgt en geen werking kan hebben. We kunnen daardoor het beeld van toenemend en permanent succes overeind houden. Dat succes is gebaseerd op voortdurende zelfbevestiging. De mens als allesweter en alleskunner, dankzij het feit dat we simpelweg alles buitensluiten dat beeld-verstorend zou kunnen werken.

Al met al een rijk boek omdat het de metafysica diepgaand thematiseert en daarbij rijkelijk put uit en verwijst naar wat door een groot aantal filosofen, van oudheid tot heden, over het metafysische is gesteld. Verschillen tussen filosofieën worden niet slechts benoemd maar ook diepgaand beschouwd. Wie belangstelling heeft voor metafysica, treft in het boek een rijke en diepgaande bron van informatie aan. Het is zodanig geschreven dat het uitnodigt tot meedenkend lezen: je wordt uitgenodigd, bijna gedwongen, jezelf gedachten te vormen over wat er ooit door filosofen is geschreven over de metafysica. De inhoud veronderstelt enige bekendheid met metafysische begrippen. Voor wie die niet kent is als introductie een inleidend werkje met begripsverklaringen aan te bevelen.


********************

Het tekort van het teveel


Civis Mundi Digitaal #107

door Mathieu Wagemans   www.ontganiseren.nl


Bespreking van: Damiaan Denys, Het tekort van het teveel, De paradox van de mentale zorg, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 2020.


Damiaan Denys heeft een helder en prikkelend boek geschreven over een complex vraagstuk. De strekking van het boek is dat de interne logica van het psychiatrisch systeem wordt blootgelegd. Dat levert een weinig fraai beeld op. Het boek is allereerst een scherpe kritiek op de psychiatrie als wetenschap. Enerzijds een onvermogen om geldige kennis te verzamelen over het ontstaan van aandoeningen en de genezing ervan. Over het ontstaan weten we nog weinig. Dat geldt ook vaak voor het genezingsproces. Wanneer medicijnen helpen bij de genezing, weten we niet goed waardoor de genezende werking ontstaat. Wanneer ze niet helpen, blijft de reactie vaak beperkt tot een andere mix en/of dosering. Anderzijds is er een verwachtingspatroon dat de psychiatrie als wetenschap over de kennis beschikt om helend te werken bij psychiatrische aandoeningen.

Zowel buiten als binnen de psychiatrie is er kritiek op de objectiverende benadering terwijl psychiatrische aandoeningen bij uitstek subjectief van aard zijn. Maar de neiging om een positivistische benadering terzijde te schuiven is kennelijk moeilijk te weerstaan. De ruimte om subjectiviteit als basis te nemen is gering. Er is sprake van blokkades die deels voortkomen uit gehechtheid aan een positivistische insteek. Denys gaat zover de psychiatrie zelf als een van de oorzaken aan te wijzen van psychiatrische aandoeningen.

Kritiek op de DSM

Ook Denys hekelt de almacht van het DSM (Diagnostic en Statistical Manual for mental diseases) waarin tal van psychiatrische aandoeningen worden gedefinieerd. Al langer bestaat er kritiek op het DSM. De omschrijvingen suggereren inhoudelijke deskundigheid terwijl telkens weer blijkt dat de kennisbasis van de psychiatrie nog erg beperkt is. De definities van het DSM zijn drager van veronderstelde deskundigheid geworden en kunnen die rol spelen omdat we er die betekenis aan hebben toegekend. Ze hebben daardoor werking. In de praktijk blijkt een diagnose vaak, ook vanwege tijdsdruk, niet meer te zijn dan een classificatie van symptomen op basis waarvan een definitie van toepassing wordt verklaard. De gedetailleerdheid van de definities blijkt uit het feit, zo stelt Denys, dat er conform het DSM meer dan 600.000 verschillende manieren zijn om aan een posttraumatische stressstoornis te lijden.

Ondanks dat gebrek aan een stevige kennisbasis speelt het DSM een cruciale rol binnen het psychiatrisch zorgsysteem. De ordening heeft ingrijpende gevolgen voor de behandeling. De financiering is er bijvoorbeeld op gebaseerd. Er zijn behandelingsprotocollen op gebaseerd en de behandeling zelf moet nauwkeurig worden geregistreerd. Zo op het oog maakt het psychiatrisch zorgsysteem een geordende indruk. Maar die ordening is misleidend. De ordening is terug te voeren op het onderscheid tussen normaal en abnormaal. We beschouwen het normale als positief, zeker ten opzicht van het abnormale dat we onwenselijk vinden. Maar wat is normaal? Is het wel terecht om normaal als een deugd op te vatten terwijl we ons steeds meer gaan realiseren dat normaal gedrag ons met indringende problemen confronteert. Gebrek aan duurzaamheid als voorbeeld. En, zo stelt Denys, zouden veel patiënten niet wensen normaal te leven? En waar is een psychiatrische aandoening dan toe te herleiden?

Normaal en abnormaal

Het boek bevat een interessante verdieping van het normale met een verwijzing naar de filosofie van Hannah Arendt. Hoe het alledaagse bron van verschrikkelijkheid en banaliteit kan worden. In termen van de psychiatrie is dan de vraag aan de orde hoe het normale producent kan worden van abnormaliteit. Is dat in wezen ook niet het kernvraagstuk binnen de psychiatrie? Hoe het betekeniskader van de moderniteit oorzaak kan zijn van aandoeningen als burnouts als gevolg van de georganiseerde jachtigheid en vervreemding. Daar zou je de vraag aan kunnen koppelen hoe een systeem dat zelf is geordend en functioneert langs de lijnen van de moderniteit helend kan werken voor aandoeningen die in de moderniteit hun bron en oorzaak vinden.

En, nog een stap verder, hoe normaal is het psychiatrisch zorgsysteem zelf? Uit oogpunt van een goede besteding van geld en menskracht is een uiterst geordend systeem bedacht. Maar de praktijk toont een heel ander beeld. Een systeem veronderstelt gezamenlijkheid en interne verbindingen. Daar ontbreekt het volgens Denys aan. De actoren denken en werken vanuit een voor ieder heel verschillend discours. Dat geldt voor psychiaters, managers, financiers en beleidsmensen hebben allemaal een eigen perspectief. Met de mix daarvan heeft de patiënt te maken. Die zal het lastig hebben het systeem te doorzien. Hij wordt verondersteld vertrouwen te hebben in een systeem dat buitengewoon complex is en waarin opvattingen sterk uiteen kunnen lopen.

Marktwerking schiet tekort

Ook de marktwerking wordt gekritiseerd. De psychiatrische praktijk is te ingewikkeld om herleid te worden tot een simpel en overzichtelijk schema van vraag en aanbod. De zorgvraag uit zich bijvoorbeeld niet als een behoefte aan psychiatrische zorg. De patiënt kan bijvoorbeeld klachten die voortkomen uit een psychiatrische aandoening uiten op het niveau van symptomen: slecht slapen of hoofdpijn. Wanneer die klacht wordt geuit bij een huisarts kan een behandelingscircuit worden doorlopen dat op zijn best symptomen bestrijdt of onderdrukt maar de onderliggende oorzaken laat voortbestaan. Een dergelijke ervaring kan bij iemand die depressief is het gevoel van gebrek aan vertrouwen en zelfs hopeloosheid nog versterken en verdiepen. Omgekeerd komt het voor dat bij de patiënt sprake kan zijn van onvermogen en zelfs onwil klachten als symptomen te onderkennen van een psychiatrische aandoening.

Neurobiologische en therapeutische benadering

Het gebrek aan breed gedeelde en inhoudelijk goed onderbouwde kennis is binnen de psychiatrie bron van verdeeldheid. Er zijn uitgesproken voor- en tegenstanders van bijvoorbeeld de neurobiologische benadering of van de therapeutische benadering waarbij de patiënt als persoon wordt ontmoet. Er is dus sprake van een uiteenlopend mensbeeld. In de zuiver biologische benadering is de mens object van interventie. De aandoening staat centraal en de mens is er slechts de drager van. Bij een therapeutische insteek wordt daarentegen het wezen van de mens, de mens als betekenis gevend individu, centraal gesteld. De oorzaken van een aandoening worden dan niet chemisch-biologisch benaderd maar vanuit processen van betekenisgeving en de onderliggende krachten, zoals het onderbewustzijn, die daarop van invloed kunnen zijn. We hebben in wetenschappelijk opzicht nog geen betekeniskader dat in staat stelt de interacties tussen lichaam en geest te denken. Daar zijn andere begrippen voor nodig.

Vernieuwing nodig

Er is dus ingrijpende verandering nodig en de noodzaak ervan wordt overtuigend aangetoond en geïllustreerd met prachtige paradoxen. Maar het doorvoeren van vernieuwingen blijkt lastig te zijn. Pogingen om tot vernieuwing te komen en de mens zelf centraal te stellen dreigen voortdurend vast te lopen op de institutionele structuren die slechts dwingen tot herhaling en reproductie van het verleden. Ze kunnen systeemvernieuwing blokkeren. De bestaande prakijken zijn geschraagd door afhankelijkheden wat bewegen buiten de kaders lastig zo niet onmogelijk maakt. Velen hebben bovendien belang bij handhaving van bestaande structuren.

Het boek bevat geen consistent geheel van welke veranderingen nodig zijn en hoe die enigszins systematisch zouden kunnen worden bereikt. Misschien is dat ook een onmogelijke opgave wanneer je de complexiteit van de vraagstukken beziet. Er staan wel diverse voorstellen in. Zoals de differentiatie van stoornissen. Het onderscheid tussen ‘normale’ psychiatrische klachten en abnormale psychische stoornissen. De eerste categorie behoort volgens Denys tot het normale lijden. Ze zijn onderdeel van het leven en kunnen iemands leven verstoren. Maar ze zijn vaak tijdelijk en vragen geen langdurige behandeling. Dat ligt anders bij ernstige psychiatrische aandoeningen. Denys maakt daarbij een onderscheid tussen cliënten en patiënten.

Het centraal stellen van het lijden is een belangrijk vertrekpunt. Maar de vraag hoe de psychiatrie de eigen aandoeningen kan genezen wordt minder helder beantwoord. Er is nog veel werk te doen. Zouden de patiënten die ervaringsdeskundigen zijn op het gebied van het irrealistische en het onlogische niet een belangrijke bron van kennis kunnen zijn? Zij zouden kunnen functioneren als scherprechter wanneer de psychiatrie de wens tot ordening belangrijker maakt dan de zorg voor de patiënt als mens. De eerste experimenten op dat terrein vinden reeds plaats.

Het boek is verdienstelijk omdat het in heldere taal en met veel voorbeelden in staat stelt de analyse te volgen. Die analyse is op onderdelen vernietigend in zijn conclusies. Een systeem dat zorgend en helend is bedoeld maar gemakkelijk in zijn tegendeel kan verkeren.

****************************

Orde en Chaos. Deel VIII: Taal als instrument van ordening en bron van chaos


Civis Mundi Digitaal #105

door Mathieu Wagemans


https://transinformation.net/die-immense-energetische-verschiebung-wichtige-varianten-zur-integration/


De betekenis van communicatie kan in onze (post)moderne samenleving nauwelijks worden overschat. Taal is het instrument van verbinding tussen mensen. Zonder taal is het lastig communiceren. Taal vormt ook de basis om vast te leggen wat we binnen een gemeenschap gezamenlijk hebben. Wetten en daarvan afgeleide regelingen hebben we in woorden vastgelegd. Taal is zo beschouwd een nuttig instrument.

Communicatie is een belangrijk domein geworden. Was het in vroegere tijden zo dat de overheid wetten en regels vaststelde die vervolgens werden gepubliceerd en daardoor geldigheid kregen, tegenwoordig stellen we stevige eisen aan hoe beleid tot stand komt. We zijn ervan overtuigd geraakt dat burgers actief moeten worden betrokken bij de voorbereiding van beleid. We vinden het belangrijk dat beleidsprocessen interactief verlopen. Dat veronderstelt communicatie. Die communicatie stelt ook in staat alledaagse ervaringskennis te benutten, naast wetenschappelijke kennis. Het onderscheid vervaagt. Hoe burgers situaties beleven wint aan gewicht in procedures. Die betrokkenheid van burgers is ook wettelijk vastgelegd in regels. Inspraakprocedures zijn in tal van procedures verplicht. Niet voldoen aan inspraakregels kan later in juridische procedures grond zijn voor vernietiging van bestuursbesluiten.

Taal wordt dus belangrijker maar tegelijkertijd is het een complex begrip. Taalfilosofie heeft zich gaandeweg ontwikkeld en geleid tot een aantal deeldisciplines. De aandacht kan daarbij uitgaan naar de structuur van de taal maar ook naar processen van betekenisgeving in de samenleving waarbij taal voor de overdracht zorgt. De Russische taalkundige Jakobson maakte een onderscheid tussen een aantal functies van taal zoals de referentiële functie. Die stelt in staat om informatie naar elkaar over te dragen over het beeld dat we van de werkelijkheid hebben. In woorden drukken we uit wat we waarnemen. Vanuit een constructivistisch perspectief houdt dat in dat we betekenis geven aan de werkelijkheid en ons een beeld vormen ervan vormen. Zowel voor de vorming van dat beeld van de werkelijkheid als voor de overdracht ervan naar anderen hebben we woorden nodig. Die fungeren als drager van betekenis. Dat kan natuurlijk de vraag oproepen of woorden die functie goed kunnen vervullen. Zijn woorden bijvoorbeeld in staat een subjectief beeld van de werkelijkheid objectief over te brengen? Zijn woorden neutraal? En hebben woorden voor ons dezelfde betekenis? Ook kan er in de communicatie ruis ontstaan omdat woorden door de ontvanger anders worden geïnterpreteerd dan bedoeld. Over dergelijke vragen is intussen overstelpend veel onderzoek gedaan. In het kader van dit artikel beperken we ons tot een systematische kijk op taal. Daarbij gaat het ons niet zozeer om de interne systematiek van een taal maar we stellen en de functie van taal binnen sociale systemen als beleid en politiek centraal.

Systeemtheorie

In de systeemtheorie van Luhmann speelt communicatie een belangrijke rol. Hij problematiseert de referentiefunctie van taal door het begrip zelfreferentie te introduceren. Systemen kunnen de neiging hebben zichzelf als referentie te kiezen. Wat wordt gepresenteerd als verandering of vernieuwing is in wezen een steeds weer reproduceren van het bestaande. Het bestaande is maatstaf voor het nieuwe. In dergelijke processen verlopen via communicatie.

Alle dynamiek, alle interacties betitelt Luhmann als communicaties. Die zelfreferentie is wellicht het meest treffend te herkennen binnen het juridisch systeem. Een belangrijke eis die we aan ons formele regelsysteem stellen is dat het consistent moet zijn. Definities moeten zich eenduidig tot elkaar verhouden. We wensen geen situaties die juridisch voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Een handeling is wel of niet strafbaar. Iemand heeft wel of niet recht op een vergunning. Iedere rechterlijke uitspraak, iedere juridische interpretatie van een gebeurtenis leidt tot verfijning en nuancering van het formele betekeniskader dat als toetsingskader fungeert voor toekomstige gebeurtenissen.

Het systeem met de daarbinnen geldende begrippen en definities vormt zijn eigen referentie. Die zelfreferentie geldt ook voor taal. Begrippen kunnen worden opgevat als drager van betekenis. Het gebruik van een taal houdt dan in dat daarmee ook een betekeniskader in stand wordt gehouden. Door middel van onze taal bevestigen we impliciet een perspectief. Onze taal vormt dan uitdrukking van hoe we de wereld zien.

Bij Habermas staat de spanning tussen de formele systeemwereld en de leefwereld van de burgers centraal. Wat voor de overheid betekenisvol is kan voor burgers betekenisloos zijn en omgekeerd. Dat bemoeilijkt betekenisvolle communicatie. Het nodig uit tot een continu naast elkaar en door elkaar heen praten en schrijven. Van een evenwichtige verhouding tussen beide betekeniskaders is geen sprake. Het formele betekeniskader is dominant. De overheid kan de eigen definities dwingend opleggen aan burgers. De macht van de overheid is in wezen definitiemacht.

Bij dat onderscheid in systemen speelt taal een belangrijke rol. Taal als drager van cultuur, van vanzelfsprekendheden, van eigenschappen. In de sociologische filosofie van Bourdieu treffen we begrippen aan als veld en habitus. Die kunnen worden opgevat als deelsystemen met een eigen karakter. Wie tot een dergelijk deelsysteem behoort heeft zich een cultuur eigen gemaakt die het voor buitenstaanders lastig maakt er onderdeel van te worden. De maatschappij kan dan worden opgevat als een verzameling deelsystemen die elkaar deels kunnen overlappen maar die overigens een eigenheid koesteren.

Domeintheorie

Systemen kunnen fysiek te duiden zijn in termen van organisaties en procedures maar ze kunnen worden onderscheiden naar het binnen een systeem geldend betekeniskader. Dat betekeniskader werkt ordenend en normaliserend. Het leidt tot patronen in de onderlinge omgang. De wijze waarop we met elkaar omgaan vormt er de uitdrukking van. Het betekeniskader werkt ook splitsend. Het maakt een onderscheid tussen wat betekenis heeft en wat betekenisloos wordt geacht. Het heeft daardoor dus ook buitensluitende werking. Een betekeniskader is bron van reductie doordat het in staat stelt de werkelijkheid terug te brengen tot een beeld van de werkelijkheid waarin we met elkaar kunnen communiceren en conceptuele gezamenlijkheid kunnen construeren. Er ontstaan vanzelfsprekendheden die het karakter hebben van antwoorden op vragen die daardoor niet meer telkens hoeven te worden gesteld.

Wanneer er deelsystemen worden onderscheiden is een belangrijke vraag hoe deelsystemen zich tot elkaar verhouden. Hoe kunnen ze met elkaar communiceren wanneer er sprake is van onderling afwijkende culturen. Kouzes en Mico onderzochten dat met betrekking tot deelsystemen binnen een dienstverlenende organisatie en formuleerden een domeintheorie. Ze onderscheidden drie domeinen: een beleidsdomein, een management domein en een service domein.

Binnen ieder domein is sprake van andere regels, opvattingen, vanzelfsprekendheden en daarop gebaseerde praktijken. Dat maakt der vraag interessant hoe domeinen onderling kunnen communiceren wanneer het betekeniskader verschillend is. Een dergelijke theorie is een theoretische constructie die als doel heeft het feitelijk functioneren binnen een organisatie in logische kaders te plaatsen en zo tot inzicht te komen. Met als onvermijdelijk risico dat alles wat niet door een theoretisch perspectief wordt belicht betekenisloos blijft. De domeintheorie van Kouzes en Mico laat zich verbinden met begrippen als ”veld” en “habitus” bij Bourdieu die eveneens taal als invalshoek kiest.

De dynamiek van botsende systemen

Het is interessant de communicatie op het snijvlak tussen deelsystemen nader te bekijken. Die is namelijk van grote invloed op het gemeenschappelijke van een samenleving. Bestaat een samenleving uit een optelsom van deelsystemen of is er sprake van een overstijgend gemeenschappelijk kader dat door allen wordt gedeeld, ongeacht het bestaan van afzonderlijke domeinen. De grens tussen de formele systeemwereld en de leefwereld van burgers die centraal staat bij Habermas biedt wat dat betreft interessant en relevant studiemateriaal.

De dominantie van de formele systeemwereld heeft ingrijpende gevolgen voor de communicatie tussen overheid en burger. Gevolg daarvan is dat burgers alleen maar betekenisvol met de overheid kunnen communiceren wanneer ze hun ervaringen en opvattingen “vertalen” naar het formele betekeniskader. Gelet op de complexiteit van het formele betekeniskader is dat geen eenvoudige opgave. Burgers hebben doorgaans juridische expertise nodig om de vertaalslag te maken van ervaringen en belevingen van burgers naar het formele domein.

Probleem is dat zich in die trajecten wreekt dat er een groot verschil tussen de taal van de overheid en de leefwereld van burgers. Er is sprake van formele begrippen die voor de overheid wezenlijk zijn om juridische redenen terwijl in de leefwereld van de burger heel andere begrippen gelden. Een geordende verzameling stenen kan voor de overheid worden opgevat als een bouwwerk terwijl burgers dat anders beleven. Die formele begrippen zoals die vastliggen in wetten en regels hebben echter een beperkt vermogen om betekenis te geven aan hoe burgers de werkelijkheid beleven. Sterker nog, ze zijn geconstrueerd vanuit de wens tot eenduidigheid te komen. De betekenis ervan is niet gelegen in hun vermogen de werkelijkheid te omvatten maar juist werkelijkheid buiten te sluiten. De werkelijkheid is formeel slechts relevant voor zover die door de geldende formele begrippen kan worden omvat. Dat buitensluitend karakter van formele begrippen heeft gevolgen voor de communicatie tussen overheid en burgers.

Bij inspraaktrajecten communiceert een overheid vanuit de formele werkelijkheid met burgers die een heel andere beleving kunnen hebben van de wereld waarin ze leven. Dergelijke fundamentele verschillen zijn niet door communicatie overbrugbaar. Sterker nog, de formele begrippen zijn juist bedoeld om de werkelijkheid te verengen. Communicatie tussen overheid en burgers roept dan ook vaak een beeld op van geoefend langs elkaar en door elkaar heen praten en schrijven. Een overheid die vastzit aan formele begrippen en burgers die ervaren dat wat hen bezighoudt niet de vereiste aandacht krijgt.

De wetten zijn nu eenmaal geformuleerd zoals ze zijn geformuleerd. De bewegingsruimte is, bezien vanuit de overheid, erg beperkt. Nog meer communicatie helpt niet wanneer er sprake is van een fundamenteel misverstaan. De overheid wil wellicht graag anders maar wordt beperkt doordat iedere uitspraak en houding van meedenken later in juridische procedures een betekenis kan krijgen die weliswaar niet bedoeld was maar wel in juridische zin betekenis kan krijgen.

Dat strakke en inperkende kader van de overheid is om juridische redenen weliswaar nodig maar kan tegelijkertijd ruimte scheppen voor burgers die het niet eens zijn met voorgenomen besluiten. Dat lijkt paradoxaal. De juridische inperking van beleid is bedoeld om in procedures van bezwaar en beroep overheidsbesluiten in stand te houden maar biedt tevens gelegenheid langs juridische weg te worden ondergraven. Wat in procedures van bezwaar en beroep plaatsvindt is dat door juridisch deskundigen wordt getracht aan te tonen dat de betreffende overheidsinstantie in strijd heeft gehandeld met dat eigen strakke kader van regels. We stellen forse en zeer gedetailleerd uitgewerkte eisen aan overheidsbeleid. Er gelden beginselen van behoorlijk bestuur waar een overheidsorgaan aan moet voldoen. Bijvoorbeeld het uitgangspunt dat beleid intern consistent moet zijn. Of het gelijkheidsbeginsel dat inhoudt dat de overheid burgers op gelijke wijze moet behandelen. Wat ooit iemand aan rechten heeft verkregen mag iemand anders in vergelijkbare omstandigheden niet worden onthouden. Of het beginsel dat gewekte verwachtingen moeten worden nagekomen. Dergelijke eisen maken het voor de overheid uiterst lastig ernaar te handelen.

Voortdurend loopt men het risico dat kan worden beargumenteerd dat de overheid in strijd handelt met de eigen regels. Aan de orde is dan niet of het slordig omgaan met procedurele regels inhoudelijk schade heeft veroorzaakt voor burgers maar het enkele feit dat de overheid formele regels heeft overtreden is doorgaans grond voor rechters het bestreden besluit te vernietigen. Of een brief een dag te laat is bezorgd kan juridisch bijzondere en doorslaggevende betekenis krijgen. Het conflict wordt verplaatst naar het formele domein. De overheid wordt op eigen veld en met eigen argumenten bestreden. Wat plaatsvindt in juridische procedures heeft het karakter van manipulatie van betekenisgeving. In het strafrecht worden alibi’s geconstrueerd met betrekking tot het gedrag van verdachten die niet waar hoeven te zijn maar die wel effectief blijken wanneer het Openbaar Ministerie niet in staat is het geschapen beeld overtuigend onderuit te halen. Taal vormt het medium waarin dergelijke conflicten worden besproken en tot besluitvorming komen.

Diezelfde problemen doen zich voor bij wettelijk voorgeschreven inspraakprocedures. Wanneer burgers problemen hebben met nieuwe plannen lopen ze het risico dat die niet worden beschouwd als “problemen in de zin van de regeling”. Ze hebben dan juridisch geen betekenis. Het formele betekeniskader overheerst de inspraak. Talloos zijn de voorbeelden waarbij burgers door dit soort ervaringen van oordeel zijn dat het doorlopen van een communicatietraject slechts symbolische betekenis heeft. De voorgeschreven procedure wordt netjes gevolgd maar het besluit staat al tevoren vast. Communicatietrajecten hebben dan slechts betekenis omdat zo wordt voldaan een de formele verplichting zoals die in een wettelijk voorgeschreven procedure is opgenomen. Aan de regel is voldaan maar er gaat geen betekenisvolle werking van uit.

De taal nader beschouwd

Communicatie verloopt via taal. Taal heeft een meervoudige relatie met ordening. Op de eerste plaats kan taal zelf worden opgevat als een ordening. Een taal als een onderling samenhangend stelsel van woorden en begrippen. Daarnaast heeft taal ook een ordenende werking ten opzichte van de werkelijkheid. We vormen ons beelden van de werkelijkheid die we in taal verwoorden. We brengen situaties en gebeurtenissen onder woorden. We construeren voorstellingen van de werkelijkheid met behulp van taal.

Dat roept de vraag op of taal die functie kan vervullen. Anders gezegd, is er sprake van overeenstemming tussen de ordening van de taal en de ordeningen van de werkelijkheid? Kunnen we de dynamiek van de maatschappelijke werkelijkheid in woorden tot uitdrukking brengen? En, nog een niveau dieper, stelt een taal in staat vernieuwing onder woorden te brengen? Kan een taal buiten zichzelf treden door bijvoorbeeld via begripsvernieuwing tot heel andere voorstellingen van de werkelijkheid te komen? We kunnen immers moeilijk vernieuwingen bedenken buiten de taal om.

Daarbij is ook aan de orde dat we definities van de werkelijkheid in taal uitdrukken. Verandering van definities is vaak echter niet eenvoudig. Definities kunnen zowel verharden als vervluchtigen. Verharding betekent dat definities zwaarte krijgen. Definities worden dan zwaar, bijvoorbeeld omdat ze in wetten worden vastgelegd. Ze krijgen de status van instituties. Ze worden drager van betekenis en van energie. Zie omtrent de relatie tussen betekenisgeving en energie een eerder artikel in Civis Mundi waarin meningen en situatiedefinities worden opgevat als drager van energie (Wagemans, 2019).

Verzwaring kan verlopen via formalisering van definities waarbij de overheid de bron ervan is. Maar de overheid is niet de enige bron. Verzwaring kan ook plaatsvinden doordat een willekeurige definitie het karakter krijgt van een breed gedeelde overtuiging die kan overgaan in een vanzelfsprekendheid. De definitie wordt dan niet langer meer bevraagd maar krijgt de betekenis van een object. Er is niet langer sprake van een subjectieve constructie. Terwijl er bij wetten sprake is van een opgelegde gemeenschappelijkheid kan de gemeenschap er ook zelf de constructeur zijn waarbij informele normen minstens zoveel zwaarte kunnen hebben dan formele wetsregels.

Vervluchtiging treedt op wanneer normen die aan tradities zijn gekoppeld hun betekenis verliezen doordat tradities niet langer in stand worden gehouden. In gelijke zin kan een wet die lang geleden is vastgesteld “dode” regels bevatten die hun betekenis hebben verloren omdat de situaties waar ze op zien zich niet meer voordoen in een moderne samenleving. Zoals regels die het laden en lossen van paardenkarren regelen. Omgekeerd kan moderne technologie het noodzakelijk maken nieuwe regels op te stellen met betrekking tot situaties en processen die zich vroeger niet konden voordoen. Denk aan regels met betrekking tot de privacy nu via internet totaal nieuwe vormen van communicatie mogelijk zijn geworden.

De Saussure

In de ontwikkeling van de taalfilosofie heeft De Saussure een belangrijke rol gespeeld. Hij concentreerde zich op het ontwerpen van een structuur van de taal. Een centraal onderscheid dat hij heeft aangebracht is het onderscheid tussen betekenaar (signifiant) en betekende (signifié) het signaal. Langs die weg ontleedde hij als het ware een signaal in twee componenten. Het signaal is de uitdrukking van zowel de betekenaar als van het betekende. Een object wordt betekend door de betekenaar.



De Saussure


De Saussure werkt dit taalkundig uit. Een betekenaar wordt voorgesteld in een materiele vorm. Een betekenaar is zintuiglijk waarneembaar en kan worden gezien of gehoord. Je zou de betekenis ervan nog kunnen uitdrukken door het abstract te maken waardoor ook een vaste overtuiging eronder kan vallen. Een overtuiging kan zo eensgezind en zo krachtig worden gedeeld dat die overtuiging zijn subjectieve karakter verliest en de status krijgt van een object, van een onwankelbare zekerheid die juist daardoor betekenende kracht krijgt. Je koppelt dan het begrip betekenaar aan de invloed die ervan uitgaat op processen van betekenisgeving. Betekenaren bezitten het vermogen een object te betekenen.

Discours

Betekenen kan op heel uiteenlopende wijze plaatsvinden. Naarmate een situatiedefinitie of een opvatting breder wordt gedeeld wordt die beladen met energie. De betekenaar geeft zwaarte aan het betekende en belaadt dat met energie. Daarmee heeft een structuur niet enkel meer een statische betekenis maar wordt de nadruk gelegd op de werking ervan. In dat verband is het latere begrip “context” van belang.

Een willekeurige uitspraak kan worden betekend in een juridische context van geldende regels. Of als een nieuwsfeit. Of als een politieke intentie. Eenzelfde object of gebeurtenis kan dus op uiteenlopende wijze worden betekend. De context kan dan worden beschouwd als het geheel aan uitgangspunten en veronderstellingen die gezamenlijk kunnen worden opgevat als een betekeniskader, een kader van onderling samenhangende betekenaren. Een dergelijke benadering raakt aan het begrip discours.

Het gaat dan niet om de statische structuur van een taal die beschrijvend is maar de ordening krijgt werking. Het discours is van invloed op de sociale interactie binnen een sociale orde. Het discours kan worden opgevat als een krachtenveld. De definities zijn van invloed op ons handelen. Handelen kan worden opgevat als uitdrukking van een onderliggend betekeniskader. De structuur heeft werking vanwege het onderscheidend karakter ervan. Er wordt een splitsing aangebracht tussen wat de structuur omvat en wat de structuur buitensluit.

De ordening heeft als keerzijde de chaos, namelijk datgene wat niet binnen de ordening past en dus wordt buitengesloten. Het buitengeslotene wordt “gedefinieerd” als chaos, als betekenisloos. Daarbij wordt de vraag relevant wat de onderliggende krachten zijn die een betekeniskader in stand houden en dus ook het buitengeslotene zijn betekenis ontnemen. Omdat uitgangspunten en vanzelfsprekendheden een discours stevigheid geven, wordt een discours onttrokken aan twijfel.

Een discours vatten we hier op als een betekeniskader. Het is het geheel van routines, vanzelfsprekendheden, overtuigingen, waarden en uitgangspunten dat aan de basis ligt van onze processen van betekenisgeving. Het discours bepaalt voor een belangrijk deel hoe onze processen van betekenisgeving verlopen. Een discours werkt structurerend. We hoeven niet telkens weer onszelf af te vragen hoe we situaties moeten “zien”, welke betekenis we eraan moeten toekennen. Zoals in de politiek de betekenis van een ideologie. Je hoeft dan niet bij iedere uitspraak of handeling te beredeneren hoe je eraan bent gekomen. Het onderliggend kader is vanzelfsprekend en behoeft niet telkens te worden onderbouwd en verklaard. De stevigheid van een betekeniskader hoeft niet door onderzoek of toetsing te worden verdedigd maar is gaandeweg binnen het sociale verkeer geconstrueerd. Een discours krijgt zo geldigheid maar die geldigheid is een geconstrueerde geldigheid.

Het juridisch discours

Dergelijke processen vinden zowel plaats binnen het formele domein als binnen de leefwereld van burgers. Binnen het formele domein is het juridisch kader een sprekend voorbeeld. Het betekeniskader binnen het juridisch domein is met groot gevoel voor detail vastgelegd. Het is onwrikbaar. Het bestaat uit een systeem van onderling strak verbonden begrippen en definities die niet door de werkelijkheid tot wankelen kunnen worden gebracht.

Gerechtelijke uitspraken kunnen niet door de werkelijkheid worden gecorrigeerd. Integendeel, de verhouding tussen werkelijkheid en rechtsregels is omgekeerd. De rechtsregels en de daarin opgenomen begrippen bepalen wat betekenis heeft en wat terzijde kan worden geschoven als betekenisloos. Wat rechtsregels kan doen wankelen is buitengesloten. Per definitie. Er ontstaat zo een beeld van de werkelijkheid waarin helderheid en relevantie onderling op gespannen voet kunnen staan. Wat juridisch relevant wordt geacht kan door burgers als betekenisloos worden beleefd.

Het juridisch kader is verder ook betrekkelijk statisch. Weliswaar kan er via de jurisprudentie sprake zijn van dynamiek maar die dynamiek is niet in staat tot doorbreking van het eigen kader maar heeft eerder een zelfbevestigende werking. Er is voornamelijk sprake van verfijning en verdere specificatie van definities. Gevolg daarvan is dat het juridisch discours eerder nog verder beperkend is dan dat het ontvankelijker wordt voor wat er in de praktijk plaatsvindt.

De spanning kan worden geduid als de spanning om een pluriforme en dynamische werkelijkheid in een eenduidig en statisch kader te dwingen. De daarin werkzame krachten vinden hun basis in de eisen die we in onze rechtstaat stellen. We wensen dat beleid eenduidig is. Het leidt tot een binair systeem. Iemand heeft wel recht op een vergunning of niet. Een handeling is wel strafbaar of niet.

We willen ook dat er sprake is van een logisch geheel. Definities moeten met elkaar een consistent geheel vormen. Wat in de ene regeling is voorgeschreven mag niet in een andere regeling worden verboden. Al die daarin aanwezige definities en begrippen vormen de uitdrukking van een onderliggend pakket van eisen. Die hebben werking omdat ze in wetten en daarvan afgeleide regelingen zijn vastgelegd. Ze hebben geen verdere onderbouwing of argumentatie meer nodig vanwege het simpele feit dat ze rechtskracht hebben. We hebben de bronnen van vervreemding stevig verankerd. Regels verhinderen doorbreking van de vervreemding en zijn er juist bron van.

Nu zou men kunnen stellen dat het juridisch domein wellicht een ongelukkig voorbeeld is en dat de ruimte voor betekenisgeving binnen een moderne en open maatschappij gelukkig aanmerkelijk groter is dan in de rechtszaal. Maar ook die opvatting is onderwerp van discussie. Structuralisten als Foucault stellen dat die ruimte voor betekenisgeving wordt beperkt en zelfs gedomineerd door maatschappelijke structuren. De mens is niet vrij maar leeft binnen een door instituties beheerst betekeniskader.

Structuralisme

Dergelijke opvattingen en daaraan gekoppelde praktijken nodigen uit een stap dieper te gaan. Die verdieping is mogelijk door taal als centraal begrip te nemen. In de taalfilosofie zijn vanaf het begin van de vorige eeuw analyses ontwikkeld die daarbij van betekenis kunnen zijn. Een belangrijke vraag daarbij is of er in de taal patronen zijn te herkennen. Die vraag vormde een belangrijk vertrekpunt binnen de stroming van het structuralisme. Daarin staat de overtuiging centraal dat de mens minder vrij is dan verondersteld omdat hij is onderworpen aan betekeniskaders die geïnstitutionaliseerd zijn.

Mensen worden geboren in een reeds gestructureerde werkelijkheid. Opleiding, opvoeding strekt ertoe iemand in die gestructureerde werkelijkheid in te wijden en die uiteindelijk normaal te vinden. Voor subjectiviteit is in die opvatting weinig ruimte. Zichzelf worden blijkt dan voor het subject een buitengewoon lastige opdracht. Hoe de werkelijkheid moet worden betekend staat al vast en heeft een dwingend karakter. Denken en handelen is onderworpen aan patronen. Door die structuren heen breken vraagt veel energie, bovenmenselijke energie.

Foucault gaat daarin zo ver dat hij het bestaan van het subject ontkent. In de antisubjectfilosofie staat het beeld centraal dat de mens zich niet aan structuren kan onttrekken. De taal is niet een bevrijdend medium doordat die toegang geeft tot eigen constructies maar de taal moet worden opgevat als drager van een reeds gevuld begrippenkader. Zelf begrippen en betekenissen construeren is overbodig omdat ze al beschikbaar zijn en op een dwingende wijze worden opgelegd. De inhoud van een betekeniskader bestaat uit vooronderstellingen en vanzelfsprekendheden. Die vormen de niet-uitgesproken kern van een betekeniskader. Ze blijven impliciet en hebben geen woorden nodig, juist omdat ze zijn voorondersteld. Voor eigen constructies is er weinig ruimte, zo iemand daar al behoefte aan zou hebben.

Ook bij Wittgenstein staat taal centraal. Hij problematiseert de relatie tussen de taal en de werkelijkheid. Hij relativeert de waarneming. We maken gebruik van begrippen, maar de ruimte waarbinnen die begrippen betekenisvol zijn, is beperkt. Hij gebruikt het begrip taalspelen als invalshoek. Het is de mens zelf die betekenis geeft aan begrippen. Begrippen zijn, anders gezegd, geen objecten die op zichzelf staan maar het zijn constructies die we zelf hebben.

Binnen een taalspel is er sprake van een onderling samenhangend systeem van betekenissen, van een betekeniskader dus. Er gelden regels omtrent die samenhang. Dat zou op zichzelf nog geen probleem hoeven te zijn, ware het niet dat de werkelijkheid toont dat er tegelijkertijd meerdere onderling verschillende taalspelen bestaan met als gevolg dat er sprake is van meerdere betekeniskaders. Een taalspel is gebaseerd op een beeld van de werkelijkheid dat is geconstrueerd met behulp van de begrippen die in dat taalspel centraal staan en geldigheid hebben. Hoewel Wittgenstein doorgaans wordt gerelateerd aan het domein van de linguïstiek kunnen taalspelen ook zeer wel worden geduid begrippen met een structurerende werking. Een taalspel kan plaatsvinden binnen een domein en opgevat worden als typerend voor de communicatie binnen een domein maar er kan ook sprake zijn van verschillende taalspelen binnen een domein. Ik verwijs naar de uiteenlopende betekeniskaders van de formele overheidswereld en de leefwereld van burgers die beide functioneren binnen eenzelfde natiestaat.

De werkelijkheid komt tot ons via de taal en de in een taalspel geldige begrippen. Het maakt handelingspraktijken mogelijk en voorkomt dat we over iedere vraag, relevant of irrelevant, eerst met elkaar een begrippenkader zouden moeten construeren alvorens tot beantwoording in staat te zijn. Het is wel zo handig wanneer we een systeem van begrippen delen en niet telkens elkaar moeten ondervragen over het begrippensysteem dat iemand gebruikt.

De Franse psychotherapeut Lacan heeft bovenstaande filosofische noties gekoppeld aan praktijken.



Lacan


De taal neemt een centrale plaats in in het denken van Lacan. Hij neemt als vertrekpunt dat de mens niet geheel vrij is in zijn denken maar onderworpen is aan de taal en dus ook aan de structuur van de taal. Het denken kan niet buiten de taal. Wanneer we denken doen we dat in een talige context. Dat geldt niet enkel voor als we bewust nadenken.

Ook het onderbewuste kent een taalstructuur. Dat vertrekpunt vormt de basis voor de psychotherapeutische praktijk die Lacan ontwikkelde en toepaste. Via de taal krijgt het subject een “ander ik” aangereikt, een extern “ik”. De taal zorgt daarbij als bemiddelend medium tussen het subject, het “ik” dus, en het “andere ik”. Het subject kan niet zichzelf zijn vanwege een dwingende gerichtheid op de Ander. Die dwang wordt voor een belangrijk deel onbewust beleefd.

Maar juist vanwege de taal als bemiddelend medium kan het onbewuste via de taal tot uitdrukking worden gebracht. Lacan benut daarbij het onderscheid van de Saussure tussen betekenaar en het betekende. In zijn benadering van psychotherapie wordt de patiënt uitgenodigd te verwoorden wat hem drijft zoals de verlangens die zijn denken en handelen beïnvloeden, zonder dat hij zich ervan bewust is. Die verlangens nemen bij Lacan een belangrijke plaats in. De gerichtheid op de ander is dominant.

Ons denken en handelen staat niet op zichzelf maar is gericht op de ander. De therapeut is niet meer dan een facilitator die de patiënt helpt zelf te verwoorden wat in zijn onderbewustzijn speelt. Het benoemen dus van wat hem drijft zonder dat hij zich dat realiseert. Het zijn niet de woorden van de therapeut die de oplossing aangeven. Die bieden hooguit de ruimte het pad naar de oplossing af te lopen. De patiënt verkent en verwoordt zijn eigen ervaringen en gevoelens bij het aflopen van het pad. Hij vindt bij een geslaagde sessie de antwoorden op vragen die hij zich eerder nooit heeft gesteld. De taal biedt niet de oplossingen maar de woorden die de patiënt nodig heeft om de mechanismen te benoemen die wel werking hebben in zijn denken en handelen maar die niet eerder door de patiënt werden onderkend.

Het onderscheid tussen betekenaar en betekende is ook overgenomen door Barthes. Zijn verdienste is dat hij, evenals Lacan, het schema niet als een statisch onderscheid heeft opgevat maar hij heeft het in een dynamische structuur geplaatst. Het is dan niet langer een statisch analysekader en biedt daardoor mogelijkheden ons inzicht te verdiepen in mechanismen in ons denken en handelen, zowel individueel bij Lacan als collectief bij Barthes.

Bij Barthes gaat het niet om structuur in statische zin maar om de werking ervan. Welke invloed oefent een structuur uit op processen van betekenisgeving. Hij maakt een onderscheid tussen de auteur van een tekst en de lezer. We zijn geneigd een boek te lezen om daarin aan te treffen wat een auteur beweegt. De idee dat een lezer in een boek het betekeniskader van de auteur leert kennen, is in zijn ogen echter niet correct. Barthes draait het om en stelt de lezer centraal. De lezer is degene die de tekst interpreteert. Die interpretatie kan erg afwijken van wat de auteur heeft bedoeld.

Niet de auteur staat centraal maar de lezer, zo stelt Barthes. Lezen betekent dat je als lezer betekenis geeft aan wat de auteur schrijft. Die interpretatie vindt zijn bron in de lezer zelf. Barthes ontwikkelt een perspectief waarin hij de betekenis van vanzelfsprekendheden centraal stelt. Die vanzelfsprekendheden zijn verscholen in de taal. En juist omdat ze verscholen zijn kunnen ze zich aan kritiek onttrekken. Men is er zich niet van bewust. Ze komen niet tot uitdrukking en we hebben er juist daarom geen vat op.

Daarop voortbouwend besteedt Barthes aandacht aan de betekenis van mythes in onze communicatie. Mythes als drager van betekenis. Hij beperkt zich daarbij niet tot filosofische overwegingen maar besteedt aandacht aan mythes in de dagelijkse communicatie. Hoe reclame-uitingen drager kunnen zijn van mythes en daardoor de indruk wekken dan aankoop van een product in staat stelt het onmogelijke werkelijkheid te laten worden en onze diepste verlangens kan bevredigen.

Lévi-Strauss, eveneens structuralistisch denker, besteedt vanuit een antropologische invalshoek aandacht aan de relatie tussen taal en mythes. Zijn benadering houdt in dat mythes opstap kunnen zijn om door te dringen tot de structuur van het onderbewustzijn. Hij heeft daarvoor een methodologie uitgewerkt zoals Lacan dat heeft gedaan binnen de psychotherapie.

De functie van mythes is ook heel goed te duiden binnen het formele beleidskader. Dat bouwwerk kan slechts overeind blijven dankzij mythes, zoals de mythe dat iedere burger de wet moet kennen. Of de mythe dat een minister verantwoordelijk kan worden gehouden voor alle besluiten die er op het departement worden genomen. Bij even doordenken zal ieder het irrealistische van dergelijke uitgangspunten onderkennen. Niettemin vormen dergelijke mythes de sluitstenen van het formele bouwwerk. Zonder dergelijke mythes voor “waar” te houden gaan de eisen die we stellen aan overheidsbeleid en de verlangens die eraan ten grondslag liggen in de lucht zweven. Ontmaskering van de mythes zou op dat punt dramatische consequenties hebben.

Conclusie

De vraag is vervolgens wat deze beschouwingen over taal ons leren met betrekking tot de aanpak van onderzoek in complexe systemen. Allereerst dat we de neiging moeten weerstaan tot eenduidige oplossingen te komen. Een dergelijke benadering kan weliswaar een duidelijke uitkomst opleveren maar ze doet geen recht aan de complexiteit. Dan wordt de werkelijkheid benaderd als een werkelijkheid die tot heldere kennis in staat stelt, maar in wezen doen we de werkelijkheid geweld aan. We tonen dan geen respect voor de eigen aard van de werkelijkheid. De prijs die we voor die neiging tot eenduidige uitkomsten betalen is dat de kennis die we verwerven weinig relevantie kan hebben.

De beschouwingen over taal leren ons dat we een pluriforme samenleving niet via een eenduidige benadering moeten onderzoeken. In mechanische processen kan dat zinvol zijn maar niet bij onderzoek van complexe systemen (Desmet, p. 62). Onze wens tot kennen en beheersen zit ons dan in de weg. We proberen dan een relatie te vinden tussen twee parameters en zien over het hoofd dat die onderdeel zijn van een complex probleem. De illusie dat we nieuwe kennis hebben ontdekt kan ons vervolgens ertoe aanzetten verder onderzoek te doen vanuit een perspectief dat niet in staat stelt tot inzicht te komen in de complexiteit. Onze eenvoud van denken vormt dan een minstens zo groot probleem als de complexiteit van de werkelijkheid.


Literatuur

Barthes, Roland, Mythologies, Vintage Publishing, 2000

Barthes, Roland, Van werk naar tekst, Vert. Jacq Vogelaar, in: Raster, nr 17, 1981

Bourdieu, The Logic of Practice, Polity Press, 1992

Desmet, Mattias, Lacan’s Logic of Subjectivity, A Walk on the Graph of Desire, OLW Press, 2019

Kouzes, J.M. en Mico, P.R., Domain Theory: an introduction to organizational behavior in human service organizations, in: Journal of Applied Behavioral Science, vol. 15, no 4, p.449-469, 1979

Luhmann, Niklas, Social Systems, Stanford University Press, 1996

Wagemans, Mathieu, Van een definiërend naar een energetisch wereldbeeld: begrippen en feiten als dragers van energie, Deel I: Nieuw beleid past niet in bestaande kaders en vraagt een ander perspectief, in: Civis Mundi Digitaal #91, 2019

Wittgenstein, Ludwig, Filosofische Onderzoekingen, Boom, 2002

****************************************


Een andere kijk op orde en chaos, Deel VII over Wereldbeeld, bewustzijn, onderbewustzijn, betekenisgeving en taal in de serie over Orde en Chaos.

door Mathieu Wagemans

Civis Mundi Digitaal nr 102, oktober 2020


Wereldbeeld, taal en discours

Een wereldbeeld kan letterlijk worden opgevat als het beeld van de wereld dat we ons hebben gevormd. We kunnen ons beeld van de wereld beschrijven met woorden. Maar we kunnen ook een niveau dieper gaan en vragen stellen hoe woorden hun betekenis hebben gekregen en inhoudelijk wat die betekenis dan is. Dan volstaan we niet met de woorden maar zoeken we naar het wezen ervan. En hoe onze betekenissen tot stand zijn gekomen. Ook speelt mee dat woorden in een andere context een heel andere betekenis kunnen krijgen. Aan de orde is dan het onderliggend betekeniskader waarvan woorden de uitdrukking zijn. Dat betekeniskader kan worden opgevat als een verzameling van uitgangspunten, aannames en vanzelfsprekendheden die breed worden gedeeld. Nog een stap dieper is dat we vragen naar het persoonlijke. Waarom is voor de een vanzelfsprekend wat door de ander hevig wordt gekritiseerd? Hoe zijn onze uitgangspunten, aannames en zekerheden tot stand gekomen?

In eerdere delen van deze serie over Orde en Chaos kwam reeds de impact van ons wereldbeeld aan de orde. Een wereldbeeld heeft betrekking op de wijze waarop we de werkelijkheid, onszelf en onszelf in relatie tot de werkelijkheid zien. Het is op te vatten als een betekeniskader dat vervolgens leidend en bepalend is voor ons denken en handelen. Dat veronderstelt dat we helder zicht hebben op ons perspectief op de werkelijkheid. Dat is echter minder vanzelfsprekend dan wellicht op het eerste gezicht lijkt. We zijn ons lang niet altijd bewust van ons eigen perspectief. Anderen kunnen ons erop wijzen dat er sprake is van patronen in ons denken en handelen die we ons voorheen niet hebben gerealiseerd. Dergelijke opmerkingen kunnen ons aan het denken zetten. Ze maken ons bewust van vanzelfsprekendheden in ons denken en van automatismen in ons handelen. Dat kan aanleiding zijn ons perspectief te veranderen. We gaan anders naar de wereld kijken en gaan ons mogelijk anders gedragen. We worden ons bewust van een manier van kijken en handelen waar we zelf niet achter kunnen staan. Wij wensen niet langer door ons doen en laten een beeld bij de ander te vestigen waarin we onszelf niet herkennen. Zo wensen we niet over te komen.

Wat individueel geldt, geldt ook in collectief verband. Neem als voorbeeld de problematiek rond duurzaamheid. Gepleit wordt voor aanpassing van ons wereldbeeld waardoor we gaan inzien dat we een beroep doen op de aarde dat niet houdbaar is. We tasten niet-vervangbare voorraden aan. Ons consumptiepatroon is niet te handhaven. We gaan voort op een weg die op termijn doodlopend is. Steeds vaker en steeds intenser worden we eraan herinnerd dat wat we vooruitgang noemen in menig opzicht achteruitgang betekent. Een nieuw wereldbeeld betekent dan dat we de overstap maken naar een nieuw patroon van waarden. Wat economisch een kostenpost is kan, bezien vanuit een ander perspectief, uitzonderlijke waarde hebben. Wat we rationeel noemen kan irrationele consequenties hebben. Wat we logisch vinden kan ons het zicht ontnemen op het onlogische.

Nicole Note (2007) maakt een onderscheid tussen het westers wereldbeeld en het wereldbeeld in de Andes. In het westerse wereldbeeld hebben we de neiging te definiëren. De wereld is kenbaar en beheersbaar en op basis daarvan formuleren we definities. We omschrijven objecten en maken een strak onderscheid tussen objecten. We onderscheiden aspecten aan een vraagstuk die we vervolgens afzonderlijk onderzoeken om tot inzicht te komen. Door alsmaar meer gedetailleerde kennis menen we de werkelijkheid beter te kunnen begrijpen. Die definities vormen in onderling verband onze identiteit. Ze bepalen hoe wij de wereld zien. Daarentegen staat in de het wereldbeeld van bewoners van de Andes de relatie centraal tussen objecten. Je zou kunnen zeggen dat we in ons westers wereldbeeld splitsend denken terwijl in het wereldbeeld van de Andes de verbinding centraal staat. Door splitsend te denken hebben we ons een wereldbeeld gevormd dat de wereld vervormt. Zo beschouwd hebben we de problemen op het vlak van duurzaamheid in ons eigen wereldbeeld al ingebouwd. Door te onderscheiden zijn we niet goed in staat de samenhangen te zien. We zijn zo zelf de constructeurs van de problemen op het vlak van duurzaamheid doordat we lange tijd selectief zijn geweest in onze waarneming. Note noemt als categorieën van de tweede orde binnen het wereldbeeld van de Andes begrippen als complementair, wederkerig, cyclisch, integraal. Categorieën binnen het westers wereldbeeld zijn dan: autonomie van het individu, rationeel en duaal. Die begrippen staan dan centraal in het betekeniskader waarvan de taal de condensatie vormt.


Taalkritiek

Een wereldbeeld heeft een belangrijke relatie met taal. Taal heeft als belangrijke functie dat die ons in staat stelt om met elkaar betekenisvol te kunnen communiceren. Taal biedt ook de gelegenheid dat we uitdrukking kunnen geven aan de wereld. We vormen ons een beeld van de wereld. We kunnen ook uiting geven aan wat we zelf denken en voelen en ervaren. Zo beschouwd drukken we ons bewustzijn uit in taal. Woorden roepen beelden op, hebben betekenis. Maar taligheid gaat verder. Taal kan worden opgevat als drager en uitdrukking van een onderliggend betekeniskader.

Taal mag dan een belangrijk medium zijn binnen een gemeenschap maar de rol en betekenis ervan is bepaald niet onomstreden. Taal is ook onderwerp van debat, in het bijzonder binnen de wetenschap zelf. Taalfilosofie heeft zich ontwikkeld tot een min of mee zelfstandige tak van wetenschap en filosofie met diverse deeldisciplines. Wat zijn daarin belangrijke vraagstukken? We noemen er enkele.

Een eerste punt van kritiek betreft de vraag of taal geschikt is om uitdrukking te geven aan de werkelijkheid. Wittgenstein was daarvan overtuigd. Aanvankelijk nam hij een strak standpunt in dat inhield dat de werkelijkheid en de taal eenzelfde structuur kennen. Er bestaat niets buiten de tekst. Anders gezegd, wat niet in woorden kan worden uitgedrukt moeten we als niet-bestaand beschouwen. De taal als absoluut criterium om waarheid te scheiden van onwaarheid. In Tractatus Logico-Philosophicus is hij op zoek naar een heldere structuur van de taal die algemene geldigheid heeft. Taal, zo stelt hij, kent een eigen logische structuur op basis van logische principes die absoluut en onveranderlijk zijn van sociale en andere invloeden. In een latere fase (Philosophische Untersuchungen) toonde hij zich open voor nuancering van dit standpunt en hield jij niet langer vast aan taal als eenduidig medium. Hij schept ruimte voor een pluriforme werkelijkheid. Taal stelt in staat om uiteenlopende afbeeldingen van de werkelijkheid te construeren. In taalspelen wordt de relatie gelegd tussen taal en handelingspraktijken. Wittgenstein neemt afstand van het denken in termen van essenties. De werkelijkheid houdt zich niet aan onze strakke logica waarin sprake is van strenge oorzaak-gevolg-relaties. Een betere invalshoek is hoe wij in de praktijk begrippen hanteren.

De betekenis van woorden is context-gebonden. Taal kan in die visie niet worden opgevat als eenduidig maar er is sprake van associaties. Het relationele aspect van taal dus. Daarbij kan sprake zijn van allerlei invloeden en elementen die een rol spelen en van betekenis zijn. Wittgenstein stelt dat conceptuele analyses niet “in vacuo” moeten plaatsvinden maar dat altijd de context daarbij moet worden betrokken. De werkelijkheid moet in zijn context worden benaderd. Begrippen leiden dus niet een geïsoleerd bestaan en moeten bijgevolg niet als op zichzelf staand worden benaderd.

Een tweede punt van kritiek gaat over het centraal stellen van het bewustzijn. Wat minder aandacht krijgt is de uitsluitende werking van ons bewustzijn. Het onbewuste kunnen we opvatten als een restpost van ons bewustzijn. Het bestaat wel maar we zijn er ons niet van bewust. Dat betekent nog niet dat het geen werking zou hebben. In ons denken en handelen gaan we eraan voorbij terwijl de invloed van het onbewuste minstens zo belangrijk moet worden geacht als die van het bewustzijn. Dat besef staat op gespannen voet met het denken in de moderniteit. Moderniteit gaat uit van het kenbare en het beredeneerbare. Daarbij wordt een beroep gedaan op het bewustzijn dat ons denken leidt. Zie de filosofie van Kant. We vormen ons afbeeldingen van de werkelijkheid conform de categorieën van het verstand. Hoe we tot conclusies komen moet analyseerbaar zijn. We moeten de redenering kunnen volgen opdat en zodat we de logica ervan kunnen testen en mogelijke inconsistenties kunnen ontdekken. Aan dat streven kan niet goed worden voldaan wanneer het processen betreft waar we ons niet of niet goed van bewust zijn. Het onbewuste is niet waarneembaar en concreet benoembaar. Het onbewuste is niet goed “grijpbaar” via het verstand. De nadruk en het centraal stellen van het bewuste past in het moderniteitsdenken. De ratio staat centraal. We redeneren logisch. Het onbewuste krijgt minder aandacht omdat het langs rationele weg niet goed toegankelijk is. (Dijksterhuis, 2015). Het onbewuste kan zo worden opgevat van datgene wat niet betekenisvol kan worden ingepast binnen onze rationele en logische kaders. Het onbewuste als ruimte voor het irrationele, voor het onlogische, voor het niet-beredeneerbare.

Op de derde plaats heeft kritiek ook betrekking op de stelling dat taal helderheid schept en tot eenduidigheid zou leiden. We maken de vergelijking met een schilderij. Een schilderij doet een beroep op ruimte voor interpretatie. Een schilderij vraagt voorstellingsvermogen. Taal is daarentegen het middel en het voertuig waarmee we helderheid geven over hoe we de werkelijkheid zien. De interpretatieruimte kan beperkter zijn omdat de woorden, in vergelijking met een schilderij, een geringer beroep doen op ons voorstellingsvermogen. We kunnen de afbeeldingen van de werkelijkheid beter communiceren. Er zijn min of meer heldere interpretaties mogelijk. Taal stelt in staat ons helder uit te drukken. Althans meer dan bijvoorbeeld schilderijen die de kijker volop de ruimte geven tot interpretatie. In vergelijking met schilderijen is die interpretatieruimte bij taal veel beperkter. De rechtspraak neemt daarbij een uiterste positie in. In wetten en daarvan afgeleide regelingen hebben we met behulp van gedetailleerd uitgewerkte definities vastgelegd wat strafbaar is en, als contramal, wat niet strafbaar is. We streven daarbij naar maximale helderheid zodat we weten waar we aan toe zijn. Althans, dat veronderstellen we. De rechtspraktijk geeft echter aan dat de dynamiek en de pluriformiteit van de werkelijkheid, gecombineerd met de creativiteit van burgers, altijd weer groter is dan verondersteld door de constructeurs van de wet.

Een vierde kritiekpunt sluit daarbij aan. In tegenstelling tot de opvatting dat we met taal helderheid kunnen scheppen blijkt taal ook over manipulatief vermogen te beschikken. Met woorden kunnen we onderling tegenstrijdige beelden oproepen. We kunnen als het ware kiezen uit een uitgebreide gereedschapskist, gevuld met woorden en begrippen waarmee we beelden van de werkelijkheid kunnen construeren. We kunnen een onoverzienbaar aantal voorstellingen maken van situaties, gebeurtenissen en ontwikkelingen, al naar gelang de wensen die we hebben. Dat vermogen wordt wel geduid als framing.


Discoursen en conflicten

Een discours vatten we daarbij, aansluitend bij van der Wal (2002), op als een samenhangend en op een bepaalde wijze gestructureerd geheel van betekenissen. Een discours vormt het kader waarbinnen concretisering plaatsvindt. Opvattingen hebben bijvoorbeeld betrekking op probleemformuleringen, op overtuigingen over oplossingsrichtingen en wie daar bij het voortouw moet nemen. Kenmerk van een discours of vertoog is ook dat opvattingen zo krachtig zijn dat ze het karakter van vanzelfsprekendheden krijgen. Ze doden discussie en verzet. Het zijn zekerheden geworden, geconstrueerde waarheden dus. Omdat ze breed gedeeld zijn gaan ze gaandeweg deel uitmaken van het collectief bewustzijn.

We noemden al dat de werkelijkheid een beeld kan geven van meerdere discoursen die onderling aanzienlijk kunnen verschillen. We kunnen, zoals in debatten, de kwaliteit van voorstellingen vergelijken en proberen de door ons gekozen voorstelling geaccepteerd te krijgen. Ook in die debatten is taal het medium. Maar dat middel is omstreden. Er is geen onafhankelijke standaard aan de hand waarvan we iets over de kwaliteit van taalspelen kunnen zeggen en tot een beredeneerde keuze kunnen komen waarbij we het ene taalspel verheffen boven het andere.

De betekenis van een discours moet niet worden onderschat. Een samenleving kan worden opgevat als een geheel van domeinen en systemen. Het economisch systeem bijvoorbeeld. Of het politieke systeem en het beleidssysteem. Of de rechtspraak. Of de wetenschap. Die hebben een zekere zelfstandigheid. Ze hebben elk ook een eigen betekeniskader. Hoe ze functioneren kan worden beoordeeld door een domein afzonderlijk te beschouwen of door vanuit het perspectief van de samenleving te kijken. In het laatste geval vormen we ons een beeld van de samenleving als een verzameling min of meer zelfstandige deelsystemen, elk met een eigen discours en een eigen taligheid.

Dat roept vragen op over de verhouding tussen deelsystemen. Welke relaties hebben we onderling? En hoe vindt de communicatie plaats? Hoe zijn de onderlinge verhoudingen? Is er sprake van boven- en nevenschikking? Is er sprake van dominantie waardoor er afhankelijkheden ontstaan? Zijn ze aanvullend en bevestigen en versterken ze elkaar? Of is er sprake van onenigheid en strijd? Koesteren ze hun zelfstandigheid zodat er sprake is van een naast elkaar bestaan zonder sterke verbindingen?


Wat gebeurt er wanneer er sprake is van conflicten

Dat er zich van tijd tot tijd spanningen voordoen tussen deelsystemen hoeft niet te verbazen. Dat lijkt betrekkelijk normaal in een samenleving. Belangen en standpunten kunnen uiteenlopen. Een samenleving beschikt doorgaans over bemiddelende procedures en praktijken. Die zijn er vaak op gericht tegenstellingen te pacificeren. De tegenstellingen worden niet opgelost maar aanvaardbaar gemaakt. Maar het conflict blijft in stand.

Dat ligt anders wanneer er sprake is van permanente conflicten die vaak terug te voeren zijn tot onderling strijdige betekeniskaders. Neem als voorbeeld de spanning tussen landbouw en natuur. De landbouw wordt opgevat als een economische activiteit. De boer is ondernemer, koeien zijn productiemiddel. De natuur daarentegen heeft een functie die niet in economische termen kan worden uitgedrukt. Productiviteit, kostprijs en verhandelbaarheid zijn begrippen die we niet relateren aan natuur. Wanneer het economisch denken dominant is kan natuur worden opgevat als een kostenpost. Landschapselementen zoals bomen vormen een hindernis en werken belemmerend voor toepassing van moderne technologie met alsmaar grotere machines. Een zeer intensieve landbouw kan natuurontwikkeling schaden door uitspoeling van meststoffen. Beregening kan tot verdroging van natuurgebieden leiden. Uitstoot van ammoniak kan verzuring veroorzaken. Dergelijke problemen worden doorgaans opgelost door middel van compromissen. De boer krijgt een vergoeding vanwege economisch ongemak. Of we scheiden beide functies door landbouw- en natuurgebieden aan te wijzen. Echter, dergelijke oplossingen werken niet wanneer de oorzaak van problemen dieper moet worden gezocht. Dan is er sprake van een identiteitsvraagstuk. Bijvoorbeeld als we natuur gaan zien als “bezitter” van een eigen identiteit. Natuur wordt dan een intrinsieke waarde toegekend die niet in economische termen kan worden uitgedrukt. De betekenis van natuur kan dan niet worden verwoord in termen van effecten op een efficiënte landbouwpraktijk. Natuur heeft dan een eigenstandige waarde. Respect daarvoor gaat dan verder en dieper dan het verplaatsen van het prikkeldraad tussen landbouw- en natuurgebieden. Natuur leent zich dan niet voor compromissen maar vraagt respect.


Collectief bewustzijn

Geheugen is niet voorbehouden aan een individu. Er kan ook worden gesproken van een collectief geheugen. Een gemeenschap kan scherpe herinneringen delen, bijvoorbeeld aan ingrijpende gebeurtenissen. Incidenten die ieder zich heel goed herinnert en die worden doorgegeven aan volgende generaties. De beleving ervan kan individueel verschillen, afhankelijk bijvoorbeeld van de situatie waarin iemand verkeerde, zijn eigen historie, zijn betrokkenheid bij een gebeurtenis en/of zijn belangstellingsveld. Ieder geeft er zijn eigen kleuring aan. De herinnering kan zo heeft het karakter krijgen van een verhaal dat op heel uiteenlopende wijze tot stand is gekomen maar gemeenschappelijk wordt gedeeld.

Maar we kunnen het collectief geheugen ook opvatten als een basisstructuur van vanzelfsprekendheden, associaties en normatieve posities. Dan heeft een collectief geheugen een culturele betekenis. Het is een min of meer samenhangende verzameling van elementen die het karakter hebben van een collectief betekeniskader. Dat kader is bepalend voor hoe een gemeenschap staat tegenover de werkelijkheid, hoe men met elkaar omgaat en wat belangrijke gedeelde waarden zijn. Daarin kunnen we, zoals we dat voor een individu doen, een onderscheid maken tussen het deel van het collectief geheugen waar we ons van bewust zijn en een deel waar we ons niet van bewust zijn.

Je kunt met betrekking tot het collectief geheugen drie niveaus onderscheiden. Het eerste is het niveau van historische gebeurtenissen. Een treinramp bijvoorbeeld, of de aanslagen op het World Trade Center, of de invasie in Normandië. Het tweede niveau is het culturele niveau. Dan gaat het om de vanzelfsprekendheden, aannames enz. Het derde niveau heeft dan betrekking op de processen: hoe komt een collectief geheugen tot stand? Welke waarden bepalen hoe vanzelfsprekendheden ontstaan? Waarom wordt het ene wel onthouden en wordt het andere niet opgeslagen in het collectief geheugen, althans niet bewust? Wat niet bewust wordt opgeslagen kan overigens wel werking hebben zoals dat ook individueel geldt. Dergelijke vragen hebben te maken met de inhoudelijke component van het collectieve bewustzijn en met de processen die aan de vorming ervan te grondslag liggen.

Volgens de Franse socioloog Emile Durkheim (2015) bestaat het collectief bewustzijn uit gedeelde basiswaarden en sentimenten en daarop gebaseerde opvattingen die de onderlinge contacten vergemakkelijken en ook de relatie met de buitenwereld reguleren. Ze werken onderscheidend ten opzicht van wie niet tot de gemeenschap behoort. Binnen de gemeenschap gelden ze als vanzelfsprekend. Ze hebben bindend vermogen. Instituties, omgangsvormen en begrippen vormen er de uitdrukking van. Zonder gezamenlijkheid kan er geen gemeenschap zijn. Zie ook Ransijn (2016). Durkheim onderscheidt een mechanische en een organische gezamenlijkheid. Mechanisch heeft dan betrekking op sterke en streng opgelegde vormen van gezamenlijkheid. Die kunnen bijvoorbeeld rusten op religieuze overtuigingen. Er is dan sprake van een krachtig gezamenlijk bewustzijn. De Verlichting betekende ook op dit vlak verandering. De maatschappij werd minder homogeen door differentiatie en individualisering. Het collectief bewustzijn verzwakte en werd oppervlakkiger. Durkheim introduceerde daarvoor het begrip “anomie”: door normvervaging raakte de samenleving ontregeld.

Ransijn en Schulte (1982) merken op dat bij bewustzijn vaak wordt verwezen naar waken, waarnemen, onderscheiden, aandacht geven, kennen of betekenis geven. Maar, zo stellen ze, dat zijn allemaal kenmerken van bewustzijnsprocessen maar ze vallen niet samen met het bewustzijn zelf.

Het betekeniskader van de moderniteit is opgebouwd op basis van rationaliteit, meetbaarheid, planning, efficiency enz. Onze organisatorische structuren vormen er de uitdrukking van. We leggen nauwkeurig vast wie bevoegd is, hoe verantwoordelijkheden zijn toegedeeld, hoe de communicatie moet verlopen, welke doelstellingen er zijn en binnen welke termijn die moeten worden gerealiseerd.

De mens kan zo gemakkelijk op de achtergrond raken. In uiterste consequentie ligt de betekenis van een medewerker slechts in zijn rol en positie binnen de formele kaders. Worden de doelen gehaald en wordt er gehandeld binnen de geldende regels? Dergelijke overwegingen vinden we terug bij Weber die een onderscheid maakt tussen materiele en substantiële rationaliteit en zich aldus al vroegtijdig kritisch uitlaat over het moderne denken. Die kritiek is ook terug te vinden bij de Frankfurter Schule en later bij Habermas die een onderscheid maakt tussen leef- en systeemwereld. Of bij Luhmann die het functioneren van systemen kritisch beziet en daarover theorie heeft ontwikkeld.


Een nieuw wereldbeeld waarvan het bewustzijn deel uitmaakt

Gaandeweg is de kritiek verbreed en ook basis geworden voor het ter discussie stellen van het moderne denken zoals dat in het werk van verscheidene Franse filosofen is terug te vinden. Die kritiek is zo sterk en intens geworden dat velen ervan overtuigd zijn dat we de overstap naar een ander wereldbeeld moeten maken. Het nieuwe wereldbeeld wordt dan geduid met het postmodernisme. Dat is echter vooralsnog meer een verzamelnaam voor krachten die ingrijpende veranderingen bepleiten dan dat er sprake is van een min of meer uitgekristalliseerd nieuw wereldbeeld voor het komende tijdvak. Sterker nog, in pleidooien voor een nieuw wereldbeeld valt regelmatig te lezen en beluisteren dat we niet de overstap moeten maken van het ene naar het andere wereldbeeld dat we vervolgens weer institutioneel verankeren maar dat we in de toekomst moeten leren omgaan met permanente dynamiek en met pluriformiteit. Dergelijke overtuigingen verzetten zich tegen definiëren en tegen statische kaders. Maar vooralsnog zitten we vast aan de instituties van de moderniteit.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat taal om (minstens) twee redenen een geschikte invalshoek is om kritisch over de moderniteit te reflecteren. Taal vormt allereerst het medium voor communicatie binnen collectieven. Bovendien vormt taal ook het ordeningsprincipe voor onze institutionele structuren. Met als gevolg dat het buitengeslotene zowel werking heeft, doordat het in de communicatie betekenisloos wordt geacht vanuit de formele systemen maar zeker ook omdat er geen plaats is voor het buitengeslotene in onze structuren. Ze zijn er niet ontvankelijk voor en, nog erger, ze mogen en kunnen dat ook niet zijn omdat het formele begrippenkader voor de rechtspraak als toetssteen geldt.

Nog principiëler is de stellingname dat bestaande instituties hun ontstaans- en bestaansrecht in wezen ontlenen aan hun vermogen om buiten te sluiten wat niet past in hun ordeningen. De werking van instituties is hun vermogen tot buitensluiten. Ze kunnen het zich permitteren. De ordening is dwingend. De chaos als bestaansvoorwaarde voor de ordening. Relevant is ook dat het formele perspectief de neiging heeft te versmallen. Telkens weer doen zich nieuwe situaties voor die vragen om “betekend” te worden. Hoe moeten die worden geïnterpreteerd? Ze moeten worden ingepast binnen de definities en begrippen van het geldende betekeniskader. Interne consistentie is harde voorwaarde. Gevolg daarvan is dat het formele betekeniskader alsmaar verder gedetailleerd en specifieker wordt met als gevolg dat het uitsluitende karakter toeneemt. Er ontstaat daardoor een toenemende spanning tussen overheid en burger. Anders gezegd, het collectieve karakter brokkelt af in relatie tot het bewustzijn van burgers.

Dit is van invloed op de ingrijpende veranderingen die thans aan de orde zijn op vrijwel elk gebied, zowel inhoudelijk als institutioneel. Het besef groeit dat realisering van die veranderingen rechtstreeks te maken heeft met ons bewustzijn. We moeten van perspectief veranderen om tot het inzicht te komen dat de problemen waar we mee te maken hebben niet op zichzelf staan maar rechtsreeks verband houden met ons eigen denken en doen. Dat veronderstelt dat we het bewustzijn erkennen als nieuwe dimensie die onze relatie met de werkelijkheid reguleert. Een dimensie waar de moderniteit eenzijdig mee is omgegaan. Wanneer je de werkelijkheid ziet als een objectief waarneembare, kenbare en beïnvloedbare werkelijkheid verloopt ons denken en handelen voorgeprogrammeerd en is er geen aanleiding onze relatie tot de werkelijkheid te problematiseren. Bewustzijn is echter nog niet algemeen erkend als een nieuwe dimensie en is door de krachten van de moderniteit eerder gemarginaliseerd. Moderniteit betekende en betekent een inperking van het bewustzijn vanwege de eenzijdige nadruk op rationaliteit en objectiviteit. Het moderne denken dwingt de meervoudige maatschappelijke werkelijkheid in een formeel kader waarna alles wat binnen dit kader valt wordt omgord met betekenissen die aan de basis vormen van definities welke vervolgens worden verzwaard en beladen met juridische kracht.


Taal en collectief bewustzijn

Wanneer we ons willen verdiepen in het collectieve bewustzijn ligt de vraag voor de hand of het denken van Lacan, waarin de taal een centrale positie inneemt, ook van betekenis kan zijn als benadering van het collectieve bewustzijn. Zo op het eerste gezicht kan er weinig misverstand bestaan met betrekking tot de betekenis van de taal. Immers, wanneer we de structuur en het functioneren van formele instituties als uitingen van gezamenlijkheid in ogenschouw nemen, kunnen we moeilijk om taal heen. Nemen we als voorbeeld het functioneren van de overheid. In wetten en daarvan afgeleide regelingen leggen we met precisie vast hoe de werkelijkheid moet worden opgevat. De definities krijgen zo juridische status en zijn beslissend in de communicatie met burgers. De macht van de overheid is in essentie definitiemacht.

Maar definities zijn inperkend met betrekking tot de werkelijkheid. We hebben doorgaans de neiging om de betekenis van definities te zoeken in wat die omvatten; we stellen de inhoud ervan centraal. Echter, minstens zo belangrijk is dat definities ook uitsluitende werking hebben. Dan gaat de interesse uit naar wat de definities buitensluiten. Wat niet door definities wordt omvat heeft voor overheden doorgaans geen of weinig betekenis. Rechters toetsen bezwaren van burgers aan de wet en hebben ook niet de ruimte tot een andere toetsing te komen. Die wettelijk vastgelegde definities zijn bepalend.

Sterker nog, het grondprincipe van de scheiding van de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht is wettelijk vastgelegd. Het is het leerstuk van de Trias Politica. Die uitsluitende werking kan worden opgevat als een bron van vervreemding. Wat voor burgers relevant is kan door overheid als betekenisloos worden beschouwd. Taal kan worden opgevat als het exclusieve medium in de relatie en in de communicatie tussen overheid en burger. Taal bepaalt het betekenisvolle en dus ook het betekenisloze. Taal lijkt dus een geschikte invalshoek voor een kritische analyse van hoe onze formele systemen functioneren en ook om de uitsluitende werking ervan op het spoor te komen. En dus zicht te krijgen op en inzicht in vervreemding. Een talige benadering dus om vervreemding onder woorden te brengen.


Taal en het onderbewuste

In vergelijking met het bewustzijn roept het onderbewustzijn als begrip vaagheid op. Het bestaan ervan werd in het verleden ook ontkend, zoals door Locke die ervan uitging dat het bewustzijn een tabula rasa was, een onbeschreven blad dat als zodanig niet zelfstandig kon bestaan. Ons denken is gebaseerd op zintuigelijke waarnemingen. Voor het niet-waarneembare is er dan geen plaats. Daarentegen stelt Dijksterhuis dat we de betekenis van het onderbewustzijn sterk onderschatten. In ons denken is er sprake van tal van invloeden waarvan we ons niet bewust zijn. Bijvoorbeeld van selectiemechanismen die onze aandacht richten op het ene en blind en doof zijn voor het andere. Het onderbewustzijn heeft werking maar hoe die werking plaatsvindt is niet makkelijk traceerbaar. De werking kan lastig worden beredeneerd. Zo het onderbewustzijn al een logica kent is die lastig te achterhalen. In ieder geval niet met onze bestaande opvattingen van logisch denken. Het onderbewustzijn kent een eigen logica. Het is de logica van bijvoorbeeld de intuïtie die zich moeilijk laat analyseren. Er zijn heel wat inspanningen gedaan om er inzicht in te krijgen maar het blijft een lastig toegankelijk gebied.

Om het onderbewuste te leren kennen neemt de benadering van Lacan een bijzondere plaats in. Uitgangspunt van Lacan is dat het onderbewuste is gestructureerd volgens de structuur van de taal. Bijgevolg, zo stelt Lacan, is taal een geschikte invalshoek om inzicht te krijgen in het onderbewuste en de werking ervan. Zoals taal drager is van bewustzijnsinhouden kan taal ook worden opgevat als drager van het onbewuste. Die betekenis ligt dan niet zozeer in een directe relatie zodat de woorden ons directe toegang verschaffen tot het onbewuste. De relatie is indirect. We kunnen een onderscheid maken tussen wat gezegd wordt en wat wordt verzwegen. Taal als invalshoek om aandacht te geven aan het niet-uitgesprokene, het niet-benoemde.

Dat vraagt een betekeniskader om het niet gezegde te interpreteren. Elementen van dat interpretatiekader zijn bij Lacan het onderscheid tussen het imaginaire, het symbolische en het reële. (Desmet, 2019) Het imaginaire heeft betrekking op de eerste levensfase waarin het kind eenheid ervaart met de moeder. Er is nog geen sprake van een “Zichzelf” dat zichzelf zelfstandig positioneert ten opzichte van de moeder. Er is sprake van een spiegeling. Het kind spiegelt zich aan de moeder en de spiegel weerkaatst wie erin kijkt. Kijker en afbeelding vallen samen. Dat verandert in een volgende levensfase wanneer het kind in de symbolische orde binnentreedt. Binnen die orde verlopen de interacties tussen mensen via de taal. Die interacties en verhoudingen zijn ingekaderd door formele en informele regels, vanzelfsprekendheden en gevestigde overtuigingen. Binnen de symbolische orde kan de mens zichzelf zien ten opzichte van de ander. Maar die zelfstandigheid is begrensd.

Lacan neemt als vertrekpunt dat ons leven niet zozeer wordt geregisseerd door onze eigen verlangens en strevingen maar door de verlangens van de ander. De taal is een construct van de ander dat via de ander het individu bereikt. Het individu kan zich slechts uitdrukken in de taal. Dat betekent een inperkend kader. Er zijn beperkingen om zichzelf als subject te tonen via de taal. De psychoanalyse van Lacan is erop gericht iemand dat niet-uitgesprokene te laten ervaren. De therapeut kan het wezen van de persoon via het niet-gezegde op het spoor komen. De therapeut legt geen betekeniskader op aan de patiënt maar laat de patiënt zichzelf zien en wel zodanig dat hij zicht krijgt op zijn eigen wezen. Een therapie mondt dan niet uit in conclusies van de therapeut. De therapeut is enkel de facilitator in een proces met als doel dat de patiënt zichzelf anders gaat zien. Een therapie is heeft dus het karakter van een ontdekkingstocht van de patiënt naar en in zichzelf. Hij wordt zich bewust van de mechanismen die hem tekenen, bijvoorbeeld wanneer hij met bepaalde situaties te maken heeft. En hij krijgt zicht op de ontstaansgrond van die mechanismen. Hoe bijvoorbeeld indringende ervaringen de bron waren voor mechanismen en automatismen in zijn processen van betekenisgeving.

De benadering van Lacan is onderwerp van kritiek. Ze zou bijvoorbeeld niet wetenschappelijk kunnen worden verantwoord. De laatste decennia heeft deze en hebben andere psychotherapeutische benaderingen aan betekenis ingeboet. De aandacht is verschoven naar neurobiologische benaderingen. Die sluiten beter aan bij het denken van de moderniteit. We willen weten en beheersen. We willen de processen begrijpen die zich afspelen in onze hersenen. Wanneer we die processen kennen en de condities waarbinnen die werkzaam zijn, zo is de gedachte, dan zullen we ook in staat zijn die processen via medicalisering te beïnvloeden. Zo kunnen we controle krijgen over de werking van ons brein en kunnen we processen die tot psychiatrische aandoeningen leiden manipuleren. Ook die benadering is overigens onderhevig aan kritiek. Het leidt tot vragen op ethisch vlak. Wordt de mens dan niet tot een robot die naar genoegen kan worden gemanipuleerd? Is de gave van betekenisverlening niet de kern van het menszijn? De mens, die als enige over het vermogen beschikt over de wereld en over zichzelf in relatie tot de wereld te reflecteren.


Het collectief onbewuste

Terwijl bij Freud uitgangspunt vormt dat het onbewuste een persoonlijk onbewuste is, introduceert Jung het collectief onbewuste. Dat verwijst naar wat Jung de oerervaring noemt die in ons aanwezig is en die we delen, zij het onbewust. Die ervaring wordt niet benoemd maar komt wel tot uitdrukking in bijvoorbeeld kunstuitingen. Jung beschouwt het collectief onbewuste als een verzameling beelden die de mensheid in de loop der tijd heeft opgebouwd naar aanleiding van opgedane ingrijpende ervaringen. Dergelijke ervaringen zouden de bron zijn van mythevorming. Er hebben zich beelden in ons vastgezet die via overerving worden doorgegeven van de ene naar de andere generatie. Jung verwijst naar archetypes van bijvoorbeeld begrippen als God, held, moeder, leven en dood. Archetypes hebben het karakter van associatieve verbeeldingen die nooit concreet worden maar die niettemin collectief worden gedeeld. Ze zijn ook niet geconstrueerd maar worden van generatie op generatie doorgegeven. Ze vormen ook geen onderwerp van discussie en ontlenen juist daar hun werking aan.

We kunnen daarbij de relatie leggen met het wereldbeeld. Een wereldbeeld vormt de uitdrukking van een heersend betekeniskader. Dat heeft als consequentie dat een wereldbeeld ook uitsluitende werking heeft. Sterker nog, je zou de betekenis en werking van een wereldbeeld juist kunnen zoeken in wat er wordt buitengesloten in plaats van de aandacht enkel te richten op wat een wereldbeeld omvat. Dan is het onderzoek gericht op de contramal van een wereldbeeld: wat blijft er buiten beeld en wat zijn daarvan de consequenties? Binnen een op rationaliteit gebaseerd wereldbeeld zal er weinig aandacht zijn voor het irrationele. Logica als uitgangspunt nemen heeft als gevolg dat het onlogische betekenisloos wordt geacht.

Een verwijzing naar het collectief onbewuste treffen we ook aan bij Assmann. Bij haar gaat het om processen van verdringing. Wat we persoonlijk doen, namelijk de werkelijkheid gekleurd waarnemen en ongewenste beelden verdringen, gebeurt ook collectief. Wij kunnen de ogen sluiten voor wat ons overkomt. We registreren niet alles wat we zien en horen. We zijn geneigd vooral bevestiging te zoeken van onze opvattingen. We selecteren. Of we laten waarnemingen niet door dringen. We ontkennen ze. Wij laten herinneringen niet toe tot ons bewustzijn omdat we het moeilijk vinden ze te accepteren en te verwerken.

Met betrekking tot collectief waarnemen noemt Assmann (2013) als voorbeeld de wijze waarop Duitsland de herinneringen aan de Eerste en de Tweede Wereldoorlog heeft verwerkt. Na de Eerste Wereldoorlog was er behoefte aan vergelding voor de herstelbetalingen waarmee Duitsland werd opgezadeld. Er moest gerepareerd worden. Gevoelens van revanche dus. Die reactie was geheel in tegenstelling met hoe de Tweede Wereldoorlog werd verwerkt. Die werd voor een deel verdrongen. Er was geen behoefte aan revanche. Deels was er ook ontkenning, bijvoorbeeld van het bestaan van de vernietigingskampen. Zij koppelt daar de conclusie aan dat het ontwerpen van de toekomst kan worden belemmerd door ons onvermogen c.q. onze onwil het verleden te verwerken. Dat onvermogen is ook in eigen land waarneembaar.

Hevige discussies over woorden en beelden zoals rond het Sinterklaasfeest of begrippen als “Eskimo’s” en “zigeunersaus” illustreren eerder een onvermogen dan dat ze inhoudelijke betekenis hebben. Het zijn conflicten die demonstreren hoe armoedig en onhandig we denken ons verleden te kunnen verwerken. Het zijn uitingen van ons onvermogen om te gaan met het verleden. Verwerking wordt op een lijn gesteld met het dwingen van de ander excuses uit te spreken. Excuses van de een wordt door de ander als een overwinning gevierd maar met collectieve verwerking heeft dat weinig van doen. Het geeft eerder de verdeeldheid en gespletenheid weer dan dat het een uiting is van acceptatie van het verleden.

Anders dan wat Jung benadrukt heeft het collectieve onbewuste dus niet enkel betrekking op oerervaringen die we eeuwenlang doorgeven maar zijn we zelf ook de constructeurs van mythes en ficties zijn. Hoe mythes en ficties zelfs zo krachtig zijn dat ze kunnen worden beschouwd als hoekstenen van onze instituties (Wagemans, 2016). Ze hebben het karakter van vanzelfsprekendheden die weliswaar inhoudelijk kunnen worden betwijfeld maar die we voor vanzelfsprekend houden omdat we anders onze bouwwerken stevigheid ontnemen. We brengen ze aan het wankelen wanneer we twijfel toelaten.

Een tweetal voorbeelden. Stelregel in onze rechtsstaat is dat iedere burger de wet dient te kennen. Die regel is logisch omdat burgers zich anders bij het begaan van overtredingen kunnen beroepen op onwetendheid. Onwetendheid als grond voor verschoning. Een tweede voorbeeld is het uitgangspunt dat de Minister eindverantwoordelijk is voor besluiten die op zijn departement worden genomen. Dat uitgangspunt is belangrijk omdat wij menen dat er een sluitend systeem van verantwoordelijkheden noodzakelijk is. Gaat er iets mis, dan moet helder zijn wat de oorzaak was en wie ter verantwoording kan worden geroepen. We wensen verklaringen zodat we herhaling kunnen uitsluiten. In de praktijk is het echter vrijwel ondoenlijk tot eenduidige verklaringen te komen. In een samenleving is sprake van tal van relaties die onderling nogal verschillend kunnen zijn. Ook is het zo goed als onmogelijk van een Minister te verwachten op de hoogte te zijn van alle besluiten die op zijn departement worden genomen. Niettemin is het een belangrijk beginsel in onze rechtsstaat. Alle besluiten worden formeel genomen namens de Minister. Gaat het fout, dan dient de Minister aanspreekbaar te zijn. Het zijn voorbeelden van mythes en ficties die niet mogen worden doorgeprikt omdat we anders de basis van ons stelsel aantasten.

Het komt erop neer dat we een wereldbeeld construeren dat uitdrukking vormt van onze ambities en overtuigingen. We kunnen in toevalligheden de hand van God zien. Of meevallers opvatten als het resultaat van eigen inspanningen. Of tegenvallers als bewijs zien van het verzaken door anderen. Desnoods creëren we een schijnwereld wanneer die het mogelijk maakt dat we bij tegenslag niet in de spiegel hoeven te kijken. Wanneer we het klimaatprobleem ontkennen zijn we verlost van de noodzaak onze levenswijze aan te passen. Die ontkenning kan dus een rationele keuze zijn die gericht is op handhaving van het bestaande. Maar er kan ook sprake zijn van diep verankerde cultureel bepaalde waarden die belemmeren dat een conflict als zodanig wordt benoemd. Een conflict kan onbespreekbaar zijn omdat basiswaarden in een gemeenschap zich ertegen verzetten. Zo werd misbruik in de kerk lange tijd ontkend, alleen al omdat dit geheel in strijd was met basiswaarden en erkenning ervan daardoor zekerheden zou aantasten die juist in stand moesten blijven. Een geldend betekeniskader is soms niet in staat om alle werkelijkheid te omvatten.

Dat maakt verandering van het geldende betekeniskader zowel nodig als lastig. De eerste voorwaarde voor verandering is dat een vraagstuk bespreekbaar wordt en wel zodanig dat er ruimte is voor een open debat over de werking van het bestaande betekeniskader. En natuurlijk moet er de bereidheid zijn om dat kader te onderzoeken op vanzelfsprekendheden en aannames die niet meer dienen. Die openheid is niet vanzelfsprekend. Een gemeenschap heeft het vermogen tegenstellingen te verzwijgen. Het is bijvoorbeeld te pijnlijk ze aan de oppervlakte te laten komen. Dat kan betekenen dat men ze herformuleert en wel zodanig dat ze bespreekbaar zijn. Of men heeft niet het vertrouwen dat ze oplosbaar zijn. Discussies gaan dan niet over het wezen van conflicten. Zo zie je bij conflicten in het politieke domein vaak dat die over procedures gaat. Men had bijvoorbeeld eerder en meer gelegenheid voor inspraak moeten geven. De vraagstukken worden in een kader geplaatst met als nadeel dat oplossingen op zijn best symptomen bestrijden.

Glasl (1997) introduceerde het onderscheid tussen hete en koude conflicten. Koude conflicten hebben als kenmerk dat het wezen ervan niet aan de oppervlakte komt. Er is sprake van een klimaat van kilheid. Via signalen wordt op bedekte wijze gecommuniceerd hoezeer men het met elkaar oneens is en, nog erger, hoe intens de onderlinge relaties zijn beschadigd. Een atmosfeer die voor niet-ingewijden vriendelijk oogt maar die in wezen diepe controverses toedekt. Aan de eerste voorwaarde voor oplossing van conflicten kom je dan niet toe, namelijk erkenning van het bestaan ervan. De schijn van goede verhoudingen wordt overeind gehouden terwijl er ondergronds sprake is van een veenbrand.


Tot slot
De benadering van Lacan in de psychotherapie lijkt ook van nut te kunnen zijn met betrekking tot collectieven en systemen. Aandacht voor wat niet onder woorden wordt gebracht, voor het niet-uitgesprokene. Wat wordt binnen onze formele systemen niet benoemd en buitengesloten? Hebben systemen ook een onderbewustzijn? En hoe kan het buitengeslotene naar de oppervlakte worden gebracht? Hoe kunnen de onderliggende krachten en belangen die het onderbewuste veroorzaken en in stand houden onderwerp van beschouwing worden en tot het bewustzijn doordringen? Enfin, voldoende stof voor een vervolg.


Literatuur

Assmann, Aleida, Das neue Unbehagen an der Erinnerungskultur, eine Intervention, C.H. Beck, 2013

Desmet, Mattias, Lacan’s Logic of Subjectivity, A Walk on the Graph of Desire, OLW Press, 2019

Dijksterhuis, Ap, Het slimme onbewuste, Denken met gevoel, Bert Bakker, 2015

Durkheim, Emile, The Division of Labor in Society, Free Press, 2014

Glasl, F, Konfliktmanagement: Ein Handbuch für Führungskräfte, Beraterinnen und Berater, Stuttgart: Verlag Freies Geistesleben, 1997

Jung, C.G., The Archetypes and the Collective Unconscious, Taylor & Francis Ltd, 1991

Luhmann, Niklas, Social Systems, Stanford University Press, 1996

Note, Nicole, Reflections about worldviews, the Western worldview and intercultural polylogue, in: Bertus Haverkort and Coen Reijntjes (eds): Moving Worldviews, Reshaping sciences, policies and practices for endogenous sustainable development, nr 4, Compas, Leusden, 2007, p. 83 - 94

Ransijn, Piet en Schulte Nico, Bewustzijn als Bewapening, Vrede en ontwapening door groei van collectief bewustzijn, MIU Nederland Pers, Laag Soeren, 1982

Ransijn, Piet, Wat houdt de samenleving bij elkaar? Sociologie en collectief bewustzijn, Civis Mundi Digitaal #37, 2016

Wagemans, Mathieu, Een Oceaan van Betekenisloosheid, een kritische analyse van beleid, politiek en wetenschap met een verwijzing naar de filosofie van Michels Serres, Digitalis, 2016

G.A. van der Wal, Open en gesloten vrijheid: twee vrijheidsconcepties, in: Cultuurfilosofie, Katholieke, reformatorische, humanistische, islamitische en joodse reflecties over onze cultuur, red. Edith Brugmans, Open Universiteit, 2002, p. 379 – 416

Weber, Max, Wirtschaft und Gesellschaft, JCB Mohr, Paul Siebeck, 2006

Wittgenstein, Ludwig, Tractatus Logico-Philosophicus, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 1973

Wittgenstein, Ludwig, Filosofische Onderzoekingen, Boom. 2002


*****************************

‘Het probleem is dat domheid de neiging heeft zichzelf te herhalen’

De Limburger, 9 september 2020 door Thieu Wagemans   www.ontganiseren.nl


COLUMN - Recentelijk was te lezen dat de Nederlandse economie met ruim 8 procent krimpt als gevolg van de coronacrisis. Een dergelijke krimp is nog niet eerder vertoond. Logisch dat dit cijfer tot grote ongerustheid heeft geleid.

De stand van de economie is nu eenmaal van uitzonderlijk belang. Zonder een goed draaiende economie is er onvoldoende werkgelegenheid, minder export, zijn er minder belastinginkomsten, enzovoorts. Onze maatschappij is rond de economie opgebouwd. We zijn ervan afhankelijk. Nu is tegelijkertijd ook het ­besef doorgedrongen dat ons economisch systeem mank gaat. Er is sprake van een beperkte waardebasis. Natuur, landschap en milieu hebben geen positieve waarde, maar worden beschouwd als kostenposten die plannen hinderen en verhinderen. Maatregelen ter bescherming kosten geld en beperken de ruimte voor ondernemers. Bovendien veronderstelt ons economisch systeem groei. Een bedrijf dat de omzet niet ziet toenemen kan op kritische vragen rekenen van de bank. Groei is noodzakelijk voor de continuïteit.

Molen

De jachtigheid die dat met zich meebrengt leidt tot toenemende klachten op sociaal terrein. Mensen raken overwerkt of vinden dat ze zijn gereduceerd tot raderen in een molen die alsmaar sneller moet draaien. Tijd is geld. In de landbouw zie je de onmacht van ondernemers die enerzijds moeten groeien en tegelijkertijd met steeds meer beperkingen te maken krijgen. Ons voedselsysteem is geheel uit balans. Mensen raken vervreemd van hun voedsel. In plaats van te klagen over een krimp van 8 procent zouden we ons ook de vraag kunnen stellen of niet de economie het probleem is maar dat we de oorzaak bij onszelf moeten zoeken. Ons wereldbeeld dat economisch is georiënteerd voldoet niet meer. De wereld protesteert tegen de wijze waarop we met de wereld omgaan. We zijn vastgelopen. Maar in plaats van er lering uit te trekken en de signalen op te vangen, blijven we doorlopen op een pad dat eindeloos is.

Steeds meer is nooit genoeg

Het is een pad van steeds meer, steeds groter, steeds sneller, steeds jachtiger. We verwachten zo tot oplossingen te komen. Bij de volgende bocht komt wellicht het einddoel in zicht. Maar telkens weer blijken er nieuwe bochten te komen. Steeds meer is nu eenmaal nooit genoeg. En dus blijven we elkaar dwingen door te lopen in een richting waarvan we weten dat we onze bestemming niet zullen bereiken. We zijn slim genoeg om telkens nieuwe technologie uit te vinden, maar ook te dom om van richting te veranderen. We wensen niet in de spiegel te kijken, mogelijk omdat we dan worden geconfronteerd met onze eigen domheid. En als we het wel doen schrikken we van onszelf en geven we de spiegel de schuld. Het probleem is dat domheid de neiging heeft zichzelf te herhalen. We zitten op allerlei manieren eraan vast. We willen wellicht anders, maar zijn niet in staat om uit de tredmolen te stappen. De meerderheid wil groei. We willen zelf alsmaar meer inkomen omdat onze consumptiewensen onuitputtelijk zijn. We willen alsmaar sneller, ook al rennen we in de verkeerde richting. We zijn tegen bescherming van ons leefmilieu, omdat regels ons ­beperken een doel na te streven dat we nooit zullen bereiken.

Krimp

De signalen dat we de oorzaak moeten zoeken bij het beeld dat we ons van de wereld hebben gevormd, zijn ruim en permanent aanwezig. Maar die signalen worden niet opgepakt, ontkend en gemanipuleerd, zodat ze minder belangrijk worden. Wordt het niet tijd dat we de schuld bij onszelf zoeken? En een economisch systeem ontwerpen dat het kwetsbare beschermt in plaats van het onder druk te zetten? En dus geen genoegen nemen met een rapport met daarop een 10 voor vlijt en een 3 voor begrijpend lezen en luisteren. En dus krimp als oplossing van het probleem gaan zien.

Thieu Wagemans is raadslid in Leudal

***************************

Een andere kijk op orde en chaos. Deel VI: Het domein van de wetenschap

Civis Mundi Digitaal #101

door Mathieu Wagemans     www.ontganiseren.nl


Inleiding

Aan de wetenschap hebben we veel te danken. Denk aan terreinen als gezondheidszorg, vervoer, de chemie of de landbouw. Tegelijkertijd is de wetenschap nooit onomstreden geweest. Nieuwe technologie levert bijvoorbeeld vragen van ethische aard op. Moeten we alles willen wat we technologisch kunnen? Heeft de wetenschap niet bijgedragen aan vervreemding? Is de technologie niet de oorzaak geworden van een technologisch bepaald wereldbeeld waarin de mens zichzelf maar moeilijk kan terugvinden?

Maar ook intern is de beoefening van de wetenschap lang niet onomstreden. Zo heeft het aanvankelijke beeld van Descartes aanleiding gegeven tot groeiende kritiek. Het beeld dat de wetenschap vanuit een onafhankelijke positie in staat is tot eenduidige kennis te komen over de werkelijkheid is gaandeweg steeds meer omstreden geworden. Positivistische opvattingen werden terzijde geschoven ten gunste van constructivistische benaderingen. Wat we voor werkelijkheid houden zijn holistische beelden van de werkelijkheid. Dat relativeerde de betekenis van de wetenschap. Het beeld dat de wetenschap onbetwijfelbare kennis oplevert werd niet langer houdbaar geacht. Dat heeft ook gevolgen voor het beroep dat op de wetenschap wordt gedaan bij meningsverschillen.

De veronderstelling is dan dat de wetenschap een uitspraak kan doen over de juistheid van uiteenlopende standpunten. Die veronderstelling is hardnekkig. Dat zien we in de politiek maar ook bijvoorbeeld in de rechtspraak. Ingeval sprake is van strijdigheid van beweringen van conflicterende partijen kan een rechter een beroep doen op wetenschappelijk onderzoek. Dat moet dan het gelijk van de ene en het ongelijk van de andere partij aantonen. Veroorzaakt de ene partij overlast voor de ander? Is er sprake van schade die herleidbaar is tot het gedrag of juist nalatigheid van een partij? Is in een strafproces de verdachte geheel of deels toerekeningsvatbaar? Is er kans op recidive? Die rol van de wetenschap is niet langer onomstreden. Ook rond de coronacrisis is regelmatig te lezen en te horen dat een uitspraak van een wetenschapper ook slechts het karakter heeft van een visie te midden van vele andere visies van andere wetenschappers. Oppervlakkig heet het dan dat wetenschappers ook maar mensen zijn en dat resultaten van onderzoek ook “slechts” het karakter van opvattingen hebben. Bij een andere opzet van het onderzoek zouden de resultaten wel eens heel anders kunnen uitvallen. Datzelfde deed zich voor rond de stikstofcrisis.

We willen in dit Deel VI de wetenschap benaderen met als insteek het wereldbeeld dat eraan ten grondslag ligt. Dat doen we door eerst de bestaande praktijk als uitgangspunt te nemen, daarover kritisch te reflecteren en vervolgens een alternatief wereldbeeld te schetsen en de rol van de wetenschap daarin te verkennen. We beginnen met een korte schets van het constructivisme en zullen aansluitend vanuit dit perspectief de bestaande praktijk van wetenschapsbeoefening bezien.

Constructivisme

Uitgangspunt van het constructivisme is dat we de werkelijkheid slechts kunnen benaderen door er betekenis aan te geven. Die betekenissen zijn geen onderdeel van de werkelijkheid maar zitten in de mens zelf. Er is dus geen sprake van een onafhankelijke waarneming. De waarneming is gekoppeld aan het perspectief van de waarnemer. Afhankelijk van de bril van de waarnemer toont de werkelijkheid zich aan hem. Vertrekkend vanuit die basis kan de conclusie slechts zijn dat de waarheid afhankelijk is van de betekenis die de waarnemer geeft aan de werkelijkheid. Of anders gezegd, conclusies zijn slechts geldig binnen het perspectief dat de waarnemer kiest. Zo beschouwd is het beeld dat de wetenschap vanuit een onafhankelijke positie eenduidige en ware kennis voortbrengt onhoudbaar. Waarheid is vanuit een dergelijke visie perspectief-gerelateerd.

Gevolg is ook dat er geen strikt onderscheid meer kan worden gemaakt tussen subject en object. Wanneer we slechts in staat zijn de werkelijkheid te leren kennen door er betekenis aan te geven, is er niet langer sprake van een objectieve werkelijkheid. Wat we voor werkelijkheid houden zijn beelden van de werkelijkheid. Ook speelt mee dan de waarneming zelf de werkelijkheid beïnvloedt. De waarnemer staat niet onafhankelijk ten opzichte van de werkelijkheid.

Eisen aan wetenschappelijkheid

We stellen eisen aan wetenschappelijk onderzoek. Het traditionele beeld is dat wetenschappelijk onderzoek ware kennis moet voortbrengen. Dat stelt eisen aan wetenschapsbeoefening. Het vraagt een onafhankelijke positie van de onderzoeker ten opzichte van de werkelijkheid. Die stelling is vanuit het perspectief van het constructivisme niet vol te houden. Object en subject zijn in elkaar vervlochten. Nicolescu drukt dat beeldend uit door te stellen dat we om tot zuivere objectiviteit in staat te zijn het subject moeten doden. (Nicolescu 2010) stelt. Anders gezegd: objectiviteit is altijd gesubjectiveerde objectiviteit.

Naast een onafhankelijke positie stellen we eisen aan het wetenschappelijk onderzoek zelf. Waarheid kan grofweg worden verkregen langs twee wegen: toetsing van beweringen aan de empirie en toepassing van wetenschappelijk aanvaarde methoden. We gaan op beide benaderingen in.

Toetsing

Een veel gebruikte benadering in wetenschappelijk onderzoek is dat we op basis van een redenering een veronderstelling formuleren. Die toetsen we vervolgens aan de praktijk. Wordt de hypothese bevestigd dan beschouwen we het resultaat als een toevoeging aan bestaande kennis. Echter, bevestiging via toetsing aan de empirie betekent niet dat de onderliggende redenering die tot de formulering van de hypothese heeft geleid, wordt bevestigd. Processen kunnen heel anders verlopen dan zoals wordt verondersteld in de hypothese.

Vanuit het gezichtspunt van het constructivisme toetsen we een geconstrueerde veronderstelling aan een constructie van de werkelijkheid en claimen vervolgens bij bevestiging van de hypothese daarmee ware uitkomsten te hebben gevonden. Echter, het is geconstrueerde waarheid. Onze constructie van de werkelijkheid dient als toetssteen. Het houdt het risico in van zelfbevestiging. Ons perspectief op de werkelijkheid kan c.q. zal van invloed zijn op de formulering van de hypothese die we vervolgens toetsen aan ons perspectief op de werkelijkheid.

Methoden

Een tweede weg om tot wetenschappelijk verantwoorde resultaten te komen betreft de gevolgde methode bij het wetenschappelijk onderzoek. Onderzoek moet systematisch en consistent tot stand komen. In enkele disciplines zoals de culturele antropologie en de psychologie zijn de eisen minder strak. Dat geldt in het algemeen wanneer sprake is van participerende observatie. Maar ook dan is er een streven naar systematiek en consistentie. Een voorbeeld vormt de gefundeerde theoriebenadering (Grounded Theory) van Glaser en Strauss. Uitgangspunt daarbij is dat als een onderzoek is verlopen met behulp van door het wetenschappelijk forum breed geaccepteerde methoden, de resultaten van het onderzoek daardoor worden gelegitimeerd als wetenschappelijk.

De wijze waarop wetenschappelijk onderzoek moet plaatsvinden is echter vrijwel steeds onderwerp van discussie en kritiek geweest. Zo uitte Feyerabend kritiek op de rigiditeit van methoden. Die zou de totstandkoming van wetenschappelijke kennis juist hinderen. Kuhn stelde dat er niet altijd sprake is van een min of meer regelmatige groei van wetenschappelijke kennis. Daarvan is alleen sprake in perioden van “normale’ wetenschap. Bij wetenschappelijke “revoluties” zijn er doorbraken en paradigmaveranderingen. Latour concludeerde op basis van antropologisch onderzoek dat de praktijk van wetenschappelijk onderzoek veel minder systematisch verloopt dan verondersteld. Er is bijvoorbeeld sprake van een machtsveld. Anders gezegd, wetenschappers onderscheiden zich in hun praktisch handelen niet van mensen buiten de wetenschap.

Uitsluitend karakter van de wetenschap

Vanuit een constructivistisch perspectief is kritiek mogelijk omdat onderzoekopdrachten, onderwerpen en vraagstellingen op zichzelf al uiting zijn van een bepaalde kijk op de werkelijkheid. Om een onderzoek te laten verlopen conform door het wetenschappelijk forum geaccepteerde methoden is vaak een herformulering van de onderzoekopdracht nodig. Overigens is het wetenschappelijk forum ook niet steeds eenduidig. Er kan sprake zijn van verschillen in opvatting. Hoe dan ook, de werkelijkheid wordt aangepast opdat die wetenschappelijk kan worden onderzocht. Dat is een merkwaardige paradox. We willen kennis verwerven over de werkelijkheid maar dat is slechts mogelijk doordat we eerst de werkelijkheid aanpassen aan de voorgeschreven methode en dus als het ware in een methodisch keurslijf persen.

We moeten eerst de werkelijkheid geschikt maken voor onderzoek en wel zodanig dat we kunnen voldoen aan de wetenschappelijke eisen. De eisen en daaruit afgeleide methoden zijn niet langer instrument van onderzoek maar ze worden bepalend en beheersen de werkelijkheid. Het instrument van de methode word regisseur van het onderzoek. Consequentie daarvan is dat conclusies op basis van het onderzoek slechts geldigheid hebben binnen het aangepaste beeld van de te onderzoeken werkelijkheid. Dat kan een belangrijke oorzaak zijn van kritiek dat resultaten van wetenschappelijk onderzoek vaak weinig relevantie hebben voor de praktijk van beleidsvorming. Beleidsmedewerkers hebben te maken met een gekleurde en steeds veranderende werkelijkheid die door onderzoekers omwille van methodische eisen wordt “vastgezet” om tot eenduidige conclusies te komen die vervolgens relevantie missen voor de beleidspraktijk. In gelijke zin geldt overigens dat iedere opdrachtformulering eveneens kan worden opgevat als uitdrukking van een perspectief op de werkelijkheid.

Het komt erop neer dat onze aanpak in de wetenschap bron is van buitensluiting en reductionisme. Wat we niet kunnen bereiken via onze methoden blijft buiten onze blik. Die werkelijkheid is er wel maar toont zich niet. Vanuit een positivistisch perspectief leidt onderzoek tot zekere en onbetwistbare kennis binnen het gekozen perspectief en mits de methoden correct worden toegepast. Er is dan geen aanleiding tot twijfel over de uitkomsten. Die twijfel hebben we buitengesloten doordat we de werkelijkheid hebben gereduceerd tot een kenbare en meetbare werkelijkheid. Gevolg is dat de zekerheid van de onderzoekresultaten geconstrueerde zekerheid is. We hebben die zekerheid verankerd in institutionele structuren. De wetenschap als producent van zekere kennis dankzij het vertrekpunt dat we de werkelijkheid hebben aangepast aan onze methoden en daaraan ten grondslag liggende veronderstellingen.

Analytisch

Ook is er kritiek op de analytische benadering die de wetenschap kenmerkt. We onderscheiden aspecten aan vraagstukken die we vervolgens afzonderlijk onderzoeken. Daarmee doen we echter geen recht aan het wezen van de vraagstukken waarmee we te maken hebben. Die kennen vaak een interne samenhang die zich niet laat ontleden. Anders gezegd, het risico bestaat dat we problemen geweld aandoen. Onze drang naar ordening is zo sterk dat we verschillen “weg” ordenen en daardoor niet doordringen tot de kern ervan. Of we creëren ze doordat we aspecten onderscheiden en daarmee geen recht doen van vraagstukken. We vormen ons zo een beeld van de werkelijkheid dat de werkelijkheid gebrekkig weergeeft.

Baudrillard gaat nog een stap verder met zijn begrip “hyperrealiteit”. Hij wijst op het gevaar dat we beelden van de werkelijkheid construeren die geen enkele relatie meer hebben met de werkelijkheid maar die we wel voor “werkelijk” houden. Ze hebben werking. Massamedia en internet kunnen beelden ingang doen vinden die breed worden gedeeld maar weinig of niets met de werkelijkheid te maken hebben. Ze zweven in een imaginaire ruimte.

Met betrekking tot verschillen pleit Deleuze ervoor dat we die op hun betekenis onderzoeken. Dat betekent concepten zoeken die in staat stellen tegenstellingen te overbruggen die we nu georganiseerd en dus vanzelfsprekend in stand houden.

Disciplinair

Die analytische en dus splitsende houding is ook kenmerkend voor het wetenschappelijk systeem zelf. Het domein van de wetenschap is langs disciplinaire lijnen gestructureerd met per discipline deeldisciplines. Dat ordeningsprincipe vormt de basis voor een op specialisatie gerichte structuur. Het stelt in staat onze kennis steeds verder te specialiseren. Onze kennis wordt steeds gedetailleerder. We weten steeds meer over steeds minder. Analytisch onderscheiden we steeds meer aspecten die we vervolgens op aspectniveau onderzoeken.

De maatschappelijke werkelijkheid confronteert ons echter met vraagstukken die we weliswaar naar aspecten kunnen onderscheiden maar een aspectbenadering blijkt lang niet altijd tot kennis te leiden die werking heeft. Vanuit een disciplinair perspectief blijven er delen van de werkelijkheid buiten beeld. Dat probleem is niet oplosbaar door de optelsom van disciplinaire perspectieven. Multidisciplinaire benaderingen zijn nodig maar onvoldoende. We moeten een stap verder gaan door de ruimte TUSSEN de disciplines te onderzoeken. Dat lukt niet door disciplinaire benaderingen verder te verfijnen. We kunnen ook niet volstaan met uitwisseling van disciplinaire kennis tussen disciplines, zoals interdisciplinair onderzoek wel eens wordt omschreven. We hebben nieuwe concepten nodig om tot nieuwe verbindingen te komen tussen disciplines. Dergelijk interdisciplinair onderzoek komt in de buurt van wat transdisciplinair onderzoek wordt genoemd. Transdisciplinair onderzoek kan betrekking hebben op onderzoek waarbij ook kennis wordt benut van andere domeinen dan de wetenschap maar hier doelen we vooral op onderzoek waarbij een perspectief gekozen dat meer globaal en holistisch is dan disciplinair onderzoek. Dat pleit voor integratie van disciplinaire perspectieven.

Een ander wereldbeeld

We kunnen de noodzakelijke veranderingen duiden als veranderingen binnen de wetenschap maar in de kern komt het er op neer dat we een ander wereldbeeld nodig hebben waar we wetenschap op baseren. De noodzakelijke verandering betreft niet een andere positionering vanuit de wetenschap tegenover de maatschappelijke werkelijkheid maar we moeten ons een ander beeld van de werkelijkheid vormen. In het kader van dit artikel kunnen we, gebaseerd op het constructivisme, slechts de contouren aangeven van een ander wereldbeeld.

Uitgangspunt daarbij is dat de natuurlijke toestand er een is van wanorde. De wanorde is het normale. Het negatieve beeld dat wanorde oproept vormde de basis voor ons streven naar ordelijkheid. We willen overzicht en ordelijkheid en dus vormen we ons ordelijke beelden van de werkelijkheid. Maar door orde aan te brengen zijn we zelf de constructeurs van wanorde. Door het centraal stellen van ordelijkheid hebben we structuren geconstrueerd die drager van invloed en energie zijn geworden. Ze hebben werking en zijn bepalend voor onze routines en praktijken. De ordeningen hebben “agency” in de termen van Latour. We hebben een wereldbeeld geconstrueerd dat wordt gedragen door definities. De definitie van een innovatief idee bepaalt of een voorstel wel of niet in aanmerking kot voor subsidie. De definitie van een strafbaar feit bepaalt of een handeling strafbaar is of niet. De definitie van een bouwwerk bepaalt of er voor een verzameling stenen wel of niet een vergunning nodig is. Het is een gecreëerde afbeelding van ordelijkheid van een in wezen wanordelijke wereld.

Een nieuw wereldbeeld dient ruimer te zijn dan het materialistische en instrumentele beeld dat thans dominant is. Het moet in staat stellen tot thematisering van betekenisgeving en bewustzijn. Introductie van betekenisverlening houdt in dat de processen van betekenisverlening en de krachten die daarop van invloed zijn aandacht krijgen als wezenlijk binnen het wereldbeeld. Betekenisgeving stelt ook in staat tot thematisering van bewustzijn en het onderkennen van niveaus van bewustzijn. Dat roept vragen op over hoe dergelijke dimensies van een geheel andere orde kunnen worden gecombineerd in een overstijgend wereldbeeld. Een interessante poging doet Ransijn in een artikel over een verenigde veldtheorie van de natuur en het bewustzijn. (Ransijn, 2014) Van Eijk onderscheidt, verwijzend naar Ransijn, niveau’s van bewustzijn. (van Eijk, 1998). Komen (2016) formuleert enkele vragen die illustratief zijn voor een totaal ander kader voor wetenschapsbeoefen

Is er een onderscheid tussen energie en bewustzijn?

- Is bewustzijn gelijk aan energie?

- Als bewustzijn energie is, is het dan materiële of immateriële energie?

- Wat is bewustzijn?

Probleem is dat het construeren van een perspectief dat allesomvattend is en dus transdimensionaal een ingewikkelde opgave is en in ieder geval ook onmogelijk binnen bestaande begrippen. Er is primair voorstellingsvermogen nodig. Die opgave valt buiten het kader van dit artikel. We volstaan met het ruimtelijk beeld van de werkelijkheid in herinnering te brengen zoals omschreven in een recent artikel. (Wagemans, 2019)

Ruimtelijk en energetisch

Het is een zowel ruimtelijke als energetische voorstelling die gebaseerd is op het constructivisme. De wereld als een ruimte waarin betekenissen door elkaar bewegen, waarin feiten en meningen dragers zijn van energie, waarin betekenissen (definities) soms samenklonteren tot nevels en, nog een stap verder, verdichten en verharden tot betekeniskaders die drager zijn van onze vanzelfsprekendheden. Waarin betekeniskaders ook hun kracht kunnen verliezen, uitdoven of ontbinden en worden vervangen door nieuwe betekeniskaders. Een betekeniskader kan worden opgevat als een discours, en min of meer samenhangend complex van uitgangspunten, veronderstellingen en culturele posities dat zijn uitdrukking vindt in taal, verbanden en praktijken. Verandering van betekeniskader is daardoor ingrijpend. Dergelijke veranderingen in de wetenschap worden door Kuhn geduid als paradigmawisselingen die het karakter hebben van revoluties. Het vanzelfsprekende wordt ingewisseld voor andere vanzelfsprekendheden die overigens eveneens uitsluitende werking hebben. Ook is er sprake van bronnen van betekenisloosheid. Zoals overheid en rechtspraak die op basis van vaststaande en voorgeschreven definities buitensluiten wat niet binnen het in wetten en regels vastgelegd betekeniskader past. Of neem onze organisaties die voornamelijk gebaseerd zijn op rationaliteit en daardoor geen onderkomen bieden aan het irrationele. Onze ordeningen fungeren dus tegelijkertijd als zwarte gaten die werkelijkheid buitensluiten en vernietigen, althans betekenisloos maken.

Het is een wereldbeeld waarin definities en betekeniskaders door elkaar bewegen in een nauwelijks te ontwarren kluwen en waarin sprake is van voortdurend veranderende betekenissen en verhoudingen tussen betekenissen en betekeniskaders. Die dynamiek is een wezenlijk kenmerk van het wereldbeeld. We kunnen beelden van de werkelijkheid onderzoeken maar dergelijke beelden zijn dynamisch. En dus moet ook het onderzoek dynamisch van opzet zijn. Dat wijkt nogal af van de bestaande wetenschapspraktijk, zeker op sociologisch terrein, waarin we vaak statische situaties met elkaar vergelijken maar minder aandacht hebben voor de onderliggende dynamiek. Dan beroven we de werkelijkheid van zijn dynamiek die wezenlijk is om tot inzicht te komen. Dynamiek vatten we dan op als een opeenvolging van statische situaties. Dan doen we geen recht aan de dynamiek. Aan de orde is dat we de interne krachten onder de dynamiek identificeren en de werking ervan onderzoeken. Hoe gaat de stolling van betekenissen in betekeniskaders in zijn werk? Waarom stollen bepaalde situatiedefinities en worden ze hard terwijl andere situatiedefinities aan betekenis verliezen. Hoe verlopen processen van betekenisgeving, van stolling en uitdoven? En zijn er nog andere zwarte gaten in onze moderne samenleving waarin verdwijnt wat eerder als betekenisvol werd beleefd? Anders gezegd, hoe verloopt de productie van betekenisloosheid?

De ruimtelijkheid van het voorgestelde wereldbeeld is niet nieuw. In een artikelenserie in Civis Mundi in 2020 belicht Ransijn de denkwereld van Teilhard de Chardin waarin ruimtelijkheid een belangrijke rol speelt. Zie ook Gidley (2007). Ruimtelijkheid als invalshoek stelt in staat ons los te maken van het hier en nu en tot reflectie vanuit een externe positie. Er is sprake van een hoger abstractieniveau van waaruit huidige praktijken in bredere kaders kunnen worden geplaatst en bovendien dynamiek kan worden gethematiseerd.

Een dergelijk beeld stelt ook in staat een koppeling te maken tussen betekenis en energie. Situaties en gebeurtenissen worden met energie beladen naar de mate dat definities ervan krachtiger en breder worden gedeeld. Opvattingen kunnen langs die weg de status van vanzelfsprekendheden bereiken. Ze hoeven niet meer bevraagd te worden in termen van waar of onwaar. Ze zijn harde materie geworden. Rotsen waar twijfel op te pletter slaat. Het constructiekarakter ervan is uit het beeld verdwenen. Onze drang naar zekerheid heeft onzekerheid uitgebannen. We realiseren ons niet meer dat juist onze behoefte aan zekerheid onzekerheid heeft verbannen. Die is er wel maar door die buiten ons gezichtsveld te plaatsen en betekenisloos te maken kunnen we onze illusie van zekerheid overeind houden. We noemen dat vooruitgang maar het is vooruitgang bij de gratie van onze blikvernauwing.

Veranderingsopgaven

De vraag is aan de orde wat verandering van wereldbeeld betekent voor de wetenschap? Verandering van perspectief heeft diepgaande consequenties en kan allerminst worden opgevat als een incidentele interventie. In wezen is aan de orde de spanning tussen de werkelijkheid en het perspectief waarmee we die werkelijkheid benaderen. Processen van modernisering die het leven de laatste 200 jaar ingrijpend hebben veranderd waren terug te voeren op een perspectiefwijziging die door vooral Descartes in gang is gezet. Wij plooiden de wereld naar het nieuwe perspectief. Maar de werkelijkheid kan niet worden gelijkgesteld met het beeld dat we ons ervan vormen. De onderliggende werkelijkheid zoals die “is” reageert wanneer we door ons perspectief verwachtingen wekken die niet realistisch zijn. Bijvoorbeeld doordat ze de werkelijkheid overvragen. Dan volgt er reactie zoals we thans op tal van punten kunnen waarnemen. Wanneer de aarde zich niet wenst te plooien naar onze beelden kunnen signalen lange tijd niet worden opgemerkt omdat ons perspectief dominant is. En als signalen worden opgevangen kunnen ze worden geïnterpreteerd als incidenten in plaats van als symptomen van systeembreuken. De onderliggende vraag is wie de sleutel van verandering in handen heeft. Blijft ons uitgangspunt dat de wereld zich heeft aan te passen aan ons perspectief of zijn we zelf aan zet door van perspectief te veranderen? In het laatste geval zijn een aantal veranderingen aan de orde.

Wetenschap ter discussie

Allereerst is nodig dat we de zelfstandige positie van de wetenschap en het achterliggend wereldbeeld ter discussie stellen. Kennis en kennisverwerving is het doel om bestaansrecht van de wetenschap. Het beeld dat ware kennis slechts via wetenschappelijk onderzoek kan worden verkregen. Alsof de wetenschap het alleenrecht heeft op waarheid. Dat beeld is gaandeweg onderwerp van discussie geworden. Kennis is niet aan wetenschappers voorbehouden. Aan de orde is dat alledaagse ervaringskennis wordt geherwaardeerd. Livinglabs als voorbeeld. Living labs stellen in staat de verhouding opnieuw te bezien tussen wetenschappelijke kennis en ervaringskennis. Living labs als medium waarin vervlechting van kennis kan plaatsvinden en constructie van nieuwe begrippen. Scheidslijnen doorbreken, zowel binnen het wetenschappelijk domein met betrekking tot disciplines en daarop gebaseerde structuren, als in de relatie tussen de wetenschappelijke wereld en de alledaagse werkelijkheid van burgers. Het vraagt een pluralistische visie perspectief die is aan te treffen bij Feyerabend. Vergelijk ook het onderscheid tussen systeem- en leefwereld bij Habermas.

Bovendien is de relatie tussen kennis en creativiteit aan de orde. Het beeld als zou enkel alsmaar meer wetenschappelijk onderzoek automatisch tot meer relevante kennis leiden is achterhaald, althans gebrekkig. Dan verzamelen we steeds meer kennis binnen het perspectief van wetenschappelijkheid. De opgave voor de wetenschap is eerder om nieuwe perspectieven te construeren waardoor de wereld anders aan ons verschijnt. Die constructie van nieuwe perspectieven bereik je niet zozeer door met nog meer precisie en systematiek wetenschappelijk onderzoek te doen. Er is vooral fantasie nodig. En ook die creativiteit kan niet exclusief worden geclaimd door de wetenschap. Nieuwe perspectieven construeren en die doordenken op hun consequenties vraagt primair voorstellingsvermogen en geen gedetailleerd zoeken naar verfijning van resultaten met nog meer cijfers achter de komma.

Het bovenstaande kan worden opgevat als een pleidooi voor een transformatie van ons wetenschappelijk systeem waarbij veranderingsopgaven betrekking hebben op de structuur, de methode en de waardering van de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek, het resultaat dus.

Transdisciplinair denken vraagt nieuwe concepten

Om tot een nieuw perspectief te komen is nodig dat we tot nieuwe concepten komen. We kunnen niet volstaan met bestaande concepten omdat die niet alleen problemen hebben veroorzaakt maar die ook in stand houden. We kunnen ook niet volstaan met compromissen op operationeel niveau. Dan houden we de onderliggende problemen in stand. Wanneer we ons anders moeten gaan verhouden tot onze natuurlijke omgeving kunnen we de thans bestaande spanningen tussen een economisch gedreven landbouw en duurzaam beheer van natuur, landschap en milieu niet bereiken door het prikkeldraad te verplaatsen tussen landbouwpercelen en natuurterreinen. Dan houden we de tegenstellingen in stand in plaats van tot verbindingen te komen op basis van nieuwe concepten. Het zijn redeneringen die enkel als effect hebben dat we onszelf ervan overtuigen dat er geen ingrijpende maatregelen nodig zijn. Er zijn verdiepende beschouwingen nodig. Het gaat erom nieuwe perspectieven op basis van nieuwe betekeniskaders te ontwerpen waarbij we ons blijven realiseren dat ieder perspectief een uitsluitende en inperkende werking heeft.

Wanneer we kennis ontwikkelen is dat, bezien vanuit het constructivisme, altijd perspectief gebonden kennis. Voor de wetenschap houdt dat in dat we veiligheidszone van het positivisme verlaten en permanent moeten accepteren dat de kennis die we verwerven noodzakelijkerwijs slechts geldigheid heeft binnen het gekozen perspectief. In plaats van te verblijven binnen de zelf geconstrueerde veiligheidszone met daarin geconstrueerde zekerheden moeten we die verlaten en onbekend gebied moet betreden. Dat houdt weer de bereidheid in onzekerheid als permanente metgezel te aanvaarden.

Een ander perspectief vraagt ook dat we onze disciplinaire werelden verlaten en tot verbindingen komen. Dat is geen veroordeling van het disciplinaire denken maar eerder een pleidooi om naast het disciplinaire te kiezen voor een disciplines overstijgende vraagstelling. Dat vraagt een andere methodologie. Er is de laatste decennia sprake van tal van pleidooien en initiatieven maar van een uitgewerkte methodologie is nog geen sprake. Het is een zoekproces dat wellicht nooit tot een definitief eindresultaat kan en mag komen. Tevredenheid is een verdachte houding voor wetenschappers.

Werking in plaats van waarheid

Nodig is ook dat we tot een nieuw waarderingskader komen van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek. Er zijn andere criteria voor wetenschappelijkheid nodig. Waarheid als absoluut begrip opvatten met een strak onderscheid tussen waar en onwaar kan vanuit een constructivistisch perspectief niet worden onderbouwd. Waarheid niet langer definitieve waarheid maar is perspectief gerelateerd. De pretentie van waarheid is reeds door Kant losgelaten. De werkelijkheid “an sich” is voor ons niet kenbaar. Verandering van perspectief is nodig waardoor de werkelijkheid zich anders aan ons vertoont. Een ander perspectief kan ons tot nieuw inzicht brengen, zowel met betrekking tot de werkelijkheid als met betrekking tot onze verhouding tot de werkelijkheid. Dat opent de mogelijkheid van nieuwe concepten, van een nieuw betekeniskader.

Voor het kwaliteitsgehalte van een perspectief valt te overwegen waarheid te vervangen door werking. Heeft een nieuw perspectief werking? Levert een nieuw beeld van de werkelijkheid nieuwe gezichtspunten op die ons verder helpen? Dat kan leiden tot nieuwe interventies of juist tot het afzien van interventies. Zo kan een andere houding ten opzichte van de wereld interventies ongewenst maken, bijvoorbeeld wanneer we de drang tot benutting vervangen door respect van de natuur.

Nomadisch denken en vrijheid van methoden

Verandering van betekeniskader vraagt een vrijheid van methoden. De eisen die we thans aan methoden stellen werken daarvoor beperkend en belemmerend. We kennen er absolute betekenis aan toe omdat ze maatstaf zijn voor de vraag of het onderzoek een wetenschappelijk karakter heeft en de uitkomsten bijgevolg geldig zijn. Echter, de richtingwijzers uit de bekende wereld kunnen ons niet helpen om de onbekende wereld te leren kennen die we nu door onze definiërende benadering hebben buitengesloten. Ze verwijzen naar gebaande paden maar helpen ons niet onbekend terrein te verkennen. Een verwijzing ligt voor de hand naar Deleuze en naar Feyerabend. Die pleiten voor nomadisch denken, respectievelijk pluriformiteit van methoden volgens het princiep: “Anything goes”. Overigens zou de kwantumfysica niet mogelijk zijn geweest wanneer rigide zou zijn vastgehouden aan oude denkkaders en daaraan verbonden gevestigde methoden. Intuïtie houdt zich niet aan eisen van logisch redeneren maar is daarom nog niet zonder nut.

Op zoek naar wat we als betekenisloos hebben buitengesloten moeten we onbekend terrein betreden. We moeten ons opstellen als nomaden die gevestigde betekenissen en betekeniskaders terzijde schuiven en zich er niet door laten leiden. We kiezen geen pad maar het pad ontstaat door onze voetstappen. Verblijfplaatsen ontstaan maar worden niet bewust gezocht. Dag vraagt moed. We weten niet waar we overnachten. We moeten de gelegenheden voor overnachting zelf creëren. De weg als herberg. Ook Braidotti pleit ervoor dat ons denken nomadisch moet worden. Dat betekent dat we ons los maken van voorgeprogrammeerde beelden. We zitten er te zeer aan vast. We beoordelen thans afwijkende ideeën aan de hand van bestaande ideeën. Het bestaande wordt dan maatstaf voor het nieuwe. Dat kan slechts tot reproductie leiden.

Belangrijk is ook dat we het streven naar een allesomvattend en intern consistent kader los laten en variatie accepteren. Het streven naar uniformiteit heeft echter ons denken doordesemd. We bepleiten in woorden diversiteit maar onze routines zijn er nog niet goed op ingesteld. Aan de orde is dat we de verschillen tussen betekeniskaders gaan verkennen. Daar bieden de concepten die binnen beide kaders gelden geen opstap voor. Die stellen enkel in staat de verschillen te inventariseren, er een overzicht van te maken maar daarmee dringen we niet door tot het wezen van de verschillen. Er is een benadering nodig die we aantreffen in het differentiedenken. Zoals bij Deleuze die als uitgangspunt neemt dat het wezen van elementen ligt in de relatie met andere elementen. Dat betekent dat we afstand nemen van de drang tot uniformering. Uniformering gaf ons de illusie van een wereldbeeld waarin alles logisch met elkaar samenhangt zodat we tot alles omvattende structuren konden komen. Om die illusie in stand te kunnen houden was het nodig de werkelijkheid geweld aan te doen door verschillen weg te ordenen. Een gemankeerd beeld van de werkelijkheid was nodig om tegemoet te komen aan onze misplaatste behoefte aan uniformiteit. In plaats daarvan kan het differentiedenken worden opgevat als en pleidooi voor een herwaardering van het afwijkende.

De chaos als drager van betekenis

Daarmee komen we bij de structuur van de wetenschap. De strakke ordeningen leiden tot een hard onderscheid tussen wat binnen de ordeningen past en wat erbuiten valt. Dat houdt het risico in dat we het buitengeslotene, de chaos, willen leren kennen met geldende definities die juist de bron zijn van de chaos. Daarmee doen we geen recht aan de complexiteit. We verminken de chaos en stellen ons niet open voor de betekenis van de chaos zelf en voor het signaal van de chaos. Onze zucht naar uniformering hindert ons de essentie van de chaos te leren kennen. Zo beschouwd is het probleem niet dat de wereld complex is maar dat onze denkpatronen te eenvoudig zijn. De chaos bevat de kiemen voor vernieuwing, zoals Serres stelt, maar we tonen ons er blind en doof voor. Diezelfde spanning is herkenbaar binnen het domein van de wetenschap. We houden vast aan criteria die verhinderen om nieuwe perspectieven te ontwerpen. Handelen volgens gevestigde en geaccepteerde patronen en methoden van wetenschappelijk onderzoek biedt zekerheid. In plaats daarvan moet de wetenschap onzekerheid accepteren in zoekprocessen. Het doel kan vooraf niet concreet worden geformuleerd. We zien het pas als we het bereiken.

Verbinding zoeken

Het bovenstaande kan worden opgevat als een pleidooi voor nieuwe verbindingen. Dat betreft zowel verbindingen binnen de wetenschap zelf tussen bijvoorbeeld disciplinaire domeinen die nu betrekkelijk zelfstandig functioneren als vooral ook verbindingen tussen de wetenschap en andere maatschappelijke domeinen. We gaan op beide afzonderlijk in.


1. Binnen de wetenschap

Nodig is dat de hard omgrensde disciplinaire domeinen die thans de structuur van de wetenschap voor een belangrijk deel bepalen, worden verlaten. Dat is niet zo eenvoudig als wellicht op het eerste gezicht lijkt. Wat wij onder wetenschap verstaan is voor een belangrijk deel de optelsom van disciplinaire deelsystemen die ten opzichte van elkaar bijzonderheid en eigen ruimte claimen. Niet zelden is sprake van domein gebonden opvattingen over methoden en criteria. Er zijn krachten werkzaam die erop zijn gericht de grenzen van het domein te bewaken en de toegang tot het domein te beheersen van binnenuit. Het zijn afgeschermde structuren. Het roept het beeld op van een habitus zoals bedoeld in de filosofie van Bourdieu. Het is een sociologisch verband waarbinnen mensen een gemeenschappelijk kader hebben dat hun denken en handelen bepaalt. Door zich hierbinnen te bewegen reproduceren ze tegelijkertijd het geldende kader en in wezen ook zichzelf. Het kader maakt het mogelijk binnen het verband te functioneren. Het is zo vanzelfsprekend dat men zich niet eens meer bewust is van de invloed ervan. Juist vanwege de kracht ervan kan het een forse drempel vormen om erbuiten te treden. Dat impliceert dat wat intern vanzelf spreekt niet meer wordt gerespecteerd. Het betekeniskader is niet opgelegd vanuit de externe wereld, bijvoorbeeld binnen een hiërarchische structuur, maar is een eigen constructie die eerder tot stand komt dan bewust geconstrueerd.

Er is de laatste decennia sprake van allerlei pogingen en inspanningen in de richting van transdisciplinair onderzoek maar die lopen qua benadering erg uiteen. Er is nog geen sprake van een min of meer samenhangend systeem van begrippen dat breed wordt gedeeld. Bovendien is er uiterste terughoudendheid nodig bij het streven naar een uniform begrippenkader en een nauwkeurig uitgewerkte en gestandaardiseerde methodologie. Eerder lijkt het nodig dat pluriformiteit blijvend uitgangspunt moet zijn. Het leren moet plaatsvinden in de ruimte tussen perspectieven.

Die bescherming van disciplinaire structuren kan in constructivistische termen worden opgevat als een machtsstrijd tussen discoursen. Of nog preciezer als een strijd tussen vanzelfsprekendheden die een discours beheersen en de processen die vanzelfsprekendheden construeren.

De binnen een discipline geldende definities en methodes zijn in het eerder geschetste wereldbeeld echter hard. Het zoeken naar verbindingen tussen disciplines maakt het noodzakelijk ze vloeibaar te maken. Dat kan door de eraan ten grondslag liggende veronderstellingen onderwerp van discussie te maken. Die moeten vloeibaar worden zodat ook het buitensluitend karakter ervan expliciet in beeld wordt gebracht. De institutionele verankering van het binnen een discipline geldende betekeniskader maakt dat echter lastig.

2. Verbindingen tussen wetenschap en de wereld buiten de wetenschap

Niet alleen de domeinen binnen de wetenschap kennen een eigen regime en discours. Dat geldt ook voor de wetenschap als geheel ten opzicht van de maatschappij. Verbindingen zoeken is lastig. Daarbij moeten we ons realiseren dat niet alleen de wetenschap uit- en buitensluitend werkt. Diezelfde krachten zijn ook aan de orde binnen andere maatschappelijke systemen. We noemden reeds overheid en rechtspraak. (Wagemans, Over systemen, ordenen, lekkages en uitsluiten. Een beschouwing vanuit het perspectief van betekenisgeving, Civis Mundi #88)

Er zijn diverse pleidooien om die verbindingen te leggen. Een warm pleitbezorger is Michel Serres die, evenals Feyerabend, kritisch staat ten opzichte van de scherpe scheidslijnen tussen wetenschap en andere maatschappelijke sectoren. Concreet gaat het om verbindingen tussen bijvoorbeeld wetenschap en het domein van de kunst en cultuur. Of tussen wetenschap en sectoren als economie en natuur. Het construeren van dergelijke verbindingen vraagt een holistisch perspectief waarin niet wordt gezocht naar wat onderscheidend is maar naar wat verbindt. In de terminologie van Serres: we moeten de eilandenstructuur achter ons laten en expedities op de oceaan ondernemen.

Verbindingen leggen vraagt ontvankelijkheid voor wat in eigen kring betekenisloos is. Ik roep het geschetste wereldbeeld in herinnering van een werkelijkheid als een ruimte waarin definities en betekeniskaders bewegen. Een verwijzing is op zijn plaats naar het begrip assemblages bij Deleuze. Elementen die verbanden aangaan waarvan de samenstelling voortdurend kan veranderen. Of het translatiebegrip bij Latour. De betekenis van een element kan veranderen door de relatie die het aangaat met andere elementen. We moeten als het ware eerst elementen van de betekenis ontdoen die we eraan hebben gegeven waarna ze in relatie tot en met andere elementen een nieuwe identiteit kunnen krijgen. Dat kan leiden tot geheel nieuwe verzamelingen en begrippen die niet passen binnen het dominante betekeniskader en die juist daarom van waarde kunnen zijn. Het afwijkende is bepalend voor de identiteit.

Ontvankelijkheid vraagt dat we hardheid van bestaande definities aantasten. Het geldende betekeniskader moet vloeibaar en kneedbaar worden. De hardheid van onze definities dient niet meer omdat die moderniteit in stand houdt die verandering belemmert. Die hardheid bood weliswaar zekerheid maar het is een schijnzekerheid. Gevolg is dat we houvast kwijtraken en dus onzekerheid moeten accepteren. Verandering hoeft niet te betekenen dat we oude hardheid vervangen door nieuwe hardheid. Wellicht is vloeibaarheid kenmerk van de nieuwe samenleving: permanent verschuivende panelen met slechts een harde kern van beperkte omvang. Die heeft dan betrekking op onmisbare functies zonder welke een samenleving niet kan functioneren. Er moeten nu eenmaal belastingen worden geïnd en conflicten worden beslecht. Die vloeibare samenleving kent risico’s zoals Bauman die beschrijft maar die moeten deels worden geaccepteerd. Die zijn niet te vermijden wanneer we onbekend gebied betreden. Er moet ruimte zijn voor verrassing en verbazing. Wensen we die niet, dan heeft het geen zin om op weg te gaan. Dan kiezen we voor het verblijf op gebaande paden die geplaveid zijn met vanzelfsprekendheden.

Literatuur

Bauman, Zygmunt, Vloeibare tijden, Leven in een eeuw van onzekerheid, Klement Uitgeverij, 2018

Bourdieu, P. (1984). Distinction: A Social Critique of the Judgement of Taste, London, Routledge

Deleuze, Gilles, Verschil en herhaling, Boom Uitgevers, 2011

van Eijk, Toon, Farming Systems Research and Spirituality. An analysis of the foundations of professionalism in developing sustainable farming systems, PhD thesis, Wageningen, 1998

Feyerabend, Paul, Tegen de Methode, Lemniscaat, 2008

Gidley, J., The Evolution of Consciousness as a Planetary Imperative: an Integration of Integral Views, in: Integral Review: A Transdisciplinary and Transcultural Journal for New Thought, Research and Praxis, 2007, nr 5.

Glaser, B. & Strauss, A., The discovery of grounded theory. Strategies for qualitative research. Chicago: Aldine Publishing Company, 1967

Komen, Hans, Wat is bewustzijn? Het bewustzijnsbegrip door de eeuwen heen in filosofie en psychologie, Deel 1, Civis Mundi Digitaal nr 40, 2016

Kuhn, Thomas, The Structure of Scientific Revolutions, University of Chicago press, 1970

Latour Bruno & Woolgar Steve, Laboratory life: the social contruction of scientific facts, Parijs, La Découverte, 1979

Latour, Bruno, Serres, Michel, Conversations on Science, Culture and Time, University of Michigan Press, 1995

Nicolescu, Basarab, Methodology of Transdisciplinarity – Levels of Reality, Logic of the Included Middle and Complexity, in: Transdisciplinary Journal of Engineering & Science Vol: 1, No:1, (December, 2010), pp.19-38

Ransijn, Piet, Dichter bij de wetenschap, een complementaire visie, Deel 3: Dichter bij een verenigende veldtheorie van de natuur en het bewustzijn, Civis Mundi, nr 27, 2014

Smith, Richard & Clarke, David, Jean Baudrillard: From Hyperreality to Disappearance: Uncollected Interviews, Edinburgh University Press, 2015

Wagemans, Mathieu, Over systemen, ordenen, lekkages en uitsluiten. Een beschouwing vanuit het perspectief van betekenisgeving, Civis Mundi Digitaal #88, 2019

Wagemans, Mathieu, Een pleidooi voor een kwantumbenadering in wetenschap, bestuur en beleid, Civis Mundi, nr 90, 2019


*********************


Een andere kijk op orde en chaos
Deel 5: Individueel bewustzijn en sociale verandering


Civis Mundi Digitaal #100

door Mathieu Wagemans        www.ontganiseren.nl

In Deel IV stond centraal hoe collectieve processen van betekenisgeving van invloed kunnen zijn op het verloop van veranderingsprocessen. In dit Deel V is de aandacht gericht op de positie van het individu. Wat is onze positie in ingrijpende processen van verandering? Hoe ervaren we die? En wat is de rol van het individu daarin? Het gaat dus om individuele processen van betekenisgeving. Zoals Pico della Mirandola eind vijftiende eeuw stelde gaat het bij betekenisverlening uiteindelijk om de diepste dimensie van ons menszijn, om de menselijke waardigheid. Aan de orde is dan de vraag of aan die waardigheid recht wordt gedaan. Krijgt de mens in onze (post)moderne samenleving de ruimte om een betekenisvol leven te leiden. De ruimte om zichzelf te worden. En in welke mate claimt de mens de ruimte om zich te onttrekken aan extern opgelegde betekeniskaders en een eigen constructie te maken van zichzelf in relatie tot de wereld. Het onderscheid dus tussen bewustzijn en zelfbewustzijn. Het creëren van die ruimte voor eigenheid is niet vanzelfsprekend noch gemakkelijk zoals we zullen toelichten.


Modernisering en vervreemding

In voorgaande artikelen zagen we dat de vooruitgang en welvaart die de moderniteit heeft opgeleverd slechts mogelijk was doordat daarvoor de voorwaarden werden geschapen. De werkelijkheid moest dienstbaar worden gemaakt zodat en opdat de technologie de ruimte kreeg. Het leidde tot een betekeniskader dat dwingend werd. De ruimte voor betekenisgeving die de Verlichting met zich meebracht, werd voor een steeds groter deel opgevuld en ingevuld. Er ontstond een krachtige verbinding tussen technologie en het economisch systeem. Het economisch systeem beloonde technologische vooruitgang. Stijging van productiviteit werd technologisch mogelijk en economisch beloond. Jachtigheid won het van traagheid.

Maar de prijs voor economisch-technologische vooruitgang was dat het betekeniskader dat kenmerkend is voor de moderniteit dominant mocht worden. Dat kader stelde op ratio gebaseerde begrippen centraal. Het nam als het ware in termen van betekenisverlening de regie over. Begrippen werden voorgeschreven maar ook processen van betekenisverlening werden geïnfecteerd met het virus van de ratio. Er ontstonden zichzelf repeterende processen. Die processen deden hun werk omdat ze de ruimte kregen. Vooruitgang en welvaart werden zo krachtig gewaardeerd dat de nadelen onbewust werden geaccepteerd. Wat kwetsbaar was onder economische druk werd gemarginaliseerd. Aantasting van natuur en cultuur was nodig omwille van de vooruitgang.

Die dominantie van het technologisch-economisch betekeniskader leidde tot dehumanisering. Wat betekenisvol was voor mensen moest wijken voor de krachten van het moderniseringsdenken. Modernisering werd zo een bron van radicale vervreemding. Mensen werden raderen in een betekenismachine zonder bedieningspaneel. De machine werd een perpetuum mobile. Eenmaal op gang gekomen was het in staat zijn eigen energie op te wekken. Het was lastig er grip op te krijgen. Het mechanisme deed zijn werk sluipenderwijs. Verwijzend naar Foucault was er sprake van voortgaande disciplinering die echter niet als zodanig werd ontmaskerd. De voordelen van de vooruitgang stelden de nadelen in de schaduw. Die waren lange tijd aan het gezicht onttrokken.

De uitkomst van dit proces is een stevig verankerd betekeniskader. Zowel de begrippen als het kader zelf zijn zo hard en stevig geworden dat ze als vanzelfsprekend worden beschouwd. Ze hebben geen ondersteuning meer nodig. Ze spreken vanzelf en hebben geen bekrachtiging meer nodig. Definities zijn verhard en materie geworden. Processen zijn met zichzelf aan de haal gegaan. We zijn in zekere zin voorgeprogrammeerd zonder dat we ons dat realiseren. We zijn er ons niet goed van bewust. Bewustwording van de processen in onze leefwereld is niettemin wezenlijk voor verandering. Verandering van wereldbeeld heeft te maken met ons bewustzijn. Aan de orde is dan hoe we de wereld beleven, hoe we onszelf beleven en hoe we de relatie met de wereld beleven. We vormen ons een beeld van de werkelijkheid en van onze plaats daarin. Dat beeld ligt aan de basis van ons doen en laten. Dat beeld kan op onderdelen uiterst scherp en gedetailleerd zijn en op andere terreinen vaag. Over sommigen onderwerpen hebben we uitgesproken opvattingen terwijl we over andere vraagstukken niet of nauwelijks hebben nagedacht. We realiseren ons vaak niet onze eigen gedragspatronen, noch de onderliggende afwegingen, laat staan het betekeniskader en het wereldbeeld waarbinnen we leven. We zijn ons niet of slechts vaag van bewust van onze eigen identiteit, van wie we zijn. Het virus van de moderniteit heeft zich zo sterk in ons gevestigd dat het onze eigen programmeringsprocessen heeft aangetast. Onze diepteprogrammatuur dus, onze menselijke waardigheid.


Bewustzijn

De literatuur over bewustzijn is reeds omvangrijk maar wordt steeds uitgebreider. Ook is er groeiende aandacht voor de rol van het bewustzijn bij transformaties, zoals bij de overgang naar een duurzame samenleving. Tegelijkertijd is er geen breed gedeeld beeld over wat het begrip bewustzijn inhoudt. In de omschrijvingen treffen we begrippen aan als hersenen, brein, ziel en geest. Die variatie geldt ook voor de benaderingen om inzicht te krijgen in het functioneren van het bewustzijn. Zo is er sprake van positivistisch georiënteerde benaderingen zoals in de neurobiologie. Men probeert dan het functioneren van het bewustzijn te verklaren door onderzoek te doen naar het functioneren van de hersenen. Men bestudeert de hersenen als een object waarover definitieve kennis kan worden verkregen. In tegenstelling daarmee staat de opvatting dat bewustzijn moet worden opgevat als een nieuwe dimensie van de werkelijkheid die niet langs een gebruikelijke wetenschappelijke weg kan worden verkend. Naast ruimte en tijd moet bewustzijn worden benaderd als een aparte dimensie. We moeten verklaringen bijvoorbeeld zoeken in kosmische bewegingen. Of door middel van meditatie doordringen tot de oosterse filosofie.

Als globale benadering kies ik ervoor bewustzijn te koppelen aan waarneming en betekenisgeving. Die koppelingen volgen logisch uit de constructivistische benadering in de voorafgaande delen over orde en chaos. Het vermogen betekenis te geven en ons bewust te zijn van de wereld en van onszelf in relatie tot de wereld, onderscheidt de mens van andere vormen van leven zoals planten en dieren. Belangrijk daarbij is dat we betekenisgeving onderscheiden van het object waar we betekenis aan geven. Datzelfde geldt ook voor het begrip bewustzijn. Het begrip bewustzijn is anders dan waar we ons bewust van zijn geworden. Wanneer we ons ergens van bewust zijn is dat de uitkomst van aanwending van het vermogen van bewustwording. We kunnen ons ergens van bewust zijn maar dat is nog geen duiding van het begrip bewustzijn zelf. Het is eerder de het resultaat van een proces van bewustwording. De uitkomt van bewustwording dus. Die processen van bewustwording stellen we hier centraal. Door processen van bewustwording maken we gebruik van ons bewustzijn. Het bewustzijn is in de kern het vermogen tot bewustwording. De term vermogen houdt de mogelijkheid in dat we dat vermogen wel of niet aanwenden. We kunnen ons dus ook niet bewust zijn van (beelden van) de werkelijkheid. Dat onvermogen is zowel menselijk als onvermijdelijk. Het is voor de menselijke geest onmogelijk ons tegelijkertijd een onoverzienbaar aantal beelden te vormen van situaties en gebeurtenissen en vervolgens op basis van criteria een afgewogen oordeel te vormen en ons conform te gedragen. We willen graag rationeel zijn en de voor onszelf beste beslissingen nemen. Waarna we vervolgens eenzelfde proces zouden moeten doormaken wanneer situaties enigszins veranderen. Dat vermogen gaat de menselijke geest te boven. Simon introduceerde de term “bounded rationality”, daarmee aangevend dat het menselijk vermogen te beperkt is om bij besluitvorming alle mogelijke alternatieven en consequenties daarvan vooraf in ogenschouw te nemen en op basis van criteria tot de meest rationele keuze te komen. Dat vermogen gaat de menselijke geest te boven. Anders gezegd, voor zover ons gedrag is gebaseerd op afweging van alternatieve mogelijkheden, is het afwegingskader beperkt. Bovendien is er in de werkelijkheid van alledag vaak geen sprake van afwegingen. Voor een belangrijk deel is ons gedrag onbewust. We handelen bijvoorbeeld routinematig. We laten ons onbewust leiden door vaste beelden die we in de loop van ons leven hebben opgebouwd. Gaandeweg vormen we ons op basis van ervaringen, opvattingen en overtuigingen beelden van de werkelijkheid die zo stevig zijn dat ze als het ware met de werkelijkheid samenvallen. We zijn ons daardoor maar ten dele bewust van de kaders waarbinnen we functioneren. Bewustzijn kan dus ook onlosmakelijk worden gekoppeld aan “onbewustzijn” met bewustwording als koppelingsmechanisme.

Die combinatie van bewust en onbewust kan worden opgevat als wezenlijk wanneer we met ingrijpende veranderingen te maken hebben. Verandering van wereldbeeld veronderstelt processen van bewustwording. We gaan ons realiseren dat onze routines ons niet meer helpen en, sterker nog, oorzaak kunnen zijn van problemen. Nodig is dan dat we ons bewust worden van ons perspectief op de werkelijkheid en hoe dit perspectief van invloed is op ons gedrag. Die bewustwording kan ons aan het denken zetten en aanzetten tot gedragsverandering. Eenvoudig is dat niet. Het betekent dat we ons een ander beeld vormen van de werkelijkheid met behulp van andere begrippen en/of andere relaties tussen begrippen. Dat veronderstelt dat we als individu geheel vrij zijn een eigen positie te kiezen. Die vrijheid tot beeldvorming is echter niet vanzelfsprekend. De ruimte is beperkt doordat we vastzitten aan collectieve betekeniskaders en aan de concepten en begrippen die daar deel van uitmaken. In het structuralisme wordt de invloed hiervan uitvergroot. We zijn als subject onderhevig en onderworpen aan externe invloeden. De mens is minder vrij dan verondersteld. Alleen al de taal en de daarin opgenomen begrippen hebben een voorprogrammerend effect op onze betekenisgeving. Lacan neemt daarbij als stelling is dat het subject niet bestaat. (Desmet, 2019). De werkelijkheid kan niet vrij tegemoet worden getreden maar toont zich als een in de taal voorverpakte werkelijkheid. De werkelijkheid komt tot ons inclusief begrippen en definities van situaties en gebeurtenissen. In Deel IV kwam dat reeds aan de orde. Het is daarom lastig om de werkelijkheid fris en frank tegemoet te treden, niet gehinderd door vooringenomenheid of door bestaande beelden en betekenissen. De ruimte voor bewustwording van het nieuwe is dus beperkt doordat ons bewustzijn niet leeg is. Het bewustzijn is gevuld met bewustzijnsinhouden. We kunnen het bewustzijn dus opvatten als een vermogen tot bewustwording. Het is het vermogen zonder dat dit reeds is aangewend en zich aan situaties, objecten of gebeurtenissen heeft gehecht. Het begrip bewustzijn is zo beschouwd objectloos. Het is een vermogen ons ergens van bewust te worden zonder dat het is aangewend. Het ons ontdoen van begrippen en definities om zo een staat van volledige ruimte, van betekenisloosheid dus, te bereiken is geen eenvoudige opgave. Waarneming en betekenisgeving vallen in de praktijk samen en zijn moeilijk te ontkoppelen. We nemen waar en geven betekenis aan het waargenomene. Maar hoe die processen van betekenisgeving verlopen is niet helder. We kunnen allerlei gedachtenflitsen hebben wanneer we een ervaring hebben die we niet normaal vinden. We proberen die te duiden waarbij allerlei mogelijkheden door ons hoofd schieten. Tegelijkertijd hebben we te maken met constructies van anderen die ons wel of niet aanspreken. Kortom, het proces om orde te bereiken verloopt tamelijk wanordelijk. Het lijkt een illusie dat het denken zelf ooit in min of meer logische processen volledig kan worden ontleed, laat staan in lineaire processen waardoor ons denken voorspelbaar zou worden. Wel is helder dat als wij eenmaal denkkaders en betekenissen in ons hoofd hebben, we de neiging hebben het waarnemen langs die lijnen te laten plaatsvinden. We scheppen ordelijkheid in ons hoofd. Dat is ook logisch omdat we anders permanent in twee- , drie- of vierstrijd zouden verkeren wanneer we situaties of gebeurtenissen willen duiden. We routiniseren de betekenisgeving. En als we dat al niet zelf doen, hebben we vaak te maken met externe krachten die betekeniskaders aan ons opleggen. Opvoeding en onderwijs doen hun werk, ook wanneer ze ertoe leiden dat we heel bewust gaan afwijken van wat ons wordt aangereikt. We willen graag ons eigen leven leiden.

Aandacht verdient ook dat het bewustzijn weliswaar nauw verbonden is met betekenisgeving maar er kunnen zich ook situaties voordoen waarin we niet goed kunnen duiden wat we waarnemen. De werkelijkheid toont zich dan als chaos. Chaos is dan het verzamelbegrip voor wat we niet logisch kunnen verbinden met de werkelijkheid die we (denken te) kennen. Het is er wel maar we kunnen het niet duiden. We missen de begrippen om de werkelijkheid te omvatten. Ook vraagt aandacht dat er een werkelijkheid bestaat waar we ons niet van bewust zijn. Die werkelijkheid “is” er wel maar valt buiten ons bewustzijn en buiten onze waarneming. We hebben er geen woorden en geen begrippen voor. Waar we ons niet van bewust zijn kan ook geen betekenis krijgen. Ook is denkbaar dat we de chaos niet negeren maar willen ordenen. Wat we dan doen kan inhouden dat we dezelfde begrippen aanwenden die de basis vormen voor onze ordeningen. Maar dat zijn de ordeningen die juist de chaos hebben veroorzaakt. De chaos is juist ontstaan omdat die niet binnen onze ordeningen past. We benaderen dan de chaos vanuit een perspectief dat niet dient. We kunnen dan redeneringen bedenken die ons de overtuiging geven dat we inzicht in en mogelijk grip hebben gekregen op de chaos maar dat zijn illusies. Het perspectief dient niet. Het perspectief is immers zelf de oorzaak van de chaos. Dat brengt ons niet verder. Per definitie niet.

We kunnen weliswaar een onderscheid maken tussen de waarneming sec en de betekenisgeving maar we kunnen ze moeilijk scheiden. In de praktijk vloeien ze in elkaar over. We nemen waar en op hetzelfde moment geven we betekenis aan wat we waarnemen. Die betekenissen kunnen snel en steeds veranderen. En wanneer betekenisconstructies zich in ons hebben verankerd kunnen ze veranderen doordat we in de ontmoeting met anderen gaan reflecteren. Men zet ons ertoe aan onze constructies te heroverwegen. Die bereidheid is overigens beperkt. Naarmate onze overtuigingen dieper zijn en aannames vanzelfsprekender wordt het lastiger ze te veranderen. We ervaren geen aanleiding voor verandering. Anderzijds kan het zijn dat we door ervaringen zo hevig worden geraakt dat we aanleiding zien ons bestaande betekeniskader ingrijpend te veranderen. We gaan ons anders positioneren. Met als gevolg dat we bijvoorbeeld van baan veranderen omdat we zijn gaan beseffen dat het werk routineus is geworden en ons niet meer inspireert. We raken erop uitgekeken.


Bewustzijnsverruiming

Het vermogen ons bewust te zijn van onszelf en van de wereld rondom ons heen is permanent in ons aanwezig en kan voortdurend wijzigen. Gebeurtenissen kunnen ons aan het denken zetten. We worden ons bewust van situaties en van ons eigen gedrag. We gaan onszelf vragen stellen waar we eerder niet over hebben nagedacht. Het vanzelfsprekende blijkt plotseling niet meer vanzelfsprekend te zijn. Dat geldt in het bijzonder wanneer er sprake is van ingrijpende veranderingen. Dan hebben we ons te verhouden tot nieuwe beelden van de werkelijkheid. We kunnen daarbij niveaus in ons bewustzijn onderscheiden. Morin onderscheidt acht vormen van bewustzijnsverruiming die ons kunnen helpen zicht te krijgen op een nieuwe werkelijkheid. Afhankelijk van het bewustzijnsniveau kunnen we open staan voor signalen en boodschappen uit verschillende bronnen zoals religie, romantiek en literatuur. Het kan lastig zijn daarbij de neiging te weerstaan te snel de stap te zetten naar het uniformeringsdenken dat kenmerkend was en is voor de moderniteit. De beleving is wezenlijk en die kan individueel sterk verschillen.

Voor ons als individu is belangrijk of we oppervlakkig door het leven gaan of dat we ons voortdurend allerlei vragen stellen over de wereld en over onszelf. Ervaringen of ontmoetingen kunnen ons aan het denken zetten over problemen rond duurzaamheid en, in het verlengde daarvan, over ons eigen gedrag. Is het eten van vlees wel verstandig wanneer we gaan beseffen welke consequenties veehouderij heeft voor het milieu? Of pakken we niet al te gemakkelijk de auto wanneer we ook heel goed de fiets zouden kunnen nemen? Kort en goed, bewustzijn en bewustwording gaan beide over wat subjectiviteit inhoudt en hoe processen van subjectivering verlopen. Hoe ervaren we de werkelijkheid en wat is het beeld dat we van onszelf hebben? Die vragende en zichzelf afvragende houding is niet vanzelfsprekend. Niet iedereen zal de keuze voor oppervlakkigheid of diepgang als een keuze ervaren. We moeten het vermogen tot bewustwording onderscheiden van de vraag of we dat vermogen ook aanwenden.


Moderniteit en uitsluiting

Aan de orde is de erkenning dat het betekeniskader van de moderniteit, zoals iedere definitie en ieder betekeniskader, uitsluitende werking heeft. Wanneer een betekeniskader gebaseerd is op ratio dreigt het irrationele te moeten wijken. Wanneer het economische centraal staat, is alles wat niet van economische waarde is kwetsbaar. De verandering die dan nodig is ligt voor de hand. Het buitengeslotene verdient aandacht maar kan die aandacht enkel krijgen ondanks het bestaande systeem. We moeten dus de ruimte buiten het systeem opzoeken om zicht te krijgen op het buitengeslotene maar ook op het systeem zelf. Vergelijk het identiteitsbegrip zoals we dat aantreffen bij Deleuze. Identiteit wordt bepaald door de relatie met het andere. Het buitengeslotene, het afwijkende, bevat waardevolle informatie om zicht te krijgen op onszelf. Het afwijkende wordt instrument om onszelf te positioneren. Het afwijkende stelt ons in staat ons anders zijn te benoemen. Verhaeghe stelt dat we de neiging moeten onderdrukken de identiteit af te lezen aan uiterlijke kenmerken zoals huidskleur, lichaamsbouw en kledij. Dat noemt hij een uiting van onzekerheid. Echter, als we die uiterlijke kenmerken even negeren is het lastig inzicht te krijgen in de identiteit omdat het wezen van de mens binnen in de mens zit.


Zo beschouwd kan het zicht krijgen op het uitsluitend karakter van het betekeniskader van de moderniteit een belangrijk hulpmiddel zijn om ons een beeld te vormen van onszelf. We stelden reeds dat we een prijs betalen voor het functioneren binnen de systemen van de moderniteit. Velen kunnen de stress niet aan. Het onpersoonlijke domineert en dringt het persoonlijke opzij. De structuren zijn dwingend. De symptomen zijn waarneembaar, zoals burn-outs en eenzaamheid. De prijs die we voor gedresseerdheid betalen heet vervreemding. We komen niet aan onszelf toe.

Kijken we nu naar de aandacht die er is voor psychisch leed en hoe die is georganiseerd, dan zien we dat systemen die helend zijn bedoeld, zoals het psychiatrisch zorgsysteem, zelf ook weer kenmerken hebben van het moderniteitsdenken. Aandacht wordt berekend in minuten. Diagnoses zijn vooraf gedefinieerd. Zie het DSM dat in wezen een duiding is van mogelijke aandoeningen die voornamelijk gebaseerd is op afspraken binnen het psychiatrisch domein en niet zozeer op door onderzoek verkregen inzichten zoals de term diagnose veronderstelt. Onderzoek in de psychiatrie kan relaties leggen en aantonen tussen aandoeningen en externe omstandigheden maar dat hoeft nog niet te betekenen dat de onderliggende causale relaties verlopen zoals in hypotheses wordt verondersteld. Anders gezegd, verkregen kennis is veronderstelde kennis. Diezelfde definiërende benadering treffen we aan bij de opstelling van behandelingsprotocollen. Dat geldt, op de derde plaats, voor de regels die gelden voor het afleggen van verantwoordelijkheid. Dat alles leidt ertoe dat zorgsystemen die bedoeld zijn ruimte te scheppen voor betekenisverlening, die ruimte zelf al grotendeels hebben opgevuld met begrippen die centraal staan in het betekeniskader van de moderniteit. Dat roept de vraag op hoe een systeem helende werking kan hebben wanneer het zelf symptomen vertoont van aandoeningen die het wil helen. De patiënt wordt in termen van betekenisgeving voorgeprogrammeerd tegemoet getreden terwijl het wezen van psychiatrische aandoeningen nu juist kan worden geduid in termen van afwijkende betekenisgeving.

Een dergelijk beeld roept vragen op rond het begrip complexiteit binnen de psychiatrie. We stelden in eerdere artikelen hoe het ordenen zelf bron kan zijn van complexiteit. We benaderen de werkelijkheid ordenend en organiserend maar de paradox is dat we juist daardoor complexiteit produceren. Onze modellen zijn te eenvoudig en doen de werkelijkheid geen recht. De werkelijkheid als een ruimte waarin beelden door elkaar bewegen moet als zodanig worden gerespecteerd. Dat vraagt geheel andere methoden van interventie dan thans gebruikelijk zijn. Statische en uniformerende kaders zijn er niet op ingericht om te gaan met dynamiek en pluriformiteit. We moeten, integendeel, recht doen aan vernieuwing. Vernieuwing betekent ruimte voor nieuwe betekenissen. En het accepteren van dynamiek. Die kunnen we niet regisseren vanuit een statische benadering. Dan reduceren we dynamiek door het vervangen van de ene door de anders statische situatie. We moeten dan telkens vanuit een extern punt repareren en bijsturen. De uitdaging is dynamische systemen zelfcorrigerend te maken. Dat lijkt een belangrijke opgave en uitdaging voor het psychiatrisch zorgsysteem.


De verknoping tussen object en subject

Ik volg in dit artikel de benadering waarin de scheiding tussen het materiele en het geestelijke wordt losgelaten. De werkelijkheid krijgt zwaarte afhankelijk van de betekenis die we eraan geven. Naarmate die betekenis uitgesprokener is en door meer mensen wordt gedeeld krijgt een werkelijkheidsvisie meer gewicht. Geest en materie zijn in elkaar verstrengeld. Zonder betekenis kan de werkelijkheid zich niet aan ons voordoen.

Vanuit een dergelijk perspectief treffen positivistische benadering waarin de werkelijkheid als objectief wordt gezien, geen doel. Dan heeft men enkel interesse voor het objectieve beeld dat men zich van de werkelijkheid heeft gevormd. Dat beeld is eenduidig en vaststaand. Men onderzoekt dan een beeld van de werkelijkheid dat in staat stelt tot eenduidige en definitieve kennis te komen. De waarneming is eenzijdig en dat geldt ook voor de redeneringen, zowel met betrekking tot de analyse als bij de formulering van conclusies. Men kan zo tot zekere uitspraken komen over de werkelijkheid maar de het waarheidsbereik is beperkt. Daarin kan een verklaring liggen voor de ervaring dat toepassing van op positivistische wijze verkregen kennis lang niet altijd toepasbaar blijkt te zijn in de praktijk. Het is weliswaar zekere kennis maar de werkelijkheid van alledag houdt zich niet aan die zekerheden. De zekerheden zijn verondersteld. Maatschappelijke vraagstukken worden zodanig geherformuleerd dat ze zich lenen voor onderzoek langs positivistische lijnen. Daartoe worden vraagstukken geherformuleerd zodat ze kunnen worden onderzocht met behulp van aanvaarde methoden. Die herformulering kan gemakkelijk buitensluitende werking hebben. De vraagstelling binnen een onderzoek doet daardoor mogelijk geen recht aan het wezen van de vraagstukken zoals die maatschappelijk worden beleefd. De uitkomsten zijn weliswaar “waar” maar ze hebben geen werking. Ze zijn slechts waar binnen een gemankeerd beeld van de werkelijkheid. De werkelijkheid houdt zich niet aan de constructie die we ervan hebben gemaakt. Lineair redeneren helpt niet wanneer de dynamiek geen lineair karakter heeft. Maar dat roept de vraag op naar een alternatief. Wanneer lineair redeneren niet helpt omdat begrippen tijdens het onderzoek kunnen verschuiven, hoe kunnen we dan tot zekere kennis komen? Is waarheid dan nog wel bereikbaar? Het antwoord is dat absolute waarheid vanuit het perspectief van betekenisverlening niet mogelijk is. Waarheid is perspectief gebonden waarheid. Waarheid is wat we waar noemen. Waarheid is ook een constructie. Dat laat de vraag onverlet wat we ons dan bij onderzoek moeten voorstellen. Wat is het alternatief voor lineair redeneren, voor het zoeken naar stevige verbanden?

De uitdaging is tot verbindingen te komen, ook al zullen die voor een belangrijk deel associatief zijn. Het gaat dus in wat volgt niet over de vraag wat bewustzijn “is” maar we doen een beroep op ons voorstellingsvermogen. Kunnen we perspectieven construeren die ons een stap(je) verder helpen. Hoe kunnen we de tussenruimte tussen materie en geest verkennen, waarbij we ons realiseren dat ieder te ontwerpen perspectief vrijwel voorspelbaar startpunt en bron zal zijn voor en van nog veel meer vragen. Een nieuw perspectief is gedachten genererend. Dat nieuwe perspectief kunnen we niet opbouwen vanuit een van beide polen, vanuit het lichaamsbegrip of het geestbegrip. De oplossing is niet de keuze van een bepaalde positie op de lijn tussen lichaam en geest. Dan zouden we niet verder komen dan een bepaalde combinatie van beide polen. De “oplossing’ heeft dan het karakter van een compromis tussen fundamenteel verschillende begrippenkaders. We hebben daarentegen nieuwe begrippen nodig. We kunnen het nieuwe niet definiëren met behulp van bestaande concepten en redeneringen. Door het nieuwe te benaderen en te construeren met bestaande begrippen ontnemen we het nieuwe zijn nieuwheid. Een voorbeeld van een nieuwe benadering met betrekking tot de relatie tussen lichaam en geest treffen we aan bij o.a. Teilhard de Chardin. Die stelde dat materie een binnenkant heeft die geestelijk van aard is. Materie omvat dus geestelijke energie. De buitenkant is materieel maar materie heeft een geestelijke binnenkant. Materie heeft zo beschouwd dus meerdere dimensies. Een vergelijking is op zijn plaats met de kwantumtheorie waarin een element de vorm kan aannemen van materie en van een golf. Eenduidigheid als vertrekpunt werkt dan belemmerend. Een meerduidige werkelijkheid laat zich nu eenmaal niet in eenduidige kaders stoppen.

Dergelijke opvattingen prikkelen de fantasie. We hebben dus nieuwe begrippen nodig die elementen vormen bij de constructie van een nieuw perspectief. In dat proces is een kritische factor dat we de neiging onderdrukken tot definiëring. Definities beperken de ruimte die we nodig hebben voor verkenning. Dan plaveien we ongebaande paden met bestaand asfalt waardoor er weinig nieuws meer is te ontdekken. Door te definiëren maken we te snel de sprong naar het statische. We denken de waarheid al gevonden te hebben en hoeven niet verder te zoeken. Dat vraagt een houding van onthechting. Niet (te snel) toegeven aan de behoefte tot waarheid. Dan hechten we ons aan een waarheid die andere waarheden uitsluit. Dan beschouwen we schijnzekerheden als zekerheden, gemankeerde waardheidsopvattingen als “de” waarheid.


Analogisch en associatief denken

In Deel I stelden we dat het splitsend denken kenmerkend is voor de moderniteit. We onderscheiden aspecten en disciplines om tot de werkelijkheid door te dringen maar juist daardoor doen we geen recht aan de werkelijkheid. Een alternatief is om analogisch te gaan denken. Niet de waarheid vinden door logisch redeneren maar associaties zoeken, verbanden die weer aanleiding zijn voor nieuwe gedachten. Het vinden van de waarheid wordt dan een kwestie van steeds onderweg zijn. Steeds openstaan voor het betreden van zijwegen en het ongebaande. Het zoeken staat dan voorop, niet het vinden van iets dat we als waarheid zien. Waarheid kunnen we niet duiden als een object dat we ergens kunnen vinden. We vinden hooguit steentjes die ons verder kunnen helpen het labyrint te leren kenen. Dat vraagt ruimte om te associëren. Vrije interpretaties die ons voorstellingsvermogen vergroten in plaats van het te beheersen en te beperken door lineaire verbanden die later niet lineair blijken te zijn. Dat is geen veroordeling van het disciplinaire denken maar het disciplinaire denken is dan slechts een benadering bij het verkrijgen van inzicht en kennis. Disciplinaire kennis kan helpen onze kennis te verbijzonderen maar bij ingrijpende veranderingen kan het fantasiespoor ons verder brengen.

Een niveau dieper ligt het besef dat mensen zelf een verandering moeten doormaken. Die benadering is aan de orde wanneer het gaat om de overstap naar een ander wereldbeeld. Verandering van wereldbeeld betekent dat mensen zichzelf opnieuw moeten programmeren Ze moeten zich opnieuw ontwerpen in een andere wereld. De verandering moet zijn verankerd in de mensen zelf. Men is zich bewust van de noodzaak van verandering en bereid het eigen gedrag daaraan aan te passen. Dat vraagt bewustwording van de noodzaak van een ander wereldbeeld. Bijvoorbeeld omdat het besef doordringt dat we op de verkeerde weg zitten. Het vraagt reflectie. Het komt erop neer dat niet de wereld moet worden veranderd maar dat het beeld dat we van de werkelijkheid hebben gevormd niet meer deugt. Door verandering van perspectief vinden we onszelf terug in een andere wereld. Die verandering van perspectief staat centraal. We beseffen dat de noodzakelijke verandering niet van de grond komt wanneer die niet wordt doorleefd. Ook wanneer anderen die stap (nog) niet willen zetten ontslaat dat onszelf niet van de verantwoordelijkheid. Dergelijke processen kennen een heel ander verloop dan traditionele veranderingsprocessen. Die processen zijn inspiratie-gedreven in plaats vanuit een hiërarchie opgelegd. Wanneer mensen de noodzaak van verandering hebben doorleefd volgt de verandering als het ware vanzelf. Dan worden protocollen, voortgangsverslagen en nadere controlemechanismen overbodig. Dat zijn uitingen van gebrek aan vertrouwen. Immers, waarom zou men zich onzeker voelen over resultaat en richting wanneer mensen geïnspireerd aan taken werken en beschikken over de daarvoor noodzakelijke middelen? Men doorbreekt patronen vanuit de intern beleefde overtuiging dat we de toekomst moeten ontwerpen in plaats van het verleden te reproduceren. Zo stellen van Egmond en Oosterling dat de noodzakelijke veranderingen een omslag in denken vragen die niet kan worden bereikt door verandering van structuren maar die moet beginnen bij het individu. De omslag die aan de orde is raakt onszelf ten diepste. Het is een verandering die eerder ondanks dan dankzij structuren plaatsvindt. Het vraagt een diepe reflectie over wie we zijn, over hoe we in het leven willen staan en welke verantwoordelijkheid daaraan is gekoppeld. Opmerkelijk is het aantal mensen dat voorop wil lopen bij deze transformaties en kracht en inspiratie zoekt en ontleent bij en aan de oosterse filosofie. De gebruikelijke context van redeneren helpt niet meer. We kunnen op basis van tal van feiten en analyses de overtuiging hebben dat we ons levenspatroon moeten veranderen maar om de daad bij het woord te voegen is meer nodig. Met ratio alleen redden we het niet. De omslag vraagt verruiming en verdieping van ons bewustzijn. De oosterse filosofie biedt methodes zoals meditatie om ons ontdoen van waar we aan zijn gehecht en vrij te worden zodat we werkelijkheid vanuit een lege ruimte tegemoet kunnen treden. We worden dan niet langer afgeleid van de bewustzijnsinhouden en betekenisconstructies die we in onszelf hebben opgebouwd. We ontdoen ons dan van voorgeprogrammeerdheid opdat we in staat zijn tot het wezen van de werkelijkheid en van onszelf door te dringen. We worden niet langer afgeleid door bestaande beelden. We kunnen daardoor het nieuwe wereldbeeld construeren zonder gebruik te hoeven maken van bestaand en reeds gebruikt bouwmateriaal. Oosterse filosofie kan ons denkbeelden en instrumenten aanreiken om een eigen antwoord te vinden, een eigen betekeniskader en een daarop gebaseerd wereldbeeld dat in de plaats treedt van het thans dominante op ratio en technologie gebaseerd wereldbeeld.

Egoloosheid

We zagen dat naast het perspectief van het collectieve, de positie van het individu belangrijk in de overgang naar een nieuwe wereldbeeld. We stelden reeds dat in de overtuiging van velen de verandering individueel moet worden doorleefd en dus bij en in het individu zijn startpunt moet vinden. Het gaat erom je te ontworstelen aan de kaders want de werkzame krachten houden verkeerd gerichte processen in stand. Die laten zich niet gemakkelijk opzij drukken. Normaliteit moet geproblematiseerd worden. Dat vraagt inspanningen omdat het heersende wereldbeeld tot harmonisatie dwingt. Hier gaat het echter niet om de tegenkrachten rondom ons heen maar om de blokkades in onszelf. De eerste stap is dat we ons bewust worden van de processen en van onze eigen geketendheid aan die processen. Dat vereist een verdiepende bewustwording. Het expliciteren van onze vanzelfsprekendheden en het onderkennen van de krachten die deze vanzelfsprekendheden in onszelf hebben verankerd. We zitten zo beschouwd onszelf in de weg. In plaats daarvan moeten we streven naar egoloosheid. (Ransijn, 2020) Pas door onszelf terzijde te schuiven ontstaat er ruimte voor een ander bewustzijn. De werkelijkheid krijgt dan pas betekenis doordat we die onbevangen tegemoet treden. We projecteren niet langer onze ambities en opvattingen op de werkelijkheid waardoor die maar gebrekkig tot ons kan doordringen. Bij von Dürkheim (1981) vinden we een treffend beeld van de mens in de moderniteit. De mens die zijn persoon-zijn heeft opgegeven en zichzelf zo sterk ondergeschikt heeft gemaakt aan het prestatiebeginsel dat hij alleen nog functionaris is in structuren waarin zijn eigen wezen niet tot zijn recht komt en ook niet kan komen. In gelijke zin stelde Legaut ooit de vraag hoe het toch komt dat we worden geboren als origineel maar heel vaak sterven als kopie.

Om te veranderen moeten we vrij zijn en dat vraagt van ons dat we de vanzelfsprekendheden die we hebben geconstrueerd kritisch beschouwen. Een verwijzing naar de existentiefilosofie ligt dan voor de hand. De existentie die voorafgaat aan de essentie zoals Sartre stelt. We gaan in op de situatie waarin het individu zich bevindt wanneer die voor de opgave komt te staan te breken met wat normaal is en zich gaat gedragen buiten de wereld van de ordeningen. Een nieuw wereldbeeld betekent weliswaar individueel een ingrijpende nieuwe opstelling maar vraagt ook op collectief niveau grote herschikkingen. Dat zullen we bezien op individueel niveau, respectievelijk op collectief niveau. Die volgorde is niet willekeurig. Er is een brede overtuiging dat de noodzakelijke transformatie ingrijpend is. Het nieuwe wereldbeeld stelt je ook als individu voor keuzes. Je moet jezelf gaan verhouden tot die nieuwe wereld. Dat vraagt een verandering in jezelf. Die noodzakelijke verandering betekent dat je jezelf opnieuw moet programmeren. Veranderingen op collectief niveau kunnen niet goed plaatsvinden en zullen zeker niet blijvend zijn wanneer ze niet individueel worden gedragen.

Verandering van wereldbeeld en daarop volgende gedragsverandering kan worden gezien als een verandering van bewustzijn. We gaan de wereld anders zien. We verbreden ons beeld waardoor we zicht krijgen op wat voorheen voor ons verborgen was. Het was er wel maar we waren er ons niet van bewust. We vormen ons andere beelden van oorzaak-gevolg-relaties wat vervolgens tal van vragen oproept, bijvoorbeeld over de vraag of dit andere wereldbeeld ons tot een ander gedrag moet aanzetten. Hoe zien we onszelf in die andere werkelijkheid terug? Bewustzijnsverruiming en bewustzijnsverdieping zijn individuele processen. Die kunnen niet worden opgelegd. Je moet zelf door die processen heen. Ze raken het menszijn. Je moet je anders gaan verhouden tot de werkelijkheid. Je eigen programmering en identiteit kan slechts door jezelf worden geconstrueerd in relatie met de omgeving. We kunnen niet langer voorgeprogrammeerd door het leven gaan omdat er dan sprake is van een extern opgelegde programmatuur. Dat kan verleidelijk zijn maar dan houden we in stand wat bron is van vervreemding. Dan leven we andermans leven. Jezelf opnieuw ontwerpen en programmeren betekent een proces van onthechting. Dat houdt in loskoppeling van een belangenperspectief. Het betekent het opruimen van blokkades die om je heen zijn opgebouwd en vooral ook de blokkades die je in jezelf hebt opgebouwd.

De omslag kan worden opgevat als een omslag die ruimte schept. We maken ons los van structuren die hinderen onszelf te worden. Maar tegelijkertijd is het een ruimte die niet vrijblijvend kan worden beleefd. De ethische dimensie vraagt verantwoordelijkheid te nemen. De ruimte vraagt invulling en biedt geen mogelijkheid eraan te ontkomen. Over verantwoordelijkheid kun je geen compromissen sluiten. Onttrek je je aan verantwoordelijkheid, dan ben je daarvoor verantwoordelijk. De ruimte stelt je voor de keuze. Weer kiezen voor het betreden van platgetreden paden betekent ontkenning van de ruimte. Tegelijkertijd betekent het verkennen van ongebaande paden het accepteren van onzekerheid. Je weet niet wat je aantreft en je weet zelfs niet waar je naar op zoek bent. Er zijn geen garanties. Inspirerend is de levensopvatting van de Zuid-Afrikaanse dominee Beyers Naudé. In een vraaggesprek uit 1980 met de Duitse theologe Dorothe Sölle stelt zij de vraag waar hij de energie vandaan haalt zich te blijven verzetten tegen de apartheid terwijl er geen enkele voortgang wordt geboekt. Zijn antwoord is dat hij heeft ontdekt dat het in zijn leven niet gaat om de vraag of je bijval hebt gekregen of aan populariteit hebt gewonnen. Het gaat zelfs niet om de vraag wat je hebt bereikt. Uiteindelijk telt alleen wat je eraan hebt gedaan. Dat inzicht had voor hem bevrijdende werking. Je ziet niet meer om naar beloning maar je blijft je inzetten, hoe zwak je inzet ook wordt.


Expedities naar onze inspiratiebronnen

Het is een zoektocht waarbij men elkaar niet moet dwingen tot eensgezindheid. Ook ontbreken de maatstaven om de voortgang te meten. We weten immers niet waar we naar op zoek zijn. We kunnen het einddoel niet duiden, althans niet met behulp van geldende begrippen en concepten. Dan is een benadering aan de orde waarin verschillende expedities, ieder met eigen overtuigingen, op weg gaan. Vergelijk Michel Serres met zijn expedities op de oceaan. Het gaat erom nieuwe doorgangen, nieuwe passages te vinden. Dat beeld van expedities is ook aan de orde op individueel niveau. Zoeken in onszelf wat ons ten diepste inspireert. Het buitengeslotene kan de bron worden voor vernieuwing. Het kwetsbare als bron van inspiratie.

Eerder stelden we dat de mens voor de keuze staat zijn eigen leven en dus zichzelf te ontwerpen of een voorgeprogrammeerd leven te leiden waarin je de betekenissen zoals die in onze structuren en betekeniskaders vastliggen overneemt. De eerste stap naar verandering is het onderkennen van de keuzemogelijkheid als zodanig. Je ontdoen van extern opgelegde betekenisconstructies is in uiterste consequentie een ontmoeting met de leegte. Je neemt dan niet langer de bestaande structuren over maar zoekt een eigen weg. Dat klinkt uitdagend maar kan ook worden ervaren als confronterend. Het is een ontmoeting met betekenisloosheid. Het vraagt ook moed. Het vraagt bewustwording dat je de mogelijkheid hebt om ruimte te scheppen waarin je jezelf kunt ontwerpen en het vraagt moed de mogelijkheid te benutten en de ontmoeting met betekenisloosheid aan te gaan. Het vraagt het besef dat je de betekenis van je eigen leven niet in de werkelijkheid vindt maar in jezelf. Je staat vanuit jezelf in de wereld. Je ontdoen van geldende betekeniskaders is niet eenvoudig. Het is bovendien niet de oplossing maar de voorwaarde voor de oplossing. Die oplossing is dat je ooit, terugkijkend op je eigen leven, kunt stellen dat het betekenisvol is geweest, dat je jezelf bent geworden. Worden wie je bent zoals Marcel Legaut stelt in Devenir soi. (Legaut, 1981)

De ontmoeting met betekenisloosheid betekent dat je onzekerheid in het gezicht kijkt. Die onzekerheid is permanent. Het zoekproces kan niet eindigen in een definitieve bestemming. Het is een kwestie van voortdurend onderweg zijn. De weg als herberg. Ontwikkeling en dynamiek als existentie. Onze begrippen schieten tekort om onze eindbestemming te bevatten. Evenmin als we de oneindigheid van het heelal kunnen benoemen. Ons voorstellingsvermogen laat ons in de steek. Leven betekent dus ook leven met onvoltooidheid. Acceptatie dat “de” waarheid buiten ons bereik zal blijven. Evenmin als we “de” werkelijkheid kunnen omvatten. Wat rest is dat we met onze beelden van de werkelijkheid die werkelijkheid zo dicht mogelijk benaderen. Leven als een voortdurend pogen.

Dat pogen veronderstelt ruimte voor het buitengeslotene, voor wat niet past binnen onze geldende betekeniskaders. Uitingen die per definitie afwijkend zijn van wat we normaal achten. Zeggen wat nog niet gezegd is en wat zich niet leent voor ordening. Dat betekent het weerstaan van de krachten die aandringen op ordening. Initiatieven die niet organiseerbaar zijn, althans niet binnen onze opvattingen van rationaliteit. Open staan voor afbeeldingen die buiten ons voorstellingsvermogen liggen. Voor de bedenkers en constructeurs van vernieuwing houdt dat in vrijmoedigheid van spreken. Zeggen wat binnen onze betekeniskaders onzegbaar is. Een verwijzing naar parrhesia ligt voor de hand. Uitspreken wat gezegd moet worden, ook als dat als ongepast wordt ervaren omdat geldende kaders en structuren de maatstaf zijn geworden voor beoordeling van het nieuwe. Dat leidt tot het afwijzen van het nieuwe, enkel omdat het nieuw en afwijkend is. Het vraagt ook onafhankelijkheid en authenticiteit. Het benoemen van het buitengeslotene kan gemakkelijk als patroonverstorend worden ervaren. Het doorbreekt een cultuur van genoegzaamheid en vriendelijkheid. Vriendelijkheid die gebaseerd kan zijn op non-interventie: ik bemoei me niet met jou zolang jij je niet bemoeit met mij. Vriendelijkheid kan zo gemakkelijk een dekmantel worden voor behoud van het bestaande. Werken aan (systeem)verandering vereist dan ook de uitnodiging te weerstaan in een context van verdediging terecht te komen waarin het nieuwe moet worden verdedigd ten opzichte van het bestaande. Het vraagt een houding om vanuit je eigen overtuiging in het leven te staan. Het vraagt onwankelbaarheid die bestand is tegen “Remmers-in-vaste-dienst” die bestaande structuren overeind willen houden. Het vraagt inzet, ook wanneer er (nog) geen uitzicht is op resultaat. Dan rest slechts de vaste overtuiging van de noodzaak van verandering met in laatste instantie enkel de zekerheid die je in jezelf hebt gevonden.


Literatuur

Beyers Naude, Interview met Dorothe Sölle in Religieuze denkers in beeld, KRO, 1981

Braidotti, Rosi, Op doorreis. Nomadisch denken in de 21ste eeuw, Amsterdam, Uitgeverij Boom, 2004

Dedijn, Herman, Voorbij (de mislukking van) de Moderniteit?, verschenen in Paul Cortois & Guido van Heeswijck (red.), Religie onder kritiek. De plaats van Religie in de seculiere samenleving, Acco, 2016, p. 41 – 53.

Deleuze, Gilles en Guattari, Felix, Rizoom, Uitgever: Rizoom, 1998

Desmet, Mattias, Lacan’s Logic of Subjectivity, a walk on the graph of desire, OWL Press, 2019

Dürkheim von, Karlfried, Religieuze denkers in beeld, KRO, 1981

Dürkheim von, Karlfried, Cultuur van de stilte, Kluwer, 1972

Van Egmond, Een vorm van beschaving, Uitgeverij Christofoor –Zeist; 2e druk juni 2011

Van Egmond, Homo Universalis, 2019

Foucault, Michel, De Moed tot waarheid, Boom, 2011

Legaut, Marcel, Devenir soi, recherchez le sens de sa propre vie, Bibliotheque du Cerf,1981

Oosterling, Henk, Verzet in ecopanische tijden, Lontano, 2020

Oosterling, Henk, Waar geen wil is, is een weg, Boom, 2017

Pico della Mirandola, Rede over de menselijke waardigheid

Polanyi, M. (1962) Personal Knowledge: Towards a Post-critical Philosophy (London, Routledge).

Simon, Herbert, Models of bounded rationality, economic analysis and public policy, volume 1, Mit Press Ltd, 1984

Ransijn, Piet, Het open bewustzijn: de Chinese filosofie van het taoïsme
Deel 2: De terugkeer naar het open bewustzijn volgens ’de oude meester’ Laozi, in: Civis Mundi Digitaal, nr. 95, april 2020

Latour, Bruno en Serres, Michel, Conversations on Science, Culture and Time, University of Michigan Press, 1995

Verhaeghe, Paul, Identiteit, De Bezige Bij, 2015

Wagemans, Mathieu, Een Oceaan van Betekenisloosheid, een kritische analyse van beleid, politiek en wetenschap met een verwijzing naar de filosofie van Michel Serres, Digitalis, Utrecht, 2016

Wagemans Mathieu, Van een definiërend naar een energetisch wereldbeeld: begrippen en feiten als dragers van energie. Deel 1: Nieuw beleid past niet in bestaande kaders en vraagt een ander perspectief, Civis Mundi Digitaal nr 91, november 2019

van der Wal, G.A. De Omkering van de wereld, achtergronden van de milieucrisis en het zinloosheidsbesef, Ambo, 1996

*******************************

Een andere kijk op orde en chaos Deel IV

Collectief bewustzijn en veranderingsprocessen

In Civis Mundi, juninummer, nr 99

Door Mathieu Wagemans


In Deel I en II maakten we een beschouwende analyse van de moderniteit en benoemden we een aantal systeemgebreken. Deel III was gewijd aan de veranderingsopgave waar we voor staan. In dit Deel IV gaan we in op het veranderingsproces. We geven daarbij aandacht aan begrippen als betekenisgeving en bewustzijn. Bij processen van betekenisgeving maken we een onderscheid tussen het individuele en het collectieve niveau. In Deel IV richten we ons op hoe processen van betekenisgeving op collectief niveau verlopen. We staan stil bij wegen waarlangs definities kunnen institutionaliseren. In Deel V staat het individuele niveau centraal; de positie en rol van het individu in en bij ingrijpende veranderingsprocessen

De stap naar een ander wereldbeeld

Er is een breed levend besef dat we toe zijn aan een ander wereldbeeld. De overtuiging wordt intussen in grote kring gedeeld dat we niet kunnen volstaan met aanpassingen binnen het bestaande systeem van ordening en dat we op zoek moeten naar een nieuw fundament. Er wordt gepleit voor een tweede Verlichting. De eerste Verlichting bevrijdde de mens van afhankelijkheden die hij als vanzelfsprekend en dwingend ervoer. De mens kwam vanuit een onafhankelijke relatie tot de werkelijkheid te staan. Maar die vrijheid is weer ingeleverd voor nieuwe afhankelijkheden. Het betekeniskader van de moderniteit heeft ons in zijn greep gekregen. Kenbaarheid en maakbaarheid zijn uitgangspunt en het wereldbeeld van de moderniteit is daarop gegrondvest. We hebben de wereld aangepast aan de eisen van de technologie. Die tweede Verlichting is erop gericht dat we ons aan dat regime onttrekken. Dat houdt in dat we de regie weer in eigen hand nemen en niet langer pion zijn in veranderingsprocessen die met zichzelf aan de haal zijn gegaan. Dat is een lastige opgave, alleen al omdat we het betekeniskader van de moderniteit in sterke mate hebben geïnstitutionaliseerd. We zitten er stevig aan vast. We houden de problemen als het ware georganiseerd in stand. Dat betekeniskader heeft op tal van terreinen vooruitgang gebracht maar is aan vervanging toe omdat het eenzijdig is gericht op steeds verdere rationalisatie met verwaarlozing van wat niet rationeel is maar wel betekenisvol. Belangrijke waarden op ecologisch en sociaal-cultureel gebied staan onder druk en dreigen steeds verder te worden gemarginaliseerd. Nog meer moderniteit kan ons niet helpen maar de problemen eerder nog verder vergroten. Het betekeniskader van de moderniteit heeft echter nog weinig aan dwingende invloed verloren. We hebben dat betekeniskader krachtig geïnstitutionaliseerd zodat we de problemen als het ware georganiseerd in stand houden. Wij hebben de wereld gemodelleerd naar de uitgangspunten en eisen van de moderniteit. Dat wereldbeeld van de moderniteit hebben we geïnternaliseerd. We gedragen ons ernaar. De daarop gebaseerde routines ervaren we als vanzelfsprekend. We staan er nauwelijks bij stil. We zijn als het ware voorgeprogrammeerd en kunnen ons er moeilijk van losmaken. De krachten om een voorgeprogrammeerd leven te leiden zijn sterk.

Kenmerken van die voorprogrammering [MW1] zijn het eenheidsdenken en de daaruit voortvloeiende drang en dwang tot uniformering zoals we zagen in Deel I. Standaardisatie en harmonisatie waren nodig om goed de voordelen van technologie te kunnen benutten. En dus moest de werkelijkheid worden aangepast aan de eisen van de technologie. Maar niet alleen de technologie was oorzaak. In de overheidssfeer zag je vergelijkbare processen. We vinden het belangrijk dat burgers door de overheid gelijk worden behandeld, ook al kan hun situatie erg verschillen. Regels dienen voor iedereen te gelden. Dat heeft geleid tot een regelsysteem dat harmoniserend werkt. De mensen zijn niet gelijk maar voor de toepassing van regels construeren we een werkelijkheid waarin we de ambitie van gelijkheid overeind kunnen houden. En vervolgens worden we alsmaar gedwongen om onze formele constructie van de werkelijkheid aan te passen. We specificeren definities en verbijzonderen procedures, allemaal nodig omdat we onze illusie van maakbaarheid niet willen opgeven. De overheid wordt zo een bron van vervreemding waarbij pogingen om de vervreemding op te lossen uitmonden in steeds meer vervreemding.

Kort en goed, om gebruik te maken van de voordelen van de moderniteit was harmonisatie en standaardisatie nodig. Tegelijkertijd heeft de mens een toenemende behoefte om zich te ontwikkelen als individu. Dat vraagt ruimte en variatie en staat haaks op harmonisering. Er is sprake van een spanning tussen enerzijds een in economisch opzicht welvarend leven en een rijk leven in termen van een betekenisvol leven. Het opgeven van economische welvaart is echter lastig, gehecht als we zijn aan het wereldbeeld van de moderniteit. Het vraagt opoffering in materieel opzicht om ruimte te scheppen voor het niet-materiele, voor het betekenisvolle. Die ruimte, zo is een groeiende overtuiging, vinden we niet in de op materie gerichte wereld buiten onszelf. Onthechting van het materiële vraagt een verandering in onszelf zoals we in Deel V zullen zien.

De overstap naar een ander wereldbeeld is dus niet eenvoudig. We kunnen daarbij niet terugvallen op gebruikelijke processen vanuit een rationeel en instrumenteel perspectief. Toch is dat de gebruikelijke benadering van de instrumentele rationaliteit. We analyseren problemen en formuleren een gewenst beeld van de werkelijkheid. Vervolgens stellen we een plan op waarin we doelen en tussendoelen formuleren. We besluiten welke middelen we nodig hebben en we maken afspraken over wie wat moet doen. We onderscheiden in een logische volgorde een aantal stappen die we vervolgens uitvoeren. Tussentijds evalueren we om te kijken of we op het goede pad zitten. Veranderbaarheid is vanzelfsprekend en is voorondersteld. Nu leert de ervaring ook dat planning geen garantie geeft dat we de gewenste veranderingen ook daadwerkelijk kunnen realiseren. De werkelijkheid blijkt vaak wat ingewikkelder dan vooraf gedacht. De werkelijkheid gedraagt zich niet lineair en blijkt weerbarstig te zijn. De ervaring dat veranderen niet zo eenvoudig is, heeft de laatste decennia geleid tot niet-rationele benaderingen. Zeker wanneer we voor ingrijpende veranderingen staan kunnen we lang niet altijd vertrouwen op vooraf bedachte mechanismen. Veranderen was vaak een kwestie van door- en aanmodderen, van muddling through zoals Lindblom vijftig jaar geleden stelde.

De overtuiging groeide dat mensen moeten meebewegen. Er kwam steeds meer aandacht voor de betekenis van draagvlak en hoe dat kon worden bereikt. Open communicatie is belangrijk. We moeten mensen “meenemen” in het proces. Dat betekent voortdurende interactie. Verandering moet als het ware een construct worden van alle betrokkenen. Maar ook dergelijke zonder twijfel goedbedoelde aanpassingen zijn niet altijd succesvol. Draagvlak krijg je niet door slimme manipulatie met behulp van goed doordachte argumenten. Dat blijf je zitten in een context van belangen. Je probeert anderen van de noodzaak van verandering te overtuigen. Uitgangspunt is dan dat verandering lukt wanneer betrokkenen er het voordeel van inzien.

Wat kunnen we leren van de processen van modernisering?

Alvorens aandacht te geven aan wat nodig is en in te gaan op processen van bewustzijnsverruiming en bewustzijnsverdieping lijkt de vraag relevant wat we van het verleden kunnen leren. Het loont om inzicht te krijgen in hoe het wereldbeeld van de moderniteit dominant kon worden en bezit van ons heeft genomen. Hoe konden we mentaal voorgeprogrammeerd raken zodat vanzelfsprekendheden ons denken en doen gingen beheersen?

Interessant is in dat verband kennis te nemen van de filosofie van Foucault. Die stelt dat processen van disciplinering bezit van ons kunnen nemen zonder dat we ons daarvan bewust zijn. Er ontstaan routines die we als vanzelfsprekend ervaren en die dus geen kritische beschouwing vragen. Wat vanzelf spreekt houdt zichzelf nu eenmaal in stand. We hebben onszelf vastgekluisterd aan patronen. We kunnen ons weliswaar bewust zijn van de eindigheid van de paden die we betreden maar verandering is geen optie. Dan stort onze schijnwereld in elkaar. In plaats daarvan houden we liever illusies in stand. Door vast te houden aan achterhaalde zekerheden kunnen we ons onttrekken aan de noodzaak tot ingrijpende verandering en aan het construeren van nieuwe zekerheden. En wellicht aan een wereldbeeld waarin we definitief afscheid moeten nemen van zekerheden.

Processen van disciplinering verlopen niet lineair maar er is sprake van vaak verfijnde mechanismen. Als voorbeeld de technologische vooruitgang. We hebben veel te danken aan nieuwe technologie maar de technologie vroeg daar een prijs voor. Ongemerkt zijn de verhoudingen omgekeerd. Technologie als instrument werd regisseur. De technologie is gaandeweg met ons op de loop gegaan. Dat kon gebeuren omdat we de techniek als een hulpmiddel zagen, een instrument. Maar dat instrument was geen dood instrument. Het had manipulerend vermogen. Manipulerend als term is hier bewust gekozen. Wat de techniek met ons denken en doen doet is vaak impliciet. Technologie oefent kracht uit maar het is een verborgen kracht die juist daardoor krachtig kan zijn. De impact ervan kan doorwoekeren, juist omdat we ons er niet goed van bewust zijn. Het beeld is vaak dat slechts hiërarchie en regels ons dirigeren en programmeren maar de techniek doet zijn werk ongemerkt en is daardoor gevaarlijker dan hiërarchie. Vergelijk de Nieuwe Actor Theorie van Latour. Die houdt in dat ook objecten werking kunnen hebben. Dat lijkt op het eerste gezicht wellicht een merkwaardige opvatting omdat we geneigd zijn een technisch hulpmiddel op te vatten als dode materie. Nog een stap verder is wanneer we technologie te hulp roepen als oplossing voor problemen die door de technologie worden veroorzaakt. Mestoverschotten in de intensieve veehouderij worden bijvoorbeeld vanuit de landbouw niet opgevat als systeemprobleem van een te ver doorgevoerde intensivering maar er is een onwrikbaar vertrouwen dat nieuwe technologie op het terrein van mestverwerking het probleem zal oplossen. Kortom, door te blijven vettrouwen op technologie kunnen we moeilijke vragen uit de weg gaan.      

Zo verandert de werkelijkheid ongemerkt in een technologisch gedreven werkelijkheid. Die is voor ons vanzelfsprekend geworden waarbij we ons niet meer goed realiseren wat de impact ervan is. De consequentie is dat we ons als mens in een werkelijkheid hebben geplaatst waarin we zelf instrument van de techniek zijn geworden in plaats van omgekeerd. Dat is een ingrijpende verarming van ons menszijn. Ons betekeniskader worde gedomineerd door de techniek. We passen ons aan opdat we de mogelijkheden van de techniek kunnen benutten. We passen niet alleen de condities aan maar ook onszelf. Techniek wordt vanzelfsprekend en dus ook de condities waaronder de techniek kan worden toegepast. Dat is eigen aan het betekeniskader van de moderniteit. We zijn ons er niet goed van bewust. De voordelen van de techniek worden door ons zo sterk gewaardeerd en zijn met ander woorden zo betekenisvol dat de nadelen ervan niet de kracht hebben ons ervan bewust te maken. Gemak en genot staan voorop. Het leidt tot een cultuur van oppervlakkigheid, wellicht niet als keuze maar toch zeker als uitkomst van mentale programmeringsprocessen die ongemerkt hun kracht uitoefenen en werking hebben. Er is sprake van een paradox is. Door onze kennis en technologie zijn we in staat gebleken tot beïnvloeding van de werkelijkheid maar de prijs daarvoor is dat we ons ondergeschikt moesten maken aan de krachten die ons tot die beïnvloeding in staat stelden. Techniek als bron van vervreemding.

Het rationele en instrumentele denkkader heeft zo een nieuwe werkelijkheid geconstrueerd. In die werkelijkheid gelden andere wetten en regels dan in de dagelijkse praktijk en hoe we die ervaren. Interventies die zijn bedoeld om problemen aan te pakken hebben wellicht werking binnen die op rationaliteit gebaseerde werkelijkheid maar niet binnen de werkelijkheid zoals we die zelf dagelijks ervaren. Door interventies blijven de verschillen in stand. Vergelijk het beeld van een rizoom bij Deleuze. We schoffelen het onkruid weg zodra dit zich boven de grond vertoont maar het ondergrondse worstelstelsel blijft onaangetast. We repareren een afwijkend en gemankeerd beeld van de werkelijkheid met interventies die de onderliggende problemen onaangetast laten. Wanneer rationaliteit het probleem is helpt nog meer van eenzelfde rationaliteit niet om dat probleem op te lossen. Het rationaliteitsbegrip zelf is aan verandering toe. Zolang we bestaande concepten van rationaliteit overeind houden, belemmeren we onszelf om de overstap te maken naar de constructie van een nieuwe werkelijkheid. Weliswaar heeft ook die nieuwe werkelijkheid het karakter van een afbeelding maar het is een afbeelding die we ervaren als betekenisvoller en die dus dichter bij onze beleving ligt.

Naar een ander wereldbeeld

Die overstap naar een nieuw wereldbeeld is dus lastig. We vinden die verandering niet wanneer we binnen het thans geldende formele betekeniskader blijven. Een verwijzing ligt voor de hand naar de veel geciteerde uitspraak van Einstein die stelt dat we problemen niet oplossen met behulp van en binnen de kaders die de problemen hebben veroorzaakt. We moeten de ruimte daarbuiten verkennen. Dat kan niet binnen bestaande institutionele kaders omdat die uitdrukking vormen van bestaande betekeniskader. Maar daarbuiten treden is lastig. We zijn zo druk binnen het wereldbeeld van de moderniteit dat we nauwelijks tijd hebben voor een moment van bezinning. We zitten vast aan betekeniskader. We zijn gewikkeld in een strijd om te overleven. De weg die we kiezen is de weg van het economisch model. Er moet groei zijn. Zonder groei geen continuïteit. Maar met deze vorm van groei vergroten we het probleem zonder dat we ons ervan bewust zijn. Dat is zeldzaam sprekend in beeld gebracht door Francisco Goya.

Het is het beeld van twee mannen die met knuppels een conflict uitvechten. Ze staan reeds tot hun knieën in het drijfzand en met iedere slag die ze elkaar toebrengen zinken ze dieper weg. Michel Serres zegt hiervan dat ze door het gevecht toewerken naar hun eigen gezamenlijke begrafenis in het drijfzand. Het schilderij illustreert hoe we zo druk bezig kunnen zijn met oplossing van problemen dat we geen besef meer hebben van de context waarin we leven. Zo is het ook met ons huidige systeem. We willen groei en met ieder stap voorwaarts vergroten we het eigen probleem. Ieder stap voorwaarts brengt ons dichter bij de afgrond. We willen wellicht graag anders maar lopen voortdurend het risico symptomen te bestrijden omdat we vastzitten aan denk- en handelingspatronen die ons doen en laten bepalen. Het betekeniskader van de moderniteit dwingt steeds weer stappen te zetten in de verkeerde richting. Om een ander beeld te gebruiken, het is alsof de opvarenden op een zinkend schip bereid zijn hun eigen zwemvest te verkopen en zo (nog) meer geld te kunnen verdienen. De hebzucht wint het van de drang tot overleven.

De overtuiging leeft breed dat de noodzakelijke verandering van ons vraagt dat we ons bewustzijn verbreden en verdiepen. We moeten ons bewust worden van de noodzaak de overstap te maken naar een nieuw wereldbeeld. Dat houdt in dat we onze eigen routines en vanzelfsprekendheden tegen het licht houden en ons gaan realiseren dat die het bestaande wereldbeeld in stand houden. De signalen voor een dergelijke overgang zijn er al langer. Desmet wijst bijvoorbeeld op het exponentieel groeiend gebruik van psychofarmaca en het epidemisch karakter van de diagnose burn-out. Kennelijk is er iets mis met de mogelijkheid voor mensen binnen het betekeniskader van de moderniteit een betekenisvol leven te leiden. Materiele welvaart is geen garantie voor een leven dat men als betekenisvol ervaart.

Een ander wereldbeeld betekent dat we anders naar de wereld kijken. We moeten ons bewust worden van de negatieve effecten en van de noodzaak van ingrijpende verandering. Ook moeten we ons gaan realiseren dat een ander wereldbeeld een andere opstelling vraagt van onszelf. We moeten ons gaan verhouden tot een andere werkelijkheid. Dat betekent ook dat we ons zelfbeeld moeten veranderen. We gaan eerst in op betekenisgeving. Aansluitend komt het bewustzijn aan de orde.

Processen van betekenisgeving

We geven betekenis aan de werkelijkheid maar hoe ontstaan betekenissen? Hoe verloopt ons denken? Hoe verlopen processen van betekenisgeving? We kunnen verwijzen naar onze opvoeding en opleiding waarin we ons begrippen eigen maken of voorgeschreven krijgen. Maar het proces zelf is, Deleuze volgend, een tamelijk wanordelijk en onvoorspelbaar proces. We kunnen het proces rationaliseren maar die rationalisatie is een constructie achteraf. Het werkelijke proces zelf is een proces van associaties, begrippen, gedachteflitsen, intuïties en invallen. De betekenis die we toekennen aan de werkelijkheid vinden we niet in de werkelijkheid maar die zit in onszelf zoals we in Deel I stelden. Dat proces van betekenisvorming wordt op tal van manieren door externe krachten beïnvloed maar we hanteren als vooronderstelling dat wij het uiteindelijk zelf zijn die tot betekenisgeving komen. Evenmin als bij ons gevoelsleven kunnen we rationeel op het spoor komen waarvan het wezen irrationeel is. We kunnen boosheid rationeel en analytisch ontleden in fasen van ontstaan en in niveaus van intensiteit maar daarmee dringen we niet door tot het wezen van boosheid. We geven dan slechts aandacht aan uitingsvormen van boosheid.

Relevant is verder dat we betekenisgeving hebben geïnstitutionaliseerd. We hebben als het ware de regie erover overgedragen aan instituties. Dat betekent de meest krachtige verankering van processen die denkbaar is. En juist dat maakt de verandering lastig. Institutionalisering betekent dat de krachten van instandhouding en repetitie sterk zijn. In plaats daarvan is creativiteit nodig en creativiteit doet een beroep op voorstellingsvermogen, denken buiten bestaande kaders. We hebben nieuwe concepten nodig om ons een betekenisvolle werkelijkheid voor te stellen. Dat is een werkelijkheid waarin betekenissen door elkaar dwarrelen en op onvoorspelbare momenten en onder onvoorspelbare condities condenseren in betekeniskaders of juist, integendeel, onderlinge bindingen verliezen. Het vraagt ook dat we thans dominante denkkaders zoals lineaire oorzaak-gevolg-relaties minder gewicht geven en open staan voor heel andere relatievormen. Datzelfde geldt voor onze neiging om redenerend tegemoet te treden wat niet beredeneerbaar is. In het wereldbeeld van de moderniteit staat de ratio centraal maar voor verandering moeten we oog krijgen voor het irrationele, voor wat zich niet laat kennen via redeneerlijnen. We hebben nieuwe verhalen nodig, zowel om onze praktijken te kunnen begrijpen als om nieuwe vergezichten te kunnen construeren.

Hoe ziet het wereldbeeld eruit vanuit het perspectief van bewustzijn en bewustwording?

Eerder beschreef ik de werkelijkheid met ruimtelijke begrippen. (Wagemans, 2019). Het is een wereldbeeld waarin betekenissen met duizelingwekkende snelheden door en naast elkaar bewegen, voortdurend verbindingen aangaan en verbindingen ontbinden. We kunnen ons denken niet goed ordenen. Gedachten flitsen door ons hoofd. Wanneer we met nieuwe situaties te maken krijgen zoeken we naar ordening. Wat betekent het? Of beter gezegd, welke betekenis moeten we eraan toekennen? Betekeniskaders die hun betekenis verliezen, uitdoven als het ware. Tegelijkertijd het ontstaan van nieuwe betekeniskaders. Die kunnen een tijdelijk karakter hebben maar ze kunnen ook winnen aan zwaarte, aan energie, omdat ze onomstreden worden geacht in de beleving van velen. Ze kunnen zoveel aan zwaarte winnen dat ze geïnstitutionaliseerd raken. De onderliggende betekenissen worden niet meer bewust beleefd maar vanzelfsprekend geacht.

Het is een beeld van de werkelijkheid waarin beelden van de werkelijkheid permanent door elkaar bewegen. Beelden vat ik daarbij op als betekenisconstructies. Ze hebben naar buiten toe een waarneembare verschijningsvorm maar ze hebben ook een binnenkant die betrekking heeft op de interne dynamiek. Die binnenkant omvat het discours, het complex van uitgangspunten vooronderstellingen en vanzelfsprekendheden die de interne communicatie beheersen. Vorm en taligheid zijn in elkaar vervlochten. Ze kunnen een korte levensduur hebben maar ze kunnen ook stevigheid krijgen doordat beelden door velen worden gedeeld. Of die zoveel aantrekkingskracht hebben dat ze niet langer onderwerp van discussie zijn maar drager worden van steeds meer energie. De beelden verharden. Ze worden materie. Samen met andere beelden vormen ze een overkoepelend perspectief op de werkelijkheid. Er ontstaan verbindingen tussen afzonderlijke definities. Ze gaan een betekeniskader vormen. Dat is een belangrijke stap. Zo belangrijk zelfs dat Polanyi stelde: “All particulars become meaningless if we lose sight of the pattern which they jointly constitute”. Ze vallen niet samen met de werkelijkheid maar het perspectief blijft een afbeelding. Dat een perspectief wordt omarmd als vanzelfsprekend doet daar niet aan af.

Een vergelijking ligt voor de hand van het materiebeeld in de fysica. Mogelijke definities die als gedachteflitsen opkomen en onmiddellijk worden verworpen zijn als moleculen in een gas. Er is sprake van grote beweeglijkheid en vluchtigheid zonder er structuren zijn te onderkennen. Definities c.q. betekenisconstructies kunnen zwaarte krijgen omdat we ze relevant vinden en door anderen worden gedeeld. Ze worden zwaar door de betekenis die we eraan toekennen. Ze worden geladen met energie. Ze verdichten. Er ontstaat enige structuur. Nog een stap verder is wanneer definities alsmaar breder worden gedeeld. De verdichting neemt toe. Gas gaat over in vloeistof. Neemt de zwaarte nog verder toe doordat definities de status van vanzelfsprekendheid krijgen, dan wordt de zwaarte zo groot dat er vaste materie ontstaat. Definities worden vanzelfsprekend. Ze vormen geen onderwerp meer van beschouwing, juist omdat ze breed en krachtig zijn aanvaard. Denk bijvoorbeeld aan definities zoals die in wetten zijn vastgelegd. En deze materie kan nog verder verharden. Er kan sprake zijn van verstening in dogmatische en rigide denkkaders. Voorstellen voor verandering slaan dan stuk op de klippen van onze vanzelfsprekendheden.

De overgang van gedachteflitsen naar geïnstitutionaliseerde betekenissen, van gas naar materie, is slechts te begrijpen door nader te kijken naar onze processen van betekenisgeving. Welke krachten zijn daarop van invloed? In de praktijk van alledag zijn tal van processen waarneembaar die onderling sterk kunnen verschillen. We kennen allemaal de ervaring dat mensen die getuigen zijn van een aanrijding van een fietser door een auto een uiteenlopende beschrijving ervan geven. De een zal de kleur van de auto vermelden, de ander zal rapporteren over de schuld of onschuld van de chauffeur. Weer een ander zal de nadruk leggen op de onveiligheid van het kruispunt waar al zo aak ongelukken zijn gebeurd. Of op het wel of niet snel ter plaatse zijn van de politie. Vergelijk de film Rashomon waarin geheel verschillende beschrijvingen worden gegeven van een misdrijf dat zou hebben plaatsgevonden.

Een ander punt is dat het nogal verschil kan maken wie de constructeur van een definitie of een beeld is. Een opvatting tijdens een verjaardagsfeest heeft een andere zwaarte dan wanneer die tijdens een zitting van de strafrechter wordt geuit. Het verschil kunnen we duiden in termen van de consequenties die een definitie heeft. Die is sterk afhankelijk van de omstandigheden en context waarin die wordt geuit. Neem bijvoorbeeld de rol van de pers. De pers als betekeniscreator. Het maakt nogal verschil voor de zwaarte van een definitie of van een beeld wanneer dat door een individu word beleefd of dat het beeld de voorpagina haalt. Zo beschouwd beschikt de pers over veel vermogen om betekenissen te doen condenseren. De beelden krijgen zwaarte. De pers als condensator van betekenissen.

Een ander voorbeeld is de politiek waar men elkaar graag en stevig vastpint op ooit eerder geuite definities. Verandering van standpunt kan dan gemakkelijk worden opgevat als een gebrek aan standvastigheid. In de reclamewereld zien we dat het leggen van associaties krachtige werking kan hebben. Een product wordt gekoppeld aan een kwaliteitsbeeld. Het beeld van aantrekkelijkheid. Bij een reclamefilm voor koffie zie je nooit gezinsleden die op de achtergrond een hevig conflict uitvechten. De context versterkt de boodschap. Beelden kunnen vervolgens onderdeel van systemen worden waardoor ze vanzelfsprekende invloed krijgen. Beelden krijgen het karakter van instituties. Ze hebben werking omdat er gevolgen aan worden verbonden. De overheid en de rechtspraak zijn zo beschouwd creator van geïnstitutionaliseerde betekenisconstructies. Objecten als geobjectiveerde subjectiviteit.  

De rol van collectief bewustzijn bij systeemverandering

Ons betekeniskader kan worden opgevat als het resultaat van zowel collectief aangereikte c.q. opgelegde betekenissen als individuele constructies. Dat onderscheid is belangrijk. Het raakt aan de vraag in hoeverre we vrij zijn ons eigen wereldbeeld te vormen dan wel die vrijheid (moeten) inleveren omdat we gehouden zijn aan betekenissen die in een samenleving dominant zijn. In welke mate kunnen we onszelf worden en in welke mate is er sprake van processen van dressering waardoor we worden voorgeprogrammeerd? En hoe kunnen we ons aan collectieve dressuur onttrekken?        

Nu lijkt het erop dat we in onze vrije samenleving waarin vrijheid van meningsvorming een groot goed is, vrij zijn om onze eigen weg te gaan. Maar dat is bij nadere beschouwing allerminst vanzelfsprekend. De krachten van collectivisering en harmonisering zijn sterk. Er gelden ordeningen in termen van betekenisgeving die we niet kunnen ontkennen. We worden geboren in een wereld inclusief de daarin geldende programmatuur. De werkelijkheid is al voorgeprogrammeerd. We worden gedresseerd zonder dat we ons dat realiseren. Wie bijvoorbeeld raadslid wordt, merkt hoe zeer het binnen het openbaar bestuur geldende betekeniskader dwingend is. Procedures en protocollen beperken de vrijheid van meningsuiting. Dressering raakt ook raadsleden. Je hebt je te gedragen binnen gedetailleerd uitgewerkte regels, gedragspatronen en informele normen die minstens zo dwingend kunnen zijn.

Hetzelfde geldt voor het rationeel-economisch en technologisch gekleurd betekeniskader dat dominant is binnen de moderniteit. Het economische weegt zwaar. Hoe het met een samenleving gaat, wordt in onze beeldvorming voor een belangrijk deel bepaald door economische maatstaven. Denk aan het bruto-nationaal product, de verhouding tussen import en export, de stijging van de productiviteit, de werkgelegenheid en de inflatie. Het economisch-technologisch perspectief is dominant en zonder dat we ons dat realiseren zijn we gevormd door dit betekeniskader. Het was bedoeld om ons te bevrijden maar heeft bezit van ons genomen. Zie Morin die waarschuwt voor processen waardoor ideeën ons kunnen gaan beheersen.


Verandering van wereldbeeld vraagt andere praktijken. Door onze praktijken en de daaraan ten grondslag liggende waarden bevestigen we het bestaande wereldbeeld steeds weer. We zijn ongemerkt afhankelijk geworden van onze praktijken. We willen wellicht graag anders maar we zitten aan onze praktijken vast. We willen duurzaamheid maar de krachten zijn gericht op bevestiging en herhaling van het bestaande systeem. Dat heeft gevolgen voor de vraag hoe we tot de noodzakelijke verandering kunnen komen. Hoe moet je de systeemkrachten doorbreken? Er is een groeiend besef dat systeemverandering individueel moet beginnen. We willen de overstap maken naar een ander systeem maar de tegenkrachten zijn sterk. De verandering moet dus plaatsvinden ondanks het bestaande systeem. Bovendien ligt er niet een uitgewerkt plan voor een nieuw systeem. Dat moet nog worden geconstrueerd en op uitvoerbaarheid getest. We kunnen dus een sterke motivatie voor verandering hebben zonder dat er sprake is van een uitgewerkt einddoel. We komen later terug op het onderscheid tussen veranderingsprocessen binnen systemen en processen en systeemverandering en op de daarvoor noodzakelijke procescondities. Hier is van belang dat een andere oriëntatie nodig is. Die moet individueel beginnen. We moeten de noodzaak van verandering individueel doorleven. Het vraagt overtuiging en kracht om de verandering in gang te zetten en vooral ook vol te houden.


Van Egmond benadrukt dat we ons de verandering zelf moeten eigen maken. Dat betekent dat we de collectieve krachten die tot harmonisatie dwingen moeten weerstaan. We moeten onszelf transformeren van geprogrammeerd object naar subject dat zich bewust wordt van zijn eigenheid en zijn denken en handelen in overeenstemming wil brengen met het beeld dat hij zich van zichzelf heeft gevormd. Om ingrijpende processen van verandering te doorstaan is een sterke en diep verankerde overtuiging en motivering nodig. Een ander wereldbeeld betekent dat we onszelf opnieuw moeten programmeren en positioneren binnen dat nieuwe wereldbeeld. Wat vraagt het van ons? En zijn we tot die inzet bereid? Zoals Oosterling stelt:

“Problemen adresseren in het aangezicht van gezagsdragers en dwarse waarheden verkondigen ten overstaan van waarheidsdragers is niet de favoriete bezigheid van mensen die van hen afhankelijk zijn.”   

Afstand nemen van het wereldbeeld dat in de moderniteit centraal staat is dus geen eenvoudige opgave. Het betekeniskader van de moderniteit is krachtig en laat zich niet gemakkelijk opzij drukken. De moderne mens is gewend het leven te leiden dat van hem wordt verwacht. Er ligt vaak geen bewuste keuze aan ten grondslag. Dressering gaat vanzelf. Die informele krachten kunnen minstens zo sterk zijn als de formele regels en wetten. Die kun je nog proberen te ontwijken. Maar afwijken van informele regels en vanzelfsprekendheden is niet aantrekkelijk. Je hebt je te gedragen. Er is sprake van een paradox. De moderniteit was gebaseerd op de Verlichting waarin niet langer wereldlijke en kerkelijke machten bepalend waren. Maar de moderniteit heeft geresulteerd in een wereldbeeld dat eveneens stevige beperkingen kent op het vlak van ruimte voor eigen ontwikkeling. Er zijn stevige verwachtingen over hoe je je hebt te gedragen. Het complex van technologie en economie heeft ons als subjecten getransformeerd tot objecten die met de stroom meedrijven. Verandering van wereldbeeld houdt in dat we verworvenheden moeten prijsgeven die we koesteren. Luxe heeft zo zijn voordelen. Verandering van wereldbeeld en afwijken van het geldende wereldbeeld vraagt een stevige prijs. De moderniteit heeft bezit van ons genomen. Naarmate het harmonische sterker wordt beleefd is afwijken ervan lastiger. De structuren zijn dwingend en tegelijkertijd krijgen we er moeilijk vat op omdat ze impliciet zijn. We zijn ons maar zeer gedeeltelijk bewust van onze eigen positie in de werkelijkheid van de moderniteit. We zijn onbewust voorgeprogrammeerd het leven te leven dat past binnen de stijlen van de moderniteit. We komen vanwege het impliciete karakter niet aan onszelf toe. We realiseren ons niet de krachten van de mentale programmering. Gebruik van algoritmen kan bijvoorbeeld tot consequentie hebben dat bestaande praktijken worden gecodeerd en programmatische werking krijgen. In zijn uiterste consequentie worden we voorgeprogrammeerd te herhalen wat we in het verleden deden.


Nu kan dat gemakkelijk het beeld oproepen dat we betrekkelijk willoos het betekeniskader van de moderniteit aanvaarden. Dat beeld behoeft nuancering. Een tweetal voorbeelden als toelichting. In Deel I stelden we dat er tussen het formele betekeniskader van de overheid en de werkelijkheid zoals die door burgers wordt beleefd aanmerkelijke verschillen kunnen bestaan. Maar we stelden ook dat de grens tussen beide doorlaatbaar is. Via herformulering en manipulatie van betekenisgeving proberen burgers hun wensen en zorgen zodanig te presenteren dat ze in aanmerking komen voor subsidies of belastingheffing en strafoplegging kunnen ontgaan. Een tweede voorbeeld is organisatiekundig van aard. Binnen een bureaucratische organisatie is macht onbespreekbaar. Wie baas is bakt nu eenmaal koek. Werkweigering betekent al gauw het einde van een dienstverband. Onderzoek binnen een dienstonderdeel van het Nederlandse Ministerie van Landbouw toonde mechanismen waarbij de formele machtsverdeling symbolisch werd bevestigd waardoor de top van de organisatie geen reden had zich met de uitvoering te bemoeien. Dat gaf vervolgens medewerkers de ruimte om hun eigen voorkeuren te volgen, ook als zij daarmee in strijd handelden met formele richtlijnen. De spanning die dat opleverde binnen de formele structuren werd “opgelost” doordat men de indruk wekte dat men deed wat men werd verondersteld te doen. Men gaf geen aanleiding aan de top van het Ministerie om te interveniëren. Juist daardoor had men in de praktijk de ruimte om de eigen overtuigingen en voorkeuren te volgen. Naast het formele lineaire bureaucratische model was sprake van een tweede machtsverdeling waarin men zelf bepaalde hoe men het werk uitvoerde, ook als dat in strijd was met formele regels. De symbolische bevestiging had als doel af te kunnen wijken van formele opdrachten zonder dat dit tot represailles leidde.



Wagemans, 2010

Enkele quotes:

“Als Den Haag vraagt wat ervan terecht is gekomen, sturen we Den Haag een brief dat we er voldoende aandacht aan hebben besteed.”

“We geven een antwoord waar Den Haag mee uit de voeten kan en waar we zelf ook mee uit de voeten kunnen.”

“De vraagstelling uit Den Haag was zo algemeen dat je niet echt hoefde te liegen om een positief verhaal te vertellen.”

Het mechanisme is dat er ruimte is voor obstructie zolang die zich maar niet uit als obstructie. Men speelt het formele spel mee om er vervolgens van af te kunnen wijken.

Tot slot

We verkenden in Deel IV hoe collectieve processen van betekenisgeving verlopen en hoe die ingrijpende veranderingen kunnen frustreren. Dat verzet kan zich uiten in manifest verzet maar er kan ook sprake zijn van een fijnzinnig spel van verzet waarin de illusie van verandering slechts symbolisch wordt bevestigd. Verder komt naar voeren dat communicatie een manipulatief karakter kan hebben, gericht op beïnvloeding van de beeldvorming. In deel V gaan we in op vragen rond bewustzijn en bewustwording op individueel niveau.

Literatuur


Deleuze, Gilles en Guattari, Felix, What is philosophy?, Columbia University Press, 1996

Van Egmond, Homo Universalis, Moreel kompas voor een nieuwe Europese renaissance, De Geus, 2019

Latour, Bruno, Reassembling the social, an introduction to New Actor Theory, Oxford University Press, 2007

Lindblom, Charles, The Science of "Muddling Through", Public Administration Review, Vol. 19, No. 2 (Spring, 1959), pp. 79-8

Oosterling, Henk, Waar geen wil is, is een weg, Boom, 2017

Polanyi, M. (1962) Personal Knowledge: Towards a Post-critical Philosophy, Routledge

Wagemans, M.C.H. Voor de Verandering, een op ervaringen gebaseerde studie naar de spanning tussen de theorie en de praktijk van het besturen, Dissertatie, Wageningen, 1987

Wagemans, De dressering van raadsleden, essay, januari 2018, www.ontganiseren.nl , www.eutopinanen.nl

Wagemans, Van een definiërend naar een energetisch wereldbeeld, begrippen en feiten als dragers van energie, Deel 1 en 2, in: Civis Mundi, nr 91, nov 2019


********************************


Een andere kijk op orde en chaos Deel IV

Collectief bewustzijn en veranderingsprocessen

Door Mathieu Wagemans


In Deel I en II maakten we een beschouwende analyse van de moderniteit en benoemden we een aantal systeemgebreken. Deel III was gewijd aan de veranderingsopgave waar we voor staan. In dit Deel IV gaan we in op het veranderingsproces. We geven daarbij aandacht aan begrippen als betekenisgeving en bewustzijn. Bij processen van betekenisgeving maken we een onderscheid tussen het individuele en het collectieve niveau. In Deel IV richten we ons op hoe processen van betekenisgeving op collectief niveau verlopen. We staan stil bij wegen waarlangs definities kunnen institutionaliseren. In Deel V staat het individuele niveau centraal; de positie en rol van het individu in en bij ingrijpende veranderingsprocessen

De stap naar een ander wereldbeeld

Er is een breed levend besef dat we toe zijn aan een ander wereldbeeld. De overtuiging wordt intussen in grote kring gedeeld dat we niet kunnen volstaan met aanpassingen binnen het bestaande systeem van ordening en dat we op zoek moeten naar een nieuw fundament. Er wordt gepleit voor een tweede Verlichting. De eerste Verlichting bevrijdde de mens van afhankelijkheden die hij als vanzelfsprekend en dwingend ervoer. De mens kwam vanuit een onafhankelijke relatie tot de werkelijkheid te staan. Maar die vrijheid is weer ingeleverd voor nieuwe afhankelijkheden. Het betekeniskader van de moderniteit heeft ons in zijn greep gekregen. Kenbaarheid en maakbaarheid zijn uitgangspunt en het wereldbeeld van de moderniteit is daarop gegrondvest. We hebben de wereld aangepast aan de eisen van de technologie. Die tweede Verlichting is erop gericht dat we ons aan dat regime onttrekken. Dat houdt in dat we de regie weer in eigen hand nemen en niet langer pion zijn in veranderingsprocessen die met zichzelf aan de haal zijn gegaan. Dat is een lastige opgave, alleen al omdat we het betekeniskader van de moderniteit in sterke mate hebben geïnstitutionaliseerd. We zitten er stevig aan vast. We houden de problemen als het ware georganiseerd in stand. Dat betekeniskader heeft op tal van terreinen vooruitgang gebracht maar is aan vervanging toe omdat het eenzijdig is gericht op steeds verdere rationalisatie met verwaarlozing van wat niet rationeel is maar wel betekenisvol. Belangrijke waarden op ecologisch en sociaal-cultureel gebied staan onder druk en dreigen steeds verder te worden gemarginaliseerd. Nog meer moderniteit kan ons niet helpen maar de problemen eerder nog verder vergroten. Het betekeniskader van de moderniteit heeft echter nog weinig aan dwingende invloed verloren. We hebben dat betekeniskader krachtig geïnstitutionaliseerd zodat we de problemen als het ware georganiseerd in stand houden. Wij hebben de wereld gemodelleerd naar de uitgangspunten en eisen van de moderniteit. Dat wereldbeeld van de moderniteit hebben we geïnternaliseerd. We gedragen ons ernaar. De daarop gebaseerde routines ervaren we als vanzelfsprekend. We staan er nauwelijks bij stil. We zijn als het ware voorgeprogrammeerd en kunnen ons er moeilijk van losmaken. De krachten om een voorgeprogrammeerd leven te leiden zijn sterk.

Kenmerken van die voorprogrammering [MW1] zijn het eenheidsdenken en de daaruit voortvloeiende drang en dwang tot uniformering zoals we zagen in Deel I. Standaardisatie en harmonisatie waren nodig om goed de voordelen van technologie te kunnen benutten. En dus moest de werkelijkheid worden aangepast aan de eisen van de technologie. Maar niet alleen de technologie was oorzaak. In de overheidssfeer zag je vergelijkbare processen. We vinden het belangrijk dat burgers door de overheid gelijk worden behandeld, ook al kan hun situatie erg verschillen. Regels dienen voor iedereen te gelden. Dat heeft geleid tot een regelsysteem dat harmoniserend werkt. De mensen zijn niet gelijk maar voor de toepassing van regels construeren we een werkelijkheid waarin we de ambitie van gelijkheid overeind kunnen houden. En vervolgens worden we alsmaar gedwongen om onze formele constructie van de werkelijkheid aan te passen. We specificeren definities en verbijzonderen procedures, allemaal nodig omdat we onze illusie van maakbaarheid niet willen opgeven. De overheid wordt zo een bron van vervreemding waarbij pogingen om de vervreemding op te lossen uitmonden in steeds meer vervreemding.

Kort en goed, om gebruik te maken van de voordelen van de moderniteit was harmonisatie en standaardisatie nodig. Tegelijkertijd heeft de mens een toenemende behoefte om zich te ontwikkelen als individu. Dat vraagt ruimte en variatie en staat haaks op harmonisering. Er is sprake van een spanning tussen enerzijds een in economisch opzicht welvarend leven en een rijk leven in termen van een betekenisvol leven. Het opgeven van economische welvaart is echter lastig, gehecht als we zijn aan het wereldbeeld van de moderniteit. Het vraagt opoffering in materieel opzicht om ruimte te scheppen voor het niet-materiele, voor het betekenisvolle. Die ruimte, zo is een groeiende overtuiging, vinden we niet in de op materie gerichte wereld buiten onszelf. Onthechting van het materiële vraagt een verandering in onszelf zoals we in Deel V zullen zien.

De overstap naar een ander wereldbeeld is dus niet eenvoudig. We kunnen daarbij niet terugvallen op gebruikelijke processen vanuit een rationeel en instrumenteel perspectief. Toch is dat de gebruikelijke benadering van de instrumentele rationaliteit. We analyseren problemen en formuleren een gewenst beeld van de werkelijkheid. Vervolgens stellen we een plan op waarin we doelen en tussendoelen formuleren. We besluiten welke middelen we nodig hebben en we maken afspraken over wie wat moet doen. We onderscheiden in een logische volgorde een aantal stappen die we vervolgens uitvoeren. Tussentijds evalueren we om te kijken of we op het goede pad zitten. Veranderbaarheid is vanzelfsprekend en is voorondersteld. Nu leert de ervaring ook dat planning geen garantie geeft dat we de gewenste veranderingen ook daadwerkelijk kunnen realiseren. De werkelijkheid blijkt vaak wat ingewikkelder dan vooraf gedacht. De werkelijkheid gedraagt zich niet lineair en blijkt weerbarstig te zijn. De ervaring dat veranderen niet zo eenvoudig is, heeft de laatste decennia geleid tot niet-rationele benaderingen. Zeker wanneer we voor ingrijpende veranderingen staan kunnen we lang niet altijd vertrouwen op vooraf bedachte mechanismen. Veranderen was vaak een kwestie van door- en aanmodderen, van muddling through zoals Lindblom vijftig jaar geleden stelde.

De overtuiging groeide dat mensen moeten meebewegen. Er kwam steeds meer aandacht voor de betekenis van draagvlak en hoe dat kon worden bereikt. Open communicatie is belangrijk. We moeten mensen “meenemen” in het proces. Dat betekent voortdurende interactie. Verandering moet als het ware een construct worden van alle betrokkenen. Maar ook dergelijke zonder twijfel goedbedoelde aanpassingen zijn niet altijd succesvol. Draagvlak krijg je niet door slimme manipulatie met behulp van goed doordachte argumenten. Dat blijf je zitten in een context van belangen. Je probeert anderen van de noodzaak van verandering te overtuigen. Uitgangspunt is dan dat verandering lukt wanneer betrokkenen er het voordeel van inzien.

Wat kunnen we leren van de processen van modernisering?

Alvorens aandacht te geven aan wat nodig is en in te gaan op processen van bewustzijnsverruiming en bewustzijnsverdieping lijkt de vraag relevant wat we van het verleden kunnen leren. Het loont om inzicht te krijgen in hoe het wereldbeeld van de moderniteit dominant kon worden en bezit van ons heeft genomen. Hoe konden we mentaal voorgeprogrammeerd raken zodat vanzelfsprekendheden ons denken en doen gingen beheersen?

Interessant is in dat verband kennis te nemen van de filosofie van Foucault. Die stelt dat processen van disciplinering bezit van ons kunnen nemen zonder dat we ons daarvan bewust zijn. Er ontstaan routines die we als vanzelfsprekend ervaren en die dus geen kritische beschouwing vragen. Wat vanzelf spreekt houdt zichzelf nu eenmaal in stand. We hebben onszelf vastgekluisterd aan patronen. We kunnen ons weliswaar bewust zijn van de eindigheid van de paden die we betreden maar verandering is geen optie. Dan stort onze schijnwereld in elkaar. In plaats daarvan houden we liever illusies in stand. Door vast te houden aan achterhaalde zekerheden kunnen we ons onttrekken aan de noodzaak tot ingrijpende verandering en aan het construeren van nieuwe zekerheden. En wellicht aan een wereldbeeld waarin we definitief afscheid moeten nemen van zekerheden.

Processen van disciplinering verlopen niet lineair maar er is sprake van vaak verfijnde mechanismen. Als voorbeeld de technologische vooruitgang. We hebben veel te danken aan nieuwe technologie maar de technologie vroeg daar een prijs voor. Ongemerkt zijn de verhoudingen omgekeerd. Technologie als instrument werd regisseur. De technologie is gaandeweg met ons op de loop gegaan. Dat kon gebeuren omdat we de techniek als een hulpmiddel zagen, een instrument. Maar dat instrument was geen dood instrument. Het had manipulerend vermogen. Manipulerend als term is hier bewust gekozen. Wat de techniek met ons denken en doen doet is vaak impliciet. Technologie oefent kracht uit maar het is een verborgen kracht die juist daardoor krachtig kan zijn. De impact ervan kan doorwoekeren, juist omdat we ons er niet goed van bewust zijn. Het beeld is vaak dat slechts hiërarchie en regels ons dirigeren en programmeren maar de techniek doet zijn werk ongemerkt en is daardoor gevaarlijker dan hiërarchie. Vergelijk de Nieuwe Actor Theorie van Latour. Die houdt in dat ook objecten werking kunnen hebben. Dat lijkt op het eerste gezicht wellicht een merkwaardige opvatting omdat we geneigd zijn een technisch hulpmiddel op te vatten als dode materie. Nog een stap verder is wanneer we technologie te hulp roepen als oplossing voor problemen die door de technologie worden veroorzaakt. Mestoverschotten in de intensieve veehouderij worden bijvoorbeeld vanuit de landbouw niet opgevat als systeemprobleem van een te ver doorgevoerde intensivering maar er is een onwrikbaar vertrouwen dat nieuwe technologie op het terrein van mestverwerking het probleem zal oplossen. Kortom, door te blijven vettrouwen op technologie kunnen we moeilijke vragen uit de weg gaan.      

Zo verandert de werkelijkheid ongemerkt in een technologisch gedreven werkelijkheid. Die is voor ons vanzelfsprekend geworden waarbij we ons niet meer goed realiseren wat de impact ervan is. De consequentie is dat we ons als mens in een werkelijkheid hebben geplaatst waarin we zelf instrument van de techniek zijn geworden in plaats van omgekeerd. Dat is een ingrijpende verarming van ons menszijn. Ons betekeniskader worde gedomineerd door de techniek. We passen ons aan opdat we de mogelijkheden van de techniek kunnen benutten. We passen niet alleen de condities aan maar ook onszelf. Techniek wordt vanzelfsprekend en dus ook de condities waaronder de techniek kan worden toegepast. Dat is eigen aan het betekeniskader van de moderniteit. We zijn ons er niet goed van bewust. De voordelen van de techniek worden door ons zo sterk gewaardeerd en zijn met ander woorden zo betekenisvol dat de nadelen ervan niet de kracht hebben ons ervan bewust te maken. Gemak en genot staan voorop. Het leidt tot een cultuur van oppervlakkigheid, wellicht niet als keuze maar toch zeker als uitkomst van mentale programmeringsprocessen die ongemerkt hun kracht uitoefenen en werking hebben. Er is sprake van een paradox is. Door onze kennis en technologie zijn we in staat gebleken tot beïnvloeding van de werkelijkheid maar de prijs daarvoor is dat we ons ondergeschikt moesten maken aan de krachten die ons tot die beïnvloeding in staat stelden. Techniek als bron van vervreemding.

Het rationele en instrumentele denkkader heeft zo een nieuwe werkelijkheid geconstrueerd. In die werkelijkheid gelden andere wetten en regels dan in de dagelijkse praktijk en hoe we die ervaren. Interventies die zijn bedoeld om problemen aan te pakken hebben wellicht werking binnen die op rationaliteit gebaseerde werkelijkheid maar niet binnen de werkelijkheid zoals we die zelf dagelijks ervaren. Door interventies blijven de verschillen in stand. Vergelijk het beeld van een rizoom bij Deleuze. We schoffelen het onkruid weg zodra dit zich boven de grond vertoont maar het ondergrondse worstelstelsel blijft onaangetast. We repareren een afwijkend en gemankeerd beeld van de werkelijkheid met interventies die de onderliggende problemen onaangetast laten. Wanneer rationaliteit het probleem is helpt nog meer van eenzelfde rationaliteit niet om dat probleem op te lossen. Het rationaliteitsbegrip zelf is aan verandering toe. Zolang we bestaande concepten van rationaliteit overeind houden, belemmeren we onszelf om de overstap te maken naar de constructie van een nieuwe werkelijkheid. Weliswaar heeft ook die nieuwe werkelijkheid het karakter van een afbeelding maar het is een afbeelding die we ervaren als betekenisvoller en die dus dichter bij onze beleving ligt.

Naar een ander wereldbeeld

Die overstap naar een nieuw wereldbeeld is dus lastig. We vinden die verandering niet wanneer we binnen het thans geldende formele betekeniskader blijven. Een verwijzing ligt voor de hand naar de veel geciteerde uitspraak van Einstein die stelt dat we problemen niet oplossen met behulp van en binnen de kaders die de problemen hebben veroorzaakt. We moeten de ruimte daarbuiten verkennen. Dat kan niet binnen bestaande institutionele kaders omdat die uitdrukking vormen van bestaande betekeniskader. Maar daarbuiten treden is lastig. We zijn zo druk binnen het wereldbeeld van de moderniteit dat we nauwelijks tijd hebben voor een moment van bezinning. We zitten vast aan betekeniskader. We zijn gewikkeld in een strijd om te overleven. De weg die we kiezen is de weg van het economisch model. Er moet groei zijn. Zonder groei geen continuïteit. Maar met deze vorm van groei vergroten we het probleem zonder dat we ons ervan bewust zijn. Dat is zeldzaam sprekend in beeld gebracht door Francisco Goya.

Het is het beeld van twee mannen die met knuppels een conflict uitvechten. Ze staan reeds tot hun knieën in het drijfzand en met iedere slag die ze elkaar toebrengen zinken ze dieper weg. Michel Serres zegt hiervan dat ze door het gevecht toewerken naar hun eigen gezamenlijke begrafenis in het drijfzand. Het schilderij illustreert hoe we zo druk bezig kunnen zijn met oplossing van problemen dat we geen besef meer hebben van de context waarin we leven. Zo is het ook met ons huidige systeem. We willen groei en met ieder stap voorwaarts vergroten we het eigen probleem. Ieder stap voorwaarts brengt ons dichter bij de afgrond. We willen wellicht graag anders maar lopen voortdurend het risico symptomen te bestrijden omdat we vastzitten aan denk- en handelingspatronen die ons doen en laten bepalen. Het betekeniskader van de moderniteit dwingt steeds weer stappen te zetten in de verkeerde richting. Om een ander beeld te gebruiken, het is alsof de opvarenden op een zinkend schip bereid zijn hun eigen zwemvest te verkopen en zo (nog) meer geld te kunnen verdienen. De hebzucht wint het van de drang tot overleven.

De overtuiging leeft breed dat de noodzakelijke verandering van ons vraagt dat we ons bewustzijn verbreden en verdiepen. We moeten ons bewust worden van de noodzaak de overstap te maken naar een nieuw wereldbeeld. Dat houdt in dat we onze eigen routines en vanzelfsprekendheden tegen het licht houden en ons gaan realiseren dat die het bestaande wereldbeeld in stand houden. De signalen voor een dergelijke overgang zijn er al langer. Desmet wijst bijvoorbeeld op het exponentieel groeiend gebruik van psychofarmaca en het epidemisch karakter van de diagnose burn-out. Kennelijk is er iets mis met de mogelijkheid voor mensen binnen het betekeniskader van de moderniteit een betekenisvol leven te leiden. Materiele welvaart is geen garantie voor een leven dat men als betekenisvol ervaart.

Een ander wereldbeeld betekent dat we anders naar de wereld kijken. We moeten ons bewust worden van de negatieve effecten en van de noodzaak van ingrijpende verandering. Ook moeten we ons gaan realiseren dat een ander wereldbeeld een andere opstelling vraagt van onszelf. We moeten ons gaan verhouden tot een andere werkelijkheid. Dat betekent ook dat we ons zelfbeeld moeten veranderen. We gaan eerst in op betekenisgeving. Aansluitend komt het bewustzijn aan de orde.

Processen van betekenisgeving

We geven betekenis aan de werkelijkheid maar hoe ontstaan betekenissen? Hoe verloopt ons denken? Hoe verlopen processen van betekenisgeving? We kunnen verwijzen naar onze opvoeding en opleiding waarin we ons begrippen eigen maken of voorgeschreven krijgen. Maar het proces zelf is, Deleuze volgend, een tamelijk wanordelijk en onvoorspelbaar proces. We kunnen het proces rationaliseren maar die rationalisatie is een constructie achteraf. Het werkelijke proces zelf is een proces van associaties, begrippen, gedachteflitsen, intuïties en invallen. De betekenis die we toekennen aan de werkelijkheid vinden we niet in de werkelijkheid maar die zit in onszelf zoals we in Deel I stelden. Dat proces van betekenisvorming wordt op tal van manieren door externe krachten beïnvloed maar we hanteren als vooronderstelling dat wij het uiteindelijk zelf zijn die tot betekenisgeving komen. Evenmin als bij ons gevoelsleven kunnen we rationeel op het spoor komen waarvan het wezen irrationeel is. We kunnen boosheid rationeel en analytisch ontleden in fasen van ontstaan en in niveaus van intensiteit maar daarmee dringen we niet door tot het wezen van boosheid. We geven dan slechts aandacht aan uitingsvormen van boosheid.

Relevant is verder dat we betekenisgeving hebben geïnstitutionaliseerd. We hebben als het ware de regie erover overgedragen aan instituties. Dat betekent de meest krachtige verankering van processen die denkbaar is. En juist dat maakt de verandering lastig. Institutionalisering betekent dat de krachten van instandhouding en repetitie sterk zijn. In plaats daarvan is creativiteit nodig en creativiteit doet een beroep op voorstellingsvermogen, denken buiten bestaande kaders. We hebben nieuwe concepten nodig om ons een betekenisvolle werkelijkheid voor te stellen. Dat is een werkelijkheid waarin betekenissen door elkaar dwarrelen en op onvoorspelbare momenten en onder onvoorspelbare condities condenseren in betekeniskaders of juist, integendeel, onderlinge bindingen verliezen. Het vraagt ook dat we thans dominante denkkaders zoals lineaire oorzaak-gevolg-relaties minder gewicht geven en open staan voor heel andere relatievormen. Datzelfde geldt voor onze neiging om redenerend tegemoet te treden wat niet beredeneerbaar is. In het wereldbeeld van de moderniteit staat de ratio centraal maar voor verandering moeten we oog krijgen voor het irrationele, voor wat zich niet laat kennen via redeneerlijnen. We hebben nieuwe verhalen nodig, zowel om onze praktijken te kunnen begrijpen als om nieuwe vergezichten te kunnen construeren.

Hoe ziet het wereldbeeld eruit vanuit het perspectief van bewustzijn en bewustwording?

Eerder beschreef ik de werkelijkheid met ruimtelijke begrippen. (Wagemans, 2019). Het is een wereldbeeld waarin betekenissen met duizelingwekkende snelheden door en naast elkaar bewegen, voortdurend verbindingen aangaan en verbindingen ontbinden. We kunnen ons denken niet goed ordenen. Gedachten flitsen door ons hoofd. Wanneer we met nieuwe situaties te maken krijgen zoeken we naar ordening. Wat betekent het? Of beter gezegd, welke betekenis moeten we eraan toekennen? Betekeniskaders die hun betekenis verliezen, uitdoven als het ware. Tegelijkertijd het ontstaan van nieuwe betekeniskaders. Die kunnen een tijdelijk karakter hebben maar ze kunnen ook winnen aan zwaarte, aan energie, omdat ze onomstreden worden geacht in de beleving van velen. Ze kunnen zoveel aan zwaarte winnen dat ze geïnstitutionaliseerd raken. De onderliggende betekenissen worden niet meer bewust beleefd maar vanzelfsprekend geacht.

Het is een beeld van de werkelijkheid waarin beelden van de werkelijkheid permanent door elkaar bewegen. Beelden vat ik daarbij op als betekenisconstructies. Ze hebben naar buiten toe een waarneembare verschijningsvorm maar ze hebben ook een binnenkant die betrekking heeft op de interne dynamiek. Die binnenkant omvat het discours, het complex van uitgangspunten vooronderstellingen en vanzelfsprekendheden die de interne communicatie beheersen. Vorm en taligheid zijn in elkaar vervlochten. Ze kunnen een korte levensduur hebben maar ze kunnen ook stevigheid krijgen doordat beelden door velen worden gedeeld. Of die zoveel aantrekkingskracht hebben dat ze niet langer onderwerp van discussie zijn maar drager worden van steeds meer energie. De beelden verharden. Ze worden materie. Samen met andere beelden vormen ze een overkoepelend perspectief op de werkelijkheid. Er ontstaan verbindingen tussen afzonderlijke definities. Ze gaan een betekeniskader vormen. Dat is een belangrijke stap. Zo belangrijk zelfs dat Polanyi stelde: “All particulars become meaningless if we lose sight of the pattern which they jointly constitute”. Ze vallen niet samen met de werkelijkheid maar het perspectief blijft een afbeelding. Dat een perspectief wordt omarmd als vanzelfsprekend doet daar niet aan af.

Een vergelijking ligt voor de hand van het materiebeeld in de fysica. Mogelijke definities die als gedachteflitsen opkomen en onmiddellijk worden verworpen zijn als moleculen in een gas. Er is sprake van grote beweeglijkheid en vluchtigheid zonder er structuren zijn te onderkennen. Definities c.q. betekenisconstructies kunnen zwaarte krijgen omdat we ze relevant vinden en door anderen worden gedeeld. Ze worden zwaar door de betekenis die we eraan toekennen. Ze worden geladen met energie. Ze verdichten. Er ontstaat enige structuur. Nog een stap verder is wanneer definities alsmaar breder worden gedeeld. De verdichting neemt toe. Gas gaat over in vloeistof. Neemt de zwaarte nog verder toe doordat definities de status van vanzelfsprekendheid krijgen, dan wordt de zwaarte zo groot dat er vaste materie ontstaat. Definities worden vanzelfsprekend. Ze vormen geen onderwerp meer van beschouwing, juist omdat ze breed en krachtig zijn aanvaard. Denk bijvoorbeeld aan definities zoals die in wetten zijn vastgelegd. En deze materie kan nog verder verharden. Er kan sprake zijn van verstening in dogmatische en rigide denkkaders. Voorstellen voor verandering slaan dan stuk op de klippen van onze vanzelfsprekendheden.

De overgang van gedachteflitsen naar geïnstitutionaliseerde betekenissen, van gas naar materie, is slechts te begrijpen door nader te kijken naar onze processen van betekenisgeving. Welke krachten zijn daarop van invloed? In de praktijk van alledag zijn tal van processen waarneembaar die onderling sterk kunnen verschillen. We kennen allemaal de ervaring dat mensen die getuigen zijn van een aanrijding van een fietser door een auto een uiteenlopende beschrijving ervan geven. De een zal de kleur van de auto vermelden, de ander zal rapporteren over de schuld of onschuld van de chauffeur. Weer een ander zal de nadruk leggen op de onveiligheid van het kruispunt waar al zo aak ongelukken zijn gebeurd. Of op het wel of niet snel ter plaatse zijn van de politie. Vergelijk de film Rashomon waarin geheel verschillende beschrijvingen worden gegeven van een misdrijf dat zou hebben plaatsgevonden.

Een ander punt is dat het nogal verschil kan maken wie de constructeur van een definitie of een beeld is. Een opvatting tijdens een verjaardagsfeest heeft een andere zwaarte dan wanneer die tijdens een zitting van de strafrechter wordt geuit. Het verschil kunnen we duiden in termen van de consequenties die een definitie heeft. Die is sterk afhankelijk van de omstandigheden en context waarin die wordt geuit. Neem bijvoorbeeld de rol van de pers. De pers als betekeniscreator. Het maakt nogal verschil voor de zwaarte van een definitie of van een beeld wanneer dat door een individu word beleefd of dat het beeld de voorpagina haalt. Zo beschouwd beschikt de pers over veel vermogen om betekenissen te doen condenseren. De beelden krijgen zwaarte. De pers als condensator van betekenissen.

Een ander voorbeeld is de politiek waar men elkaar graag en stevig vastpint op ooit eerder geuite definities. Verandering van standpunt kan dan gemakkelijk worden opgevat als een gebrek aan standvastigheid. In de reclamewereld zien we dat het leggen van associaties krachtige werking kan hebben. Een product wordt gekoppeld aan een kwaliteitsbeeld. Het beeld van aantrekkelijkheid. Bij een reclamefilm voor koffie zie je nooit gezinsleden die op de achtergrond een hevig conflict uitvechten. De context versterkt de boodschap. Beelden kunnen vervolgens onderdeel van systemen worden waardoor ze vanzelfsprekende invloed krijgen. Beelden krijgen het karakter van instituties. Ze hebben werking omdat er gevolgen aan worden verbonden. De overheid en de rechtspraak zijn zo beschouwd creator van geïnstitutionaliseerde betekenisconstructies. Objecten als geobjectiveerde subjectiviteit.  

De rol van collectief bewustzijn bij systeemverandering

Ons betekeniskader kan worden opgevat als het resultaat van zowel collectief aangereikte c.q. opgelegde betekenissen als individuele constructies. Dat onderscheid is belangrijk. Het raakt aan de vraag in hoeverre we vrij zijn ons eigen wereldbeeld te vormen dan wel die vrijheid (moeten) inleveren omdat we gehouden zijn aan betekenissen die in een samenleving dominant zijn. In welke mate kunnen we onszelf worden en in welke mate is er sprake van processen van dressering waardoor we worden voorgeprogrammeerd? En hoe kunnen we ons aan collectieve dressuur onttrekken?        

Nu lijkt het erop dat we in onze vrije samenleving waarin vrijheid van meningsvorming een groot goed is, vrij zijn om onze eigen weg te gaan. Maar dat is bij nadere beschouwing allerminst vanzelfsprekend. De krachten van collectivisering en harmonisering zijn sterk. Er gelden ordeningen in termen van betekenisgeving die we niet kunnen ontkennen. We worden geboren in een wereld inclusief de daarin geldende programmatuur. De werkelijkheid is al voorgeprogrammeerd. We worden gedresseerd zonder dat we ons dat realiseren. Wie bijvoorbeeld raadslid wordt, merkt hoe zeer het binnen het openbaar bestuur geldende betekeniskader dwingend is. Procedures en protocollen beperken de vrijheid van meningsuiting. Dressering raakt ook raadsleden. Je hebt je te gedragen binnen gedetailleerd uitgewerkte regels, gedragspatronen en informele normen die minstens zo dwingend kunnen zijn.

Hetzelfde geldt voor het rationeel-economisch en technologisch gekleurd betekeniskader dat dominant is binnen de moderniteit. Het economische weegt zwaar. Hoe het met een samenleving gaat, wordt in onze beeldvorming voor een belangrijk deel bepaald door economische maatstaven. Denk aan het bruto-nationaal product, de verhouding tussen import en export, de stijging van de productiviteit, de werkgelegenheid en de inflatie. Het economisch-technologisch perspectief is dominant en zonder dat we ons dat realiseren zijn we gevormd door dit betekeniskader. Het was bedoeld om ons te bevrijden maar heeft bezit van ons genomen. Zie Morin die waarschuwt voor processen waardoor ideeën ons kunnen gaan beheersen.


Verandering van wereldbeeld vraagt andere praktijken. Door onze praktijken en de daaraan ten grondslag liggende waarden bevestigen we het bestaande wereldbeeld steeds weer. We zijn ongemerkt afhankelijk geworden van onze praktijken. We willen wellicht graag anders maar we zitten aan onze praktijken vast. We willen duurzaamheid maar de krachten zijn gericht op bevestiging en herhaling van het bestaande systeem. Dat heeft gevolgen voor de vraag hoe we tot de noodzakelijke verandering kunnen komen. Hoe moet je de systeemkrachten doorbreken? Er is een groeiend besef dat systeemverandering individueel moet beginnen. We willen de overstap maken naar een ander systeem maar de tegenkrachten zijn sterk. De verandering moet dus plaatsvinden ondanks het bestaande systeem. Bovendien ligt er niet een uitgewerkt plan voor een nieuw systeem. Dat moet nog worden geconstrueerd en op uitvoerbaarheid getest. We kunnen dus een sterke motivatie voor verandering hebben zonder dat er sprake is van een uitgewerkt einddoel. We komen later terug op het onderscheid tussen veranderingsprocessen binnen systemen en processen en systeemverandering en op de daarvoor noodzakelijke procescondities. Hier is van belang dat een andere oriëntatie nodig is. Die moet individueel beginnen. We moeten de noodzaak van verandering individueel doorleven. Het vraagt overtuiging en kracht om de verandering in gang te zetten en vooral ook vol te houden.


Van Egmond benadrukt dat we ons de verandering zelf moeten eigen maken. Dat betekent dat we de collectieve krachten die tot harmonisatie dwingen moeten weerstaan. We moeten onszelf transformeren van geprogrammeerd object naar subject dat zich bewust wordt van zijn eigenheid en zijn denken en handelen in overeenstemming wil brengen met het beeld dat hij zich van zichzelf heeft gevormd. Om ingrijpende processen van verandering te doorstaan is een sterke en diep verankerde overtuiging en motivering nodig. Een ander wereldbeeld betekent dat we onszelf opnieuw moeten programmeren en positioneren binnen dat nieuwe wereldbeeld. Wat vraagt het van ons? En zijn we tot die inzet bereid? Zoals Oosterling stelt:

“Problemen adresseren in het aangezicht van gezagsdragers en dwarse waarheden verkondigen ten overstaan van waarheidsdragers is niet de favoriete bezigheid van mensen die van hen afhankelijk zijn.”   

Afstand nemen van het wereldbeeld dat in de moderniteit centraal staat is dus geen eenvoudige opgave. Het betekeniskader van de moderniteit is krachtig en laat zich niet gemakkelijk opzij drukken. De moderne mens is gewend het leven te leiden dat van hem wordt verwacht. Er ligt vaak geen bewuste keuze aan ten grondslag. Dressering gaat vanzelf. Die informele krachten kunnen minstens zo sterk zijn als de formele regels en wetten. Die kun je nog proberen te ontwijken. Maar afwijken van informele regels en vanzelfsprekendheden is niet aantrekkelijk. Je hebt je te gedragen. Er is sprake van een paradox. De moderniteit was gebaseerd op de Verlichting waarin niet langer wereldlijke en kerkelijke machten bepalend waren. Maar de moderniteit heeft geresulteerd in een wereldbeeld dat eveneens stevige beperkingen kent op het vlak van ruimte voor eigen ontwikkeling. Er zijn stevige verwachtingen over hoe je je hebt te gedragen. Het complex van technologie en economie heeft ons als subjecten getransformeerd tot objecten die met de stroom meedrijven. Verandering van wereldbeeld houdt in dat we verworvenheden moeten prijsgeven die we koesteren. Luxe heeft zo zijn voordelen. Verandering van wereldbeeld en afwijken van het geldende wereldbeeld vraagt een stevige prijs. De moderniteit heeft bezit van ons genomen. Naarmate het harmonische sterker wordt beleefd is afwijken ervan lastiger. De structuren zijn dwingend en tegelijkertijd krijgen we er moeilijk vat op omdat ze impliciet zijn. We zijn ons maar zeer gedeeltelijk bewust van onze eigen positie in de werkelijkheid van de moderniteit. We zijn onbewust voorgeprogrammeerd het leven te leven dat past binnen de stijlen van de moderniteit. We komen vanwege het impliciete karakter niet aan onszelf toe. We realiseren ons niet de krachten van de mentale programmering. Gebruik van algoritmen kan bijvoorbeeld tot consequentie hebben dat bestaande praktijken worden gecodeerd en programmatische werking krijgen. In zijn uiterste consequentie worden we voorgeprogrammeerd te herhalen wat we in het verleden deden.


Nu kan dat gemakkelijk het beeld oproepen dat we betrekkelijk willoos het betekeniskader van de moderniteit aanvaarden. Dat beeld behoeft nuancering. Een tweetal voorbeelden als toelichting. In Deel I stelden we dat er tussen het formele betekeniskader van de overheid en de werkelijkheid zoals die door burgers wordt beleefd aanmerkelijke verschillen kunnen bestaan. Maar we stelden ook dat de grens tussen beide doorlaatbaar is. Via herformulering en manipulatie van betekenisgeving proberen burgers hun wensen en zorgen zodanig te presenteren dat ze in aanmerking komen voor subsidies of belastingheffing en strafoplegging kunnen ontgaan. Een tweede voorbeeld is organisatiekundig van aard. Binnen een bureaucratische organisatie is macht onbespreekbaar. Wie baas is bakt nu eenmaal koek. Werkweigering betekent al gauw het einde van een dienstverband. Onderzoek binnen een dienstonderdeel van het Nederlandse Ministerie van Landbouw toonde mechanismen waarbij de formele machtsverdeling symbolisch werd bevestigd waardoor de top van de organisatie geen reden had zich met de uitvoering te bemoeien. Dat gaf vervolgens medewerkers de ruimte om hun eigen voorkeuren te volgen, ook als zij daarmee in strijd handelden met formele richtlijnen. De spanning die dat opleverde binnen de formele structuren werd “opgelost” doordat men de indruk wekte dat men deed wat men werd verondersteld te doen. Men gaf geen aanleiding aan de top van het Ministerie om te interveniëren. Juist daardoor had men in de praktijk de ruimte om de eigen overtuigingen en voorkeuren te volgen. Naast het formele lineaire bureaucratische model was sprake van een tweede machtsverdeling waarin men zelf bepaalde hoe men het werk uitvoerde, ook als dat in strijd was met formele regels. De symbolische bevestiging had als doel af te kunnen wijken van formele opdrachten zonder dat dit tot represailles leidde.



Wagemans, 2010

Enkele quotes:

“Als Den Haag vraagt wat ervan terecht is gekomen, sturen we Den Haag een brief dat we er voldoende aandacht aan hebben besteed.”

“We geven een antwoord waar Den Haag mee uit de voeten kan en waar we zelf ook mee uit de voeten kunnen.”

“De vraagstelling uit Den Haag was zo algemeen dat je niet echt hoefde te liegen om een positief verhaal te vertellen.”

Het mechanisme is dat er ruimte is voor obstructie zolang die zich maar niet uit als obstructie. Men speelt het formele spel mee om er vervolgens van af te kunnen wijken.

Tot slot

We verkenden in Deel IV hoe collectieve processen van betekenisgeving verlopen en hoe die ingrijpende veranderingen kunnen frustreren. Dat verzet kan zich uiten in manifest verzet maar er kan ook sprake zijn van een fijnzinnig spel van verzet waarin de illusie van verandering slechts symbolisch wordt bevestigd. Verder komt naar voeren dat communicatie een manipulatief karakter kan hebben, gericht op beïnvloeding van de beeldvorming. In deel V gaan we in op vragen rond bewustzijn en bewustwording op individueel niveau.

Literatuur


Deleuze, Gilles en Guattari, Felix, What is philosophy?, Columbia University Press, 1996

Van Egmond, Homo Universalis, Moreel kompas voor een nieuwe Europese renaissance, De Geus, 2019

Latour, Bruno, Reassembling the social, an introduction to New Actor Theory, Oxford University Press, 2007

Lindblom, Charles, The Science of "Muddling Through", Public Administration Review, Vol. 19, No. 2 (Spring, 1959), pp. 79-8

Oosterling, Henk, Waar geen wil is, is een weg, Boom, 2017

Polanyi, M. (1962) Personal Knowledge: Towards a Post-critical Philosophy, Routledge

Wagemans, M.C.H. Voor de Verandering, een op ervaringen gebaseerde studie naar de spanning tussen de theorie en de praktijk van het besturen, Dissertatie, Wageningen, 1987

Wagemans, De dressering van raadsleden, essay, januari 2018, www.ontganiseren.nl , www.eutopinanen.nl

Wagemans, Van een definiërend naar een energetisch wereldbeeld, begrippen en feiten als dragers van energie, Deel 1 en 2, in: Civis Mundi, nr 91, nov 2019


********************************


[MW1]


*********************

‘Niet rond blijven rennen in cirkels’
Opinie De Limburger 26 februari 2019
Thieu Wagemans, Raadslid voor de lokale partij Ronduit Open in Leudal


Het BETOOG – In de politiek staat deze dagen centraal of er genoeg maatregelen worden getroffen om de klimaatdoelen van Parijs te halen en natuurlijk ook wie daar de beurs voor moet trekken. Het proces is voorspelbaar. Afhankelijk van de partijpolitieke kleur pleit men voor aanscherping van de maatregelen of juist voor uitstel of afzwakking. Datzelfde geldt voor de vraag wie de lasten moet dragen: het bedrijfsleven, via bijvoorbeeld een CO2-heffing, of de burgers.
Partijen proberen zich in de komende verkiezingen te onderscheiden. Het is het gebruikelijke spel. En na de verkiezingen probeert men tot compromissen te komen die nog net voor iedere deelnemende partij aanvaardbaar zijn. We zijn er trots op dat ons poldermodel steeds weer oplossingen mogelijk maakt. Dat is vaak prima, maar een oplossing voor het klimaatvraagstuk is niet goed mogelijk met compromissen.
Illusie
We worden geconfronteerd met de vraag of we onze huidige levenswijze wel kunnen voortzetten, of ons economisch systeem houdbaar is. Een systeem waarin het loont om milieueffecten af te wentelen, omdat maatregelen nu eenmaal geld kosten.
Het probleem is dat we gewend zijn aan onze bestaande levenswijze en die graag willen voortzetten. Daarmee gaan we voorbij aan het kernprobleem, namelijk dat juist die levenswijze de oorzaak is van de milieuproblematiek. Dat probleem los je niet op met maatregelen die enkel aanvaardbaar zijn omdat ze geen pijn doen. Een tientje vliegtaks per vlucht lost niets op en verschaft hooguit de illusie van een oplossing. Er zijn ingrijpender maatregelen nodig, een lastige opgave. We waren immers de afgelopen decennia trots op de vooruitgang op tal van terreinen maar nu is duidelijk dat we voor die vooruitgang een prijs hebben moeten betalen. Het klimaat toont ons de rekening.
Onvermijdelijke keuzes
Op zulke momenten is leiderschap nodig. Het vraagt lef om vanzelfsprekendheden ter discussie te stellen en zekerheden als schijnzekerheden te ontmaskeren. Dat lef wordt allereerst gevraagd van politici, zeker in verkiezingstijd. Diegenen die onze provincie en ons land leiden zouden daarin voorbeeldig moeten zijn. Ze zouden niet langer politieke campagnes moeten opzetten die er vooral op zijn gericht kiezers gunstig te stemmen omdat een goede uitslag belangrijker wordt gevonden dan een oplossing van het klimaatprobleem. Ze zouden niet langer populariteit bij kiezers moeten nastreven door de ogen te sluiten voor onvermijdelijke keuzes. Dat is helaas te veel gevraagd van menig politicus die in een poging zijn eigen zetel te behouden best bereid is om beelden te vertellen die letterlijk te mooi zijn om ooit waar te worden. Het vraagt ook lef van bestuurders. De gebruikelijke beleidsmaatregelen schieten tekort. We moeten niet langer zoeken naar ‘de’ oplossing voor ‘het’
probleem. We worden geconfronteerd met vraagstukken die niet meer passen in onze beleidsmodellen. De gebaande paden helpen niet meer. Die hebben ons juist in de problemen gebracht.
Nomaden
De Franse filosoof Deleuze hield ooit een pleidooi voor nomadisch denken. Nomaden hebben geen vaste verblijfplaatsen. Ze bewegen zich niet langs platgetreden paden maar gaan naar plekken waar ze voedsel denken te kunnen vinden.
Nomadisch denken impliceert meebewegen met de natuur, niet vastgeketend zijn aan bestaande structuren en aan organisaties die deelbelangen behartigen. Er is, ook in de politiek, een vrijheid van denken nodig waarbij men de neiging moet onderdrukken elkaar telkens weer te corrigeren wanneer iemand van het gebaande pad afwijkt. Nodig is dat we de patronen doorbreken die de problemen hebben veroorzaakt en waar we aan gehecht zijn. Op ongebaande paden valt nu eenmaal meer te ontdekken dan wanneer we rond blijven rennen in cirkels.
************************************************


Een decadente samenleving

Column in de Limburger van 16 januari 2019

Thieu Wagemans


We gaan er prat op in een land te leven waarin er vrijheid van meningsuiting is. Maar die vrijheid maakt het ons niet altijd gemakkelijk. De keerzijde is dat het van eenieder incasseringsvermogen vraagt, zoals acceptatie dat opvattingen mogen worden geuit die we als buitengewoon kwalijk en mensonterend ervaren.

Tegen die achtergrond is de vraag aan de orde hoeveel vrijheid wij zelf aan kunnen. Hoe groot is de ruimte die we elkaar laten? Zeker, juridisch is die ruimte stevig verankerd. Je bent gelukkig niet zo gauw strafbaar wanneer je voor je mening uitkomt, hoe zeer die ook afwijkt van wat breed is geaccepteerd. Dat is een groot goed. Maar de praktijk van alledag toont vaak een ander beeld.

Accepteren dat er een vrije uitwisseling van opvattingen is, gaat ons niet zo gemakkelijk af. We hebben nauwelijks een cultuur waarin we vanuit een basishouding van respect elkaar ondervragen en andermans opvattingen verkennen. De politiek is daar een treffend voorbeeld van. Discussies worden gevoerd in een partijpolitieke context. Standpunten worden geaccepteerd of afgewezen, afhankelijk van de politieke kleur van diegene die ze naar voren brengt.

In plaats van de vrijheid te benutten, bekwamen we ons in enghartigheid en zijn we er uiterst vaardig in elkaar over de meest onnozele zaken de maat te nemen.

Etiket

We zijn er meesters in het onderscheid te verdoezelen tussen een standpunt en degene die het naar voren brengt. Dan plakken we simpelweg een etiket op de persoon en komen we aan discussies niet eens toe. Zo helpen we zelf de veelgeprezen vrijheid om zeep omdat we niet in staat zijn ermee om te gaan. We scherpen onze eigen standpunten aan en maken enorme stennis over ogenschijnlijk onnozele bijzaken. De avondlijke praatprogramma’s staan er bol van.

Gerard Noodt

Dat incasseringsvermogen wordt vooral op de proef gesteld als het onderwerpen betreft die zich vanwege het principiële karakter niet lenen voor compromissen. In 1706 hield Gerard Noodt bij zijn aftreden als rector van de Leidse Universiteit een rede over de vrijheid van godsdienst. Hij bepleitte respect voor godsdienstige opvattingen die afweken voor de staatsleer in die tijd. Dat was erg gedurfd in een tijd dat de burgerlijke overheid voorschreef welke godsdienst was toegestaan. Kerk en staat waren nog niet gescheiden. Zijn pleidooi kwam erop neer dat ieder mens het onvervreemdbare recht heeft zijn leven in te richten naar eigen beleving en opvatting zolang men elkaars vrijheid niet beperkt. Je zou nog een stap verder kunnen gaan en kunnen stellen dat de kern van ons mens-zijn en van de menselijke waardigheid is dat we het recht hebben zelf betekenis te geven aan onszelf en onze omgeving, ongeacht geslacht, geaardheid, godsdienstige of politieke overtuiging. Maar wat is daarvan over in een moderne samenleving waarin sommigen willen voorschrijven hoeveel zwarte vegen het gezicht van zwartepiet mogen kleuren. In plaats van de vrijheid te benutten, bekwamen we ons in enghartigheid en zijn we er uiterst vaardig in elkaar over de meest onnozele zaken de maat te nemen. Zo maken we van onze vrije samenleving een verstikkend en beklemmend geheel waarin we vreselijk goed weten wat anderen moeten doen en laten.

Decadentie

In het verleden hebben culturen hun einde gevonden door vormen van decadentie. Men doelde dan op de neiging van een cultuur om zich blind te tonen voor maatschappelijke vraagstukken, maar zich wel druk te maken over relatief onbetekenende zaken. Zou het niet goed zijn een maatschappelijk debat te beginnen over de vraag of we niet in een proces zitten waarin we afglijden naar druktemakerij over onnozelheden en verzuimen de vraag onder ogen te zien wat het betekent om te leven in een vrije samenleving? En of de tolerantie die we van anderen vragen ook eisen stelt aan onszelf?


Thieu Wagemans is raadslid in Leudal

www.ontganiseren.nl


***************************************************************

Landbouw zegt alles over beschaving

Mathieu Wagemans

(Opiniebijdrage in Trouw van 15 januari 2019)

In Trouw van 7 januari jl. stelt Sieta van Keimpema dat kringlooplandbouw niet de oplossing is voor de landbouw. Haar betoog is zowel scherp als eenzijdig. Centraal in haar verhaal staat dat allerlei maatregelen de kostprijs verhogen en dus bestaande problemen vergroten.

Laten we de zaak eens omdraaien en stellen dat juist de eenzijdige nadruk op de kostprijs de oorzaak is van de huidige problemen binnen de landbouw. Nieuwe technologie stelde in staat de kostprijs te verlagen. Toepassing ervan was echter slechts mogelijk door schaalvergroting en specialisatie. Het platteland werd ingericht naar de eisen van een moderne landbouw. Veelzijdigheid en variatie moesten wijken voor eenvormigheid en monoculturen. Jachtigheid verdrong traagheid. De gevolgen kennen we: verlies aan biodiversiteit, een gigantisch mestoverschot, verzadiging van de bodem met fosfaat en stikstof en een ammoniakdeken over een groot deel van Nederland. Het centraal stellen van de kostprijs betekende verder een versmalling en verarming van de traditionele functies van de landbouw, namelijk voedselproductie en een verantwoord beheer van het platteland. Die laatste functie kwam onder druk te staan. Zorg voor natuur en landschap betekende een kostenpost. Het was economisch gunstig om de omgevingskwaliteit van het platteland te vernietigen. Landschapselementen waren een sta in de weg bij gebruik van moderne machines. Veel van wat maatschappelijk van waarde was moest wijken. De vooruitgang in economisch opzicht ging ten koste van de beheerfunctie van het platteland.

Schaalvergroting hield verder in dat gezinsbedrijven moesten verdwijnen. Het aantal bedrijven is de afgelopen decennia gigantisch gedaald. Het was pijnlijk dat bestuurders van landbouworganisaties en politici van diverse partijen het belang van gezinsbedrijven telkens weer benadrukten terwijl ze tegelijkertijd pleitten voor een beleid dat die gezinsbedrijven dwong tot bedrijfsbeëindiging.

Juist door de eenzijdige aandacht voor het kostprijsdenken is een plattelandscultuur verdwenen waarin voedselproductie werd gecombineerd met circulair en duurzaam beheer van het platteland. De landbouw zorgde op het platteland voor verbinding maar ging zich steeds meer ontwikkelen als een op zichzelf staande sector. Gevolg is dat burgers nauwelijks meer weten hoe hun voedsel wordt geproduceerd. Banden tussen producent en consument verdwenen. Supermarkten gingen de spil vormen in ons voedselsysteem.

Nu valt tegelijkertijd niet te ontkennen dat een sector niet kan voortbestaan zonder een economische basis. Ook kan niet aan de orde zijn om terug te keren naar de landbouwpraktijk van de vijftiger jaren. De uitdaging is de vraag te stellen hoe een economische basis kan worden gecreëerd voor een landbouw die de duurzame productie van voedsel combineert met een rentmeesterlijk beheer van het buitengebied. Dat vraagt nieuwe verdienmodellen en andere financierings- en organisatievormen. Het vraagt ook een grotere betrokkenheid en invloed van burgers bij hoe hun voedsel wordt geproduceerd en hun omgeving wordt beheerd. Buurderijen in plaats van boerderijen. Zeker, daar zit een prijskaartje aan. En natuurlijk vraagt dat maatregelen over hoe en door wie de daaraan verbonden kosten moeten worden betaald. Een gezin met een inkomen op bijstandsniveau zal daar immers weinig aan kunnen bijdragen. Maar de overgang van een eenzijdig economisch georiënteerde landbouw naar een maatschappelijk verantwoord systeem van voedselproductie dient ook op maatschappelijke basis te worden gefinancierd en betaald. Landbouw dus als "agriculture", als een cultuur die past binnen moderne samenleving en die recht doet aan de daarin levende opvattingen. Landbouw wordt zo uitdrukking van het beschavingsniveau van een samenleving. En mogelijk een mooi voorbeeld van een nieuw economisch systeem waarin wat van waarde is niet langer onder druk staat.

Mathieu Wagemans is Raadslid voor de lokale partij Ronduit Open in Leudal


******************************************************


De oceaan roert zich  



Wie geneest de gezondheidszorg?

Opiniebijdrage, gepubliceerd in Dagblad de Limburger, 30 oktober2018


In gemeenteland is deze weken de aandacht gericht op de begroting. Het gaat goed met Nederland maar veel gemeenten worden met forse tegenvallers geconfronteerd.

Dat betreft in het bijzonder de zorg voor mensen met een psychiatrische aandoening en de jeugdzorg. Het gaat om stevige bedragen. Gemeenten klagen dat bij de overdracht van deze taken vanuit het Rijk niet de bijbehorende gelden zijn meegeleverd. Gevolg is dat opgebouwde reserves zullen verdwijnen. De potten raken leeg.

Confrontatie
Maar afgezien van de centen heeft de decentralisatie van zorgtaken gemeenten ook indringend geconfronteerd met problemen binnen de zorg. Zo klagen medewerkers in de zorg over de toenemende bureaucratisering. Men is veel tijd kwijt met rapportages en andere administratieve verplichtingen. Ook wordt gewezen op het al te gemakkelijk doorverwijzen van jongeren naar jeugdzorg. Te gauw krijgen jongeren een stempel. Of men wijst op een gebrek aan interne samenwerking. Er is sprake van een groot aantal organisaties en van een uitgebreid en zeer gedetailleerd geheel van protocollen. Ook leven er vragen over de marktwerking in de zorg. Met de decentralisatie werden ook al die gebreken op het bordje van de gemeenten gelegd.

Nu is het voor gemeenten nog niet zo eenvoudig om die problemen op te lossen. Velen binnen de zorg hebben belang bij instandhouding van het huidige systeem. Er is sprake van gestaalde kaders die vasthouden aan hun posities en zich niet gemakkelijk opzij laten zetten. Ook helpt niet dat er sprake is van een professionele houding. De gezondheidszorg is het domein van deskundigen. Wie niet tot die groep behoort heeft geen toegang of wordt niet serieus genomen. Men claimt zelfstandigheid ten opzichte van de buitenwereld die echter wel de kosten moet dragen. Zo beschouwd is de positie van gemeenten niet te benijden.

Kansen
Maar er is niet enkel kommer en kwel. Men zou ook kunnen zeggen dat de decentralisatie kansen biedt om op lokaal niveau te experimenteren. Dat vraagt nieuwe verhoudingen tussen partijen en ook nieuwe vormen van samenwerking. Zo wordt er in Limburg geëxperimenteerd met een nieuwe aanpak van de geestelijke gezondheidszorg. Daarin moeten protocollen wijken voor de ervaringen van patiënten. Het besef dringt door dat de beschikbare kennis binnen de psychiatrie nog erg beperkt is en dat diagnoses vaak slechts het karakter hebben van het opplakken van een etiket.

Zo is er toenemende kritiek dat een diagnose vaak weinig meer is dan het raadplegen van het Handboek DSM. Menselijke aandacht moet vaak wijken voor de inhoud van protocollen. Ook de resultaten van behandeltrajecten geven aanleiding om ervaringen van patiënten een veel belangrijker plaats te geven in de zorg. Daarnaast verdienen experimenten aandacht waarin sprake is van andere verhoudingen tussen organisaties. Of waarbij administratieve lasten worden teruggedrongen en plaats moeten maken voor zorgverlening.

Lastig
Nodig is dat gemeenten zich niet beperken tot het passief doorsluizen van gelden om een systeem te financieren dat in menig opzicht gemankeerd is. Dat is een lastige opgave want men moet gaan doen waar de landelijke politiek niet in is geslaagd. Die ambitie vraagt bovenal lef van bestuurders. Gemeenten zouden ruimte moeten maken, eventueel in onderlinge samenwerking, om dergelijke experimenten op te zetten en van de ervaringen te leren. Het is een keuze voor schaalverkleining waarbij de mens centraal komt te staan. Alsmaar meer budget voor instandhouding van een gemankeerd systeem is niet de oplossing. Dan bestrijd je symptomen. Je neemt de pijn weg maar houdt de onderliggende oorzaken in stand.

Mathieu Wagemans is raadslid in Leudal

*********************************

Sterven in correctheid

Over de vermenging van boven- en onderwereld

Opiniebijdrage, gepubliceerd in Dagblad de Limburger, 18 sept 2018

Het recent gepubliceerde onderzoek naar de omvang van drugsproductie in Nederland heeft veel reacties opgeleverd. Verbazing overheerst over de omvang van de jaarlijkse omzet, ruim 18 miljard euro. Twee reacties vallen daarbij op. De eerste is de vraag hoe het zo lang en zo omvangrijk uit de hand heeft kunnen lopen. De tweede vraag heeft ermee te maken dat het buitengewoon lastig blijkt om grip te krijgen op deze problematiek. De Minister belooft 100 miljoen euro extra beschikbaar te stellen om het probleem aan te pakken. Dat leverde in politiekringen kritische geluiden op. De beschikbare capaciteit staat in geen verhouding tot wat nodig is.

De problematiek geeft ook aanleiding om wat dieper te graven. Hoe kon het gebeuren dat de processen zolang konden doorgaan? Dat wekt bevreemding in een land waarin we, zeker op het gebeid van opsporing en veiligheid, alles zeer nauwkeurig hebben georganiseerd. Denk aan de toedeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden aan de verschillende diensten zoals belastingdienst, douane, politie, veiligheidsregio’s, gemeenten en provincies. En binnen al die organisaties hebben we taken gesplitst en toegedeeld aan afzonderlijke eenheden. Ook de relaties tussen al die organisaties zijn nauwkeurig vastgelegd in protocollen en regels. Een buitenstaander zal gemakkelijk het beeld kunnen krijgen dat een en ander met uiterste zorgvuldigheid en doordachtheid is geregeld. En misschien is dat juist het probleem. Het heeft geleid tot een complex van instituties die elkaar gemakkelijk het bewegen kunnen belemmeren. Het opzetten van een gezamenlijk plan zal binnen al die organisaties moeten worden goedgekeurd. Het kan zo maar zo zijn dat de vastgestelde prioriteiten in een organisatie het onmogelijk maken capaciteit beschikbaar te stellen. Of de opvattingen over een plan van aanpak kunnen verschillen. Kortom, voorbereiding van plannen vraagt allemachtig veel inzet, tijd en geld. In de organisatieleer spreekt men wel eens van “sufgelulde organisaties” wanneer uitvoerige discussies worden gevoerd over de procedure om tot een procedure te komen. Aanpak van de drugscriminaliteit betekent in wezen een confrontatie tussen een overgeordende overheid en een drugsmilieu waarin men niet gehinderd wordt door welke regel dan ook. Een statische overheid tegenover een dynamische drugswereld.

Een tweede punt is dat we het overheidsoptreden zelf aan strenge regels hebben gebonden. Overtreders moeten worden aangepakt maar we mogen daarbij geen privacyregels overtreden. Het strafecht stelt strenge regels aan veroordeling van personen. Het bewijs moet op een deugdelijke en toegestane wijze worden verzameld. Wie de wet overtreedt en een alibi verzint dwingt het Openbaar Ministerie te bewijzen dat het alibi niet klopt of erg ongeloofwaardig is. Zo belemmert de overheid zichzelf in het voortgaan. We stellen zo hoge eisen aan ons eigen handelen dat de effectiviteit en efficiency er de prijs voor betalen.

Nu kan men tegenwerpen dat het soepeler omgaan met interne regels onaanvaardbaar is omdat juist de overheid voorbeeldig moet zijn in zijn optreden. Maar is het wel aanvaardbaar dat als gevolg daarvan drugscriminelen min of meer de vrije hand hebben? Hoelang blijven we strak vasthouden aan onze eigen organisatieschema’s en regels en sterven we liever in genuanceerdheid en correctheid dan in plaats daarvan de drugscriminaliteit hard aan te pakken?

De vermenging tussen onder- en bovenwereld roept de vraag op of de wijze waarop we zijn georganiseerd niet aan een fundamentele herziening toe is. Anders gezegd, zitten we onszelf niet daverend in de weg? Wat dragen we bij wanneer het handelen van een politiemedewerker telkens weer onderwerp kan worden van uitvoerige debatten? Moeten we niet naar snelle interventieteams met ruime bevoegdheden die primair worden afgerekend op de vraag welke bijdrage ze hebben geleverd aan het oplossen van het probleem? Toegegeven, dat is wellicht te veel gevraagd van een politieorganisatie waarin reorganiseren corebusiness is geworden.


Thieu Wagemans is Raadslid voor Ronduit Open in Leudal   

       

*******************************************


Een samenleving in verwarring


Hoe tolerantie kan overgaan in onverschilligheid


Een van de grootste uitdagingen c.q. vraagstukken is de omvorming van de traditionele maatschappij naar een multiculturele samenleving. De onderliggende krachten zullen zich in de toekomst versterkt doorzetten. Globalisering betekent dat geografische grenzen aan betekenis verliezen. Daar liggen economische redenen aan ten grondslag. Bij het zoeken naar werk achten steeds meer mensen zich niet gebonden aan de landsgrenzen. De wereld vormt het werkterrein. De economische ontwikkeling wordt steeds minder bepaald door nationaal beleid en steeds meer krachten op internationaal niveau. Men concurreert op wereldniveau. Daarnaast zoeken mensen vanuit het Midden-Oosten en Afrika hun toevlucht naar landen waar men werk en een betere toekomst verwacht. Veiligheidsproblemen zetten mensen ertoe aan het eigen land te verlaten. De samenstelling van de bevolking in een land krijgt daardoor globale trekken.

De omslag naar een multiculturele samenleving loopt echter verre van gemakkelijk. De identiteit van een natie kon men vroeger wellicht eenvoudig uitlijnen maar die tijd is voorbij. Nieuwkomers, zeker wanneer het om grote aantallen gaat, brengen een eigen cultuur mee, eigen praktijken en vanzelfsprekendheden. Die zijn bovendien religieus verankerd. Dat belemmert het vinden van compromissen en het creëren van een cultuur van acceptatie.

Velen zijn van mening dat tolerantie een kenmerk is van de Nederlandse cultuur en dat dit ook zo hoort te blijven. Men verwijst dan naar de historie. Zo was Nederland in het verleden een toevluchtsoord voor hugenoten. In de vijftiger jaren zetten we de landsgrenzen open voor Hongaren die een veilig heenkomen zochten voor geweld en onderdrukking in eigen land. De afgelopen twintig jaar werden grote aantallen vluchtelingen opgenomen. Maar die houding van gastvrijheid kan niet verbloemen dat er sprake is van spanningen. Daarbij staat de vraag centraal in hoeverre we ruimte willen bieden aan mensen met andere opvattingen en overtuigingen, ook als die haaks staan op onze cultuur. In welke mate dienen nieuwkomers zich te houden aan de cultuur zoals we die in Nederland kennen? Welke ruimte willen we geven om nieuwkomers hun eigen cultuur voort te zetten?

Velen bepleiten dat we als open samenleving maximaal ruimte moeten bieden aan nieuwkomers om hun levenswijze voort te zetten. Waarom zouden we anderen het recht ontzeggen te leven op de manier die ze gewoon zijn? Die houding heeft echter een keerzijde, hoe sympathiek die op het eerste gezicht ook lijkt. Accepteren we die ruime blik ook wanner praktijken in strijd zijn met waarden die we van oudsher als fundamenteel hebben ervaren? Of met veranderende opvattingen binnen onze samenleving? Denk bijvoorbeeld aan het belang van dierenwelzijn en de in veel culturen religieus beleefde praktijk van ritueel slachten. Kan tolerantie zo ver gaan dat we alles accepteren en dus bereid zijn anderen niet te verplichten zich te houden aan wat wij van waarde vinden? Dat zou betekenen dat we alles prima vinden. Het maakt niet meer uit. We gunnen elkaar de ruimte. Dat houdt echter ook in dat we niet meer met elkaar in discussie gaan over wat wel en niet mag. Het maakt niet meer uit hoe anderen wensen te leven. Op enig moment kan tolerantie dan overgaan in onverschilligheid.

Een houding van onverschilligheid heeft als uiterste consequentie dat van een identiteit geen sprake meer is. Er is niet langer gezamenlijkheid. Men kan ook zeggen dat het enige dat men nog gezamenlijk heeft de houding en overtuiging dat gezamenlijkheid als waarde heeft afgedaan. We worden een samenleving die de optelsom is van individuen en van deelculturen. Mensen met gelijkgestemde (vaak religieus gebaseerde) overtuigingen en praktijken leven naast elkaar heen. Samen leven betekent het naast elkaar leven van groepen met ieder een eigen cultuur. Bindingen tussen groepen bestaan niet en communicatie tussen culturen is lastig vanwege volstrekt tegengestelde denkbeelden. Maar communicatie is dan ook niet meer nodig, juist vanwege de acceptatie van verschillen. De samenleving is georganiseerd langs de lijnen van culturele verschillen. Verschillen doen er niet meer toe omdat we ze “weg hebben georganiseerd”. We hoeven er bijgevolg ook geen aandacht meer aan te besteden. Dat is wel zo gemakkelijk.

Die neiging om zo om te gaan met verschillen zien we ook breder terug in onze maatschappij. Kijk bijvoorbeeld naar de wijze waarop we omgaan met tegenstrijdige belangen. We baseren er onze structuren op. Denk aan werkgevers- en werknemersorganisaties, aan landbouw- en natuurorganisaties. En ook in ons politieke systeem zien we de behartiging van deelbelangen terug. We leggen tegenstellingen institutionele vast waarna iedere organisatie probeert de belangen waar men voor staat zo goed mogelijk te behartigen, ook als dat ten koste gaat van het eindresultaat. De Franse filosoof Gilles Deleuze heeft stevige kritiek op die houding. Hij bepleit juist om aandacht te geven aan wat ons onderscheidt van anderen. Sterker nog, hij is van mening dat juist die verschillen een belangrijke bron kunnen zijn voor ontwikkeling van een samenleving. Respecteren van die verschillen betekent niet het naast elkaar heen leven maar juist de communicatie aangaan met elkaar over wat ons scheidt.

Hoe komen we tot die nieuwe samenleving? Kan een nieuwe samenleving meer zijn dan een optelsom van deelculturen? Kan er een nieuwe cultuur ontstaan waarin samenleven met respect voor de ander basis vormt? Kunnen we leren van elkaars culturen? De geschiedenis toont dat nieuwkomers vaak voor vooruitgang en modernisering hebben gezorgd. Dat vraagt een verlichte houding en de ruimte om lerend te verkennen. En tegelijkertijd de dwang en noodzaak om telkens de vraag te stellen wat het gemeenschappelijke is van onze samenleving. Welke ruimte wensen we te geven voor het afwijkende en hoe regelen we die opvatting? Wensen we zelf in te schikken ten gunste van ruimte voor de ander? We kunnen vaststellen dat er in de politiek niet eens een begin is van een dergelijk debat.

Tolereren is een werkwoord en geen uitnodiging tot passiviteit

Tolerantie ontslaat je van de opgave de verschillen te onderzoeken op hun betekenis en je ertoe te verhouden. Zo opgevat is tolerantie een werkwoord in plaats van een uitnodiging tot passiviteit. Juist om te voorkomen dat tolerantie over gaat in onverschilligheid is er een noodzaak ons opnieuw te verhouden tot vragen rond gezamenlijkheid. Die vraag gaat men gemakkelijk uit de weg. Men komt er niet eens aan toe, bijvoorbeeld omdat ieder poging tot thematisering van vragen rond gezamenlijkheid en problemen die we ervaren al gauw het stempel krijgt van totalitair, discriminatie en bekrompenheid. Onze fatsoensregels omtrent woordgebruik krijgen overwicht ten opzichte van de vraagstukken waar we voor staan. Ze vormen een dekmantel zodat we ons niet met lastige vragen hoeven bezig te houden die steeds indringender om een antwoord vragen. Er is geen discours waarin we in onderlinge dialoog vraagstukken kunnen verkennen die aan de orde zijn. We gaan vragen van fundamentele aard “systematisch” uit de weg. We maken ze onschadelijk. We detecteren ze zodat ze niet langer uitdagen tot politieke stellingname.

Het leidt tot problemen en wegkijken. Het ideaal van een multiculturele samenleving staat niet ter discussie maar het ideaal telkens weer in woorden bevestigen mag ons niet ontslaan van de noodzaak te werken aan realisering ervan. Zolang het benoemen van verschillen worden opgevat als uiting van discriminatie kom je aan een waardering van verschillen niet toe.

Het zijn deze patronen van etikettering die het discours bepalen over tolerantie en de omslag naar een multiculturele samenleving. En die dus voorkomen dat er een politiek debat ontstaat over onderliggende waarden in een multiculturele samenleving. Ook moet de neiging worden onderdrukt om tot compromissen te komen binnen een partijpolitieke context. Fundamentele waarden kunnen niet worden gereduceerd tot compromissen over procedures, maanden en aantallen. Aan de orde is de vraag wat we van burgers verwachten en wat we burgers wensen te bieden, ongeacht hun geloofs- en levensovertuiging. Vinden we bijvoorbeeld dat ieder moet worden gefaciliteerd zijn of haar talenten te ontwikkelen? Vinden we als “tegenwaarde” dat vrijblijvendheid niet wordt geaccepteerd en dat ieder gehouden is bij te dragen aan de samenleving. Respecteren we elkaars anders zijn maar vinden we tegelijkertijd dat er gemeenschappelijke codes zijn voor de omgang met elkaar? Denk aan het beheersen van de Nederlandse taal en gemeenschappelijke omgangsvormen.

Het gaat om de collectieve identiteit, het gemeenschappelijke en het kenmerkende dat daaruit voortvloeit in de dagelijkse omgang met elkaar. Nu lijkt het nogal eenzijdig om de verwarring over het gezamenlijke uitsluitend toe te schrijven aan de komst van nieuwkomers en de vormgeving van een multiculturele samenleving. Ook zonder nieuwkomers is er sprake van fundamentele vragen. Twee voorbeelden van hoe de uitwerking van waarden op gespannen voet kan staan met andere aarden. We hechten aan de vrijheid van meningsuiting en vinden dat die moet worden beschermd. Maar welk gevaar loopt de vrijheid van meningsuiting wanneer het ons niet meer vrij staat om staatshoofden van andere landen te mogen beledigen en kwetsen. Een ander voorbeeld. Opsporing van misdrijven wordt ondergeschikt gemaakt aan onze opvattingen over privacy. Die privacy vinden we zo belangrijk dat veiligheid ervoor moet wijken. We komen niet eens aan een politiek debat toe omdat iedere poging daartoe smoort in de dwang die we elkaar opleggen om bovenal netjes en correct onze woorden te kiezen.

Mathieu Wagemans

12/09/2018

www.ontganiseren.nl   


***********************************************


Spelbreker van de Leukigheid

Interview door Ron Buitenhuis met Thieu Wagemans

(volledige versie die iets ingekort is gepubliceerd in de Limburger van 22 augustus 2018)

Ik word wel eens dwarsligger genoemd en spelbreker. Omdat ik niet meebeweeg met het systeem, met de opgelegde normen en codes van onze maatschappij. Ze doen maar, dergelijke etiketten glijden van me af. Natuurlijk heb ook ik gevoelens, maar ik ben een rationele denker. Daar past ook spot en zelfspot bij. Ze zeggen wel eens: ‘mensen uit Neer zijn zo ‘waers’, als je ze in de Maas gooit dan drijven ze stroomopwaarts weg’. Ik erger me daar niet aan, vind het eerder een geuzentitel. Ik ben liever tegendraads dan een meeloper of ja-knikker, daar zijn er al genoeg van in de politiek.

Verwacht van mij geen ontboezemingen over m’n privéleven, die deel ik alleen in intieme kring, maar ik wil je wel vertellen wat mij drijft in het leven. Kwetsbaarheid is de bron van mijn inspiratie. Ik wil me inzetten voor alles dat kwetsbaar is, of waar onrechtvaardigheid speelt: de natuur, het milieu, de samenleving en vooral voor medemensen. Ik heb hier stapels dossiers liggen van mensen die ik heb proberen te helpen in hun strijd tegen de instituties. Ik las ooit een interview met de Zuid-Afrikaanse dominee Beyers Naudé dat me raakte. Hij zei, het gaat in je leven niet om succes, bijval, medailles of status. Het gaat er om dat je ergens iets aan gedaan hebt. Dat je stelling genomen hebt, dat je staat voor wat je denkt en vindt, ongeacht de consequenties. Ik had tot 1980 een mooie functie op het Ministerie van Landbouw en Visserij in Den Haag met prima vooruitzichten. We woonden in Haarlem en later in Leiderdorp. Maar mijn vrouw Els en ik zijn bewust teruggekeerd naar Limburg. Enerzijds omdat we onze kinderen hier wilden laten opgroeien, maar ook omdat de carrière, het salaris, het materiële en alle internationale reisjes niet de voldoening gaven die we zochten. We wilden minder oppervlakkigheid, meer diepgang. We wilden op onze manier de wereld verbeteren. En dat ideaal is er nog steeds. Praat ik te snel? Dat komt omdat ik besef dat ik steeds ouder word, terwijl ik nog zó veel veranderen wil. In m’n ongeduld trek ik verbaal soms fel van leer. Daar schaam ik me niet echt voor. Om je doel te bereiken moet je soms shockeren, de boel wakker schudden. Er zijn veel te veel ‘wegkijkers’. Mensen, zeker in hoge posities, die hun verantwoordelijkheid niet nemen. Die zich overal met een Jantje van Leiden vanaf maken. Die hun wettelijke maar vooral ook humane plicht verzaken. Neem alle chaos binnen zorginstellingen, of die rotzooi binnen het vmbo in Maastricht. Waar zijn al die duurbetaalde bestuurders en inspecties? Of dichterbij, in mijn eigen gemeente Leudal waar ik raadslid ben. Door de buitenwacht worden we spottend ‘Sneudal’ genoemd. Het gaat de laatste tijd gelukkig beter, maar zo’n titel krijg je niet voor niks. Nog steeds raken er poststukken weg en toont de dienstverlening gebreken. Het hele gemeentelijke apparaat heeft sinds de herindeling tien jaar zonder sturing voortgemodderd, terwijl er genoeg mensen waren die wisten dat het niet klopte, maar ze keken liever weg. Bestuurders, managers, ambtenaren, raadsleden. De oppervlakkigheid regeert. Vragen van principiële aard worden toegedekt door gemakkelijke compromissen om zo de lieve vrede te bewaren. Alsof je als compromis kunt afspreken dat je elkaar voortaan voor 70% vertrouwt. Dat werkt niet. Ik zit wat anders in elkaar. Eerst gerechtigheid en dan komt de vrede vanzelf wel.

Helaas houdt een systeem zich vaak zelf in stand. Ik kan best begrijpen dat mensen gemakkelijk meebewegen, bijvoorbeeld omdat ze bij reorganisaties bang zijn hun baan te verliezen. Niet iedereen zit in een positie waarin je je risico’s kunt permitteren. Maar als je dat wel kunt heb je de dure plicht je in te zetten voor verandering. Ik noem mijn leven niet succesvol als ik bijval, applaus of lintjes heb gekregen. De vraag is ook niet wat ik bereikt heb, maar uiteindelijk telt slechts wat ik eraan gedaan heb. Dat veronderstelt enige tegendraadsheid. En die is hard nodig.

Onze systemen zijn vastgelopen en niet meer in staat de grote vraagstukken van onze (post)moderne samenleving (politiek, milieu, economie, techniek, wetenschap, vervreemding) op te pakken. Maar de politiek heeft niet de moed om haar onmacht te erkennen uit angst voor stemmenverlies. Het is de hoogste tijd dat we deze vanzelfsprekendheden doorbreken. Trying to change the system from within, zoals Leonard Cohen zingt in ‘First we take Manhattan’. Zoiets levert uiteraard verzet op. Dan ben je al gauw een onruststoker, want je past niet in de context van aangeleerde volgzaamheid, braafheid en fatsoen. Veel mensen voelen zich het meest senang als we alles bij het oude laten. Daarom doe ik ook minimaal mee aan bestuurdersbijeenkomsten waar de leukigheid regeert en excursies naar de plaatselijke bierbrouwerij meestal als eerste zijn volgeboekt. Ik ben ook geen politicus die bij verkiezingen met oppervlakkigheid en flauwe vrolijkheid stemmen probeert te winnen. Je moet je in de politiek laten leiden door principes, door wat je van waarde vindt en als er dan weinig mensen op je stemmen is dat nog geen reden om je vaandel te veranderen. Mensen kunnen prima redenen hebben om niet op mij te stemmen, maar ik hoop dat zij die het wel doen betere redenen hebben dan wat leukigheid.

Ik heb van m’n twaalfde tot m’n achttiende intern gezeten op het klein seminarie Rolduc in Kerkrade, maar priester was niet mijn roeping. Daar heb ik voor het eerst gezien hoe je de strenge discipline kunt overleven en toch ruimte kunt vinden voor jezelf. Je zoekt naar vrijheid in een systeem waarin macht vanzelfsprekend en dus onbespreekbaar is. Dat mechanisme om je te onttrekken aan tucht, codes en ingesleten tradities, vormde later de aanleiding voor mijn proefschrift over ‘ambtelijke oppositie’ binnen het Ministerie van Landbouw. Om veranderingen tot stand te brengen heb je in iedere organisatie barricadevechters nodig, vervolgens komt de groep die niet meevecht, maar wel het doel sponsort en gedoogt en tot slot zijn er de RIVD’ers: de remmers in vaste dienst. Dat zijn de typen die altijd ‘ja maar’ roepen en ‘dat lukt ons toch nooit’. Ik voel me geregeld barricadevechter.

De laatste jaren ben ik me steeds meer gaan verdiepen in de Franse filosofie en besef dat we als mensen worden geboren in een mentaal voorgeprogrammeerde wereld. We leven vaak als robots binnen normen, codes en verwachtingen, zonder aan onszelf toe te komen. We produceren vervreemding en houden die in stand door weg te kijken. We hebben inspiratie kapot georganiseerd. Dat is het meest zichtbaar in de politiek en in het openbaar bestuur. Het gaat over belangen, procedures en regeltjes, in plaats van onderliggende waarden. De landbouw en de zorg als voorbeeld. De manier waarop ons voedsel wordt geproduceerd en geconsumeerd en hoe we omgaan met ouderen, zieken en vluchtelingen is een maatstaf voor ons niveau van beschaving. Of kijk hoe we rechtvaardigheid hebben georganiseerd. Bij de rechtbank wordt vaak niet de waarheid beloond, maar de slinksheid van slimme advocaten. 

De filosofie heeft me ook geleerd dat het leven zich niet afspeelt op de eilanden met al onze instituties, dogma’s en conventies, maar op de oceaan tussen de eilanden. Die spanning tussen de gemaakte orde van de eilanden en de wanorde van het dagelijks leven is mijn speelveld. Vandaar dat ik altijd kritisch zal blijven tegenover instituties. Neem de kerk, waar de inspiratie ondergeschikt wordt gemaakt aan de door prelaten gemaakte regeltjes. En zo zijn er talloze voorbeelden. De Franse theoloog Marcel Legaut stelde eens: we worden geboren als origineel en sterven vaak als kopie. Ik ben op weg naar het origineel in mezelf.   


****************************************



Een vernieuwend voorstel voor een aanpak van de spanning tussen intensieve veehouderij en omgeving, gebaseerd op de nieuwe Omgevingswet


Mathieu Wagemans, Raadslid Ronduit Open, Leudal


Inleiding


Met grote regelmaat worden we als Gemeenteraad geconfronteerd met situaties op planologisch terrein waarin we graag verandering willen maar waarbij de ervaring leert dat plannen voor verandering vaak niet tot uitvoering (kunnen) komen omdat geldende regels verandering en vernieuwing in de weg staan. Ons planologisch beleid is in de ogen van velen vastgelopen. Formeel berust de verantwoordelijkheid en bevoegdheid voor het vaststellen en wijzigen van bestemmingsplannen bij de Raad maar in de praktijk blijkt de bewegingsruimte voor de Gemeenteraad alsmaar beperkter te worden. Politieke discussies lopen vast in vragen wat juridisch mag en wat juridisch niet is toegestaan. Het politieke domein wordt als ware overklast door het juridisch domein. Dat kan in de uitvoering niet worden hersteld. Die situatie staat haaks op het beginsel van de scheiding der machten (de wetgevende, macht, de rechtsprekende macht en de uitvoerende macht) dat de grondslag vormt voor ons staatsbestel. De onafhankelijkheid die de Trias Politica bepleit lijkt aangetast. Het juridisch domein wordt dominanter. Gewenste beleidsveranderingen blijken steeds moeilijker inpasbaar binnen strakke juridische kaders.

Ook de Rijksoverheid is die ontwikkeling niet ontgaan. Het huidige stelsel van regels en procedures laat weinig ruimte om in te spelen op de dynamiek van een moderne samenleving. De vraag hoe burgers situaties beleven is gaandeweg vervangen door formele definities zoals die in wetten en verordeningen zijn vastgelegd. Het besef dat we zijn vastgelopen in een dicht en gedetailleerd stelsel van regels wordt breed gedeeld. Ondernemers moeten ingewikkelde en kostbare procedures doorlopen wanneer zij bedrijfsactiviteiten willen wijzigen. Omwonenden hebben juridische bijstand nodig omdat regels steeds ingewikkelder worden en voor burgers vaak lastig zijn te doorgronden. Voor gemeenten is het vaak lastig regels te handhaven omdat dit grote inspanningen vergt. Bovendien blijkt dat genomen besluiten in juridische procedures vaak geen stand houden. Beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het motiveringsbeginsel, bieden volop mogelijkheden om een genomen besluit met succes aan te vechten.          

Dergelijke overwegingen waren een belangrijke aanleiding om te komen tot een nieuwe Omgevingswet. Over de onderliggende redenen om tot een nieuwe Omgevingswet te komen bestaat niet zoveel misverstand en de ambities van de Omgevingswet worden dan ook breed gedeeld. Die houden in dat er meer flexibiliteit komt, dat er minder centraal wordt geregeld, dat er meer ruimte komt voor initiatieven op decentraal niveau en dat de verantwoordelijkheid niet alleen wordt verlegd van de centrale overheid naar de lokale overheid maar ook dat op lokaal niveau betrokkenen zelf, ondernemers en burgers, meer ruimte krijgen om zelf plannen te ontwikkelen. Het initiatief om met een nieuwe Omgevingswet te komen was mede gebaseerd op de wens om meer ruimte te scheppen zodat kan worden ingespeeld op ontwikkelingen in de prakrijk. De ambitie van de Omgevingswet is om situaties vlot te trekken waarin velen veranderingen willen die thans op formele beperkingen stuiten. Het planologisch beleid zoals dat juridisch is vastgelegd heeft een statisch karakter en is niet meer in staat mee te bewegen met de dynamiek van een (post)moderne samenleving.   

In 2016 besloten Eerste en Tweede Kamer tot de nieuwe Omgevingswet, Deze wet zal in de plaats treden van tal van bestaande regelingen die betrekking hebben op het buitengebied. Zo hebben we nu te maken met bestemmingsplannen, met structuurvisies, met welstandsnota’s, met kapvergunningen enz. Na invoering van de nieuwe Omgevingswet wordt de situatie overzichtelijker. Gemeenten dienen dan een Omgevingsvisie vast te stellen en aansluitend een Omgevingsplan te maken om die visie in praktijk te brengen. Dat kan beleid en regelgeving een stuk overzichtelijker maken. Maar de invoering van de Omgevingswet houdt veel meer in. Ingrijpend is de overdracht van bevoegdheden naar gemeenten. Er ontstaat meer beleidsruimte op gemeentelijk niveau. Maar ook binnen gemeenten is er sprake van verandering. Terwijl Raad en College tot nu toe een centrale plaats innemen in de ruimtelijke ordening komen er met de Omgevingswet meer mogelijkheden voor burgers om invloed te hebben op hun eigen leefomgeving. Er komt meer ruimte voor eigen initiatieven. De impact van deze veranderingen kan nauwelijks worden overschat. In wezen worden verantwoordelijkheden overgeheveld naar burgers. Die zitten niet langer in een passieve positie waarin ze moeten afwachten wat er over hen wordt beslist en wat de uitkomst is van complexe juridische procedures maar ze kunnen, uiteraard binnen door overheden aangegeven kaders, zelf een actieve rol spelen. Ten diepste gaat het om een nieuwe vorm van burgerschap.        

Ook in Leudal hebben we te maken met situaties waarin ondernemers en burgers tegenover elkaar staan en waarin (vrijwel) ieder besluit van de Raad c.q. College het startpunt vormt voor juridische procedures. Dat betreft in het bijzonder vergunningen op het terrein van de intensieve veehouderij. Voortdurend vormen genomen besluiten met betrekking tot bestemmingsplannen en individuele vergunningen aanleiding tot juridische procedures. Dat kost zowel betrokkenen als de gemeente zelf veel tijd, geld en energie en leidt slechts zelden tot uitspraken van Rechtbanken en/of Raad van State waarin ieder zich kan vinden. Zodra sprake is van een wijziging van regels c.q. vergunningen wordt wederom geprocedeerd.

Dat leidt tot de vraag op welke wijze de nieuwe Omgevingswet kan bijdragen aan oplossingen in situaties waarin sprake is van gespannen verhoudingen en waarin partijen vaak tegenover elkaar staan. We zullen eerst inhoudelijk ingaan op de problematiek binnen de landbouwsector zelf en op de relatie tussen de landbouw en de omgeving. Vervolgens zullen we nagaan op welke wijze de mogelijkheden die de nieuwe Omgevingswet biedt kunnen worden benut om knel- en probleemsituaties geheel of gedeeltelijk op te lossen. We zullen zien dat dit allerminst vanzelfsprekend is. Zo bestaat het risico dat de verhoudingen tussen partijen oplossingen belemmeren en verhinderen dat aan vernieuwende initiatieven wordt gewerkt. Om die reden zal aansluitend een voorstel worden gedaan dat het huidige stelsel van rechten en plichten ingrijpend verandert met als doel oplossingen mogelijk te maken die thans niet kunnen worden gerealiseerd. Ook gaan we in op de vraag welke processen een vernieuwende aanpak faciliteren en voorkomen dat initiatieven vastlopen in oude tegenstellingen.   

  • De ontwikkeling van de landbouw

De ontwikkeling die de landbouw, vooral vanaf de vijftiger jaren, ook in onze regio heeft doorgemaakt is indrukwekkend geweest. Schaalvergroting en specialisatie maakten het mogelijk de productiviteit enorm te laten stijgen. Daardoor kon de kostprijs in de hand worden gehouden. De nadruk op economische aspecten kwam centraal te staan. Dat hield nauw verband met de fase van wederopbouw waarin Nederland verkeerde na de Tweede Wereldoorlog. Goedkoop voedsel was belangrijk omdat mede daardoor de lonen in de industrie laag konden blijven. Dat stelde de industrie in staat om een krachtige exportpositie op te bouwen.

Ondernemers hebben van deze enorme stijging van de arbeidsproductiviteit slechts in beperkte mate geprofiteerd. De voordelen van een lage kostprijs werden voor een belangrijk deel doorgegeven aan consumenten. Daarbij speelt een belangrijke rol dat de positie van producent in de keten traditioneel zwak is. Er is een voortdurende druk tot verdere schaalvergroting en specialisatie zonder dat de verhoudingen in de keten wezenlijk veranderen. Een relatief beperkt aantal verwerkingsbedrijven en supermarkten heeft een relatief dominante positie in de voedselketen en vormt de verbindende schakel tussen veel producenten en veel consumenten. Er zijn weliswaar tal van initiatieven met als doel ketenverkorting door directe aan- en verkoop tussen producent en consument maar de omvang hiervan blijft vooralsnog relatief beperkt.

De producent ziet zich daardoor geplaatst voor de voortdurende noodzaak tot beheersing en verlaging van de kostprijs. Tegelijkertijd worden de eisen aan voedselproductie steeds strenger wat extra investeringen en inspanningen noodzakelijk maakt. Denk aan toepassing van nieuwe technologie om de negatieve gevolgen van de intensieve veehouderij op te vangen. Bedrijven worden verplicht ammoniakwassers te installeren om de uitstoot van ammoniak te verminderen. De groei van de intensieve veehouderij heeft tot een groot mestoverschot geleid. Om dat probleem op te lossen kunnen bedrijven met een mestoverschot worden verplicht een gedeelte van de mestproductie te verwerken wat aanmerkelijke investeringen vraagt. Die investeringen dwingen vervolgens tot verdere schaalvergroting en specialisatie om zo de kostprijs in de hand te houden door de kosten over een grotere productie te spreiden.   

Nu zijn we ons ook steeds meer gaan realiseren dat aan dat succes van voortdurende verhoging van de productiviteit ook nadelen zitten. De snelle ontwikkeling en voortdurende modernisering had ook minder positieve gevolgen. Veel bedrijven moesten hun activiteiten stoppen, deels vanwege gebrek aan een opvolger maar ook om economische redenen. Schaalvergroting en specialisatie betekenden een sterke toename van de kapitaalintensiteit. Ondernemers werden steeds afhankelijker van banken. Specialisatie betekende ook dat de risico-gevoeligheid toenam vergeleken met de gemengde bedrijven in de vijftiger jaren van de vorige eeuw. Maar er ontstonden ook problemen in de relatie tussen intensieve veehouderij en omgeving. Vanaf het midden van de zeventiger jaren waren er de eerste geluiden dat de ontwikkeling van de intensieve veehouderij tot onoplosbare problemen zou gaan leiden. Gewezen werd op een steeds groter mestoverschot en op negatieve effecten op de omgeving. Denk aan de effecten van ammoniakemissie en aan overbelasting van oppervlakte- en grondwater. Vooral de laatste tien jaar is er ook meer aandacht gekomen voor gezondheidsklachten van omwonenden. Naast de gevolgen van ammoniakuitstoot wordt gewezen op de risico’s van fijnstof.

Het succes werd gaandeweg tot probleem. Lange tijd, en in de ogen van velen nog steeds, was de overtuiging dat die problemen oplosbaar waren door nieuwe technologie. Mestoverschotten kunnen worden weggewerkt door moderne methoden van mestverwerking. Ammoniakemissies kunnen worden teruggedrongen door gebruik van ammoniakwassers. Maar er bestaan ook toenemende twijfels over deze ontwikkeling. Vragen ontstaan wat het eindpunt van deze ontwikkeling zal zijn. Zijn problemen rond mestverwerking op duurzame wijze oplosbaar? Hoeveel bedrijven zullen uiteindelijk overblijven? Het proces van schaalvergroting lijkt eindeloos voort te gaan. Een eindpunt is niet in zicht. En hoe verhoudt zich de situatie van een zeer gering aan supergrote bedrijven tot de door vele gedeelde wens dat gezinsbedrijven de basis van de Nederlandse landbouw zijn en ook moeten blijven? De modernisering heeft nieuwe afhankelijkheden geschapen. We noemde reeds de alsmaar hogere kapitaalintensiteit van bedrijven. Bovendien is het proces moeilijk omkeerbaar. Sterker nog, er is eerder sprake van een tredmolen. De individuele ondernemer heeft daarbij nauwelijks een keuze. Het is meedoen aan het proces van schaalvergroting of op termijn het bedrijf beëindigen. Stilstand is achteruitgang.

Wanneer modernisering problemen oplevert is er een, zeker in landbouwkringen, breed gedeelde overtuiging dat technologie die problemen kan en zal oplossen. Modernisering is een door technologie gedreven proces. De Franse filosoof Latour heeft er aandacht voor gevraagd dat de technologie allerminst een neutraal instrument is. We zijn steeds afhankelijker geworden van nieuwe technologie. We kunnen de voordelen van technologie benutten maar we hebben ons vaak onvoldoende gerealiseerd dat nieuwe technologie ook eisen stelt aan de toepassing ervan. Toepassing van nieuwe technologie maakte het noodzakelijk dat we eerst de werkelijkheid aanpasten aan de eisen die de technologie stelt. Het instrument van de technologie kreeg zo gaandeweg de regie in handen. Het middel werd regisseur.

Het centraal stellen van economische overwegingen had als consequentie dat andere waarden, bijvoorbeeld ecologische, kwetsbaar werden. Er was in toenemende mate sprake van afwenteling. De rekening voor economisch profijt had de vorm van achteruitgang van waarden als natuur, landschap, van negatieve effecten op de gezondheid door emissies van ammoniak en fijnstof, van nitraat- en fosfaatverzadiging van de bodem en van verontreiniging van grond- en oppervlaktewater. Deze negatieve effecten vormden geen bestanddeel van de kostprijs op bedrijfsniveau. Zou dat alles worden doorberekend naar de consument dan zou het economische plaatje van de veehouderij er ingrijpend anders uitzien. Het komt erop neer dat de intensieve veehouderij slechts een beperkte economische basis heeft. Zouden alle negatieve effecten worden doorberekend, dan zou de kostprijs aanmerkelijk hoger zijn. Uit een recent onderzoek (“De echte prijs van vlees”, maart 2018, CE Delft in opdracht van Natuur en Milieu) ) blijkt dat de externe kosten van vlees substantieel zijn. Als alle externe kosten zouden worden verdisconteerd in de prijs en er geen subsidies zouden worden verstrekt, dan zou de prijs van een stukje varkensvlees 53% boven de huidige supermarktprijs moeten liggen. Voor rundvlees is de echte prijs 40% hoger, en voor kippenvlees zouden de kosten 26% hoger zijn. Uit de analyse blijkt ook dat milieuschade in de intensieve veehouderij de grootste schadepost vormt. Het gaat dan met name om emissies van ammoniak (NH3) die gezondheidseffecten geeft voor boeren zelf en omwonenden en de luchtkwaliteit in Nederland flink slechter maakt. De studie stelt ook dat de totale netto maatschappelijke schade van de Nederlandse consumptie van vlees op dit moment ongeveer 4,5 miljard euro per jaar bedraagt (inclusief subsidies).

Maar niet alleen economische en ecologische aspecten spelen een rol. Landbouw had van oudsher een krachtige verbindende functie op het platteland. Die functie is als gevolg van de modernisering aanzienlijk ingeperkt. Terwijl de landbouw oorspronkelijk een belangrijke maatschappelijke functie vervulde, is de nadruk steeds meer op het economisch belang komen te liggen. Bedrijven verdwenen uit de dorpskernen en werden verplaatst naar het buitengebied. Dat had ook gevolgen voor de positie van de landbouw binnen de maatschappij. De landbouw vormde steeds minder een verbindende schakel en een bron van cohesie. De modernisering speelde zich af op bedrijven en werd onttrokken aan het gezichtsveld van burgers. Gevolg is dat burgers thans nauwelijks een beeld hebben van hoe een moderne bedrijfsvoering eruit ziet en hoe ons voedsel wordt geproduceerd. De maatschappelijke functie van de landbouw heeft door de nadruk op economische belangen aan betekenis ingeboet.

Bij de toenemende spanning tussen intensieve veehouderij en omgeving speelt zeker ook mee dat de functies van het buitengebied zijn verbreed. Er kwamen nieuwe inkomensbronnen die speciale eisen stellen aan de omgeving. Zo heeft zorglandbouw juist profijt van een duurzaam beheer van het buitengebied. Voor functies als recreatie en toerisme geldt dat nog sterker. Dat betekent dat er ook vanuit andere economische bedrijfstakken een tegengeluid komt tegen aantasting van de kwaliteiten van het buitengebied. Ook speelt zeker mee dat burgers mondiger zijn geworden. Men vindt het niet meer vanzelfsprekend dat men als bewoners van het buitengebied de nadelen van een steeds intensievere landbouw moet accepteren.

Dat alles heeft de afgelopen decennia tot toenemende polarisatie geleid in het buitengebied. Ook Leudal kent meerdere probleemsituaties die in de huidige omstandigheden niet of nauwelijks oplosbaar zijn. Aanvragen voor vergunningen voor aanpassing en vergroting van bedrijven stuiten steeds vaker op weerstand met een opeenvolging van juridische procedures. Pogingen om via mediation tot voor ieder aanvaardbare oplossingen te komen blijken vaak geen succes te hebben. De verhoudingen zijn vaak te zeer verstoord. Enerzijds is er voor ondernemers de noodzaak van voortdurende vernieuwing en anderzijds wensen omwonenden en bijvoorbeeld natuur- en milieuorganisaties de gevolgen daarvan niet langer te accepteren. Dat betekent vertraging van plannen, ergernis bij alle betrokkenen en de mogelijkheden om tot oplossingen te komen zijn gering. De regels die met betrekking tot rechtsbescherming gelden geven volop gelegenheid tot verzet tegen onwelgevallige overheidsbesluiten.

De conclusie van het bovenstaande is dat de maatschappelijke positie van de landbouw tot probleem geworden. De eisen vanuit de maatschappij nemen toe en de ruimte op daarop in te spelen is voor de individuele ondernemers beperkt. We zitten vast aan de wijze waarop we alles hebben georganiseerd en geregeld. We houden de problemen als het ware georganiseerd in stand. We hebben de problemen beter georganiseerd dan de uitdagingen voor de toekomst. Daarbij moeten we ons realiseren dat ingrijpende veranderingen weliswaar nodig zijn maar dat de invloed van de gemeenten beperkt is. We kunnen als gemeente incidentele innovatieve initiatieven ondersteunen maar voor structurele oplossingen zijn we afhankelijk van de provinciale en (vooral) de landelijke overheid en natuurlijk van betrokken partijen zelf. De nieuwe Omgevingswet geeft blijk van een andere benadering en heeft de ambitie meer ruimte te bieden aan dynamiek. Alle aanleiding dus om de mogelijkheden van de Omgevingswet op het terrein van de spanning tussen intensieve veehouderij en omgeving nader te verkennen.    

  • De Omgevingswet

De toenemende bemoeienis van de overheid met de intensieve veehouderij heeft geleid tot een dicht net van juridisch verankerde regels. Het juridisch systeem waarin rechten en plichten zijn vastgelegd is gebaseerd op individuele bedrijven. Weliswaar gelden er op landelijk, provinciaal en lokaal niveau algemeen geldende regels voor het recht om dieren te houden maar dergelijke rechten zijn toegewezen aan individuele bedrijven en gebonden aan specifieke locaties. Wie dieren houdt dient over een vergunning te beschikken om dat op een bepaalde locatie te doen. De vraag is aan de orde of en op welke wijze de mogelijkheden van de nieuwe Omgevingswet kunnen bijdragen aan structurele en duurzame oplossingen. Dat geldt in het bijzonder omdat deze Wet meer flexibiliteit toelaat en meer ruimte schept voor initiatieven vanuit de praktijk. Dat biedt mogelijkheden ten opzichte van de huidige situatie waarin sprake is van een strak en complex juridisch kader.

Er zijn kortom veel redenen om positief te staan tegenover de ambities van de nieuwe Omgevingswet. Maar de vraag blijft of het ook gaat lukken die ambities in de praktijk handen en voeten te geven. We noemden reeds het grote aantal nota’s, rapporten en plannen die als strekking hadden dat ingrijpende veranderingen nodig waren met betrekking tot de intensieve veehouderij. Maar ook stellen we vast dat deze niet of zeer onvoldoende zijn opgepakt en dat met aanbevelingen weinig is gebeurd. Plannen kwamen slechts moeizaam tot uitvoering en werden onder politieke druk vaak verzacht. Of oplossingen werden naar de toekomst verschoven. Het gaat kennelijk om een weerbarstig vraagstuk. Veel pleidooien voor noodzakelijke veranderingen met betrekking tot de intensieve veehouderij hebben geen vertaling gekregen in de praktijk. Er is dus meer nodig om te voorkomen dat ook de ambities van de Omgevingswet vastlopen in intenties die niet kunnen worden gerealiseerd. Er blijkt een spanning te bestaan tussen theorie en praktijk. Succes is niet vanzelfsprekend. Zo kunnen we bestaande rechten niet zomaar opzij zetten. Die zijn juridisch stevig verankerd. Maar ook is het lang niet vanzelfsprekend dat partijen met elkaar draagvlak bereiken voor plannen. Zo is er regelmatig sprake van vijandbeelden tussen betrokkenen. Verhoudingen zijn vaak verstoord na lange juridische procedures waarin partijen tegenover elkaar zijn komen te staan. Dat maakt het niet gemakkelijk om in die context vervolgens met elkaar plannen uit te gaan werken.

Om tot werkelijke vernieuwing te komen is er meer ruimte nodig zodat er oplossingen in zicht komen die thans niet mogelijk zijn. Om die reden is een voorstel uitgewerkt dat het huidige systeem van rechten en plichten vervangt door een stelsel dat meer ruimte biedt om tot oplossingen te komen.

De vraag in hoeverre de ambities en mogelijkheden van de nieuwe Omgevingswet zullen worden benut is, vanwege de uitgangspunten en principes van de nieuwe Omgevingswet, primair een vraag voor de Gemeenteraad. Dat geldt ook voor Leudal. Gaan we de geboden ruimte benutten? Welke voorwaarden gelden daarbij? Staan we open voor initiatieven of blijven we vasthouden aan het bestaande rigide kader en accepteren we bewust of onbewust de bezwaren die daaraan vastzitten? In het laatste geval accepteren we ook het voortbestaan van overlast- en knelsituaties. Dat is dus eerst en vooral een politieke keuze.  

Tegelijkertijd zijn er ook omstandigheden die de geesten wellicht rijp maken voor een nieuwe aanpak waarbij gebruik wordt gemaakt van de opties van de Omgevingswet. Allereerst zullen weinigen gelukkig zijn met de huidige situatie. Ondernemers worden thans belemmerd in de uitvoering van hun bedrijfsplannen en tegelijkertijd zijn eenmaal vergunde rechten vrijwel onaantastbaar waardoor omwonenden de zekerheid hebben dat problemen nog lange tijd blijven voortbestaan. Een tweede gunstige omstandigheid is dat ondernemers als gevolg van nieuwe regels de overstap moeten maken naar nieuwe en milieuvriendelijker stalsystemen. Dat vraag aanzienlijke investeringen en velen zullen die stap niet zetten en hun activiteiten beëindigen. Dat betekent dat er dynamiek komt in de sector en dat is een gunstig moment om die zodanig te sturen dat ook in planologisch opzicht een duurzamere structuur ontstaat. Die kan worden bereikt door dierrechten te verplaatsen van locaties die overlast geven naar activiteiten waar die overlast niet bestaat of aanzienlijk minder is. De uitdaging is om die herstructurering zodanig te laten plaatsvinden dat in de eindsituatie zowel ondernemers als omwonenden er maximaal op vooruit zijn gegaan. Zonder regie over de te verwachten dynamiek zullen rechten kunnen worden verplaatst naar minder optimale locaties en zal er mogelijk worden geïnvesteerd op locaties die op termijn weinig duurzaam zijn. De komende periode van dynamiek lijkt uit te nodigen om de daaraan verbonden kansen te benutten door investeringen te doen op locaties die toekomstbestendig zijn. Zo kan worden voorkomen dat dieren worden verplaatst naar locaties die nu reeds als problematisch worden ervaren en die zich niet goed lenen voor uitbreiding of nieuwvestiging. Die situatie zou voor alle betrokkenen nadelen hebben. In plaats daarvan zou de ambitie moeten zijn om dieren te verplaatsen van locaties die thans overlast geven naar locaties waar betere mogelijkheden zijn voor bedrijfsontwikkeling. Zoals aangegeven kunnen bestaande regels verhinderen dat deze ontwikkeling zal optreden. Dat roept de vraag op of een aanpak denkbaar is die de gewenste structuurverbetering wel mogelijk maakt.

4. Een voorstel op basis van de nieuwe Omgevingswet

Wij menen dat verandering en vernieuwing niet zijn gediend met een systeem waarin rechten aan individuele bedrijven zijn toegekend en iedere wijziging onderwerp zal zijn van lange juridische procedures. Binnen het huidige systeem worden probleemsituaties niet wezenlijk opgelost omdat eenmaal verleende rechten moeilijk kunnen worden aangetast. Het voorstel is om een systeemsprong te maken door over te stappen van individuele beoordeling van bedrijfsplannen en wijziging van vergunningen naar een meer gebiedsgerichte benadering. Dat is meer dan een schaalsprong. Het voorstel houdt ook in dat gekozen wordt voor een andere benadering waarbij de verantwoordelijkheid voor oplossingen deels verschuift van de overheid naar private partijen. Ondernemers, burgers en natuur- en milieuorganisaties komen centraal te staan en krijgen de mogelijkheid om voor het “eigen” gebied met oplossingen te komen die duurzaam en houdbaar zijn. Dat houdt concreet in dat knelsituaties onderwerp worden van onderling overleg en dat van overheidszijde de mogelijkheid wordt geboden en ook ondersteund om een plan op te stellen waarin alle betrokkenen zich kunnen vinden. Die benadering betekent dat regionale differentiatie uitgangspunt is. Wat aanvaardbaar is in de ene regio kan worden afgewezen in een andere regio. Centraal staat dat gekozen wordt voor een beoordelings- en afwegingskader dat zich niet beperkt tot afzonderlijke bedrijven maar een regionaal karakter heeft. Een op te stellen plan houdt in dat wordt vastgelegd op welke locaties verdere bedrijfsontwikkeling mogelijk is, welke voorwaarden daarbij gelden en ook op welke locaties veehouderijactiviteiten binnen een af te spreken termijn worden beëindigd. Dat betekent niet dat een streep wordt gehaald door regels van de landelijke, provinciale en gemeentelijke overheid maar dat sprake is van een algemener kader waarbij de concrete invulling van regels aan de partijen in een gebied wordt overgelaten.

Natuurlijk kan men oordelen dat een dergelijke aanpak niet van de grond zal komen, zeker wanneer sprake is van verstoorde verhoudingen. Echter, voor beide partijen valt er winst te behalen. Voortzetting van de huidige situatie betekent dat er in veel gevallen een rem is op bedrijfsontwikkeling en dat overlast voor omwonenden blijft voortduren. Partijen hebben er dus belang bij dat men tot overeenstemming komt. Zonder onderlinge overeenstemming blijven bestaande rechten inclusief de daaraan verbonden consequenties van kracht. Die verliezen pas en slechts hun geldigheid zodra er overeenstemming is over een nieuw en door betrokkenen gedragen plan.

De betekenis van de Omgevingswet is vooral dat daardoor mogelijkheden in beeld komen die thans juridisch niet mogelijk zijn. De overheid zit vast aan eenmaal verleende rechten. Wijziging daarvan is enkel mogelijk wanneer daarbij betrokken partijen daarover overeenstemming bereiken. We kunnen dus slechts in beperkte mate erop vertrouwen dat wijziging c.q. aanscherping van regels zal helpen. Verandering kan niet worden afgedwongen. Tegelijkertijd hebben partijen er belang bij tot overeenstemming te komen, wetend dat men anders gevangen zit in een strak juridisch kader.   

De Omgevingswet kan flexibiliteit bieden doordat rechten uitwisselbaar worden tussen locaties. Daardoor ontstaan meer mogelijkheden tot structuurverbetering van de sector en voorts kan worden bijgedragen aan een gewenste oplossing van probleemsituaties. Een dergelijke benadering kan niet worden opgelegd door de gemeente. Het gaat immers om private belangen die juridisch zijn verankerd. Uitgangspunt dient te zijn dat voor realisering van deze benadering alle betrokkenen (ondernemers, burgers, milieu- en natuurorganisaties) een centrale rol krijgen toebedeeld. Dat houdt in dat betrokken partijen in probleemsituaties op basis van thans verleende vergunningen gezamenlijk een plan uitwerken waarbij na een overgangsperiode een situatie wordt bereikt waarin dieren op zodanige locaties worden gehouden dat dit leidt tot verbetering van de structuur van de sector. Die benadering maakt bedrijfsontwikkeling mogelijk waarbij tevens bestaande overlast wordt teruggedrongen. Dat kan bijvoorbeeld inhouden dat op locaties waar thans intensieve veehouderij plaatsvindt en waar een ondernemer overweegt te stoppen, de activiteiten op wellicht grotere schaal worden voortgezet terwijl tegelijkertijd bedrijfsactiviteiten op locaties die problemen opleveren op termijn worden beëindigd of sterk worden verminderd.

Ook is helder dat realisering van een dergelijk plan aanzienlijke financiële inspanningen zal vragen. Het aantal dieren per bedrijf is thans aanzienlijk groter dan in de negentiger jaren toen een veelomvattend plan dat de gehele intensieve veehouderij in de concentratiegebieden zoals Noord-Brabant, Limburg, Gelderland en Overijssel omvatte, niet van de grond kwam en politiek op wezenlijke punten werd “uitgekleed” waardoor de uitkomst veel minder ingrijpend werd en de problemen niet werden opgelost maar, integendeel, eerder werden versterkt en verdiept. Dat plan hield een onderscheid in tussen landbouwontwikkelingsgebieden en varkensvrije zones. Het huidige plan is kleinschaliger en is gebaseerd op een lokale aanpak waarbij binnen een gemeente ook nog eens de inspanningen zijn gericht op oplossing van knelsituaties.

Een verschil is ook dat indertijd sprake bij het plan voor varkensvrije zones sprake was van een landelijk kader terwijl in het huidige voorstel is gekozen voor een aanpak vanuit de praktijk. De overheid heeft in het voorstel een andere positie en rol. Bovendien ligt minder de nadruk op regelgeving en wordt deels het uitgangspunt losgelaten dat aanscherping van regels de gewenste eindsituatie zal doen ontstaan. Niet de overheid is leidend en voorschrijvend in de voorgestelde aanpak maar aangesloten wordt bij wat betrokkenen in een bepaald beperkt gebied zelf wensen.

Natuurlijk kan men twijfels hebben of partijen die in procedures lijnrecht tegenover elkaar hebben gestaan bereid en in staat zijn tot het opstellen van een gezamenlijk plan te komen. Echter, wanneer men besluit niet mee te werken betekent dan voor ondernemers dat bedrijfsontwikkeling lastig zal blijven en dat de structuur van de sector niet wezenlijk verbetert. Voor omwonenden zou dat inhouden dat in dat men nog zeer lange tijd de bestaande overlast zal moeten accepteren. De uitdaging is om een moment van dynamiek in de sector aan te grijpen om ook beweging te krijgen in situaties die in juridisch opzicht zijn dichtgetimmerd.

5. Verdere uitwerking van het voorstel

5.1 Algemeen

Voor de nadere uitwerking en concretisering zullen we op een aantal aspecten van het voorstel nader ingaan. Het onderstaande is niet geschreven vanuit de stelling dat dit de enige uitwerking is maar vooral om de gedachten te bepalen en besluitvorming voor te bereiden over de vraag of we deze kant op willen. De uiteindelijke uitwerking kan dus afwijken. Bovendien is belangrijk dat het uitgangspunt is dat plannen zullen worden opgesteld door betrokkenen. Dat pleit eveneens voor ruimte ten opzichte van de huidige situatie. Een gedetailleerd voorgeschreven procedure met tal van regels staat haaks op het bieden van beleidsruimte aan betrokkenen en kan gemakkelijk belemmeren dat initiatieven van de grond komen. Wel zal er politieke helderheid moeten worden verschaft over het beoordelingskader waar op te stellen plannen aan zullen worden getoetst. Met het wekken van verwachtingen die later niet worden bevestigd is niemand gediend. Dan verkeert vernieuwing in zijn tegendeel, namelijk nog verder verlies aan vertrouwen in overheden. Ook zal de ruimte die wordt geboden op planologisch terrein nooit zover gaan dat harde uitgangspunten zoals die in overheidsbeleid vastliggen en wezenlijke waarden in het gebied worden aangetast.

5.2 Omvang gebied

Bij de selectie van gebieden dient uitgangspunt te zijn of er sprake is van een door betrokkenen intens beleefd probleem. Er moet sprake zijn van een zich voortslepende problematiek die binnen geldende beleidskaders niet oplosbaar lijkt. Voor ondernemers kan dat het gebrek aan noodzakelijk ontwikkelingsmogelijkheden voor hun bedrijf zijn. Voor burgers de ondervonden overlast en voor natuur- en milieuorganisaties de bescherming van kwetsbare waarden. Enkel om de gedachten te bepalen: het zou kunnen gaan om een gebied van 100 tot 500 hectaren waarin 5 bedrijven zijn gevestigd, twintig tot dertig burgers wonen en al of niet sprake is van natuurwaarden. Een te selecteren gebied moet groot genoeg zijn om tot flexibiliteit te komen en klein genoeg om tot een directe onderlinge communicatie te komen tussen alle betrokkenen.

5.3 Fasering

Het spreekt vanzelf dat een dergelijk plan niet van de ene op de andere dag kan worden verwezenlijkt. Het vraagt tijd. Het lijkt dan ook logisch dat een dergelijk plan een overgangsperiode bevat waarin fasen worden onderscheiden in het realiseren van de eindsituatie en waarbij per fase wordt aangegeven welke stappen in die fase worden gezet. Dat kan beëindiging van veehouderijactiviteiten op een locatie inhouden, nieuwe vergunningen voor andere locaties met meer ruimte dan thans is toegestaan, afspraken over maatregelen tijdens een bepaalde fase, afspraken over handhaving van geldende regels enz.       

5.4 Het resultaat

De uitkomst kan het karakter hebben van een kaart waarop staat aangegeven wat de eindsituatie is die men wil bereiken maar ook afspraken over de weg waarlangs en het tijdstip waarop deze moet worden bereikt. Ook kunnen afspraken er onderdeel van zijn waarin verdere ontwikkelingsruimte wordt geboden, gekoppeld aan voorwaarden. Er kunnen ook afspraken met een tijdelijk karakter worden gemaakt die slechts tijdens een overgangsperiode gelden.   

5.5 De financiering

Juist vanwege de aanzienlijke bedrijfsontwikkeling en schaalvergroting in de afgelopen twintig jaar zullen maatregelen die structuur verbeterend werken aanzienlijke investeringen vragen. Het is onze overtuiging dat met name de landelijke en provinciale overheid aanspreekbaar zullen zijn op medefinanciering aangezien te maken plannen die op de steun van alle betrokkenen kunnen rekenen beleidsdoelen realiseren die binnen het huidige systeem al jarenlang niet van de grond zijn gekomen. Immers, de wens tot verbetering van de structuur van de intensieve veehouderij ligt vast in beleidsnota’s van provincie en rijk en niemand zal tevreden terugkijken op de resultaten die op dat terrein de afgelopen periode zijn bereikt. Zeer integendeel!

Het vertrekpunt dat inzet van overheidsmiddelen noodzakelijk zal zijn heeft overigens nooit ter discussie gestaan. Ook in de negentiger jaren toen een ingrijpende herstructurering van de veehouderij onderwerp van overleg vormde was overheidsbudget beschikbaar. Recent is door Minister Schouten aangegeven dat er overheidsmiddelen beschikbaar zijn om het proces van herstructurering te begeleiden en te realiseren. Aangezien een tot stand gekomen plan een duurzame en houdbare oplossing betreft waar alle betrokkenen mee kunnen leven en voor alle partijen aanmerkelijke voordelen heeft, niet in de laatste plaats voor overheden, zijn er krachtige argumenten een beroep te doen op voor de herstructurering van de intensieve veehouderij beschikbare gelden. Overigens zal een door betrokken partijen geaccepteerd plan ook grote voordelen en kostenbesparingen betekenen voor de gemeente. Voortduring van knelpuntsituaties vraagt aanzienlijke ambtelijke en bestuurlijke inzet, zowel bij de voorbereiding van te nemen besluiten als met betrekking tot de inbreng bij juridische procedures (bezwaar en beroep).

5.6 Rol en positie overheid

De positie en rol van de gemeente veranderen ingrijpend. Terwijl de gemeente binnen het huidige planologisch beleidskader een centrale plaats inneemt, vindt planvorming nu primair plaats door betrokken partijen zelf. Daarmee is de rol van de gemeente overigens allerminst uitgespeeld. Op de volgende punten is die rol zelfs cruciaal.

Allereerst zal de gemeente de keuze moeten maken om het voorstel verder uit te werken, daarover te besluiten en het voorstel te communiceren naar betrokkenen. Ook heeft de gemeente een belangrijke opdracht om met provincie en rijksoverheid te communiceren en te verkennen of deze vernieuwende aanpak wordt geaccepteerd. Er moet een kader worden geconstrueerd waarbinnen eenmaal uitgewerkte plannen onderwerp van overleg en beoordeling kunnen zijn. Op de derde plaats zal procesbegeleiding moeten worden georganiseerd. De ervaring leert dat betrokken partijen, wanneer die een periode van juridische processen hebben doorgemaakt, niet automatisch de overstap zullen maken naar het gezamenlijk opstellen van een plan. Dat vraagt over en weer vertrouwen dat in de huidige situatie vaak ontbreekt. Tot slot zullen eenmaal opgestelde en goedgekeurde plannen planologisch moeten worden vastgelegd, bijvoorbeeld als component in een Bestemmingsplan Buitengebied.

5.7 Het proces

Realisering van een dergelijk plan wijkt ingrijpend af van de bestaande praktijk. Partijen die tot nu toe in juridische procedures vaak tegenover elkaar hebben gestaan, moeten gezamenlijk plannen uitwerken waarbij belangen tegengesteld zijn. Anderzijds beschikken ze zelf in de nieuwe situatie over meer vrijheidsgraden en krijgen ze ruimte om tot oplossingen te komen die binnen thans geldende regels niet mogelijk zijn. Ze zijn minder afhankelijk van gemeentelijke regels waar men geen invloed op heeft.

De ervaring leert dat in dergelijke situaties de kans vrij groot is dat gedurende het proces deelnemers zich laten leiden door de beelden die men gedurende een lange periode van elkaar heeft opgebouwd. Het creëren van gezamenlijkheid vraagt bij de start dan ook veel aandacht. Een beproefde aanpak is dat deelnemers als start opschrijven wat voor hun wezenlijke waarden en uitgangspunten zijn. Die kunnen onderling zeer verschillen maar belangrijk is dat deze expliciet worden benoemd, gedeeld en over en weer gerespecteerd. Waar dient het op te stellen plan minimaal aan te voldoen? Wanneer heeft een plan meerwaarde boven de bestaande context? Dat kan voor burgers zijn dat men een aantrekkelijke leefomgeving wenst en voor ondernemers dat continuïteit is verzekerd. Het is belangrijk dat aan het begin van het proces die zaken worden gedeeld en dat er over en weer respect daarvoor bestaat, gevolgd door de afspraak dat wat er aan ideeën en oplossingen op tafel komt, zal worden getoetst aan dergelijke ambities en zorgen. Dat kan meer ontwerpruimte scheppen om met voorstellen te komen zonder het risico te lopen dat men daarop wordt vastgepind. Men treedt dan uit de onderhandelingscontext en er ontstaat ruimte opties te verkennen zonder die reeds vooraf direct af te wijzen omdat men er de gevolgen niet van kan overzien. Een context van onderhandeling kan zo worden vervangen door een context van gezamenlijke constructie. Distributief onderhandelen waarbij winst van de een verlies betekent voor de ander wordt vervangen door een meer integrale overlegcontext. Het resultaat vormt een set van gedeelde waarden en intenties die schriftelijk wordt vastgelegd. Dat document vormt de toetssteen gedurende het te doorlopen proces. Voorspelbaar is dat tijdens het proces regelmatig sprake is van terugvallen in de oude context van belangentegenstelingen. Het bij de aanvang op te stellen document heeft het karakter van een intentieovereenkomst en kan goede diensten bewijzen wanneer verhoudingen tussen deelnemers gespannen raken en voortgang belemmeren. Op dergelijke momenten kan het helpen om te herinneren aan wat bij de aanvang van het proces als intenties is vastgelegd. Een dergelijk document kan zo dienen als baken en kompas voor het proces wanneer zich onderweg strubbelingen voordoen. Waarden inspireren, belangen doen dat zelden of nooit.

Gelet op de aard van de problematiek lijkt het noodzakelijk, althans zeer gewenst, dat het proces plaatsvindt onder begeleiding. Dat kan een persoon uit de eigen omgeving zijn die het vertrouwen geniet van deelnemers of er kan gekozen worden voor externe begeleiding.       

Belangrijk is ook dat vooraf geen concrete stellingen worden betrokken over concrete situaties, bijvoorbeeld de eis dat de geurnorm hoe dan ook moet worden verlaagd of dat op een bepaalde locatie uitbreiding van de veestapel hoe dan ook mogelijk moet zijn. Dus geen voorwaarden vooraf omdat die de ontwerpruimte inperken. Ambities en zorgen zijn belangrijk maar die moeten zodanig worden geformuleerd dat de weg waarlangs daaraan kan worden tegemoet gekomen breed is. Vervolgens blijkt of de bereidheid aanwezig is om een traject te verkennen waarin locatie-specifieke oplossingen worden gezocht.

Men kan het maken van een dergelijk plan opvatten als een mogelijkheid tot oplossingen te komen waar men mee kan leven. Tegelijkertijd heeft men de zekerheid dat als men niet in beweging komt men vast blijft zitten aan problemen die aan de huidige situatie zijn verbonden. Dat betekent voor ondernemers dat men bij ieder plan voor bedrijfsaanpassing de zekerheid heeft dat men in juridische procedures belandt. Het betekent voor omwonenden dat men moet accepteren dat eenmaal vereende rechten vrijwel onaantastbaar zijn en dat ondervonden overlast zal voortduren.

6. Een procedurevoorstel

Stap 1

Het beschreven voorstel is ingrijpend. Het betekent een andere aanpak. Het raakt de beginselen van de toedeling van verantwoordelijkheden. De overheid treedt terug en er wordt ruimte geboden aan betrokken partijen in een gebied. Dit is in hoge mate een politieke aangelegenheid. De eerste stap dient dan ook te zijn om te verkennen of deze aanpak op steun kan rekenen binnen de Gemeenteraad. Wil de Raad actief inspelen op de mogelijkheden die de Omgevingswet biedt, beschouwt men het onderhavige voorstel als een wenselijke benadering en welke opvattingen en aandachtspunten vindt men daarbij belangrijk?

Stap 2

Een volgende stap dient te zijn dat het College bij gebleken steun van de Raad de aanpak verkent bij de provinciale en landelijke overheid, inclusief voorwaarden die aan het proces worden gesteld. Het betreft ook de vraag of overheden zowel beleidsmatig als financieel aanspreekbaar zijn met betrekking tot plannen die door partijen worden opgesteld . Het feit dat meer ruimte wordt geboden aan partijen zal voorspelbaar niet inhouden dat de provinciale en rijksoverheid beleidsmatig geheel zullen terugtreden. Er zal een toetsingskader moeten worden opgesteld dat weliswaar ruimer is dan het huidige complexe en gedetailleerde stelsel van regels maar dat recht doet aan verplichtingen waar bijvoorbeeld de landelijke overheid internationaal aan is gehouden. Belangrijk is dat van meet af aan helderheid bestaat wat het kader is dat op rijks- en provinciaal niveau geldt. Wat zijn de absolute voorwaarden waar oplossingen aan moeten voldoen?

Stap 3

Vervolgens wordt door het College een Raadsvoorstel waarin de aanpak zodanig concreet is uitgewerkt dat hiermee in de praktijk aan de slag kan worden gegaan. Dat voorstel zal ook de gebieden benoemen die bij voorrang worden benaderd. Natuurlijk is denkbaar dat ook spontaan initiatieven van de grond komen.     


Heythuysen, 19 augustus 2018

***********************************************



Opiniebijdrage 9 mei, Dagblad De Limburger

Door Orde scheppen we Chaos

Wie als buitenlander Nederland bezoekt zal vaak onder de indruk zijn van hoe we ons land hebben ingericht. We hebben alles keurig op orde, de tuintjes zijn aangeharkt. Alles is geregeld. Dat mag op het eerste gezicht mooi en indrukwekkend lijken maar wijzelf kennen ook de nadelen ervan. De manier waarop we alles hebben geordend kan ook een belangrijke hinderpaal zijn, bijvoorbeeld wanneer we vernieuwingen willen doorvoeren. Dan staan al die regels ons vaak in de weg. Neem als voorbeeld de ruimtelijke ordening waarin we alles tot in detail hebben geregeld. Als we iets willen veranderen zijn er ingewikkelde, tijdrovende en kostbare procedures nodig. Nog erger is dat het systeem nauwelijks veranderbaar is. We hebben alles in definities vastgelegd. En voortdurend worden we gedwongen onze regels nog verder te verfijnen. Is een verzameling stenen een bouwwerk? Wat valt er onder een aan huis gebonden beroep? Bovendien worden we in een moderne samenleving voortdurend geconfronteerd met nieuwe ontwikkelingen en situaties. Het is een wereld waar de politiek de greep op heeft verloren. Het is een walhalla voor juristen, tot groot ongenoegen van burgers en ondernemers die er de last van ondervinden.

Nu is kenmerk van een definitie dat die een onderscheid maakt tussen wat de definitie omvat en wat er buiten valt. Definities sluiten uit. En door definities verder aan te punten valt er steeds meer buiten. Steeds vaker krijgen burgers te maken met de reactie dat die plannen in strijd zijn met de definities zoals we die in onze regels hebben vastgelegd. En regels moeten nu eenmaal worden gerespecteerd. Juist door uit te sluiten wordt de wereld buiten onze systemen steeds groter. De overheid wordt steeds minder ontvankelijk voor wat er leeft onder burgers. Alles wat niet binnen de definities en binnen het beleid valt, bestaat niet voor de overheid. Het is betekenisloos, althans voor de overheid. Het valt buiten onze ordeningen. We beschouwen het als chaos. We hebben daarbij niet in de gaten dat we zelf, door te bepalen wat buiten de regels valt, de constructeurs zijn van die chaos. We willen orde en juist daardoor scheppen we chaos.

Voor die chaos hebben we geen belangstelling. De Franse filosoof Michel Serres stelt dat die chaos waardevol is. Juist datgene wat we hebben buitengesloten bevat de kiemen voor vernieuwing. Gaandeweg is onze aandacht zo gefocust op de regels dat we niet in de gaten hebben dat we daardoor het zicht hebben verloren op wat van waarde is. We hebben als het ware eilanden geconstrueerd waarop we alles keurig hebben geregeld maar het echte leven speelt zich steeds meer af op de oceaan. Serres pleit ervoor onze eilanden te verlaten en expedities te ondernemen om het leven op de oceaan te leren kennen. Dat vraagt lef. Het is veel veiliger in onze papieren werkelijkheid te blijven functioneren en de illusie in stand te houden dat we alles op orde hebben. Juist door naar duidelijkheid en zekerheid te streven hebben we nieuwe onzekerheden geconstrueerd. Nodig is dat we die illusies ontmaskeren. Van rechters hoeven we die ruimte niet te verwachten. Die dienen immers te toetsen aan geldende regels. De werkelijke opdracht ligt bij politici, bij parlementsleden, leden van Provinciale Staten en Raadseden. Die bepleiten weliswaar telkens weer de noodzaak van vernieuwing maar laten zich maar al te vaak leiden door juridische discussies over regels. Daardoor houden ze het verleden in stand in plaats van de toekomst te ontwerpen. Men blijft op de eilanden de dijken verhogen maar is op de duur niet bestand tegen het wassende water. Het feit dat in veel gemeenten nauwelijks nog 50% van de burgers gaat stemmen voor een nieuwe gemeenteraad is een teken aan de wand. Burgers herkennen zich niet meer in het formele leven op de eilanden en gaan hun eigen weg. Men heeft geen aandacht meer voor bestuurders en politici die het belang van onze democratie benadrukken maar tegelijkertijd gaandeweg hun belangstelling hebben verloren voor wat burgers bezighoudt.

Thieu Wagemans is Raadslid voor Ronduit Open in Leudal

**********************************************


De Robotisering van Raadsleden

Een pleidooi voor vernieuwing van de lokale politiek

Mathieu Wagemans, Raadslid Ronduit Open, gemeente Leudal

Januari 2018

(nadere info: www.ontganiseren.nl Mail:Thieuwagemans@gmail.com tel: 0648131102 Linked in)


Inhoud

Inleiding

Vier essenties

Orde en overzichtelijkheid

Uitsluiting en chaos

Twee werelden

Vertegenwoordiging

Wat is nodig voor verandering?

Hoe zijn die omslagen te realiseren?

Wat betekent dat voor raadsleden?

Literatuur


Inleiding

Na de gemeenteraadsverkiezingen in 2014 was er veel aandacht voor de lage opkomst. In veel gemeenten lag het opkomstpercentage rond de 50%. Dat is op het eerste gezicht merkwaardig. Immers, op gemeentelijk niveau is de relatie tussen gekozenen en kiezers het meest concreet. Het gaat minder over abstracte vraagstukken maar over de verkeersveiligheid in de eigen buurt, over de vraag waar, hoeveel en welke soort woningen worden gebouwd, hoe het openbaar groen wordt onderhouden, of er iets gedaan wordt aan armoedebestrijding en of de huishoudelijke hulp goed is geregeld. Je zou verwachten dat burgers de mogelijkheid aangrijpen om te oordelen over het gevoerde beleid en over de plannen die partijen hebben. Natuurlijk kan men aanvoeren dat de pers nu eenmaal minder aandacht besteedt aan lokale vraagstukken en zich concentreert op wat er rond het Binnenhof gebeurt. Maar de vraag blijft hoe op lokaal niveau de ontmoeting tussen raadsleden en burgers het meest direct is en de politiek niettemin toch zo weinig aanspreekt.

Er lijkt alle aanleiding te zijn voor een verdiepende analyse in plaats van de gemeenplaatsen over oppervlakkigheid van het debat, kerktoren denken en andere etiketten die met groot gemak op de lokale politiek worden gedrukt. De relatie tussen kiezer en gekozene staat centraal in onze democratie. Als die om welke reden dan ook is verstoord, dan gaat onze democratie mank. Vertrouwen is cruciaal in een systeem van vertegenwoordiging. Toch laat dat juist te wensen over. Velen gaan niet eens stemmen, daarmee aangevend dat ze geen relatie hebben met de politiek, niet eens een slechte. Niettemin prijzen we internationaal ons democratisch systeem aan en proberen we invoering van een democratisch stelsel af te dwingen door eisen te stellen aan te verlenen gunsten zoals het sluiten van handelsverdragen.

Nu lijkt er geen aanleiding te zijn om de principes en kerngedachten van de democratie tegen het licht te houden. Die vinden brede steun, zo blijkt telkens weer uit onderzoek. Met de democratische beginselen lijkt niets mis. Het lijkt eerder zo dat de wijze waarop we die beginselen hebben uitgewerkt en er in de praktijk vorm aan hebben gegeven, een kritische beschouwing vraagt.

Vier essenties

In die verdieping zullen we ingaan op een viertal vraagstukken en we zullen op grond daarvan conclusies trekken die als confronterend kunnen worden ervaren. Aansluitend zullen we de veranderingsopgaven benoemen en daarbij ingaan op de rol van raadsleden en de eisen die dat stelt aan het raadslidmaatschap. Er is nadrukkelijk niet gekozen voor gladde verhalen omdat het onze overtuiging is dat politieke correctheid geen oplossing biedt maar juist mede oorzaak is van de situatie waarin we verkeren.

Orde en overzichtelijkheid

De eerste essentie betreft de zucht naar orde en ordelijkheid. We stellen hoge eisen aan de overheid. Die hebben we vastgelegd in beginselen van behoorlijk bestuur. Wij wensen niet dat de overheid zich schuldig maakt aan willekeur. Wij vinden dat de overheid gemaakte afspraken moet nakomen en besluiten deugdelijk moet motiveren. Wij wensen dat de overheid alle burgers gelijk behandelt. Voor de wet is immers iedereen gelijk.

Nu is het nog niet zo eenvoudig voor de overheid om alle besluiten te laten voldoen aan de hoge eisen die we stellen. Dat vraagt grote zorgvuldigheid. Dat leidt ertoe dat bij beleidsmaatregelen heel precies wordt aangegeven wat die inhouden, voor wie die gelden en welke procedures daarbij horen. Een wet of verordening begint doorgaans met een aantal definities waarin begrippen worden omschreven. Met veel gevoel voor detail omschrijven we wat moet worden verstaan onder een motorvoertuig, belastbare inkomsten, een bouwwerk of wanneer er sprake is van armoede. We definiëren de maatschappelijke werkelijkheid zodat we bij de toepassing van onze regels aan de hoge eisen kunnen voldoen. Wat plaatsvindt is dat we ons een beeld van de maatschappelijke werkelijkheid vormen dat ons in staat stelt te handelen conform de eisen die we aan overheidshandelen stellen. Natuurlijk weten we dat de maatschappij niet zo ordelijk is, veelkleurig is, alsmaar verandert en dat er geheel uiteenlopende opvattingen kunnen bestaan rond problemen en oplossingen. Maar recht doen aan die veelkleurigheid is lastig. We kunnen moeilijk beleidsmaatregelen treffen waarbij we de geldigheid afhankelijk maken van veranderende omstandigheden. Er is ook weinig of geen ruimte om af te wijken van de regels en rekening te houden met persoonlijke opvattingen. Regels horen nu eenmaal voor iedereen te gelden.

Dat betekent dat de voorbereiding en vaststelling van beleidsnota’s gaandeweg erg ingewikkeld is geworden. Een beleidsmaatregel moet juridisch houdbaar zijn. Beleid moet eenduidig zijn en geen ruimte bieden voor uiteenlopende interpretaties. We vinden verder dat nieuwe beleidsmaatregelen logisch moeten passen in reeds eerder vastgesteld beleid. De eis van motivering leidt er verder toe dat we helder aangeven wat de oorzaken zijn van een maatschappelijk probleem dat we willen oplossen. Ook moet het verwachte resultaat heel nauwkeurig worden geduid want we willen weten waar het beleid toe dient te leiden. Wanneer verslaving mede veroorzaakt wordt door eenzaamheid, dan nemen we maatregelen om de eenzaamheid te bestrijden. Wanneer de kwaliteit van de natuur afneemt als gevolg van de ammoniakuitstoot van veehouderijbedrijven, dan schrijven we luchtwassers voor die de ammoniakemissie beperken. Wanneer de verkeerssnelheid naar onze overtuiging een oorzaak is van ongelukken, dan plaatsen we borden met een maximumsnelheid. Kortom, we willen helderheid en zijn gaandeweg helderheid met gedetailleerdheid gaan verwarren.

Casus ruimtelijke ordening

Ons verlangen naar ordening komt treffend tot uitdrukking op het terrein van de ruimtelijke ordening. Het ruimtelijk beleid is een complex van zeer gedetailleerde kaarten en regels waarin ieder willekeurig perceel of iedere bebouwing uiterst gedetailleerd een plaats heeft gekregen. Een perceel grond is bestemd als agrarisch, er is nauwkeurig aangegeven welke activiteiten er mogen plaatsvinden, of mestverwerking wel of niet een agrarische activiteit is, wat we verstaan onder een bouwwerk, of een perceel ook landschappelijk belangrijk is en welke consequenties daar dan aan zijn verbonden. Een weg is wel of niet provinciaal, het is wel of niet een ontsluitingsweg. Een verzameling betonblokken moet wel of niet als een erfafscheiding worden beschouwd. Er was ooit een langdurige discussie of een populierenweiland moest worden beschouwd als een agrarisch perceel zij het dat er bomen in het gras stonden, dan wel als een bosgebied, zij het dat er gras tussen de bomen groeide. De definitie bepaalde of de Boswet van toepassing was, dan wel of de boer in aanmerking kwam voor Brusselse bergboerensubsidies. Maar niet alleen is in wetten en bestemmingsplannen alles nauwkeurig vastgelegd, er is ook een stroom aan jurisprudentie die kracht van wet heeft. Er kan zich geen situatie voordoen of via rechterlijke uitspraken wordt vastgesteld of een vergunning wel of niet kan worden verleend en of de daaraan verbonden voorwaarden wel of niet terecht zijn. Alles is nauwkeurig geordend en situaties en gebeurtenissen die niet in onze ordeningen passen zijn betekenisloos. Chaos is uitgesloten. Ook kunnen burgers met succes een beroep doen op uitspraken die rechters eerder hebben gedaan in min of meer vergelijkbare gevallen. De consequentie van dat alles is dat de formele bevoegdheid van gemeenteraden om bestemmingsplannen vast te stellen beperkt is. Al gauw stuiten wensen op juridische bezwaren. De voorgeschreven orde met zijn uiterst gedetailleerde regels en processen is de maatstaf.

Nu leert de ervaring ook dat de maatschappelijke werkelijkheid heel wat minder geordend is. We hebben voortdurend te maken met onverwachte gebeurtenissen. De werkelijkheid houdt zich niet aan onze schema’s en modellen. Steeds weer moeten we accepteren dat we in ons beleid een keurig aangeharkt beeld van de werkelijkheid hebben geschapen dat in de praktijk echter niet is terug te vinden. We hebben een schijnwereld gecreëerd die perfect oogt en juist daardoor niet overeenstemt met de maatschappelijke werkelijkheid. We scheppen een wereld die letterlijk en figuurlijk te mooi is om waar te zijn of ooit waar te worden. We doen dat omdat we zo de illusie overeind kunnen houden van een consistent en allesomvattend beleidskader. We hebben de lat voor onszelf zo hoog gelegd dat we er nauwelijks meer overheen kunnen.

Uitsluiting en chaos

De tweede essentie die nauw met de eerste samenhangt is de uitsluiting. De zucht naar orde en gelijkheid heeft als gevolg dat alles wat zich niet laat ordenen, alles wat niet in onze ordeningen past, wordt buitengesloten. Het verdwijnt buiten beeld. We persen een zeer gevarieerde werkelijkheid binnen een nauwsluitend beleidskader en wat daar niet in past valt buitenboord. Alles wat niet kan worden ingepast, is er wel maar heeft geen betekenis binnen onze schema’s en structuren. De ordening bepaalt wat binnen de ordening past. Beleid is bedoeld en beleidsmaatregelen zijn een middel om de maatschappelijke werkelijkheid te veranderen maar daarvoor is nodig dat we de maatschappelijke werkelijkheid eerst aanpassen zodat die in overeenstemming is met ons beleidskader en de daarin opgenomen definities. De relatie tussen doel en middel wordt omgekeerd. We willen door middel van beleid de maatschappelijke werkelijkheid veranderen maar daartoe moeten we die werkelijkheid eerst geschikt maken voor onze beleidsinstrumenten. Het maatschappelijk doel moet voldoen aan onze instrumenten. Dat is een merkwaardige paradox. We streven naar ordelijkheid en juist daardoor creëren we chaos. Onder chaos verstaan we dan alles wat niet kan worden geordend. Die chaos bestaat wel maar is betekenisloos binnen ons beleid en de daarin opgenomen ordeningen. Het vreemde is dat die chaos het logische gevolg is van onze wens tot ordening. Ordening en uitsluiting hangen onverbrekelijk samen. Wij wensen orde en overzichtelijkheid en juist dat streven wordt de bron van chaos. We formuleren definities en hebben geen oog voor de wereld die buiten onze definities valt. Zo beschouwd is chaos in wezen door onszelf gecreëerde chaos. Die chaos dringt niet tot ons door. De chaos heeft geen betekenis, simpelweg omdat we die hebben buitengesloten.

Maar de ervaring leert dat we weliswaar de maatschappelijke werkelijkheid die niet in onze systemen past kunnen uitsluiten en ontkennen maar daarmee zijn we er niet van af. Permanent worden we geconfronteerd met de werkelijkheid die binnen onze systemen geen plek vindt. Het uit zich in gebeurtenissen, initiatieven en protesten waar we geen goed antwoord op hebben. We ervaren het als lastig. En als ontkenning niet helpt proberen we met bezweringsformules en symboolpolitiek de spanning te verminderen. We zijn erg vindingrijk om het onvermogen van onze systemen te verbloemen.        

Wat irrationeel is, past niet in onze op rationaliteit gebaseerde wereld. Er is in ons systeem geen ruimte voor wat inconsistent is want beleidsregels moeten tot in de kleinste details logisch samenhangen. Niemand neemt het op voor wat inconsistent is, voor het niet-beredeneerbare, voor wat niet meetbaar is. We kunnen ermee leven, juist door het niet serieus te nemen.     

Gevolg is ook dat de wereld van beleving en betekenisgeving weliswaar bestaat en voor burgers wezenlijk is, maar die kan binnen onze ordeningen niet aan bod komen. We hebben die wereld buitengesloten. Dat is niet het bewuste doel maar wel het feitelijk effect van ons streven naar ordening. Wanneer het nu om relatief onbelangrijke, betekenisloze zaken ging, zou dat op zichzelf geen probleem hoeven te zijn. Dat ligt anders wanneer we wezenlijke aspecten buitensluiten. Dat is precies wat er aan de hand is. Sterker nog, de wereld buiten onze ordeningen is in de ogen van menigeen de “echte” werkelijkheid waarin burgers leven, in menig opzicht dankzij en desnoods ondanks de overheid. De wereld van politiek en beleid is de schijnwereld waarin politici en bestuurders telkens weer zichzelf bevestigen en zich dat ook kunnen permitteren.

Nog een stap verder is dat deze schijnwereld niet slechts onmachtig is om verwachtingen waar te maken maar in zijn tegendeel gaat verkeren. Het is een zo complex geheel van regels en procedures dat het moeilijk doordringbaar en begrijpelijk is voor burgers. Communiceren met de overheid vraagt specialistische kennis van bevoegdheden en regels. Rechtvaardigheid verwordt zo tot vaardigheid in het recht. We hebben gelijkheid zo ingewikkeld en gedetailleerd uitgewerkt dat het bron wordt van ongelijkheid. Het middel gaat gaandeweg het realiseren van doelen frustreren.

Twee werelden

De derde essentie hangt samen met de processen van uitsluiting. Er zijn als het ware twee werelden ontstaan: de formele wereld waarin alles keurig is beredeneerd, geordend en aangeharkt enerzijds en anderzijds de wereld van alles wat als gevolg van onze ordeningsbehoefte is buitengesloten omdat het niet paste. Zo wordt een groot deel van de werkelijkheid buitengesloten en de overheid kan zich dat ook permitteren. Immers, de macht van de overheid is definitiemacht. De overheid kan de eigen definities van situaties en gebeurtenissen dwingend opleggen aan de maatschappij. Wat daarin niet past, bestaat formeel niet. Maatschappelijke gebeurtenissen hebben slechts betekenis voor zover die vallen binnen de definities van onze wetten en verordeningen. Ontoelaatbaar gedrag is toegestaan zolang het buiten de definitie van strafbare feiten valt. Zo beschouwd is de macht van de overheid in wezen definitiemacht. Wat niet binnen die definities past bestaat niet.

Dat is voor de overheid een uiterst aantrekkelijke positie. De overheid kijkt met een geordend perspectief en ziet enkel wat in onze ordeningen past. De rest is chaos. Maar alles heeft zijn prijs. De prijs is dat de overheid steeds minder ontvankelijk wordt voor wat burgers bezig houdt en voor wat er in de maatschappij speelt. Die leefwereld van burgers bestaat wel maar kan niet doordringen tot de formele wereld van de overheid. De relatie tussen beide werelden is gespannen omdat ze fundamenteel van elkaar verschillen. Ze bestaan juist vanwege de onverenigbaarheid. Tegelijkertijd kunnen ze elkaar niet ontkennen. Burgers stellen eisen aan het functioneren van de overheid en omgekeerd worden ze geconfronteerd met regels die door de overheid dwingend worden opgelegd.

Het lijkt erop dat die spanning alsmaar toeneemt. Juridische procedures dwingen telkens weer om begrippen nog preciezer te formuleren. Evaluaties van overheidshandelen bij ongelukken leiden tot nog nauwkeuriger protocollen. Binnen de beleidswereld verwarren we helderheid met gedetailleerdheid. Maar dergelijke inspanningen helpen niet wezenlijk. Het lijkt op wat in het schaakspel bekend staat als een herhaling van zetten: veel beweging op het bord maar geen wezenlijke verandering. Ook speelt mee dat de dynamiek in de maatschappij alsmaar toeneemt. De structuren en instituties uit het verleden passen steeds minder in een moderne samenleving. Ze zijn statisch en hebben geen vat op de dynamiek van een netwerksamenleving die een zekere vluchtigheid kent. Oude structuren verliezen aan betekenis maar behouden niettemin hun positie en geldigheid. Overheid en politiek raken het vertrouwen van burgers kwijt. Men pleit voor vernieuwing maar houdt in wezen het verleden in stand. We zijn geformeerd rond gedateerde problemen en belangentegenstellingen. Het is de confrontatie tussen een geordend beleidskader en een steeds dynamischer maatschappelijke werkelijkheid. Er vinden weliswaar voortdurend aanpassingen plaats maar het zijn veranderingen binnen het formele systeem van bevoegdheden, regels en procedures. Dergelijke aanpassingen verschaffen de illusie van oplossingen maar de echte modernisering blijft uit. Het is alsof je denkt dat je door de tafelschikking te veranderen ook de kwaliteit van het eten kunt verbeteren. De snelheid van de maatschappij is niet bij te benen door steeds gedetailleerder en daardoor tijdrovender procedures. Vernieuwende initiatieven komen niet van de grond omdat de ”Verordening Vernieuwende Initiatieven” dat verhindert.    

Maar niet alleen de snelheid is een probleem. Ook de aard van de maatschappelijke vraagstukken verandert. We maken analyses op basis van te eenvoudige schema’s met causale relaties maar daarmee doen we geen recht aan de maatschappelijke werkelijkheid. De probleemformulering moet hoe dan ook uitmonden in maatregelen en die maatregelen moeten op hun beurt daadkracht uitstralen. De dynamiek van een moderne samenleving is echter te complex en resistent tegen ons redeneren. Maatschappelijke ontwikkelingen zijn vaak niet rationeel en houden zich niet aan onze gedachtenconstructies. De onderliggende krachten laten zich nog niet zo gemakkelijk ontleden in simpele afhankelijkheden en oorzaak-gevolgrelaties. Bovendien veranderen relaties voortdurend. Veel krachten werken op elkaar in en de uitkomst van maatregelen laat zich lastig voorspellen. Zekerheden vallen weg. Het lijkt meer op zijn plaats om niet langer te spreken over het probleem van een complexe werkelijkheid maar te erkennen dat onze beleidsmodellen te simpel zijn.   


Casus Veiligheid

In vroeger tijden was het betrekkelijk eenvoudig te vijand te benoemen. De ene stam trok ten strijde tegen de ander. Later waren het doorgaans staten die met elkaar een conflict uitvochten. Maar thans hebben we te maken met aanslagen die ons volkomen onverwacht kunnen treffen. Als er al sprake is van een strategie, dan wordt die uitgevoerd door aparte cellen die vaak geen of slechts een dunne verbinding met elkaar hebben. Het is het beeld van een guerrilla waardoor het niet meer mogelijk is de vijand in een keer uit te roeien of krachteloos te maken. Georganiseerde criminaliteit roept een vergelijkbaar beeld op. Versterken van de veiligheid roept ook nieuwe en stevige tegenkrachten op. We wensen niet dat de overheid te zeer binnendringt in onze private leefwereld. Dat beperkt de mogelijkheden van de overheid om tijdig over voldoende informatie te beschikken en daarop gebaseerde maatregelen te nemen.           

Onze wens tot beïnvloeding met behulp van beschikbare beleidsinstrumenten doet geen recht aan de veelkleurige werkelijkheid. Voortdurend worden we gedwongen nieuwe definities te formuleren voor situaties die vroeger niet bestonden. Of we moeten bestaande definities zoals die in het beleid vastliggen nog verder specificeren. Zie de belastingwetgeving waar de overheid voortdurend reparaties moet uitvoeren om schijnconstructies, bedoeld om belasting te ontwijken, hun werking te ontnemen. Ons regelsysteem wordt daardoor alsmaar specifieker terwijl maatschappelijke ontwikkelingen steeds complexer worden. Misschien is het meer op zijn plaats om de toenemende complexiteit voor een deel toe te schrijven aan de eenvoud van onze beleidsschema’s. We zijn zo beschouwd zelf de constructeurs van complexiteit. Hoe dan ook, om met Deleuze te spreken: we worden geconfronteerd met vraagstukken die het karakter hebben van een rizoom, met een wortelstelsel dat zich ondergronds onvoorspelbaar en ongeordend vertakt. Door enkel te verwijderen wat zich bovengronds toont laat het zich niet uitroeien. Dan bestrijden we op zijn best symptomen en vaak dat niet eens. Misschien ligt hier ook een verklaring voor de problemen die we ervaren bij de overgang naar een participatiemaatschappij. We kunnen vaak moeilijk omgaan met particuliere initiatieven omdat die niet goed kunnen worden ingepast binnen onze beleidskaders. We willen vernieuwing maar we blijven toetsen aan regels uit het verleden. We houden eraan vast, hoe graag we ook anders zouden willen.

Hoe heeft dit zolang kunnen doorgaan ondanks alle analyses, oproepen en voorstellen? Het eerste punt is dat de overheid, zoals we zagen, het betekeniskader dwingend oplegt. De overheid kan het zich permitteren de ogen en oren te sluiten en buiten beeld te laten wat niet past binnen het stelsel van wetten en daarvan afgeleide regels. Het tweede punt is dat ons juridisch systeem functioneert als slot op de deur. Rechters toetsen aan regels en mogen niet anders. Het systeem, hoewel gedateerd, wordt daardoor steeds weer bevestigd. Het betekeniskader van de overheid mag gebreken vertonen, maar het is juridisch wel stevig verankerd. Wat buiten de context van de regels valt is betekenisloos en kan en mag bij de afweging hooguit een marginale rol spelen. Een derde factor heeft te maken met maatschappelijke structuren. De maatschappij is splitsend georganiseerd rond tegenstellingen uit het verleden en niet rond uitdagingen voor de toekomst. We kennen werkgevers- en werknemersorganisaties, landbouw- en natuurorganisaties. Dergelijke structuren nodigen uit tot distributief onderhandelen, touwtrekkerij en in het ergste geval loogravengevechten. Ook speelt mee dat organisaties hun vertegenwoordiging en bescherming vinden binnen politieke partijen met als gevolg dat de onderliggende belangentegenstellingen ook politieke debatten beheersen. Politieke partijen worden dan al gauw behartiger van deelbelangen. In een recente toespraak wijst Tjeenk Willink op de neiging tot zelfreferentie: hoe onze systemen zichzelf telkens weer bevestigen en juist daardoor het zicht op de buitenwereld verliezen.  

Dat alles leidt ertoe dat de bouwwerken van onze rechtsstaat weliswaar stevig zijn gegrondvest maar gaandeweg hun greep verliezen op de dynamiek van een moderne samenleving. Ze dienen niet meer. Maar vergunningen voor ingrijpende verbouwingen zijn lastig te krijgen. Velen hebben er belang bij de oude structuren in stand te laten en te blijven wonen in verouderde gebouwen. Het zijn symbolen van een verleden. Veel adviseurs in gemeenteland verdienen een boterham als permanente reparateurs van symptomen.    

De gevolgen nemen we dagelijks waar. De spanning tussen de formele en de maatschappelijke werkelijkheid uit zich in hoge transactiekosten. Steeds vaker worden politieke besluiten onderwerp van juridische procedures. Dan gaat het om de vraag of een besluit juridisch stand kan houden. Of een gemeenteraad bevoegd is. Of er sprake is van procedurefouten. De discussie verplaatst zich van de raadszaal naar de rechtszaal en de politieke context wordt vervangen door een juridische. De wilsvraag, die politiek van aard is, wordt overvleugeld door vragen over bevoegdheden en procedures. Het zijn uitingen van een gemankeerd systeem dat steeds verder in zichzelf verstrikt raakt. Gunstige condities voor een implosie dus.  

Vertegenwoordiging

De beide werelden bestaan naast elkaar maar tegelijkertijd kunnen ze elkaar niet ontkennen. Dat maakt de vraag interessant wat er gebeurt op het raakvlak. Hoe groot de verschillen ook zijn, er moet niettemin tussen beide werelden worden gecommuniceerd. Op de eerste plaats moeten de spelers binnen het formele domein eens in de vier jaar het recht vragen opnieuw het spel te mogen spelen. Men is bij verkiezingen afhankelijk van de steun van burgers aan wie nauwelijks is uit te leggen hoe complex het veld is waarbinnen de politiek functioneert. Dat geldt voor het spel zelf maar zeker ook voor de complexiteit van de vraagstukken die op de politieke agenda staan. Dat maakt het lastig verantwoording af te leggen. Verantwoording veronderstelt transparantie maar die is nog niet zo eenvoudig te realiseren wanneer dat kennis van en inzicht in de formele werkelijkheid vraagt. Dat vraagt de bereidheid van burgers zich in het formele domein te verdiepen een aandacht te geven aan wat door velen als betekenisloos zal worden ervaren. Het is een andere planeet. Dat leidt voor politici tot de keuze voor vereenvoudiging. Men moet de sympathie verwerven van burgers en beperkt zich tot aansprekende oneliners of toezeggingen waarvan men zich heel goed realiseert dat het nog niet zo gemakkelijk is om die binnen het complexe beleidsveld te realiseren. Campagnes worden gekenmerkt door manipulatie van beeldvorming. Het gaat niet om de vraag of men staatsman is maar of men de gelijkenis kan oproepen. Profilering van partij en kandidaten staat voorop. Met gewiekste reclamecampagnes wordt geprobeerd een beeld op te roepen dat burgers aanspreekt. Dat is primair verwijtbaar aan de politiek die in verkiezingstijd burgers benadert als manipuleerbare objecten en niet als zelfstandige burgers.

Die manipulatie is overigens tweezijdig. Voor burgers roept het bestaan van twee werelden de vraag op hoe men betekenisvol kan communiceren met de overheid wanneer binnen het overheidsdomein een heel andere taal wordt gesproken. Wat plaatsvindt is dat datgene wat burgers beroert zodanig wordt geherformuleerd dat dit betekenis heeft voor de overheid. Wie zich tot de rechter wendt met de klacht dat men zich onrechtvaardig behandeld voelt door de overheid, zal zijn klacht moeten herformuleren. We hebben nu eenmaal geen “Verordening Gevoelens” waar de rechter aan kan toetsen. Hij maakt meer kans bij de rechter wanneer hij kan aantonen dat de overheid bij het bestreden besluit heeft gehandeld in strijd met de geldende regels. Die herformulering veronderstelt bekendheid met de regels zoals die gelden en vraagt de nodige creativiteit en behendigheid. Dat is het werk van advocaten en adviseurs. Daarbij wordt er dankbaar gebruik gemaakt van het feit dat de overheid bij de uitvoering van beleid is gebonden aan steeds strakkere en gedetailleerdere regels. Dat biedt volop ruimte om een overheidsorgaan te verwijten niet te hebben gehandeld in overeenstemming met die eigen regels. Relatief onbelangrijke vormfouten worden aangevoerd om daarmee onwelgevallige besluiten onderuit te halen. Er worden argumenten aangevoerd die voor burgers betekenisloos zijn maar die binnen de overheidssfeer uiterst relevant zijn. Is de juiste procedure gevolgd? Was het overheidsorgaan wel bevoegd? Was het besluit voldoende gemotiveerd? Waren alle aspecten wel uitputtend onderzocht? Wat plaatsvindt heeft vaak het karakter van een spiegelgevecht dat zelfs voor de betreffende burger nauwelijks is te volgen. In formele procedures wordt het betekeniskader van de overheid met al zijn definities en regels als uitgangspunt genomen met als doel diezelfde overheid op overtreding van regels te betrappen of op handelen in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur. Er wordt dankbaar gebruik gemaakt van het feit dat de lat voor de overheid hoog is gelegd. Het uit zich in een toenemend aantal procedures en overbelasting van de organen van bestuursrechtspraak. De overheidsregels worden als uitgangspunt genomen in de wetenschap dat rechters slechts aan die regels mogen en zullen toetsen. Vervolgens dienen diezelfde regels om het optreden van de overheid op correctheid te beoordelen. Los van de vraag wat me van die regels vindt, ze bieden in ieder geval volop gelegenheid de overheid verwijten te maken. De stortvloed aan juridische procedures en de ruime faciliteiten op het terrein van rechtsbescherming maken de overheid kwetsbaar omdat het alsmaar lastiger wordt eraan te voldoen. Verwijzend naar Serres zou je in zekere zin kunnen spreken van parasitair gedrag. De burger respecteert de regels van de overheid en benut die tegelijkertijd om overheidshandelen te ondergraven. De overheid wordt geconfronteerd met zichzelf. De parasiet respecteert de waardplant en holt die gelijktijdig uit.   

Wat is nodig voor verandering?

De noodzakelijke veranderingen zijn ingrijpend. Aanpassingen binnen het bestaande systeem zullen geen uitkomst bieden. Die kunnen de kloof met wat burgers betekenisvol vinden niet overbruggen. De overgang is aan de orde naar een ander systeem dat voor burgers transparant is en dat tevens in staat stelt de vraagstukken van een moderne samenleving op te lossen . Dat is nog niet zo eenvoudig, alleen al omdat het bestaande systeem met al zijn regels, bevoegdheidsverdeling en procedures zo stevig is verankerd. De noodzakelijke systeemvernieuwing vraagt primair omslagen in denken en het ter discussie stellen wat thans vanzelfsprekend is. De definities in onze wetten en verordeningen bepalen vaak heel precies wat binnen de definitie valt maar de uitdaging is om niet enkel te kijken naar wat de definitie omvat maar juist naar wat ze uitsluit. Om met Michel Serres te spreken: juist de chaos, juist datgene wat niet in onze ordeningen past, bevat de kiemen voor vernieuwing. Dat betekent een totale omkering in ons denken. De volgende omslagen zijn daarbij aan de orde.

De eerste omslag is dat we ruimte maken voor beleving van burgers en ons niet langer beperken tot wat we rationeel achten, tot wat kan worden beredeneerd. Dus niet een kruispunt als veilig beschouwen nadat we eerst “veiligheid” aan de hand van objectieve maatstaven (het aantal dodelijke aanrijdingen, het aantal meters uitzicht) hebben gedefinieerd om vervolgens inbreng van burgers dat ze de situatie als onveilig beleven terzijde te schuiven. We moeten emoties toelaten als uitingen van hoe burgers situaties beleven. Thans lopen emoties voortdurend het risico rationeel te worden benaderd. Juist daardoor worden ze ontdaan van hun kern en voelen burgers zich miskend. De leefwereld van burgers toelaten en er betekenis aan geven houdt ook in dat we niet langer uniformiteit dwingend opleggen maar variatie toelaten. Dat betekent dat er aardig moet worden huisgehouden in het woud aan regels en daarop gebaseerde jurisprudentie. En ook dat gelijkheid en uniformiteit als illusies moeten worden ontmaskerd. We moeten het Huis van Thorbecke ontdoen van mythes en ficties. Zoals de fictie dat een minister op de hoogte kan zijn van alle besluiten die op een willekeurige dag op een ministerie worden genomen en daarvoor verantwoordelijk kan worden gehouden. Of het uitgangspunt dat iedere burger de wet dient te kennen. Dat is natuurlijk onmogelijk maar die fictie is nodig omdat zonder die fictie een burger zich bij overtreding van regels zou kunnen verschonen door zich er met succes op te beroepen dat de regel hem niet bekend was. Het zijn ficties maar die ficties zijn uiterst functioneel omdat zonder deze hoekstenen het gebouw van Thorbecke kan instorten.

De tweede omslag heeft betrekking op ons concept van burgerschap. Meer ruimte geven voor wat burgers bezighoudt is een kant van de medaille. Er is ook een andere kant. Burgers zijn dragers van de democratische rechtsstaat. De relatie tussen kiezer en gekozene is de centraal en dragende relatie in een democratische rechtsstaat. Dat besef is zoek. Thans is sprake van een context van vrijblijvendheid. Een burger kan zich uitputten in kritiek op overheid en politiek en tegelijkertijd zich onttrekken aan iedere verantwoordelijkheid. Die vrijblijvendheid moet worden vervangen door een context van verantwoordelijkheid. Aanspreken op verantwoordelijkheid gebeurt echter vanuit de politiek, zeker in verkiezingstijd, nauwelijks. Dan is de burger minder belangrijk maar zijn stem des te meer. Burgers worden thans niet benaderd als drager van verantwoordelijkheid maar ze moeten gunstig worden gestemd. Het raakt de kern van een democratie.

De derde omslag is dat we de drang tot ordening opzij moeten zetten. Ordening betekent het zoeken naar uniformiteit. Organiseren betekent dat die uniformiteit vervolgens dwingend wordt opgelegd. We leven daardoor in een mentaal voorgeprogrammeerde werkelijkheid. In plaats daarvan is de uitdaging aan de orde het onverwachte en het oncontroleerbare onder ogen te zien.

Gevolg is ook, en dat is de vierde omslag, dat we niet meer vanzelfsprekend kunnen vertrouwen op bestaande instituties. Onze organisaties zijn gebaseerd op vanzelfsprekendheden en als die onderwerp van discussie worden valt de basis onder onze organisaties weg. Ze waren bedoeld als instrument en middel om zaken beter te laten verlopen maar worden een steeds grotere hinderpaal voor noodzakelijke vernieuwing. Onze belangenstructuren houden de problemen uit het verleden in stand en belemmeren de aanpak van de vraagstukken van een moderne samenleving. De ruiven van de overheid nodigen daar ook vaak toe uit. Geld wat bedoeld is om tot systeemdoorbraken te komen wordt vanuit kennisinstellingen vaak primair gezien als een middel om de continuïteit van de eigen instituties te zekeren. Gevestigde belangen en structuren leiden in een poldercultuur tot het elkaar de bal toespelen. Onder het mom van het ontwerpen van de toekomst reproduceren we zo het verleden. Ook onze gezagsstructuren werken belemmerend. Hiërarchie verliest aan betekenis en we moeten op zoek naar andere organisatieprincipes. Wederkerigheid bijvoorbeeld als basis om burgers zowel naar elkaar als naar de overheid te verplichten.

De vijfde omslag hangt hiermee samen en heeft betrekking op vervanging van de context van belangen naar de context van waarden. Bestaande instituties zijn uitdrukking van en georganiseerd rond belangentegenstellingen die de stap naar echte vernieuwing blokkeren. Probleemformuleringen op het niveau van belangen nodigen uit tot compromissen over regels, tot uitzonderingen en tot vertragingstactieken. De onderliggende problemen worden zo in stand gehouden. De vraagstukken van onze moderne samenleving vragen om thematisering op het niveau van waarden. Echter, debatten op ideologisch niveau vinden in de politiek steeds minder plaats. Een voorbeeld vormt de landbouw. Het beleid met betrekking tot de productie van voedsel raakt steeds verder verstrikt in complexe regelgeving. Handhaving van regels vraagt buitengewoon grote inspanningen. Steeds weer is sprake van spanningen tussen een economisch georiënteerde landbouw en een ecologisch verantwoord beheer van de omgeving. Schaalvergroting in de landbouw wordt door velen gezien als oorzaak van problemen en tegelijkertijd wordt schaalvergroting vanuit de landbouw gepresenteerd als oplossing om zo op internationaal vlak te kunnen blijven concurreren. Het politieke debat wordt gekenmerkt door conflicterende belangen in plaats van inspiratie te vinden in waarden zoals rentmeesterschap. Waarden inspireren, belangen doen dat zelden of nooit.

De zesde omslag betreft het schaalniveau. Schaalvergroting wordt ook binnen de overheid gezien als een vanzelfsprekende noodzaak. Dat raakt ook het gemeentelijk niveau. Kleine gemeenten zijn niet toekomstbestendig, zo is de overheersende overtuiging. Gemeentelijke herindelingen zijn onontkoombaar. Vaak wordt daarbij als argument gebruikt dat kleine gemeenten de deskundigheid missen om beleidsvragen goed aan te pakken. Slechts zelden wordt daarbij de vraag gesteld hoe het komt dat het formuleren en uitvoeren van beleid zo ingewikkeld is geworden dat kleinere gemeenten daar niet goed toe in staat zijn. Wat zijn de onderliggende redenen dat beleidswerk in toenemende mate een kwestie is geworden van juristen? Is dat niet een gevolg van het feit dat we onze beleidskaders steeds complexer maken waardoor die steeds verder en steeds vaker vastlopen? Is de roep om schaalvergroting niet een vlucht voor ons eigen onvermogen? In gelijke zin worden bevoegdheden van gemeenteraden steeds verder uitgehold door samenwerkingsverbanden waar individuele raadsleden, partijen en gemeenten steeds minder invloed op hebben. In plaats daarvan is de omslag aan de orde naar schaalverkleining. We moeten naar de burgers toe organiseren en niet van de burgers vandaan. Problemen oplossen op het laagste niveau. De druk naar harmonisatie weerstaan en differentiatie ruimte geven. Inrichting en beheer van straten en wijken decentraliseren en ruimte geven aan burgers om eigen oplossingen aan te dragen en daarvoor de verantwoordelijkheid te dragen. Kort en goed, de nieuwe beleidskaders moeten variatie toestaan in plaats van te dwingen tot uniformiteit.       

De zevende omslag betreft de overgang van een statisch beleidskader naar dynamiek. De veelgeprezen stabiliteit die van de overheid zou mogen worden verwacht is te absoluut en te ver doorgevoerd en werkt hinderend bij de overgang naar een moderne netwerksamenleving. Dynamiek zal permanent zijn en we moeten de verleiding weerstaan de ene statische structuur te vervangen door een andere. Dat helpt niet om antwoorden te vinden op toenemende vluchtigheid van relaties en een voortdurende stroom van nieuwe technologie. Kritisch wordt of de instituties van de toekomst kunnen meebewegen en in staat zijn tot zelfcorrectie.       

Al met al is sprake van een ingrijpende verandering van perspectief. Dat is lastig want het betekent het opgeven van zekerheden c.q. het ontmaskeren van zekerheden als schijnzekerheden. Denken we werkelijk dat we de afstand tot burgers kunnen overbruggen door intern de procedures te veranderen? Of andere vergaderstructuren? Of nog meer twitteren? Nodig is dat we onze kijk op de werkelijkheid veranderen. Dat zal leiden tot andere handelingspraktijken, tot nieuwe mogelijkheden om te interveniëren, tot inzicht waarom gebruikelijke interventies niet werken. Nu bekijken we de wereld vanuit het perspectief van onze ordeningen, vanuit de toedeling van bevoegdheden. Verandering van perspectief biedt nieuwe vergezichten, experimenten en creativiteit. Er moet een houding zijn van ontwerpen van wat nodig is in plaats van behouden wat we hebben. Het bestaande als vijand van het toekomstige.

Hoe zijn die omslagen te realiseren?

Een eerste opmerking is dat het niet terecht zou zijn te stellen dat we vanaf een nulpunt moeten beginnen. Er zijn al veel kiemen van verandering. Velen zijn overtuigd van de noodzaak en er zijn al tal van voorbeelden waarbij mensen initiatieven hebben genomen om tot ingrijpende vernieuwing te komen. Er wordt hier en daar ervaring opgedaan met nieuwe organisatievormen. Buurderijen bijvoorbeeld in plaats van boerderijen. De nieuwe Omgevingswet is ook bedoeld om meer ruimte te scheppen en los te komen van een veel te ver doorgevoerd en star systeem. Maar het is tekenend dat de invoering ervan jaren moest worden uitgesteld, juist omdat bestaande regels een krachtige belemmering vormen.

De aangegeven veranderingen zijn dus ingrijpend. We kunnen daarbij niet terugvallen op gebruikelijke regels en processen. Die hebben immers de problemen veroorzaakt en/of houden ze in stand. We moeten ook de illusie loslaten dat er sprake kan zijn van een min of meer geordend en gepland proces. Het is eerder een zoektocht in het onbekende die grote inzet, lef en creativiteit vraagt. Het roept het beeld op van een ongebaand pad of, zoals Serres stelt, van expedities op de oceaan, nieuwe passages vinden in een zoektocht naar nieuwe landen. Je weet niet wat je onderweg tegenkomt en welke ervaringen je gaat opdoen. Er is ook geen nauw omschreven einddoel. We zijn op zoek naar vernieuwing en kunnen ons daar pas een voorstelling van vormen wanneer we die hebben geconstrueerd. Voorstellingsvermogen is belangrijk en we moeten de verleiding weerstaan om het nieuwe al vooraf te definiëren. De instrumenten uit het verleden helpen niet omdat die telkens terug leiden naar bestaande paden. Ook is er geen garantie van succes. Slechts de gedeelde noodzaak van verandering en de bereidheid de tocht te ondernemen zijn wezenlijk. Kortom, je kunt deze transformatie niet regelen in traditionele zin door het proces te plannen en te faseren. Het proces is inspiratie-gedreven in plaats van hiërarchisch gestuurd.

Consequentie is ook dat er vrije zoek- en experimenteerruimte nodig is die niet binnen het bestaande beleidssysteem kan worden gevonden. Dat stelt eisen aan de positionering van het proces. Het pleit voor een bypass-constructie, een positie buiten de geldende kaders met als opdracht nieuwe instituties te ontwerpen, daarmee ervaring op te doen en ervan te leren.

Dergelijke processen kunnen niet worden overgelaten aan bestaande politieke partijen. Dat zijn relicten uit het verleden die het spel beheersen waardoor het systeem juist is vastgelopen. Het ligt meer voor de hand vrijdenkers in te schakelen die gemotiveerd zijn. Het doet een groot beroep op voorstellingsvermogen, op denken en ontwerpen buiten bestaande kaders. Kunstenaars op institutioneel terrein dus.

Wat betekent dat voor raadsleden?

De politiek is aan zet maar het is allerminst vanzelfsprekend dat die de noodzakelijke stappen zet. De wereld van de gemeentepolitiek wordt in het algemeen gekenmerkt door braafheid. Er wordt groot gewicht toegekend aan de vraag of de juiste procedures op een correcte wijze worden doorlopen. Veel nadruk wordt gelegd op vragen rond bevoegdheden. Uitgebreide discussies over onderwerpen zoals vergaderstructuren en vergadertechniek. Scherpslijperij over verschillen tussen moties en amendementen. Daar weten we veel van. Of neem het dualisme dat langzamerhand juist door de nadruk op juridische aspecten en procedures is dood gediscussieerd. Van een onafhankelijker positie van de Raad ten opzichte van het College, wat toch centraal stond bij de invoering van het dualisme, is nauwelijks sprake. Vaste patronen laten zich maar moeilijk veranderen.     


Tegelijkertijd is het mijn vaste overtuiging dat de voorgestelde veranderingen nergens beter kunnen beginnen dan op gemeentelijk en lokaal niveau. Daar zijn de kansen het beste om in betekenisvol overleg met burgers tot nieuwe praktijken te komen, die op hun uitvoerbaarheid te testen en vooral te leren van ervaringen. Aandacht voor wat voor burgers betekenisvol is kan enkel plaatsvinden in voortdurende dialoog met die burgers zelf.  


De noodzakelijke verandering gaat ten diepste om het nemen van verantwoordelijkheid voor verandering. Wil je als raadslid aan die verandering werken of kies je de rol het spel te spelen dat de afgelopen decennia tot het vastlopen van het systeem heeft geleid? Wil je, als het om verandering gaat, een plek op de barricade of kies je de positie van remmer-in-vaste-dienst? Leg je de nadruk op je rol om beleidskaders vast te stellen of geef je meer gewicht aan je rol als volksvertegenwoordiger? Beperk je je tot het uitleggen aan burgers waarom de gemeentepolitiek functioneert zoals die functioneert of ben je aanspreekbaar op het doorvoeren van verandering en vernieuwing? Hecht je eraan binnen de formele lijntjes te kleuren en daarmee het systeem te bevestigen of wil je de ruimte buiten de regels verkennen om zo tot nieuwe praktijken te komen? Laat je je dresseren binnen een mentaal voorgeprogrammeerd politiek systeem en confronteer je vernieuwers telkens weer met de regeltjes uit het verleden of wil je creatief werken aan vernieuwing? Parafraserend op Marcel Legaut: velen starten hun politieke leven als origineel maar verlaten de politiek als kopie.    


Je inzetten voor ingrijpende verandering vraagt veel energie. De tegenkrachten zijn sterk. Er is sprake van cultuurbepaalde processen van disciplinering die veelal impliciet hun werk doen. Er liggen geen expliciete beslissingen aan ten grondslag. Wat vanzelfsprekend wordt geacht hoeft immers geen onderwerp van afweging te worden.  

Het betekent dat je vanzelfsprekendheden tot onderwerp van discussie maakt. Je gaat op zoek naar nieuwe vormen om te voorkomen dat een nieuwe en moderne maatschappij door oude politiek wordt gekluisterd. Het vraagt een Gideonshouding: overtuigd werken aan verandering hoe sterk de tegenkrachten ook zijn. Ten diepste gaat het daarbij niet om wat je hebt bereikt maar om wat je eraan hebt gedaan, wat jouw inzet is geweest. Dat vraagt een houding van onafhankelijkheid. En het vraagt vooral een sterke inspiratie om te doen wat nodig is en de weigering je inspiratiebronnen te laten bevlekken door politiek gedoe over procedurele regeltjes. Of door oproepen tot fatsoen terwijl de geldende normen binnen het politie domein juist zijn bedoeld om de regeltjes van een gedateerd politiek systeem na te leven. De politieke cultuur is gericht op bevestiging, niet op vernieuwing. Kortom, het is dus lang niet altijd dankbaar werk. Wat door burgers wellicht wordt gewaardeerd, zal binnen het formele domein op fors verzet stuiten. Het is de spanning tussen de kracht van inspiratie en de macht van bevoegdheden.


Van lokale partijen wordt vaak beweerd dat ze een directere band hebben met burgers, dat ze dichter bij de mensen staan. Maar aan de orde is de vraag of ze die positie ook inzetten voor verandering. De noodzakelijke veranderingen kunnen nergens beter beginnen dan op gemeentelijk niveau waar de ontmoeting tussen kiezer en gekozene het meest concreet en direct is. Lokale partijen hebben bestaansrecht voor zover ze die positie benutten om aan verandering te werken. Ze zitten niet vast aan vaak nauwsluitende kaders van landelijke partijen waarbij kleine aanpassingen van procedures worden gepresenteerd als voorbeelden van innovatie en ware creativiteit maar in wezen weinig meer zijn dan een reproductie van het verleden. Lokale partijen hebben dus de ruimte om zich in te zetten voor vernieuwing. Doen ze dat niet, dan verliezen ze voor een belangrijk deel hun bestaansrecht omdat ze de vervreemding tussen politiek en burgers dan mede in stand houden.   

Literatuur

Gilles Deleuze & Felix Guattari, Rizoom, 1998

Marcel Legaut, Devenir soi, rechercher le sens de sa propre vie, Bibliothèque du Cerf, 2000

Michel Serres and Bruno Latour, Conversations on Science, Culture and Time, Ann Arbor: University of Michigan Press, 1995

Michel Serres, The Parasite, University of Minnesota Press, 2007

Herman Tjeenk Willink, Maak mensen niet ondergeschikt aan het systeem, Toespraak Bestuurdersdag VNG, december 2017

Mathieu Wagemans, Een oceaan van betekenisloosheid, een kritische analyse van beleid, politiek en wetenschap met een verwijzing naar de filosofie van Michel Serres, Digitalis, 2016

**********************************



Boeren en burgers moeten samen werken aan gezonde leefomgeving

Mathieu Wagemans is Raadslid voor Ronduit Open in Leudal (L)

Opiniebijdrage Dagblad Trouw van 9 november 2017

Een van de meest actuele en ernstige problemen op het platteland vormt de spanning tussen intensieve veehouderij en de omgeving. Daar zijn diverse oorzaken voor aan te wijzen. Het aantal bedrijven is weliswaar fors afgenomen maar de overblijvende bedrijven zijn enorm in omvang gegroeid. Natuurlijk kan ook meespelen dat we minder dan vroeger bereid zijn overlast te aanvaarden. Op de derde plaats is de functie van het buitengebied veranderd. Landbouw is niet meer de enige functie maar toerisme, recreatie en zorg zijn belangrijke bronnen van inkomsten geworden in het buitengebied.

Veel is al geprobeerd om de spanning tussen de intensieve veehouderij en de omgeving op te lossen of in ieder geval te verminderen maar de spanning neemt eerder toe dan af. Ook de politiek is hevig verdeeld. Verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en de economische belangen van bedrijven lijken niet verenigbaar.

Bij dergelijke schijnbaar onoplosbare vraagstukken kan het lonen afstand te nemen en zich te verdiepen in de aard van het probleem. De huidige veehouderij is een sector die groot kon worden door toepassing van nieuwe technologie. De huidige bedrijven zijn niet meer vergelijkbaar met de situatie zo’n 40 jaar geleden. De stijging van de productiviteit was ongekend. Wanneer die modernisering tot problemen leidt, bijvoorbeeld door uitstoot van ammoniak en fijnstof, is er een groot vertrouwen dat nieuwe technologie die wel zal oplossen. Als we veel te veel mest produceren, dan zal nieuwe technologie ons in staat stellen die milieuvriendelijk te verwerken.

Het is een vreemde tegenstelling. De huidige problemen zijn veroorzaakt doordat nieuwe technologie schaalvergroting noodzakelijk maakte en tegelijkertijd kunnen die problemen slechts worden opgelost door nog meer schaalvergroting. Immers, enkel door schaalvergroting kunnen de kosten van nieuwe technologie zoals luchtwassers worden verdeeld over meer dieren om zo de kostprijs in de hand te houden.

We moeten groeien om te kunnen overleven. De oplossing is met zichzelf op de loop gegaan.

Dat proces waarbij schaalvergroting zowel het probleem als de oplossing vormt is wel eens vergeleken met een tredmolen. Je moet blijven rennen om de beweging in stand te houden. Stilstand is achteruitgang. De intensieve veehouderij is een typisch voorbeeld van een sector waarin nieuwe technologie geen hulpmiddel meer is maar waarin we zelf de gevangene van de vooruitgang zijn geworden. We moeten groeien om te kunnen overleven. De oplossing is met zichzelf op de loop gegaan. We willen graag anders maar we kunnen niet meer.

Om dat proces te doorbreken is een ander perspectief nodig. Uitgangspunt daarbij moet zijn dat boeren en burgers een gezamenlijk belang hebben bij een gezonde leefomgeving. Een benadering is om uit de tegenstelling te treden en de mogelijkheden van een omgevingcoöperatie of buurtschap te verkennen. Een dergelijke organisatie neemt verantwoordelijkheid voor het beheer en heeft als doel om gezamenlijk op basis van onderling gemaakte afspraken gedurende een overgangsperiode naar een voor alle betrokkenen aanvaardbare eindsituatie toe te werken. Zowel boeren als burgers zijn er lid van. Die gemaakte afspraken kunnen vervolgens door de gemeente in een Bestemmingsplan worden vastgelegd zodat er niet langer sprake is van vrijblijvende intenties. Boeren en burgers worden veroordeeld tot elkaar. De nieuwe Omgevingswet biedt ruimte voor dergelijke vernieuwing. Dat vraagt van allen de bereidheid die nieuwe weg op te gaan. De landbouw profileert zichzelf graag als een sector die buitengewoon modern is. Wat toepassing van nieuwe technologie betreft is dat inderdaad het geval Maar nu wordt gevraagd ook modern te gaan denken op een ander terrein. Dat biedt meer perspectief dan telkens weer de randen van de wet op te zoeken en met buren slechts te communiceren in de achterzaaltjes van de Raad van State.


*************************


Tot in detail uitgewerkte regels verlammen politiek en bestuurders

OPINIE Dagblad Trouw augustus 2017

Volgens Mathieu Wagemans, raadslid in Leudal, hebben bestuurders nauwelijks nog ruimte om besluiten te nemen.

Rechtswetenschapper Jan Brouwer neemt afstand van het gedrag van burgemeesters die zich niet aan de regels houden zoals die in onze rechtsstaat gelden (Trouw, 2 augustus).

Hij voelt vermoedelijk meer voor de Amersfoortse burgemeester Lucas Bolsius, die zich - zoals het een burgervader formeel betaamt - meteen bij de harde gevolgen van het Nederlandse uitzettingsbeleid neerlegde en niet meeliep in de 'Hartentocht' voor de ondergedoken kinderen van de uitgezette Armeense moeder.

Strikt juridisch gezien is Brouwers betoog heel logisch, maar hij gaat voorbij aan een dieper gelegen probleem waarmee onze rechtsstaat kampt. Dat heeft niet te maken met de beginselen van onze rechtsstaat, maar met de wijze waarop we die hebben uitgewerkt.

Geen willekeur

Basis voor onze rechtsstaat is de scheiding van wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht. Die strikte scheiding was bedoeld om willekeur uit te bannen en het overheidssysteem zelfcorrigerend te maken. Maar wat is daarvan terechtgekomen?

Gaandeweg hebben de beginselen van behoorlijk bestuur een uitwerking gekregen die letterlijk te mooi is om waar te zijn. Met veel gevoel voor detail worden regels opgesteld, die vervolgens via jurisprudentie nog verder worden genuanceerd.

Gevolg daarvan is dat de lat voor politici en bestuurders in de praktijk zo hoog gelegd is dat men er nauwelijks meer overheen kan. Nieuwe regels moeten voldoen aan zoveel eisen dat dit aanzienlijke afbreuk doet aan de effectiviteit ervan. Rechters hebben enorme ruimte bij de beoordeling van de vraag of een overheidsbesluit voldoet aan het motiveringsbeginsel. Heel gemakkelijk kan worden geoordeeld dat een besluit is gebaseerd op onvoldoende onderzoek.

Het gelijkheidsbeginsel werkt zo uit dat er altijd wel weer een uitspraak te vinden is waarop een burger zich in een juridische procedure met succes kan beroepen. Planologisch beleid is verstrikt geraakt in juridische discussies. De gemeenteraad heeft formeel de bevoegdheid om bestemmingsplannen vast te stellen, maar ieder voorstel voor verandering loopt de grote kans op juridische bezwaren te stuiten. Beleidsmatige argumenten worden opzij geschoven en overbelast door juridische afwegingen.

Rechtvaardigheid is verworden tot vaardigheid in het recht

We hebben een stelsel opgebouwd dat niet alleen de ruimte voor politieke besluitvorming beperkt, maar ook de handelingsruimte voor bestuurders. Dat is één kant van het verhaal. De andere kant is dat de verfijnde en uiterst gedetailleerde uitwerking van regels burgers aanzienlijke ruimte geeft om op te komen tegen hun onwelgevallige besluiten. Juridische spitsvondigheid loont. Het beginsel van rechtvaardigheid is verworden tot vaardigheid in het recht.

Het door Brouwer afgekeurde optreden van enkele 'sheriffburgemeesters' roept de vraag op of we in ons rechtsstelsel niet te zeer zijn doorgeschoten. Hebben we misschien een juridische schijnwereld geconstrueerd die niet alleen niet voldoet aan het maatschappelijk rechtsgevoel, maar die in zijn tegendeel gaat verkeren? Hoe rechtvaardig is het dat een misdrijf onbestraft blijft, omdat het OM een onbeduidende vormfout heeft gemaakt?

De rechterlijke macht is niet meer corrigerend maar heeft gaandeweg de wetgevende en uitvoerende macht ingeperkt. Het evenwicht binnen de trias politica raakt verstoord. De eerste stap om dit vraagstuk aan te pakken is de erkenning daarvan. Maar er rust een groot taboe op. Kritiek op de uitwerking die we aan de rechtsstaat hebben gegeven wordt telkens weer op één lijn gesteld met kritiek op de beginselen die aan de rechtsstaat ten grondslag liggen.

***********************************

Voorwoord Herman Wijffels in "Een oceaan van betekenisloosheid"

Voorwoord

Onze moderne maatschappij is niet meer te vergelijken met die van 50 of 100 jaar geleden. Op vrijwel ieder terrein is grote vooruitgang geboekt. Onze welvaart is toegenomen, we maken gebruik van nieuwe technologie, we kunnen ook veel sneller over veel meer informatie beschikken, we zijn mondiger geworden. Maar de modernisering heeft ons ook voor nieuwe problemen gesteld. Denk aan milieuvraagstukken, aan het veranderend klimaat, aan stromen vluchtelingen, aan veiligheid. We leven in een globaliserende wereld en kunnen er onze ogen niet voor sluiten. Globalisering heeft ook nieuwe afhankelijkheden met zich meegebracht. Denk aan de effecten van de financiële crisis. Bovendien, dichter bij huis, verandert de rol en positie van de burger. We worden opgeroepen tot verantwoordelijkheid in de overgang naar een participatiemaatschappij. Dat is nog niet zo eenvoudig . Het vraagt nieuwe vaardigheden en vooral de bereidheid daartoe. Gezamenlijkheid na een lange periode van individualisering.

Mathieu Wagemans heeft vele tientallen jaren deze en soortgelijke problemen ervaren, zowel beleidsmatig binnen de rijksoverheid, als op gemeentelijk niveau in de politiek als raadslid en wethouder. Al die tijd heeft hij een bijzondere belangstelling gehad voor de vraag waarom onze rationele beleids- en planningsmodellen vaak niet goed werken. Een continu proces van reflectie op zijn ervaringen heeft geleid tot dit boek. Het bevat een analyse die een stuk dieper gaat dan wat aan de oppervlakte zichtbaar is. Verdiepend ook door ruim gebruik te maken van filosofische inzichten en die te koppelen aan de praktijk.

Op grond van die analyse worden voorstellen gedaan voor verandering, zowel met betrekking tot de politiek, het overheidsbeleid als de wetenschap. Maar daarmee wordt niet volstaan. Het boek bevat ook een uitgebreid hoofdstuk over hoe die ingrijpende veranderingen zouden kunnen worden gerealiseerd.

Het resultaat van deze reflectie op vele jaren ervaring in beleid en politiek, is een publicatie die op onderdelen als confronterend kan worden ervaren maar tegelijkertijd als uitdagend en inspirerend. Veel aandacht wordt besteed aan de filosofie van de Franse filosoof Michel Serres. Die staat bekend als een buitengewoon onorthodox denker die tal van vanzelfsprekendheden onderuit haalt. Volgens hem kunnen we niet langer vertrouwen op bestaande structuren. Ik ben dat met hem eens. De structuren van de industriële maatschappij hebben ons gebracht tot waar we nu zijn, maar zijn sociaal-organisatorisch en ecologisch versleten, niet goed genoeg voor de 21e eeuw. We staan aan het begin van een nieuwe fase in de ontwikkeling van de samenleving. We moeten op ontdekkingstocht, nieuwe vormen vinden voor de manier waarop we leven, werken en ons organiseren. Dat vraagt vooral de moed op weg te gaan. En ook het besef dat krampachtig vasthouden aan oude zekerheden de zekerste manier is om ze kwijt te raken. Zoals stevig knijpen in een handvol zand je met lege hand achterlaat. Serres gebruikt daarvoor het beeld dat we onze eilanden moeten verlaten en de oceaan opgaan, want daar ligt de ruimte, nieuwe mogelijkheden. Steeds meer mensen en bedrijven beginnen dat ook te doen. Het echte leven in onze maatschappij speelt zich steeds meer af buiten onze formele systemen of, in de terminologie van Serres, buiten onze eilanden. Deze tijd vraagt er om niet langer een verdedigende houding aan te nemen en weg te kruipen achter de dijken, maar de toekomst open tegemoet te treden. Door dat laatste te doen en met nieuwe inzichten kennis en technologie vorm te geven aan de volgende ronde in de maatschappelijke ontwikkeling, ontstaat weer perspectief waarin mensen betekenis kunnen geven aan hun leven en daarvoor zelf verantwoordelijkheid nemen.

Dit boek zal aanzetten tot denken en naar ik hoop ook inspireren om de daad daaraan toe te voegen.   

Herman Wijffels

*********************************

Van confrontatie via een dialoog naar constructie

De tijd dat de overheid besluiten nam en vervolgens die naar burgers communiceerde ligt al lang achter ons. We vinden dat beleid tot stand moet komen in samenspraak met burgers. Het is belangrijk dat burgers gelegenheid hebben om in te spreken zodat met hun wensen en opvattingen rekening kan worden gehouden. Is het beleid eenmaal vastgesteld, dan vinden we evaluatie van het beleid belangrijk. Welke ervaringen hebben burgers met het nieuwe beleid? Voldoet het aan de verwachtingen? Hoe beoordelen burgers het beleid? Op basis van welke aannames, uitgangspunten, associaties, ervaringen? Kortom, communicatie rond beleidsvorming is een aparte wetenschap geworden.

De ervaring leert echter ook dat communicatie in beleidsprocessen ondanks alle goede bedoelingen in de praktijk nog niet zo eenvoudig is. Burgers kunnen tegengestelde belangen hebben. Dan bestaat het risico dat communicatie touwtrekkerij wordt tussen conflicterende belangen. Op zijn best mondt dat uit in een broos compromis maar dat werkt meestal niet, hooguit tijdelijk. Men heeft stellingen betrokken en niet zelden is sprake van vijandbeelden van elkaar.

Maar ook voor de overheid is communicatie vaak lastig. Overheidsbeleid is vastgelegd in tal van wetten en verordeningen. daarin is doorgaans heel gedetailleerd vastgelegd wat "in de zin van deze regeling moet worden verstaan onder ...." waarna een lange lijst van definities volgt. Die kunnen niet zomaar opzij worden geschoven. Dat kan ook riskant zijn omdat een enkele opmerking of suggestie van een beleidsmedewerker later uit zijn verband kan worden getrokken. Partijen kunnen er juridisch verwachtingen aan koppelen. Of, nog sterker, het bieden van een opening kan grond vormen voor planschadeclaims.

Een voorbeeld van een beleidsterrein waarbinnen sprake is van een dicht gedefinieerd systeem vormt de ruimtelijke ordening. Heel nauwkeurig is bepaald wat een bouwwerk is, een erfafscheiding, wanneer sprake is van een industriële activiteit of van aanwezige natuurwaarden. Om tot een creatieve en betekenisvolle dialoog te komen kunnen al die definities een belangrijke sta-in-de-weg vormen. Ze beperken de ontwerp- en communicatieruimte voor beleidsambtenaren. Dan is het lastig betekenis te geven aan wat burgers betekenisvol vinden maar wat buiten de definities valt zoals die vastliggen in wetten en regelingen. Toch is dat nodig wanneer we vernieuwing willen. Bestaande definities helpen dan niet maar nodigen juist uit tot een herhaling van zetten.

De Franse filosoof Michel Serres (in Nederland vrij onbekend maar in Frankrijk gezaghebbend) benadrukt in zijn boeken dat de betekenis van een definitie niet is wat die definitie omvat maar juist wat wordt buitengesloten. Serres vraagt aandacht voor wat buiten de definities van het beleid valt maar wat niettemin voor burgers betekenisvol kan zijn. Hij roept het beeld op van eilanden waarop overheden en wetenschappers geweldig druk zijn met zichzelf terwijl het werkelijke leven zich afspeelt in de oceaan tussen de eilanden. Hij pleit ervoor expedities te ondernemen om de werkelijkheid te leren kennen zoals burgers die beleven. Dat betekent bijvoorbeeld aandacht voor gevoelens die we in ons beleid vaak weg definiëren. Oog krijgen voor wat buiten beeld blijft. Definities bieden de overheid zekerheid maar voor burgers kunnen ze een bron zijn van onzekerheid. Hoe worden nieuwe regels geïnterpreteerd? Kan ik mijn activiteiten wel voortzetten als het nieuwe bestemmingsplan van kracht wordt?

Een goede dialoog geeft juist aandacht aan wat buiten beeld blijft. Wat is de wereld achter de belangen zoals die worden gearticuleerd? Wat is betekenisvol voor burgers en hoe kan daarmee rekening worden gehouden binnen nieuw beleid? En hoe kunnen we voorkomen dat bestaande beleidsregels de zoekruimte voor nieuw beleid zodanig inperken en dat nieuw beleid niet een reproductie van bestaand beleid vormt? Hoe kunnen we gevoelens van rechtvaardigheid, gelijkheid en zekerheid aan bod laten komen zodat er een dialoog kan ontstaan die verder gaat dan een botsing van belangen en daarop gebaseerde standpunten?

Samengevat: een betekenisvolle dialoog is nog niet zo eenvoudig maar tegelijkertijd harder nodig dan ooit in een situatie waarin we in menig opzicht zijn vastgelopen in complexe regelgeving die vernieuwing vaker belemmert in plaats van faciliteert. Dat vraagt om een nieuwe communicatiecontext, om ruimte die in staat stelt tot betekenisvolle communicatie, om een basis van vertrouwen in plaats van bevoegdheden. Het vraagt bovenal om procesvernieuwing en training in vaardigheden om dergelijke processen te ontwerpen en te begeleiden. Voor de overheid vraagt het vooral het loslaten van bestaande beleidskaders en het inzicht dat die beleidskaders vaak slechts schijnzekerheid bieden. Vooral vraagt het lef om ongebaande paden te verkennen. De invoering van de nieuwe Omgevingswet die het bestaande systeem van bestemmingsplannen moet gaan vervangen en juist ruimte wil geven aan wat burgers betekenisvol vinden is een uitgelezen kans tot een waarachtige dialoog te komen en de vernieuwing te realiseren die met de nieuwe wet wordt beoogd. We volgen de processen op de voet!

****************************

Bureaucratie doodt inspiratie

We moeten de overstap maken van de systeemwereld naar de leefwereld

(geschreven op verzoek van Verkenners Limburg)

Wereldwijd staat Nederland bekend als een land waar we de zaken keurig op orde hebben. Dat geldt niet alleen voor de aangeharkte tuintjes maar vooral ook voor de wijze waarop we alles hebben georganiseerd en geordend. Regels geven aan hoe we ons hebben te gedragen. We hebben heel precies bevoegdheden verdeeld. Overheidsbesluiten komen niet via willekeur tot stand maar via zorgvuldig georganiseerde processen.  

Maar in tijden van ingrijpende veranderingen kunnen al die regels ook een hinderpaal vormen voor verandering. De omslag naar een participatiesamenleving is daar een treffend voorbeeld van. We willen de rol van de overheid terugdringen en bevorderen dat burgers zelf initiatieven nemen en zich gaan gedragen als verantwoordelijke burgers. Vaak echter blijken regels dan een lastige sta-in-de-weg.

De Franse filosoof Michel Serres staat nogal kritisch tegenover de overdreven drang naar ordening. Ieder ordening werkt uitsluitend. Wat niet binnen onze ordeningen valt raakt buiten beeld. Of anders gezegd, de waarde van een definitie is niet wat binnen de definitie valt maar juist wat wordt buitengesloten. Serres vraagt juist aandacht voor die “buitenwereld”. Hij roept het beeld op van eilanden waar overheid en wetenschappers vreselijk druk zijn met zichzelf maar het echte maatschappelijke leven speelt zich af op de oceaan tussen de eilanden.

Ik moest daaraan denken toen ik begin februari de bijeenkomst van de Verkenners bijwoonde in Heerlen. Mij viel op hoe ambtenaren en medewerkers van zorg- en welzijnsinstellingen enerzijds graag ruimte wilden bieden aan nieuwe initiatieven maar tegelijkertijd zich beperkt voelden door geldende regels en de cultuur binnen hun organisatie. Er zijn sterke krachten die steeds weer dwingen de bekende en platgetreden paden te volgen en die het betreden van ongebaande paden belemmeren. Onze cultuur van regels en protocollen staat haaks op het lopen van risico’s. We kunnen het onverwachte niet goed aan. In plaats daarvan kiezen we liever voor wat binnen onze ordeningen en regels past. We weten wat we hebben en gaan onzekerheid liever uit de weg. Maar, zo stelt Serres, de antwoorden op onze vragen moeten we juist buiten onze ordeningen, buiten onze eilanden zoeken. De zekerheid van onze ordeningen is een schijnzekerheid. Regels dwingen om het verleden te herhalen in plaats van de toekomst te ontwerpen. We moeten de systeemwereld verlaten en de leefwereld van burgers leren kennen. Dat vraagt lef maar de beloning is dat we weer de inspiratie vinden die we juist door de overdaad aan regels gaandeweg zijn kwijtgeraakt.   

******************************************

Een waardenloze economie

Fractieleider Pechtold van D66 wenst een bonus van 500 euro voor werkenden. Dat klinkt sympathiek en zal mogelijk kiezers trekken. Maar het voorstel is ook tekenend voor hoe de politiek functioneert. Op de eerste plaats is het de zoveelste uiting van hoe partijen proberen met sympathiek ogende voorstellen de gunst van de kiezer te krijgen. In al die pogingen wordt de kiezer niet aangesproken als de centrale actor in onze democratie. Hij wordt niet aangesproken om verantwoorde en mogelijk pijnlijke keuzes te maken maar wordt gezien als klant van de politiek die gunstig moet worden gestemd en die een rijk gevulde ruif wordt voorgehouden. Partijen richten zich op deelbelangen en nodigen burgers uit hun eigen voordeel als maatstaf te nemen. Aan de AOW mag niet worden getornd, de pensioengerechtigde leeftijd moet omlaag, het salaris van onderwijzers moet omhoog. Er zijn kortom weinig partijen die zich aan die tendens onttrekken. Zalvende uitspraken en bevestiging van het eigenbelang bepalen de campagnes. Daarmee wordt de burger niet erkend in zijn centrale en dragende rol van de democratie maar wordt de kiezer naar de mond gepraat en geschreven. Zo wordt de democratie uitgehold. Is het vreemd dat burgers de politiek de rug toekeren omdat die slechts in verkiezingstijd de weg naar de burger weet te vinden om daarna weer op te gaan in een voor burgers ondoorzichtig spel?

De tweede overweging is inhoudelijk van aard. Het voorstel geeft blijk van een eng-economische kijk op de samenleving. Wie werkt moet worden beloond omdat werkenden volgens Pechtold "de kern van de samenleving vormen". Het is een pleidooi tot nog verdere verzakelijking van de samenleving zonder oog te hebben voor maatschappelijke gevolgen. Zie de zorg waar juist het economisch denken ervoor heeft gezorgd dat vrijwilligers en mantelzorgers dergelijke uitwassen van het economisch denken moeten compenseren. Ziekenhuizen en zorginstellingen krijgen de exploitatie nauwelijks rond. Vrijwilligers nemen taken over die voorheen door betaalde krachten werden uitgevoerd. Die nadruk op economie heeft ervoor gezorgd dat er zich vormen van hulpverlening hebben ontwikkeld die vanuit een economische bril geen waarde hebben, enkel en alleen omdat vrijwilligerswerk binnen ons economisch systeem waardeloos is. Het vraagt lef om die situatie nog te verergeren door slechts diegenen die binnen ons economisch systeem actief zijn extra te waarderen en gemakshalve te veronderstellen dat vrijwilligers toch wel hun werk blijven doen. Het werkt verdere ontwrichting in de hand. Nog ernstiger is dat vrijwilligerswerk niet zelden wordt misbruikt doordat men er geld aan verdient. Zie de integratie van vluchtelingen waarbij vrijwilligers een onmisbare rol spelen en formele organisaties via projecten geld binnenhalen voor werk dat geheel of vrijwel geheel door vrijwilligers wordt uitgevoerd. Die laatsten moeten het doen met een aai over de bol of een vrijwilligersspeld terwijl zij met hun inzet niet zelden professionele organisaties in stand houden.

De tweedeling in onze samenleving zal nog scherper worden wanneer we doorgaan ons economisch systeem en vooral de enge waardebasis ervan als gegeven en als onvermijdelijk te accepteren. Dat systeem werkt splitsend en zou door politici moeten worden gerepareerd in plaats van bevestigd. Voor een partij, zoals D66, die vernieuwing predikt is er werk aan de winkel. De krachten die uit zijn op eigenbelang zijn immers al sterk genoeg en hoeven niet te worden versterkt.

Thieu Wagemans is raadslid in Leudal en publiceerde recent ”Een Oceaan van Betekenisloosheid, een kritische analyse van politiek, beleid en wetenschap met een verwijzing naar de filosofie van Michel Serres”

Zie: www.ontganiseren.nl

****************************************

Onderstaande bijdrage verscheen 19 januari 2017 in Dagblad Trouw

We moeten ongemakkelijke waarheden niet uit de weg gaan

Mathieu Wagemans

Het valt met verschillen in onze samenleving wel mee, stelt onderzoeker Tiemeijer (WRR). Trouw benadrukt in een commentaar hoe belangrijk het is dat we verschillen niet uitvergroten door feiten verkeerd te interpreteren en steekt ook de hand in eigen boezem (Opinie, 14 januari). We moeten vertrouwen kunnen hebben en houden in de wetenschap en in objectieve journalistiek.

Ik meen dat beide analyses kenmerken hebben van oppervlakkigheid. Ze gaan uit van de veronderstelling dat er sprake is van een eenduidige werkelijkheid. Feiten zijn in die opvatting onomstreden, in tegenstelling tot meningen en standpunten die persoonlijk gekleurd zijn. Filosoof Immanuel Kant stelde al forse vraagtekens bij dat uitgangspunt. Volgens hem kunnen we de werkelijkheid slechts benaderen aan de hand van de categorieën van het verstand. Wij geven betekenis aan de werkelijkheid en vormen ons een beeld. De werkelijkheid krijgt voor ons betekenis door de betekenis die we er zelf aan toekennen. Die betekenissen zijn geen onderdeel van de werkelijkheid maar we zijn er zelf de constructeurs van.

Er is nauwelijks een domein waarin dat sterker naar voren komt dan in de politiek. Partijen nemen op basis van hun onderliggende waarden en uitgangspunten de werkelijkheid gekleurd waar. Men vindt inkomensverschillen ontoelaatbaar of juist verdedigbaar. Onze samenleving is duurzamer geworden terwijl anderen vinden dat de milieuproblemen juist zijn toegenomen. Statistieken geven aan dat de criminaliteit afneemt terwijl veel burgers zich onveiliger voelen.

In debatten probeert men het eigen beeld van de werkelijkheid dominant te maken. Discussies krijgen het karakter van manipulatie om zo het eigen beeld van de werkelijkheid door de meerderheid geaccepteerd te krijgen. Dat beeld leggen we vervolgens vast in regelingen. Die beginnen doorgaans met een artikel waarin nauwkeurig wordt omschreven “wat in de zin van deze regeling moet worden verstaan onder …”. Zo reduceren we de maatschappelijke werkelijkheid tot een regelbare en juridisch houdbare werkelijkheid. Wat buiten de definities valt is juridisch niet relevant.

Wat burgers bezig houdt loopt het risico te worden genegeerd omdat het binnen ons formele domein betekenisloos is. Dat probleem wordt terzijde geschoven door er het etiket “onderbuikgevoelens” op te plakken.

Je moet er niet aan denken dat Wilders de macht krijgt maar zijn functie om te benoemen wat burgers van betekenis vinden moet niet worden onderschat. Ieder volwassen systeem, zeker een politiek systeem moet ruimte bieden aan ongemakkelijke waarheden die dat systeem met de eigen grenzen confronteert. Gebeurt dat niet dan zijn onze systemen niet meer zelfcorrigerend, omdat ze het zich kunnen permitteren het eigen gemankeerde wereldbeeld op te leggen aan de buitenwereld.

De Franse filosoof Michel Serres vergelijkt onze systemen (wetenschap, politiek, kunst) met eilanden die ieder hun eigen waarheid hebben en nauwelijks in verbinding staan. Men is vreselijk druk met zichzelf terwijl het echte leven zich op de oceaan afspeelt. We kunnen slechts noodzakelijke veranderingen bereiken door onze eilanden te verlaten en de oceaan op te gaan. Dat vraagt bereidheid onze vanzelfsprekendheden ter discussie te stellen en schijnzekerheden te ontmaskeren. Doen we dat niet, dan blijven we onszelf reproduceren. Pogingen om vervreemding tussen overheid en burgers tegen te gaan hebben dan geen effect. Door te stellen dat het met de verschillen in onze maatschappij wel meevalt, verschaffen we onszelf de legitimatie voor tevredenheid. De wereld staat in brand maar het rampenteam constateert met voldoening dat de ramp zich keurig volgens het draaiboek voltrekt.

Mathieu Wagemans is Raadslid in Leudal

******************************************




Calculeren met Integriteit

De Limburgse kranten publiceerden op 21 september 2016 onderstaande opinie.

De Limburger bericht op 14 september jl. uitvoerig over de opvattingen van gouverneur Bovens naar aanleiding van de affaire Tilman Schreurs. Dat dhr Bovens van zich laat horen is nodig en logisch aangezien ook door hem steeds weer het belang van een integere overheid wordt benadrukt en zijn functie verantwoordelijkheid met zich meebrengt.

Over zijn inbreng valt het nodige te zeggen. Hij pleit voor een soort strafbankje voor bestuurders en politici die hebben gehandeld in strijd met de integriteit. Hij maakt een kritische opmerking over de commissarissen van OML die hebben ingestemd met voortzetting van het dienstverband van Tilan Schreuers en hebben verzuimd welke consequentie dan ook te verbinden aan overtreding van de integriteitscode binnen OML.

Wat Bovens doet is een onderscheid voorstellen. Lichte overtredingen mogen een bestuurder niet al te zwaar worden aangerekend. Hij vermijdt zorgvuldig een uitspraak te doen over de vraag die aan de orde is, namelijk welke gevolgen moeten worden verbonden aan een strafrechtelijke veroordeling wegens ambtelijke corruptie. Zijn idee van een strafbankje suggereert dat hij zich wel kan vinden in het aanblijven van Tilman Schreurs. Los van de inhoud van zijn opvatting stelt het teleur dat iemand die zichzelf zware verantwoordelijkheid toekent op het vlak van integriteit om de hete brei heen danst en geen grenzen wenst te trekken. Dat zie je vaak in het openbaar bestuur. Men stelt dat men niet aan zet is maar dat de besluitvorming bij anderen ligt. Formeel klopt dat maar het zijn formele redeneringen die ertoe strekken de eigen verantwoordelijkheid uit de weg te gaan. Ik acht een dergelijke opstelling niet in overeenstemming met zijn eigen verantwoordelijkheid op het vlak van integriteit die hij wel telkens claimt maar niet wenst in te vullen.

Een tweede opmerking is dat de idee van een strafbank heel goed past in het procedureel oplossen van inhoudelijke vragen. Je mag, zoals in de sport, enkele minuten niet meespelen en daarna is alles weer in orde. Dat kan bij overtredingen in de sport maar is dat ook de oplossing voor vragen op het vlak van integriteit? Het nodig tuit tot calculerend gedrag. Je weet wat de straf is bij overtredingen en als je die straf aanvaardbaar vindt staat de deur open voor losjes omgaan met integriteit. De boete iis ingecalculeerd. Je maakt integriteit een kwestie van afweging. Integriteit leent zich niet voor dergelijke procedurele oplossingen. Handelen in strijd met de integriteit biedt geen basis voor vergoelijking.

Een derde opmerking is dat men zich graag verschuilt achter de rechtspraak. Of men stelt allerlei regels op. Zolang je niet kunt worden betrapt op overtreding ervan ben je integer. De regels bieden zo een dekmantel. Het is tekenend dat bestuurders klagen dat ze niet meer kunnen besturen omdat ze anders het risico lopen niet-integer te hebben gehandeld. Dat zegt iets over de bestaande bestuurspraktijk en bestuurscultuur binnen de overheid en het zegt ook iets over een volstrekt gebrek aan helderheid over wat de handelingsruimte is voor bestuurders en politici. Om die helderheid te krijgen zijn debatten en besluiten nodig in de volle openbaarheid. Integriteit is een van de weinige onderwerpen in het openbaar bestuur waar burgers een mening over hebben, vaak heel uitgesproken. Het is treurig dat dergelijke discussies vaak niet in volle openbaarheid mogen worden gevoerd en dat diegenen die eerst verantwoordelijk zijn voor een goede bestuurscultuur zich bij het scheppen van helderheid en het aangeven van grenzen inhoudelijk op de oppervlakte wensen te houden en zich beperken tot opmerkingen van procedurele aard. Zo zijn ze medeschuldig aan een cultuur waarin integriteit telkens weer gedoe oplevert.

Thieu Wagemans, is raadslid in Leudal

*************************************

Niet-integer omgaan met integriteit

De Limburgse kranten publiceerden op 25 augustus onderstaande opiniebijdrage

De Limburger van 24 augustus jl. bericht dat de Raad van Commissarissen van OML (Ontwikkelingsmaatschappij Midden Limburg) heeft besloten dat Directeur Tilman Schreurs mag blijven ondanks zijn veroordeling door de rechter vanwege ambtelijke corruptie. De Rechtbank sprak uit dat er sprake was van strafbaar gedrag van de Directeur OML. Het ging dus niet om de vraag of het gedrag niet netjes was en ongewenst was maar er was volgens de Rechtbank sprake van handelen in strijd met de regels. Dat er vanwege de negatieve effecten van de zaak voor dhr Tilman Schreurs, zoals langdurige publiciteit, geen strafoplegging volgde doet aan de vastgestelde overtreding van regels niet af. De Raad van Commissarissen van OML baseerde het besluit om dhr Tilman Schreurs in functie te laten op het argument, zo lezen we, dat hij moeilijk kon worden gemist en goed had gefunctioneerd. Met name dat argument geeft te denken.

De laatste jaren worden raadsleden overstelpt met verhalen van ministers, Commissarissen van de koning en burgemeesters over het belang van integriteit. Er worden cursussen aangeboden. Er wordt heel wat over afgepraat. Dikke rapporten en beleidsnota’s worden geschreven Met veel gevoel voor detail worden criteria geformuleerd waar overheidsdienaren aan moeten voldoen. Uitgangspunt daarbij is wat oud-minister Dales ooit sprak: “Een beetje integer bestaat niet”. Integriteit is uitzonderlijk belangrijk, dat moge duidelijk zijn.

Maar als het erop aankomt is de oude cultuur blijkbaar moeilijk uit te roeien. Wanneer het ons niet goed uitkomt zetten we al die mooie verhalen over integriteit even in de koelkast en regeren de belangen en het geld. Integriteit wordt een kwestie van afweging waarbij integriteit niet meer zelfstandig wordt beoordeeld maar wordt afgewogen tegen andere belangen. En als het ons even niet goed uitkomt, dan moet integriteit even wijken. Het is zo beschouwd een typische demonstratie van de oude Limburgse cultuur dat er altijd redenen zijn te verzinnen om wat van waarde is (integriteit in het openbaar bestuur) even niet waardevol te vinden. Men had met betrekking tot de handelwijze van Tilman Schreurs kunnen stellen dat men het helemaal geen probleem vindt wanneer medewerkers van OML zich laten fêteren door projectontwikkelaars. Men had kunnen redeneren dat dit gebruikelijk is in het bedrijfsleven. Men had kunnen overwegen dat men mogelijk zelf ook niet altijd brandschoon is geweest. Of dat integriteit minder belangrijk is dan men wel eens beweert. Dat had allemaal gemogen en het zou de commissarissen hebben gesierd wanneer ze dat alles ronduit en open hadden verteld. Maar dat was kennelijk teveel gevraagd. De zaak werd op de ouderwetse manier afgedaan. Men zocht een redenering om een inhoudelijk afgewogen besluit op het vlak van integriteit uit de weg te gaan. Daarmee verspelen commissarissen en allen die mede verantwoordelijkheid dragen voor dit besluit ieder recht anderen op het belang van integriteit te wijzen. Wie zelf door zijn handelen integriteit als basiswaarde geen absolute betekenis toekent maar andere belangen zwaarder laat wegen geeft daarmee aan op niet integere wijze om te gaan met integriteit. Het is het oude verhaal. De praktijk is altijd sterker dan de leer.

Thieu Wagemans is raadslid in Leudal

*******************************

Vriendjespolitiek mag      

Opiniebijdrage, gepubliceerd in de Limburgse kranten op 2 augustus 2016

Het vonnis in de zaak van Rey heeft veel reacties opgeleverd. Veel reacties wekten de indruk dat men reeds vooraf een uitgesproken mening had over de vraag of de handelwijze van van Rey wel of niet toelaatbaar was. Dat is logisch maar helpt ons niet veel verder bij de vraag wanneer er sprake is van strafbare ambtelijke corruptie. De Rechtbank kreeg waardering voor het “genuanceerde” vonnis maar het is de vraag of dat vonnis de helderheid heeft gebracht waar velen naar uitkeken. Want wat was de redenering van de Rechtbank? De Rechtbank maakte een onderscheid tussen gedrag waarvan moest worden aangenomen dat het vooral door de vriendschappelijke relatie tussen van Rey en van Pol werd bepaald en gedrag waarin de zakelijke relatie tussen wethouder en projectontwikkelaar domineerde. Dat is op het eerste gezicht merkwaardig. Het onderhouden van vriendschappelijke relaties wordt zo grond voor schulduitsluiting. Als je maar vriendschappelijke banden onderhoudt met zakelijke relaties kun je van overtreding van regels worden vrijgepleit. In zijn uiterste vorm wordt dat een premie op vriendjespolitiek. Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn. Bovendien, wanneer domineert de vriendschapsrelatie en wanneer staan zakelijke aspecten voorop? Waarom mag in de villa van van Pol in Zuid Frankrijk over zakelijke onderwerpen worden gesproken omdat de vriendschapsrelatie overheerste en waarom is een uitnodiging voor een interlandwedstrijd vooral zakelijk? Wie het weet mag het zeggen. Een dergelijk vonnis nodig uit tot gekissebis over definities. Mag een wethouder naar een nieuwjaarsreceptie van een bedrijf? Of een bedrijfsjubileum met een aangekleed feestprogramma over de grens? Of enkel wanneer hij zelf de reiskosten betaalt? Nu is ambtelijke corruptie natuurlijk moeilijk aantoonbaar. Het zal zelden voorkomen dat een bestuurder een bedrag krijgt overgemaakt met als vermelding “beloning voor bewezen vriendendienst”.

Er is een andere insteek denkbaar die naar mijn mening een betere opstap vormt voor strafbaarheid van corruptie. Ik herinner aan het oordeel van de Commissie van Drie die in de zeventiger jaren het handelen van Prins Bernhard onderzocht in de Lockheedaffaire. De Commissie oordeelde dat prins Bernhard “zich had begeven in situaties die de indruk konden wekken dat hij gevoelig was voor het aannemen van geschenken”. Vanuit dat perspectief is de aandacht en dus de strafbaarheid niet gebaseerd op het daadwerkelijk aantonen van corruptie maar wordt het verboden zakelijke en niet-zakelijke banden door elkaar te laten lopen. Dat zou betekenen dat iedere minister, wethouder, of politicus situaties dient te vermijden waarin hij de schijn van belangenverstrengeling kan oproepen. Een dergelijke omschrijving van strafbare feiten kan betrokkenen weerhouden van dubieus gedrag. In wezen is dat in het belang van zowel samenleving als betrokkenen. De samenleving is zo verzekerd van een hoge drempel om corruptief gedrag te vermijden maar ook voor bestuurders en raadsleden is dat positief. In situaties waarin zowel sprake is van vriendschaps- als zakelijke banden kan de betrokkene zich niet verweren tegen aantijgingen en kan hij geen verantwoording afleggen voor zijn gedrag. Hij is ervan afhankelijk of zijn verhaal wel of niet wordt geloofd. Dat maakt hem kwetsbaar. Beter is het om situaties te voorkomen waarin men zich niet meer overtuigend kan verdedigen of verantwoorden.

In de zaak van Rey zou deze opvatting tot de dubbele conclusie leiden dat zijn gedrag voor zover corruptie aan de orde was, niet strafbaar was maar dat het in de toekomst door wetsaanpassing wel strafbaar moet worden.   

Thieu Wagemans is raadslid in Leudal

************************************************

Waardigheid boven waarde

(Opiniebijdrage in de Limburger en Limburgs Dagblad, 13 juli 2016)

Het kort geleden gepresenteerde onderzoek van het RIVM heeft overtuigend aangetoond dat de intensieve veehouderij een negatieve invloed heeft op de gezondheid van omwonenden. Die omwonenden wisten dat al lang maar politieke partijen, het CDA voorop, bleven halsstarrig het argument gebruiken dat er geen probleem was zolang het verband niet overtuigend was aangetoond. Tietallen jaren lang vond men de snelle groei van het aantal varkens en kippen belangrijker dan de gezondheid van mensen. Steeds weer werd gewezen op het belang van de veehouderij voor de export. Dat is een eenzijdig verhaal. Op de eerste plaats werd het veevoer voor al die miljoenen dieren voor een belangrijk deel geïmporteerd. Ook accepteerde men lange tijd de negatieve invloed van de veehouderij op de omgeving. Natuurwaarden moesten wijken voor economisch gewin. Er ontstond een enorm mestoverschot met negatieve invloed op bodem , grond- en oppervlaktewater. Vele jaren lang werden overheidsmaatregelen tegengehouden of vertraagd. En vervolgens werden telkens weer uitzonderingen in regels opgenomen om het effect ervan te verminderen. Het resultaat is een uiterst ingewikkeld stelsel van regels dat zowel overheid als ondernemers handenvol geld kost. Wanneer al die externe effecten van de intensieve veehouderij zouden worden meegerekend zou het heel goed kunnen zijn dat de intensieve veehouderij geen groot economisch belang voorstelt maar zelfs verliesgevend is. Dat er winst wordt gemaakt komt voor een belangrijk deel omdat negatieve gevolgen ervan worden afgewenteld. Daar komt bij dat men de gevangene is geworden van een proces van schaalvergroting dat geen einde kent. Al vele jaren lang moeten kleine bedrijven stoppen en blijven een steeds geringer aantal zeer grote bedrijven over die vervolgens genoodzaakt zijn nog verder te groeien. Het is een ratrace.


Ontelbaar zijn de waarschuwingen tegen deze ontwikkeling maar beleidsmakers en politici toonden zich doof en blind. Ruim tweehonderd jaar geleden stelde de filosoof Kant dat we een onderscheid moeten maken tussen goederen die een prijs hebben (en die dus verhandeld kunnen worden) en zaken die waardigheid hebben en die dus van een hogere orde zijn. Natuur, milieu en gezondheid zijn er voorbeelden van. Wat er is gebeurd is dat de waardigheid moest wijken voor economisch gewin. Problemen die door schaalvergroting werden veroorzaakt zouden, zo wilde men ons doen geloven, worden opgelost door nieuwe technologie. Telkens weer leidde dat tot verdere schaalvergroting en nieuwe problemen. Technologie was de oplossing en de problemen die toepassing van nieuwe technologie met zich meebracht zouden door nieuwe technologie worden opgelost. Enz. Men rent in cirkels rond en heeft geen tijd signalen serieus te nemen omdat men te druk is met rennen.


Natuurlijk is de klacht van veehouders terecht dat burgers weliswaar kritiek hebben op de intensieve veehouderij maar dat ze tegelijkertijd als consumenten goedkoop vlees kopen en zo mede het probleem in stand houden. Burgers dwingen zo tot verdere kostenverlaging en dus tot grootschalige productie. Dat proces moet worden doorbroken. Nodig is dat we het houden van dieren en de productie van voedsel niet langer als een economische activiteit zien maar dat we kleinschalige verdienmodellen ontwikkelen waarin boeren en burgers met elkaar zaken doen. Een pleidooi dus voor verdienmodellen waarin burgers en boeren elkaar kennen en waarin de anonimiteit wordt doorbroken die nu kenmerkend is. Dan kan het gesleep met dieren ophouden en krijgen we regionale en lokale voedselmodellen. Voedselproductie en daaraan verbonden zorg voor milieu, natuur en landschap leent zich niet voor een strikt economische benadering. Kant wist dat al. Nu de politici nog.


Mathieu Wagemans is Raadslid in Leudal          



Een gemankeerd politiek systeem


Het recente referendum heeft de tongen losgemaakt over de vraag hoe we ons politiek systeem kunnen verbeteren. Er worden tal van voorstellen gedaan over het minimum aantal vereiste stemmen, over welke vragen aan burgers worden voorgelegd enz. Maar naar mijn overtuiging zijn de problemen dieper en omvangrijker dan verondersteld. Een eerste probleem is dat we een beleidssysteem hebben opgetuigd waarin we de wereld hebben gereduceerd tot een beïnvloedbare wereld. Ongeacht welke problemen zich voordoen, we verwachten van de overheid die die met enkele welgemikte interventies voor oplossingen zorgt. Dat is weliswaar een illusie maar die houden we liever in stand dan onvermogen onder ogen te zien. Een tweede vraagstuk is dat we beleid hebben vastgesnoerd in een juridische context die nauwelijks nog dynamiek en vernieuwing toelaat. Innovatieve voorstellen belanden al gauw in de prullenmand omdat de juridisch niet haalbaar zijn. Ons beleidssysteem laat slechts verandering toe wanneer die binnen het beleidssysteem past. In plaats van de toekomst te ontwerpen reproduceren we telkens weer het verleden. De problemen van onze moderne samenleving zijn simpelweg groot en te complex om binnen onze beleidscontext effectief aan te pakken. Globalisering vraagt om een wereldwijde aanpak maar zelfs als er afspraken tot stand komen blijkt de uitvoering gebrekkig. Het internationale karakter van de economie neemt alsmaar toe en daarmee de mogelijkheden tot afwenteling van zowel milieu- als sociale problemen. Door ons consumptiegedrag maken we kinderarbeid elders winstgevend. Dat kan doorgaan omdat een gezaghebbende internationale autoriteit ontbreekt. De Panama papers illustreren dat de praktijk van belastingheffing aanzienlijk afwijkt van wat we op papier zo goed dachten te hebben geregeld.

Het drama van onze democratie is dat we een systeem hebben opgebouwd waar we zo hoge eisen aan stellen dat het gedoemd is tot teleurstelling te leiden. We zijn niet meer ontvankelijk voor wat burgers bezighoudt, simpelweg omdat we niet in staat zijn om daar serieus op te reageren. Ons regelcomplex en de fijnmazige toedeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden maakt het onmogelijk problemen in te passen. We definiëren de werkelijkheid zodanig dat die in onze regelingen past. Daardoor blijft er steeds meer werkelijkheid buiten beeld. De politiek is alleen geïnteresseerd in problemen die met beleidsinstrumenten kunnen worden opgelost. Andere problemen bestaan niet, althans niet voor politici en beleidsmakers. Burgers worden echter dagelijks met de praktijk geconfronteerd met als gevolg dat het vertrouwen in de politiek afneemt. De vraagstukken van een moderne samenleving passen niet meer in onze schema’s en beleidscategorieën. We hebben de democratische lat zo hoog leggen dat we niet meer in staat zijn eroverheen te springen.

Wat nodig is dat de uitgangspunten van ons democratisch systeem kritisch tegen het licht worden gehouden en worden getoetst aan de praktijk van een moderne samenleving. Het is mijn overtuiging dat dit leidt tot een systeem waarin we minder hoge eisen stellen gaan stellen aan onze democratie. Doorslaggevend is de vraag of politieke partijen de moed hebben een dergelijke analyse te maken en burgers duidelijk te maken dat wat ze van de politiek verwachten irrealistisch is. Dat vraagt temeer moed omdat die illusies juist door politici zijn geconstrueerd met als dieptepunt de periode voorafgaand aan verkiezingen. Helaas beschikken politici over aanzienlijke vaardigheden om dergelijke vragen uit de weg te gaan en ze te detecteren. Men denkt een fundamenteel probleem in onze democratie op te lossen door een iets andere procedure of door weer een nieuwe organisatie. Zolang echte moed ontbreekt kunnen nieuwe partijen enorme successen boeken, enkel en alleen omdat ze verwoorden wat in onze beleidssysteem buiten beeld blijft. Daarmee zijn dergelijke partijen zelf de illustratie van een gemankeerd politiek systeem.

Thieu Wagemans is Raadslid in Leudal en werkt aan een publicatie over de gebreken van ons beleids- en politieke systeem

Opiniebijdrage n.a.v. Bonnetjesaffaire op Ministerie van Justitie

Gepubliceerd op 4 februari 2016 in Limburgse kranten

Ambtelijke loyaliteit heeft een keerzijde

Het bericht dat  op het Ministerie van Justitie opdracht is gegeven te verhinderen dat een document op tafel zou komen dat de Minister in de problemen zou kunnen brengen levert een stroom van kritiek op. Dat is begrijpelijk. Maar het lijkt wat gemakkelijk zich te beperken tot voor de hand liggende kritiek dat de openheid geweld is aangedaan. Iedereen die bekend is met de gang van zaken binnen een Ministerie weet dat alles erop is gericht de Minister uit de wind te ouden. Kamervragen worden zodanig beantwoord dat kritische informatie wordt vermeden. Men beschikt over grote vaardigheden om rond de waarheid  heen te draaien zonder deze geweld aan te doen. Dat is vaak ook nodig. De Minister is formeel voor alles verantwoordelijk wat duizenden ambtenaren dag in dag uit regelen en besluiten. Natuurlijk is dat een fictie. Het is een mens nu eenmaal niet gegeven van alles op de hoogte te zijn, laat staan zich met alle beslissingen te moeten bezighouden. Dat is een illusie die echter niet ter discussie mag worden gesteld. Anders stort het kaartenhuis van het openbaar bestuur in elkaar. En dus wordt er alles aan gedaan de Minister niet in problemen te brengen.

Maar ambtelijke loyaliteit heeft ook een keerzijde. Het betekent dat een organisatie niet meer ontvankelijk is voor informatie die het Ministerie slecht uitkomt. Het is een belangrijke kwaliteit van ambtenaren vooraf in te schatten of informatie de Minister in problemen kan brengen. Die eigenschap staat bekend als “beleidsgevoeligheid”. Nog een stap verder is wanneer nieuwe medewerkers worden geselecteerd op het vermogen om problemen buiten de ministeriele tent te houden. Dat leidt tot een cultuur waarin de top van een Ministerie voortdurend wordt bevestigd in de opvatting dat alles naar wens verloopt en dat alle besluiten verstandig zijn. Dan is er voor kritiek geen plaats meer. Dan verliest een overheid de relatie met wat er in de maatschappij speelt. De wereld staat in brand maar binnen de Haagse kaasstolp is alles in orde. Het is de keerzijde van ambtelijke loyaliteit. Resultaat is een organisatie die zich rondwentelt in het eigen gelijk en zich dat ook kan permitteren.

Een dergelijke cultuur is niet typisch voor Ministeries maar zal binnen vrijwel elke willekeurige grote organisatie herkenbaar zijn. Medewerkers worden geselecteerd op zelfbevestiging van de managers. Er ontstaat geestelijke inteelt. In dergelijke situaties is nodig dat er ruimte komt voor afwijkende geluiden, dat mensen worden gestimuleerd voorstellen op tafel te leggen, ook als die niet passen binnen het beleid. Dat geldt zeker wanneer er sprake is van ingrijpende problemen die om een oplossing vragen. Dan kom je er niet met de zoveelste reorganisatie of het zoveelste verhaal over een nieuwe strategie. Dat vraagt om leiders die kritisch vermogen om zich heen verzamelen. Dergelijke leiders zijn helaas nog te zeldzaam. Zie de ervaringen van klokkenluiders die met informatie komen die de top van de organisatie onwelgevallig is. Nog steeds lopen klokkenluiders het risico dat ze door de klepel van het management zodanig hard geraakt worden dat ze aan de zijlijn belanden of, zoals dat heet, naar de uitgang worden begeleid. Er is geen plaats meer voor hen. Het zou heel goed zijn wanneer het incident binnen het Ministerie van Justitie wordt aangegrepen om de bredere vraag te stellen hoe dit soort incidenten kon gebeuren.

Thieu Wagemans is Raadslid in Leudal en schreef een proefschrift over ambtelijke oppositie binnen een Ministerie   

Gelijkheid als illusie

Onderstaande opiniebijdrage verscheen 5 januari in de Limburgse kranten


Wilders vaart er wel bij

Op 21 oktober 2015 verscheen de volgende bijdrage in de Limburgse kranten

Wilders vaart er wel bij


Politiek beseft niet dat ingrijpende vernieuwing nodig is


Het optreden van Wilders heeft zoals gebruikelijk weer veel reacties opgeroepen. Los van het woordgebruik wordt hem ook verweten dat het ongepast en ontoelaatbaar is kritiek te uiten op de organen van onze democratische rechtstaat. Daarbij gaat men voorbij aan het onderscheid tussen de beginselen van onze rechtstaat en hoe we die beginselen in de praktijk hebben uitgewerkt. De kritiek op instituties wordt gelijk gesteld met kritiek op beginselen van rechtsstaat.

Een dergelijke opstelling laat echter geen ruimte voor een kritische blik op hoe de rechtstaat functioneert terwijl daar toch alle aanleiding voor is. Want hoe democratisch is ons politiek systeem? Hoeveel burgers zijn lid van een partij en hoeveel procent van de leden bepaalt het partijprogramma? En hoe groot is de invloed van diverse belangengroepen waar partijen nauwe banden mee wensen te onderhouden om verlies van stemmen te voorkomen?
In plaats van kritiek te uiten op uitspraken van Wilders zou men ook de vraag kunnen stellen hoe het komt dat zijn populariteit de laatste tijd zo sterk is toegenomen. We zijn kennelijk niet goed in staat om te agenderen wat er onder burgers leeft en dat te vertalen in politieke vraagstellingen. En we verbloemen dat onvermogen door er het etiket van “onderbuikgevoelens” op te plakken. Zo verschaffen we onszelf een legitimatie ze niet serieus te hoeven te nemen. Maar zo maak je je er wel erg gemakkelijk van af. Bovendien is dat in strijd met de open samenleving die we zo graag willen. Een tweede punt betreft de tendens  dat burgers in verkiezingstijd steeds meer als klanten worden beschouwd. Burgers worden benaderd als manipuleerbare objecten. Hun sympathie moet worden gewonnen door slim opgezette campagnes. Die zijn steeds minder op de inhoud gericht maar steeds meer bepaald door de profilering ten opzichte van andere partijen. Politiek is partijpolitiek geworden. Men reageert niet op maatschappelijke problemen maar primair op elkaar. Op dat punt wijkt de strategie van Wilders nauwelijks af van wat binnen ons politieke domein gebruikelijk is. Populisme is bepaald niet het exclusieve kenmerk van Wilders. Helaas. En kan de toenemende juridisering van onze samenleving, zich uitend in alsmaar langere procedures en vertraging van projecten, eveneens niet worden opgevat als een symptoom van een gemankeerd politiek systeem? Steeds vaker wordt een beroep gedaan op rechters om uit te spreken of politieke besluiten wel juridisch houdbaar zijn. 

In plaats van de wijze waarop ons democratisch systeem functioneert kritisch tegen het licht te houden is, is de energie vooral gericht op instandhouding ervan en niet op vernieuwing. Voor zover er sprake is van veranderingen dragen die nauwelijks bij aan versteviging van onze democratie. Onderliggende problemen worden niet opgelost door een gekozen burgemeester of een referendum over een associatieverdrag. We veranderen de tafelschikking en denken daarmee de kwaliteit van het eten te verbeteren.     

Zo beschouwd zijn het de politieke partijen zelf die Wilders de kans bieden handig gebruik te maken van de gebreken van ons politieke systeem. Dat zal doorgaan zolang het besef ontbreekt dat ingrijpende vernieuwing nodig is. Dan houden we de problemen in stand, juist omdat we die zo goed hebben georganiseerd. Wanneer er geen ruimte is voor scepsis en vanzelfsprekendheden geen onderwerp van discussie mogen worden, herhalen we het verleden. Dat mag maar dan moeten we geen kritiek hebben op personen die ons telkens weer met ons onvermogen confronteren. Dan past een misplaatste oproep tot fatsoen niet. Dergelijke fatsoensnormen verhinderen juist dat verandering tot stand komt en worden zo een dekmantel voor instandhouding ven problemen.  Wilders vaart er wel bij. 


Thieu Wagemans is raadslid voor Ronduit Open in Leudal en werkt aan een studie over vernieuwing van het politieke systeem

*********************************************************************************************************************


Op 13 oktober 2015 verscheen de volgende opiniebijdrage in de Limburgse kranten.

Debat opvang vluchtelingen doet geen recht aan problematiek

Discussie is polariserend

De vluchtelingenproblematiek staat thans centraal op de politieke en maatschappelijke agenda. En terecht. Een discussie daarover zou in een open en democratische samenleving idealiter moeten resulteren in een beleid dat recht doet aan wat de meerderheid denkt en rekening houdt met opvattingen en zorgen van de minderheid. Daarvan is nauwelijks sprake Integendeel. De discussie is in wezen een confrontatie tussen twee uiterste en onverenigbare posities. Aan de ene kant een moreel gefundeerde opvatting dat we in een samenleving wensen te leven waarin niemand gedwongen wordt de nacht op de straat door te brengen en waarin ieder recht heeft op elementaire zorg zoals onderdak, voeding en medische zorg. Aan de andere kant het standpunt dat veel mensen die zich als vluchteling melden gelukzoekers zijn en dat het zowel onmogelijk als ongewenst is om een onbeperkt aantal asielzoekers op te vangen. Een dergelijke discussie is polariserend, doet geen recht aan de onderliggende problematiek en getuigt van onzindelijke communicatie. In plaats van verschillen te zoeken lijkt het op zijn plaats de punten van overeenstemming te zoeken. Welke zijn dat?

Op de eerste plaats is het volkomen in strijd met een minimumniveau aan beschaving wanneer in ons land bijvoorbeeld gezinnen met kinderen de nacht op straat moeten doorbrengen. Wie daar anders over denkt hoort niet in Nederland thuis. Tegelijkertijd is voor ieder helder dat ons land niet miljoenen mensen van elders kan opvangen, nog los van de redenen waarom men zijn toevlucht zoekt in Nederland. Op de tweede plaats wordt eventuele overlast van grootschalige opvang van asielzoekers zeer ongelijk verdeeld. Dat geldt voor de “grote” overlast wanneer bijvoorbeeld vestiging van een zeer grootschalig AZC aan de orde is. Dat geldt ook in het klein. Mensen die in een straat wonen met veel sociale huurwoningen en die het niet prettig vinden wanneer gaandeweg 40 % van de woningen door mensen uit andere culturen wordt bewoond, krijgen niet de ruimte hun bedenkingen te uiten omdat ze anders wordt verweten inhumaan te zijn. Dat is een gemakkelijk standpunt voor wie in een bungalowwijk woont. Het is ongepast wanneer een open discussie over de opvang van vluchtelingen onmogelijk wordt gemaakt door mensen die zichzelf een hoge morele maatstaf aanmeten en zich dat ook gemakkelijk kunnen permitteren omdat ze geen enkele overlast ondervinden van een ruimhartige opvang van asielzoekers. En waarom mag er geen kritiek zijn wanneer een gemeente, zoals in Leudal, het beleid verandert waardoor het inrichtingskrediet dat nieuwkomers krijgen voortaan niet meer hoeft te worden terugbetaald en dit ten koste gaat van het geld dat beschikbaar is voor armoedebestrijding in de gemeente?

Ik meen dat maatschappelijk draagvlak voor opvang van asielzoekers begint met een houding van openheid waarbij het voor ieder mogelijk is opvattingen te uiten maar waarin amorele uitingen ten strengste worden veroordeeld omdat ze niet passen binnen onze samenleving. Nodig is ook dat mensen die worden geconfronteerd met de gevolgen van een ruimhartig beleid een stem krijgen. Verder is nodig dat mensen die een verblijfstatus krijgen zo snel mogelijk in de gelegenheid worden gesteld om als volwaardige burgers te functioneren en ook daarop worden aangesproken. Dat betekent taalbeheersing. Dat betekent ook dat men niet langer afhankelijk is van sociale voorzieningen maar in de gelegenheid wordt gesteld eigen inkomen te verwerven zoals dat van alle burgers in ons land mag worden verwacht. Daarbij passen geen bureaucratische regels die nieuwkomers belemmeren of onder het mom van integratie hen dwingen kosteloos arbeid te verrichten waar anderen een beloning voor krijgen.


Thieu Wagemans is raadslid voor Ronduit Open in Leudal

*******************************************************************************************************

Op 29 september 2015 verscheen deze opiniebijdrage in de Limburgse kranten

“Politieke partijen moeten zich ontworstelen aan deelbelangen”

Een kapot geregeld land

Thieu Wagemans

Op 26 september jl. plaatste Tof Thissen een column waarin twee constateringen centraal stonden. Op de eerste plaats dat ons parlementair stelsel de afgelopen 100 jaar nauwelijks is veranderd en verder dat ons politieke systeem de band met de burger gaandeweg kwijtraakt. Hij wil daar graag iets aan veranderen. Dat valt te prijzen maar ik meen dat het probleem te ingewikkeld is om te denken dat dit met een paar simpele acties kan worden opgelost.

Wat is er aan de hand? Op technisch en economisch terrein hebben we de afgelopen 200 jaar enorme vooruitgang geboekt. We waren in staat de wereld naar onze hand te zetten dankzij nieuwe technologie. Schaalvergroting stelde in staat volop gebruik te maken van deze technologie. We gingen steeds slimmer organiseren. Gevolg was dat onze samenleving verzakelijkte.  Mensen werden gereduceerd tot regelbare objecten. Onderlinge relaties werden minder door gevoelens bepaald en steeds meer gebaseerd op berekening en bevoegdheden. Anonimiteit ging regeren. Alles werd geregeld door een juridisch systeem dat gaandeweg hopeloos ingewikkeld is geworden. De rechtspraak moet zorgen voor rechtvaardigheid maar de praktijk toont dat het voor vermogende burgers heel wat gemakkelijker is hun gelijk te halen dan voor mensen met een smalle beurs. Rechtvaardigheid is een kwestie geworden van vaardigheid in het recht. We hebben gelijkheid zo ingewikkeld geregeld dat het tot ongelijkheid leidt. We hebben waarden als het ware kapot geregeld. We stellen lange lijsten met regels op voor integer gedrag van politici. Zolang je je aan de regels houdt word je geacht integer te zijn. Regels kunnen zo een dekmantel worden voor onfatsoen. 

De consequentie is dat vragen rond moraliteit gaandeweg op de achtergrond zijn geraakt. Ideologische debatten in de politiek zijn zeldzaam geworden. Sterker nog, partijen laten zich erop voorstaan dat ze niet-ideologisch zijn. Gewiekstheid wint het van morele overwegingen.  En, wat nog erger is, partijen die claimen betekenis te geven aan waarden, handelen in de praktijk voortdurend in strijd met eigen beginselen. Men sluit compromissen. Echter, waarden en gevoelens lenen zich niet voor compromissen of handjeklap. Je kunt een ruzie niet beëindigen met als compromis dat je elkaar voortaan voor 55% vertrouwt.

Natuurlijk wordt het probleem van een grote afstand met burgers ook door de politiek ervaren. Men probeert er ook iets aan te doen. Men verandert procedures, men draagt bevoegdheden over van het rijk naar provincies en gemeenten. Dat alles is zonder twijfel goedbedoeld maar het lost het onderliggende probleem niet op. Sterker nog, het houdt de illusie van een oplossing in stand en neemt de noodzaak weg de echte problemen aan te pakken.

Nodig is dat politieke partijen zich ontworstelen aan deelbelangen. Juist daardoor blijven oplossingen uit en worden problemen in stand gehouden. Men is bang achterban te verliezen wanneer men besluiten neemt die door een deel van de achterban niet op prijs worden gesteld. Door die houding raken politici hun zelfstandigheid kwijt. Met gewiekste oneliners worden mensen naar de mond gepraat. Komen bestuurders in problemen dan kunnen ze op de vanzelfsprekende bescherming rekenen van hun partijgenoten. Nieuwe partijen die verandering willen lopen maar al te vaak vast in dezelfde bureaucratische loopgraven die het politieke bedrijf verzieken. Is het vreemd dat veel burgers niet eens meer de moeite nemen te gaan stemmen, daarmee aangevend dat ze geen enkele relatie met de politiek meer wensen?   

Laten politieke partijen eens beginnen met een analyse van de rol die ze zelf de afgelopen tijd hebben gespeeld, met de erkenning dat we zijn vastgelopen en dat we voor echte vernieuwing niet kunnen volstaan met het verhangen van bordjes of met weer een nieuwe commissie. Wie vragen rond moraliteit heeft weggemoffeld verspeelt ieder recht burgers op moraliteit aan te sopreken.  

Thieu Wagemans is raadslid en werkt aan een studie over transformatie van het politieke systeem

********************************************************************************************************************

In augustus 2015 verscheen onderstaande opiniebijdrage in de Limburgse kranten

De Spagaat van de Landbouw

De Redactie van de Limburger plaatste op 4 augustus jl. een kritisch commentaar over de landbouw.  Hoge prijzen stimuleren ondernemers hun productie uit te breiden met als gevolg overproductie en lagere prijzen.  In plaats van hogere inkomens te bereiken raakt men in de problemen. Volgens het commentaar is dat nu eenmaal het gevolg van de wet van vraag en aanbod. Boeren zijn ondernemers en moeten niet  steeds de hand ophouden bij de overheid als het tegenzit.

Strikt economisch klopt die redenering en dat is nu juist het probleem. Er valt nogal wat af te dingen op het uitgangspunt dat voedselproductie een strikt economische activiteit is. Op de eerste plaats is van een gelijk speelveld geen sprake. Er zijn veel ondernemers en veel consumenten. Maar de werkelijke macht  ligt noch bij de producenten, noch bij de consumenten maar bij een steeds kleiner aantal handelaren  en supermarkten die producenten onder druk kunnen zetten. Van de prijs die de consument betaalt komt een steeds kleiner deel bij de producent terecht. Daar komt bij dat kenmerkend voor landbouwproducten is dat een geringe overproductie reeds tot aanzienlijke prijsdalingen  kan leiden. Een tweede punt betreft het feit dat een boer niet alleen voedsel produceert maar ook het buitengebied onderhoudt. Echter, voor natuur en landschap bestaat er geen markt in traditionele zin. Het buitengebied is te beschouwen als een zogenaamd gemeenschappelijk goed dat je niet in stukjes kunt knippen en op de markt kunt verkopen. Maar het meest wezenlijke bezwaar is dat die beide functies, voedselproductie en beheer van natuur en landschap, onderling vaak op gespannen voet staan.  Grote en rechthoekige percelen zijn nodig om efficiënt gebruik te kunnen maken van moderne machines maar natuur en landschap zijn juist gebaat met kleinschaligheid en afwisseling. Burgers hebben een voorkeur voor koeien in de wei maar bedrijfseconomisch kan het gunstiger zijn koeien het hele jaar in de stal te laten.

Tegen die achtergrond kunnen  dikke vraagtekens worden geplaatst bij het uitgangspunt dat voedselproductie een economische activiteit is en dat boeren ondernemers zijn en als zodanig moeten worden behandeld. Juist de spanning tussen efficiënte voedselproductie  en duurzaam beheer van het platteland leidt ertoe dat de boer steeds weer en steeds meer in een spagaat terechtkomt. Economische redenen dwingen tot rationalisatie en schaalvergroting en tegelijkertijd leiden maatschappelijke overwegingen tot steeds meer regels en beperkingen. Die spanning is niet oplosbaar door iets meer ruimte te geven aan economische belangen of, integendeel, de overheidsregels strakker aan te halen. Toch is dat juist wat er al jarenlang gebeurt. Landbouwbeleid wordt gekenmerkt door compromissen. En door steeds ingewikkelder regels met telkens weer uitzonderingen om aan belangen vanuit de landbouw tegemoet te komen. Landbouwbeleid is voer geworden voor juristen die daar overigens ook een dikke boterham aan verdienen. In plaats van door te gaan op deze heilloze weg dient te verantwoordelijkheid voor goed en voldoende voedsel en tegelijkertijd een goed beheer van het buitengebied veel sterker bij de burger te worden gelegd. Want ook bij veel burger s is sprake van een spagaat. Men dringt aan op duurzaam geproduceerd voedsel maar laat zich in de supermarkt vaak leiden door de laagste prijzen. Zo houden producenten en consumenten een probleem in stand waar slechts de supermarkten van profiteren.  De landbouw heeft dringend behoefte aan een nieuw verdienmodel.  Er zijn reeds tal van initiatieven op dat terrein maar de omslag komt niet tot stand zolang die wordt tegengehouden door partijen die belang hebben bij instandhouding van het probleem.   

Thieu Wagemans is Raadslid voor Ronduit Open in de gemeente Leudal


****************************************************************************************************************

Op 30 juni 2015 werd deze opiniebijdrage over de nieuwe encycliek Laudato si gepubliceerd in de Limburgse kranten.

De Thuiskomst van de Kerk


Hoewel slechts enkele dagen oud heeft de nieuwe pauselijke Encycliek Laudato si al veel losgemaakt. Terecht. Hoewel velen intussen overtuigd zijn van het belang van duurzaamheid en verantwoord omgaan met de aarde blijkt het lastig om ons dagelijks gedrag daaraan ook aan te passen. Ons economisch systeem is daar ook niet op ingericht. Veel van wat van waarde is heeft in economisch opzicht geen of slechts weinig betekenis. Tegelijkertijd ondervinden we niet direct de nadelen wanneer we ons onduurzaam gedragen.

De nieuwe encycliek roept in essentie op om niet langer de aarde uit te buiten maar te beschermen wat kwetsbaar is. Dat is overigens niet nieuw binnen het christelijk geloof. Al zo’n 600 jaar voor Christus verweet de profeet Ezechiël de herders van Israël dat ze de melk van de schapen dronken, de wol gebruikten voor kleding en het vlees opaten maar zich tegelijkertijd niet om de zieke dieren bekommerden. Ze waren herders, zo schreef hij, die vooral zichzelf weidden in plaats van de schapen. De oproep van de paus betekent in wezen dat we weer oog moeten krijgen voor wat binnen ons economisch systeem geen waarde heeft. Wat economisch kwetsbaar is moet bron van inspiratie worden. Dat betekent een totale omwenteling. Het is de omgekeerde wereld.

Maar de betekenis van de encycliek kan veel verder gaan dan enkel een oproep tot duurzaamheid. De katholieke kerk heeft een periode achter de rug waarin regels en gehoorzaamheid belangrijker werden geacht dan de bronnen van het geloof. De kerk als organisatie was niet meer dienend naar gelovigen maar voorschrijvend en heersend. Zoals zo vaak gaat het mis zodra datgene wat mensen inspireert onderwerp wordt van organisatie, van regels, van procedures. Dat geldt voor willekeurig welke organisatie en dus ook voor de kerk. De eigen verantwoordelijkheid waar de paus toe oproept kan een periode inluiden waarin de regels niet langer “zaligmakend” zijn maar waarin de kerk zelf weer waarden belangrijker gaat vinden dan regels. Dat is ook de enige weg waarin de kerk weer betekenisvol kan zijn. Natuurlijk zal moeten blijken welk vervolg door de kerk wordt gegeven aan de encycliek. Uiteindelijk zijn het immers niet meer dan woorden. Maar het is een moedige eerste stap die tot nieuw elan kan leiden. De weg zal niet eenvoudig zijn en kan ook tot interne tegenstellingen leiden. Hard bidden in de kerk en zich buiten de kerk onduurzaam gedragen wordt lastig. Er zullen fouten worden gemaakt zoals altijd bij ingrijpende vernieuwingen. Maar beter fouten gemaakt op het juiste pad dan met volharding de verkeerde richting kiezen. Beter zich herbronnen dan blijven kiezen voor vanzelfsprekendheden en achterhaalde routines waarmee we slechts het verleden herhalen maar niet een nieuwe toekomst scheppen. De encycliek biedt de kerk een kans om weer in woord en daad het kwetsbare centraal te stellen en dus weer “thuis” te komen.

Ook in het politieke domein kan de encycliek betekenisvol zijn. De opgaven op het vlak van duurzaamheid zijn niet oplosbaar door slimme compromissen, door een procentje meer of minder of door ingewikkelde juridische procedures. Daar zijn we weliswaar handig in maar ze brengen ons niet verder. Ze creëren de illusie van oplossingen waarna we telkens weer

tot de conclusie komen dat de echte problemen blijven voortbestaan. Veel maatschappelijke problemen schreeuwen als het ware om een thematisering en analyse op niveau van waarden in plaats van belangen. Waarden inspireren, regels doen dat zelden of nooit. Ook in dat opzicht is de nieuwe visie van de paus patroondoorbrekend. Menige politieke partij kan er een voorbeeld aan nemen. Al te vaak is het enthousiasme van het eerste uur verdrongen door interne partijregels. Politieke debatten zijn nauwelijks meer ideologisch van aard. Politiek is afgegleden tot partijpolitiek. In die zin is de encycliek ook een verrijkend en ver rijkend document voor iedere politicus die zegt zich door christelijke beginselen te laten leiden. Woorden, waar de politiek zo rijk aan is, tellen niet maar het gaat om de consequenties die je eraan verbindt.

Mathieu Wagemans is raadslid in Leudal

**********************************************************************************************


Een pleidooi voor vernieuwing van het psychiatrisch zorgsysteem


Mathieu Wagemans
(Belenbroeklaan 22 6093BT Heythuysen mchwagemans@hotmail.com www.ontganiseren.nl)


· Een situatieschets

Over het functioneren van de psychiatrische zorg bestaan veel klachten. Dat geldt niet enkel voor bijvoorbeeld familieleden van patiënten maar ook intern vallen regelmatig kritische geluiden te horen. Daarbij gaat het niet enkel om operationele vragen maar ook over fundamentele vraagstukken bestaat verschil van opvatting. Voor een belangrijk deel is dat toe te schrijven aan het feit dat onze kennis over het ontstaan van psychiatrische aandoeningen en effectieve behandelingen nog beperkt is. We weten nog betrekkelijk weinig over hoe mentale, fysische en omgevingsfactoren bij een psychiatrische aandoening op elkaar inwerken. Tegelijkertijd wordt ook de psychiatrische zorg geconfronteerd met bezuinigingen. De psychiatrie bevindt zich daarbij in een afhankelijke positie. Zonder de nodige middelen is goede zorg niet mogelijk maar besluitvorming over middelen vindt plaats door overheid en verzekeringsmaatschappijen. Daarnaast oefent de farmaceutische industrie invloed uit waarbij ook andere overwegingen meespelen dan goede psychiatrische zorg. Een derde factor is dat tegelijkertijd het belang van goede psychiatrische zorg steeds belangrijker wordt. Het aantal mensen met een psychiatrische aandoening neemt toe. De combinatie van deze factoren leidt ertoe dat een verwachtingspatroon wordt opgebouwd waar niet aan kan worden voldaan. Dat is een lastige situatie. Men wil verbetering maar wordt beperkt daarin beperkt door gebrek aan kennis, inzicht en middelen. Niettemin wordt binnen de psychiatrische zorg door velen naar verbetering gestreefd. Maar met alle waardering voor dergelijke initiatieven blijft de vraag of daarmee de noodzakelijke veranderingen kunnen worden bereikt. Kunnen we vertrouwen op bestaande processen of is er een noodzaak voor ingrijpender veranderingen? Waar moeten die dan op betrekking hebben? En hoe kunnen die worden gerealiseerd?

· Aanleiding tot verdieping

Iedere organisatie en ieder systeem ontwikkelt routines. Dat geldt ook voor de psychiatrische zorg. Routines ontstaan min of meer automatisch. Binnen een organisatie ontwikkelen zich opvattingen over problemen, over oplossingen en onderlinge omgangsvormen. Dat gebeurt vaak impliciet. Op enig moment worden ze ook niet meer ter discussie gesteld, juist omdat ze vanzelf spreken. Er bestaat de gedeelde overtuiging dat het beste via bepaalde praktijken kan worden gehandeld. Deels liggen die vast in voorschriften en protocollen maar voor een belangrijk bepalen ze onbewust het gedrag en kunnen ze niettemin nog krachtiger werken dan formele regels. Ze zijn doorgaans lastig te veranderen. En uiteraard moet er een stevige noodzaak tot verandering zijn. Waarom zou je ingrijpen in routines die vast verankerd zijn in een organisatie? Om die vraag naar de noodzaak van verandering binnen het psychiatrisch zorgsysteem te beantwoorden lijkt een verdiepende analyse gewenst. Een dergelijke analyse is nodig om de duiden of er sprake is van systeemproblemen. Gaan er zaken “systematisch” mis? Hoe komt het dat verbeteringen niet het gewenste effect hebben? Waarom komen pogingen tot verandering lastig van de grond? We zullen ten behoeve van een dergelijke analyse achtereenvolgens ingaan op de aard van een psychiatrische aandoening en de plaats van betekenisgeving binnen de psychiatrie. Vervolgens komt de relatie met de buitenwereld aan de orde en zullen we conclusies trekken over de noodzaak van systeemveranderingen. We sluiten af met de vraag hoe noodzakelijke veranderingen kunnen worden gerealiseerd en wat daarbij kritische condities zijn.

· Wat is de kern van een psychiatrische aandoening?

Kort gezegd zouden we kunnen stellen dat wetenschap en praktijk van de psychiatrie met betekenisverlening heeft te maken. Een psychiatrisch patiënt geeft op een andere wijze betekenis dan wij “normaal” vinden. Betekenisgeving wordt dan ook wel aangeduid als het centrale vraagstuk van de psychiatrie. Immers, in wezen vormt de wijze waarop wij mensen betekenis geven aan onszelf, aan onze omgeving en aan onszelf in relatie tot die omgeving niet alleen het wezen van de mens maar ook het centrale kenobject van de psychiatrie. Eenzelfde situatie wordt door een depressief persoon heel anders beoordeeld dan door anderen. Een situatie die de een als normaal beschouwt kan een ander als angstaanjagend beleven. De situatie is hetzelfde maar de betekenisgeving kan erg verschillen. Een mens kan waanbeelden als werkelijkheid, als “waar” zien. Iemand kan het zicht verliezen op zichzelf, geen perspectief meer zien of “overmensd” worden door angstbeelden. Nu heeft iedereen wel eens mindere dagen of periodes. Element van een psychiatrische aandoening is echter ook dat men het vermogen mist op eigen kracht een dergelijke periode te boven te komen en het leven weer aan te kunnen.


· Betekenisgeving binnen de psychiatrie

Wat betekent het uitgangspunt dat betekenisverlening centraal staat binnen de psychiatrie voor het functioneren van het psychiatrisch zorgsysteem? We gaan achtereenvolgens in op de diagnostische fase, de behandelfase en op wetenschappelijk onderzoek binnen de psychiatrie.

1. Betekenisgeving en diagnose

Doel van een diagnose is vast te stellen of er sprake is van een psychiatrische aandoening. De psychiater zal daartoe moeten trachten zich te verplaatsen in de persoon van de patiënt om te weten te komen hoe hij in het leven staat, hoe hij functioneert in zijn werkomgeving en zijn thuissituatie, welke sociale relaties hij onderhoudt, wat hij als problematisch of onoplosbaar ervaart en bovenal wat het zelfbeeld is van de patiënt.

Daartoe interpreteert een psychiater gedrag van een patiënt om zo betekenisgeving door een patiënt te leren kennen met een diagnose als uiteindelijke uitkomst. Welke beelden heeft een patiënt en wat valt er te zeggen over processen van betekenisgeving? Dat is niet eenvoudig. Zingeving op zichzelf is niet waarneembaar. Wat we kunnen waarnemen is gedrag van een patiënt, maar dat is een afgeleide indicator. Gedrag vormt een expressie van onderliggende zingeving. Via observatie van gedrag en reacties op vragen proberen we de wereld te leren zien zoals een patiënt die ziet om vervolgens op basis daarvan tot een diagnose te komen.

Uiteindelijk resulteert een goede diagnose in een beeld dat door zowel patiënt als psychiater wordt gedeeld. Een diagnose vormt idealiter een gezamenlijk gedeelde constructie die vervolgens door de psychiater wordt geherformuleerd in professionele termen. Dat is het ideale beeld maar de praktijk kan geheel anders zijn. Allereerst is het buitengewoon lastig om eigen betekenisverlening opzij te zetten. Dat geldt ok voor de psychiater. Waarneming en interpretatie van gedrag brengen onvermijdelijk reductie met zich mee. Persoonlijke overtuigingen, opleiding, ervaringen met andere patiënten, nieuwe inzichten uit de vakliteratuur enz. oefenen invloed uit. Verder zal een psychiater zijn conclusie moeten herformuleren volgens de classificaties van het DSM. Ook dat is een bron van reductie die bovendien vrijwel onvermijdelijk is, alleen al vanwege de stevige relatie tussen de DSM-classificatie en het vergoedingensysteem. Sterker nog, in zijn uiterste consequentie kan een diagnose van meet af aan worden gedomineerd door de DSM-definities van mogelijke psychiatrische aandoeningen. In dat geval wordt de patiënt niet benaderd als betekenisgevend mens maar als te classificeren object van onderzoek. Risico daarvan is dat alles wat voor een patiënt betekenisvol is maar niet kan worden geordend volgens het DSM, als betekenisloos terzijde wordt geschoven. Dat betekent dat bij iedere diagnostisering elementen buiten beeld zullen blijven. Die reductie is, gezien vanuit een constructivistisch perspectief dat aan gedrag betekenisverlening voorafgaat, niet te vermijden. Gevolg is wel dat iedere diagnose een veronderstellend karakter heeft. Het is een beeld van de werkelijke situatie waarin een patiënt verkeert maar het is niet het enige beeld, noch een beeld waarvan de juistheid onomstotelijk kan worden bewezen.

Betekenisgeving en behandeling


Een patiënt die wordt opgenomen in een psychiatrisch afdeling krijgt te maken met tal van intern geldende regels. Die regels zijn deels bedoeld om een omgeving van structuur en rust te scheppen die heilzaam is voor behandeling van patiënten Ook overwegingen op het vlak van persoonlijke veiligheid maken regels noodzakelijk. Op de derde plaats vraagt de organisatie van operationele zaken om enige ordening. Zo ontstaat er een doordacht complex van regels en protocollen die nuttig en nodig worden geacht voor een optimale behandeling en herstel van patiënten. Veel minder aandacht krijgt de vraag hoe die combinatie van regels en protocollen wordt beleefd door de patiënt. Welke betekenis geven patiënten eraan? Hoe wordt een situatie ervaren wanneer voor ogenschijnlijk volstrekt onbeduidende punten toestemming moet worden gevraagd aan de dienstdoende medewerkers? Of wanneer blijkt dat de beslissingsruimte van medewerkers zeer beperkt is en telkens weer moet worden opgezocht of de behandelend psychiater wel of niet ergens toestemming voor heeft verleend? Het kan door een depressieve patiënt worden ervaren als een aanduiding dat men zelf tot niets meer in staat is, als een situatie van volkomen afhankelijkheid en als een bevestiging dat men in een uitzichtloze situatie terecht is gekomen. Daarmee is geenszins gezegd dat dergelijke regels niet noodzakelijk zouden zijn. Het gaat echter om de betekenis die eraan wordt gegeven. Voor iemand die depressief is en een negatief beeld heeft omtrent zichzelf en de omgeving werkt dat niet helend en bouwend aan zelfvertrouwen maar leidt het eerder tot nog meer uitzichtloosheid. Men wordt gedomineerd door een systeem dat bedoeld is te genezen maar dat zo in zijn tegendeel kan verkeren. Wat bedoeld is als zorg kan worden ervaren als bewijs van eigen onvermogen en als uitdrukking van totale afhankelijkheid hetgeen bepaald niet bijdraagt aan het opbouwen van een positief zelfbeeld. Hier is het onderscheid aan de orde tussen de motieven die aan regels ten grondslag liggen en de wijze waarop deze worden ervaren door een patiënt. Het is allerminst vanzelfsprekend dat een patiënt, zeker in de fase van verwardheid na eerste opname, deze regels en de ratio erachter begrijpt. Sterker nog, dat lijkt erg onwaarschijnlijk.

Een stap verder is wanneer patiënten het systeem met al zijn regels doorgronden en hun gedrag aanpassen aan wat voorgeschreven is, niet omdat ze de regels aanvaarden en respecteren maar slechts om door symbolische bevestiging van de regels de ruimte voor zichzelf te scheppen de eigen gang te gaan. Dergelijk gedrag staat bekend als “playing the system”. Men weet hoe men zich moet gedragen om medewerkers op basis van een positieve inschatting ertoe te bewegen ergens toestemming voor te geven. Zo bleken daklozen in Chicago heel nauwkeurig de opnamecriteria te kennen van psychiatrische instellingen en de bijbehorende gedragspatronen zodat men de winter niet op straat hoefde door te brengen.

3. Betekenisgeving en onderzoek


De noodzaak van onderzoek staat binnen de psychiatrie niet ter discussie. Er zijn tal van leemten in onze kennis, ook ten aanzien van zeer centrale vraagstukken. We weten nog weinig van hoe processen van betekenisverlening verlopen en ook niet over de vraag hoe dergelijke processen worden beïnvloed en soms vrij plotseling ingrijpend kunnen veranderen. En als veranderingen optreden missen we onderbouwde kennis over de relatie tussen oorzaak en gevolg. De kennisvragen zijn bovendien buitengewoon complex. Er spelen fysische, mentale en omgevingsfactoren een rol die op een vooralsnog zeer ondoorzichtige wijze onderling verweven zijn. Een disciplinaire benadering kan zicht bieden op kennis binnen een discipline maar veel lastiger is om te komen tot inter- en multidisciplinaire kennis. De methodologie voor dergelijk onderzoek is ook veel minder ontwikkeld dan voor disciplinair onderzoek. Dat maakt het accepteren door het wetenschappelijk forum van kennisclaims een stuk lastiger, vergeleken met onderzoek dat met gebruik van een breed aanvaarde methodologie tot stand is gekomen.


Het vertrekpunt van het constructivisme heeft ook gevolgen voor het psychiatrisch onderzoek. Om aan de eisen van wetenschappelijk verantwoord onderzoek te doen wordt de wereld gereduceerd tot een kenbare en onderzoekbare wereld. Wetenschapsbeoefening veronderstelt precisie en systematiek. Precisie houdt in dat heel nauwkeurig wordt aangegeven welke begrippen worden gehanteerd en hoe die zijn gedefinieerd. Hoe nauwkeuriger de definitie, des te groter de reductie. We kunnen vervolgens met behulp van de waarschijnlijkheidsleer uitspraken doen over de relatie tussen twee of meer parameters. Een eerste gevolg daarvan is dat het toepassingsgebied van verworven kennis kleiner wordt naarmate de condities waarbinnen het onderzoek is uitgevoerd nauwkeuriger zijn geformuleerd. Vertaling naar en toepassing in de praktijk is dan lastiger.


Een tweede punt is dat een statistisch betrouwbare relatie nog niet betekent dat ons inzicht is toegenomen. Een relatie betekent niet noodzakelijkerwijs dat er sprake is van een causaal verband en geeft ook geen inzicht in de vraag op welke wijze beide parameters samenhangen. De hypothese en de onderliggende redenering is strikt genomen slechts een mentale constructie over een mogelijke relatie. Wordt de in de hypothese veronderstelde relatie bevestigd, dan wil dat nog niet zeggen dat ook de daaraan ten grondslag liggende redenering wordt bevestigd. Feitelijke uitkomsten uit onderzoek zijn nog geen garantie dat ons inzicht is toegenomen.


Natuurlijk hoeft dat niet noodzakelijkerwijs een probleem te zijn. Een probleem ontstaat pas wanneer relevante aspecten en verschijnselen buiten beeld blijven en binnen gemaakte afspraken niet kunnen worden gethematiseerd. In het bijzonder binnen de psychiatrie is deze vraag aan de orde. Het gaat er immers om betekenisgeving door een patiënt en de processen van betekenisgeving te leren kennen. Het risico bestaat dat als gevolg van de voorgeschreven onderzoekaanpak de werkelijkheid (in dit geval het beeld dat de patiënt zich daarvan heeft gevormd) slechts voor een deel aandacht krijgt, namelijk voor zover die past binnen het vooraf geconstrueerde onderzoekkader. In wezen is men dan niet geïnteresseerd in het perspectief van de patiënt maar stelt men de eigen onderzoekbenadering voorop. Dat laatste fungeert als toetssteen en aambeeld. De wereld dient samen te vallen met het betekeniskader dat men zelf vooraf heeft samengesteld. Hoenders e.a. (2006) stellen dat onderzoek in de reguliere geneeswijzen grotendeels is gebaseerd op positivisme, reductionisme, objectivisme

en determinisme. Er wordt gestreefd naar standaardisatie en generalisatie. Voor subjectieve beleving is doorgaans weinig ruimte. Een rationeel-analytische benadering kan zo gemakkelijk op gespannen voet staan met onderzoek naar gevoel en beleving. Door aspecten te onderkennen aan boosheid ontneem je het wezen aan boosheid. Argumenten, hoe rationeel ook, hebben geen werking wanneer men depressief is. Door te redeneren over angst doe je geen recht aan het wezen van angst. Anders gezegd, er bestaat spanning tussen een rationeel-klinische benadering en het kenobject van de psychiatrie.


Een andere factor binnen psychiatrisch onderzoek vormt het begrippenapparaat. Binnen iedere wetenschappelijke discipline is er de noodzaak van algemeen aanvaarde, heldere en communiceerbare begrippen en definities. Een gedeeld en aanvaard begrippenapparaat stelt in staat tot betekenisvolle communicatie en voorkomt permanent misverstaan. Met de vaststelling van (opeenvolgende edities van) het DSM is op dat terrein een belangrijke stap gezet. Maar tegelijkertijd is er ook een keerzijde. De definitiefase wordt doorgaans beschouwd als de eerste fase van ontwikkeling van een wetenschappelijke discipline. Het gaat dan om duiding van het aandachtsgebied, de vragen die centraal staan en daaraan gekoppeld de terreinafbakening ten opzichte van andere disciplines. Maar een gedeelde set van definities houdt ook een risico in. Definities zijn bepalend voor de wijze waarop vanuit het wetenschapsterrein naar de werkelijkheid wordt gekeken. Wat binnen de definities past is relevant en verschijnselen die daarin niet passen blijven buiten beeld. De nieuwe discipline is er niet ontvankelijk voor. Dit probleem is extra relevant wanneer een wetenschapsterrein nog volop in ontwikkeling is en er sprake is van een nog onontgonnen onderzoeksveld. Dan bestaat het gevaar dat men probeert inzicht te verwerven met behulp van begrippen die "per definitie" daartoe niet in staat stellen. Voor de psychiatrie is in dit verband van belang dat de begrippen zoals verwoord in het DSM slechts deels zijn gebaseerd op verworven inzicht en voor een groot deel het resultaat vormen van aanvaarde definities op basis van waarneembare kenmerken. Onze kennis van de onderliggende processen van psychiatrische aandoeningen is nog beperkt. Dat houdt het risico in dat bij onderzoek niet het mensbeeld van de patiënt voorop staat maar een extern geconstrueerd betekeniskader met de daarbij behorende schemata. Aanvaarde definities zijn slechts in beperkte mate dragers van kennis en inzicht. Verdere detaillering van definities betekent niet automatisch verdieping van inzicht.

Wat opvalt is verder dat er binnen de psychiatrie veel waarde wordt toegekend aan formeel-wetenschappelijke kennis en veel minder aan ervaringskennis. Mensen in de omgeving van patiënten beschikken over veel kennis maar vervullen binnen het kennissysteem (nog steeds) een zeer ondergeschikte rol. De psychiatrische zorg functioneert als een professioneel systeem dat weinig toegankelijk is voor derden. Ervaringskennis, bijvoorbeeld van familie van een patiënt, heeft een lage status. Het is lastig om van buiten uit door te dringen tot het professionele systeem. De toegankelijkheid is laag. De merkwaardige situatie doet zich voor dat kennis binnen de psychiatrische zorg gebrekkig is terwijl tegelijkertijd slechts matig gebruik wordt gemaakt van beschikbare kennis rond patiënten.

· De relatie met de buitenwereld

Hoe een systeem functioneert is niet enkel afhankelijk van de interne dynamiek maar ook van de relaties met de buitenwereld. Dat geldt ook voor het psychiatrisch zorgsysteem. Om de invloed van externe systemen te kennen en begrijpen moeten we ons verdiepen in de vraag wat er gebeurt op het breukvlak tussen systemen. We gaan achtereenvolgens in op het breukvlak tussen psychiatrisch zorgsysteem en de overheid en het psychiatrisch zorgsysteem en de omgeving van de patiënt.

1. De relatie met de overheid

Er is nauwelijks een betekeniskader zo gedetailleerd uitgewerkt als dat binnen de overheid. Iedere wet of verordening begint doorgaans met een artikel waarin met veel gevoel voor detail begrippen worden omschreven. Wat wordt verstaan onder “verplichte zorg”, een “crisismaatregel”, een “zorgverantwoordelijke” enz. Die definities vormen samen het perspectief, de bril, waarmee de maatschappelijke werkelijkheid voor de overheid betekenis krijgt. Binnen het betekeniskader van de overheid is er geen plaats voor onzekerheid. Situaties waarin sprake is van gebrek aan kennis of onvermogen passen niet goed in dat model. De wereld wordt gereduceerd tot een kenbare en beïnvloedbare wereld. Terwijl voor burgers onvermijdelijk het moment kan komen dat men de werkelijkheid onder ogen moet zien, geldt dat niet voor de overheid. De overheid verkeert in een positie dat de eigen definities dwingend aan de maatschappij kunnen worden opgelegd. De macht van de overheid is in wezen definitiemacht. De maatschappelijke werkelijkheid wordt zodanig gereduceerd dat deze past binnen het overheidsperspectief. Op papier is alles in orde. Situaties, problemen enz. die buiten het overheidsperspectief vallen zijn voor de overheid “per definitie” betekenisloos. Risico daarvan is dat de overheid contact verliest met de buitenwereld en geen oog meer heeft voor wat burgers bezig houdt. Er is teveel werkelijkheid die niet binnen het beleidskader valt. Zo kan de overheid een situatie als verkeersveilig benoemen terwijl er in de beleving van burgers sprake is van een extreem onveilige situatie. Situaties worden gereduceerd en zodanig gedefinieerd dat ze oplosbaar zijn. Problemen worden als het ware “weggedefinieerd”. Problemen die niet oplosbaar zijn vallen buiten het perspectief en bestaan als het ware niet. Voor de overheid is dat een buitengewoon comfortabele positie. De buitenwereld wordt aangepast aan de wereld van de overheid.

Overheid en psychiatrie krijgen steeds meer met elkaar te maken. Er is sprake van onderlinge afhankelijkheden. Hoewel er voorbeelden zijn van het omgekeerde (denk aan psychiatrisch onderzoek van verdachten in strafrechtzaken) kan in het algemeen worden gesteld dat het psychiatrisch systeem zich ten opzichte van de overheid in een afhankelijk positie bevindt. Voor zover belangen gelijk oplopen hoeft afhankelijkheid niet noodzakelijkerwijs problemen op te leveren. Dat ligt anders wanneer belangen verschillen. De afhankelijke partij verkeert dan in een ongunstige positie.

Wat is het gevolg wanneer twee domeinen met onderling afwijkende betekeniskaders met elkaar communiceren en het ene domein systeem het eigen betekeniskader kan opleggen aan het andere domein? Het risico bestaat dat problemen zoals ze binnen een domein worden beleefd niet aan bod komen. Zo kan de problematiek binnen de psychiatrische zorg worden gereduceerd tot een financieel vraagstuk. Dat biedt de mogelijkheid voor het sluiten van compromissen over vraagstukken, bijvoorbeeld maatwerk voor psychiatrische patiënten, die zich niet lenen voor compromissen. Compromissen, bijvoorbeeld over financiële middelen, zijn dan een armoedige oplossing van een in wezen uitdagend en inspirerend probleem.

2. De relatie met de omgeving van de patiënt

Wie met het psychiatrisch zorgsysteem in aanraking komt, bijvoorbeeld omdat een naaste relatie met psychiatrische aandoening te maken krijgt, ervaart doorgaans een gesloten systeem dat weinig informatie prijsgeeft. Men verkeert in een afhankelijke positie. Er is niet zelden sprake van grote terughoudendheid om naasten van patiënten te informeren. Er wordt zeer nadrukkelijk afstand bewaard waarbij het lastig is te constateren of dat uit gebrek aan interesse is of omdat protocollen mogelijk voorschrijven om afstand te houden. Voor zover naasten worden geïnformeerd gebeurt dat vaak in algemene of in lastig te doorgronden termen. Men wordt er niet erg wijzer van wanneer men verneemt dat een naaste kenmerken vertoont van “een depressie met kenmerken van een psychose”. Men wil de beste zorg voor iemand die je dierbaar is maar wordt geconfronteerd met een systeem dat gekenmerkt wordt door onafhankelijkheid en afstandelijkheid.

· De noodzaak van systeemveranderingen

Iedere vorm van organisatie betekent reductie. Iedere organisatorische regel kan worden opgevat als een uiting van zingeving/betekenisverlening. Het is gestolde betekenisgeving, het resultaat van processen van betekenisgeving. De werkelijkheid wordt gereduceerd tot een organiseerbare werkelijkheid. Wat niet organiseerbaar is, wordt als betekenisloos terzijde geschoven, niet met opzet maar als feitelijk effect. Gaandeweg gaan we een set van betekenissen opvatten als de werkelijkheid en gaan we eraan voorbij dat we functioneren binnen een geconstrueerd beeld van de werkelijkheid die we ook op geheel andere wijze betekenis kan worden gegeven. Die reductie kan zo ver gaan dat er veel werkelijkheid, preciezer geformuleerd constructies van de werkelijkheid, buiten beeld blijven. Dat betekent ook dat veel van wat betekenisvol kan zijn voor mensen buiten beeld blijft. Dat geldt zeker wanneer er binnen een systeem sprake is van zeer ver doorgevoerde organisatie. Denk bijvoorbeeld aan gedetailleerde protocollen die niet zozeer zijn verankerd in kennis en inzichten maar voor een belangrijk deel het karakter hebben van afspraken. Gevolg kan zijn dat een systeem een eigen wereld, een eigen werkelijkheid, creëert waarbinnen men zich bezighoudt met vraagstukken die binnen het intern geldend betekeniskader zeer gewichtig worden geacht maar die in de wereld buiten het systeem weinig relevantie hebben. Of omgekeerd: er zijn vraagstukken aan de orde waarvoor een systeem niet ontvankelijk is omdat ze niet betekenisvol kunnen worden gethematiseerd. Ook wanneer mensen binnen een systeem daar oog voor hebben betekent dat allerminst dat hier aandacht voor is. Een betekeniskader, een frame, kan binnen een organisatie zo krachtig zijn dat het “not done” is er buiten te treden. Voor wie kritisch is resteert dan vaak slechts geldende routines te volgen, ook al zijn die voor betrokkenen betekenisloos. Men bevestigt in zijn gedrag symbolisch de voorschriften; activiteiten krijgen een ritueel karakter. Het omgekeerde kan ook, namelijk dat buiten het eigen domein problemen worden ervaren die betekenisloos zijn binnen het systeem.


Zowel voor het psychiatrisch zorgsysteem als voor de overheid geldt dat er in termen van betekenisverlening sprake is van ferme reductie. In beide systemen is sprake van perspectieven die het waarnemingsvermogen beperken. Structuren, routines en vooronderstellingen maken het niet eenvoudig om het dominante perspectief te verbreden. Nemen we de overheid als voorbeeld. In plaats van perspectiefverbreding is het eerder zo dat het overheidsperspectief steeds nauwer wordt. Nieuwe regels moeten worden ingepast binnen bestaand beleid. Maar ook voor verandering van beleid gelden strakke regels. Bovendien moet iedere maatregel voldoen aan beginselen van behoorlijk bestuur. Verder vormt jurisprudentie dagelijks bron voor nieuwe interpretaties van beleidsregels. Ook speelt mee dat het formele zingevingskader sterk geïnstitutionaliseerd is. Kortom, de reductie wordt steeds groter en verandering steeds lastiger. Gaandeweg raakt de overheid verstrikt in het eigen beleid en wordt de overheid de gevangene van zichzelf. Het beleidsnetwerk raakt in zichzelf gekeerd. Het is voorgeprogrammeerd op instandhouding en zelfs vergroting van problemen in plaats van gericht te zijn op het zoeken naar en werken aan oplossingen.


Gevolg van lastig veranderbare perspectieven is dat er weliswaar ruimte is voor veranderingen binnen het systeem maar niet voor veranderingen van het systeem. Dat houdt het risico in dat de werkelijke problemen onzichtbaar blijven en dat slechts de gevolgen ervan als symptomen aan de oppervlakte komen. Zo helpen wijzigingen binnen een gedetailleerd uitgewerkt protocol niet wanneer het protocol is gebaseerd op veronderstellingen en uitgangspunten die een deugdelijke onderbouwing missen. Systeemproblemen worden afgewikkeld dan alsof het om operationele problemen handelt. De echte problemen worden zo “georganiseerd” in stand gehouden. Het gaat “systematisch” fout. Oplossingen hebben geen werking maar creëren slechts de illusie van een oplossing. Dat laatste is een probleem omdat men geen verdere aanleiding ziet de onderliggende systeemvragen onder ogen te zien. Wat plaatsvindt heeft het karakter van wat in het schaakspel bekend staat als een herhaling van zetten: veel beweging op het bord maar geen wezenlijke verandering.


Nu onze kennis omtrent het functioneren van de psyche beperkt is en de aard van de kennisvragen multidisciplinair van karakter is, is er reden om het kennissysteem binnen de psychiatrie fundamenteel tegen het licht te houden. Herwaardering van ervaringskennis lijkt daarbij aan de orde alsmede vernieuwende vormen van discipline-overstijgende onderzoekprogramma’s. dat vereist een open functionerend kennisnetwerk, geen starre kaders en geen claims van professionaliteit die niet deugdelijk zijn of kunnen worden onderbouwd.

Er is een dringende behoefte aan een systeemanalyse waarbij zowel de functies binnen het psychiatrisch zorgsysteem zelf onderwerp van analyse vormt als de wijze waarop het psychiatrisch systeem externe relaties onderhoudt.


· Condities voor systeemverandering


Een dergelijke analyse vereist als eerste stap dat het betekeniskader binnen een domein expliciet wordt benoemd en dat zekerheden en veronderstellingen worden geuit en tot onderwerp van gesprek worden. Wat is de ratio onder ons gedrag? Dat stelt in staat het functioneren van het eigen systeem en het eigen gedrag te begrijpen. In het verlengde daarvan is nodig dat gelijksoortige exercities worden gedaan in relatie met externe partijen.


Er is behoefte aan een gedegen systeemanalyse die kan uitmonden in een conceptueel “systeemakkoord” waarin deelnemende partijen veranderingsopgaven benoemen, een veranderingsstrategie formuleren en de intentie uitspreken daaraan te gaan werken. Een dergelijke systeemanalyse is slechts nuttig wanneer daarbij volop de ruimte bestaat om onderling verschillende en zelfs tegengestelde probleemdefinities op tafel te krijgen. Vanuit een constructivistisch perspectief gaat het immers niet om de problemen zoals ze zijn, maar hoe ze worden beleefd en betekenis krijgen. Voor een dergelijke analyse is nodig dat alle betrokken partijen bereid zijn tot perspectiefwijziging en vanzelfsprekendheden op te geven. Op het vlak van onderlinge communicatie houdt dat in dat men zich in elkaars betekeniskaders verdiept en op basis daarvan tot een constructieve dialoog komt. (Lems e.a.) Met name voor de overheid is dat een lastige opgave omdat definities zoals die in het beleid vastliggen dat verhinderen. Er is als het ware een by-pass-constructie nodig waarbij ruimte wordt gecreëerd om naar oplossingen te zoeken, ook als die haaks staan op geldend beleid. (Wagemans, 2012). In plaats van de werkelijkheid te dwingen in nauwsluitende beleidskaders is een pluriforme benadering nodig waarin tegelijkertijd meerdere “werkelijkheden” naast elkaar kunnen bestaan. Een ingrijpender verandering is nauwelijks denkbaar. Deze benadering staat haaks op de neiging tot standaardisatie en ordening die thans het paradigma vormt voor zowel de psychiatrische zorg als de overheid en die problemen eerder koestert dan oplost. Een systeemanalyse veronderstelt bereidheid en ruimte voor kritische inbreng waarbij kritiek op een bestaand systeem geen doel is maar opstap moet zijn naar nieuwe perspectieven die tot nieuwe probleemopvattingen leiden.


Vanuit de psychiatrie zal de bereidheid tot transparantie nodig zijn en zal een realistisch beeld moeten worden geschapen, ook met betrekking tot eigen onvermogen. Ook zal de houding van professionaliteit ten opzichte van de buitenwereld moeten worden afgelegd omdat deze verhindert dat bestaande overtuigingen, perspectieven, analyses en handelingspatronen onderwerp van kritische reflectie worden. Dat vraagt een verkennende en belangstellende houding binnen de beroepsgroep.

Een open houding zonder vooringenomenheid is, zo leert de ervaring in andere sectoren, enkel mogelijk wanneer die plaatsvindt buiten de belangenstructuur zoals die thans functioneert. Belangen en posities vormen uitdrukking van de bestaande context en belemmeren doorbraken. Ze leiden hooguit tot marginale veranderingen die het werkelijke probleem onaangetast laten. Men reproduceert het verleden in plaats van de toekomst te ontwerpen. Om dat te voorkomen is belangrijk dat bij de aanvang van een veranderingstraject deelnemers met elkaar delen wat hen inspireert tot deelname maar ook hoe groot de ontwerpruimte voor een nieuw psychiatrisch zorgsysteem mag zijn. Wat mag onderwerp van discussie worden en wat niet? Een systeeminnovatief proces wordt voortbewogen door energie en inspiratie van deelnemers en niet door bestaande belangen en bevoegdheden. Dat kan uitmonden in een inspirerend document waarin ambitie en aanpak worden vastgelegd. Een dergelijk startdocument is belangrijk als baken in het verder proces en kan diensten bewijzen wanneer het proces stokt of bijvoorbeeld de inspiratie uit een proces wegvloeit als gevolg van bijvoorbeeld belangentegenstellingen.

Belangrijk is ook dat maximaal de ruimte wordt geboden voor inbreng van alle betrokkenen. Wat zijn de ervaringen die men heeft? Tegen welke problemen loopt men aan? Dat pleit voor een proces met volop actieve deelname van zowel hoogleraar als praktisch hulpverlener, van beleidsambtenaren en financiers, van zowel patiënten als mensen uit hun omgeving. Een proces waarin men tegelijkertijd met de laarzen in de modder staat en met het hoofd in de hemel denkt. Een dergelijk traject zou niet alleen de psychiatrie vooruit kunnen helpen maar ook een buitengewoon spannend experiment zijn voor de overheid met een andere wijze van beleidsvorming. De belangrijkste voorwaarde voor een goede start is of er voldoende inspiratie aanwezig is om ongebaande paden te verkennen.

De ervaring toont dat ook een proces van systeemvernieuwing kan vastlopen in een woud van regels en structuren die weliswaar bedoeld zijn om vernieuwing te faciliteren maar die tegelijkertijd heel gemakkelijk een remmende uitwerking kunnen krijgen. In plaats daarvan is nodig dat er niet alleen ruimte is voor uiteenlopende en zelfs tegengestelde visies maar ook de bereidheid dergelijke visies op hun consequenties en werking te onderzoeken. Dat vraagt een lerende in plaats van een (ver)oordelende houding zodat een traject niet vastloopt in tegenstellend denken dat splitsend werkt in plaats van verbindend.

***********************************************




In de Limburgse kranten verscheen op 15 januari 2014 onderstaande opiniebijdrage over vrijheid van meningsuiting.


Geen vrijbrief om te kwetsen


Wereldwijd is met afschuw en verachting gereageerd op de gebeurtenissen in Parijs. Ook in tal van Limburgse gemeenten is daar uitdrukking aan gegeven. Dat is een goed teken. Het geeft aan dat wij vrijheid van meningsuiting een groot goed vinden. We komen in actie wanneer die vrijheid plotseling niet meer vanzelfsprekend blijkt te zijn. We vinden dat in een open samenleving ieder de ruimte moet hebben opvattingen naar voren te kunnen brengen, ook als die organisaties, bestuurders of andere burgers onwelgevallig zijn. Dat is een grote verworvenheid ten opzichte van vroegere situaties waarin men gevaar liep wanneer men zich bijvoorbeeld kritisch uitte tegenover machthebbers. Helaas is dat nog in veel landen dagelijkse praktijk. Graag profileren we ons naar andere landen met onze verworvenheden.

Wat de afgelopen dagen onderbelicht is gebleven is de vraag of ook de vrijheid van meningsuiting zijn grenzen kent of zou moeten kennen. In het strafrecht zijn er regels omtrent strafbare belediging. We mogen discussiëren op het scherpst van de snede maar er is geen ruimte om anderen te beledigen, bijvoorbeeld door onwaarheden over iemand te vertellen. Ook vinden we dat er ruimte moet zijn voor satire. In onze regio hebben we daar goede ervaringen mee. Zie het Carnaval wat van oudsher een gelegenheid is om bijvoorbeeld uiting te geven aan kritiek op autoriteiten. Overigens is ook daarbij sprake van grenzen. Zo komt het regelmatig voor dat deelnemers worden geweerd uit de optocht omdat men onnodig en overdreven kwetsend is.

Actueel is thans de vraag hoe vrijheid van meningsuiting zich verhoudt tot godsdiensten en de uitoefening ervan. Naast vrijheid van meningsuiting hebben we vrijheid van godsdienst. Dat betekent dat ieder zijn eigen geloof mag aanhangen en uiten. Vrijheid van meningsuiting houdt tegelijkertijd in dat we ook de ruimte hebben onze opvattingen over andermans godsdienst te uiten. We mogen kritiek hebben op de wijze waarop die is georganiseerd en functioneert. Zie het misbruikschandaal in de katholieke kerk in Nederland. Of de kritiek op Islamitische Staat. We staan niet toe dat onder de vlag van een godsdienst misdrijven worden gepleegd. Maar ook hierbij is de vraag aan de orde of die uitingsvrijheid beperkingen kent of zou moeten kennen. Mogen we ook zover gaan dat we instituties, geloofsuitingen en godsbeelden belachelijk maken? Mogen we gelovigen intens kwetsen door de draak te steken met wat betekenisvol is voor hen? En waarom zouden we dat moeten willen? Welk doel is daarmee gediend, anders dan het kwetsen van mensen? Wat heeft kwetsen en beledigen met vrijheid van meningsuiting te maken? Zijn we minder vrij wanneer we anderen niet mogen kwetsen door hun godsdienst te beledigen? Vrijheid van meningsuiting kan geen legitimatie zijn om iedere vorm van respect terzijde te schuiven.

Er bestaat een merkwaardige spanning tussen vrijheid van meningsuiting en verdraagzaamheid. Onvoorwaardelijk kiezen voor vrijheid van meningsuiting betekent dat de verdraagzaamheid tot het uiterste wordt opgerekt. Dan kunnen we ons onbeperkt permitteren anderen te schande te maken omdat zij zich immers verdraagzaam dienen op te stellen. Verdraagzaamheid wordt dan merkwaardig en eenzijdig ingekleurd. Wie gekwetst wordt dient verdraagzaam te zijn. Voor wie anderen kwetst geldt dat dan blijkbaar niet.


Thieu Wagemans is Raadslid in Leudal

*********************************************************************************************************************

Op 26 november 2014 plaatste Dagblad Trouw onderstaande opiniebijdrage over de spanning tussen rechtspraktijk en rechtsgevoel.

Ophef over Taakstraf is Signaal aan de Politiek


De recente veroordeling van een Poolse chauffeur in verband met het aanrijden van drie personen met dodelijke afloop heeft tot veel reacties geleid. Velen vinden dat hun rechtsgevoel is beschaamd. De Rechtbank stelt daarentegen dat niet het wettelijk en overtuigend bewijs is geleverd dat de chauffeur te hard reed. Als gevolg daarvan wordt een taakstraf van 120 uur als een juiste strafmaat gezien.


Los van de feitelijke toedracht geven de reacties ook iets anders aan. Dat heeft te maken met het feit dat ook in deze zaak het feitelijk handelen van rechters niet blijkt aan te sluiten bij wat burgers rechtvaardig vinden. Op zichzelf is het logisch en correct dat rechters zich niet mogen laten leiden door gevoelens van burgers. Rechters dienen immers te toetsen aan de wet en we hebben nu eenmaal geen “Verordening Rechtsgevoel van Burgers” waarmee besluiten van rechters in overeenstemming moeten zijn. Maar er valt meer over te zeggen. In alle objectiviteit kunnen we ook stellen dat ons juridisch systeem is losgezongen van de praktijk zoals die door burgers wordt beleefd. Binnen het rechtssysteem is gaandeweg een eigen wereld ontstaan waarin feiten en situaties geheel anders worden geinterpreteerd dan wat burgers voor “normaal” houden. De juridische werkelijkheid wijkt aanzienlijk af van de alledaagse werkelijkheid waarin burgers leven.


Bovendien is de juridische werkelijkheid buitengewoon ingewikkeld. Zonder juridsiche bijstand krijgt men nauwelijks een voet aan de grond. Wat juridisch van doorslaggevend belang is, kan geheel betekenisloos zijn voor burgers. Men heeft daarom specialisten nodig die de eigen rationaliteit van het juridisch systeem doorgronden en die bijgevolg weten hoe het juridisch spel moet worden gespeeld: welke feiten doen ertoe, welke feiten kunnen beter worden verzwegen en welke beweringen kunnen juridisch gewicht in de schaal leggen? De wijze waarop we binnen ons rechtssysteem het beginsel van gerechtigheid hebben uitgewerkt kan ertoe leiden dat de rechtspraktijk geen recht meer doet aan het rechtsgevoel. Rechtvaardigheid is een kwestie geworden van vaardigheid in het recht. Er wordt op weinig plaatsen zoveel gelogen en gezwegen als in rechtszalen.


Aan rechters is het vervolgens om te oordelen. Daarbij zijn zij gehouden aan nauwe regels die deels voorkomen uit de rechtspraktijk zelf. Het domein van de rechtspraak is een wereld op zichzelf geworden. Basis voor onze rechtspraak is de scheiding der machten. Politici hebben zich niet te bemoeien met hoe rechters oordelen. Binnen de politiek betekent het feit dat “een zaak onder de rechter is” dat men zich van ieder oordeel dient te onthouden. Tegelijkertijd zijn politici diegenen die regels vatstellen. Zij bepalen aan welke regels rechters moeten toetsen. Zij kunnen dus ook regels aanpassen wanneer zij constateren dat de rechtspraktijk te ver is komen af te staan van wat maatschappelijk als rechtvaardig wordt beoordeeld. Dat geldt niet enkel voor het strafrecht. Ook het bestuursrecht geeft tal van voorbeelden waarbij een burger die zich dure juridische bijstand kan permitteren een vergunning krijgt die andere burgers wordt onthouden. Of een overheidsbesluit wordt vernietigd omdat een ogenschijnlijk onbeduidend detail naar het oordeel van een rechter tot verrassing van velen doorslaggevend wordt geacht.


Een situatie waarin rechtspraak niet meer aansluit bij wat in de samenleving als rechtvaardig wordt beoordeeld is bij uitstek een politiek vraagstuk. Scheiding van de rechtsprekende, wetgevende en uitvoerende macht wordt te makkelijk door politici aangegrepen om zich niet met een zaak bezig te houden. Sterker nog, het is hoog tijd voor een maatschapelijk debat over de vraag of ons rechtssysteem nog wel aansluit bij beleving door burgers. Het vraagt lef van politici om zich intensiever met het functioneren van ons rechtssysteem te gaan bemoeien en niet te volstaan met enkel wat gemorrel in de kantlijn door een of andere procedure iets aan te passen. Lef is bij uitstek een kwaliteit die politici dienen te hebben, in tegenstelling tot rechters die zich aan de regels hebben te houden.


Thieu Wagemans is raadslid in Leudal voor de politieke partij Ronduit Open



***********************************************************************************************************

Op 12 november 2014 verscheen de onderstaande opiniebijdrage in de Limburgse kranten over de functie van kleine politieke partijen. Ze houden grote partijen wakker door de gebreken in ons politieke systeem bloot te leggen.


Kleine politieke partijen verwoorden wat onder kiezers leeft

Ze hebben een belangrijke functie als luis in de pels

Vanuit het CDA is het voorstel gedaan kleine partijen voortaan te weren uit de Tweede Kamer. Als argument wordt aangevoerd dat kleine partijen de besluitvorming belemmeren, dat men aan goedkoop populisme doet enz. Zeker zal ook meespelen dat men het lastig vindt wanneer nieuwe partijen met nieuwe gezichtspunten tot het parlement doordringen. Wanneer zij voldoende steun krijgen betekent dit dat een belangrijk aantal kiezers zich niet (goed) meer vertegenwoordigd voelt door bestaande partijen. Maar er valt meer over te zeggen.

We hebben een politiek systeem dat in menig opzicht grote gebreken vertoont. Velen hebben het vertrouwen in de politiek verloren. Burgers worden niet meer gehoord of worden in verkiezingstijd met zalvende oproepen tot stemmen verleid waarna het spel na de verkiezingen weer gewoon doorgaat. Een van de problemen is dat het politieke systeem onvoldoende ontvankelijk is voor wat burgers bezighoudt. Problemen zoals burgers die ervaren krijgen geen echte aandacht. Regelgeving is zo ingewikkeld gemaakt dat verandering nauwelijks mogelijk is. De overheid is de gevangene van zichzelf geworden. Steeds weer worden juridische en andere redenen opgeworpen waarom niet tegemoet kan worden gekomen aan wensen van burgers. Wie bezwaar wil maken moet zich verzekeren van juridische bijstand omdat je anders als burger geen voet aan de grond krijgt of al gauw op het verkeerde been wordt gezet. Je bent niet ontvankelijk of je argumenten zijn ongegrond. Het leidt tot toenemende frustratie bij burgers en velen keren de politiek de rug toe.

Nu het politieke systeem in menig opzicht ziende blind en horende doof is voor wat burgers bezig houdt, zijn kleine en nieuwe partijen belangrijk omdat die verwoorden wat onder burgers leeft maar waarvoor de grote partijen doof zijn. Dat kunnen ook partijen zijn die slechts een enkel aandachtspunt hebben. De Partij voor de Dieren heeft dierenwelzijn onder de aandacht gebracht. De Ouderenpartij doet datzelfde met betrekking tot de problemen van ouderen. Zo zou ook een partij kunnen wordt opgericht die zich sterk maakt voor veiligheid op straat en een stevige aanpak van criminaliteit. Natuurlijk kan een land niet worden bestuurd door partijen die slechts aandacht hebben voor een enkel probleem. Maar de betekenis van kleine partijen is heel anders. Ze zetten problemen op de agenda die door de grote partijen niet serieus worden genomen. Of ze maken duidelijk dat zogenaamde oplossingen geen enkel effect hebben, ook al zijn politici in staat dat met mooie woorden toe te dekken. Een tweede bestaansrecht van kleine partijen is dat ze kunnen dwingen tot verdieping en doorbreking van oppervlakkigheid. Een voorbeeld vormt de overgang naar een zelfverantwoordelijke participatiemaatschappij. De illusie overheerst dat dit mogelijk is door te korten op overheidsbijdragen en veel communicatie. In wezen is aan de orde dat een zelfverantwoordelijke samenleving dwingt tot vormen van verplichtend burgerschap. Dat is een ingrijpende verandering. Immers, vele decennia zij burgers door politieke partijen bevestigd in vrijblijvendheid en calculerend gedrag. Te gemakkelijk en te kritiekloos namen politieke partijen wensen over zonder burgers op eigen verantwoordelijkheid aan te spreken. Dat verander je niet door regels aan te passen maar vraagt een fundamentele heroverweging van burgerschap.

Kleine partijen hebben een functie om duidelijk te maken wat de grote partijen laten liggen, hun onvermogen te illustreren en duidelijk te maken dat bestaande routines noodzakelijke veranderingen in de weg staan. Het kan lastig en vervelend zijn wanneer de werkelijkheid doordringt tot de vergadertafels. Systemen zijn er doorgaans op gericht zichzelf in stand te houden. Het politieke systeem kan zich dat ook heel goed permitteren. Men bepaalt immers zelf of wetten en regels wel of niet worden aangepast. Dat is een luxepositie. Macht is vanzelfsprekend en er is geen reden, laat staan een dwang, om tegengeluiden serieus te nemen.

Het CDA-voorstel illustreert treffend het grote drama van de Nederlandse politiek. In plaats van het probleem serieus te nemen dat men gaandeweg het vertrouwen verliest van burgers, kiest men ervoor het probleem uit de weg te gaan. De houding is dat wat niet op de vergadertafel komt, niet bestaat. Men creëert een eigen wereld en overtuigt elkaar van het eigen gelijk. Het is in wezen een houding van arrogantie. Men kan blijven doorgaan op de oude weg en de oude belangenstructuren in stand houden. In plaats van problemen op te lossen worden de problemen zo georganiseerd in stand gehouden. Velen hebben er belang bij en danken er hun loopbaan aan.

******************************************************************************************************************

Op 24 juni 2014 plaatsten de Limburger en Limburgs Dagblad een opiniebijdrage met als titel: NIEMAN VERANTWOORDELIJK, de samenleving heeft zijn eigen onmacht uitstekend georganiseerd

NIEMAND VERANTWOORDELIJK, de samenleving heeft zijn eigen onmacht uitstekend georganiseerd

Na het uitbreken van de Franse Revolutie moest er een besluit worden genomen over het lot van de afgezette Koning Lodewijk XVI. Een van de jonge leden van de Nationale Conventie, Saint-Juste, oordeelde dat Lodewijk als koning had geregeerd en alleen al daarom schuldig was. Lodewijk eindigde op het schavot. De redenering was dat als je hebt geregeerd je dus ook verantwoordelijk bent. Dat was nogal kort door de bocht.

Hoe anders is dat in de huidige samenleving. Bestuurders van zorgorganisaties, onderwijsinstellingen en woningcorporaties ontvangen enorme salarissen, zelfs wanneer ze de eigen organisatie aan de rand van de afgrond hebben gebracht. Velen zijn van mening dat het moreel volstrekt verwerpelijk is wat er gebeurt. Mensen worden ontslagen om de kosten te drukken en de bestuurders verhogen hun toch al zeer riante salarissen. Hoe is zoiets mogelijk? Er is immers een Raad van Toezicht, er zijn commissarissen, er zijn inspecteurs en procedures. Medewerkers houden vaak hun mond omdat ze, zeker in onzekere tijden, niet het risico willen lopen van represailles. Vaak verdedigen bestuurders zich met het argument dat formeel alles in orde is omdat besluiten langs de aangewezen weg tot stand zijn gekomen. De bankwereld laat eenzelfde beeld zien. Met overheidsgeld moesten banken worden gered nadat te grote risico’s waren genomen. Men sprak er schande van. Nauwelijks enkele jaren later blijkt men niets te hebben geleerd. Het gebruik om zeer aanzienlijke bonussen te verstrekken aan bestuurders boven op de toch al zeer hoge salarissen is weer staande praktijk. Men kan het zich permitteren door te gaan op een weg die alom wordt afgekeurd.

De vraag is hoe deze praktijken kunnen voortduren terwijl ze toch in brede kring worden afgekeurd. Hoe komt het dat velen worden betaald om controle uit te oefenen maar kennelijk niet bereid of in staat zijn om in te grijpen? Het antwoord is dat we onze maatschappij zodanig hebben georganiseerd dat we niet meer in staat zijn tot verandering. Zo verschuilen politici zich vaak achter het argument dat organisaties een eigen verantwoordelijkheid hebben en dat ingrijpen in strijd is met geldende regels. Hard ingrijpen om die regels en verantwoordelijkheden te veranderen gaat men uit de weg. Of men wenst liever niet partijgenoten voor de voeten te lopen die na een politieke loopbaan de overstap hebben gemaakt naar goedbetaalde functies in zorg, onderwijs en woningbouw. Ingrijpende veranderingen lopen vast in partijpolitieke loopgraven. Parlementaire enquêtes geven een schrijnende praktijk aan maar echte verandering blijft uit. Het systeem houdt zichzelf in stand. Steeds weer vullen voormalige politici hun doorgaans toch al aanzienlijke pensioen aan met allerlei opdrachten die ze krijgen van partijgenoten. Er is sprake van een netwerk waarin men elkaar de bal toespeelt in de hoop en verwachting ook zelf eens de geneugten ervan te mogen ervaren. Ook van rechters hoeft men geen verandering te verwachten. Zij mogen immers besluiten slechts toetsen aan geldende regels en zolang die niet worden gewijzigd zal er niets veranderen. Het komt erop neer dat niemand meer aanspreekbaar is op verantwoordelijkheid. Zolang je netjes het spel meespeelt kun je iedere verantwoordelijkheid uit de weg gaan. We hebben de eigen onmacht uitstekend georganiseerd. En wie zich daartegen verzet kan erop rekenen vermanend te worden toegesproken omdat men zich niet aan de afgesproken regels houdt. Men dient zich immers netjes te gedragen. De vlag van fatsoen dekt heel wat onfatsoen toe. Overigens, Saint-Just eindigde eveneens op het schavot. Dat is vaker het lot van veranderaars of klokkenluiders al hebben we tegenwoordig meer verfijnde en “fatsoenlijke” methodes om mensen (mond)dood te maken.

*******************************************************************************************************************************

Op 14 mei 2014 plaatste Dagblad Trouw een reactie op de vraag of we iets hebben geleerd van de recente economische crisis

We hebben niets geleerd van de crisis


Adam Smith stelde dat op de markt de “invisible hand” zijn werk deed. De recente economische crisis heeft aangetoond dat die hand vastzit aan partijen die er belang bij hebben niet naar evenwicht te zoeken maar juist onbalans te veroorzaken. Men zet zijn kaarten op een komende crisis en hoopt er rendement uit te halen. Men investeert als het ware in het ontstaan van problemen in plaats van in de oplossing ervan. We hebben onze problemen uitstekend georganiseerd. Gevolg is dat ons economisch systeem niet meer zelfcorrigerend is. Verantwoordelijkheid heeft geen gezicht meer. Door ons feitelijk handelen houden we de problemen in stand maar we zijn niet als persoon aanspreekbaar. Iedereen is formeel verantwoordelijk maar niemand heeft het gedaan. De onzichtbaarheid waar Adam Smith over schreef heeft zo zijn voordelen. In plaats van te werken aan systeemverandering zijn we blij wanneer we de symptomen ervan iets kunnen indammen. We hebben onszelf voorgeprogrammeerd op de volgende crisis.

****************************************************************************************************************
Op 6 mei 2014 verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over de Europese verkiezingen:

Europa is toe aan een Opschoonbeurt

De politieke discussies in het kader van de komende Europese verkiezingen verlopen voorspelbaar. Wie zich een kritische opmerking veroorlooft over de EU kan steevast rekenen op het verwijt dat men tegen Europese samenwerking is. Voorstanders gebruiken grote maar holle leuzen. Men geeft hoog op over het belang van een democratisch Europa. Maar hoeveel reden is er voor trots? Vanzelfsprekend heb de stichters in de vijftiger jaren een verstandig besluit genomen. Men koos voor samenwerking wat heel wijs en ook begrijpelijk was na twee allesvernietigende wereldoorlogen. Ook het afbreken van handelsbarrières tussen landen was verstandig. Het vergemakkelijkte de onderlinge handel en (oneerlijke) concurrentievervalsing werd tegengegaan. En, niet onbelangrijk, Nederland heeft er fors van geprofiteerd.

Maar wat hebben diegenen die hoog opgeven over Europa er de afgelopen decennia van gemaakt? Onder het mom van verdere integratie is Brussel zich zeer gedetailleerd met van alles en nog wat gaan bemoeien. Waarom moest er een in detail uitgewerkt Europees natuurbeleid komen? Waarom konden buurlanden niet onderling afspraken maken over beheer van grensoverschrijdende natuurgebieden? Waarom moet een fietspad tussen twee plattelandskernen worden gesubsidieerd met Europees geld? Een lidstaat betaalt eerst een bedrag aan Brussel en via een ingewikkelde en geldverslindende procedure probeert men vervolgens een gedeelte van het bedrag weer terug te krijgen. Waarom moet het aanbestedingsbeleid zo ingewikkeld worden geregeld dat enkel zeer grote bedrijven in staat zijn in te schrijven? Verder gaat zeer veel energie verloren aan aanhoudende discussies over bevoegdheidsvragen. Er is een voor burgers onbegrijpelijk juridisch systeem opgebouwd dat telkens weer inhoudelijke vraagstukken overschaduwt. De vroegere concurrentievervalsing tussen landen is vervangen door enorme subsidiestromen die zich niet meer laten indammen. Al tientallen jaren pleiten kandidaten voor het Europese Parlement voor terugdringing van de bureaucratie maar in de praktijk komt daar nauwelijks iets van terecht. Eerder integendeel. Niet minder dan 28 Eurocommissarissen proberen ieder tekens weer hun eigen terrein uit te breiden. Gaan de komende verkiezingen daar verandering in brengen. Dat valt te betwijfelen. De bureaucratie houdt zichzelf in stand. Het is nooit anders geweest. Van het Parlement valt die verandering ook niet te verwachten. Men heeft teveel belang bij het in stand houden ervan. Nergens zijn de vergoedingen en salarissen, vaak belastingvrij, zo hoog als binnen de EU. Het is een uitdijend bolwerk.

Een tweede, nog veel fundamenteler, probleem is dat de EU in wezen antidemocratisch functioneert. Men is al decennia lang bezig zaken steeds verder van de burger af te organiseren. Steeds weer wordt het principe van subsidiariteit bepleit. Dat houdt in dat zaken zo dicht mogelijk bij de burger moeten worden geregeld. De werkelijkheid is helaas anders. Er zijn om maar weinig burgers die de gang van zaken zullen begrijpen. Zij lezen slechts met regelmaat over de gigantische verspilling van overheidsmiddelen en vragen zich af wie de toenemende bemoeienis van Brussel met hun eigen leefomgeving zal stoppen. Bovendien, van een parlement met 766 met een totaal verschillende achtergrond valt een daadkrachtig beleid ook niet te verwachten. Bovendien kan het Parlement voorstellen van de Europese Commissie of van de Raad van Ministers slechts goed- of afkeuren. Met heeft niet het recht om zelf met initiatieven te komen. Misschien is dat maar goed ook.

Dat politieke onvermogen wordt, zeker in verkiezingstijd, graag verbloemd door beloften dat het voortaan anders zal gaan. Sterker nog, enkele weken geleden riepen enkele Europarlementariërs in Kiev in emotionele betogen de burgers van de Oekraïne op toch vooral voor democratie te stemmen. Zij spraken met geen woord erover hoezeer juist binnen de EU het politieke systeem wordt beheerst door een bestuurlijke elite die op enorme afstand van de burgers functioneert. Men roept van oudsher totalitair geleide landen (tsaren, communistische regimes) op hun oude systeem in te wisselen voor een systeem waarin een kleine hooggeschoolde elite op grote afstand van de burgers via uiterst complexe procedures de dienst uit maakt. Europa heeft geen verkiezingen nodig maar een grondige opschoonbeurt.




*****************************************************************************************************************************

Op 25 februari verscheen een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over de bemoeienis van landelijke politici met de gemeenteraadsverkiezingen van 19 maart:


Misbruik van Gemeenteraadsverkiezingen



Wanneer verkiezingen naderen is dat voor politici vaak aanleiding om te ontwaken. Men wordt zeldzaam actief omdat ook in een nieuwe periode de zetel zeker moet worden gesteld. Natuurlijk is het prima dat men verantwoording aflegt over verleden en helder maakt wat men van plan is. Maar niet alleen lokale politici worden actief. Kamerleden haasten zich naar vergaderzaaltjes “in de Provincie” om lokale partijgenoten bij te staan. Zo probeert men de gemeenteraadsverkiezingen steeds meer te misbruiken als een populariteitsmaatstaf voor landelijke politiek.

Dat is om meerdere redenen kwalijk. Op de eerste plaats is de gemeente het niveau waar de democratie het meest direct tot uitdrukking komt. Daar ontmoeten kiezers en gekozenen elkaar rechtstreeks. Het is de basis van onze democratie. Op de tweede plaats kampen gemeenten met problemen die juist veroorzaakt zijn door landelijke politici. Tegelijkertijd worden oplossingen vaak gefrustreerd door landelijke regels. De beleidsruimte van gemeenten wordt steeds verder ingeperkt. Er is een stortvloed aan regels waardoor de gemeentelijke politiek steeds meer een kwestie wordt van juristerij. De invloed van raadsleden neemt af en rechters krijgen het steeds meer voor het zeggen. Telkens weer verzandt besluitvorming in juridische procedures. Zo werken landelijke politici eraan mee om de taak en rol van raadsleden uit te hollen. Op de derde plaats worden gemeenten op kosten gejaagd omdat men dure adviesbureaus moet inschakelen om uit te leggen hoe de landelijke regels in elkaar zitten. Op de vierde plaats hevelt men taken over naar gemeenten zonder er voldoende geld bij te leveren. De decentralisatie van jeugdzorg, zorg voor zieken en ouderen en werk en inkomen wordt misbruikt om de rijksbegroting rond te maken. De rekening stuurt men door naar de gemeenten. En dan te bedenken dat landelijke partijen ieder jaar subsidies krijgen voor hun politieke werk terwijl afgelopen jaar opnieuw is besloten dat lokale partijen daar niet voor in aanmerking komen. Het is het bekende beeld. Hoe hoger men zit, hoe beter men zichzelf zegent.  

Dat alles is des te ernstiger omdat er dringend behoefte is aan bestuurlijke en politieke vernieuwing. Die vernieuwing komt echter nauwelijks van de grond omdat landelijke regels dat verhinderen. Men maakt zich geweldig druk over de vraag of burgemeester voortaan door de Raad of door burgers moeten worden gekozen alsof daardoor het vertrouwen van burgers in de politiek toeneemt.

Overigens is er geen enkele garantie dat lokale partijen daar per definitie verandering in zullen brengen. Te vaak spelen lokale politici het spel mee in plaats van veranderingen af te dwingen. Te velen geven er de voorkeur aan en hebben er belang bij hun positie te handhaven. Verandering bereik je niet door er mooie woorden over op te nemen in het verkiezingsprogramma. Voor echte verandering is nodig dat je je onafhankelijk opstelt. Die onafhankelijkheid werkt naar twee kanten. Naar de gemeente toe betekent het dat je niet vanzelfsprekend onderdeel wordt van het formele regelsysteem of slaafs achter eigen wethouders aanloopt. Dat je als raadslid zelf met voorstellen komt, ook als die dwars ingaan tegen landelijk beleid. Het is juist op lokaal niveau waar de relatie tussen burger en politiek moet worden hersteld. Je kunt je niet beperken tot het vaststellen dan dikke beleidsnota’s zonder je te interesseren hoe die voor burgers uitwerken. Op papier is vaak alles in orde maar de praktijk toont vaak een ander beeld. Maar onafhankelijkheid is ook nodig naar burgers toe. Dat is niet vanzelfsprekend. Wanneer verkiezingen naderen bestaat de neiging bij velen om burgers naar de mond te praten om zo hun sympathie te winnen. Na de verkiezingen blijkt dan dat mooie verhalen en beloften niet worden bewaarheid. Dat is juist een belangrijke reden waarom mensen hun vertrouwen verliezen in politiek en politici.

Thieu Wagemans is raadslid in Leudal 




********************************************************************************************************************************

Op 21 januari 2014 verscheen er een opiniebijdrage in de Limburgse kranten over robotisering van de samenleving.

Worden robots mensen of worden mensen steeds meer robots?


De ramp in de kerncentrale in Fukushima (Japan) toonde aan dat mensen slechts beperkt in staat zijn om problemen op te lossen die door moderne technologie kunnen worden veroorzaakt. Het stralingsniveau in de centrale was zo hoog dat het voor mensen niet mogelijk was van binnen uit een goed beeld te krijgen van de situatie in de centrale. Het leidde tot een pleidooi om harder te werken aan de ontwikkeling van robots. Die zouden bij toekomstige rampen de situatie in kaart kunnen brengen en zelfs de noodzakelijke maatregelen kunnen nemen. Een droombeeld? Niet voor iedereen. De laatste tijd verschijnen weer berichten over technologische voortgang bij ontwikkeling van robots. Zozeer zelfs dat de overtuiging groeit dat men robots kan ontwikkelen met menselijke trekken. Robots met zintuigen, die bijvoorbeeld reukgevoel hebben. De Amerikaanse filosoof Denett stelt dat robots in de toekomst zelfs bewustzijn kunnen ontwikkelen zoals wij mensen dat ook hebben.   

Velen beschouwen dat als een flinke stap vooruit en dagdromen over wat er niet allemaal mogelijk wordt. Robots die mensen worden. Maar we kunnen er ook vanuit een heel ander perspectief naar kijken. Dan nemen we niet de robot als uitgangspunt maar de mens. Dan is de vraag niet of robots mensen kunnen worden maar of mensen niet steeds meer op robots gaan lijken.  

Nemen we het overheidsbeleid als vertrekpunt. Een willekeurige wet of verordening begint doorgaans met een artikel met een aantal definities. Daarin wordt nauwkeurig omschreven wat “in de zin van deze regeling wordt verstaan onder ….”. Daarin legt de overheid vast hoe de wereld wordt bezien vanuit die regeling. Wat niet aan de definities voldoet is voor de overheid betekenisloos. Burgers die met plannen komen krijgen vaak te horen dat het een uitstekend plan is maar dat dit helaas niet past binnen de regeling. Men komt niet in aanmerking voor subsidie of men krijgt geen vergunning. Dat betekent vaak einde oefening. Want wat in regels is vastgelegd is wet, hoe briljant plannen ook zijn. Niet wat burgers bezighoudt is bepalend maar wat er ooit is besloten. Maar het gaat nog een stap verder. Niet alleen plannen van burgers moeten aan regels voldoen maar dat geldt ook voor de burgers zelf. We zijn er trots op dat we in een vrij land leven met volop ruimte voor eigen initiatief. Maar wie die ruimte wil benutten loopt vaak tegen de grenzen aan van regels.

Burgers zijn voor de